Bijlage 1: VGBP_Vlas en Graan 101 Veghel_Toelichting
Tekst van het document
In de welstandsnota is de welstandsbeoordeling afgeschaft waar het kan, maar blijft gelden voor gebieden waar dat nodig is. Toetsing planvoornemen Het plangebied ligt conform de welstandskaart van de gemeente Meierijstad binnen het "Historisch centrumgebied" van Veghel.
33/78
Figuur 4.3: Uitsnede Welstandskaart gemeente Meierijstad (bron: gemeente Meierijstad)
Het karakter van de oorspronkelijke centrumgebieden van Schijndel, Sint-Oedenrode, Veghel en Erp is in een lange reeks van jaren opgebouwd met elk hun eigen kenmerken wat betreft schaalgrootte en een diversiteit aan bebouwing met afwisseling van kappen, stijlen en bouwlagen. Met name de oorspronkelijke historische bebouwing in deze gebieden is van hoge cultuurhistorische waarde. Het beleid is gericht op behoud en versterking van de ruimtelijke karakteristiek. Verdichting en schaalvergroting is mogelijk, met inachtneming van de specifieke ruimtelijke kenmerken van de directe omgeving. Ingrepen die tot een verstoring van het bestaande beeld leiden, dienen te worden vermeden. Nieuwe bebouwing moet in harmonie met de bestaande bebouwing ontworpen worden. Zowel wat betreft maat en schaal, als wat betreft kleur- en materiaalgebruik. Het eigen architectonische karakter van de panden moet behouden blijven. Bij nieuwe invullingen is eigentijdse architectuur mogelijk, waarbij de gebiedskenmerken als uitgangspunt worden genomen. Bij herbouw van beeldbepalende boerderijen in het buitengebied moeten de oorspronkelijke bouwmassa en specifieke historische kenmerken worden teruggebracht. Het voorliggende bouwplan is tot stand gekomen in overleg met de welstands- en monumentencommissie maar ook met andere adviseurs en ambtenaren van de gemeente Meierijstad.
De welstandscommissie heeft het voorliggende ontwerp beoordeeld en zij zijn inmiddels akkoord. Het moet voor de klant duidelijk zijn wat de winkel van de Aldi is en wat het aangrenzende zwembad is. Daarmee wordt tevens de focus van het parkeren voor de winkel gelegd op het binnenterrein. Ook wordt door het onderscheid in de kleur baksteen een duidelijke afkadering gemaakt in de verschillende eigendommen. Het
34/78
planvoornemen sluit qua bouwhoogte ter plaatse van de plat afgedekte bebouwing aan op de platte uitbouw van het zwembad. Aan de achterzijde wordt de houten gevel en de rode baksteen in de plint doorgezet waardoor ook hier al sprake is van een goede aansluiting met het zwembad. De kleur van het mestelwerk wordt daarmee van ondergeschikt belang. Het bouwplan zoals nu voorligt is kwaliteitsgericht en is zo ontworpen dat het aansluit bij het algemene belang.
4.5
Conclusie
Nieuwe detailhandelsontwikkelingen moeten bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de provincie Noord-Brabant. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen is de ladder voor duurzame verstedelijking het uitgangspunt bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals de ontwikkeling en verplaatsing van een supermarkt. Voor de beoogde ontwikkeling van Aldi in Veghel is de Regionale detailhandelsvisie Agrifood Capital Noordoost-Brabant van toepassing. Aldi wenst te verplaatsen naar een economisch-duurzame locatie in Veghel. Gestreefd wordt naar een locatie aansluitend op het hoofdwinkelgebied van Veghel. De beoogde locatie wordt in de verschillende ruimtelijk relevante beleidskaders van de gemeente Veghel benoemd als potentiële ontwikkellocatie. De realisatie van de nieuwe winkel in samenhang met het nieuwe zwembad geven de mogelijkheid om in dit gedeelte van het centrum van Veghel een kwaliteitsverbetering te bewerkstelligen. Bovendien wordt gestreefd naar het behoud van een compleet supermarktaanbod in het centrum van Veghel. Nieuwvesting van de Aldi zal hierdoor noodzakelijk zijn, om een compleet supermarktaanbod te behouden. De huidige locatie van de Aldi blijft beschikbaar voor andere centrumfuncties en zal op de langere termijn mogelijk worden herontwikkeld tot aansprekende stadsentree.
35/78
Hoofdstuk 5 5.1
Cultuurhistorie en Archeologie
Cultuurhistorie
5.1.1 Beleid en normstelling Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden. 5.1.2
Onderzoek
Op figuur 5.1 is de ligging van het plangebied weergegeven op de uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Ter plaatse van de huidige locatie aan Vlas en Graan 126 zijn geen ruimtelijke of bouwkundige wijzigingen voorzien. Mogelijk aanwezige cultuurhistorische waarden worden hier dan ook niet beinvloed. Op basis van de cultuurhistorische waarden kaart kan worden geconcludeerd dat in of nabij het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig zijn.
36/78
Figuur 5.1: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant, plangebied blauw omlijnd
5.2
Archeologie
5.2.1 Beleid en normstelling Verdrag van Malta In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen, zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Bestemmingsplan In de Nederlandse wetgeving wordt aan artikel 5 uit het Verdrag van Malta invulling gegeven door middel van artikelen 38, 39 en 40 uit de Monumentenwet. In deze artikelen is bepaald dat het archeologisch erfgoed beschermd dient te worden middels het bestemmingsplan.
Gemeenten moeten bij het vaststellen van
37/78
bestemmingsplannen rekening houden met de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden. Hieronder vallen zowel reeds bekende archeologisch waardevolle gebieden als gebieden waarvoor een (verhoogde) archeologische verwachting geldt. Deze waarden krijgen een archeologische (mede)bestemming, die wordt vermeld in de toelichting van het bestemmingsplan, wordt begrensd in de verbeelding (plankaart) en wordt voorzien van regels die gekoppeld zijn aan een vergunningstelsel. In artikel 41a van de Monumentenwet is bepaald dat artikelen 39, 40 en 41, eerste lid, niet van toepassing zijn op plangebieden met een oppervlakte kleiner dan 100 m². Bij projecten die deze oppervlakte overschrijden dient het archeologisch belang altijd te worden meegewogen in de belangenafweging. Gemeenten kunnen van deze grens afwijken, mits de redenen hiervoor goed onderbouwd kunnen worden. Archeologiebeleid Meierijstad (voormalige gemeente Veghel) Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk.
De voormalige gemeente Veghel (nu Meierijstad) beschikt over een vastgestelde archeologische beleidsnota. Een belangrijk onderdeel hiervan vormt de gemeentelijke archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. De gemeentelijke beleidskaart is gebaseerd op gedetailleerde kennis van de lokale landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en het bodemarchief. Deze kennis komt tot uiting in vijf periode-specifieke archeologische verwachtingskaarten die tonen op welke locaties archeologische resten uit bepaalde perioden kunnen worden verwacht. Op de beleidskaart worden de verschillende verwachtingen vertaald naar verwachtingszones en gekoppeld aan concrete vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden, worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. Door middel van het hanteren van verschillende vrijstellingsgrenzen wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten. Het archeologisch kaartbeeld is echter niet statisch. In de loop der tijd zal de kennis over het bodemarchief toenemen. De vrijstellingszones in het onderhavige bestemmingsplan zijn dan ook geen exacte weergave van de vastgestelde beleidskaart.
5.2.2 Onderzoek Volgens het vigerend bestemmingsplan Centrumgebied Veghel uit 2011 heeft het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie'. Voor gebieden met deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksplicht bij bodemverstoringen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm –mv. Ter plaatse van de huidige locatie aan Vlas en Graan 126 zijn geen ruimtelijke of bouwkundige wijzigingen voorzien. Mogelijk aanwezige Archeologische waarden worden hier dan ook niet beinvloed, de dubbelbestemming blijft hier wel gehandhaafd. Voor de nieuwe locatie van de Aldi is, in verband met de archeologische verwachtingswaarde, een archeologisch
38/78
bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 1 bij deze toelichting. Het onderzoek heeft uitgewezen dat binnen een deel van het plangebied (buiten het bestaande zwembad) nog beekdal-gerelateerde off site-resten aanwezig kunnen zijn. Het is nog niet bekend of deze resten door de voorgenomen nieuwbouw worden bedreigd. In principe is er een inventariserend veldonderzoek nodig om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn. Op dit moment is een groot deel van de nieuwbouwlocatie echter bebouwd, wat het uitvoeren van een representatief inventariserend veldonderzoek vrij lastig maakt. Bovendien bestaan de te verwachten resten voornamelijk uit zogenaamde punt- of toevalsvondsten, die niet effectief door prospectief onderzoek kunnen worden opgespoord. Geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen werkzaamheden, wel wijst men met nadruk op de bestaande meldingsplicht. Mochten tijdens toekomstige graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dienen deze conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 direct bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (per de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed20, de provincie Noord-Brabant of de gemeente Meierijstad) te worden gemeld. De gemeente Meierijstad heeft een selectieadvies uitgebracht.
Uitgaande van de resultaten van het onderzoek, kan de gemeente Meierijstad instemmen met het rapport en met het advies het terrein voor ontwikkeling vrij te geven. Gezien de landschappelijke ligging en de mate van bebouwing wordt de kans klein geacht dat in het plangebied intacte en goed karteerbare archeologische waarden aanwezig zijn. Wel blijft voor het terrein de omgang met toevalsvondsten (conform art. 5.10, Erfgoedwet 2015) van kracht.
39/78
Hoofdstuk 6
6.1
Groenstructuur en Natuur
Wet natuurbescherming
6.1.1 Beleids-/toetsingskader Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit wijzigingsplan mogelijk worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Noord-Brabant uitgewerkt in het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten. In de provincie Noord-Brabant wordt voor een aantal soorten vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft onder andere aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat.
40/78
6.1.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in of in de directe omgeving van Natura 2000-gebieden. Hieronder zijn de afstanden tot de verschillende in zuidoost-brabant gesitueerde Natura 2000-gebieden weergegeven: Ruim 17 km tot "Vlijmens Ven, Moerplaten", ten westen; Ruim 18 km tot "Kampina & Oisterwijkse vennen", ten zuidwesten; Ruim 22 km tot "Strabrechtse heide & Beuven", ten zuiden; Ruim 23 km tot "Deurnesche Peel & Mariapeel", ten zuidoosten; Ruim 28 km tot "St. Jansberg", ten noordoosten; Ruim 31 km tot "Maasduinen", ten oosten. Ter plaatse van de huidige locatie aan Vlas en Graan 126 zijn geen ruimtelijke of bouwkundige wijzigingen voorzien. Natuurgebieden worden dan ook niet beïnvloed door de planologische wijziging (uitsluiten detailhandel) op deze locatie. De invloed van de nieuwe Aldi op de genoemde Natura 2000-gebieden wordt hierna onderzocht. Gezien de grote afstanden tot die gebieden is de realisatie van de nieuwe Aldi niet van invloed op de instandhoudingsdoeleinden van de betreffende gebieden. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof.
Figuur 6.1: Natura 2000-gebieden omgeving Veghel De Wet stikstofreductie en natuurverbetering is inmiddels komen te vervallen waardoor er geen vrijstelling meer geldt voor stikstofuitstoot tijdens de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. Bij het indienen van de
41/78
omgevingsvergunning voor het bouwen zal dan ook een stikstofdepositieberekening worden aangeleverd waaruit blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie. Derhalve is in het kader van dit bestemmingsplan alleen een stikstofdepositieberekening opgesteld voor de gebruiksfase van het ruimtelijk initiatief. Uit deze berekening blijkt dat er geen depositieresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j te verwachten zijn. Zie bijlage 7 voor de memo en bijlage 8 voor de berekening. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Het plangebied is niet gelegen binnen Natuurnetwerk Brabant. Wel is direct ten westen van het plangebied de beek de Aa gelegen. Deze beek is aangewezen als ecologische verbindingszone en daarmee tevens als Natuurnetwerk Brabant. Het planvoornemen heeft echter geen negatieve invloed op de instandhouding van deze ecologische verbindingszone en draagt zelfs bij aan de gemeentelijke doelstelling om de Aa vanuit het centrum beter te kunnen beleven. Het bebouwd oppervlak binnen het plangebied neemt namelijk af en de openbare ruimte wordt zodanig ingericht dat er een verbinding ontstaat tussen het centrum en de Aa. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven.
De nieuwe indeling zorgt ervoor dat auto’s verder van de NNB vandaan blijven en een groenstrook tussen het plangebied en de NNB ontstaat. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Wel is het van belang om licht gericht en uitschijnend op de Aa te vermijden. Het planvoornemen voorziet daarin.
Figuur 6.2: Ligging Natuurnetwerk Brabant, beek de Aa, ten westen van het plangebied Soortenbescherming Ter plaatse van de huidige locatie aan Vlas en Graan 126 zijn geen ruimtelijke of bouwkundige wijzigingen
42/78
voorzien. Eventueel aanwezige beschermde soorten op deze locatie zullen dan ook niet worden verstoord. Voor de beoogde locatgie van de Aldi en de te slopen opstallen (sporthal en zwembad) is een quickscan Flora en fauna uitgevoerd. De rapportage behorende bij deze quickscan is opgenomen in Bijlage 2 bij deze toelichting. Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen: Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen.
Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen; Met betrekking tot de sloop van het bestaande sportcomplex zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven. In Bijlage 3 bij deze toelichting is de rapportage opgenomen van een eerder uitgevoerd gericht veldonderzoek naar de aanwezigheid van beschermde vleermuizen. Uit dat onderzoek komt naar voren dat in het gebied gewone dwergvleermuizen vliegen en foerageren. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn geen vliegroutes of verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Op grond van bovenstaande analyse en met inachtneming van bovengenoemde aspecten voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten. Zorgplicht Voor alle soorten (met uitzondering van de huismuis, zwarte rat en bruine rat), dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt een zogenaamde algemene zorgplicht (art. 2 Flora- en faunawet).
Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende
43/78
soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren die in winterslaap gaan. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). 6.1.3 Conclusie Het planvoornemen heeft geen invloed op beschermde gebieden. Op basis van de quickscan en een inventariserend veldonderzoek kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen niet in strijd is met de Wet natuurbescherming.
44/78
Hoofdstuk 7 7.1
Water
Toetsingskader
Waterbeheer en watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plan en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NWP) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP) Verordening water Verordening ruimte Noord-Brabant Waterschapsbeleid In het gebied van het project is waterschap Aa en Maas de waterbeheerder. In het Waterbeheerplan beschrijft het waterschap haar strategische keuzes, de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan. Het waterbeheer is gericht op het duurzaam beheren van het watersysteem, waarbij uitgegaan wordt van een watersysteembenadering. In het 'Waterbeheerplan 2016-2021 Werken met water, Voor nu en later' beschrijft het waterschap de hoofdlijnen van haar beleid uitgewerkt in verschillende thema's. Het huidige waterbeheerplan beschrijft de plannen voor de periode 2016 – 2021. De langetermijnstrategie uit het voorgaande beheerplan wordt voortgezet voor de verschillende thema's, zoals waterkwaliteitsverbetering, vermindering van de kans op wateroverlast en verdrogingsbestrijding.
45/78
Middels de Keur van Waterschap Aa en Maas is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregelen getroffen moeten worden. De Keur schrijft voor dat voor een toename van minder dan 2.000 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze mitigerende maatregelen zijn wel van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer.
Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² - 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Op basis van de Keur en de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen' wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.
7.2
Onderzoek
Ter plaatse van de huidige locatie aan Vlas en Graan 126 zijn geen ruimtelijke of bouwkundige wijzigingen voorzien. De waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van die locatgie wijzigt dan ook niet. Er is door Aeres Milieu een Waterparagraaf opgesteld voor het plangebied van de totaal ontwikkeling (hierna: onderzoeksgebied) aan het Stadhuisplein, inclusief de toekomstige ontwikkeling van de Aldi en parkeerterrein ter plaatse van de vrijkomende locatie van het huidige zwembad en sporthal. In deze toelichting worden de belangrijkste bevindingen vermeld die betrekking hebben op het onderzoeksgebied, het gehele onderzoek is opgenomen als bijlage. Het onderzoeksgebied ligt in het centrum van Veghel en wordt omringd door stedelijke bebouwing. Ten westen van het onderzoeksgebied ligt een appartementencomplex met daarachter de Aa. In het noorden grenst het onderzoeksgebied aan de openbare straat Vlas en Graan en in het zuiden aan het Stadhuisplein. Aan de oostzijde liggen enkele winkelgelegenheden en appartementencomplexen. Voor de herinrichting van het onderzoeksgebied is voldoende drooglegging benodigd om wateroverlast in de toekomst te vermijden. Hierbij is o.a. de bestaande hoogteligging van belang. Het onderzoeksgebied ligt in het lager gelegen gebied van het centrum, dat afloopt naar de Aa. Op perceelniveau kent het onderzoeksgebied nauwelijks hoogteverschillen.
Het maaiveld van het onderzoeksgebied is ca. 10,0 m +NAP. De straat Vlas en
46/78
Graan ligt op een hoogte van ca. 9,8 m +NAP en nabij de Aa op ca. 3,0 m-mv. Grondwater Op basis van de verwachte bodemopbouw zal er een matig tot slechte doorlatendheid aanwezig zijn in het onderzoeksgebied. De aanwezigheid van leemlagen zal de verticale infiltratiemogelijkheden een sterk beperken. Het grondwater zal in westelijke richting stromen naar de Aa en bevindt zich gemiddeld op een hoogte van ca. 7,90 m +NAP. Het onderzoeksgebied bevindt zich buiten de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied. Binnen het onderzoeksgebied wordt een gemiddelde grondwaterstand verwacht op ca. 2,1 m-mv en een GHG op ca. 1,60 mmv. Voor de toekomstige ontwikkeling wordt voldaan aan de benodigde drooglegging (0,7 m onderzijde vloer bij gebouwen en 0,5 m voor tuinen). Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. Geadviseerd wordt om het vloerpeil van de nieuwbouw circa 20 cm boven de kruin van het maaiveld aan te leggen zodat eventuele instroom in het pand vermeden wordt. Binnen of vlakbij het onderzoeksgebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in een(grond)waterbeschermingsgebied. De milieuhygiënische conditie van het grondwater vormt, zover ons bekend, geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen plannen.
Bij eventuele bemaling en lozing ten behoeve van de nieuwbouw wordt aangeraden de kwaliteit van het onttrokken water vast te stellen/te monitoren. Door de totaalontwikkeling van het gebied is geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten. Oppervlaktewater Binnen het onderzoeksgebied is een kleine vijver aanwezig en in het westen ligt de Aa. Dit oppervlaktewater kan gebruikt worden voor de (nood)afvoer van hemelwater. Echter wordt geadviseerd om niet direct aan te sluiten op de Aa en bij voorkeur aan te sluiten op het hemelwaterriool van de gemeente. De vijver zou eventueel als retentiebassin gebruik kunnen worden waarvan uiteindelijk een overloop naar de Aa gemaakt kan worden. Overleg met de gemeente Meierijstad en het waterschap Aa en Maas is hierbij noodzakelijk. Het oppervlaktewater wordt beheerd door het waterschap Aa en Maas. De basis voor het ontwerp van infiltratieen/of retentievoorzieningen is omgeschreven in de keur. Bij werkzaamheden en/of wijzigingen hieraan dient het waterschap betrokken te worden bij het watertoets proces. Ter weerszijden van de Aa gelden beschermingszones vanuit het Keur, zie figuur 7.1. Bij werkzaamheden zal er rekening worden gehouden met deze zones. Waar nodig zullen watervergunningen worden aangevraagd.
47/78
Figuur 7.1: Weergave beschermingszones Aa-watergang Afvalwater In het onderzoeksgebied is een gemengd rioolsysteem aanwezig waarop de huidige bebouwing aangesloten is. Deze bebouwing functioneert als sportcentrum en zwembad en heeft daardoor voldoende afvoervoorzieningen. Het nieuw te realiseren plan is gelijkwaardig en zal naar verwachting geen afvalwaterafvoer problemen veroorzaken. In de straten rondom het onderzoeksgebied (Vlas en Graan, Stadhuisplein) is naast een gemengd rioolsysteem ook een hemelwater rioolsysteem aanwezig. In het hemelwaterstructuurplan is aangegeven dat het uitgangspunt is dat het hemelwater voor het onderzoeksgebied en omgeving gescheiden aangeboden wordt op het gemeentelijk stelsel en afstroomt naar het oppervlaktewater. Bij de herinrichting zal op eigen terrein een gescheiden rioolstelsel aangelegd worden en aangeboden worden aan het gescheiden rioolstelsel van de gemeente. Voor de aansluiting van de nieuwbouw op het gemeentelijk stelsel dient ten tijde bij de gemeente Meierijstad een aansluiting aangevraagd te worden. Hemelwater Het afkoppelen en infiltreren van neerslag levert een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieuhygiënische maatregelen worden getroffen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient hemelwater, afkomstig van ‘schoon’ afvoerend oppervlak, waar mogelijk, ter plaatse geïnfiltreerd te worden.
Naar aanleiding van de verwachte bodemsamenstelling zullen er slechte infiltratiemogelijkheden zijn in de bodem. Op basis van het waterstructuurplan van de gemeente Meierijstad is het uitgangspunt dat het hemelwater minimaal gescheiden wordt. De straten rondom het onderzoeksgebied zijn reeds voorzien van deze gescheiden rioolsystemen en het onderzoeksgebied wordt hierop aangesloten.
48/78
In de huidige situatie is de onderzoekslocatie reeds grotendeels verhard en een klein gedeelte is braakliggend terrein. Door de totaalontwikkeling neemt het verhard oppervlak toe met ca. 440 m². Hierbij is het parkeerterrein aan de oostzijde van het plangebied vooralsnog als geheel verhard geteld (dus zonder groenstroken). Vanuit het waterschap is er geen verplichting tot de aanleg van een compensatie bij de afvoer van verhard oppervlak. Het gemeentelijk beleid is algemeen gericht op het zoveel mogelijk ter plaatse verwerken van hemelwater. Door het bijkomend verhard oppervlak bedraagt de benodigde waterberging circa 27 m³. De totale waterverwerking in het plan is afhankelijk van het gemeentelijk gescheiden stelsel want de gescheiden aanlevering mag geen belemmering opleveren. Het hemelwater kan zowel bovengronds en ondergronds verwerkt worden, echter wordt er verwacht dat de infiltratiesnelheid in het onderzoeksgebied slecht zal zijn. Bij de aanleg van een absolute infiltratievoorziening wordt geadviseerd voorafgaand infiltratiemetingen uit te voeren. De hemelwaterverwerking van het toegenomen verhard oppervlak kan op verschillende manieren plaatsvinden. Met een GHG van 1,6 m-mv kan deze berging zowel bovengronds en ondergronds.
De volgende mogelijkheden kunnen gebruikt worden voor de hemelwaterverwerking: Het onderzoeksgebied kan worden aangesloten op het gescheiden rioolsysteem in de Vlas en Graan en het Stadhuisplein, waardoor alleen de toename in verhard oppervlakte geborgen moet worden op eigen terrein. Aanleg van een greppel/wadi aan de westkant van het onderzoeksgebied met een minimale diepte van 40 cm. Enkele laag infiltratiekratten (of vergelijkbaar) met waterpasserende bestrating onder de straatverharding / parkeergelegenheden. Waterberging op het platte dak. In overleg met de gemeente Meierijstad geheel afvoeren naar het gescheiden rioolsysteem zonder berging. Bij ondergrondse infiltratie dient een bovengrondse noodoverloop bijvoorbeeld via de kolk aangelegd te worden die dan oppervlakkig afstroomt naar het gemeentelijk stelsel. Verder dient rekening gehouden te worden met de benodigde gronddekking op een ondergrondse voorziening. Tevens wordt hierbij een voorzuivering geadviseerd om dichtslibben van de voorziening te vermijden. Door de aanleg van een gescheiden stelsel, de kleine verhardingstoename, aanvullende waterretentie op eigen terrein binnen het onderzoeksgebied en rekening houdende met de genoemde aandachtspunten wordt hydrologisch gezien positief ontwikkeld en is geen wateroverlast te verwachten door de planontwikkeling.
De groenzone aan de westzijde van het plangebied is voldoende groot om hemelwater ter plaatse te kunnen laten infiltreren. Het omliggend terrein wordt ook zo aangelegd dat excessief water kan afstromen naar het openbaar gebied.
7.3
Conclusie
Het aspect water vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling ter plaatste.
49/78
50/78
Hoofdstuk 8 8.1
Fysieke belemmeringen
Kabels en leidingen
8.1.1 Beleid en normstelling Planologische relevante kabels en leidingen Voor hoofdtransportleidingen en hoogspanningsverbindingen geldt dat deze in een (bestemmings)plan moeten worden geregeld. Deze leidingen hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Hoofdtransportleidingen zijn buisleidingen waarmee de volgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/ goederen; aardgas hoofdtransportnet Gasunie, of andere gasnetten, met diameter vanaf 18 inch (47,5 cm); defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening, met een diameter groter of gelijk aan 18 inch (47,5 cm) aardolieproducten, met een uitwendige diameter van meer dan 7 cm en een druk van meer dan 16 bar. Overige leidingen kunnen planologisch relevant zijn als deze een onmisbare functie vervullen voor een groot gebied of voor kwetsbare functies of bedrijfsprocessen of als deze een veiligheidscontour hebben. Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming c.q. regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen kunnen dan ook zonder planologische regeling worden aangelegd.
Grondroeringsregeling De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. 8.1.2 Onderzoek In paragraaf 9.7 wordt geconcludeerd dat zich in of nabij het plangebied, op basis van de risicokaart, geen planologisch relevante leidingen bevinden. Ook zijn hier geen hoogspanningslijnen aanwezig. Het geldende bestemmingsplan voorziet ook niet in specifieke bestemmingen voor leidingen in de nabijheid van het plangebied. Op een afstand van circa 3,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied ligt een hoogspanningslijn. Gelet op deze afstand vormt dit aspect geen belemmering. Volgens de Netkaart van het RIVM geldt langs deze hoogspanningslijn een indicatieve zone van 100 meter. Het plangebied ligt hierbuiten. Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering.
51/78
8.1.3 Conclusie In of nabij het plangebied zijn geen kabels en/of leidingen aanwezig welke planologische bescherming behoeven.
8.2
Radarverstoringsgebied
De planlocatie is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van Volkel. De projectlocatie ligt binnen een straal van 15 kilometer vanaf het radarstation van vliegbasis Volkel. De maximale bouwhoogte van bouwwerken binnen deze straal is afhankelijk van de afstand van het beoogde bouwwerk tot de radar. Deze maximale bouwhoogte wordt bepaald door een denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf een punt op de top van de radarantenne. De top van de radarantenne van vliegbasis Volkel is 49 meter + NAP). Vanaf die 49 meter loopt (omhoog dus) de maximale bouwhoogte 0,25 graden op tot een punt gelegen op 15 kilometer vanaf de radarantenne. Het planvoornemen voorziet in een planologische wijziging ter plaatse van de bestaande winkel (detaiulhandel wordt hier uitgesloten) en in de realisatie van nieuwe bebouwing met een maximale bouwhoogte van maximaal 7,5 meter. Dit is ruim onder de ter plaatse toegestane maximale bouwhoogte (65 meter) in verband met het radarverstoringsgebied.
52/78
Hoofdstuk 9 9.1
Milieuhygiënische verantwoording
M.e.r.-beoordeling
De beoogde ontwikkeling betreft de uitbreiding van de Aldi naar een winkel met een bruto vloeroppervlak van 1.684 m² en een winkelvloeroppervlak van 1.035 m². Gezien de omvang van het project wordt de ontwikkeling gezien als een stedelijke ontwikkelingsproject (categorie D.11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.). De drempelwaarden van deze categorie worden overschreden in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aangesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte omvat van 200.000 m2 of meer. Daarvan is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die de genoemde drempelwaarden niet overschrijden toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling die is opgesteld voor dit plan. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen uitgebreide plan- of project m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
Wel dient door het bevoegd gezag voorafgaand op het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning een besluit genomen moeten worden op de m.e.r.-beoordeling. De aanmeldnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als bijlage 11 bij deze toelichting.
9.2
Bodem
9.2.1 Toetsingskader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 9.2.2 Onderzoek Ter plaatse van de huidige supermarkt aan de Vlas en Graan 126 blijft de centrumbestemming gehandhaafd. Alleen het gebruik als supermarkt wordt op basis van dit bestemmingsplan uitgesloten. Onderzoek naar de kwaliteit van de bodem is niet noodzakelijk aangezien dezelfde functies mogelijk blijven met uitzondering van de supermarkt. Ter plaatse van de beoogde nieuwe supermarkt is wel onderzoek noodzakelijk aangezien de verschillende gronden van functie wijzigen. Er is dan ook een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform de richtlijnen
53/78
van de NEN 5740 en 5707, voor het plangebied van de totaal ontwikkeling aan het Stadhuisplein, inclusief onderhavig plangebied. De rapportage van het onderzoek is opgenomen in Bijlage 4 van deze toelichting. In deze toelichting worden de belangrijkste bevindingen vermeld die betrekking hebben op onderhavig plangebied. Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd. Op basis van de onderzoeksresultaten uit het vooronderzoek, dient in de directe omgeving wel rekening gehouden te worden met het aantreffen van licht verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK in de grond en licht verhoogde gehalten met zware metalen in het grondwater. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem kan niet worden uitgesloten (verdacht). Tijdens de veldinspectie zijn binnen het plangebied geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk baksteen-, puin en asfaltresten waargenomen. In het uitgegraven materiaal van de asbestinspectiegaten zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium en xylenen.
Ter plaatse van boorpunt 1, geven de resultaten van het bodemonderzoek aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek naar de aard en omvang van de aangetoonde verontreiniging met zink. Er dient een nader bodemonderzoek plaats te vinden naar de omvang van de grondverontreiniging met zink boven de interventiewaarde. Dit moet voor de sloop van het bestaande gebouw gebeuren. Ter plaatse van boorpunt 1 wordt de bestemming gewijzigd van 'Sport' naar 'Verkeer'. Dit is een wijziging naar een minder milieugevoelige bestemming. Ter plaatse van boorpunt 1 is de parkeerplaats voorzien. Mensen kunnen hierdoor niet in contact komen met de betreffende verontreiniging. In het kader van dit bestemmingsplan is voldoende aangetoond dat de bodem ter plaatse van voldoende kwaliteit is voor de beoogde functie ('Verkeer'). Ter plaatse van de nieuwe winkel zijn geen bodemverontreinigingen aangetoond. De kwaliteit van de bodem staat de haalbaarheid van het planvoornemen niet in de weg. Wel zal de zinkverontreiniging nader onderzocht moeten worden en zo nodig moeten worden gesaneerd. Het nader onderzoek dient vanzelfsprekend wel uitgevoerd te worden voordat de sloopwerkzaamheden gaan plaatsvinden. De kosten van een dergelijk onderzoek en een eventuele sanering staan de financiele haalbaarheid van het planvoornemen niet in de weg.
Na de sloop van de bestaande bebouwing dient de bodem onder het voormalige gebouw te worden onderzocht. Doel is om na te gaan of er geen sloopafval is achtergebleven in de bodem. Geadviseerd wordt om na sloop van de bestaande bebouwing de milieuhygiënische bodemkwaliteit vast te stellen binnen de voormalige bebouwingscontour. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het tijdelijke handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van toepassing.
54/78
Het freatisch grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.
9.2.3 Conclusie Door middel van een Verkennend bodemonderzoek is aangetoond dat de kwaliteit van de bodem de haalbaarheid van het planvoornemen niet in de weg staat. Voor deze bestemmingsplanprocedure is in voldoende mate aangetoond dat de kwaliteit van de bodem voldoende is voor de beoogde functies.
9.3
Akoestiek
9.3.1 Toetsingskader Industrielawaai/grote lawaaimakers De locatie maakt geen deel uit van een terrein dat op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) is gezoneerd en valt evenmin binnen de geluidzone van een gezoneerd bedrijventerrein. Bovendien is geen sprake van geluidgevoelige functies. Het aspect industrielawaai is daarmee niet relevant. Activiteitenbesluit/inrichtingsgeluid De nieuwe supermarkt is een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer (Wm). De toetsing aan het activiteitenbesluit is opgenomen in paragraaf 11.1.2. Wegverkeerslawaai Een supermarkt is geen geluidgevoelige functie op grond van de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer. In zoverre is het aspect wegverkeerslawaai niet relevant. Wel dient uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening te worden beoordeeld of de beoogde ontwikkelingen zorgen voor een hoorbare toename van de geluidbelasting op de gevel geluidsgevoelige objecten (woningen) langs de omliggende wegen. Daarvan is sprake indien de geluidbelasting met 2 dB toeneemt. Een dergelijke toename zal zich pas voor kunnen doen indien de verkeersintensiteiten op deze wegen met 25% of meer toenemen. In dat geval is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai (uitstralingseffecten) noodzakelijk. 9.3.2 Onderzoek Ter plaatse van de huidige supermarkt aan de Vlas en Graan 126 blijft de centrumbestemming gehandhaafd.
Alleen het gebruik als supermarkt wordt op basis van dit bestemmingsplan uitgesloten. Akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk aangezien dezelfde functies mogelijk blijven met uitzondering van de supermarkt. Een supermarkt is geen geluidgevoelige functie. In het kader van de Wet Geluidhinder is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai dan ook niet noodzakelijk. Uit verkeersmodellen blijkt dat over de Vlas en Graan sprake is van circa 1.473 mvt/etm. Het planvoornemen voorziet in een toename van 649 mvt/etm (zie ook paragraaf 12.4). Daarmee is de toename van het verkeer dus meer dan 25% en dient, uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Dat onderzoek maakt echter onderdeel uit van het akoestisch onderzoek omgevingslawaai dat in het kader van het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' is uitgevoerd (zie paragraaf 11.1).
55/78
Uit het onderzoek blijkt dat het wegverkeerslawaai maar beperkt toeneemt ten gevolge van de komst van de Aldi. Indien de toename van het verkeer wordt beschouwd als herinrichting van een weg mag conform de Wet geluidhinder de geluidbelasting vanwege de weg niet meer dan 1,5 dB worden verhoogd. Overigens vind geen herinrichting van de Vlas en Graan plaats waardoor deze regels niet letterlijk van toepassing zijn. Om aan te tonen dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening wordt hier toch nader op ingegaan. Bij een verhoging van meer dan 1,5 dB is dit voor omwonenden een merkbaar verschil in geluidbelasting en dienen maatregelen te worden getroffen. Indien de verhoging van de geluidbelasting dus minder is dan 1,5 dB dan is de toename van het verkeer voor de omwonenden niet waarneembaar. Uit het onderzoek naar de verkeerstoename op de Vlas en Graan kan worden gesteld dat de toename van de geluidbelasting op de gevels van de omliggende woningen maximaal 0,7 dB bedraagt. Daarmee is de toename van het verkeer niet waarneembaar en wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Derhalve worden er naast de in paragraaf 11.1 genoemde te treffen maatregelen geen aanvullende maatregelen voorgeschreven aan de gevels van omliggende woningen. 9.3.3 Conclusie Het aspect geluid vormt, in het kader van de Wet geluidhinder, geen belemmering voor het planvoornemen.
9.4
Luchtkwaliteit
9.4.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de tabel 9.1. weergegeven. Tabel 9.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van stikstofdioxide (NO2) ) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
56/78
Besluit niet in betekenende mate (Besluit nibm) In dit Besluit is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen. 9.4.2 Onderzoek In paragraaf 12.4 is berekend dat de verkeersgeneratie op een gemiddelde weekdag circa 649 mtv/etm bedraagt. Per dag zullen maximaal 3 vrachtwagens ter plaatse komen om de nieuwe winkel te bevoorraden. Ten opzichte van de verkeersgeneratie komt dat neer op nog geen 1% van het totaal. In onderstaande berekening wordt derhalve uitgegaan van een worst-case percentage van 1% voor het aandeel vrachtverkeer. Het gaat om een verplaatsing van een bestaande functie maar vooral om het opheffen van een zwembad en een sporthal ten behoeve van de realisatie van een nieuwe supermarkt en een nieuw zwembad. Naar verwachting is de planologische procedure in 2023 afgerond en kan dat jaar gestart worden met de werkzaaamheden. In onderstaande tool is 2023 dan ook gekozen als jaar van planrealisatie.
De extra verkeersgeneratie is daarmee dusdanig beperkt dat het effect op de luchtkwaliteit in geen geval meer dan 3% bedraagt van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2. Dit is bevestigd door het invullen van de NIBM-tool (versie 23 april 2022).
Figuur 9.1 Bijdrage verkeer op luchtkwaliteit (bron: NIBM-tool 23 april 2022) Op het plan is daarom het Besluit nibm van toepassing. Nader onderzoek is dan ook niet nodig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 9.1. De dichtstbij gelegen weg waarvoor informatie beschikbaar is, betreft de Rembrandtlaan ten zuiden van het plangebied, op een
57/78
afstand van circa 125 meter van het plangebied. In tabel 9.2 hieronder zijn de concentraties weergegeven. Tabel 9.2 Concentratie en overschrijdingsdagen in 2020 en 2030 ter hoogte van het plangebied Stof NO2 PM10 Totale concentratie 2020 18.828 17.733 Aantal normoverschrijdingsdagen 2020 / 6.21 Totale concentratie 2030 13.385 15.318 Aantal normoverschrijdingsdagen 2030 / 6.0
PM2,5 10.003 / 8.149 /
In figuur 9.2 zijn de rekenpunten weergegeven.
Figuur 9.2: Luchtkwaliteit o.b.v. NSL-monitoringstool Het maximale gehalte stikstofdioxide bedraagt 18,828 µg/m³, voor fijnstof bedraagt ter plaatse van dit meetpunt maximaal 17,733 µg/m³, voor fijnstof met deeltjes kleiner dan 2,5 micrometer doorsnee, bedraagt de concentratie 10.003 in 2020. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 6,21 dagen.
58/78
9.5
Geurhinder
9.5.1 Geurhinder veehouderijen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Voor diercategorieën waarvan de geuremissiefactor per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Onderzoek plangebied In de nabijheid van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich op circa 1,4 kilometer. De kwaliteit van de leefomgeving ter plaatse van het plangebied is, ten aanzien van de achtergrondbelasting met betrekking tot geur, zeer goed (zie ook figuur 9.3). Geconcludeerd wordt dat het aspect 'geur' niet zorgt voor belemmering bij de uitvoering van het initiatief.
Figuur 9.3: Achtergrondbelasting Geur (bron: odzob.nl)
De veehouderijbedrijven worden overigens ook niet in hun bedrijfsvoering of hun uitbreidingsruimte beperkt aangezien er op kortere afstand van de betreffende veehouderijbedrijven reeds andere geurgevoelige objecten (zoals woningen) aanwezig zijn. Deze bestaande geurgevoelioge objecten zijn al maatgevend voor de bedrijfsvoering en uitbreidingsruimte van veehouderijen.
59/78
9.5.2 Geurhinder industrieel De 'Beleidsregel industriële geur Noord-Brabant' geldt voor de beoordeling van aanvragen voor een vergunning op grond van de Wabo voor industriële inrichtingen die onder de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten vallen, bij aanpassing van eerder verleende vergunningen en bij het stellen van maatwerkvoorschriften. De in deze beleidsregel beschreven benadering en gepresenteerde normering leent zich ook voor toepassing binnen de ruimtelijke ordening. Doelstelling van de ruimtelijke ordening is een goed woon- en leefklimaat. Deze beleidsregel is een invulling van de zogenaamde 'omgekeerde werking', waarmee voor ruimtelijke plannen de aan te houden afstand tot een geurbron uit de milieuregelgeving wordt afgeleid. Thans is het ook geoorloofd om de in deze beleidsregel gegeven normering voor geurgevoelige objecten rechtstreeks op te nemen in de voorwaarden van een bestemmingsplan of te hanteren bij vergunningverlening voor afwijking van een bestemmingsplan. Onderzoek plangebied In de nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig met een industriële geurcontour. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'geur' niet zorgt voor belemmering bij de uitvoering van het initiatief of bestaande bedrijven in hun uitbreidingsruimte beperkt.
9.6
Gezondheid
9.6.1 Spuitzones Er zijn in de omgeving van het plangebied geen gronden gelegen waar mogelijk sprake is van spuit-zones. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van het centrum van Veghel. 9.6.2 Geitenhouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Gezien vorenstaande vormen bovenstaande aspecten geen belemmering in relatie tot het aspect 'gezondheid'.
9.7
Externe veiligheid
9.7.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar)
60/78
en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. 9.7.2 Onderzoek Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, is het plangebied ter plaatse van de beoogde nieuwe winkel zelf aangewezen als risicovolle inrichting. Dit heeft direct te maken met de opslag van "chloorbleekloog" (tank van 1.500 liter) ten behoeve van het ter plaatse gevestigde zwembad.
In de beoogde situatie wordt het zwembad echter geamoveerd en zal de opslag van chloorbleekloog teniet worden gedaan. Bij het nieuwe zwembad zal geen sprake meer zijn van de oplag van chloorbleekloog aangezien hier gebruik zal worden gemaakt van zoutelektrolyse. Verder zijn in de nabije omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen. Het LPG-tankstation aan De Leest 2 is gelegen op ruim 500 meter van het plangebied en vormt derhalve geen risico. Ook de vestiging van een zuivelfabriek op een afstand van ruim een kilometer ten westen van het plangebied vormt geen risico voor het plangebied.
61/78
Figuur 9.4: Uitsnede risicokaart De afstanden tot de gasleidingen ten zuiden van het plangebied bedraagt ten minste 750 meter meter. Aangezien deze leidingen geen plaatsgebonden risicocontour hebben en er geen of groepsrisico gegevens bekend zijn, zijn deze leidingen (zeker gezien de grote afstanden) niet van invloed op het planvoornemen. 9.7.3 Conclusie Het aspect 'externe veiligheid' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.