CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting Olieëindsestraat 3 Schijndel ontwerp

Raadsvergadering 26 september 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3'21.252 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Regeling kwaliteitsverbetering Landschap Meierijstad De Gemeente Meierijstad is bezig met het opstellen van de rapportage 'Richtlijnen landschappelijke inpassing en regeling kwaliteitsverbetering Landschap Meierijstad'. De kaders uit deze rapportage zullen de afzonderlijke regelingen voor kwaliteitsverbetering van de voormalige gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel gaan vervangen. De gemeente Meierijstad vindt het belangrijk dat een initiatief bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Daarmee wordt voortgeborduurd op het beleid van de provincie Noord-Brabant, die een belangrijke rol speelt bij de (her)ontwikkeling van het Brabantse buitengebied. Een belangrijk regelinstrument hiervoor is de interim omgevingsverordening. Tegelijkertijd heeft de gemeente Meierijstad recent het afwegingskader ‘Kansen voor Kwaliteit’ opgesteld om invulling te kunnen geven aan specifiek de binnen de gemeente vrijvallende Agrarische bebouwing (VAB). Nadere uitwerking van deze rapportage dient nog plaats te vinden Bij voorliggend initiatief wordt, zoals nader uitgewerkt in hoofdstuk 2.3 van voorliggende toelichting, aangesloten bij de richtlijnen voor landschappelijk inpassing en de door de gemeente Meierijstad gehanteerde systematiek uit de Regeling Kwaliteitsverbetering Landschap Meierijstad.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past hiermee binnen de door de gemeente Meierijstad vastgestelde beleidskaders voor ontwikkelingen in het buitengebied.

- 30 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

4.

Gemeente Meierijstad

Ruimtelijke en milieuhygiënische effecten

Bij het opstellen van een bestemmingsplan is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante ruimtelijke en milieuhygiënische aspecten van het project. Aangetoond dient te worden dat de realisatie van het project er niet toe leidt dat andere functies in de omgeving worden beperkt in hun mogelijkheden en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

4.1

M.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieu-effectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kader stellend is voor projecten met grote milieugevolgen een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage in het Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de in onderdeel D 11.2 kolom 1 opgenomen activiteit: ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Wanneer de ontwikkeling voldoet aan kolom 2 (de drempel), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°.

een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De beoogde toevoeging van één woning betreft een activiteit die onder de drempelwaarden ligt zoals opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. onder categorie 11.2. Sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 geldt echter de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Op basis van jurisprudentie wordt de toevoeging van één woning niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject. Omdat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is het Besluit milieueffectrapportage dan ook niet van toepassing en is daarmee een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling niet benodigd voor onderhavig initiatief.

- 31 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

Conclusie Er zijn hiermee vanuit het aspect M.e.r.-beoordeling geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

4.2

Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt bestaande weten regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In het bestemmingsplan is aan het plangebied de archeologische dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 2’ toegekend, zoals blijkt uit figuur 1.2 van voorliggende toelichting. De aanduiding ‘Waarde – Archeologie 2’ houdt in dat bij het bouwen van een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 100 m2, er een rapport moet worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag verstoord worden voldoende zijn vastgesteld. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt geen nieuwe bebouwing opgericht en wordt de grond dan ook niet geroerd. Conclusie Er zijn hiermee dan ook geen belemmeringen voor onderhavig initiatief vanuit het aspect archeologie. Cultuurhistorie Volgens de Erfgoedwet dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden te worden met het aanwezige culturele erfgoed.

Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zoals aangegeven in hoofdstuk 3.1.3 van voorliggende toelichting is het plangebied is getoetst aan de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Onderstaand is in figuur 4.1 een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgenomen, met daarop het plangebied rood omkaderd. Het plangebied is getoetst aan de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is op deze kaart gelegen binnen de regio Meierij. In de regio Meierij liggen de volgende cultuurhistorische landschappen van provinciaal belang: Groene Woud, Beerse en Baardwijkse Overlaat, Loonse en Drunense Duinen, Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg. Het plangebied is gelegen binnen het Groene Woud. Het Groene Woud is aangewezen als Nationaal Landschap. Kenmerkend is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terrein-

- 32 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

gesteldheid. Kleinschalige middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen. Binnen het Groene Woud is het plangebied gelegen binnen het cultuurhistorisch vlak De Geelders en Gemonde. Dit gebied was het hart van de populierenteelt, die zijn hoogtepunt bereikte rond 1900. De kleinschaligheid van toen is uiteraard verminderd, maar het gebied wordt nog steeds gekenmerkt door de vele bosjes, perceelrandbegroeiing en populierenakkers. Tot slot is de weg Olieëindsestraat aangemerkt als een historisch geografische lijn met redelijk hoge waarde. Voorliggende ontwikkeling is dermate kleinschalig van aard, dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het Groene Woud en De Geelders in (de omgeving van) het plangebied.

plangebied

Figuur 4.1: Uitsnede CHW-kaart (bron: Provincie Noord-Brabant).

Aan de halleshuisboerderij, met bouwjaar 1930, is in het bestemmingsplan Landelijk gebied, Herijking de dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen’ toegekend. Daarnaast is op het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ gelegen en is op een klein gedeelte van het plangebied (zuidzijde) ook nog de dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle ensembles’ gelegen. De omgeving alsmede de planlocatie worden dan ook gekenmerkt door cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en een cultuurhistorisch waardevol landschap. In opdracht van de voormalige gemeente Schijndel is door RAAP het rapport ‘Tussen Aa-dal en Rooise Heide’ opgesteld dat als onderligger dient voor de het bestemmingsplan Landelijk gebied, Herijking en hieraan als bijlage is toegevoegd. In het rapport is een cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd van het buitengebied van Schijndel. Deze inventarisatie is vertaald in kaartbeelden. In

- 33 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

figuur 4.2 is een uitsnede van deze cultuurhistorische waardenkaart opgenomen. Hieruit blijkt dat de bebouwing aan de Olieëindsestraat een ensemble van waardevolle bouwkunst vormt, onder meer bestaande uit diverse boerderijen waarvan de hallehuisboerderij binnen het plangebied tevens deel uitmaakt.

plangebied

Figuur 4.2: Uitsnede CHW-kaart gemeente Schijndel (bron: RAAP, 2015). - 34 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

Daarnaast is de boerderij aan Olieëindsestraat 3 door de gemeente Meierijstad in haar ‘Welstandsnota Meierijstad 2018’ opgenomen in het overzicht van beeldbepalende panden en cultuurhistorisch waardevolle panden (bijlage 4). In figuur 4.3 is een uitsnede van de Welstandskaart Meierijstad opgenomen.

plangebied

Figuur 4.3: Uitsnede Welstandskaart Meierijstad (bron: gemeente Meierijstad, 2018).

Door de jaren heen hebben er diverse ingrepen aan de boerderij plaatsgevonden. Op verzoek van de Monumentencommissie van de gemeente Meierijstad is daarom door initiatiefnemer opdracht verstrekt aan Monumentenhuis Brabant voor het uitvoeren van een bouwhistorisch onderzoek met waardestelling van de boerderij. Dit met als doel om te bepalen in welke mate de cultuurhistorische waarden van de boerderij in de huidige situatie nog intact zijn. Het bouwhistorisch onderzoek met waardestelling is als bijlage opgenomen bij voorliggende toelichting. De conclusies van het onderzoek zijn onderstaand weergegeven.

Algemene historische waarden De voormalige boerderij is vanwege de verschijningsvorm cultuurhistorisch van belang als uitdrukking van de sociaaleconomische ontwikkeling van Schijndel en in het bijzonder het agrarisch gebied tussen de gehuchten Oetelaar en Olie Eind.

- 35 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

Ensemble - en stedenbouwkundige waarden Het object is van stedenbouwkundig belang vanwege de historisch onveranderde en beeldbepalende ligging aan de Olieëindsestraat. Met name vanaf de Boschweg is de ligging van de voormalige boerderij in het open veld van beeldbepalend belang. Er is geen sprake van een cultuurhistorisch waardevol ensemble in relatie tot de bestaande opstallen, vanwege de jonge leeftijd van deze opstallen. Architectuurhistorische waarden Hoewel de buitenzijde vrijwel volledig recent opnieuw is opgetrokken, is nog sprake van enige architectuurhistorische waarde vanwege de hoofdvorm van een langgevelboerderij. Op sommige onderdelen is de herbouw niet historisch correct uitgevoerd en is sindsdien, met name in de voorgevel, het onderscheid tussen een woon- en bedrijfsgedeelte niet meer zo nadrukkelijk aanwezig. Dit doet afbreuk aan de architectuurhistorische waarden. Bouwhistorische waarden De voormalige boerderij bevat nog enkele belangrijke bouwhistorisch waardevolle onderdelen. Dat zijn de oorspronkelijke onderdelen van de gebintconstructie en de oorspronkelijke onderdelen van de sporenkap. Los van verstevigingen en reparaties lijkt de oude sporenkap nog in vrij gave staat te verkeren. In de regio komen nog meer boerderijen voor met gave sporenkapconstructies. Van zeldzaamheid is in dit geval dan ook geen sprake.

Waarden vanuit de gebruikshistorie De waarden vanuit de gebruikshistorie beperken zich tot het langdurige continue gebruik als boerderij. De recente vernieuwing heeft hier afbreuk aan gedaan, omdat de eerder aanwezige historische gelaagdheid hier grotendeels mee is weggepoetst.

Op basis van de conclusies van de bouwhistorische verkenning met waardesstelling is door de Monumentencommissie van de gemeente Meierijstad in haar vergadering d.d. 16 november 2023 geconcludeerd dat in de huidige situatie er nauwelijks meer sprake is van een cultuurhistorisch waardevol pand. De commissie heeft daarmee moeten constateren dat er weinig grondslag is om een splitsing van de boerderij op basis van de cultuurhistorische waarden toe te staan. Naar aanleiding hiervan is door initiatiefnemer en commissie in overleg getreden en is geconcludeerd dat splitsing van het pand op basis van beeldbepalendheid wel tot de mogelijkheden behoort. Zoals blijkt uit het bouwhistorisch onderzoek met waardestelling is het object van stedenbouwkundig belang vanwege de historisch onveranderde en beeldbepalende ligging aan de Olieëindse-

- 36 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

straat. Met name vanaf de Boschweg is de ligging van de voormalige boerderij in het open veld van beeldbepalend belang. Daarnaast is vanuit de architectuurhistorische waarde de nog aanwezige hoofdvorm van een langgevelboerderij als beeldbepalend aan te merken. Bij voorliggend initiatief is hiermee sprake van een beeldbepalend pand dat gesplitst wordt. Het herstel van cultuurhistorische waarden is hierbij geen vereiste. Door initiatiefnemer wordt als tegenprestatie 0,5 Ruimte-voor-Ruimte titel aangekocht bij de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte. Daar de versterking van de cultuurhistorische waarden van het pand bij voorliggend plan geen vereiste is, heeft de Monumentencommissie van de gemeente Meierijstad in haar vergadering d.d. 14 december 2023 aangegeven dat het aanleveren van ontwerptekeningen voor de nieuwe beoogde situatie niet meer aan de orde is. Omdat in onderhavig geval er echter al ontwerptekeningen voor de nieuwe beoogde situatie bij de commissie voorlagen, heeft zij toch enkele suggesties gedaan met betrekking tot de situering van enkele beoogde dakramen en met betrekking tot de toe te passen soorten bij de landschappelijke inpassing van het perceel. De commissie heeft vervolgens ingestemd met het plan middels het advies 'voldoet, mits', waarbij de lichte aanpassingen aan het ontwerp door initiatiefnemer doorgevoerd kunnen worden.

Het plan behoeft hierbij geen nieuwe bespreking in de commissie. De aangepaste ontwerptekeningen zijn als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. Conclusie Er zijn hiermee geen belemmeringen vanuit het aspect cultuurhistorie voor onderhavig initiatief.

4.3

Flora en fauna In Nederland zijn flora en fauna beschermd via gebiedsbescherming en via soortenbescherming. Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. Er treden verschuivingen op in de tabellen voor soortenbescherming. Sommige soorten worden beter beschermd, sommige soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft daarbij bestaan voor alle inheemse flora en fauna. Soortenbescherming Onderhavig plan voorziet in de sloop van een tweetal (voormalige) agrarisch bedrijfsgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van 210 m2. Doordat er sloop van bebouwing plaats vindt dient er in het kader van de Wet natuurbescherming onderzoek gedaan te worden naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in deze bebouwing. Door initiatiefnemer is aan Exlan opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een quickscan Flora en Fauna. Deze - 37 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

quickscan is als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. De conclusie van het onderzoek is hieronder opgenomen:

Conclusie Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. 2. 3.

Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig?

Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.

Gebiedsbescherming Er zijn geen Natura 2000-gebieden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen´. Dit gebied ligt op een afstand van ca. 10 kilometer van het plangebied. Daarnaast maakt het plangebied ook geen onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De effecten die voortvloeien uit het plan (zoals onder

- 38 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

andere verstoring door licht, geluid en optische verstoring) zorgen, gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, niet voor significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de gemeenteraad in de zogenaamde ‘voortoets’ te bezien of een passende beoordeling van het plan moet worden gemaakt. Dit is het geval indien het risico bestaat dat het plan – al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten – significante gevolgen heeft voor één of andere meerdere Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van significante effecten op Natura 2000-gebieden als de stikstofdepositie niet meer bedraagt dan 0,00 mol/ha/jaar. Dit kan worden aangetoond middels een AERIUS-berekening. De voorgenomen ontwikkeling betreft het omzetten van een agrarische bestemming naar een woonbestemming waarbij de voormalige agrarische bedrijfswoning wordt gesplitst in twee wooneenheden. Hiermee wordt één woning toegevoegd ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast wordt bij de woning aan Olieëindsestraat 3a statische binnenopslag mogelijk gemaakt. Voor wat betreft de aanlegfase is als onderdeel van het plan sprake van verbouwingswerkzaamheden om een gedeelte van de bestaande boerderij te transformeren tot woning.

Gebruiksfase De voorgenomen ontwikkeling betreft het omzetten van een agrarische bestemming naar een woonbestemming waarbij de voormalige agrarische bedrijfswoning wordt gesplitst in twee wooneenheden. Per saldo wordt hiermee één wooneenheid toegevoegd ten opzichte van de bestaande situatie. In de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ is het aantal verkeersbewegingen voor een vrijstaande koopwoning vastgesteld op 8,2 bewegingen per etmaal per woning. Daarnaast wordt bij de woning aan Olieëindsestraat 3a statische binnenopslag mogelijk gemaakt. Het betreft hier goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven. In een worst-case scenario wordt uitgegaan van 5 extra verkeersbewegingen per etmaal als gevolg van deze statische binnenopslag. In totaal is hiermee in de nieuwe beoogde situatie sprake van afgerond 22 verkeersbewegingen met licht verkeer. Op basis van bovenstaande gegevens is middels het programma AERIUS Calculator 2022.2 de berekening uitgevoerd voor de mogelijke toename van de stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase. De gehanteerde ‘grenswaarde’ bedraagt 0,00 mol/ha/j. Een hogere waarde wordt beschouwd als een overschrijding. De berekening en bijbehorende uitkomsten zijn toegevoegd als bijlage aan voorliggende toelichting.

- 39 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

Uit de berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat door de gebruiksfase de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er is geen sprake van een significante verslechtering van Natura 2000-gebieden door de gebruiksfase van het plan. Aanlegfase Ook voor interne verbouwingswerkzaamheden van de boerderij dient de mogelijke stikstofdepositie in beeld gebracht worden middels AERIUS Calculator 2022.2. Doordat het een interne verbouwing betreft wordt er bij de verbouwing nauwelijks gebruik gemaakt van stikstof belastende machines. Een betonpomp is het enige zwaardere materieel dat wordt ingezet bij de verbouwing. Voor de betonpomp zijn de draaiuren genomen zoals opgenomen in figuur 4.4. Voor de aan- en afvoer van de bouwmaterialen en het afval wordt een vrachtwagen (evt. met container) ingezet. Op basis van een zeer ruime schatting zijn 20 ritten (zowel aan- als afvoer) noodzakelijk voor het aan- en afvoeren van alle bouwmaterialen. Het verkeer rijdt over de Olieëindsestraat richting de Boschweg. De lengte van de rijlijn bedraagt circa 1,9 kilometer. Wanneer het verkeer op de Boschweg aankomt, is het uitgangspunt is dat het verkeer van en naar het plan opgenomen is in het heersende verkeersbeeld.

Op basis van onderstaande gegevens m.b.t. de inzet van materieel en de verkeersbewegingen is middels het programma AERIUS Calculator de berekening uitgevoerd voor de mogelijke toename van de stikstofdepositie als gevolg van de interne verbouwing van de woning. De gehanteerde ‘grenswaarde’ bedraagt 0,00 mol/ha/j. Een hogere waarde wordt beschouwd als een overschrijding. De berekening en bijbehorende uitkomsten zijn toegevoegd als bijlage aan voorliggende toelichting. Type werk-

Klasse

tuig Betonpomp

Stage III B, 130-300 kW, bouwjaar 2011 (diesel)

Vermogen

Cilinder-

Verbruik/

n-

Totale

(kW)

inhoud (L)

dag (L)

dagen

verbruik (L)

200

10,0

160

1

160

Totaal

160

Figuur 4.4: Stikstofemissie mobiele werktuigen aanlegfase.

Uit de berekeningen van de aanlegfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat door de interne verbouwing van de woning de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er is geen sprake van een significante verslechtering van Natura 2000-gebieden door de realisatiefase van het plan.

- 40 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

Conclusie Het aspect flora en fauna vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.4

Water Waterbeheer is een essentieel onderdeel bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het Waterschap een aantal beleidsmatige uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met de ruimtelijk relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal Waterhuishoudingsplan van de provincie Noord-Brabant, het Waterbeheerplan 20222027 van het Waterschap Aa en Maas, de Vierde Nota Waterhuishouding, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Kern van deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Keur Waterschap Aa en Maas De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben nieuwe waterregels vastgesteld. De regels (Keur) zijn eenvoudiger en er is minder vaak een vergunning nodig dan voorheen. Activiteiten rondom kleine watergangen zijn in veel gevallen zelfs vrijgesteld van regels. De Keur is een verordening waarin staat wat wel en niet mag rond watergangen, dijken en grondwater. Voor veel zaken hoeven burgers en bedrijven geen vergunning meer aan te vragen. Een melding aan het waterschap volstaat.

Alle ingrepen welke een grote impact hebben op belangrijke watergangen en keringen blijven vergunningplichtig. Vanaf 1 maart 2015 geldt de nieuwe keur in de drie waterschappen. Het doel van de regels is om de wateraanvoer en waterafvoer te waarborgen, Noord-Brabant te beschermen tegen overstromingen en de gevolgen van droogte te beperken. De waterschappen maken, bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak, onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroom-gebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen (toename van verhard oppervlak tussen de 00 m² en de 10.000 m²) kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatieopgave. Voor grote plannen (toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m²) volstaat deze rekenregel niet en is altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer

- 41 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

noodzakelijk waarbij het waterschap vroegtijdig dient te worden betrokken. Voor plannen waarbij de toename van verhard oppervlak kleiner is dan 00 m² hebben de drie waterschappen besloten dat, gezien de dermate kleine afvoer van hemelwater, het verantwoord is geen compensatie te eisen. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt geen bebouwing dan wel verharding toegevoegd. Als gevolg van de ontwikkeling vindt wel de sloop van 210 m2 aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing plaats. Per saldo neemt hiermee het verhard oppervlak binnen het plangebied af. Compensatie is op basis van het huidige beleid niet noodzakelijk, omdat deze onder de ondergrens valt die door het waterschap Aa en Maas wordt gehanteerd. Kenmerken huidige watersysteem Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Schijndel. Zoals bovenstaand aangegeven neemt als gevolg van voorliggend initiatief het verhard oppervlak af. Voor de kenmerken van het plangebied is gebruik gemaakt van de bodematlas van de provincie Noord-Brabant en de Legger van Waterschap Aa en Maas. Bodem en grondwater De bodem in het plangebied bestaat uit kalkloze zandgrond. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op het grootste gedeelte van het plangebied op een diepte van circa 60-80 centimeter beneden maaiveld. De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) ligt op een diepte van 160-180 centimeter onder maaiveld.

Dergelijke grondwaterstanden komen overeen met Grondwatertrap (GT) Vb. Oppervlaktewater In het plangebied zijn geen oppervlaktewateren aanwezig. Aan de oostzijde van het plangebied is een A-watergang gelegen, evenwijdig aan de Olieëindsestraat. Daarnaast is in de A-watergang ter plaatste van de bestaande uitrit een duiker gelegen (Code: 2030192). Riolering In het buitengebied van Schijndel is voor het grootste gedeelte drukriolering aanwezig. Vuilwater wordt afgevoerd via de drukriolering. Drukriolering heeft een beperkte capaciteit en is daarom niet geschikt voor de afvoer van hemelwater. Afvloeiend hemelwater dient derhalve niet afgevoerd te worden via de riolering waardoor vuilwater en hemelwater van elkaar gescheiden zijn. Gezien het feit dat de toevoeging van één woning binnen reeds bestaande bebouwing kleinschalig van aard is, zal de huidige capaciteit van het rioleringsstelsel de toename aan waterafvoer kunnen verwerken en behoeft dus geen aanpassing. De kosten voor aansluiting op het rioleringsstelsel zijn uiteraard voor de initiatiefnemer.

- 42 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

Waardevol Water in Meierijstad (VGRP+ 2017-2022) De gemeente Meierijstad heeft per september 2017 een water- en rioleringsplan (VGRP+ Meierijstad) vastgesteld. In het plan streeft de gemeente ernaar dat nieuwbouwplannen hydrologish neutraal worden uitgevoerd. Als voorkeursvolgorde hanteert de gemeente: infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering. Uit onderstaande tabel, zoals opgenomen in het VGRP+, blijkt dat de gemeente Meierijstad ook voor ontwikkelingen onder de 2.000 m2 (0 tot 10.000 m2) compenserende maatregelen benodigd acht. Hiervoor wordt de bergende eis van 60 millimeter gehanteerd.

Figuur 4.5: Tabel uitgangspunten afvoer hemelwater door toename verhard oppervlak (bron: VGRP+ Meierijstad).

Zoals bovenstaand aangegeven neemt als gevolg van voorliggend initiatief het verhard oppervlak af met 210 m2, waardoor compenserende maatregelen niet aan de orde zijn. Conclusie Het aspect water vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.5

Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Daarbij wordt gekeken naar een eventuele saneringsnoodzaak in geval sprake is van een bodemverontreiniging en of er geen belemmeringen zijn voor het grondverzet binnen het plangebied. Inzicht in de bodemkwaliteit vooraf is noodzakelijk om na te kunnen gaan of de bodemkwaliteit de (financiële) haalbaarheid van de plannen wel of niet in de weg staat. Aan Milon B.V. is opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een verkennend bodem- en asbestonderzoek ter plaatse van de planlocatie. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. Vervolgens is aan Milieupartner B.V. opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De conclusies van beide onderzoeken zijn hieronder samengevat opgenomen en luiden als volgt:

- 43 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

Conclusies verkennend bodem- en asbestonderzoek Verkennend bodemonderzoek Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bovengrond bijmengingen waargenomen met resten beton en sporen baksteen. Voor het overige zijn geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. In tabel 12 zijn de analyseresultaten samengevat. Verkennend asbestonderzoek Tijdens de uitvoering van het veldwerk zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is in de fijne fractie een asbestgehalte van 14 mg/kg d.s. aangetoond. Doordat het indicatieve gehalte asbest in bodem lager is dan de norm van nader onderzoek dient de opgestelde hypothese ‘verdachte locatie’ verworpen te worden. Op de locatie is geen sprake van een verontreiniging met asbest. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusies en aanbevelingen Tijdens het onderzoek zijn plaatselijk licht verhoogde gehaltes aan zware metalen in de bovengrond aangetoond. Ter plaatse van boring 08 is onder de klinkerverharding op een diepte van 0,35 tot 0,5 m-mv een sterk verhoogd kopergehalte aangetoond. Deze verontreiniging is niet ingekaderd. Om de omvang van de verontreiniging te bepalen is nader onderzoek noodzakelijk.

Conclusies nader bodemonderzoek In opdracht initiatiefnemer heeft Milieupartner BV een nader bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Olieëindsestraat 3 te Schijndel. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de Nederlandse Normen NEN 5725, NEN 5740 en NTA 5755. Het nader bodemonderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van een, bij een voorgaand bodemonderzoek, aangetoonde verontreiniging met koper en de voorgenomen aanvraag van een bestemmingsplanwijziging. Het doel van het nader bodemonderzoek is de ernst, mate en omvang van de aangetoonde verontreiniging vast te stellen Nader bodemonderzoek Teneinde de verontreiniging met koper en zink geheel in beeld te krijgen is het nader bodemonderzoek in verschillende fases uitgevoerd. Uit de resultaten van

- 44 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

het uitgevoerde nader bodemonderzoek blijkt dat onder de gehele inrit (klinkerverharding) een stabilisatielaag van zinkassen aanwezig is. Een dergelijke halfverhardingslaag werd in het verleden vaker aangebracht als terrein(half)verharding en veroorzaakt verontreinigingen met koper en zink. De afperkende boringen aan de zijkanten van de inrit zijn over het algemeen niet of maximaal licht verontreinigd. Alleen ter plaatse van boring 349 is de horizontale afperking nog niet volledig in beeld. De ondergrens van de sterke verontreiniging met koper en zink is vastgesteld op gemiddeld 0,5 m-mv. Plaatselijk (boringen 303 en 304) is de sterke verontreiniging iets dieper aanwezig, hier is echter (gezien het percentage aan bodemvreemde materialen) geen sprake van bodem maar van een (half)verhardingslaag. De verontreiniging is zowel in horizontale als in verticale richting afgeperkt en is aanwezig over een oppervlakte van circa 645 m² en een gemiddelde laagdikte van 0,4 meter. Verwacht wordt dat ter plaatse minimaal 258 m³ sterk met koper en/of zink verontreinigde grond aanwezig is. Derhalve is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Gezien de ernst en omvang van de verontreiniging bestaat een saneringsplicht. Door middel van Sanscrit (opgenomen in bijlage 8) is de spoedeisendheid van de koper- en zinkverontreiniging bepaald.

Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat geen onaanvaardbare risico’s aanwezig zijn (in verband met de aanwezige afdekking van klinkers). Op basis van oude luchtfoto’s en de informatie van de opdrachtgever kan worden gesteld dat de verontreiniging voor 1987 is ontstaan. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan de te nemen saneringsmaatregelen in overleg te treden met het bevoegd gezag teneinde te bepalen welke saneringsvariant gevolgd dient te worden. Bij eventuele ontgraving van de aanwezige grondverontreiniging kan de sanering, ons inziens, onder BUS de Kempen ingediend worden. Een bodemonderzoek is een momentopname en een indicatie van de kwaliteit van grond en grondwater. Bij werkzaamheden in de bodem dient rekening te worden gehouden met de veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 400 ‘werken met verontreinigde grond en grondwater’. Bij afvoer van grond dient rekening te worden gehouden met de regels van het Besluit Bodemkwaliteit.

- 45 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

Middels het uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek en het hieruit voortvloeiende nader bodemonderzoek is de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied afdoende vastgesteld. Voor wat betreft de chemische bodemkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor realisatie van het plan. Mochten er graafwerkzaamheden zijn gepland dan moet een BUS-melding bij de ODZOB worden ingediend. Conclusie Het aspect bodem vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.6

Kabels en leidingen In en in de directe omgeving van het plangebied zijn volgens de provinciale risicokaart en het bestemmingsplan geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Initiatiefnemers van onderliggend plan zijn verplicht zorg te dragen dat de door de nutsbedrijven aan te brengen gebruikelijke voorzieningen waarop de tweede woning in de boerderij dient te worden aangesloten (gas, water, elektra, telefoon e.d.) worden getroffen. De initiatiefnemers zullen aan de nutsbedrijven de hiertoe benodigde opdrachten verstrekken. De kleinere leidingen worden voorafgaand aan de werkzaamheden middels een KLIC-melding in kaart gebracht. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.7

Bedrijven en milieuzonering Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te maken wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient er voor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende fysieke afstand tussen bedrijven en gevoelige objecten (zoals woningen), geen overlast, hinder of schade ontstaat. Afhankelijk van het bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. Wettelijk kader De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen.

- 46 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

Omgevingstype In een intensief gebruikt gebied met veel functies en ‘bedrijvigheid’ wordt vaak minder hinder ervaren van een milieubelastende activiteit dan in een rustige woonwijk. De VNG-handreiking hanteert daarom twee omgevingstypen, te weten ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Rustige woonwijk en rustig buitengebied “Een rustige woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.” Gemengd gebied “Een gemengd gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.” Het plangebied aan Olieëindsestraat 3 is gelegen in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’.

Op basis van het voor het perceel vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Herijking’ worden in onderhavig hoofdstuk de aanwezigheid van milieubelastende functies in de nabijheid van het plangebied onderzocht. Aangegeven wordt welke afstanden uit de VNG brochure van toepassing zijn en getoetst wordt of hieraan kan worden voldaan. Hiermee wordt inzichtelijk gemaakt of ter plaatse van de te toe te voegen woning een aanvaardbaar woonen leefklimaat kan worden gegarandeerd. Milieuzonering In figuur 4.6 zijn de hindercontouren van de bedrijfsmatige functies binnen een straal van 250 meter rondom het plangebied aangegeven. De hindercontouren komen voort uit de voor de functie van toepassing zijnde richtafstanden uit de VNG handreiking. Betreffende richtafstanden zijn gemeten vanaf de grens van het perceel waarop de bestemming ‘Bedrijf’ (of andere milieubelastende functie) rust tot aan de meest dichtbij gelegen gevel van de te splitsen boerderij. De afstanden gelden voor het zogenaamde rustig buitengebied. Overschrijdingen van de richtafstanden zijn vetgedrukt. Zoals blijkt uit figuur 4.5 wordt ten opzichte van alle bedrijven in omgeving van het plangebied voldaan aan geldende richtafstanden tot de gevel van de woning aan Olieëindsestraat 3.

Hiermee kan gevoeglijk aangenomen worden dat ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de omliggende bedrijvigheid.

- 47 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

Bedrijf

Richtafstand in meters

Afstand

id

Adres

bestemming – functie

geur

stof

geluid

gevaar

feitelijk

1

Olieëindsestraat 9

Agrarisch – melkrundvee

100

30

30

0

255 m.

2.

Olieëindsestraat 8

Agrarisch – paarden

50

30

30

0

320 m.

3.

Olieëindsestraat 15

Agrarisch – varkens

200

30

0

0

560 m.

4.

Boschweg 181-181a

Bedrijf – garagebedrijf

10

0

30

10

520 m.

Figuur 4.6: Overzicht en toetsing richtafstanden.

Middels voorliggend initiatief wordt het daarnaast ook mogelijk gemaakt om de een bestaand voormalig agrarisch bedrijfsgebouw in te zetten voor statische opslag. De bedrijfsactiviteit statische opslag dient op basis van de VNG-publicatie qua aard en invloed te worden ingedeeld in milieucategorie 2. In de huidige situatie is binnen het plangebied mogelijk een intensieve veehouderij te exploiteren. Deze bedrijfsactiviteit worden ingedeeld in milieucategorie 4.1. De grootste richtafstand voor statische opslag bedraagt 30 meter voor wat betreft het aspect geluid. De statische opslag vindt binnen plaats, in het reeds aanwezige voormalige agrarische bedrijfsgebouw. De afstand van dit gebouw tot de gevel van de meest dichtbij gelegen woning van derden aan Olieëindsestraat 5 bedraagt respectievelijk 70 meter. Hiermee wordt de richtafstand voor statische opslag van 30 meter ruimschoots in acht genomen. Ook ten opzichte van de 2e toe te voegen woning binnen het plangebied wordt voldaan aan de afstand van 30 meter voor statische opslag. Conclusie Er zijn hiermee vanuit het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmeringen voor voorliggend initiatief.

4.8

Geur Per 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door veehouderijbedrijven. Voor een goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst of: ➢ Bestaande bedrijven door het plan niet worden belemmerd in huidige of toekomstige bedrijfsvoering; ➢ Er binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het eerste punt wordt de zogenaamde toets op de ‘omgekeerde werking’ toegepast. Daarbij wordt uitgegaan van de geurnormen en de richtafstanden uit de Wet geurhinder (Wgv) of de gemeentelijke verordening. Voor het tweede punt moet worden getoetst of de achtergrondbelasting voldoet aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant of de gemeentelijke beleidsregel.

- 48 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

Individuele geurhinder De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Deze wettelijke normen voor de voorgrondbelasting zoals vastgelegd in de Wgv zijn door de voormalige gemeente SintOedenrode overgenomen in haar ‘Verordening geurhinder en veehouderij’. Voor diercategorieën waarvan de geuremissiefactor per dier is vastgesteld, zoals varkens, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Deze bedraagt maximaal: ➢ 3,0 ouₑ/m³ binnen de bebouwde kom ➢ 14,0 ouₑ/m³ buiten de bebouwde kom Voor dieren zonder geuremissiefactor, zoals melkkoeien en paarden, gelden minimaal de volgende aan te houden afstanden: ➢ ten minste 100 meter binnen de bebouwde kom ➢ ten minste 50 meter buiten de bebouwde kom De meest dichtbij het plangebied gelegen agrarisch bedrijf betreft het melkveebedrijf aan Olieëindsestraat 9 op 255 meter van het plangebied, zoals blijkt uit figuur 4.6. Tussen de genoemde bedrijven in figuur 4.6 en de te splitsen woning in het plangebied zijn allen reeds bestaande burgerwoningen gelegen. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden dan ook geen agrarische bedrijven beperkt in gebruiks- dan wel ontwikkelingsmogelijkheden.

Gecumuleerde geurhinder Om aan te tonen dat er binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de gecumuleerde geurbelasting van alle omliggende veehouderijen, wordt getoetst of de achtergrondbelasting voldoet aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant of gemeentelijke beleidsregel. Voor de achtergrondbelasting zijn in de Interim omgevingsverordening normen opgenomen. De gemeente Meierijstad heeft geen eigen waarden in haar beleid opgenomen, waardoor de volgende toetswaarden worden aangehouden: -

10 ouₑ/m³ voor objecten in de bebouwde kom; 20 ouₑ/m³ voor objecten in het buitengebied.

Door de Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant is onlangs een actuele geurkaart van de achtergrondbelasting in diverse Brabantse gemeenten, waaronder Meierijstad, opgesteld. In figuur 4.7 is een uitsnede van deze geurkaart opgenomen. Zoals uit figuur 4.7 blijkt is ter plaatse van de planlocatie sprake van een achtergrondbelasting in de range van 0-3 ouₑ/m³. De wettelijke norm van 20 ouₑ/m³ wordt hiermee niet overschreden.

- 49 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

Figuur 4.7: Uitsnede geurkaart achtergrondbelasting (Bron: Omgevingsdienst Z-O Brabant).

Om het woon- en leefklimaat te beoordelen hanteert het RIVM voor de achtergrondbelasting geur de milieukwaliteitscriteria zoals opgenomen in figuur 4.8. De achtergrondbelasting ter plaatse van de twee-onder-één-kap woning valt in de categorie 1-3 ouₑ/m³. Het woon- en leefklimaat ten gevolge van de achtergrondbelasting kan dan ook als zeer goed worden beoordeeld. Achtergrondbelasting (ou /m³ ) E

Mogelijke kans op geurhinder (%)

1-3

Beoordeling leefklimaat

<5

zeer goed

4-8

5-10

goed

9-13

10-15

redelijk goed

14-20

15-30

matig

21-28

20-25

tamelijk slecht

29-38

25-30

slecht

39-50

30-35

zeer slecht

51-65

35-40

extreem slecht

Figuur 4.8: Classificatie achtergrondbelasting (RIVM).

Conclusie Er zijn hiermee voor wat betreft het aspect geur geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

4.9

Gezondheid in relatie tot veehouderijen Door middel van toetsing aan het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) kan beoordeeld worden of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid - 50 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

bestaat dat nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Het stappenplan 2.0 wordt hieronder weergegeven, waarbij per stap een nadere toetsing plaatsvindt. 1. Voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de blootstelling aan endotoxine heeft de Gezondheidsraad een advieswaarde van 30 EU/m3 vastgesteld. De advieswaarde van de Gezondheidsraad voor endotoxine is een instrument ter bescherming van de gezondheid van omwonenden van veehouderijen. Rondom de planlocatie zijn binnen een straal van 1,0 kilometer twee vleesvarkenshouderij aan Olieëindsestraat 15 en Boschweg 206 gelegen. Dit bedrijf en haar jaarlijkse PM10 (endotoxine) emissie is weergegeven in figuur 4.9. Op basis van de vergunde fijnstofemissie kan door middel van onderstaande vergelijkingen worden berekend binnen welke afstand naar verwachting de advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden.

Richtafstand

Werkelijke

Endotoxine

Afstand

Vleesvarkens: 254 kg. PM10/jaar

101 m.

560 m.

Vleesvarkens: 432 kg. PM10/jaar

133 m.

650 m.

id

Adres

Type bedrijf

1.

Olieëindsestraat 15

2.

Boschweg 206

Figuur 4.9: Richtafstanden Endotoxine.

Bovenstaande richtafstand wordt conform het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0' aangehouden vanaf het emissiepunt van het bedrijf, zoals opgenomen in Web-BVB, tot aan de gevel van een gevoelig object. Hierbij wordt geen rekening gehouden met meteo-omstandigheden, daar de mogelijkheden om dit te doen vooralsnog ontbreken. Zoals weergegeven in figuur 4.9 wordt ruimschoots voldaan aan de geldende richtafstanden voor endotoxine ten opzichte van beide bedrijven.

- 51 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

2. Toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak; De voorgenomen ontwikkeling betreft de omzetting van een agrarische bedrijfsbestemming in een woonbestemming en de splitsing van een cultuurhistorisch waardevol pand in twee wooneenheden. Hierbij vindt geen toename in emissies van geur, fijnstof en/of ammoniak plaats. 3. Geurbelasting; toetsen aan een aanvaardbaar woon-/leefklimaat; a. Wettelijke uitgangspunten In hoofdstuk 4.2 van voorliggende toelichting heeft een toetsing van de voorgenomen ontwikkeling aan de Wgv plaatsgevonden. Op de planlocatie is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geur. b. Gezondheidskundige uitgangspunten Naast een toets op sec de wettelijke aspecten kan ook gekeken worden naar een gezondheidskundige beoordeling ten aanzien van het aspect geur. De GGD hanteert het standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015) op dit moment het best beschikbare beeld geeft voor deze gezondheidskundige beoordeling. Bij de beoordeling van de geurbelasting hanteert de GGD het uitgangspunt dat maximaal 12% (woonkern) en 20% (buitengebied) geurgehinderd mag zijn. Dit betekent dat de gezondheidskundige advieswaarden voor het buitengebied door de GGD landelijk wordt gesteld op respectievelijk 5,0 OU/m3 voor de voorgrond en 10,0 OU/m3 voor de achtergrond.

Zoals blijkt uit de toetsing uit hoofdstuk 4.8 van voorliggende toelichting worden aan deze gezondheidskundige advieswaarden voldaan. 4. Bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij; Niet van toepassing. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot nieuwe situaties van het gemengd houden van varkens en pluimvee. 5. a. Geitenhouderijen binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. De provincie heeft een verbod van uitbreiding van geitenhouderijen ingevoerd. In het kader van de omgekeerde werking (gevoelige functies rond geitenhouderijen) wordt bekeken of er zich binnen 2 kilometer van het plan bedrijven met geiten bevinden.

- 52 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

De planlocatie is gelegen op ruim 1 kilometer afstand van de geitenhouderij aan Oetelaarsestraat 29 te Schijndel. b. pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming Ook voor pluimveehouderijen is een dergelijke afstand te benoemen. Uit het VGO-2 rapport (2017) blijkt namelijk dat er binnen een straal van 1 kilometer rondom één pluimveehouderij omwonenden een verhoogd risico op longontsteking hebben. Echter moet worden benadrukt dat het hier om een hypothese gaat, en dat causaliteit nog niet door onderzoekers is vastgesteld. Met deze onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden bij de ontwikkeling en uitbreiding van pluimveehouderijen of de bouw van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van pluimveehouderijen. Binnen een straal van 1 kilometer van de planlocatie bevinden zich geen pluimveehouderijen. c. overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter liggen woon- of verblijfsruimten van derden; Op exact 250 meter van het plangebied is een gecombineerde paarden- en rundveehouderij gelegen aan Olieëindsestraat 9. 6. De aanwezigheid van mestbewerking en mestverwerking; Niet van toepassing. 7. De ongerustheid bij omwonenden; Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid.

De voorgenomen omzetting van de agrarische bedrijfsbestemming in een woonbestemming en de splitsing van het bestaande pand betreft geen ontwikkeling die leidt tot een toenemende onrust over de volksgezondheid. Uit de toetsing aan de afwegingsaspecten blijkt dat er voor wat betref stap 5a en 5c specifieke omstandigheden aan de orde zijn. De gemeente moet een zorgvuldige afweging maken of sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Of in onderhavig geval een advies van GGD benodigd is betreft een afweging van de gemeente Meierijstad. Afwegingskader geitenhouderijen Meierijstad Het college van B&W van Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. De ontwikkeling moet getoetst worden aan dit afwegingskader.

- 53 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

Concreet betekent dit dat in de gemeente Meierijstad voorlopig als volgt gehandeld wordt: ▪

Een uitbreiding van het aantal geiten in bestaande stallen of gebouwen wordt niet toegestaan, tenzij er geen gezondheidskundige bezwaren daarvoor zijn. Bij voorliggende ontwikkeling is geen sprake van de uitbreiding van het aantal geiten.

▪

Binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen doet zich, vooralsnog, een extra risico voor. Daarom hanteert het college daar een extra zorgvuldigheid. Dat betekent dat met plannen voor het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen sowieso terughoudend omgegaan wordt. Er bestaat géén hard afwegingskader voor de toetsing van bouwplannen. Locatie, omgeving, het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn telkens anders en vragen om maatwerk. Het gezondheidsbelang wordt daarbij afgezet tegen bijvoorbeeld volkshuisvestelijke, sociale, economische en financiële belangen. De planlocatie is gelegen op ruim 1 kilometer afstand van de geitenhouderij aan Oetelaarsestraat 29 te Schijndel.

▪

Aanvragers van plannen en nieuwe potentiële bewoners in het gebied worden geïnformeerd over het risico. Ook wordt hen gevraagd een verklaring daarover te ondertekenen. Initiatiefnemers zijn bekend met de aanwezigheid van een geitenhouderij op ruim 1 kilometer afstand van de planlocatie. Zij zijn bereid de door de gemeente Meierijstad opgestelde verklaring te ondertekenen indien noodzakelijk.

Conclusie Er zijn hiermee voor wat betreft het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

4.10 Geluid Ten aanzien van het aspect geluid zijn het wegverkeer en de bedrijven van belang. Voor het wegverkeerslawaai vormt de Wet geluidhinder het toetsingskader en voor de bedrijven de Wet milieubeheer (waaronder het Activiteitenbesluit). Daarnaast moet in het kader van de Wet ruimtelijke ordening sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

- 54 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

Wegverkeerslawaai De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij de vaststelling van een bestemmingsplan of bij het verlenen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Als gevolg van de voorgenomen splitsing van het pand aan Olieëindsestraat 3 in twee woonfuncties is sprake van de oprichting van één nieuw geluidgevoelig object in de zin van de Wgh in het westelijk deel van het pand. De voormalige agrarische bedrijfswoning betreft een bestaand geluidgevoelig object en behoeft niet getoetst te worden aan de Wgh. Door initiatiefnemer is opdracht versterkt aan Tritium Advies B.V. voor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ten behoeve van de toevoeging van de tweede woning in het bestaande pand. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. De conclusie van het akoestische onderzoek is hieronder samengevat opgenomen:

Conclusie In opdracht van Kastelijn Ruimtelijk Advies is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd ten behoeve van de beoogde splitsing van de woning op de locatie Olieeindsestraat 3 te Schijndel. In onderhavig onderzoek dient enkel de bij splitsing ontstane woning te worden beschouwd. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd ten behoeve van de hiervoor noodzakelijke juridisch-planologische procedure. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Boschweg (N617), de Olieeindsestraat en de parallelweg van de Boschweg. Voor de Olieeindsestraat en de parallelweg van de Boschweg geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de woning overschrijdt. Voor de hoofdrijbaan van de Boschweg (N617) geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de woning de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 4 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied wordt hiermee nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet.

- 55 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie mogelijk. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet tevens overwegende bezwaren van financiële aard. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de woning een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.

Op basis van bovenstaande conclusie is door de gemeente Meierijstad overleg gevoerd met de Omgevingsdienst Brabant Noord. De gemeente Meierijstad heeft hierbij te kennen gegeven dat wat hen betreft voor het plan aansluiting gezocht kan worden bij het binnenniveau van 38 dB voor saneringswoningen. Uit het onderzoek wegverkeerslawaai zoals uitgevoerd door Tritium B.V. blijkt dat de maximale gecumuleerde geluidbelasting ten hoogste 52 dB bedraagt (ter plaatse van de voorgevel). Hierdoor kan met een minimale geluidwering van 14 dB binnen in de woning reeds een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden bereikt. De bestaande voorgevel is opgebouwd uit metselwerk (buitenblad), luchtspouw van 36 mm met spouwankers en kalkzandsteen (binnenblad). Daarnaast zijn de ramen in de voorgevel reeds vervangen ter verbetering van de woning. De ramen zijn hierbij voorzien van HR++ dubbel glas. De geluidwering van een normale spouwmuur bedraagt ongeveer 50 dB. Dit is ruim voldoende om te voldoen aan een binnenniveau van 38 dB voor saneringswoningen. Gevelelementen in de buitengevel leveren al snel een geluidsisolatie van 26 dB, mits de beweegbare delen rondom aansluiten tegen een dichtingsrubber. Ook hiermee wordt voldaan aan het binnengeluidsniveau van 38 dB. Aangenomen kan dan ook worden dat in deze situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft wegverkeerslawaai.

Industrielawaai Voor wat betreft het industrielawaai op de bedrijfswoning afkomstig van de bedrijven die rondom het plangebied gelegen zijn, wordt zoals aangegeven in hoofdstuk figuur 4.6 voldaan aan de van toepassing zijnde richtafstanden.

- 56 -

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’

Gemeente Meierijstad

Hiermee kan worden aangenomen dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van het industrielawaai van omliggende bedrijven. Conclusie Voor wat betreft het aspect geluid zijn er hiermee geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=945f4365-b3b9-4a32-a97b-9793e7635906