CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Toelichting Pastoor Smitsstraat 36 te Olland

Raadsvergadering 20 februari 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan 'Pastoor Smitsstraat 36 te Olland'20.823 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

In onderhavig project worden nieuwe wooneenheden gerealiseerd. De gemeente Meierijstad moet een zorgvuldige afweging maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad heeft 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. Concreet houdt dit afwegingskader in dat in de gemeente Meierijstad voorlopig als volgt gehandeld wordt: 1. Een uitbreiding van het aantal geiten in bestaande stallen of gebouwen wordt niet toegestaan, tenzij er geen gezondheidskundige bezwaren daarvoor zijn. 2. Binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen doet zich, vooralsnog, een extra risico voor. Daarom hanteert het college daar een extra zorgvuldigheid. Dat betekent dat met plannen voor het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen sowieso terughoudend omgegaan wordt. Er bestaat géén hard afwegingskader voor de toetsing van bouwplannen. Locatie, omgeving, 66

het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn telkens anders en vragen om maatwerk. Het gezondheidsbelang wordt daarbij afgezet tegen bijvoorbeeld volkshuisvestelijke, sociale, economische en financiële belangen. 3. Aanvragers van plannen en nieuwe potentiële bewoners in het gebied worden geïnformeerd over het risico. Ook wordt hen gevraagd een verklaring daarover te ondertekenen. Aantal woningen De gemeente verleend waar mogelijk medewerking aan kleinschalige woningbouwprojecten (maximaal 12 woningen). De gemeente zal ter facilitering van kleinschalige woningbouwprojecten meewerken aan: 1. het voorkomen van een toename van het aantal geiten bij de nabijgelegen geitenhouderij(en); 2. het bevorderen van bedrijfsgerichte maatregelen om de uitstoot van de stoffen te verminderen, die de verhoogde kans op longontsteking veroorzaken, zodra althans uit het vervolgonderzoek VGO blijkt welke stof(fen) het betreft. Eventuele hieruit vloeiende kosten dienen in alle redelijkheid ten laste te komen van de initiatiefnemer. Afstand woningbouwlocatie – geitenhouderij Uitgangspunt is dat in principe geen medewerking wordt verleend aan bouwplannen die de bestaande afstand van woningen tot een geitenhouderij verkleinen.

Cumulatie Terughoudendheid is geboden ten opzichte van bouwplannen die zijn voorzien in een zone van 2000 meter van meer geitenhouderijen of van één geitenhouderij en een ander overlast veroorzakend bedrijf. Kwetsbare groepen Er zal binnen een straal van 2000 meter rondom een geitenhouderij in principe niet worden meegewerkt aan ontwikkelingen gericht op voorzieningen waar grote groepen meer kwetsbare mensen gebruik van maken. Te denken valt hierbij aan een verzorgingstehuis, een school of kinderopvang. Kortom, op grond van een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk is er wellicht ruimte om ruimtelijke ontwikkelingen wél toe te staan binnen een straal van 2 km rondom een geitenhouderij. Binnen een straal van 2 kilometer om het plangebied liggen twee geitenhouderijen. Op basis van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan is aan Schootsedijk 47 een geitenhouderij toegestaan. In de feitelijke situatie en conform de vergunning zijn er circa 480 geiten op de geitenhouderij.

67

Daarnaast bevindt zich aan de Pastoor Smitsstraat 55 een geitenhouderij. Hier mogen volgens de vergunning 1.877 geiten worden gehouden. Op basis van het afwegingskader dat op 13 maart 2018 is vastgesteld, heeft de gemeente aangegeven mee te willen werken aan kleinschalige private initiatieven indien de initiatiefnemers expliciet verklaren het (gezondheids)risico van ontwikkelen en bouwen binnen een straal van 2 kilometer en het procesrisico te aanvaarden. De risico’s zullen ook bekend gemaakt worden aan de eindgebruikers. Ondanks dat het bestemmingsplan meer dan 12 woningen (32) mogelijk maakt is de gemeente Meierijstad toch voornemens medewerking te verlenen aan het initiatief. De woningbouw in Olland heeft de afgelopen jaren op slot gezeten terwijl woningbouwontwikkeling voor de leefbaarheid en voorzieningen van een kern erg belangrijk is. De gemeente Meierijstad heeft dan ook uitgesproken de woningbouw in onder andere de kern Olland een impuls te willen geven. Door initiatiefnemer toestemming te geven het volledige plangebied te ontwikkelen, zorgt ervoor dat de woningbouw in Olland, met name voor doelgroepen die nu vaak misgrijpen, flink wordt aangejaagd. Daarnaast kan met een integrale ontwikkeling gekozen worden voor een maximale verkaveling, inpassing en waterberging.

Daarbij wordt de bestaande kortste afstand van woningen tot de bovengenoemde geitenhouderijen niet verkleind en worden er geen kwetsbare doelgroepen in de woningen gehuisvest. Wel is er sprake van cumulatie, aangezien het plangebied zich binnen 2 kilometer van een tweetal geitenhouderijen bevindt. De gemeente onderkent hierbij dat voorzichtigheid is geboden, maar kijkt ook naar het belang van het zorgen voor een geschikte woningvoorraad in kleine kernen zoals Olland. Slotafweging De gemeente moet op basis van de stappen 5a en 5c een zorgvuldige afweging maken of sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. In dit geval is er sprake van een plan dat voorziet in een (maatschappelijke) behoefte naar woningen. Het betreft een wenselijke ontwikkeling met het oog op de leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit in de kern Olland. In de omgeving van het plangebied (de kern Olland) wonen meerdere mensen. Tussen de veehouderijen en het plangebied zijn reeds meerdere woningen en andere functies gelegen. De invloed van het plan op de luchtkwaliteit (fijnstofuitstoot) is zeer gering. Ook is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. De onderhavige ontwikkeling is dan ook van minimale invloed op het volksgezondheidsrisico. Voor de afweging ten aanzien van geitenhouderijen zie onder het kopje ‘geitenhouderijen’.

Advies van de GGD wordt daarom niet noodzakelijk en niet doelmatig geacht. 68

Het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan. 4.8

Spuitzones Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd. Met het plan worden woningen toegevoegd. Er is geen sprake van boom- of gewasteelt binnen 50 meter van de ontwikkeling. De omliggende agrarische gronden ten oosten van het plangebied zijn in eigendom van de gemeente. In de toekomst wordt beoogd om de kern Olland aan deze zijde af te ronden met woningbouw. De agrarische gronden ten noorden en noordoosten van het plangebied grenzen aan alle zijden aan woningen het gebruik van de gronden met een beplanting waarvoor een spuitzone noodzakelijk is, niet aannemelijk. De gronden worden aan alle zijden ingeperkt met een spuitzone van 50 meter waardoor er geen perceel overblijft waarop met een gezonde bedrijfseconomische basis teelten met een spuitzone kunnen worden geteeld. Daarnaast zijn deze gronden zijn niet aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. Gezien het voorgaande worden er geen belemmeringen verwacht met betrekking tot spuitzones ten gevolge van boom- en fruitteelt.

4.9

Hoogspanningslijnen De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Het plan leidt tot het toevoegen van woningen waar kinderen gedurende langere tijd (kunnen) verblijven. Er is sprake van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk meer dan 5 kilometer. Het schadelijke magneetveld, met een hoger jaargemiddelde dan 0,4 microtesla strekt zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uit. Er is geen nader onderzoek nodig.

69

Uitsnede RIVM netkaart de rode en blauwe lijn geven een hoogspanningsleiding aan.De pijl geeft de locatie van het plangebied

Gezien het voorgaande worden er geen belemmeringen verwacht met betrekking tot de magnetische velden ten gevolge van hoogspanningsverbindingen. 4.10

M.e.r.-beoordeling Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. 70

Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of het project voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of het project in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Binnen het plangebied worden 32 woningen gebouwd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om direct een m.e.r.-procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen bevat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om ‘bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan’. Aangezien in dit geval sprake is van 32 woningen is er geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. In het Besluit m.e.r. is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren.

Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is. Onder de geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.- beoordeling gehanteerd. Gemeenten en provincies moeten dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r. nodig is. De gemeente Meierijstad geeft aan dat voor dit initiatief een vormvrije m.e.r. dient te worden opgesteld. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r beoordeling is opgesteld en als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Uit deze beoordeling blijkt dat het plan geen (significant) negatieve effecten heeft op de omgeving. Voor een nadere 71

onderbouwing van deze conclusie wordt verwezen naar de als bijlage bijgevoegde aanmeldnotitie vormvrije m.e.r beoordeling. Het college dient een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. Formeel voordat het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd, in dit geval zal het gebeuren voordat het bestemmingsplan door de gemeenteraad wordt vastgesteld. Het vormvrije m.e.r.-beoordelingsbesluit wordt vervolgens als bijlage opgenomen in de toelichting.

72

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid De bouw vindt plaats onder verantwoording en voor kosten van de initiatiefnemers. Algemene (procedure)kosten die uit het project voortvloeien worden ten laste gebracht van de initiatiefnemers Daarnaast worden in de exploitatieovereenkomst alle op de initiatiefnemer te verhalen kosten opgenomen met betrekking tot de realisatie van het plan. Het betreft onder andere kosten van publicatie en reproductie, digitaliseringskosten, bijdrages voor landschappelijke inpassing enzovoort. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het op te stellen bestemmingsplan moet door middel van een verhaalcontract de initiatiefnemer zich bereid verklaren om de voor vergoeding in aanmerking komende planschade volledig aan de gemeente te compenseren. Deze planschadeverhaalsovereenkomst zal deel uitmaken van de exploitatieovereenkomst.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1 Overleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met de besturen van betrokken gemeenten en Waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Daarnaast is met omwonenden van het plangebied een buurtdialoog gevoerd. Een verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage 12 bij deze toelichting gevoegd. 5.2.2 Zienswijze Het ontwerpbestemmingplan wordt gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegd in het kader van de zienswijzeprocedure. Alle zienswijzen en overlegreacties zullen worden behandeld in een nota van zienswijzen, overleg en ambtshalve aanpassingen en als separate bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan worden opgenomen. Indien noodzakelijk wordt het bestemmingsplan naar aanleiding van de zienswijzen aangepast 5.3

Conclusie De financiële uitvoerbaarheid wordt gegarandeerd door initiatiefnemers. Of het plan maatschappelijk aanvaardbaar is zal blijken naar aanleiding van het overleg met andere instanties en de eventuele zienswijzen.

73

Hoofdstuk 6

Juridische planopzet

6.1

Planstukken Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels betreffende de bestemmingen en voorliggende toelichting.

6.2

Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is de begrenzing van het plangebied vastgelegd, evenals de van toepassing zijnde bestemmingen binnen het plangebied. De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond. Bij het tekenen van de verbeelding zijn de uitgangspunten uit de SVBP2012 gehanteerd. Tevens is aangesloten op de systematiek die de gemeente Meierijstad hanteert voor de bestemmingen, zoals opgenomen in het plangebied.

6.3

Toelichting op de regels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels. 2. Bestemmingsregels. 3. Algemene regels. 4. Overgangs- en slotregels. Voor het vormgeven van de regels is aansluiting gezocht bij het vigerend bestemmingsplan ‘Olland, De Misse’.

6.3.1 Inleidende regels In de inleidende regels staan de bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. Daar waar begrippen zijn gedefinieerd in het Bro of de SVBP2012 zijn deze overgenomen. De begripsbepalingen (artikel 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (artikel 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes, enzovoort. 6.3.2 Bestemmingsregels Voor het plangebied geldt de enkelbestemmingen ‘Wonen’ (artikel 3). De bestemmingsregeling begint, overeenkomstig de SVBP2012, met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de bestemming is toegekend, gebruikt mogen worden. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door de bouwregels, waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan. Afhankelijk van de bestemming en de noodzakelijke regeling kunnen de bouwregels 74

worden gevolgd door nadere eisen, specifieke gebruiksregels, omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voormalige aanlegvergunning), omgevingsvergunning voor het slopen van bouwwerken (voormalige sloopvergunning) en wijzigingsbevoegdheden. Ook kunnen afwijkingsregels voor bebouwing en gebruik zijn opgenomen (voormalige ontheffingsbepalingen). 6.3.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels, voor het gehele plangebied. Artikel 4: Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelbepaling moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 5: Algemene bouwregels In dit artikel worden regels gegeven met betrekking tot ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwdelen. Artikel 6: Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van een aantal in het plan gestelde maten, afmetingen, grenzen en (neven-)functies, voor zover het ondergeschikte aanpassingen betreft.

Ook biedt dit artikel de mogelijkheid om met afwijking kleine openbare gebouwtjes, zoals nutsgebouwtjes en wachthuisjes toe te staan en beperkte verhogingen van gebouwen binnen het plangebied. Artikel 7: Algemene wijzigingsregels Met deze regels kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen om zo de overschrijding van de bestemmingsgrenzen met maximaal 3 meter mogelijk te maken. 6.3.4 Overgangs- en slotregels In de overgangsregels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven (artikel 8). Als laatste is de slotbepaling opgenomen, waarin de benaming van het plan is geregeld (artikel 9).

75

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=19047972-7db7-42e2-a7a9-b63334cfd92e