CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Toelichting Pastoor Smitsstraat 36 te Olland

Raadsvergadering 20 februari 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan 'Pastoor Smitsstraat 36 te Olland'20.823 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In het bestemmingsplan wordt de volgende regel opgenomen: Van het maximaal te realiseren totaal aantal woningen, zoals bedoeld in lid 3.2.2.1.e , dient: ter plaatse van de aanduiding "specifieke aanduiding Wonen- sociale huur " ten minste 100% van het aantal woningen, als sociale huurwoning te worden gebruikt en als zodanig in stand te worden gehouden, met een minimaal aantal sociale huurwoningen van acht. Middeldure koop In het plangebied worden twee tussenwoningen op een klein perceel zonder inrit gerealiseerd en zes tussenwoningen met inrit op een groot perceel. In het plangebied worden twee hoekwoningen op een klein perceel zonder inrit gerealiseerd en zes hoekwoningen met inrit op een groot perceel. Deze woningen worden verkocht in het middeldure segment. In het bestemmingsplan wordt de volgende regels opgenomen: Van het maximaal te realiseren totaal aantal woningen, zoals bedoeld in lid 3.2.2.1.e , dient ter plaatse van de aanduiding " specifieke aanduiding Wonen- middeldure koop" ten minste 100% van het totaal aantal woningen als middeldure koopwoning te worden gebruikt en als zodanig in stand te worden gehouden. Met Middeldure koop wordt een middeldure koopwoning bedoeld zoals omschreven in de Verordening 37

doelgroepen woningbouw gemeente Meierijstad zoals die geldt ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan. Dure koop In het plangebied worden vijf vrijstaande woningen en één tweekapper (2 woningen) op een groot perceel met inrit gerealiseerd. Deze woningen worden verkocht in het dure segment. Voor deze woningen hoeft geen bepaling in het bestemmingsplan opgenomen te worden. 3.3.4 Regionale Woondeal Noordoost-Brabant Op 9 maart 2023 is de regionale woondeal Noordoost Brabant gesloten. Noordoost Brabant is de zesde economische regio van Nederland en om dat te blijven moeten er voldoende woningen gebouwd worden. Ook de provincie heeft een afspraak gemaakt met het Rijk. De provincie Noord-Brabant wil de komende tien jaar 130.600 woningen realiseren. Corporaties hebben met het Rijk afgesproken om de bouw van 250.000 sociale huurwoningen en 50.000 midden huurwoningen tot en met 2030 te realiseren. In de Regionale Woondeal Noordoost-Brabant wordt een regionale doorvertaling gemaakt naar gemeenten en corporaties van de gemaakte afspraken tussen Rijk en provincie en tussen Rijk en corporaties. Afgesproken is dat de regio Noordoost-Brabant een substantiële bijdrage wil leveren met de bouw van bijna 34.000 woningen, waarvan ca. 22.300 betaalbaar (67%) en waaronder ca. 10.000 (30%) sociale huurwoningen.

Meierijstad staat in de woondeal voor de bouw van 6.695 nieuwe woningen aan de lat, tot 2030. In het plangebied komen 32 woningen waarvan 8 sociale huurwoningen. Dit betreft 25% van de woningen en niet de in de woondeal afgesproken 30% sociale huur. Daarnaast komen er 16 middeldure koopwoningen. De gemeente Meierijstad hanteert een prijs tot 355.000 voor middeldure koop. Op basis van de woondeal is een betaalbare woning maximaal € 355.000. Hiermee komt 50% van de woningen in de categorie betaalbaar. 75% van de woningen zijn betaalbaar, waarvan 25% sociale huur. In totaal worden er meer betaalbare woningen gerealiseerd dan op basis van de woondeal vereist is, al is het aandeel sociale huur 5% te laag (25% i.p.v. 30%). Omdat de planvorming en afspraken dateren van voor de woondeal wordt het aantal van 25% sociale huur als acceptabel geacht en kan het plan in de huidige vorm doorgang vinden. 3.4

Conclusie beleidskader De realisatie van éénendertig woningen, op meerdere kadastrale percelen gelegen aan de Roest en de Pastoor Smitsstraat te Olland, past binnen het gemeentelijk, provinciaal en rijksbeleid. Vanuit de beleidsmatige aspecten bestaan er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

38

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Milieu Bodemkwaliteit Wanneer een perceel van bestemming verandert en deze bestemming gevoeliger is voor bodemverontreiniging dan de voorgaande bestemming dan dient er een bodemonderzoek te worden uitgevoerd om na te gaan of bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik, en zodoende geen humane risico’s oplevert voor de gebruikers. In onderhavige situatie wijzigt een deel van het plangebied van de bestemming ‘Agrarisch met waarden - landschapswaarden´ naar ‘Wonen’. Om te bezien of de bodem geschikt is voor de toekomstige bestemming is een bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies van het onderzoek worden hier ingevoegd en het rapport met kenmerk 222-OPS36-vo-voa-v1 wordt als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Het voornoemde rapport kent de volgende conclusies en aanbevelingen: Gezien de analyseresultaten en de interpretatie hiervan kan de hypothese "onverdachte locatie" volgens de NEN 5740 worden aanvaard, omdat geen Locatie specifieke verontreinigingen in de bodem zijn geconstateerd. De verontreinigingen met zware metalen in de bovengrond zijn te relateren aan de regionale problematiek m.b.t. zware metalen in de bodem. Gezien de gehalten is geen nader onderzoek noodzakelijk. Indicatief kan worden gesteld dat, in verband met het hergebruik van grond, de grond van de onderzoeklocatie multifunctioneel toepasbaar is.

Hergebruik dient te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het bodembeleid van de gemeente Meierijstad. Uit de resultaten van de analyse blijkt dat de concentratie asbest bij de drupzones ten hoogste 50 mg/kg ds bedraagt. Indicatief is bij alle monsters geconstateerd dat in de fijne fractie (kleiner dan 500 :m) losse vezels aanwezig waren. Geconcludeerd wordt dat er geen directe belemmeringen zijn geconstateerd in verband met de nieuwe woonbestemmingen op het perceel. Geadviseerd wordt daarom om bij de asbestsanering van de daken de bovenste 15 cm van de bovenlaag af te graven en af te voeren als met asbest verontreinigde grond.

39

Voor de nadere onderbouwing van voornoemde conclusies wordt hier kortheidshalve verwezen naar het bodemrapport in bijlage 1 bij deze toelichting. Voor het perceel pastoor Smitsstraat 36 te Olland geldt dat het bodemrapport niet voldoende is. Ter plekke van de geplande streekwinkel met pleisterplaats in het bestaande bijgebouw naast de woning en het nieuw aan te leggen terras op het perceel Pastoor Smitsstraat 36, is niets bekend over de bodemkwaliteit en of deze geschikt is voor het beoogde gebruik. Voor de planontwikkeling is uitvoering van aanvullend verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 ter plaatse is noodzakelijk. Vanwege de sanering van de aangetroffen asbestverontreiniging in de toplaag van de drupzones bij de drie bijgebouwen (stallen en schuren) moet de bodem ter plaatse gesaneerd worden. Bij de planvorming is hiermee rekening gehouden, de sanering levert geen (financiële) belemmering op voor het initiatief. De asbestverontreiniging levert geen onaanvaardbare humane risico’s op, de asbestsanering hoeft niet met spoed uitgevoerd te worden.

Tenslotte dient er in het kader van de aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwen, er gelet op afspraken zoals vastgelegd in het geldende regionale bodembeleid, een actualiserend bodemonderzoek van de bovengrond conform de NEN 5740 uitgevoerd te worden ter plaatse van de nog te slopen drie bijgebouwen (stallen en schuren) op het perceel Pastoor Smitsstraat 36. Tijdens dit actualiserend bodemonderzoek dient de bodem tevens op asbest te worden onderzocht in verband met de verdachtheid op het voorkomen van asbest vanwege de aanwezige asbestverdachte daken op deze bijgebouwen. De vergunning voor de pleisterplaats, streekproductenwinkel en het terras is in 2023 reeds vergund. De vergunning is verleend tot en met 2025. De bedoeling is dat het bestemmingsplan de vergunning overneemt omdat het bestemmingsplan de activiteiten rechtstreeks mogelijk maakt. Indien het bestemmingsplan niet onherroepelijk wordt, eindigt de vergunning op dat moment en niet in 2025. De beide bodemonderzoeken NEN 5740 voor zowel de omgevingsvergunning bouwen als het gebruik van de pleisterplaats, streekproductenwinkel en het terras worden gelijktijdig uitgevoerd bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. De omgevingsvergunning is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De te nemen maatregelen kunnen dan ook in één keer worden uitgevoerd.

Gezien het voorgaande staat het aspect bodem niet aan onderhavig initiatief in de weg. 40

Geur Vanaf 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) het toetsingskader als het gaat om geurhinder afkomstig van dierenverblijven van veehouderijen. De geuremissie is afhankelijk van het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting aanwezig is. In de aan de Wgv gekoppelde Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is per diercategorie een geuremissiefactor vastgesteld, uitgedrukt in Europese odour units per tijdseenheid per dier (ouE/s/dier). De totale geuremissie van een veehouderij is de som van alle geuremissies van de verschillende diercategorieën die binnen de inrichting aanwezig zijn. Voor diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, gelden minimaal aan te houden afstanden. Daarnaast zijn minimale afstanden opgenomen vanaf een veehouderij tot een geurgevoelig object behorende bij een (voormalige) veehouderij en vanaf de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. Om van geurhinder te kunnen spreken moet er sprake zijn van een op te richten geurgevoelig object. Woningen zijn geurgevoelige objecten zoals bedoeld in artikel 1 van de Wgv. Om te bezien of de locatie geschikt is voor de toekomstige bestemming in relatie tot geur is, door M&A Omgeving BV, een geuronderzoek uitgevoerd. Het rapport wordt als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd.

De conclusie uit het geurrapport luidt als volgt: Voor de woningen geldt dat onderzocht dient te worden of deze een belemmering vormen voor omliggende veehouderijen. Door middel van de omgekeerde werking van de meest nabij gelegen veehouderijen is bepaald of dit het geval is. Voor het plangebied wordt tevens de achtergrond geurbelasting bepaald ten gevolge van alle veehouderijen binnen 4 km afstand. Voor de woningen dient verder een uitspraak te worden gedaan of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat uit oogpunt van geurhinder. Voor de bebouwde kom geldt een hinderpercentage van 12% als grenswaarde. Deze hinderpercentages zijn afkomstig uit de Interim Omgevingsverordening (IOV). Voor geurgevoelige bestemmingen betekent dit concreet dat de achtergrondbelasting niet hoger mag zijn dan 10 ouE/m3.

41

Voorgrondgeurbelasting De geurnormering voor de voorgrondgeurbelasting is afkomstig uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Hierbij gelden in een concentratiegebied geurnormen van 3 en 14 ouE/m3 voor respectievelijk binnen en buiten de bebouwde kom. Voor de locatie aan de Pastoor Smitsstraat 36 zijn de veehouderijen aan de Jenne Akkers 8 en Schootsedijk 47 maatgevend. Andere veehouderijen liggen op afstanden van meer dan 400 meter en bovendien zijn tussen de veehouderijen en het plangebied reeds meerdere woningen gesitueerd, die maatgevend zijn voor de bewuste veehouderijen. De actuele vergunningsgegevens zijn opgevraagd bij het Web-BVB van de provincie Noord-Brabant. Op basis van de maximale geuruitstoot van de bedrijven zijn vanaf de rand bouwvlak van de betreffende bedrijven (de zogenaamde omgekeerde werking) de voorgrondgeurbelastingen bepaald met behulp van V-stacks vergunningen (V2020). De invoergegevens en resultaten zijn opgenomen in bijlage 2 welke onderdeel uitmaakt van het geuronderzoek. Met behulp van de omgekeerde werking kan worden bepaald of nieuwe geurgevoelige bestemmingen een belemmering kunnen vormen voor een veehouderij. Per veehouderij zijn 3 maatgevende punten (punten ‘Bouwblok1' t/m ‘Bouwblok3') op de rand van het betreffende bouwvlak berekend met de maximale geuruitstoot van het bedrijf.

Van de 3 punten is de maximale geurimmissie op het woningbouwplan bepaald. Hiermee wordt de omgekeerde werking per veehouderij bepaald. Voorgrond geur Jenne Akkers 8 Voor de Jenne Akkers 8 is een revisievergunning van 28-12-2009 van kracht en tevens een melding Activiteitenbesluit van 5-11-2013. Binnen het bedrijf worden schapen (diercategorie B1.100) gehouden met een totale geuremissie van 3.954,6 ouE/s. Uit de resultaten met deze geuremissie volgt dat ten gevolge van de veehouderij aan de Jenne Akkers 8 een geurbelasting voor de omgekeerde werking optreedt van maximaal 1,9 ouE/m3 op het plangebied. Deze geurbelasting voor de omgekeerde werking voldoet ruimschoots aan de normering van 3 ouE/m3 voor de kom van Olland. Voorgrond geur Schootsedijk 47 Voor de Schootsedijk 47 is een revisievergunning van 29-12-2000 van kracht en tevens een melding Activiteitenbesluit van 3-6-2013. Binnen het bedrijf 42

worden geiten (diercategorieën C1/ C2 / C3) met een totale geuremissie van 8.162 ouE /s. Uit de resultaten met deze geuremissie volgt dat ten gevolge van de veehouderij aan de Schootsedijk 47 een geurbelasting voor de omgekeerde werking optreedt van maximaal 1,4 ouE/m3 op het plangebied. Deze geurbelasting voor de omgekeerde werking voldoet ruimschoots aan de normering van 3 ouE/m3 voor de kom van Olland. Conclusie voorgrond geurbelasting Gezien de resultaten van de voorgrondgeurbelastingen bij de bedrijven, kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de maximale voorgrondbelasting van 3 ouE/m3 volgens de Wgv. Er zijn binnen 100 meter afstand van het plangebied geen veehouderijen met vaste geurcontouren van niet-genormeerde dieren gesitueerd. Dit betekent dat voldaan wordt aan de wettelijke afstanden die voor dergelijke bedrijven gelden. Hiermee kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat uit oogpunt van geurhinder. Achtergrondgeurbelasting Voor de bedrijven binnen 4 kilometer van de onderzoeklocatie, zijn de vergunningsgegevens uit het BVB van de provincie Noord-Brabant (peildatum 17-5-2022) onttrokken voor de gemeenten Meierijstad en Boxtel. Het bestand is bijgevoegd in bijlage 3a. Aan de hand van deze gegevens is met behulp van V-stacks Gebied V2020.1 de achtergrondgeurbelasting in de omgeving bepaald.

Als raster is een kilometerhok (vanaf coördinaat 156539, 398259) berekend met 40 x 40 rasterpunten (in totaal 1.600 rasterpunten), met een percentage rekenuren van 20%. De rekenresultaten zijn verwerkt in ArcGis en hiermee zijn de geurcontouren weergegeven (zie bijlage 3b van het geuronderzoek). Uit deze figuur blijkt dat de onderzoeklocatie gesitueerd is in een gebied met een achtergrondgeurbelasting tussen 0 en 5 ouE/m3. Een dergelijke geurbelasting kan worden gekwalificeerd als goed. Dit betekent dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat uit oogpunt van geurhinder. De volledige resultaten op de rekenpunten van omliggende woningen zijn opgenomen in bijlage 2b van het geuronderzoek. Voor een nadere onderbouwing van de hiervoor genoemde geurgegevens wordt kortheidshalve verwezen naar bijlage 2 bij deze toelichting. Externe veiligheid De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid (Regeling externe veiligheid inrichtingen) is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico’s van industriële activiteiten met opslag en transport van 43

gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in activiteiten waarin sprake is van veiligheidsrisico’s voor de omgeving. De planlocatie is formeel aan te merken als kwetsbare object. Derhalve is de provinciale risicokaart geraadpleegd. Alle risicobronnen bevinden zich op geruime afstand van het plangebied, de locatie met de kleinste afstand ligt op circa 260 meter van de plangebieden. Het betreft een aardgasleiding van de Gasunie en op circa 540 meter van de plangebieden, L.A.A.A van Kessel een bedrijf in het fokken en houden van rundvee, Schootsedijk 30 te Meierijstad. Uitsnede risicokaart Bron: www.risicokaart.nl

In de rode contour de plangebieden voor fase 1 en fase 2.

De rode stippellijn betreft de aardgasleiding het rode vierkant met rode stip het rundveebedrijf. Het plangebied bevindt zich buiten de risicosfeer van de risicobronnen. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief. Geluid Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient er, op basis van de Wet geluidhinder (Wgh), onderzocht te worden of er sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer of bedrijven ten opzichte van geluidgevoelige objecten. De onderhavige ontwikkeling maakt nieuwe geluidgevoelige objecten in de vorm van verschillende soorten woningen mogelijk, de Wgh is van toepassing. 44

Ook moet worden bekeken of het nieuwe geluidgevoelige object hinder op kan leveren voor (uitbreiding van) naastgelegen bedrijven. Dit laatste aspect wordt besproken in de paragraaf ´Bedrijven en milieuzonering´. De Pastoor Smitsstraat is ter hoogte van het plangebied een 30 km/u weg. Een 30 km/u weg wordt op basis van artikel 74, lid 2 niet beoordeeld in het kader van de Wgh. Roest betreft een 50 km /u weg. De weg heeft ingevolge artikel 74 van de Wgh een zone van 200 meter. De nieuwe woningen worden binnen deze 200 meter gesitueerd. Om te bezien of de locatie geschikt is voor de toekomstige bestemming in relatie tot geluid is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De conclusies van het onderzoek worden hier ingevoegd en het rapport met kenmerk 222OPa36-wl-v1 wordt als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Het voornoemde rapport kent de volgende conclusies en aanbevelingen: Wet Geluidhinder Toetsing van de berekende geluidbelastingen aan de voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde dient per geluidbron (weg) afzonderlijk te geschieden op de gevels van de woningen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt bij nieuwe bestemmingen met een woonfunctie 48 dB.

Verder is bij aanwezige wegen en nog niet geprojecteerde geluidgevoelige woonfunctie onder bepaalde voorwaarden een ontheffing tot maximaal 53 (weg buiten de bebouwde kom) en 63 (weg binnen de bebouwde kom) mogelijk bij nieuwbouw. De hoogste geluidsbelasting op de gevels bedraagt 50 dB. Geconcludeerd kan worden dat ten gevolge van de Roest de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB, ter plaatse van de meest westelijke woning nabij Roest (rechterwoning van 2-kapper), overschreden wordt met 2 dB. De geluidbelastingen blijven wel overal onder de wettelijke maximale ontheffingswaarde van 53 / 63 dB. De geluidsbelastingen zijn inclusief de wettelijke aftrek conform artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. Ter plaatse van de overige woningen blijft de geluidbelasting onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Deze woningen zijn dus geluid onbelast. Voor de woning waar de geluidbelasting wordt overschreden, is beoordeeld welke mogelijke maatregelen voor geluidreductie toegepast kunnen worden. De volgende aspecten zijn beoordeeld: • maatregelen aan de bron; 45

• •

maatregelen in het overdrachtsgebied; maatregelen aan de ontvangzijde.

Maatregelen aan de bron Geluid reducerend asfalt In het algemeen is de aanleg van geluid reducerend wegdek vanuit civieltechnisch oogpunt (beheer, onderhoud en duurzaamheid) niet haalbaar in de volgende situaties: a. Binnen een afstand van circa 50 meter van een kruispunt en rotonde. Deze verharding is minder bestand tegen wringend verkeer. Er treedt dan groot en snel kwaliteitsverlies op van het wegdek door afremmend en optrekkend verkeer; b. Bij een beperkte lengte van het geluid reducerend wegdek (minder dan 100 meter). Aanleg over een dergelijk kort wegvak is vanuit beheers- en onderhoudsoverwegingen niet wenselijk. Bronmaatregelen in de vorm van geluid reducerend asfalt op het Roest zijn niet reëel uit financieel oogpunt (100 meter asfalt ad. € 340,- excl. BTW per strekkende meter, kosten). Terugdringen verkeersintensiteiten Het terugdringen van het verkeer leidt tot onvoldoende geluidreductie. Voor een geluidreductie van 5 dB bijvoorbeeld zou het verkeer tot ongeveer een derde van de oorspronkelijke verkeersintensiteiten moeten worden verminderd. Verkeersplannen van de gemeente voorzien hier niet in. Maatregelen in het overdrachtsgebied Het plaatsen van een geluidscherm of -wal kan effectief zijn om het geluid in de woonomgeving terug te dringen. Geluidschermen zijn echter alleen mogelijk als er voldoende ruimte tussen de weg en de geluidgevoelige objecten is.

Daarnaast kunnen schermen en wallen een ongewenste verkeerskundige of stedenbouwkundige barrière vormen. Geluidschermen zijn in een stedelijke situatie vaak moeilijk inpasbaar, zeker in de nabijheid van kruisingen. Maatregelen aan de ontvangzijde Het is tenslotte ook mogelijk om maatregelen te treffen aan geluidgevoelige functies zelf, in de vorm van dove gevels of gebouw gebonden geluidschermen, teneinde aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Met een dove gevel worden de gevels uitgesloten van toetsing aan de Wet geluidhinder. Het toepassen van geluidschermen aan de gevels of het toepassen van dove gevels heeft consequenties voor de ventilatie- en eventuele brandveiligheidscondities, dat de ontwerpvrijheden van de woningen sterk wordt ingeperkt. Het situeren van een vliesgevel (transparant 46

scherm met de hoogte en breedte van het gebouw) stuit vaak op architectonische bezwaren. Daarnaast is het moeilijk om aan ventilatienormen te voldoen. Conclusie en advies aanvraag hogere waarden Omdat in voorgaande paragrafen is omschreven dat verschillende geluid reducerende maatregelen bezwaren met zich meebrengen, is het realistisch om voor de woning een hogere waarde aan te vragen voor de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai. De hoogte van te verlenen ontheffingswaarde is afgestemd op de hoogste berekende geluidbelasting, rekening houdend met de maximaal te verlenen ontheffingswaarde. Er dient een hogere waarde aangevraagd te worden voor rekenpunt 1: meest westelijke woning nabij Roest (rechterwoning van 2-kapper) : t.g.v. Roest: 50 dB, wat een ontheffing van 2 dB betreft. Voor een nadere onderbouwing van de conclusie wordt kortheidshalve verwezen naar het akoestisch rapport dat als bijlage 3 bij deze toelichting is gevoegd. Ruimtelijke ordening De hoogste cumulatieve geluidsbelasting op de meest westelijke woning nabij Roest (rechterwoning 2-kapper) bedraagt 55 dB. De binnenwaarde in de verblijfsruimten wordt getoetst / gewaarborgd door de vereisten uit het Bouwbesluit, te weten 33 dB. Om deze binnenwaarde te halen, moet bij deze woning een minimale geluidsisolatie worden bereikt van (55-33=) 22 dB.

Dit zal, aangetoond worden middels een karakteristieke geluidwering berekening (GA;k) conform Bouwbesluit. Hierdoor is een goed woon- en leefklimaat ook in de woning gegarandeerd. Voor de nadere onderbouwing van voornoemde conclusies wordt hier kortheidshalve verwezen naar het akoestisch rapport in bijlage 3 bij deze toelichting. Gezien het voorgaande staat het aspect geluid niet aan onderhavig initiatief in de weg. Luchtkwaliteit Niet in betekenende mate Alle ontwikkelingen van de afgelopen jaren op het gebied van luchtkwaliteit hebben geleid tot een aanpassing van de Wet milieubeheer met betrekking tot luchtkwaliteitseisen. Daarnaast zijn het Besluit en de Regeling “Niet In Betekenende Mate bijdrage” (NIBM) op 15 november 2007 in werking getreden. Het besluit NIBM legt vast, wanneer een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een plan is NIBM, als aannemelijk is dat het plan een toename van de concentratie veroorzaakt van 47

maximaal 3 % en is gedefinieerd als 3 % van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 20 µg/m3 (jaargemiddeld) PM10.en met 1,2 microgram/m3 voor NO2 . Als de 3 % grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. Behoort een plan tot een niet in de Regeling NIBM genoemde categorie dan zal steeds met behulp van onderzoek dienen te worden aangetoond of het plan NIBM is. De wijziging van het plan voorziet in het realiseren van 32 nieuwe woningen. Met voornoemde ontwikkelingen, wordt de grenswaarde van 1.500 woningen bij lange na niet benaderd waarmee het plan geacht wordt niet in beperkende mate bij te dragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Wat bijdraagt aan een goede luchtkwaliteit is het feit dat het plangebied niet in de directe nabijheid ligt van een snelweg of andere drukke weg. In het plangebied is ook een bestaande pleisterplaats met terras en een streekproductenwinkel aanwezig.

Het betreft kleinschalige activiteiten binnen een woonbestemming met een oppervlakte van 100 m2 terras, 100 m2 pleisterplaats en 50 m2 streekproductenwinkel. Omdat deze activiteiten niet passen in één van de categorieën uit de regeling NIBM voor dit onderdeel is dan ook de NIBM-Tool ingevuld. Omdat een streekproductenwinkel niet voorkomt in de crow regels zijn de gegevens voor een buurtsupermarkt in weinig stedelijk gebied genomen. De verkeersgeneratie per 100 m2 vloeroppervlak is tussen de 63,6 en 115,4 verkeersbewegingen per dag. De streekproductenwinkel heeft een oppervlakte van 50 m2, in rivm tool is een aantal van 58 verkeersbewegingen meegenomen voor de winkel. Ook een pleisterplaats bestaat niet in de crow gegevens. Hier is gekozen voor een restaurant in weinig stedelijk gebied. De verkeersgeneratie per 100 m2 ligt tussen de 14 en de 16 verkeersbewegingen. Omdat er in casu sprake is van een terras en een pleisterplaats van elk 100 m2 is in de rivm tool een aantal van 32 verkeersbewegingen ingevuld. In de rivm tool zijn 90 verkeersbewegingen voor de (bestaande pleisterplaats, terras en streekproductenwinkel) meegenomen. Ook is ervoor gekozen om het aandeel zwaar vrachtverkeer op 10% te laten staan, al zal er in de praktijk van zwaar vrachtverkeer geen sprake zijn. Zoals uit onderstaande afbeelding blijkt 48

dragen de pleisterplaats, terras en streekproductenwinkel niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

NIBM tool

Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Ook moet worden aangetoond dat in het plangebied qua luchtkwaliteit sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De grenswaarden om van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te spreken zijn voor de achtergrondconcentratie van fijnstof (PM10) 40 μg/m³, zeer fijnstof (PM2,5) 20 μg/m³ en stikstofdioxide (NO2) 40 μg/m³. Uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM kan worden afgeleid dat de concentraties fijnstof, zeer fijnstof en stikstofdioxide de grenswaarden bij lange na niet halen. Op de Grootschalige Concentratie- en depositiekaarten Nederland is te zien dat de concentratie voor fijnstof ligt tussen de 14 en de 16 μg/m³ , voor zeer fijnstof tussen de 8 en de 10 μg/m³ en voor stikstofdioxide tussen de 10 en de 15 μg/m³. Er is ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat Conclusie luchtkwaliteit Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de verlsechtering van d eluchtkwaliteit en dat uin het plangebied sprake is en zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hieronder volgen de uitsneden van de Grootschalige Concentratie- en depositiekaarten Nederland voor fijnstof, zeer fijnstof en stikstofdioxide.

49

Achtergrondconcentratie PM10 gegevens 2025, bron: RIVM

Achtergrondconcentratie PM2,5 gegevens 2025, bron: RIVM

50

Achtergrondconcentratie NO2 gegevens 2025, bron: RIVM

Bedrijven en milieuzonering Vanuit het aspect ‘goede ruimtelijke ordening’ dient er voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinder veroorzakende (o.a. bedrijven) en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Hiervoor worden de afstanden uit de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ als maatgevend beschouwd. Voorgaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of het perceel zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het perceel kwetsbaar is voor hinder. Hinder vanuit het plangebied Woningen zijn aan te merken als een hindergevoelige functie. Woningen veroorzaken zelf geen hinder voor omwonenden. Binnen het plangebied wordt een pleisterplaats en een streekproductenwinkel gesitueerd (Pastoor Smitsstraat 36 te Olland). Deze activiteiten kunnen hinder opleveren voor omliggende functies. De pleisterplaats wordt in het kader van de richtafstanden voor milieubelastende activiteiten ( VNG gids ‘Bedrijven en milieuzonering) aangemerkt als restaurant. De grootste richtafstand bedraagt 10 meter voor geur, geluid en gevaar, op basis van een rustige woonwijk. Gezien de omgeving met voornamelijk woningen wordt het gebied getypeerd als rustige woonwijk. De pleisterplaats betreft een locatie waar veelal fietsers zullen 51

stoppen voor een versnapering. Er zal geen muziek worden gedraaid en de openingstijden zijn van 10.00 uur – 20.00 uur. Er zullen in de pleisterplaats geen feesten worden georganiseerd wel kunnen er in groepsactiviteiten georganiseerd worden gelieerd aan asperges zoals een workshop of een diner. De pleisterplaats heeft een oppervlakte van 100 m2 evenals het bijbehorende terras. Binnen een straal van 10 meter bevinden zich geen andere functies. De streekproductenwinkel wordt in de VNG gids aangemerkt als detailhandel. Ook voor detailhandel geldt de grootste richtafstand van 10 meter. Ook hiervoor geldt dat er binnen een straal van 10 meter geen andere functies aanwezig zijn. Activiteit

Geur

Pleisterplaats 10 (incl. terras) Winkel 0

Stof

Geluid

Gevaar

0

10

10

Grootste Categorie afstand 10 1

0

10

0

10

1

De streekproductenwinkel en de pleisterplaats worden gesitueerd in de bestaande aanbouw aan de oostzijde van het plangebied zoals op onderstaande afbeelding is aangegeven. Het in wit uitgevoerde gebouw is de woning Pastoor Smitsstraat 36.

De gebouwen en het terras krijgen de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - verkoop van streekproducten' op de verbeelding en in de regels. Binnen deze aanduiding zijn de pleisterplaats, terras en streekproductenwinkel toegestaan. Op relatief korte afstand bevinden zich woningen. Het bestemmingsvlak van de woning aan de overzijde van de straat ligt op meer dan 10 meter van het bestemmingsvlak van Pastoor Smitsstraat 36. Het bestemmingsvlak van de woning aan Pastoor Smitsstraat 34 ligt op ruim 9 meter van het bestemmingsvlak van pastoor Smitsstraat 36. De aanduiding 52

‘specifieke vorm van bedrijf – verkoop van streekproducten’ wordt zo gesitueerd dat er ook voor het terras een afstand van minimaal 10 meter in acht wordt genomen. De pleisterplaats /streekproductenwinkel ligt op ruim 19 meter van het bestemmingsvlak van de woning op pastoor Smitsstraat 34. De activiteiten die op het perceel plaatsvinden betreffen een horecagelegenheid (pleisterplaats /terras) waar een versnapering genuttigd kan worden. Er is geen sprake van muziek en het terras is een seizoengebonden activiteit. Eventuele workshops en diners zullen inpandig plaatsvinden. De winkel bevindt zich inpandig en op een afstand van meer dan 19 meter van omliggende geluidgevoelige objecten. Gezien het voorgaande is geen nader akoestisch onderzoek met betrekking tot de uitstraling van activiteiten op Pastoor Smitsstraat 36 vereist. Hinder van buiten het plangebied In de nabijheid van de planlocatie zijn in de kern Olland En buiten de kern Olland de hieronder genoemde functies gesitueerd. De genoemde afstanden betreffen de afstand van de bestemmingsplangrens van het voorliggende bestemmingsplan tot aan de grens van het bestemmingsvlak van de genoemde functie. Het betreft de volgende bedrijven en functies buiten de kern Olland 1. Café D’n Toel, Pastoor Smitsstraat 4, circa 280 meter 2. The Dutch Dive Academy, een hoveniersbedrijf en statische opslag, Schootsedijk 44, circa 140 meter 3.

Een Timmerfabriek, Karthuizerweg 3, circa 280 meter. Binnen de kern Olland betreft het: 1. 2. De Sint Martinuskerk, Pastoor Smitsstraat 44, circa 115 meter 3. Basisschool de Sprongh, ontmoetingscentrum De Holm / de Loop’r en Kinderopvang “De Verbeelding” allen gevestigd aan Pastoor Smitsstraat 40, circa 50 meter 4. Een sportterrein direct grenzend aan de noordzijde van Pastoor Smitsstraat 40 , ruim 50 meter.

53

De VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ deelt de bedrijven als volgt in: Adres

Geur Stof

Geluid

Gevaar

Cat.

10 0 0

Grootste afstand 10 30 0

Past. Smitsstraat 4 Past. Smitsstraat 40 Past. Smitsstraat achter 40 (sport) Past. Smitsstraat 44 Karthuizerweg 3 Schootsedijk 44

10 0 0

0 0 0

10 30 50

0 0 30

0 30 10

30 100 30

0 0 10

30 100 30

2 3.2 2

1 2 3.1

Alle inrichtingen liggen op een afstand die groter is dan de maximale afstand zoals opgenomen in de VNG richtlijn Bedrijven en milieuzonering. Gezien het voorgaande staat het aspect bedrijven en milieuzonering het initiatief niet in de weg. 4.2

Archeologie In het vigerende bestemmingsplan ´Olland´ kent het plangebied naast de enkelbestemming ‘wonen’ de bestemming ‘Waarde – archeologie’. De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zijn primair bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden. Het deel van het plangebied gelegen in het bestemmingsplan Buitengebied kent geen dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden. Ingevolge artikel 14.2 van de regels behorende bij het bestemmingsplan is het binnen de gronden Waarde - Archeologie als bedoeld in artikel 14.1 niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van: a. ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd; b. de bouw van een bijgebouw of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met ten hoogste 100 m²; c. bouwwerken voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld. In artikel 14.3 is een ontheffing opgenomen. Burgemeester en wethouders kunnen medewerking verlenen aan het bouwen van gebouwen en bouwwerken indien met een archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad.

54

Om te bezien of de locatie geschikt is voor de toekomstige bestemming in relatie tot archeologie is door KSP Archeologie een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De conclusie van het rapport is dat er in het gehele plangebied sprake is van een lage archeologische verwachting. Geadviseerd wordt om geen nader onderzoek uit te voeren. Bij het roeren van de grond blijft de archeologische zorgplicht onverkort van kracht. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden. Het rapport met als kenmerk KSP rapport 22048 wordt als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Voor een verdere onderbouwing van de conclusie wordt kortheidshalve naar het rapport verwezen. 4.3

Water Waterschap Waterbeheer is een essentieel onderdeel bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het Waterschap een aantal beleidsmatige uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met de ruimtelijk relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt.

De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele 55

beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal.

Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een 56

eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergenafvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Het waterschap schrijft de voorgaande maatregelen voor bij initiatieven ie zorgen voor een toename van verhard oppervlak van meer dan 500 m². Gemeente Programma Water en Riolering 2022 – 2026 De gemeente Meierijstad heeft in het PWR regels opgenomen hoe de gemeente om wil gaan met water. De gemeente streeft ernaar dat nieuwbouwplannen hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Als voorkeursvolgorde hanteert de gemeente: infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering.

Anders dan het waterschap schrijft deze regeling ook voor ontwikkelingen onder de 500 m2 compenserende maatregelen voor. De gemeente stelt een bergende eis van 60 millimeter per m² verhard oppervlak. Benodigde compensatie In het plangebied worden 32 nieuwe woningen, wegen, voetpaden, tuinen en parkeerplaatsen gerealiseerd. De woningen zullen deels waterbergen op eigen terrein conform de bergende norm van 60 millimeter per m² verhard oppervlak. Hiertoe wordt in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor tweekappers en vrijstaande woningen. Dit betekent dat bij de aanvraag omgevingsvergunning voor elke van deze woningen waterbergende maatregelen moeten worden genomen waarmee elke van deze woningen het eigen water op eigen terrein opvangt en laat infiltreren in de bodem. De hoek- en tussenwoningen en de appartementen worden meegenomen bij de aan te leggen wadi’s ten behoeve van de verhardingen in de openbare ruimte. Voor de waterberging van het verhard oppervlak buiten de woonpercelen met vrijstaande woningen en tweekappers is door Grasveld Civiele Techniek een 57

bergingsberekening gemaakt. In het plangebied wordt een verhard oppervlak van 5.355 m² gerealiseerd. Dit oppervlak is opgebouwd uit de volgende componenten: 1. Verharding rijbaan en trottoir 2.390 m² 2. Parkeren op grasbetontegels 360 m² 3. Dakoppervlak (niet vrijstaand en tweekappers) 1.110 m² 4. Tuinen 1.495 m² Totaal verhard oppervlak 5.355 m² Dit betekent dat een bergingscapaciteit van 5.355 m² x 60 millimeter = 321,29 m³ gerealiseerd moet worden. Hiertoe worden in het plangebied wadi’s aangelegd. De bergingsberekening is als bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd. Op de als bijlage 8 bij deze toelichting gevoegde tekening van de bovengrondse situatie zijn de wadi’s weergegeven. Daarnaast wordt een overstort gerealiseerd voor het geval er bij extreme weersomstandigheden niet voldoende bergingscapaciteit in de wadi’s aanwezig is. Concreet worden er twee wadi’s aangelegd met een gezamenlijke capaciteit van 328,25 m3 waarmee ruim voldaan wordt aan voornoemde verplichting van 321,29 m3. Het voorgaande houdt in, dat voor de bouw van de 32 woningen met bijbehorende voorzieningen, aanvullende maatregelen in of nabij het plangebied nodig zijn. Om te berekenen hoe groot de berging moet zijn wordt de rekenregel van het waterschap gebruikt. Deze luidt: toename verhard oppervlak (in m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m).

In de planregels zal voor vrijstaande woningen en tweekappers een voorwaardelijke verplichting tot waterberging worden opgenomen van 6 mm³ per m2 verhard oppervlak. De voorwaardelijke verplichting bouwen voor zowel de waterberging bij de woningen (eigen terrein) als van het openbare gebied wordt zo vormgegeven dat de bouw van de woningen alleen kan geschieden als er een door het waterschap goedgekeurd waterhuishoudkundig plan voor het plangebied is opgesteld, wordt uitgevoerd en duurzaam in stand wordt gehouden. Kenmerken huidig watersysteem Bodem en grondwater Het plangebied is gevoelig voor wateroverlast (bron: klimaatatlas As50). Deze problemen mogen bij het realiseren van het initiatief, de bouw van 32 woningen met bijbehorende voorzieningen, niet worden afgewenteld op de omliggende omgeving. Om aan te tonen dat de bodem en het grondwater niet aan het initiatief in de weg staan en dat de bebouwing geen overlast voor de omgeving veroorzaakt is door Mos Grondmechanica B.V. een geohydrologisch onderzoek opgesteld. Uit dit onderzoek blijkt dat de bodem en het 58

grondwaterpeil geschikt zijn om het initiatief te realiseren en dat er geen problemen op de omgeving worden afgewenteld. Met andere woorden zowel het grondwaterpeil als de doorlatendheid van de bodem staan niet aan het initiatief in de weg. De gekozen wijze van bergen door middel van Wadi’s en de capaciteit van de wadi’s zijn technisch haalbaar en qua m3 voldoende. Voor een nadere onderbouwing van deze conclusie wordt kortheidshalve verwezen naar het geohydrologisch onderzoek dat als bijlage 9 bij deze toelichting is gevoegd. Oppervlaktewater Tussen de straat Roest en het plangebied is een A-Watergang, De Ollandse Waterloop, gelegen. Om onderhoud aan de watergang te kunnen plegen is een bebouwingsvrije zone van 5 meter vereist. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met deze beschermingszone en de regels uit de Keur/waterschapverordening. Hierna volgt een afbeelding van de watergang uit de Legger van Waterschap De Dommel.

Uitsnede legger van het waterschap met in blauw de Ollandse Waterloop en het plangebied roodomrand

Afvalwater In het plangebied wordt ten behoeve van het initiatief een riool aangelegd. Het riool wordt een uitbreiding van de bestaande gemeentelijke riolering in de kern Olland. Het afvalwater wordt afgevoerd op de riolering. Indien vanwege het afvalwater van de 32 extra woningen aanpassingen aan het bestaande rioolstelsel noodzakelijk zijn, zoals bijvoorbeeld het vergroten van een aansluiting, dan zal hiervoor worden zorggedragen. Ook voor afvalwater geldt dat dit betrokken wordt bij het waterhuishoudkundig plan voor het plangebied. Door aan het opstellen, uitvoeren en in stand houden van hetgeen opgenomen is in het waterhuishoudkundig plan wordt gegarandeerd dat er pas gebouwd kan worden als het voornoemde plan door het waterschap is goedgekeurd, het wordt aangelegd en in stand wordt gehouden. 59

Conclusie water Gezien het voorgaande vormt het aspect water geen belemmering voor het initiatief. 4.4

Natuur Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, de Wetland-Conventie, de Conventie van Bern, het Cites en Verdrag van Ramsar.

4.4.1 Flora en Fauna Om te bezien of de locatie geschikt is voor de toekomstige bestemming in relatie tot flora en fauna is door M&A Omgeving BV een quickscan flora en fauna uitgevoerd. In de quickscan met kenmerk 222-OPS36-nw-v1 wordt het volgende geconcludeerd. De uitvoering van de quick scan is een eerste stap om te vermijden dat soorten verstoord of vernietigd kunnen worden bij de uitvoering van nieuwe ontwikkelingen. Met een bureauonderzoek en veldwerkonderzoeken wordt vastgesteld of er bij de plannen sprake kan zijn op overtreding van de Wet natuurbescherming, of dat deze met eenvoudige maatregelen zijn te voorkomen. Door het literatuuronderzoek van de inventarisatie is aangetoond dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora of fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen (zie inventarisatie Natuurloket). In de nabijheid van het perceel zijn tijdens het veldbezoek in februari 2022 echter geen waarnemingen gedaan van schaarse soorten. Ook rondom het perceel zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten. Hierbij is met name gecontroleerd op jaarrond beschermde soorten (waaronder Huismussen, Gierzwaluwen, uilen en vleermuissoorten). De veldonderzoeken, uitgevoerd in de dag periode op 1 februari 2022, zijn buiten het broedvogelseizoen uitgevoerd.

Daarom is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten. Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten en hun kuikens, achtergebleven nestmaterialen, vraatsporen en uitwerpselen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet. Het veldonderzoek kan daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd.

60

Bij de inventarisatie is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en -mogelijkheden in het gebied. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen. De kieren en openingen in de stallen / schuren zijn onderzocht met een camera (Novascope) en hierbij zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor verblijfplaatsen van fauna. De afstanden tot de ecologische verbindingszones en waardevolle natuurgebieden zijn voldoende groot om te kunnen stellen dat de ontwikkelingen in het plangebied een positieve invloed zullen hebben op deze gebieden. Door de sloop van de gebouwen en de toekomstige realisatie van woningen op de locatie, wordt het karakter van het gebied positief beïnvloed. Het open karakter in de omgeving blijft behouden door de plannen. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden. Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden. Kortheidshalve wordt voor de onderbouwing van de conclusies verwezen naar de quickscan die als bijlage 5 bij de toelichting is gevoegd.

4.4.2 Natura 2000 en stikstof Om de Europese biodiversiteit te behouden en te herstellen wordt gestreefd naar de ontwikkeling van een groot Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, Natura 2000. Hiervoor zijn onder meer de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992) opgesteld. Op basis van deze Europese richtlijnen is Nederland verplicht om beschermde habitats, soorten en hun leefgebieden in stand te houden of te herstellen. Daarvoor worden gebieden aangewezen waar deze soorten en habitats voorkomen. Voor deze aangewezen gebieden, veelal reeds onderdeel uitmakend van de ecologische hoofdstructuur, geldt een speciaal beschermingsregime. Bij uitbreiding of verandering van activiteiten of bij nieuwe activiteiten in of in de nabijheid van deze gebieden moet er getoetst worden of er significante gevolgen zijn voor de gebieden. Sinds 1 januari 2017 vallen ook deze gebieden onder de Wet natuurbescherming. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied betreft Kampina & Oisterwijkse vennen. Om te bezien of de locatie geschikt is voor de toekomstige 61

bestemming in relatie tot stikstof is door M&A Omgevings BV een AERIUS berekening uitgevoerd. Uit deze berekening blijkt dat blijkt dat de toename van de stikstofdepositie op de natuurgebieden 0,00 mol/ha/jr bedraagt voor het planjaar 2022. Hiermee zullen er geen significant negatieve effecten zijn voor de omliggende natuur. Voor een verdere onderbouwing van de conclusie wordt kortheidshalve verwezen naar de berekening met kenmerk 222-SOPS36-sd-v1 die als bijlage 6 bij deze toelichting is gevoegd. 4.5

Parkeren Op 31 januari 2019 heeft de gemeenteraad van Meierijstad het paraplubestemmingsplan ‘parkeren’ vastgesteld. Het doel van het bestemmingsplan is te anticiperen op het feit dat vanaf 1 juli 2018 de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening zijn komen te vervallen. Eén van de consequenties van het vervallen van de stedenbouwkundige voorschriften is dat vanaf dat moment bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening getoetst kan worden aan de gemeentelijke parkeernormen. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om via het bestemmingsplan regels te stellen over parkeernormen. Het paraplubestemmingsplan beslaat het gehele grondgebied van Meierijstad. Het paraplubestemmingsplan maakt de koppeling met de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018. De kern Olland is gelegen in het gebied met de aanduiding ‘Niet stedelijk’. De parkeernorm betreft voor koop- en huurwoningen: Type woning Vrijstaand 2 onder 1 kap Tussen- /hoekwoning Appartement

Parkeernorm per woning 2,4 2,4 2,2 1,8

In het plangebied worden 33 woningen gesitueerd (1 bestaand en 32 toekomstig). De bestaande vrijstaande woning met streekwinkel en pleisterplaats heeft de volgende parkeernorm. Bestaande woning: 2,4 pp Streekwinkel 50 m2: 6,4 pp per 100 m2 = 3,2 pp Pleisterplaats 100 m2: 3,0 pp per 100 m2 = 3,0 pp Voor de te bouwen woningen gelden de volgende normen:

62

Type Vrijstaand Twee-onder-één-kap Hoekwoning Tussenwoning Appartement Totaal nieuw

aantal 4 4 8 8 8

parkeernorm parkeerplaatsen 2,4 9,6 2,4 9,6 2,2 17,6 2,2 17,6 1,8 14,4

32

-

68,8

In totaal (bestaand, streekwinkel, pleisterplaats en te bouwen woningen) zijn in het plangebied 77,4 pp vereist. Parkeren op eigen terrein: Winkel /pleisterplaats 6 pp op eigen terrein Bestaande woning (dubbele oprit) 2 pp op eigen terrein; Vrijstaande woningen (dubbele oprit): 4 x 2 pp = 8 pp op eigen terrein Tweekapper (lange oprit): 4 x 1,5 = 6 pp op eigen terrein Hoekwoningen (lange oprit): 53 x 1,5 = 7,5 pp op eigen terrein Totaal parkeren op eigen terrein is 29,5 parkeerplaatsen. De totale behoefte aan parkeerplaatsen minus het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein is 77,4 -/- 29,5 = 47,9 parkeerplaatsen. In de openbare ruimte zijn 2 parkeerkoffers opgenomen met 20 respectievelijk 28 parkeerplaatsen. Met een totaal aantal van 77,5 parkeerplaatsen in het plangebied wordt voldaan aan de parkeerbehoefte van 77,4 parkeerplaatsen. Op pagina 9 is een situatietekening opgenomen van het plangebied. Op deze situatietekening zijn de parkeerplaatsen ingetekend. Naast parkeerplaatsen voor auto’s worden er ook parkeerplaatsen voor de fietsen bij de appartementen gerealiseerd. Conform beleid komen er 2,5 fietsparkeerplaatsen per woning in de berging, totaal 8 x 2,5 = 20 parkeerplaatsen voor fietsen. Met het voorgaande wordt aangetoond dat aan de parkeernorm zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 wordt voldaan. 4.6

3

Leidingen Bij nieuwe ontwikkelingen dient er te worden onderzocht of er leidingen

drie hoekwoningen hebben geen parkeerplaatsen op eigen terrein

63

onder het perceel doorlopen, om te voorkomen dat de leiding bij werkzaamheden wordt beschadigd. Daarnaast kan er een omgevingsvergunning benodigd zijn om bepaalde werkzaamheden uit te voeren. In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen leidingen gelegen met een planologische beschermingszone die een overlap kent met het plangebied. 4.7

Gezondheid en endotoxine Met de beoogde ontwikkeling worden er woningen gerealiseerd en wonen betreft een gevoelige functie. Er dient gekeken te worden naar mogelijke aspecten die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van de toekomstige bewoners. Op 30 april 2018 is de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. De handreiking bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de toevoeging van de woningen. De uiteindelijke keuze is een afweging welke wordt gemaakt door de gemeente. Stap 1 Endotoxine Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In dit toetsingskader blijkt dat tot 500 meter rondom individuele pluimveebedrijven een overschrijding mogelijk is van deze advieswaarde van 30 EU/m3. Dit betekent dat wanneer omwonenden in een straal van 500 meter van een pluimveehouderij wonen, zij door de huidige geur- en fijnstofnormen onvoldoende beschermd kunnen worden tegen een verhoogd risico door endotoxinen.

In paragraaf 3.2 van bijlage 2 (geuronderzoek) bij deze toelichting is een nadere onderbouwing opgenomen over de hoeveelheid endotoxine in het plangebied. In het rapport is het volgende opgenomen: Aan de hand van de uitstoot van fijn stof kan een relatie worden gelegd met de concentratie endotoxinen. Ondanks dat dit geen wettelijke grondslag heeft, wordt voor de normering uitgegaan van een concentratie van 30 EU/m3. Binnen 700 meter afstand van het plangebied zijn 6 veehouderijen gesitueerd. 64

Dit zijn de Jenne Akkers 8 (schapen), Schootsedijk 47 (geiten), Karthuizerweg (rundvee), Nieuwstraat 46 (vleesklaveren), Roest 10 (vleeskalveren, vleesstieren en paarden) en Pastoor Smitsstraat 55 (geiten). Deze bedrijven produceren totaal gezamenlijk 71 kg fijn stof (PM10) /jaar. In de volgende grafiek kan worden bepaald welke richtafstand bij de jaaruitstoot fijn stof behoort. Voor de lage emissie van 71 kg/jaar is de grafiek eigenlijk niet geëigend, maar ligt in elk geval binnen een richtafstand van 100 meter. Voor het plangebied wordt ruimschoots voldaan aan deze richtafstand. Voor endotoxinen gelden er dus geen beperkingen voor het plangebied. Voor een nadere onderbouwing wordt verwezen naar bijlage 2 bij deze toelichting. Stap 2 Emissies De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. De ontwikkeling is namelijk ten behoeve van wonen. Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan (zowel voor wat betreft geurnormen als vaste afstanden); er is geen sprake van een overbelaste situatie voor geur. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4.1, aspect geur. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Stap 3b:geur toetsen aan aanvaardbaar woon/leefklimaat a.d.h.v.

gezondheidskundige advieswaarde In de beoogde situatie wordt aan de gezondheidskundige advieswaarde voldaan; de meest nabijgelegen veehouderijen liggen op ruime afstand van de ontwikkeling. Stap 4a-b: houden meerdere diersoorten binnen één veehouderij Er bevindt zich in een straal van één kilometer rondom het plangebied geen inrichting waarbij meerdere diersoorten in één veehouderij worden gehouden. Met het planvoornemen wordt ook de afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf niet verkleind. Stap 5a Geitenhouderijen Uit het VGO-2onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. De planlocatie ligt binnen de straal van 2 km van geitenhouderijen. Onderstaand wordt dit aspect nader beschouwd.

65

Stap 5b Pluimveebedrijven De locatie is niet gelegen binnen een afstand van 1 km van pluimveebedrijven. Stap 5c Overige veehouderijen In paragraaf 4.5 ‘Geur’ is een toelichting gegeven op de overige veehouderijen in de nabijheid van het plangebied. Stap 6: mestbe- en -verwerking Er is geen sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Stap 7: ongerustheid Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Geitenhouderijen Uit landelijk onderzoek blijkt dat er binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen meer longontsteking bij mensen voorkomt dan daarbuiten. De GGD-Brabant heeft hierover in een advies haar zorgen geuit en mede daarom heeft de provincie Noord-Brabant sinds juli 2017 een bouwstop voor geitenhouderijen afgekondigd. Dit zou kunnen betekenen dat nieuwe ontwikkelingen binnen 2 kilometer van een geitenhouderij niet als ruimtelijk aanvaardbaar worden aangemerkt. Naast de verhoogde gezondheidsrisico’s kan een geitenhouder zich ook benadeeld voelen bij ontwikkelingen binnen 2 km van zijn geitenhouderij. De verschillende Brabantse omgevingsdiensten hebben gezamenlijk de ‘handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ opgesteld (d.d. 30 april 2018). Deze handreiking omvat een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=19047972-7db7-42e2-a7a9-b63334cfd92e