CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 Toelichting Espendonk 15 (inclusief bijlagen)

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan sanering varkenshouderij'22.985 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.4.4 Eindconclusie Gelet op de nevenactiviteit bij de woning is een grotere oppervlakte aan bijgebouwen gewenst. Ook de maatvoering en situering wijkt af van de gebruikelijke regels. Gelet op de locatiekenmerken en de meerwaarde op het gebied van milieu en landschap door deelname aan de SRV wordt onderhavige ontwikkeling als passend beschouwd.

3 Nu Interim omgevingsverordening provincie Noord-Brabant

26

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

HOOFDSTUK 4 MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING

4 1 Milieuhygiënische en planologische verantwoording 4.1

INLEIDING Bij het opstellen van een bestemmingsplan is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten van het plan. Aangetoond dient te worden dat de realisatie van het plan er niet toe leidt dat andere functies in de omgeving worden beperkt in hun mogelijkheden en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

4.2

M.E.R.-BEOORDELING Algemeen In de Wet milieubeheer is aangeven dat voor bepaalde ontwikkelingen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. In de wet is de procedure beschreven en zijn de inhoudelijke eisen opgenomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen ‘m.e.r.-plichtige activiteiten’, waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en ‘m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten’, waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significant negatieve gevolgen voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het ruimtelijk plan of de omgevingsvergunning plan m.e.r.-plichtig, project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. In het Besluit m.e.r. zijn voor deze activiteiten drempelwaarden opgenomen. Daarnaast zijn er ruimtelijke ontwikkelingen die onder de drempelwaarden blijven. Voor dit soort situaties moet een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' worden gemaakt. Deze toets is weliswaar 'vormvrij'; de wet stelt echter wel eisen aan de inhoud. In de praktijk betekent dat in de toelichting bij het ruimtelijk plan een paragraaf 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' wordt opgenomen.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Beoordeling en conclusie In het Besluit m.e.r. worden woningen als onderdeel van de activiteit stedelijk ontwikkelingsproject genoemd (onderdeel D.11.2 van het Besluit m.e.r.). De vraag is of een herbestemming van een bedrijfswoning naar een burgerwoning gezien moet worden als een stedelijk ontwikkelingsproject. Aangezien het om een herbestemming van één bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning gaat, wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Op basis van de Raad van State uitspraak (201609536/1/A1) is het de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.

27

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De herbestemming kan dus alsnog m.e.r.- beoordelingsplichtig zijn. Dit is echter weer afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gezien de aard van het plan, het wegbestemmen van een intensieve veehouderij waarbij de agrarische bedrijfswoning wordt omgezet in een woonbestemming met de mogelijkheid tot realisatie van een nieuw bijgebouw van maximaal 400 m², zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en/of het Natuurnetwerk Nederland redelijkerwijs uitgesloten. Dit maakt dat de herbestemming van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie D11.2 van het Besluit m.e.r, waardoor er geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd.

4.3

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Archeologie Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. De Erfgoedwet bevat daarnaast regels voor omgang met archeologie in het algemeen. Zo is het verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met archeologische waarden. Het gemeentelijk archeologiebeleid is vastgelegd in het bestemmingsplan. Binnen het plangebied zijn de archeologische dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ gelegen, zie onderstaande figuur.

Figuur 4.1: Ligging dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 1’ (linker figuur) ‘Waarde Archeologie 2’(rechter figuur)

De aanduiding houdt in dat bij grondwerkzaamheden4 met een oppervlakte groter dan respectievelijk 200 m2 en 500 m2 en dieper dan 0,5 meter onder het maaiveld, er een rapport moet worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag verstoord worden voldoende zijn vastgesteld. In artikel 26.4.2 en 4 Bouwen danwel werken en werkzaamheden

28

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

27.4.2 ‘Uitzonderingen’ van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’ is onder c. opgenomen dat het vervatte verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden niet van toepassing is op werken en werkzaamheden welke binnen het bouwvlak, en/of het differentiatievlak plaats vinden of binnen de bestemmingsvlakken van o.a. de bestemming ‘Wonen’. Daarnaast is in hetzelfde bestemmingsplan in artikel 26.2 en artikel 27.2 ‘Bouwregels’ onder c opgenomen dat ook bij bouwwerkzaamheden geen archeologische onderzoeksplicht geldt binnen het bouwvlak en binnen de bestemmingsvlakken van o.a. de bestemming ‘Wonen’. Onderhavig plan ziet toe op de sanering van de bestaande bedrijfsbebouwing en erfverharding, welke is gelegen binnen een bouwvlak. Daarnaast wordt middels onderhavig plan binnen een gedeelte van datzelfde bouwvlak dat wordt omgezet naar de bestemming ‘Wonen’, waarop tot kortgeleden bedrijfsbebouwing (met putten tot 2 meter onder peil) was gelegen, de mogelijkheid geboden om in de toekomst een nieuw bijgebouw met een maximale oppervlakte van 400 m² te realiseren incl. de benodigde erfverharding. Aangezien het plangebied enkel de gronden van het bestaande bouwvlak omvatten is het in onderhavige situatie ruimtelijk verantwoord en reëel om de betreffende dubbelbestemmingen niet meer aan de betreffende gronden toe te kennen.

Immers is op basis van het vigerende bestemmingsplan op deze gronden binnen het bouwvlak de archeologische onderzoeksplicht uitgesloten. Daarnaast geldt op basis van hetzelfde bestemmingsplan geen onderzoeksplicht binnen het bestemmingsvlak met de bestemming ‘Wonen’ en maakt het nieuwe bestemmingsplan het planologisch niet mogelijk om de gronden met de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ die buiten het bouwvlak worden gesitueerd in de toekomst te bebouwen. Wel blijft het planologisch mogelijk om op deze gronden werken en werkzaamheden te verrichten. Hierbij dient echter opgemerkt te worden dat het niet heel aannemelijk is dat daarbij bodemverstoringen gaan plaatsvinden die dieper rijken dan ter plaatse reeds hebben plaatsgevonden t.b.v. de realisatie en de sloop van de recent gesloopte bebouwing. Gezien het voorgaande is het daarom niet reëel om na het verwijderen van het bouwvlak ter plaatse in de toekomst wel een archeologische onderzoek plicht aan bodemingrepen ter plaatse te koppelen. Het behoud van de dubbelbestemmingen ter plaatse van het plangebied verplicht het bevoegd gezag echter niet om bij een omgevingsvergunningaanvraag voor een bouwplan danwel t.b.v. het uitvoeren van werken en werkzaamheden een archeologisch onderzoek te verlangen wanneer op voorhand al duidelijk is dat de bodem van de betreffende gronden ter plaatse reeds zijn verstoord.

Archeologisch onderzoek is in onderhavige situatie niet verplicht. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Op basis van artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet is men bij de vondst van een voorwerp waarvan men vermoedt dat het om een archeologische vondst gaat, verplicht dit zo spoedig mogelijk te melden bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of zoals gangbaar is bij de gemeente Meierijstad. Het gaat dan om een archeologische vondst die gedaan wordt bij bodemingrepen in een gebied dat door de gemeente is vrijgesteld van een archeologische onderzoek plicht. Dit betreft een toeval vondst. Cultuurhistorie Op 1 januari 2012 is de wet Modernisering monumentenzorg (Momo) in werking getreden. Een belangrijke doelstelling van de Modernisering van de Monumentenzorg is het versterken van de koppeling tussen erfgoed en ruimte. In het kader van de Momo dient in de toelichting van elk bestemmingsplan beschreven te worden op welke wijze met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

29

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

Het plangebied is getoetst aan de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is op deze kaart gelegen binnen de regio Meierij. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. In de regio Meierij liggen verschillende cultuurhistorische landschappen van provinciaal belang. Het plangebied is niet gelegen binnen een dergelijk landschap.

Figuur 4.2: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant, plangebied globaal rood omcirkeld

In het landschapsontwikkelingsplan van de gemeente Sint Oedenrode is het landschap rond de Espendonk en de Broekdijk aangeduid als ‘oude zandlandontginningen’. Het gebied kenmerkt zich door het voorkomen van keileem in de ondergrond, waardoor de bodem plaatselijk flink nat kan zijn. Toch was het gebied geschiktheid voor de landbouw, waardoor het al vroeg ontgonnen is. Door de lange agrarische gebruikshistorie die gepaard ging met het opbrengen van stalmest zijn hier op veel plaatsen hoger gelegen akkers ontstaan. Die afwisseling van nat en hoog heeft een gevarieerd landschap doen ontstaan. Het beeld van het gebied wordt voor een groot deel bepaald door bosjes, beplante wegen en kavelgrenzen en open ruimtes, wat zorgt voor een kleinschalig coulisselandschap. In het gebied geldt al vanaf de middeleeuwen het recht van voorpoot, wat boeren het recht geeft om in een strook rondom hun perceel en langs de openbare weg bomen te planten voor eigen gebruik. Ook de familie Hulsen maakt van dit recht gebruik en heeft langs de Broekdijk een rij populieren geplant.

30

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

Het erf van de familie ligt min of meer op de hoek van de Broekdijk (op de chw aangeduid als een redelijk hoge historische lijn) en de Espendonk (op de chw aangeduid als een hoge historische geografische lijn). Het ligt in een wat grotere landschappelijke ‘ruimte’ die aan de westkant wordt begrensd door de met populieren beplante Espendonk, versterkt met door een iets verder naar het oosten liggende bosrand. De grens aan de noordkant bestaat uit een smalle, dicht beplante strook met bomen en struiken, de oostgrens uit de bebouwing en laanbeplanting langs de Leunestraat. De zuidgrens tot slot bestaat uit de populieren langs de Broekdijk met daarachter een bos van voornamelijk populier en wilg. De landschappelijke ruimte zelf is open. Het beeld er van wordt bepaald door de groene omranding maar ook door de gebouwen op de aangrenzende (agrarische) erven. Dit plan tast de cultuurhistorische waarden ter plaatse niet aan en kan door de te realiseren landschappelijke inpassing zorgen voor een versterking van de cultuurhistorische waarden in het landschap. Verder zijn ter plaatse of in de directe omgeving geen cultuurhistorische waarden gelegen die van belang zijn voor dit plan. Ook zijn ter plaatse geen monumenten gelegen. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied.

Daarnaast vorm de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor het aspect cultuurhistorie.

4.4

NATUUR Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en nationaal beschermde soorten. De Wet natuurbescherming is, door de samenvoeging van de wetten, zowel gericht op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bepaalt dat nieuwe of uitbreidingen van bestaande economische activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op de Natura 2000gebieden. Het plan betreft de sanering van een intensieve veehouderij en de daarmee gepaard gaande omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning met de mogelijkheid tot realisatie van een nieuw bijgebouw van maximaal 400 m² welke tevens gebruikt mag worden voor agrarische nevenactiviteiten (in de vorm van akkerbouw) bij de woonbestemming. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is gelegen op ruim 10 km van het plangebied en betreft ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’.

31

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

Figuur 4.3: Beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied (plangebied aangeduid met rode ster)

In onderhavige situatie is sprake van een beëindiging van een agrarische veehouderij waardoor de ammoniakemissie komt te vervallen en daarmee de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden afneemt. De stikstofdepositie in de beoogde situatie wordt enkel veroorzaakt door een gedeelte van de verkeersbewegingen die in de huidige vigerende situatie ter plaatse al t.b.v. de bedrijfswoning en de akkerbouwtak reeds plaatsvinden. Gezien de afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied (ruim 10 km) en het voornemen enkel bestaat uit een functiewijziging en de sloop van de bestaande bedrijfsbebouwing, is een toename van stikstofdepositie op een Natura-2000 gebied redelijkerwijs niet aan de orde. Hierdoor is een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied uitgesloten. Het eventueel uitoefenen van akkerbouwactiviteiten als nevenactiviteit bij de woonbestemming is een activiteit die zowel onder het huidige planologische regime plaatsvindt als onder het nieuwe, met onderhavig plan mogelijk te maken, regime. Dit zal niet leiden tot extra depositie. De in zijn totaliteit mogelijk te maken functies en de daarmee samenhangende effecten, zijn vergelijkbaar en komen overeen met de publicatie van de Rijksoverheid “Handreiking woningbouw en AERIUS” (januari 2020).

Hierin staat vermeldt dat voor zowel de aanleg als het gebruik van tot 50 woningen op minimaal 7 kilometer afstand van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied de toename aan stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/j betreft. Gezien het de sloop van de bedrijfsbebouwing i.c.m. de beëindiging van de varkenshouderij en een functiewijziging van bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf naar burgerwoning betreft op meer dan 7 kilometer afstand van een Natura2000-gebied is een toename op voorhand uitgesloten. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn daarmee uitgesloten. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het

32

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Om een indicatie te krijgen van de effecten die de sloop- en bouwwerkzaamheden hebben op de natuurwaarden binnen het plangebied, is een quickscan flora en fauna verricht. De rapportage, d.d.22 oktober 2019, is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting. Hierna volgt de conclusie. Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding opgenomen en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt geschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden, dient derhalve geen aanvullende onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig.

De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.

4.5

WATER Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Conclusie Met onderhavig plan wordt een bestaande bedrijfswoning bestemd als burgerwoning. Daarnaast verdwijnt de huidige agrarische (intensieve veehouderij) bestemming. De totale oppervlakte verharding ten opzichte van de bestaande situatie neemt daarmee af. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. De ontwikkeling zal door de ruime afname van verhard oppervlak een positieve invloed hebben op de waterhuishouding ter plaatse. Derhalve is een nadere uitwerking van de waterparagraaf niet noodzakelijk. Daarnaast komen door onderhavig plan de aangrenzende B-watergangen niet in het geding. Gezien het feit dat voor de sanering van de bedrijfsbebouwing en verhardingen de afwatering in de huidige situatie door het verhard oppervlak rondom de woning niet goed plaatsvond is het voor initiatiefnemer gewenst om in de toekomst wanneer blijkt dat wateroverlast blijft bestaan op de eigen gronden te voorzien in een waterberging danwel infiltratievoorziening.

33

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

In het kader van het wettelijk vooroverleg is onderhavig plan door de gemeente op 16 juni 2021 voorgelegd aan Waterschap De Dommel. Het waterschap heeft te kennen gegeven in te stemmen met het bestemmingsplan in het kader van de watertoetsprocedure. Het plan gaat op een goede manier om met waterhuishoudkundige belangen. In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak sterk af. Daardoor is dit plan hydrologisch positief. Als aandachtspunten m.b.t. de nieuwe ontwikkelingen geeft het waterschap mee dat bij de realisatie van een eventuele infiltratie-/afwateringsvoorziening geadviseerd wordt rekening te houden met het maaiveldniveau de grondwaterstanden. Een hemelwaterberging, zeker een afvoerende berging moet niet dieper dan de GHG worden aangelegd om te voorkomen dat deze gaat draineren of de bergruimte een deel van het jaar volstaat met water. Een alternatieve oplossing zou de aanleg van een wadi of bergvijver op het laagste punt van het perceel kunnen zijn. Daarnaast adviseert men de nieuwe te realiseren schuur op een voldoende hoog bouwpeil te realiseren om wateroverlast van hemelwater of grondwater te voorkomen. 4.6

BODEM In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden dat de in het plan toegelaten bestemming passend is in relatie tot de bodemkwaliteit. De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de volgens de bestemming toegestane functie(s). Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6. Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel wordt verwezen naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis over de relevante feiten en af te wegen belangen vergaart. Door bureau bodeminzicht is ter plaatse in 2020, t.b.v. een ander niet doorgezet planvoornemen tot de realisatie van ruimte-voor-ruimte woningen, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit verkennend bodemonderzoek is als bijlage opgenomen bij onderhavige toelichting. De conclusie en het advies van het onderzoek luidt als volgt: - Ter plaatse van meetpunt 12 is een gehalte aan zink gemeten in de bovengrond dat aanleiding vormt voor het verrichten van nader onderzoek. Het doel van het geadviseerde nader onderzoek is het vastleggen van de ernst en de omvang van de zinkverontreiniging; - De overige onderzoeksresultaten vormen geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect bodem, ondanks dat nog formeel onderzoek nodig is naar de ernst en omvang van de zinkverontreiniging, de sanering van de varkenshouderij ter plaatse en het herbestemmen naar een woonbestemming niet in de weg hoeft te staan. De verwachting is daarnaast niet heel groot dat op dit punt een grote verontreiniging aangetroffen gaat worden gezien het feit dat op de andere onderzoekspunten in de nabijheid deze verontreiniging ook niet is aangetroffen.

4.7

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Bij het toekennen van een nieuwe functie aan een gebied dient rekening gehouden te worden met milieuzonering. Het doel daarvan is enerzijds om de kwaliteit van het woon-

34

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en anderzijds om bedrijven voldoende ruimte te bieden voor de uitoefening van hun bedrijfsactiviteiten. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in 2009, is een bedrijvenlijst opgenomen die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Per type bedrijf zijn in de lijst richtafstanden tot gevoelige bestemmingen weergegeven. Het gaat om richtafstanden met betrekking tot de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De opgenomen richtafstanden betreffen de indicatief aan te houden afstanden tussen een hinder veroorzakende en een milieugevoelige functie. Deze afstand dient gemeten te worden tussen de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en de uiterste situering van de gevel van een woning (milieugevoelig object). Onderzoek Het agrarisch bedrijf aan de Espendonk 15 heeft nu nog een bestemming waarbinnen een intensieve veehouderij als een akkerbouwbedrijf is toegestaan. Planologisch gezien kan het bedrijf op basis van het geldende bestemmingsplan in de VNG-lijst worden ingedeeld in de categorie ‘Fokken en houden van varkens’ en ‘Akkerbouw (bedrijfsgebouwen’ . In onderstaande tabel zijn de bijbehorende richtafstanden weergegeven. Omschrijving Fokken en houden van varkens Akkerbouw (bedrijfsgebouwen) 

Afstanden in meters Geur Stof 200 30

Geluid 50

Gevaar 0

4.1

10

30

10

2

10

Categorie

Figuur 4.4: Tabel Richtafstandenlijst ‘Bedrijven en milieuzonering’

In de nieuwe situatie wordt ter plaatse van de locatie Espendonk 15 te Sint-Oedenrode de varkenshouderij in zijn totaliteit beëindigd. De akkerbouwtak wordt in de huidige vorm voortgezet. Deze tak is van een dusdanige kleine omvang dat ter plaatse geen sprake meer is van een reëel (agrarisch) bedrijf, in die zin dat dat er geen sprake is van een arbeidsbehoefte of – omvang van ten minste één halve arbeidskracht op jaarbasis, met een daarbij passend jaarinkomen. Om die reden is het voor zowel de gemeente als initiatiefnemer niet wenselijk om de agrarische bestemming ter plaatse te behouden. Daarnaast is ter plaatse geen sprake van een niet-agrarische activiteit, waardoor het omzetten van de agrarische bedrijfsbestemming in een niet-agrarische bedrijfsbestemming ook geen logische optie is. De gemeente spreekt hier niet van een hobbymatige activiteit, aangezien de ruimtevraag voor een gebouw voor de stalling en opslag van de benodigde voertuigen, machines en materialen t.b.v. de akkerbouwtak, groter is dan de maximale ruimte die de gemeente in haar huidige beleid planologisch toestaat voor een bijgebouw bij een woning5.

Dit is de reden dat in overleg met de gemeente is gekozen voor een maatwerkoplossing, waarbij het agrarische bouwvlak deels komt te vervallen en het overige gedeelte wordt gewijzigd in een woonbestemming met verruimde bouwmogelijkheden voor 5 Op basis van het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen (‘laaghangend

fruit’) bestaat de gezamenlijke bebouwde oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken bij een (bedrijfs)woning bestaande uit aangebouwde- en vrijstaande bijgebouwen maximaal150 m². Uitzonderingen daarop worden gemaakt binnen de aanduiding ‘maximum bebouwd oppervlak en voor nevenactiviteiten opgenomen oppervlakte voor bebouwing. Daarnaast bevat ditzelfde bestemmingsplan een zogenaamde ‘sloop – bonus’ regeling, waarmee met deze regeling een maximum aan 300 m² bijbehorende bouwwerken bij een woning gerealiseerd kan worden.

35

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

de realisatie van een nieuw bijgebouw met een maximale omvang van 400 m² en een maximale goothoogte en hoogte van respectievelijk 3,5 meter en 7 meter. Op deze wijze geld ter plaatse van het plangebied niet meer de verplichting dat ter plaatse een reëel agrarisch bedrijf actief dient te zijn en wordt de mogelijkheid gecreëerd om ter plaatse te kunnen voorzien in de benodigde stalling en opslag van de akkerbouwtak als nevenactiviteit bij de woonbestemming. De gemeente acht deze vorm van maatwerk in samenhang met de deelname aan de SRV-regeling6 ruimtelijk voorstelbaar. Feitelijk gebeurt het volgende binnen het plangebied: - De varkenshouderij wordt beëindigd, waardoor de bovengenoemde in figuur 4.4 weergegeven richtafstanden voor het ‘fokken en houden van varkens’ komt te vervallen; - Het agrarische bouwvlak komt deels te vervallen; - Het overige gedeelte van het agrarische bouwvlak wordt gewijzigd in een woonbestemming, waarbinnen de huidige akkerbouwtak als nevenactiviteit van de woonbestemming gaat gelden. Op basis van de vigerende bestemmingsplannen is deze akkerbouwtak planologisch toegestaan binnen het plangebied. Het gedeeltelijk herbestemmen van het agrarische bouwvlak naar een woonbestemming met de huidige akkerbouwtak als nevenactiviteit, geeft geen verruiming van de planologische mogelijkheden van de reeds toegestane akkerbouwtak.

Dit betekent dat een nieuwe planologische toets aan een activiteit die ter plaatse op basis van het huidige planologische beleid reeds is toegestaan niet aan de orde is. Zoals uit bovenstaande tabel, in figuur 4.4 naar voren komt, blijkt dat de milieu-impact van de voorgenomen functie aanzienlijk lager is gelegen dan de milieu-impact afkomstig van de huidige intensieve varkenshouderij, die samen met de te handhaven akkerbouwtak, planologisch is toegestaan op de locatie. Door beëindiging van de intensieve varkenshouderij zal met name voor wat betreft het aspect geur, stof en geluid de situatie enorm verbeteren. De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een verbetering van het woonen leefklimaat rondom het plangebied. Binnen 10 en 30 meter van het plangebied blijft het bestaande gevoelige object op Espendonk 16 gelegen. Ondanks dat deze binnen de richtafstanden voor akkerbouw blijft gelegen verbeterd voor deze woning het woon- en leefklimaat aanzienlijk door de beëindiging van het agrarische (veehouderij) bedrijf ter plaatse. Daarnaast wordt opgemerkt dat het nieuwe bijgebouw dat opgericht kan worden bij de woning op Espendonk op meer dan 30 meter van het bouwvlak van de woonbestemming Espendonk 16 wordt gesitueerd, waardoor is geborgd dat de akkerbouwactiviteiten op grotere afstand plaatsvinden dan op basis van de huidige toegestane planologische situatie.

Hierdoor wordt ten opzichte van de huidige planologische situatie wel voldaan aan de genoemde richtafstanden voor ‘Akkerbouw’. Andersom mag de ontwikkeling de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische) bedrijven niet belemmeren t.o.v. de vigerende situatie. Binnen het plangebied is een agrarische bedrijfswoning aanwezig. Deze bedrijfswoning blijft behouden en gaat dienst doen als burgerwoning. Planologisch wordt middels onderhavig plan niet de mogelijkheid gecreëerd om ter plaatse een nieuw gevoelig object op te richten danwel de bestaande woning rechtstreeks te verplaatsen. Dit houdt in dat hetzelfde toetsingsregime voor de woning blijft gelden en onderhavig plan niet leidt tot een belemmering voor de bedrijfsvoering van (agrarische) bedrijven in de omgeving.

6 waarbij vanuit de rijksoverheid van provincies en gemeenten ondersteunend flankerend

beleid wordt verwacht

36

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

Conclusie Middels onderhavig plan worden de richtafstanden voor geur, stof en geluid verkleind en blijft de richtafstand voor gevaar gelijk t.o.v. de huidige vigerende situatie. Door verkleining van het bestemmingsvlak als wijziging van de bestemming ter plaatse ontstaat niet de situatie dat niet aan de richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar voldaan kan worden tot gevoelige objecten in de omgeving. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat middels onderhavig plan de kwaliteit van het woon- en leefklimaat niet verslechterd en zelfs verbeterd t.o.v. de huidige situatie. Daarnaast heeft het plan niet tot gevolg dat ter plaatse van het plangebied nieuwe gevoelige objecten gerealiseerd worden danwel verplaatst. Hierdoor ondervinden hinderlijke bedrijven in de omgeving geen beperkingen in de uitoefening van hun bedrijfsactiviteiten.

4.8

GEURHINDER Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) De Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv), in werking getreden op 1 januari 2007, schept het beoordelingskader voor geurhinder als gevolg van tot veehouderij behorende dierenverblijven. Er wordt gekeken naar de geurbelasting van veehouderijbedrijven op de in de omgeving liggende geurgevoelige objecten. De Wgv heeft ook consequenties voor de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke plannen. Dit noemen we de omgekeerde werking. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen geurhinder, omgekeerd dient het bevoegd gezag dan ook niet toe te staan dat nieuwe plannen worden gerealiseerd op plaatsen waar de geurhinder onaanvaardbaar hoog is of door nieuwe ontwikkelingen te hoog wordt. Bij besluitvorming rondom een bestemmingsplan moet worden gekeken of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. De grondslag hiervoor ligt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voor geurhinder houdt dit in dat de volgende aspecten nader onderzocht dienen te worden: - Wordt door het plan niemand onevenredig in zijn of haar belangen geschaad? (belang veehouderij); - Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en verblijfsklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).

Onderhavig plan voorziet in de beëindiging van een varkenshouderij (dieren met een emissiefactor), waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt omgezet in een burgerwoning en ter plaatse de mogelijkheid wordt gecreëerd om een nieuw bijgebouw bij de woning te realiseren met een maximale omvang van 400 m² die tevens gebruikt mag worden voor agrarische nevenactiviteiten. De geuremissie van deze varkenshouderij op de omgeving komt hiermee te vervallen. De woning wordt in het kader van de Wgv beschouwd als een voormalige agrarische bedrijfswoning die op of na 19 maart 2000 is opgehouden onderdeel uit te maken van een andere veehouderij. Het beschermingsregime voor een voormalige agrarische bedrijfswoning is hetzelfde als voor een agrarische bedrijfswoning. Dit betekent dat deze woning niet meegenomen dient te worden in een berekening naar de voorgrondbelasting7. Maar dit betekent ook dat de afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf behorende tot een veehouderij, ongeacht of het een veehouderij betreft met dieren met een geuremissiefactor of afstandsdieren, tot de buitenzijde van de woning binnen het plangebied minimaal 25 meter dient te bedragen. De afstand tussen het De voorgrondbelasting is de geurbelasting van één individuele veehouderij op een geurgevoelig object. 7

37

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

emissiepunt van een dierenverblijf tot de buitenzijde van de woning op de locatie Espendonk 15 dient minimaal 50 meter te bedragen. Binnen 25 en 50 meter van de nieuwe woonbestemming ter plaatse is geen veehouderij van derden gelegen. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen op circa 200 meter afstand van het plangebied (gemeten van rand bouwvlak tot rand bouwvlak) aan de Schoorse Hoefstraat 11, waar op basis van Web BVB 2 paarden zijn vergund. Door de herbestemming van de agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning wordt niemand onevenredig in zijn/haar belangen geschaad. Daarnaast is het nieuw te realiseren bijgebouw niet bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In onderhavige situatie is daarom ook geen sprake van de oprichting van een nieuw geurgevoelig object danwel de verplaatsing van een bestaand geurgevoelig object waardoor iemands onevenredig in zijn/ haar belangen wordt geschaad. Daarnaast toetst men in ruimtelijke procedures op de achtergrondbelasting.

Dat wil zeggen de cumulatieve geurbelasting die op een bepaalde locatie (in onderhavig geval ter plaatse van de woonbestemming binnen het plangebied) veroorzaakt wordt door alle veehouderijen binnen een straal van 2 km rondom het plangebied. De achtergrondbelasting geeft een beeld van het woon- en leefklimaat op een locatie. Aangezien er geen uitbreiding danwel verplaatsing van geurgevoelige objecten wordt gerealiseerd, is een onderzoek ten aanzien van de achtergrondbelasting niet noodzakelijk. De omstandigheden omtrent het woon- en leefklimaat op de reeds bestaande woning wijzigen niet. Daarnaast wordt opgemerkt dat de beëindiging van de varkenshouderij binnen het plangebied een positief effect heeft op het woon- en leefklimaat voor de omgeving. Eén van de voorwaarde om deel te kunnen nemen aan de SRV is dat het woonen leefklimaat op het aspect geur op de omgeving verbeterd. Ondanks dat een onderzoek naar de achtergrondbelasting niet nodig is, is er in het kader van de eerdere planontwikkeling omtrent de niet gerealiseerde ruimte-voor-ruimte woningen op de locatie al eens een achtergrondgeurberekening uitgevoerd. Hieruit kwam naar voren dat de totale achtergrondbelasting op het plangebied is gelegen tussen de 3,84 Oue/m³ en 4,34 Oue/m³. Deze geurberekening is opgenomen als bijlage bij deze toelichting.

De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. In bijlage 6 en 7 bij de ‘Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij’ is in beeld gebracht wat de relatie is tussen de achtergrondbelasting, het aantal geurgehinderden en de milieukwaliteit (classificatie woon- en leefklimaat). De volgende ‘milieukwaliteitscriteria’ worden door het RIVM gehanteerd. Achtergrondbelasting geur (OUe/m3)

Geurgehinderden (%)

Milieukwaliteit

0-3

<5

zeer goed

4-8 9 - 13

5 - 10 10 - 15

goed redelijk goed

14 - 20

15 - 20

matig

21 - 28 19 - 38

20 - 25 25 - 30

tamelijk slecht slecht

38

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

39 - 50

30 - 35

zeer slecht

51 - 65

35 - 40

extreem slecht

Figuur 4.5: Tabel relatie achtergrondbelasting en milieukwaliteit in een concentratiegebied

In de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant zijn gebiedsnormen voor geur opgenomen. Dit met het doel om de maximale cumulatieve geurbelasting ten gevolge van veehouderijen in Noord-Brabant te beperken tot deze normen. Voor het buitengebied geldt een maximaal hinderpercentage van 20%, wat overeenkomt met een maximale achtergrondbelasting van 20 odour units (OUe/m³). Op basis van bovengenoemde gegevens wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied bij een maximale achtergrondbelasting geur van 4,34 OUe/m³ sprake is van een ‘goed’ woon- en leefklimaat en dat niemand onevenredig in zijn of haar belangen wordt geschaad door onderhavig plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Het woon- en leefklimaat is aanvaardbaar en door onderhavig plan wordt niemand onevenredig in zijn of haar belangen geschaad.

4.9

AKOESTIEK Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Binnen het plangebied worden met onderhavig plan niet voorzien in de oprichting of verplaatsing van een geluidgevoelige object, waardoor het aspect wegverkeerslawaai niet van toepassing is op dit plan. Industrielawaai Er dient voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinder veroorzakende objecten en hindergevoelige objecten zoals in dit geval de woning. Dit ter bescherming als ter vergroting van het woon- en leefklimaat. De afstanden uit de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering worden hierbij als richtinggevend beschouwd. Om niet alle nieuwe inrichtingen te moeten toetsen is in de vorm van de VNG uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ een pseudowetgeving gecreëerd (pseudowetgeving is geen wetgeving maar algemeen door de rechter aanvaarde methode).

De eerste toets aan ‘geluid afkomstig vanuit de inrichting’ wordt aangesloten bij deze systematiek en is weergegeven in paragraaf ‘Bedrijven en milieuzonering’. Uit deze toets is gebleken dat aan de richtafstanden van de VNG uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ kan worden voldaan (zie paragraaf 4.7). Aanvullend wordt opgemerkt dat wat betreft industrielawaai als gevolg van de herbestemming binnen het plangebied een afname van geluid plaatsvindt t.o.v. de huidige agrarische bedrijfsactiviteiten. De geluidsbronnen t.b.v. de varkenshouderij komen te

39

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

vervallen. Denk hierbij aan transportbewegingen in de vorm van personenauto-, bestelauto-, vrachtwagen- en tractorbewegingen. De vrachtwagenbewegingen hebben onder anderen betrekking op het lossen van veevoer, het aanvoeren van grond- en/of hulpstoffen, het afvoeren van afvalstoffen en kadavers en het laden en lossen van varkens. Personenauto- en bestelautobewegingen vinden plaats ten behoeve van bezoekersverkeer en/of aanvoer van goederen. De overige geluidsbronnen bestaan o.a. uit ventilatoren, lossen bulkwagen veevoer, spoelplaats, laden/lossen varkens, mest pompen, etc. T.b.v. de te handhaven akkerbouwtak als nevenactiviteit bestaan de transportbewegingen enkel uit een aantal tractorbewegingen, die niet toenemen t.o.v. de huidige vigerende situatie ter plaatse m.b.t. de akkerbouwtak. Voor omliggende geluidgevoelige objecten verbetert de geluidsituatie ruim t.o.v. de huidige situatie waarbij ter plaatse naast de akkerbouwtak ook nog een varkenshouderij wordt geëxploiteerd. Daarnaast wordt opgemerkt dat middels onderhavig plan geen nieuwe gevoelige objecten binnen het plangebied worden gerealiseerd danwel mogelijk gemaakt. De bestaande bedrijfswoning welke als burgerwoning wordt gehandhaafd behoudt hetzelfde beschermingsregime m.b.t. industrielawaai afkomstig van bedrijven in de omgeving.

Hiermee worden bedrijven in de omgeving betreffende het aspect geluid niet verder belemmerd in de bedrijfsvoering t.o.v. de feitelijke bestaande vigerende situatie Conclusie Voor wat betreft het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Het plan zal t.o.v. de huidige vigerende situatie leiden tot een afname van de geluidsemissie ter plaatse op de omgeving. Dit komt doordat de transportbewegingen van de varkenshouderij, welke met name bestaan uit zwaardere voertuigen, en de geluidsbronnen geheel komen te vervallen. Dit plan heeft daardoor enkel positief effect op het aspect geluid. Daarnaast belemmerd onderhavig plan bedrijven in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering t.o.v. de huidige situatie. Het plan heeft op basis van het aspect geluid een positief effect op het woon- en leefklimaat ter plaatse als voor de omgeving. De Wgh legt geen restricties aan onderhavig planvoornemen.

40

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

4.10

LUCHTKWALITEIT De ‘Wet luchtkwaliteit’ vormt per 15 november 2007 het toetsingskader voor nieuwe plannen en projecten in relatie tot de kwaliteit van de lucht. Als onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is de AMvB ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) opgenomen. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Deze regeling is in het leven geroepen om kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen niet onnodig te frustreren of vertragen. Onderhavig plan betreft de omzetting van een intensief agrarisch bedrijf met akkerbouwtak naar een burgerwoonbestemming met de mogelijkheid tot realisatie van een nieuw bijgebouw van maximaal 400 m² welke tevens gebruikt mag worden t.b.v. een agrarisch akkerbouwbedrijf als nevenactiviteit bij de woonbestemming. De agrarische varkenshouderij op de locatie Espendonk 15 wordt beëindigd en de bestaande akkerbouwtak wordt als nevenactiviteit bij de woonbestemming in de huidige omvang voortgezet. In de nieuwe situatie wordt de veehouderij gesaneerd en wordt de locatie herbestemd, waardoor het oprichten van een veehouderij niet (meer) mogelijk is.

Het plan leidt daarmee tot een verbetering van de luchtkwaliteit binnen het plangebied en de omgeving, doordat de fijnstofemissie, afkomstig van de veehouderij, wordt weggenomen. De fijnstofemissie afkomstig van de akkerbouwtak blijft gelijk. Het plan kan daarmee als ‘Niet in betekenende mate’ worden aangemerkt. Immers komt het aantal verkeersbewegingen van de intensieve varkenshouderij geheel te vervallen en nemen de aantallen verkeersbewegingen van de akkerbouwtak niet toe. Daarnaast is in het kader van de NIBM-regeling voor een toename in verkeersbewegingen, waar in onderhavige situatie geen sprake van is, een NIBM- rekentool ontwikkeld. Deze maakt een worst-case situatie inzichtelijk voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Voor onderhavige situatie betekent dit dat, bovenop de huidige aantal verkeersbewegingen op de locatie, maximaal 170 extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) plaats kunnen vinden, die 100% bestaat uit aandeel vrachtverkeer8, alvorens er ter plaatse sprake is van een in betekende mate situatie. Dit is in onderhavige situatie niet aan de orde.

Omdat de voertuigbewegingen bij een akkerbouwbedrijf voornamelijk bestaan uit zwaardere landbouwvoertuigen zijn wij in onderhavige situatie uitgegaan van het aandeel vrachtverkeer van maximaal 100 %. 8

41

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

Figuur 4.6: NIBM tool Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op luchtkwaliteit.

Naast het effect dat het plan heeft op de luchtkwaliteit dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit in het plangebied zelf. Het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt deels bepaald door de luchtkwaliteit. De bedrijfswoning wordt gehandhaafd en deze krijgt een woonbestemming. In de nieuwe situatie blijft daarmee sprak van één bestaand gevoelig object. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het plangebied zijn dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden uit de GCN-kaarten van het RIVM.

Figuur 4.7: GCN-kaart RIVM fijnstof PM10 (bron:geodata.rivm.nl)

42

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

Figuur 4.8: GCN-kaart RIVM stikstofdioxide (bron:geodata.rivm.nl)

De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied ligt tussen de 18 en 20 μg/m3, de norm bedraagt 40 μg/m3. Gezien de achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied en het feit dat in de omgeving enkel veehouderijbedrijven zijn gelegen met dieren met een lage fijnstofemissie wordt geconcludeerd dat veehouderijbedrijven in de omgeving niet beperkt worden in de ontwikkelingsmogelijkheden door het onderhavige plan. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied ligt tussen de 15 en 20 μg/m3, de norm bedraagt 40 μg/m3. Ter bescherming van de menselijke gezondheid definieert de Europese Richtlijn Luchtkwaliteit (2008/50/EG) een jaargrenswaarde voor het PM 2,59- jaargemiddelde. Vanaf 2020 geldt een strenge indicatieve jaargrenswaarde van 20 µg/m³. De concentratie ter plaatse van het plangebied bedraagt < 10 µg/m³ op jaarbasis en is hiermee ruim gelegen beneden de strenge indicatieve jaargrenswaarde van 20 µg/m³.

PM2,5 is fijnstof (particulate matter) waarbij de deeltjes kleiner dan 2,5 micrometer doorsnee zijn. Deze zijn naar huidige inzichten schadelijker voor de gezondheid dan PM10. 9

43

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

Figuur 4.9: GCN-kaart RIVM fijnstof PM2,5 (bron:geodata.rivm.nl)

Conclusie De conclusie is dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbare luchtkwaliteit en dat bedrijven in de omgeving op basis van luchtkwaliteit door onderhavige ontwikkeling niet belemmerd worden in hun (toekomstige) bedrijfsvoering. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.

4.11

EXTERNE VEILIGHEID Externe veiligheid heeft betrekking op situaties waar een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen en een ongeval als gevolg van vliegtuigen op of nabij luchthavens, waardoor mensen - die verder niets met de risicodragende activiteit te maken hebben - om het leven zouden kunnen komen. Hiervoor wordt meestal uitgegaan van het begrip risico, als combinatie van kans en effect. Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in:  externe veiligheid voor inrichtingen;  externe veiligheid voor transport van gevaarlijke stoffen;  externe veiligheid voor luchthavens;  externe veiligheid voor windturbines. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden, richtwaarden en oriënterende waarden opgenomen voor het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie. Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden, waarmee het verplicht is geworden transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd, vast te leggen in het bestemmingsplan. Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb).

Voor luchthavens is specifiek beleid, dat deels nog in

44

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

ontwikkeling is. De regels over externe veiligheid en windturbines zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. De laatste twee onderdelen zijn niet relevant voor dit bestemmingsplan. Inventarisatie risicobronnen Met behulp van de nationale risicokaart (www.risicokaart.nl, professionele versie) is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied liggen. Hierna is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.

Figuur 4.10: Uitsnede nationale risicokaart, plangebied geel omcirkeld

Toetsing Uit de risicokaart en het geldende bestemmingsplan blijkt dat in de directe omgeving (binnen 500 meter) geen risicovolle inrichtingen zijn. Ook is er in de directe omgeving geen sprake van transport van gevaarlijke stoffen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor realisatie van onderhavig plan.

4.12

VERKEER EN PARKEREN

Verkeer Met onderhavig plan verdwijnt de agrarische varkenshouderij en wordt de bestaande bedrijfswoning bestemd tot burgerwoning. Dit met de mogelijkheid tot uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een akkerbouwbedrijf als nevenfunctie bij de woonbestemming in een nog nieuw te realiseren bijgebouw met een maximale oppervlakte van 400 m². Het aantal verkeersbewegingen zal hierdoor afnemen. De woning en het bijgebouw blijven, zoals in de huidige situatie, ontsloten op de weg ‘Espendonk’. Hiervoor blijft de bestaande ontsluiting t.b.v. de woning gehandhaafd. Initiatiefnemer wil daarnaast

45

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

graag een tweede ontsluiting vanaf het bijgebouw op de Espendonk realiseren t.b.v. de ontsluiting van de zwaardere voertuigen (zie figuur 2.3) Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het omliggende wegennetwerk en de verkeersveiligheid. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Parkeren De gemeente Meierijstad heeft naar aanleiding van de op 29 november 2014 gewijzigde Woningwet, de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ opgesteld. Door de wijziging van de Woningwet zijn de stedenbouwkundige bepalingen (waaronder de belangrijke ‘parkeernormenbepaling’) uit de bouwverordening op 1 juli 2018 van rechtswege vervallen. Vanaf dat moment moet dit zijn opgenomen in bestemmingsplannen. De ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ voorziet daarin. Bij de totstandkoming van deze ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ zijn de parkeercijfers van het CROW als vertrekpunt gebruikt (CROW publicatie 317, oktober 2012). In de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ worden de landelijke richtlijnen vertaald naar de situatie in de gemeente Meierijstad. Het uitgangspunt hierbij is dat voor een nieuwe ontwikkeling het aantal parkeerplaatsen wordt vastgesteld dat op eigen terrein moet worden gerealiseerd. Hoofddoel van het opstellen en hanteren van parkeernormen is het voorkomen van een te hoge parkeerdruk in de openbare ruimte door nieuwe ontwikkelingen.

Als uitgangspunt geldt dat nieuwe ontwikkelingen meer parkeerdruk zullen genereren. De normen in deze nota zijn dan ook van toepassing op nieuwe ontwikkelingen. Het plangebied is op basis van de ‘Nota parkeernormen Meiereijstad 2018’ gelegen binnen een gebied met de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ (buitengebied). In bijlage 2 van deze nota zijn de parkeernormen voor auto’s opgenomen. Voor vrijstaande koopwoningen hanteert men een parkeernorm van 2,4 voor auto’s per vrijstaande koopwoning bij een bezoekersaandeel van 0,3. In bijlage 3 van deze nota zijn parkeernormen voor fietsen opgenomen. Voor vrijstaande woningen wordt een norm gehanteerd voor de stalling van fietsen van 5,5 per woning. Ter plaatse van de te herbestemmen bedrijfswoning is voldoende ruimte beschikbaar om op eigen terrein te kunnen voorzien in de benodigde parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen. Daarnaast is ter plaatse voldoende manoeuvreerruimte en ruimte voor laden en lossen bij parkeren aanwezig om de parkeerplaatsen te kunnen laten functioneren als parkeerplaatsen.

4.13

VOLKSGEZONDHEID IN RELATIE TOT VEEHOUDERIJEN Bij het toekennen van een nieuwe functie aan een gebied dient rekening gehouden te worden met mogelijke effecten op de volksgezondheid. In aanvulling op de milieuaspecten, zoals geur, geluid en luchtkwaliteit, die in de voorgaande paragrafen reeds zijn beschreven, wordt hierna aandacht besteed aan de gezondheidsrisico’s rond veehouderijen. Van geur is bekend dat dit kan leiden tot (ernstige) hinder en andere gezondheidsklachten zoals misselijkheid en hoofdpijn.

46

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

Fijnstof, endotoxinen en biologische agentia aan vee gerelateerd kunnen tot gezondheidseffecten als luchtwegklachten en dier-op-mens overdraagbare infectieziekten leiden. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is ten aanzien van de relatie tussen de volksgezondheid en veehouderij. Doorgaans dienen zeven stappen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Onderhavig plan voorziet in de omzetting van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning, waarbij in beide gevallen sprake is van een gevoelig object met betrekking tot het aspect volksgezondheid. In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens de hoeveelheid blootgestelden in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaats gaat vinden die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Het eerder aangegeven stappenplan hoeft daarom voor dit voornemen niet te worden doorlopen en een advies van de GGD is niet nodig. Met betrekking tot volksgezondheid dient de gemeente de afweging te maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico met de wijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning.

4.14

SPUITZONES In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand precies (minimaal) aangehouden moet worden, is niet wettelijk vastgesteld. Welke afstand aanvaardbaar is, hangt op grond van de rechtspraak af van de onderbouwing die hieraan ten grondslag ligt. Conclusie Onderhavig plan voorziet in de omzetting van een reeds bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. In beide gevallen is sprake van een gevoelig object met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen. Door dit plan verandert daarmee niets aan de situatie m.b.t. het aantal blootgestelde. Met het oog op het woon- en leefklimaat vinden er geen wijzigingen plaats die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloeden.

47

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

4.15

(ONDERGRONDSE) INFRASTRUCTUUR In en in de directe omgeving van het plangebied zijn volgens de provinciale risicokaart geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Op een afstand van ongeveer 3 km ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident.

48

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

HOOFDSTUK 5 JURIDISCHE PLANOPZET

5 1

Juridische planopzet

Om de hiervoor genoemde herbestemming ter plaatse te kunnen realiseren is onderhavige toelichting opgesteld, die de gemeente weer betrekt in het door hen op te stellen ‘veegplan’. De bestaande bedrijfswoning met een inhoud van meer dan 750 m³ blijft in de huidige vorm gehandhaafd. Circa 3.550 m² van het vigerende agrarische bouwvlak (met een totale omvang van circa 10.850 m²) ter plaatse wordt herbestemd naar de enkelbestemming ‘Wonen’. Op de overige gronden (circa 7.250 m²) blijft de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ behouden en komt het bouwvlak met de aanduidingen ‘intensieve veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – veehouderij’ te vervallen. Binnen de enkelbestemming ‘Wonen’ wordt middels onderhavig bestemmingsplan ruimte gecreëerd voor de realisatie van een nieuw bijgebouw met een maximale oppervlakte van 400 m² en een maximale goot- en bouwhoogte van 3,5 en 7 meter. Met een bijgebouw van deze omvang heeft men de ruimte om zowel te kunnen voorzien in de binnenstalling van voertuigen en machines t.b.v. de akkerbouwtak, de realisatie van een werkplaats, privéstalling en privéopslag. In het bestemmingsplan zal daarom ook geregeld worden dat dit bijgebouw tevens mag worden gebruikt ten behoeve van de stalling en opslag van de te handhaven agrarische akkerbouwtak als nevenactiviteit bij de enkelbestemming ‘Wonen’ ter plaatse.

De dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie 1’ en ‘Waarde-Archeologie 2’ kunnen worden gehandhaafd ter plaatse van de betreffende gronden. Voor het overige blijven de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – bebouwingsconcentratie 12’, ‘overige zone – groenblauwe mantel’ en ‘overige zone – beperking veehouderij’ van kracht op de gronden waarop deze nu ook zijn gelegen.

49

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

Figuur 5.1: Gedeelte van het huidige agrarische bouwvlak ter plaatse van Espendonk 15 te Sint-Oedenrode waarop de enkelbestemming ‘Wonen’ wordt gelegd globaal weergegeven met gele arcering

Middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan wordt de realisatie, het beheer en de instandhouding van de landschappelijke inpassing juridisch geborgd. In voorliggend plan is aangesloten bij de systematiek van de vigerende bestemmingsplannen ter plaatse. De daarin opgenomen bestemmingen en aanduidingen zijn zoveel mogelijk overgenomen. Met betrekking tot de regels zal de gemeente zoveel mogelijk aansluiten bij het recent vastgestelde bestemmingsplan ‘harmonisatie Laaghangend Fruit’.

50

Toelichting bestemmingsplan, Espendonk 15 te Sint-Oedenrode

HOOFDSTUK 6 UITVOERBAARHEID

6 1 Uitvoerbaarheid 6.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Omgevingsdialoog De gemeente adviseert om de omgeving in een vroeg stadium te informeren bij ruimtelijke plannen. Initiatiefnemer heeft de direct omwonenden, zie onderstaande figuur, van het plangebied middels een één-op-één tafelgesprek in kennis gesteld van het onderhavige plan. Hieruit zijn geen negatieve reacties naar voren gekomen. Leunestraat 22 Espendonk 16

Broekdijk 27

Broekdijk 17 Morgensop 2 Broekdijk 16 

Figuur 6.1: Ligging omgeving betrokken bij de omgevingsdialoog

Wettelijk (voor)overleg Het besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Eventuele ingekomen overlegreacties worden beoordeeld en verwerkt. Ontwerp Het ontwerp bestemmingsplan wordt voor een ieder ter inzage gelegd. In deze periode kunnen belanghebbenden hun zienswijzen kenbaar maken en indienen bij de gemeente Meierijstad.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=b2c5a4c9-1a71-4246-aa48-8a0c86cc11a1