CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Vossenberg_Bloemenwijk_Toelichting

Raadsvergadering 15 december 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Vossenberg/Bloemenwijk te Schijndel'20.466 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

de centrumgebieden van Schijndel, Veghel, Sint-Oedenrode en Erp; monumenten; beeldbepalende en cultuurhistorisch waardevolle panden; bijzondere bebouwing en ensembles; gebieden met een beeldkwaliteitseisen; nieuwbouw in de overige gebieden.

Zodoende is er geen welstandsbeoordeling meer nodig voor de volgende initiatieven: Veel voorkomende (kleinere) vergunningplichtige bouwwerken. Deze werden voorheen beoordeeld aan de zogenaamde sneltoetscriteria. De initiatiefnemers krijgen nu dus meer vrijheden, maar tegelijkertijd ook een grotere verantwoordelijkheid voor behoud van de ruimtelijke kwaliteit. Vergunningplichtige verbouwingen in alle kerkdorpen en de historische linten in de drie kernen. Nieuwe bouwinitiatieven op deze plaatsen worden wel beoordeeld aan de criteria nieuwbouw of de beoordelingscriteria in het op te stellen beeldkwaliteitsplan. Samen met de regels in het bestemmingsplan stimuleren we het behoud van identiteit en karakter van deze gebieden. Vergunningplichtige bouwinitiatieven anders dan nieuwbouw in de overige gebieden. Vergunningvrije bouwactiviteiten in gebieden met een beeldkwaliteitsplan. Doorwerking plan(locatie) Specifiek voor de planlocatie geldt dat dit is gelegen in het centrumgebied van Schijndel. De Welstands-/Monumentencommissie is betrokken bij de beoordeling van het bouwplan en zal hierover bij de concrete aanvragen om vergunningen adviseren.

3.4.6 Conclusie De beoogde ontwikkeling is, naar verwachting, niet in strijd met het gemeentelijkbeleid.

31/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

3.5 Conclusie Het bestemmingsplan Vossenberg/Bloemenwijk past binnen de kaders van het rijksbeleid, provinciale beleid en het gemeentelijke beleid.

32/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

Hoofdstuk 4 Planologische en milieutechnische aspecten Het milieubeleid is primair bedoeld om een optimale leefomgeving te realiseren. Dit kan er soms toe leiden dat beperkingen worden opgelegd aan gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. In onderstaande worden de conclusies voor de verschillende aspecten beschreven.

4.1 Milieueffectrapportage In de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn activiteiten met drempelwaarden opgenomen op basis waarvan de noodzaak van het wel of niet opstellen van een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) of meteen een milieueffectrapportage (onderdeel C) wordt bepaald. In onderdeel C is aangegeven bij welke activiteiten waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor geldt een directe verplichting voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure (onderdeel C). In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of wanneer het een aaneengesloten gebied van 2.000 of meer woningen of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling.

De voorgenomen ontwikkeling, het realiseren van 47 woningen en een multifunctionele accommodatie worden toegevoegd, is een stedelijke ontwikkeling, maar ligt onder de (indicatieve) plandrempel. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is aan de orde. Bij deze beoordeling worden de selectiecriteria van de Europese richtlijn gevolgd: de kenmerken van het project, onder andere omvang en cumulatie: de plaats van het project, de kenmerken van het plangebied in relatie met kwetsbaarheid van de omgeving; de kenmerken van de potentiële effecten, mogelijke effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid. Er is een aanmeldnotitie opgesteld, waarin de bovengenoemde selectiecriteria zijn opgenomen en op basis waarvan het bevoegd gezag een besluit kan nemen of een milieueffectrapportage noodzakelijk is of niet. De aanmeldnotitie is opgenomen in Bijlage 9. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat het project niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen en dat er geen noodzaak is om een milieueffectrapportage te doorlopen. Conclusie Uit de aanmeldnotitie blijkt dat het project niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen en dat er geen noodzaak is om een milieueffectrapportage te doorlopen.

33/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

4.2 Geluid 4.2.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) beoogt de burger te beschermen tegen te hoge geluidbelastingen. In deze wet zijn onder meer de normen voor geluid als gevolg van weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai vastgelegd. Het plangebied is niet gelegen binnen de zone van een weg als bedoeld in de Wet geluidhinder, In de omgeving liggen alleen enkele 30 km/uur wegen. De Wet geluidhinder is daarom niet van toepassing binnen het plangebied. Dit betekent ook dat de karakteristieke geluidwering van de gevel alleen hoeft te voldoen aan de algemene eisen uit het Bouwbesluit, zijnde 20 dB. Wel moet worden onderzocht of de nieuwe situatie in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, oftewel of ter plaatse een aanvaardbaar (akoestisch) woon- en leefklimaat kan worden geboden.

4.2.2 Wegverkeerslawaai

34/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

In het kader van het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 2 in de toelichting opgenomen. De wegverkeersgegevens voor de wegen in de omgeving van het plangebied zijn opgevraagd bij de gemeente Meierijstad. De gemeente beschikt alleen over telgegevens uit 2009 voor de Papaverstraat, Zonnebloemstraat en Distelstraat. Destijds varieerde de intensiteit op de wegen van 809 tot 2593 motorvoertuigen per etmaal. De beschikbare gegevens geven geen goed inzicht in de huidige en toekomstige verkeersintensiteiten en kunnen ook niet worden gebruikt voor een volledig en actueel akoestisch onderzoek. Daarom wordt in het volgende onderdeel een kwalitatieve beoordeling gedaan van het woon- en leefklimaat.

4.2.3 Woon- en leefklimaat Het plan heeft betrekking op de bouw van 31 appartementen, 16 grondgebonden woningen en een multifunctionele accommodatie in een reeds lang bestaande woonwijk. Het betreft het opvullen van een bestaande open plaats in de bebouwing, waarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij de bestaande bebouwing. De relatief kleine ontwikkeling heeft geen significante gevolgen voor de verkeersintensiteiten in de wijk. Het is aannemelijk dat het huidige woon- en leefklimaat in de wijk op zijn minst als acceptabel aangemerkt kan worden. Er zijn geen omstandigheden die er toe leiden dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen binnen deze wijk, slechter zal zijn dan het woon- en leefklimaat van de bestaande woningen. Hiermee wordt het woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen op zijn minst acceptabel geacht. Hiermee is de ontwikkeling in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening, voor wat betreft het geluid als gevolg van het verkeer in de omgeving. Conclusie Het plan heeft betrekking op de bouw van 32 appartementen, 15 grondgebonden woningen en een multifunctionele accommodatie in een reeds lang bestaande woonwijk. Het betreft het opvullen van een bestaande open plaats in de bebouwing, waarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij de bestaande bebouwing.

De relatief kleine ontwikkeling heeft geen significante gevolgen voor de verkeersintensiteiten in de wijk. Uit paragraaf 4.8 Bedrijven en milieuzonering blijkt tevens dat aan de richtafstanden voor het aspect geluid kan worden voldaan. Tevens zijn in de omgeving geen grote geluidsproducerende activiteiten gelegen. Er zijn geen omstandigheden die er toe leiden dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen binnen deze wijk, slechter zal zijn dan het woon- en leefklimaat van de bestaande woningen. Hiermee wordt het woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen op zijn minst acceptabel geacht. De ontwikkeling in daarom in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening, voor wat betreft het geluid als gevolg van het verkeer in de omgeving.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Niet in betekenende mate Bij de besluitvorming in het kader van een ruimtelijke plan dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteitsaspecten die samenhangen met het plan in acht te nemen. Dit betekent dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit die samenhangen met de nieuwe functies getoetst dienen te worden aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Ingevolge de systematiek van deze wet vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor een ontwikkeling indien deze niet in betekenende mate (hierna NIBM) bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Dit is het geval indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 35/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

een project leidt - al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het voorliggend plan voorziet in de realisatie van 47 woningen en een multifunctionele accommodatie. Uit de van de gemeente ontvangen verkeersgegevens blijkt dat de verkeersaantrekkende werking maximaal 371 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Naar verwachting betreft dit voornamelijk personenwagens, en is uitgegaan van 4 vrachtwagens. met de NIBM rekentool zijn de gevolgen voor de luchtkwaliteit inzichtelijk gemaakt.

Afbeelding 4 - 1 Wanneer de berekende toename van de concentratie PM10 volledig uit PM2,5 bestaat, dan kan worden gesteld dat de toename van de concentratie PM2,5 ook minder is dan 3% van de grenswaarde van 25 µg/m3. Uit de berekeningsresultaten van de NIBM rekentool blijkt dan ook dat het plan 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt bij aan de luchtverontreiniging ter plaatse. Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit zal voldoen aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit levert geen beperking en/of belemmeringen op aan de planontwikkeling. Conclusie Op grond van artikel 5.16 lid 1 onder c. Wm jo. artikel 5.16 lid 4 Wm jo. artikel 4 lid 1 Besluit niet in betekenende mate jo. bijlage 4a voorschrift 3A.2, draagt de bouw van 47 woningen en een multifunctionele accommodatie niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.3.2 Woon- en leefklimaat De ontwikkeling van de woningen draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Vanuit een goede ruimtelijke onderbouwing moet echter ook worden aangetoond dat het verantwoord is om te bouwen in deze omgeving en dat de toekomstige bewoners een goed woon- en leefklimaat wordt geboden. 36/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

Uit de grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN versie 2021) blijkt dat de concentratie luchtverontreinigende stoffen ter plaatste 12,4 µg/m3 bedraagt voor NO2. In combinatie met het berekende effect van de verkeersaantrekkende werking wordt ruim voldaan aan de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3. Met behulp van de GCN is bepaald dat de concentratie PM10 ter plaatse 16,5 µg/m3 bedraagt. Ook hiervoor geldt dat deze concentratie samen met het effect van de verkeersaantrekkende werking ruim lager is dan de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3. Tot slot is met de GCN bepaald dat de concentratie PM2,5 ter plaatste 9,1 µg/m3 bedraagt. Ook voor PM2,5 geldt dat ruim wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarde van 25 µg/m3. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is ruim lager dan de wettelijke voorschriften en daarmee wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Voor zo ver het gaat om het aspect luchtkwaliteit is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners van het plangebied.

4.4 Bodemkwaliteit 4.4.1 Algemeen In het kader van een nieuw bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Vanwege de voorgenomen functiewijziging van de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Groenvoorzieningen" naar de bestemmingen "Gemengd", "Wonen" en "Groen" dient inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem te worden verkregen, teneinde vast te stellen of de bodem geschikt is voor de boogde functie(s). Het doel van het verkennend bodemonderzoek is vast te stellen of er ter hoogte van de onderzoekslocatie sprake is van een verontreiniging van grond en/of grondwater. De opzet van het verkennend bodemonderzoek is gebaseerd op de Nederlandse norm "Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek" (NEN 5740:2009+A1:2016).

4.4.2 Bodemonderzoek In het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de locatie zijn in 2020 binnen het plangebied twee verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd, te weten: - Verkennend bodemonderzoek Papaverstraat 13 Schijndel, kadastrale gegevens: gemeente Schijndel, sectie H, nummer 3520 en 3521 (ged.), projectnummer 20201466, MILON bv, d.d. 21-4-2020. - Verkennend bodemonderzoek plangebied Vossenberg te Schijndel, projectnummer SLM014150, Lievense Milieu B.V., d.d. 23-11-2020 (zie Bijlage 3). Beide hierboven genoemde verkennend bodemonderzoeken zijn eind 2020 onder zaaknummer Z/135661 door de Omgevingsdienst beoordeeld. Uit de resultaten van beide onderzoeken blijkt dat zowel in de vaste bodem/grond als het grondwater slechts lichte verontreinigingen zijn aangetroffen. De lichte verhoogde gehalten in de grond en het grondwater gaven geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Zowel de boven- als ondergrond zijn tijdens het verkennend bodemonderzoek in november 2020 geanalyseerd op PFAS. In geen van de onderzochte grondmengmonsters is een overschrijding van de achtergrondwaarden uit het tijdelijk handelingskader door PFAS aangetroffen. De aangetroffen bodemkwaliteit binnen het plangebied is geschikt voor de beoogde bestemmingen en functies.

Ook voor het grondverzet binnen het plangebied tijdens de planuitvoering zijn er vanuit bodemkwaliteit geen 37/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

belemmeringen te verwachten. Dit betekent dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen bestemmingswijzigingen. Zover bekend zijn er in het verleden geen andere bodemonderzoeken in het plangebied uitgevoerd. Tijdens de in 2020 uitgevoerde verkennend bodemonderzoeken is alleen het noordelijke deel van het plangebied onderzocht. Ter plaatse van het bestaande schoolgebouw op het adres Papaverstraat 17 en de noordoostelijk daarvan gelegen groenstrook langs het Distelpad heeft geen bodemonderzoek plaatsgevonden. Over dit deel van het plangebied zijn geen gegevens bekend over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Na de sloop van het schoolgebouw zal hier alsnog bodemonderzoek worden uitgevoerd. Dit zal als verplichting aan de omgevingsvergunning voor de sloop van het gebouw worden gekoppeld. Conclusie Er bestaan vanuit milieuhygiënisch (bodem-)oogpunt vooralsnog geen belemmeringen voor het beoogde gebruik (wonen). De bodem onder het schoolgebouw zal na de sloop alsnog worden onderzocht om te kunnen beoordelen of de bodemkwaliteit geschikt is voor de functie Groen.

4.5 Natuurwaarden 4.5.1 Algemeen Verschillende soorten planten, dieren worden beschermd in de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming voorziet in het wettelijk kader voor de bescherming van Natura 2000-gebieden, planten- en diersoorten en houtopstanden. In de Wet natuurbescherming zijn de provincies primair bevoegd gezag voor bescherming van soorten en natuurgebieden.

4.5.2 Ecologisch onderzoek In het kader van het bestemmingsplan is een Quickscan Natuurwetgeving uitgevoerd en vervolgens een nader onderzoek. Het rapport is als Bijlage 4 bij de toelichting opgenomen. In dit rapport wordt ten aanzien van de onderdelen 'gebiedsbescherming' en 'soortenbescherming' het volgende geconstateerd. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatieve invloed op natuurwaarden in Natura 2000-gebieden in de omgeving. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebiede Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek bevindt zich namelijk op circa 9 km afstand van het projectgebied. Verdere toetsing in dit kader is dan ook niet nodig. In paragraaf 4.6 Stikstofdepositie wordt het effect van eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden beschreven. Natuur Netwerk Brabant (NNB) De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatieve invloed op het nabijgelegen NNB. De werkzaamheden vinden namelijk plaats buiten de grenzen van het NNB. Met een afstand van 800 m tot 1.000 m tot het dichtstbijzijnde NNB-gebied is ook geen sprake van indirecte invloed van de werkzaamheden op het NNB. Verdere toetsing in dit kader is dan ook niet nodig. Soortenbescherming Vogels Vogels gebruiken het projectgebied als foerageergebied, voortplantingsgebied of als tijdelijke rustplaats.

Er is voldoende ruimte voor vogels in de omgeving van het projectgebied, zodat ze dat uit eigen beweging kunnen verlaten bij aanvang van de werkzaamheden.

38/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

Nesten Er kunnen nesten van kauw of holenduif aanwezig zijn in het gebouw en van houtduif en kleine zangvogels in bomen en struiken rondom het gebouw. De te verwachten nesten van deze soorten zijn in dit geval niet jaarrond beschermd, omdat in de directe omgeving goede alternatieve nestlocaties voorhanden zijn. Bewoonde nesten zijn echter altijd beschermd. Er is met de voorgenomen werkzaamheden geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen zolang bewoonde nesten niet worden verstoord of vernield. Het advies is om te verwijderen bomen en struiken en de nestplaats in het gebouw te verwijderen in de periode tussen 1 december en 1 maart. De kans dat dan bewoonde nesten aanwezig zijn, is erg klein. Ook buiten deze periode mag gewerkt worden, mits uit een aanvullende controle is gebleken dat er geen bewoonde nesten aanwezig zijn. Dit onderzoek moet maximaal drie dagen voor de daadwerkelijke werkzaamheden uitgevoerd worden. Worden bewoonde nesten aangetroffen, dan moet de betreffende nestlocatie worden gemarkeerd en ontzien zolang het nest bewoond is. Egel en huisspitsmuis In het projectgebied zijn mogelijk huisspitsmuizen en egels aanwezig. In de provincie Brabant geldt voor deze soorten een vrijstelling voor werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Voorafgaand aan het verwijderen van lage begroeiingen moet deze worden gecontroleerd op de aanwezigheid van dieren. Eventueel aangetroffen egels moeten dan voorzichtig verplaatst worden naar een beschutten plek in een groenstrook buiten het werkgebied. Eventueel aanwezig muizen zijn prima in staat om op eigen kracht een veilig heenkomen te bereiken. Houtopstanden Het merendeel van de bomen blijft behouden, waardoor ook de functie van het projectgebied als fourageergebied en vliegroute voor vleermuizen behouden blijft. Vleermuizen Aan de oostzijde van het hoge gebouwdeel, tussen de daklijst en de bakstenen gevel, is een verblijfplaats van twee gewone dwergvleermuizen aangetroffen. Deze verblijfplaats functioneert als zomerverblijfplaats en mogelijk als incidenteel gebruikte winterverblijfplaats, maar is niet permanent in gebruik. Dit betekent, naar alle waarschijnlijkheid, dat er in de omgeving van het projectgebied meer geschikte verblijfplaatsen voor deze exemplaren beschikbaar zijn. De sloop van de gymzaal leidt tot het aantasten van een zomer- en/of winterverblijfplaats en dus overtreding van artikel 3.5 lid 2 en 4 van de Wnb. Er is een ontheffing nodig en mitigerende en compenserende maatregelen. Een en ander moet worden verwerkt in een activiteitenplan.

Of er ook vleermuizen aanwezig zijn in het bestaande schoolgebouw moet nog nader worden onderzocht, conform het Vleermuisprotocol 2021. De verwachting is dat dit nog vóór de vaststelling van het bestemmingsplan is uitgevoerd. Vooralsnog wordt een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen om te voorkomen dat het gebouw kan worden gesloopt voordat er duidelijkheid is over de eventuele aanwezigheid van vleermuizen. De sloop van het schoolgebouw is niet noodzakelijk voor het realiseren van de nieuwe ontwikkelingen in het plangebied: ter plaatse is groen voorzien. Om te borgen dat sloop niet zomaar mogelijk is, maar afhankelijk van nader onderzoek en/of een ontheffing (als vleermuizen aanwezig blijken te zijn) is een voorwaardelijke verplichting aan de sloop verbonden. Tijdens de bouwwerkzaamheden mogen fouragerende en langsvliegende vleermuizen niet worden verstoord door bijvoorbeeld bouwverlichting. Bomenverordening Gemeente Meierijstad In het werkgebied staan houtopstanden in de vorm van bomen. De gemeente beschikt over een Bomenverordening en een zogenaamde Groene Kaart, waarop beschermde houtopstanden staan vermeld. De bomen in het plangebied zijn beschermd en voor het kappen is een omgevingsvergunning nodig. De gemeente is terughoudend met het verlenen van vergunningen. In dit geval is het onvermijdelijk dat er bomen worden gekapt.

Hiervoor is dus een vergunning 39/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

nodig en er geldt een herplantplicht. De gemeente streeft er, ook bij herplant, naar om 25% meer groen te realiseren en de biodiversiteit te vergroten. Er is in het plangebied voldoende ruimte en mogelijkheden om aan dit streven tegemoet te komen. Enkele voorbeelden zijn: Een laanbeplanting aan de noordzijde van het grasveld bij de nieuwe woonstraat; De aanplant van bomen en struwelen bij het te slopen gebouw; Schaduwtolerante struiken en bomen nabij de bestaande bomen op het grasveld. Het is belangrijk om de juiste boom op de juiste plaats te realiseren en dat te kiezen voor beplanting die een aanwinst is voor de biodiversiteit. In het kader van de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen worden de concrete eisen verder vormgegeven en aan de vergunning verbonden. Zoals al aangegeven biedt het plangebied ruimte en mogelijkheden en is het plan op dit onderdeel uitvoerbaar. Conclusie Het aspect natuurwaarden vormt, mits aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, geen belemmering voor het voorliggend bestemmingsplan.

4.6 Stikstofdepositie 4.6.1 Algemeen In het kader van het plan is een onderzoek uitgevoerd naar de toename van de stikstofdepositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden in verband met de beoogde extra activiteiten op grond van dit bestemmingsplan Vossenberg/Bloemenwijk. Het doel van het stikstofdepositie-onderzoek is het beoordelen of de toekomstige activiteiten die mogelijk worden op basis van de planologische situatie mogelijk significante gevolgen heeft op kwalificerende natuurwaarden in nabij gelegen Natura 2000-gebieden én of het op basis van de stikstofdepositie noodzakelijk is een passende beoordeling op te stellen.

4.6.2 Depositie-onderzoek In opdracht van Woonmeij is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd, dat als Bijlage 5 in de toelichting is opgenomen. Voor de gebruiksfase wordt alleen een emissie naar de omgeving veroorzaakt door voertuigbewegingen van en naar het plangebied. De woningen en het multifunctioneel centrum worden gasloos uitgevoerd. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Voor de bouwfase kan gebruik worden gemaakt van de vrijstelling van de vergunningplicht zoals opgenomen in art. 2.9a van de Wet natuurbescherming. Daarnaast is in het onderzoek stikstofdepositie een gevoeligheidsanalyse voor de bouwfase uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat 3.600 machine uren met machines van STAGE klasse IV, 50.000 transportbewegingen met lichte motorvoertuigen en 10.000 transportbewegingen met zware motorvoertuigen niet leiden tot een toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Op basis van ervaringsgegevens met vergelijkbare projecten wordt geconcludeerd dat de realisatie van het plan naar alle waarschijnlijkheid mogelijk is zonder toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect stikstofdepositie noch in de gebruiksfase noch in de bouwfase zal leiden tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.

Instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden worden niet aangetast, stikstofdepositie vormt geen belemmerende factor voor vaststelling van het plan.

40/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen.

Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd: Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.

4.7.2 Externe veiligheid inrichting Aan de hand van de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant kan in de vorm van een quickscan worden vastgesteld welke bronnen mogelijk een belemmering opleveren voor onderhavig plan. De planlocatie is niet omsloten door bestaande bedrijvigheid en vormt op geen enkele wijze een risico voor kwetsbare objecten in de omgeving.

41/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

Afbeelding 4-2 Uitsnede Risicokaart

42/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

4.7.3 Ongevallen gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de Regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes.

Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Over de wegen in de directe nabijheid van het plangebied vindt geen significant vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De wegen hebben dan ook geen PR 10-6 contour. Ook is het groepsrisico lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Een en ander heeft dan ook geen (nieuwe of nadelige) gevolgen voor het veiligheidsrisico. Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is. De oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden. Er ontstaat geen groter veiligheidsrisico en ook geen extra belemmeringen naar de omgeving toe. Voorliggende planlocatie kan worden gekenmerkt als risicoluw gebied. Dit zijn locaties die worden gekenmerkt door hoge dichtheden van personen en gemengde activiteiten zoals wonen, scholen en zorginstellingen. De gemeente wil de burgers een zo veilig mogelijke woonomgeving bieden en daarom worden er geen risicovolle inrichtingen toegelaten. Onderhavig initiatief maakt enkel de ontwikkeling van woningen mogelijk. Er is dan ook geen sprake van strijd met de beleidsvisie. Gesteld kan worden dat het voorgenomen plan zelf geen extern veiligheidsrisico vormt.

Voor wat betreft externe veiligheid zijn er naar de omgeving toe geen belemmeringen te verwachten. Groepsrisico Het plangebied ligt op circa 240 meter afstand van de Structuurweg. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen uit de categorie GF3 vervoerd. GF3 heeft een invloedsgebied van 355 meter. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportweg ligt kan er, volgens art. 7 van het Besluit externe veiligheid transport, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor het scenario BLEVE. Hierbij dient te worden ingegaan op de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. Verantwoording Het relevante scenario voor het plangebied is een BLEVE. Dit wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tank. Brandbaar gas komt vrij en ontsteekt. De effecten van een BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in in de omgeving veroorzaken. De ernst van letsel en de omvang van schade in het plangebied 43/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

is afhankelijk van de afstand tussen de incidentlocatie en het plangebied en wordt zichtbaar gemaakt in onderstaande afbeelding.

Afbeelding 4-3 slachtoffer en schadebeeld BLEVE Uit de afbeelding blijkt indien mensen binnen blijven er geen risico op letsel bestaat. Aangenomen wordt dat de bewoners zich overwegend binnen bevinden. Ook indien men buiten verblijft is het risico op persoonlijk letsel klein. Beoordeling zelfredzaamheid Het plangebied ligt binnen het bereik van een WAS sirene. Alarmering en instructies kunnen ook via NL Alert en andere social media worden gegeven. Het plan bestaat vooral uit seniorenwoningen waarbij ouderen zelfstandig wonen. De woningen bieden bescherming aan de bewoners ten tijde van een BLEVE. Gezien de aard en de activiteiten van de bestemming mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen van het plangebied voldoende is. Beoordeling bestrijdbaarheid LPG-tanks en de tankwagens die LPG aanleveren zijn voorzien van een isolerende bekleding. Dit betekent dat afhankelijk van de vulgraad van de tank een explosie na 75 minuten kan plaats vinden. De brandweer zal om deze reden een redelijke tijd hebben om de tank te kunnen koelen en het gebied te ontruimen. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als goed beoordeeld. Tankwagens voor het vervoer van propaan zijn niet van extra isolatie voorzien. Als gevolg van externe hittestraling kan deze na ca.12 minuten ontploffen.

De brandweer zal om deze reden defensief optreden en zich richten op het ontruimen van de omgeving en defensief optreden. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als slecht beoordeeld. Veiligheidsregio De Veiligheidsregio is om advies gevraagd. Bij brief van 10 februari 2022 is een advies ontvangen (zie bijlage 12). Uit de brief blijkt het volgende. Uit het slachtoffer- en schadebeeld blijkt dat de gevolgen van een BLEVE in het plangebied beperkt zijn. De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de hulpverleningsbehoefte ten tijde van een BLEVE. Er bestaat om deze reden geen aanleiding voor een aanvullend advies.

4.7.4 Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen buisleiding gelegen. De volgende buisleidingen zijn op grotere afstand gelegen en hebben daarom geen nadelige invloed op het plan. Buisleiding nummer

Afstand tot plangebied in m

A521

1.350

A525

2.100

A526

2.100

44/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

A527

2.250

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7.5 Hoogspanningslijnen Op ongeveer 1350 meter van de planlocatie bevind zich een 150kv bovengrondse hoogspanningslijn. Deze hoogspanningslijn ligt daarmee op voldoende afstand van de planlocatie en heeft daarmee geen nadelige gevolgen het plan.

Afbeelding 4-4 Netkaart (RIVM) Conclusie Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering voor het voorliggend bestemmingsplan.

4.7.6 Zendmasten Op ongeveer 240 en 1350 meter van de planlocatie zijn 4G en 5G zendmasten aanwezig. Deze zendmaten liggen daarmee op voldoende afstand van het plangebied en hebben geen nadelige gevolgen voor het plangebied. Conclusie Zendmasten vormen geen belemmering voor het voorliggend bestemmingsplan.

4.7.7 Conclusie Voor zover de aanwezige risicobronnen een belemmering kunnen vormen voor de invulling van het bestemmingsplan, is hiermee rekening gehouden in het bestemmingsplan. Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er derhalve geen belemmeringen voor het (bouw)plan.

45/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

4.8 Bedrijven en milieuzonering Door bij de realisatie van gevoelige functies (zoals woningen) voldoende afstand in acht te nemen tot milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) kan hinder en gevaar worden voorkomen. Daarnaast kan worden voorkomen dat bedrijfsbelangen worden geschaad. Door middel van een onderzoek bedrijven en milieuzonering wordt onderzocht of de toekomstige woningen mogelijk een belemmering vormen voor bestaande bedrijven in de omgeving en of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ten behoeve van de milieuhygiënische afweging in het kader van de ruimtelijke onderbouwing wordt voor de meest nabij gelegen bedrijven aansluiting gezocht bij het stappenplan uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”.

4.8.1 Beoordelingssystematiek VNG-publicatie De VNG-publicatie is een algemeen geaccepteerd instrument om na te gaan of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening in situaties waar woningen dicht bij bedrijven worden voorzien. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van de meest recente versie uit 2009. De VNG-publicatie geeft richtafstanden per bedrijfscategorie. De afstanden worden gegeven voor een aantal milieuaspecten, met name geur, stof, geluid en gevaar. De afstanden gelden tussen de perceelsgrens van het bedrijf en de gevels van woningen. Indien deze afstanden worden gerespecteerd is er sprake van een milieuhygiënisch te verantwoorden situatie en een goede ruimtelijk ordening. Indien één van deze afstanden niet wordt gerespecteerd is nader onderzoek noodzakelijk om na te gaan of alsnog sprake kan zijn van een milieuhygiënisch verantwoorde situatie. Het toetsingskader bestaat uit 4 stappen. In stap 1 wordt een afweging gemaakt aan de hand van de in de publicatie genoemde richtafstanden. Indien woningen op kleinere afstand zijn gelegen dan de richtafstanden kan voor het betreffende plandeel in stap 2, 3 of 4 gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstanden.

4.8.2 Richtafstanden inrichtingen (stap 1) De richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën worden vermeld in hoofdstuk 1 (lijst 1) van de VNG-publicatie. De richtafstanden die in de lijst zijn opgenomen gelden voor het gebiedstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. In de navolgende tabel worden de richtafstanden weergegeven. Milieu categorie

Richtafstand (m)

1

10

2

30

3.1

50

3.2

100

4.1

200

4.2

300

5.1

500

5.2

700

Tabel - Overzicht richtafstanden per bedrijf Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse 46/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied. Ad. 1 Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een ‘rustig buitengebied’ (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden.

Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. Milieuzonering (categorie-indeling bedrijven) De planlocatie en de omgeving ervan kunnen worden aangemerkt als het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is bekeken welke functies in de omgeving aanwezig zijn.

Afbeelding 4-5 Uitsnede uit het vigerende bestemmingsplan Het plan voorziet in de bouw van een multifunctioneel centrum met appartementen daar boven. 47/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

De exacte invulling van het multifunctioneel centrum is nog niet bekend. Het multifunctioneel centrum valt onder de bestemming 'gemengd'. In onderstaande tabel zijn de bedrijfsactiviteiten opgenomen die binnen deze bestemming zijn toegestaan inclusief de bijbehoren de richtafstanden. Bij de richtafstanden is per aspect de grootste richtafstand opgenomen die binnen de bestemming is toegestaan. Richtafstand in m Bedrijfsactiviteit

geur

stof

geluid

gevaar

horeca tot en met 10 milieucategorie 1

0

10

10

Buurt- en clubhuizen

0

0

30

0

Kantoren

0

0

10

0

Ongeacht de gekozen invullen zal echter niet voldaan worden aan de richtafstand uit de VNG publicatie aangezien die ten minste 10 meter bedraagt en de afstand tussen het multifunctioneel centrum en de bovengelegen woningen 0 meter bedraagt. Geluid zal hierbij het belangrijkste aandachtspunt zijn. Bij de uitwerking van het ontwerp van het gebouw als bijzondere aandacht zijn voor de overdracht van geluid tussen het multifunctioneel centrum en de bovengelegen gebouwen. Daarnaast zal ook gekeken worden naar de geluidbelasting op de gevels van de toekomstige appartementen als gevolg van bijvoorbeeld het komen en gaan van bezoekers van het multifunctioneel centrum en personen op een terras (als dit is voorzien). Indien noodzakelijk wordt het gebruik van het multifunctioneel centrum afgestemd op het beschermingsniveau van de aanpandig gelegen appartementen (denk aan een maximaal geluidniveau binnen). Door het treffen van maatregelen aan het gebouw, al dan niet in combinatie met een afgestemd gebruik van het gebouw, is er sprake van een goed woon- en leefklimaat bij de appartementen. Voor horeca-activiteiten (restaurant of cafetaria) geldt dat deze activiteiten vaker in de plint van een gebouw worden uitgevoerd waarbij woningen boven de horecavoorziening zijn gevestigd.

Voor dergelijke inrichting worden in het Activiteitenbesluit eisen gesteld aan de hoogte van de uitlaat van de keuken ten opzichte van de omringende bebouwing en aan de opslag van gasflessen. Door te voldoen aan het Activiteitenbesluit wordt de hinder voor de omgeving tot een minimum beperkt en is sprake van een goed woon- en leefklimaat bij de appartementen en overige woningen in de omgeving van het multifunctioneel centrum. Aan de Papaverstraat 30 is een Cafetaria/Snackbar gevestigd (in afbeelding 4-4 aangeduid met het cijfer 1) en aan de Papaverstraat 32 is de Spar Schijndel gevestigd (in afbeelding 4-4 aangeduid met het cijfer 2). De richtafstand voor beide bedrijven bedraagt ten hoogste 10 m. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan, aangezien de feitelijke afstand circa 25 meter bedraagt. Voor beide bedrijven geldt dat de activiteiten en uitbreidingsmogelijkheden reeds ‘begrensd’ worden door op kortere afstand gelegen gevoelige woonfuncties. Aan de Houtstraat 14 is een bedrijf met een maatschappelijke bestemming toegestaan, momenteel is daar een kinderopvang gevestigd. Aan de Zonnebloemstraat 16 is een bedrijf van milieucategorie 1 of 2 toegestaan terwijl aan de Zonnebloemstraat 10 een kantoor is toegestaan (aangeduid met respectievelijk de cijfers 3, 4 en 5 in afbeelding 4-4). De richtafstand voor het kantoor bedraagt 10 meter.

De richtafstand voor de kinderopvang en voor een bedrijf van milieucategorie 2 bedraagt 30 meter. Op basis van de omschrijving van de toegestane activiteiten bij de bestemming 'Maatschappelijk' zijn hier maximaal bedrijven met een richtafstand van 50 meter toegestaan. De afstand van het plangebied tot aan deze locaties bedraagt ten minste 150 meter, de richtafstanden worden ruim gerespecteerd. Ook hier geldt dat op kortere afstand van de bedrijven bestaande woningen zijn gesitueerd, deze bepalen de uitbreidingsmogelijkheden van de bedrijven. In de directe omgeving van de planlocatie komen hoofdzakelijk woondoeleinden voor. Hier zijn 48/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

kleinschalige, aan de woonfunctie ondergeschikte, beroepsmatige activiteiten toegestaan. Deze hebben echter een zodanig geringe milieubelasting dat deze activiteiten grenzend aan woningen kunnen worden uitgevoerd. In de directe omgeving zijn verder geen locaties gelegen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Daarmee vormt dit onderdeel ook geen belemmering voor het plan. Er is derhalve sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen en de functies in de omgeving worden niet in de belangen geschaad. Op basis van bovenstaande constatering kan reeds worden gesteld dat er vanuit een oogpunt van milieuzonering geen belemmeringen zijn voor omliggende functies. Conclusie Bezien vanuit het oogpunt van ‘inwaartse milieuzonering’ komt er in de nabijheid van de planlocatie geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor het onderliggende plan. Daarnaast levert het plan, vanuit het oogpunt van ‘uitwaartse zonering, ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven. Dit betekent dat er vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid geen belemmeringen zijn voor het plan.

4.9 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een intensieve veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden.

4.9.1 Geurhinder (Wgv) De dichtstbij gelegen veehouderij (aan de Vossenbergsesteeg) bevindt zich op een afstand van bijna 450 meter. Het voorgenomen plan levert daarmee geen belemmering op voor omliggende bedrijven, ook omdat er bestaande geurgevoelige objecten tussen het plangebied en de veehouderijen in de omgeving liggen. Andere objecten zijn daarmee bepalend voor de mogelijkheden van de veehouderijen.

4.9.2 Aanvaardbaar woon- en leefklimaat In de directe omgeving van het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarische bedrijven gelegen. De afstand tot de bestaande veehouderijen is zo groot dat er geen sprake zal zijn van een relevante voorgrondbelasting (de geurbelasting als gevolg van een individuele veehouderij). Om te bepalen of ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt ingegaan op de achtergrondbelasting ter plaatse (de cumulatieve geurbelasting als gevolg van de veehouderijen in de omgeving). De (voormalige gemeente Schijndel heeft in 2007 een 'Quickscan Wet geurhinder en veehouderij' laten uitvoeren waarin de achtergrondbelasting in de gemeente inzichtelijk is gemaakt. In afbeelding 4-5 is de achtergrondbelasting in de omgeving van het plangebied weergegeven.

49/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

Afbeelding 4-6 Uitsnede Quickscan Wet geurhinder en veehouderij voor de gemeente Schijndel (2007). In het Web BVB van de Provincie Noord Brabant is nagegaan of er significante wijzigingen zijn opgetreden in de geuremissie ten opzichte van 2007. Uit dit bestand blijkt dat binnen een straal van 2 km rondom het plangebied geen nieuwe geuremitterende bedrijven zijn gevestigd. Binnen een straal van 1 km rondom het plangebied is bij één bestaand bedrijf sprake van een beperkte toename van de geurbelasting. Op meer dan 1 km afstand is bij één bedrijf sprake van een toename van de geuremissie met 10.000 ouE. Dit lijkt een forse toename, maar is gezien de afstand tot het plangebied van beperkte invoeld. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de achtergrondbelasting significant is toegenomen ten opzichte van 2007. In het ergste geval is maximaal sprake van een verschuiving van de achtergrondbelasting naar één klasse hoger. Uit voorgaande figuur blijkt dat de achtergrondbelasting ter plaatse 1 tot 3 ouE/m3 bedraagt en de kans op geurhinder minder dan 5% bedraagt. Er is een kleine kans dat de geurbelasting is toegenomen naar 3 tot 8 ouE/m3 en een kans op geurhinder van 5 tot 10%. Er is geen sprake van een relevante geurbelasting ter plaatse en daarom is er voor het aspect geur sprake van een goed woon- en leefklimaat.

4.9.3 Conclusie In de directe omgeving van het plan liggen geen veehouderijen. Het plan vormt daarmee geen belemmering voor veehouderijbedrijven. Op basis van de afstand tot veehouderijbedrijven is er geen sprake van een relevante voorgrondbelasting voor geur. De achtergrondbelasting als gevolg van geur is zo laag dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse.

50/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

4.10

Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen

4.10.1

Geitenhouderijen

Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Uit afbeelding 4-6 blijkt dat het plan ligt binnen 2 km van een geitenhouderij aan de Oetelaarsestraat 29, met 480 geiten.

Afbeelding 4-7 Locaties van geitenhouderijen met meer dan 50 dieren in de omgeving van Schijndel. Er is daarmee sprake van een verhoogd gezondheidsrisico omdat het plan voorziet in een nieuwe gevoelige bestemming. Initiatiefnemer – Woonmeij – heeft kennisgenomen van de volksgezondheidsrisico's met betrekking tot de ligging in een straal van 2 km van geitenhouderijen. In 2018 heeft de gemeente Meierijstad een ingestemd met een tijdelijke werkwijze voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van woningbouw in de omgeving van geitenhouderijen. Het afwegingskader voor het toelaten van woningen is gebaseerd op de volgende punten: Terughoudendheid is geboden bij grootschalige woningbouwprojecten (12 woningen of meer) waarbij de gemeente inzet op (1) het voorkomen van een toename van het aantal geiten bij de nabij gelegen veehouderijen en (2) bevordert dat bedrijfsgerichte maatregelen bij de veehouderijen worden getroffen om de uitstoot van stoffen te verminderen.

Daarnaast moet de initiatiefnemer het risico dragen dat de gemeente een lopende procedure stopzet op basis van aanvullend wetenschappelijk onderzoek; De bestaande afstand van woningen tot een geitenhouderij mag niet verkleind worden; Terughoudendheid is geboden bij bouwplannen die zijn gelegen binnen de 2000 meter zone van meerdere geitenhouderijen of van één geitenhouderij met een ander overlast veroorzakend bedrijf; Er wordt binnen een straal van 2000 meter rondom een geitenhouderij in principe niet meegewerkt aan ontwikkelingen gericht op voorzieningen waar grote groepen kwetsbare 51/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

mensen gebruik van maken.

4.10.2

Handreiking veehouderij en volksgezondheid

De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie 30 april 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of er sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Stap 1 Endotoxine Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Voor overige veehouderijbedrijven is de bijdrage aan de endotoxinenorm beperkt. Het plan voldoet aan de endotoxine richtafstanden voor varkensbedrijven van 200 meter en de endotoxine richtafstanden voor pluimveehouderijen van 500 meter. De concentratie endotoxine in het plangebied voldoet aan de adviesnorm van 30 EU/m3 . Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2 Emissies De ontwikkeling betreft het bouwen van 47 woningen en een multifunctioneel centrum en leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a Geur Toetsen aan een aanvaardbaar woon-/leefklimaat aan de hand van het wettelijk kader. De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie (zie ook paragraaf 4.7). Stap 3b Geur Toetsen aan een aanvaardbaar woon-/ leefklimaat op basis van de gezondheidskundige advieswaarde.

Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied (zie ook paragraaf 4.7). Stap 4a Meerdere diersoorten in één veehouderij Het plan voorziet niet in de ontwikkeling van veehouderijbedrijven. Bij de geitenhouderij aan de Oetelaarseweg worden tevens runderen en paarden gehouden. Advies van de GGD is noodzakelijk. Stap 4b De afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf De afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde varkensbedrijf en pluimveebedrijf is groter dan 100 meter. Stap 5a, b en c De afstanden tot veehouderijen De planlocatie is gelegen binnen de straal van 2 km van geitenhouderijen: Oetelaarstraat 29 en Boxtelseweg 10. Advies van de GGD is noodzakelijk. De locatie is niet gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf en evenmin binnen 250 meter van overige veehouderijen. Stap 6 Mestbewerking Er is in de nabijheid geen mestbewerking of verwerking. Stap 7 Ongerustheid over de volksgezondheid Er is in de omgeving geen ongerustheid over de volksgezondheid bij omwonenden.

4.10.3

Advies GGD

Op basis van de handreiking veehouderij en volksgezondheid is een advies van de GGD gewenst voor deze planontwikkeling. Dit advies is opgevraagd door de gemeente Meierijstad.

52/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

4.10.4

Conclusie

De planlocatie is gelegen binnen 2 km afstand van een geitenhouderij. Op basis van het beleid van de gemeente Meierijstad is terughoudendheid geboden bij het toestaan van grootschalige woningbouwplannen. Op basis van de handreiking veehouderij en volksgezondheid is een advies van de GGD gewenst voor deze planontwikkeling. Door het advies van de GGD mee te nemen in de afweging voor het toestaan van de ontwikkeling is de nodige zorgvuldigheid betracht.

4.11

Archeologie en cultuurhistorie

4.11.1

Algemeen

Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting bij elk ruimtelijk plan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied.

4.11.2

Cultuurhistorie

De aanwezige bebouwing is niet aangewezen als gemeentelijk of rijksmonument. Er zijn tevens geen cultuurhistorisch waardevolle elementen in het plangebied aanwezig te zijn die speciale regeling in het bestemmingsplan behoeven. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het voorliggend bestemmingsplan.

4.11.3

Archeologie

Op grond van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) zijn de belangrijkste bevoegdheden aangaande de archeologie bij de gemeente neergelegd. De gemeenteraad is op grond van de Monumentenwet verplicht bij de vaststelling van ruimtelijke plannen rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De gemeente Meierijstad heeft in verband met de verplichting tot het inzichtelijk maken van de archeologische waarden binnen de gemeente een archeologische waardenkaart en beleidsadvieskaart laten opstellen. Archeologisch onderzoek KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Papaverstraat-Distelpad in Schijndel (gemeente Meierijstad). Het onderzoek is uitgevoerd voor een bestemmingsplanwijziging voor de nieuwbouwplannen van een multifunctionele accommodatie met appartementen, appartementen en woningen. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het bureauonderzoek is als Bijlage 6 in de toelichting opgenomen.

Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische 53/63 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.SCH001BP0022021P-VG01 -

waarden in het onderzoeksgebied. Op basis van de landschappelijke ligging binnen deels een zone met dekzandwelvingen (zuidwestelijke deel) en deels binnen een vlakte met ten dele verspoelde dekzanden (noordoostelijke deel) en de archeologische onderzoeksmeldingen en vondstlocaties uit de omgeving is aan zuidwestelijke deel van het plangebied een middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum, een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en een lage verwachting voor vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe Tijd toegekend. Aan het noordoostelijke deel van het plangebied is een lage verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) alsmede voor vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe Tijd toegekend. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke podzolbodem deels tot geheel is verdwenen maar dat het potentiële archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont nog intact aanwezig is.

Op basis hiervan is de middelhoge verwachting voor het zuidwestelijke deel van het plangebied voor vuursteenvindplaatsen van jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum bijgesteld naar laag en blijft de lage verwachting voor het noordoostelijke deel gehandhaafd. De hoge archeologische verwachting voor het zuidwestelijke deel van het plangebied om archeologische resten uit de perioden Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) aan te treffen blijft gehandhaafd en de lage verwachting voor het noordoostelijke deel van het plangebied is bijgesteld naar hoog. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing. Selectieadvies Het Selectieadvies is als Bijlage 7 toegevoegd aan deze Toelichting.

Op grond van de intactheid van de bodem vanaf een diepte van 0,50 m beneden maaiveld en daarmee hoge archeologische verwachting om archeologische resten uit de perioden Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) aan te treffen in het plangebied adviseert KSP Archeologie een archeologisch vervolgonderzoek ter plekke van de ingrepen voor de nieuwbouw. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de kans om intacte archeologische resten aan te treffen ter plaatse van het geplande multifunctionele gebouw klein wordt geacht voor zover daar de bodem niet dieper dan 0,95 m beneden maaiveld wordt verstoord. Ter plaatse van de te slopen bestaande bebouwing zullen eventueel aanwezige archeologische resten grotendeels of zelfs geheel zijn verdwenen door de aanleg van bouwputten (paragraaf 2.1) bij de bouw, waardoor de kans klein is dat hier nog archeologische resten te verwachten zijn. Vandaar dat er geen sloopbegeleiding noodzakelijk wordt geacht. Op basis van de intactheid van de bodem kan in het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig zijn. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezig archeologische resten verloren gaan en is vervolgonderzoek noodzakelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=6ffdde6f-6908-4b21-bd8a-dbe583f98a0f