Bijlage 1 Toelichting Olieëindsestraat 3 Schijndel ontwerp
Tekst van het document
4.11 Luchtkwaliteit De ‘Wet luchtkwaliteit’ vormt per 15 november 2007 het toetsingskader voor nieuwe plannen en projecten in relatie tot de kwaliteit van de lucht. Als onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is de AMvB ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) opgenomen. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Deze regeling is in het leven geroepen om kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen niet onnodig te frustreren of vertragen. Met behulp van de NIBM-tool is de verkeersaantrekkende werking van de beoogde ontwikkeling in kaart gebracht. Hiervoor zijn de getallen met betrekking tot de verkeersbewegingen van 1 vrijstaande woning in het buitengebied gehanteerd. Daarnaast is worst-case gerekend met 5 extra verkeersbewegingen als gevolg van de statische binnenopslag. De verkeersbewegingen ten behoeve van de bestaande (bedrijfs)woning zijn ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie. De uitkomst van de berekening van de NIBM-tool is in figuur 4.10 weergegeven. Uit figuur 4.10 volgt dat voorliggend initiatief een bijdrage van niet in betekende mate heeft op de luchtkwaliteit. Nadere toetsing van het effect van onderhavig plan op de luchtkwaliteit is dan ook niet aan de orde.
Figuur 4.10: Uitkomst berekening NIBM-tool 2020 (bron: www.infomill.nl)
- 57 -
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’
Gemeente Meierijstad
Naast het effect dat het plan heeft op de luchtkwaliteit dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit binnen het plangebied zelf. Het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt deels bepaald door de luchtkwaliteit. In de nieuwe situatie is sprake van één bestaand (huidige agrarische bedrijfswoning) en één nieuw gevoelig object. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het plangebied zijn dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden uit de GCNkaarten van het RIVM zoals opgenomen in figuur 4.11, 4.12 en 4.13.
Figuur 4.11: GCN-kaart RIVM fijnstof PM10 (bron: geodata.rivm.nl)
Figuur 4.12: GCN-kaart RIVM fijnstof PM2,5 (bron: geodata.rivm.nl)
- 58 -
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’
Gemeente Meierijstad
Figuur 4.13: GCN-kaart RIVM stikfstofdioxide NO2 (bron: geodata.rivm.nl)
De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied ligt tussen de 15 en 20 μg/m3 (PM10) en onder de 10 μg/m3 (PM2,5). De norm bedraagt 40 μg/m3 en op basis van de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant 31,2 μg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied ligt tussen de 10 en 15 μg/m3. De norm bedraagt 40 μg/m3. De conclusie is dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbare luchtkwaliteit. Conclusie Voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
4.12 Externe veiligheid Wettelijk kader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ➢ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ➢ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ➢ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
- 59 -
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’
Gemeente Meierijstad
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Binnen het invloedsgebied is een verantwoordingsplicht van het groepsrisico van toepassing. De specifieke eisen hieraan zijn vastgelegd in de besluiten Bevi, Bevb en Bevt.
Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. Beschouwing risicobronnen Met behulp van de Signaleringskaart-EV is nagegaan of er risicobronnen aanwezig zijn die van invloed zijn op het plangebied. De planlocatie ligt nabij de Boschweg te Schijndel. Deze weg is echter niet beschouwd in onderzoek naar vervoersstromen van gevaarlijke stoffen over provinciale wegen in Noord-Brabant (Arcadis, 2010). Dit wijst erop dat hierover geen significant vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De weg heeft dan ook geen PR 10-6 contour. Ook is het groepsrisico lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Volgens de Signaleringskaart-EV ligt het plangebied daarnaast binnen de 1% letaliteitsgrens van hogedruk- aardgasbuisleiding A-526. Omdat het plangebied niet binnen de 100% letaliteitsgrens van de hogedruk- aardgasbuisleiding A-526 ligt, kan er conform art. 12 Bevb worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In figuur 4.14 is een uitsnede van de Signaleringskaart-EV opgenomen.
- 60 -
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’
Gemeente Meierijstad
plangebied
Figuur 4.14: Uitsnede Signaleringskaart-EV (bron: nl.ev-signaleringskaart.nl)
Verantwoording groepsrisico Het relevante scenario i.r.t het plangebied is een fakkelbrand. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld: 1. Is het rampscenario te bestrijden? Bij HD-aardgasleidingen wordt het maatgevend scenario gevormd door een beschadiging van de transportleiding. Hierdoor komt gas vrij. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. De kans op een fakkelbrand is erg klein, bij graafwerkzaamheden neemt het risico op een fakkelbrand sterk toe. De afstand tussen de gasleiding en het plangebied bedraagt ca. 470 meter. Omdat het pand binnen de 1% letaliteit grens ligt is een beperkte kans op het ontstaan van letaal of ernstig letsel aanwezig. Het pand kan als gevolg van de hoge hittestraling ontbranden waardoor de woningen ontvlucht moeten worden De kans op een fakkelbrand is bijzonder klein als gevolg van veiligheidsmaatregelen. - 61 -
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’
Gemeente Meierijstad
Voor het scenario fakkelbrand bij de buisleiding is de bestrijdbaarheid slecht. Bij een incident met een buisleiding kan de fakkelbrand alleen worden bestreden door de toevoer dicht te draaien. Hiervoor dient contact opgenomen te worden met de leidingbeheerder en dit kost veel tijd. De brandweer kan tot de leiding is afgesloten niet handelend optreden. 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? Rond het plangebied zijn voldoende aan- en afvoerroutes beschikbaar voor de inzet van hulpdiensten. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. 1. Mogelijkheden zelfredzaamheid Via de Olieëindsestraat of de Boschweg kan vlot afstand van de fakkelbrand worden genomen. Gezien de aard en de activiteiten van de bestemming mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen in het plangebied voldoende is. 2.
Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te faciliteren Behalve de vraag of zelfredzaamheid mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredzaamheid optimaal kan plaatsvinden. Alarmering In geval van een calamiteit kan NL-alert worden ingezet. NL-Alert is een alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Hiermee kunnen mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht worden geïnformeerd. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen (vluchten of schuilen). Vluchten Bij een fakkelbrand is het vluchten van de bron af het beste handelingsperspectief. Advies Veiligheidsregio De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen.
- 62 -
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’
Gemeente Meierijstad
➢ Informeer de initiatiefnemer actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Hierdoor is men zich bewuster van het aanwezige risico en zal men eerder op de juiste manier op een dreiging reageren. Conclusie Er zijn hiermee geen belemmeringen vanuit externe veiligheid voor onderhavig initiatief.
4.13 Infrastructuur en parkeren In de huidige situatie is op het agrarisch bedrijfsperceel één bedrijfswoning aanwezig. Middels de voorgenomen splitsing van de boerderij wordt één woning toegevoegd. In de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeers-generatie’ is het aantal verkeersbewegingen voor een vrijstaande koopwoning in het buitengebied vastgesteld op 8,2 bewegingen per etmaal per woning. Daarnaast wordt bij de woning aan Olieëindsestraat 3a statische binnenopslag van goederen mogelijk gemaakt. Het betreft hier goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven. In een worst-case scenario wordt uitgegaan van 5 extra verkeersbewegingen per etmaal als gevolg van deze statische binnenopslag. Tegenover de toevoeging van de woning en de statische opslag staat de definitieve beëindiging van de agrarische bedrijfslocatie. Als gevolg van deze beëindiging komen de verkeersbewegingen met zwaar verkeer voor onder meer het laden en lossen van voer en vee op de bedrijfslocatie definitief te vervallen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de situatie verkeerskundig nauwelijks wijzigt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De beschikbare capaciteit van de omliggende infrastructuur is met de huidige intensiteiten ruim voldoende om de toekomstige minimale toename van het aantal bewegingen van licht verkeer vlot en veilig te verwerken.
Op eigen terrein is en blijft voldoende ruimte voor parkeren. In haar nota ´Parkeernormen Meierijstad 2018´ heeft de gemeente Meierijstad de parkeernormen vastgelegd voor verscheidene functies waaronder wonen. Voor het buitengebied van Schijndel geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen voor een vrijstaande woning. Voor onderhavig initiatief is hiermee sprake van een verplicht aantal van 6 parkeerplaatsen. Deze 6 parkeerplaatsen zijn in de huidige situatie reeds aanwezig. Op eigen terrein is dan ook ruim voldoende plek voor parkeren. Conclusie Het aspect infrastructuur en parkeren vormt hiermee geen belemmering voor voorliggend initiatief.
- 63 -
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’
Gemeente Meierijstad
4.14 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden tussen enerzijds gevoelige bestemmingen (zoals woningen) en anderzijds percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Uit diezelfde rechtspraak volgt dat dit een locatie specifiek onderzoek moeten zijn. Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied zijn geen gronden gelegen die in gebruik zijn als fruitboomgaard. Conclusie Het aspect spuitzones vormt hiermee dan ook geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.15 Hoogspanningslijnen Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. De laatste jaren is hier meer aandacht voor, mede omdat er statistische aanwijzingen zijn (dus geen aangetoond oorzakelijk verband) dat de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogelijk van invloed kunnen zijn op de gezondheid van kinderen. Het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen is gebaseerd op het voorzorgprincipe. De internationale norm is dat voorkomen moet worden dat burgers worden blootgesteld aan magneetvelden van meer dan 100 microTesla. Deze norm wordt in Nederland op maaiveldniveau nergens overschreden. Aanvullend hierop adviseert het Rijk, vanuit het voorzorgprincipe, om zoveel als mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen van meer dan 0,4 microTesla. In het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de magneetveldzone. Dit betekent dat, zoals hierboven reeds aangegeven is, voorkomen moet worden dat er gevoelige functies binnen een zone van een hoogspanningslijn komen te liggen. Is dit wel het geval, dan moet een zorgvuldige afweging plaatsvinden.
Het RIVM heeft een kaart ontwikkeld waarop indicatieve zones voor magneetvelden van alle bovengrondse hoogspanningslijnen zijn opgenomen. De indicatieve zones zijn de meest ruime afstanden waar rekening mee moet
- 64 -
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’
Gemeente Meierijstad
worden gehouden. Uit deze kaart blijkt dat de planlocatie op ruime afstand van de hoogspanningslijnen is gelegen, buiten de indicatieve zone. Conclusie Het aspect hoogspanningslijnen vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.
- 65 -
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’
5.
Gemeente Meierijstad
Juridische planopzet
Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch – planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van de gronden en gebouwen binnen het plangebied. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de systematiek en de inhoud van de bestemmingen van het bestemmingsplan.
5.1
Plansystematiek Het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’ is conform de eisen van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) opgesteld. Naast de wettelijke eisen uit de Wro is in dit bestemmingsplan, om de consistentie met de vigerende bestemmingsplannen te waarborgen, voor de opzet en inhoud van de regels aangesloten bij het bestemmingsplan Boskant van de gemeente Meierijstad. Tevens voldoet het plan aan de eisen van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
5.2
Opbouw van de regels In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. 1. Inleidende regels Begrippen: In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.
- 66 -
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’
Gemeente Meierijstad
2. Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde. De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: Bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. Bouwregels: In de bouwregels worden voor alle belangrijkste bouwwerken (hoofd-gebouwen), bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Nadere eisen: Een aanvullend stelsel van nadere eisen die burgemeester en wethouders kunnen stellen. Deze regeling heeft tot doel op een later tijdstip dan bij de totstandkoming van het plan te bezien of op bepaalde punten een nadere eis in het concrete geval noodzakelijk is. Conform de jurisprudentie dienen de regels al een primaire eis te bevatten. Afwijken van de bouwregels: In deze bepaling wordt een opsomming gegeven van de bouwregels waarvan het bevoegd gezag middels een omgevingsvergunning kan afwijken. Deze bevoegdheid wordt objectief begrensd en bevat duidelijke criteria. Specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik/welke activiteiten in ieder geval strijdig zijn met de bestemming.
Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Afwijken van de gebruiksregels: In deze bepaling wordt een opsomming gegeven van de gebruiksregels waarvan het bevoegd gezag middels een omgevingsvergunning kan afwijken. Deze bevoegdheid wordt objectief begrensd en bevat duidelijke criteria. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden: In een aantal enkelbestemmingen en het merendeel van de dubbel-bestemmingen is een (aanleg)vergunningregeling opgenomen voor de gronden gelegen binnen de beschermingszone van een leiding, binnen de beschermingszone van de natte natuurparel en ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden Hierin worden bepaalde werken en/of werkzaamheden
- 67 -
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’
Gemeente Meierijstad
vergunningplichtig gesteld. Bij de beoordeling van de vraag of en in welke mate bepaalde werken en/of werkzaamheden toelaatbaar worden geacht gelden enkele maatstaven. Wijzigingsbevoegdheid: In deze bepaling is burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. De wijzigingsbevoegdheid die bij de bestemming zelf is opgenomen, is uitsluitend van toepassing op die bestemming. 3. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels: In dit artikel zijn algemene regels opgenomen omtrent bebouwingsgrenzen en geluidzones. Algemene gebruiksregels: In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van functies die strijdig zijn met het bestemmingsplan. Algemene afwijkingsregels: In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels in het plan waarvan het bevoegd gezag middels een omgevingsvergunning kan afwijken. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene wijzigingsregels: In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de mogelijkheden voor het college van burgemeester en wethouders om de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen te wijzigen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Overige procedureregels: In deze artikelen zijn algemene procedureregels opgenomen voor het stellen van nadere eisen.
- 68 -
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’
Gemeente Meierijstad
4. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: In dit artikel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
5.3
Bestemmingen In voorliggend bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: Agrarisch met waarden – Kleinschalig landschap De voor 'Agrarisch met Waarden – Kleinschalig landschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische doeleinden, in het kader van bedrijfsmatige agrarische activiteiten, in de vorm van grondgebonden agrarische bodemexploitatie. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van de natuurwaarden, landschapswaarden en de waterhuishoudkundige waarden in het algemeen, groenvoorzieningen, extensief recreatief medegebruik. Binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Kleinschalig landschap’ mag uitsluitend ten dienste van deze bestemming worden gebouwd. Bouwwerken zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan tenzij anders is bepaald. Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woondoeleinden, aan-huis-verbonden beroepen en aan-huis-verbonden bedrijven. Naast deze doeleinden zijn uiteraard bijbehorende voorzieningen zoals tuinen, erven, parkeervoorzieningen etc. toegestaan. Binnen de bestemming ‘Wonen’ mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van deze bestemming worden gebouwd. Er zijn specifieke bouwregels opgenomen voor het bouwen van hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Zo geldt ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding ‘gesplitste boerderij’ dan 2 woningen zijn toegestaan en geldt ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – statische opslag’ dat het bestaande bijgebouw met een oppervlakte van 330 m2 gebruikt mag worden voor de opslag van statische goederen. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing. Daarnaast zijn bevoegdheden opgenomen tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels en de gebruiksregels. Waarde – Archeologie 2 De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden. - 69 -
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’
Gemeente Meierijstad
Binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ mogen enkel bouwactiviteiten plaatsvinden van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m 2 en dieper dan 0,30 meter onder het maaiveld, wanneer een rapport wordt overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Hierop zijn enkel uitzonderingen van kracht. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen om de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ geheel of gedeeltelijk te laten vervallen. Waarde – Archeologie 3 De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden. Binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ mogen enkel bouwactiviteiten plaatsvinden van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m 2 en dieper dan 0,30 meter onder het maaiveld, wanneer een rapport wordt overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Hierop zijn enkel uitzonderingen van kracht.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen om de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ geheel of gedeeltelijk te laten vervallen. Waarde – Archeologie 6 De voor ‘Waarde – Archeologie 6’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden. Binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie 6’ mogen enkel bouwactiviteiten plaatsvinden van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,30 meter onder het maaiveld, wanneer een rapport wordt overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Hierop zijn enkel uitzonderingen van kracht. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen om de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’ geheel of gedeeltelijk te laten vervallen. Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen De voor ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waardevolle elementen.
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor
- 70 -
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’
Gemeente Meierijstad
werken en werkzaamheden) omgevingsvergunningplichtige werken en werkzaamheden uit te voeren. Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle ensembles De voor ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle ensembles’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waarden van ensembles. Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) omgevingsvergunningplichtige werken en werkzaamheden uit te voeren. Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen De voor ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waarden van gebouwen. Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor slopen) gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-2' geheel of gedeeltelijk te slopen.
- 71 -
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’
6.
Gemeente Meierijstad
Haalbaarheid en procedure
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van voorliggend bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
6.1
Economische haalbaarheid De ontwikkeling bevindt zich op eigen terrein van initiatiefnemer en komt buiten de directe invloedssfeer van de gemeente tot stand. Alle kosten verbonden aan de realisatie van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer. Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend pan opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In onderhavig geval worden door initiatiefnemers en de gemeente Meierijstad nadere afspraken over het kostenverhaal gemaakt in een te sluiten anterieure overeenkomst, waarmee het kostenverhaal ‘anderszins verzekerd’ is.
6.2
Maatschappelijke haalbaarheid Zoals nader uitgewerkt in paragraaf 2.4 van voorliggende toelichting heeft voorafgaand aan het opstellen van onderhavig plan een omgevingsdialoog plaatsgevonden met de eigenaren van de aangrenzende percelen. De verslagen van de omgevingsdialoog zijn als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. Het ontwerpbestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’ is daarnaast conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden aan het waterschap. Tevens is vooroverleg bij de provincie aangevraagd middels het e-formulier.
6.3
Procedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan, na behandeling in het college van burgemeester en wethouders, gepubliceerd wordt en zes weken ter inzage wordt gelegd. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijze kenbaar maken bij de gemeente. Binnen twaalf weken na afloop van de termijn dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage - 72 -
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Olieëindsestraat 3’
Gemeente Meierijstad
heeft gelegen stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast. Daarbij worden de ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de vaststelling van een bestemmingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
- 73 -