CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Toelichting OBP Sloef 15 Sint-Oedenrode

Raadsvergadering 23 mei 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15'22.148 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In dit kader is voor voorliggend initiatief gekozen toch een quickscan flora en fauna uit te voeren. Bij de uitvoering van de voorgenomen restauratie moet rekening worden gehouden met het huidige voorkomen van de, op grond van de Wet natuurbescherming, beschermde soorten. Als de voorgenomen ingreep leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten, moet vrijstelling of ontheffing worden verkregen.

- 31 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

Door initiatiefnemer is opdracht verleend aan Exlan B.V. voor het uitvoeren van genoemde quickscan Flora en Fauna. Het onderzoek is als bijlage opgenomen aan voorliggende toelichting. De conclusies van de quickscan zijn hieronder samengevat opgenomen:

Conclusie Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: i. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? ii. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? iii. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden.

Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.

Bomen Op het erf zijn daarnaast twee monumentale bomen aanwezig. Het betreffen een paardenkastanje ten oosten van de boerderij en een zomereik aan de wegzijde van de Sloef. Beide bomen zijn door de gemeente Meierijstad opgenomen

- 32 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

op haar Groene Kaart. In figuur 4.5 is een uitsnede van de Groene Kaart Meierijstad weergegeven, met daarop beide bomen aangemerkt. Op het erf van de burgerwoning aan Sloef 15 is nog een hoogstam perenboom aanwezig die als waardevol is aangemerkt. Deze maakt echter geen onderdeel uit van het plangebied.

Figuur 4.5: Uitsnede Groene Kaart Meierijstad (bron: Gemeente Meierijstad).

Voorafgaand aan de restauratie van de boerderij zal een bomenbeschermingsplan worden opgesteld en aan de gemeente Meierijstad overlegd, ter bescherming van de monumentale bomen binnen het plangebied. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot het opstellen van dit bomenbeschermingsplan voor aanvang bouwwerkzaamheden. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming heeft betrekking op de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. De provincie Noord-Brabant heeft daarnaast zelf geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Er zijn geen Natura 2000-gebieden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’. Dit gebied ligt op een afstand van ruim 11 kilometer van het plangebied. De effecten die voortvloeien uit het plan (zoals onder andere verstoring door licht, geluid en optische verstoring) zorgen, gezien de afstand tot het

- 33 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, niet voor significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied is daarnaast niet gelegen in de directe nabijheid van gebieden die behoren tot het Natuur Netwerk Nederland. Het meest nabijgelegen NNN gebied betreft het haagbeuken- en essenbos (Diependaal) op ruim 300 meter ten noorden van het plangebied. Stikstofdepositie Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de gemeenteraad in de zogenaamde ‘voortoets’ te bezien of een passende beoordeling van het plan moet worden gemaakt. Dit is het geval indien het risico bestaat dat het plan – al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten – significante gevolgen heeft voor één of andere meerdere Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van significante effecten op Natura 2000-gebieden als de stikstofdepositie niet meer bedraagt dan 0,00 mol/ha/jaar. Dit kan worden aangetoond middels een AERIUS-berekening. Aanlegfase Voor wat betreft de aanlegfase is bij de ontwikkeling sprake van restauratie van de cultuurhistorisch waardevolle boerderij. Op 1 juli 2021 is de Wet en het Besluit stikstofreductie en natuur-verbetering (Stikstofwet) in werking getreden. Belangrijk onderdeel van het Besluit is de bouwvrijstelling.

Kort gezegd houdt deze vrijstelling in dat de aanlegfase van ontwikkelingen vrijgesteld is van de vergunningplicht Wet natuurbescherming en dat voor deze fase geen stikstofberekening meer nodig is. Middels haar uitspraak van 31 oktober 2022 heeft de Raad van State echter geoordeeld dat de bouwvrijstelling niet langer mag worden toegepast bij nieuwbouwprojecten. Hiermee dient voor onderhavig plan voor wat betreft de aanlegfase een stikstofberekening te worden uitgevoerd. Voor de aanlegfase kan onderscheid gemaakt worden in stikstofemissie als gevolg van een tweetal type bronnen namelijk: ➢ mobiele werktuigen op de bouwsite ➢ verkeersbewegingen van en naar de bouwsite. Mobiele werktuigen Voor het gebruik van mobiele werktuigen zijn de machines en draaiuren gehanteerd zoals opgenomen in figuur 4.6. Als uitgangspunt voor de berekening van de stikstofdepositie is gerekend met materieel dat kan voldoen aan STAGEklasse III B (materieel met een bouwjaar van 2011 of jonger), zoals bedoeld in het TNO-rapport 'EMMA' (kenmerk TNO-034-UT-2009-01782_RPT-ML). Voor de verkeersaantrekkende werking van de aanlegfase wordt rekening gehouden met het transport (aan- en afvoer) van materialen en personen (bouwvakkers). De restauratie van de boerderij zal ongeveer 6 maanden in beslag nemen. - 34 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

Omdat de precieze uitvoer van de plannen nog niet bekend is, wordt gerekend met zogenaamde ‘worst-case’ aannames. Type werktuig Mobiele kraan Minigraver Verreiker Betonpomp

Klasse Stage IV, 56-75 kW, bouwjaar 2014/01 Cat. R Stage IV, 56-75 kW, bouwjaar 2014/01 Cat. R Stage III B, 75-560 kW, bouwjaar 2012/01 Cat. M Stage III B, 75-560 kW, bouwjaar 2011/01 Cat. L

Verbruik/dag (L) 160

n-dagen 2

Totale verbruik (L) 320

80

10

800

100

3

300

200

1

200

Totaal

1.620

Figuur 4.6: Stikstofemissie materieel aanlegfase.

Verkeersbewegingen Het verkeer rijdt over Sloef, de lengte van de rijlijn bedraagt 145 meter. Wanneer het verkeer op de Hoogstraat komt, is het uitgangspunt dat het verkeer van en naar het plan opgenomen is in het heersende verkeersbeeld. Voor wat betreft de verkeersaantrekkende werking geldt: ▪

Transport personeel: 4 ritten met licht verkeer per dag, gedurende 6 maanden, betreft 520 verkeersbewegingen (zowel aankomst als vertrek).

▪

Aanvoer materiaal: 2 ritten met middelzwaar verkeer per week, gedurende 6 maanden, betreft 104 verkeersbewegingen (zowel levering materiaal als ‘leeg’ terug).

▪

Afvoer materiaal: 10 ritten met zwaar verkeer voor afvoer bouwafval gedurende de bouwfase, betreft 20 ritten (zowel aan- als afvoer containers).

Berekening Op basis van de gegevens uit figuur 4.6 m.b.t. de inzet van materieel en de verkeersbewegingen is middels het programma AERIUS Calculator 2022.2 de berekening uitgevoerd voor de mogelijke toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanlegfase. De gehanteerde ‘grenswaarde’ bedraagt 0,00 mol/ha/j. Een hogere waarde wordt beschouwd als een overschrijding. De berekening en bijbehorende uitkomsten zijn toegevoegd als bijlage aan voorliggende onderbouwing. Uit de berekeningen van de aanlegfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat door de aanlegfase de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er is geen sprake van een significante verslechtering van Natura 2000-gebieden door de aanlegfase van het plan.

- 35 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

Gebruiksfase Voor wat betreft de gebruiksfase dient wel een stikstofberekening te worden uitgevoerd. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) afkomstig van het plangebied vinden in de gebruiksfase plaats door een tweetal type bronnen namelijk: ➢ verkeersbewegingen van en naar het plangebied; ➢ de stookinstallaties binnen het plangebied. Ten behoeve van het in beeld brengen van de stikstofdepositie voor de gebruiksfase dient uitgegaan te worden van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. In voorliggend bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen om de bestemming Wonen naar een andere bestemming zoals Bedrijf te wijzigen, zonder hiervoor een separate procedure te doorlopen. Verkeersbewegingen Binnen het plangebied wordt één (vrijstaande) woning toegevoegd binnen de reeds bestaande boerderij. Hiermee vindt een toename van 8,2 verkeersbewegingen per etmaal plaats, conform de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Stookinstallaties Binnen het plangebied wordt één woning toegevoegd binnen de bestaande cultuurhistorisch waardevolle boerderij. Hoewel de woning zeer waarschijnlijk gasloos wordt verwarmd, wordt voor het berekenen van de toename van stikstofdepositie worst-case uitgegaan van verwarming middels een aardgasketel.

De norm voor de emissie NOx ten gevolge van Wonen bedraagt 3,0 kg per jaar per woning. In onderhavig geval wordt, vanwege het feit dat het hier gaat om een vrijstaande woning, worst-case uitgegaan dat jaarlijks 4,0 NOx vrijkomt. Berekening Op basis van bovenstaande gegevens is middels het programma AERIUS Calculator 2022.2 de berekening uitgevoerd voor de mogelijke toename van de stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase. De gehanteerde ‘grenswaarde’ bedraagt 0,00 mol/ha/j. Een hogere waarde wordt beschouwd als een overschrijding. De berekening en bijbehorende uitkomsten zijn toegevoegd als bijlage aan voorliggende toelichting. Uit de berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat door de gebruiksfase de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er is geen sprake van een significante verslechtering van Natura 2000-gebieden door de gebruiksfase van het plan. - 36 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.4

Water Waterbeheer is een essentieel onderdeel bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het Waterschap een aantal beleidsmatige uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met de ruimtelijk relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het Waterschap de Dommel, de Keur Waterschap De Dommel 2015, het Provinciaal Waterhuishoudingsplan van de provincie NoordBrabant, de Vierde Nota Waterhuishouding, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Kern van deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen.

De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlakte- 37 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

watersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken.

Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat - 38 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergenafvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Programma Water en Riolering Meierijstad 2022-2026 De gemeente Meierijstad heeft per september 2017 het Programma Water en Riolering Meierijstad 2022-2026 vastgesteld. In het plan streeft de gemeente ernaar dat nieuwbouwplannen hydrologish neutraal worden uitgevoerd. Als voorkeursvolgorde hanteert de gemeente: infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering. De gemeente Meierijstad acht hierbij ook voor ontwikkelingen onder de 500 m2 compenserende maatregelen benodigd. Hiervoor wordt de bergende eis van 60 millimeter gehanteerd.

Figuur 4.7: Uitgangspunten hemelwater bij nieuwbouw (bron: PWR Meierijstad 2022-2026).

Bij voorliggend initiatief worden één woning toegevoegd binnen de reeds bestaande cultuurhistorisch waardevolle boerderij aan Sloef 15. Middels het plan wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Het bebouwd oppervlak neemt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling dan ook niet toe. Op basis van gemeentelijk beleid, artikel 3.5 Waterwet en Keur dienen echter ten behoeve van de nieuwe woonfunctie in het bestaande pand, waterbergingsvoorzieningen te worden gerealiseerd binnen het plangebied. Kenmerken huidige watersysteem Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Sint-Oedenrode. Voor de kenmerken van het plangebied is gebruik gemaakt van de bodematlas van de provincie Noord-Brabant en de Legger van Waterschap De Dommel. Bodem en grondwater De bodem in het plangebied bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden van lemig fijn zand. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op een diepte van 40-60 tot 60-80 centimeter beneden maaiveld. De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) ligt op een diepte van 200-250 centimeter beneden maaiveld. Dergelijke grondwaterstanden komen overeen met Grondwatertrap (GT) VI. Oppervlaktewater In figuur 4.8 Is een uitsnede van uitsnede van de kaart van de Legger Waterstaatswerken 2021 van Waterschap De Dommel opgenomen. In de directe - 39 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

omgeving van het plangebied is aan de overzijde van de weg Sloef een A-watergang gelegen. Deze watergang heeft een beschermingszone van 2 meter voor regulier onderhoud en 5 meter voor buitengewoon onderhoud (zowel links als rechts). Deze beschermingszones lopen niet over het plangebied. Daarnaast is zowel aan de voorzijde van het plangebied als aan de oostelijke perceelsgrens een droge greppel gelegen, die niet zijn aangemerkt als A- of B-watergangen.

Boerderij

Figuur 4.8: Uitsnede kaart Legger Waterstaatswerken 2021 (bron: Waterschap De Dommel).

Riolering In het buitengebied van Sint-Oedenrode is voor het grootste gedeelte riolering aanwezig. Vuilwater wordt afgevoerd via deze riolering. De riolering heeft een beperkte capaciteit en is daarom niet geschikt voor de afvoer van hemelwater. Afvloeiend hemelwater dient derhalve niet afgevoerd te worden via de riolering waardoor vuilwater en hemelwater van elkaar gescheiden zijn. Benodigde compensatie De te restaureren boerderij heeft oppervlakte van ca. 240 m2. Daarnaast is in de toekomstige situatie binnen het plangebied sprake van ca. 250 m2 aan erfverharding. Tot slot biedt het bestemmingsplan de mogelijkheid om binnen het plangebied een bijgebouw met een maximale oppervlakte van 150 m2 op te richten. Het totale verhard oppervlak binnen het plangebied bedraagt hiermee 640 m2. Op basis hiervan dient bij onderhavige ontwikkeling een infiltratievoorziening te worden gerealiseerd van: 640*0,06 = 38,4 m3.

- 40 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

Nadere uitwerking wateropgave Het hemelwater wordt in nieuwe situatie gescheiden van het afvalwater. Voor het plan zal ten behoeve van de afvoer van het hemelwater gebruik worden gemaakt van de greppel die aan de oostzijde van het perceel is gelegen. Deze greppel is in de huidige situatie niet in gebruik en heeft een lengte van circa 65 meter.

Boerderij

Figuur 4.9: Dimensionering greppel Sloef 15.

Daar de GHG 40 – 60 cm bedraagt, kan enkel de bovenste 40 cm onder het huidige maaiveld worden gebruikt voor de berging van hemelwater. De greppel kent in haar huidige vorm een breedte van 3,00 meter en een talud met een helling van 1:1. Dit talud zorgt ervoor dat op een diepte van 40 cm de greppel nog een breedte van 2,20 meter heeft. De bergingscapaciteit van de greppel bedraagt hiermee: 65 * (3+2,2)/2)) * 0,4 = 67,6 m3. Hiermee kan voorzien worden in de benodigde compensatie van 38,4 m3. In figuur 4.9 is de locatie en de dimensionering van de greppel nader weergegeven. Het afvalwater wordt afgevoerd op de aanwezige gemeentelijke riolering. Er is ter plaatse van de Sloef sprake van een vrijvervalriolering. Met de toevoeging van de woning binnen de bestaande bebouwing is per saldo één nieuwe aansluiting benodigd. De ontwikkeling is kleinschalig van aard. De capaciteit van het huidige rioleringsstelsel zal deze lichte toename aan waterafvoer kunnen verwerken en behoeft dus geen aanpassing. De kosten voor aansluiting op het rioleringsstelsel zijn uiteraard voor rekening van initiatiefnemer.

- 41 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

In het kader van het wettelijk vooroverleg is door de gemeente Meierijstad verzocht aan Waterschap De Dommel om haar advies uit te brengen met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling. Middels haar schrijven d.d. 11 augustus 2023 heeft Waterschap De Dommel aangegeven in te stemmen met voorliggend ontwerp-bestemmingsplan in het kader van de watertoetsprocedure. Conclusie Het aspect water vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.5

Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Daarbij wordt gekeken naar een eventuele saneringsnoodzaak in geval sprake is van een bodemverontreiniging en of er geen belemmeringen zijn voor het grondverzet binnen het plangebied. Inzicht in de bodemkwaliteit vooraf is noodzakelijk om na te kunnen gaan of de bodemkwaliteit de (financiële) haalbaarheid van de plannen wel of niet in de weg staat. Aan Milieupartner B.V. is opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een verkennend bodem- en asbestonderzoek ter plaatse van de planlocatie. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. De conclusie van het onderzoek is hieronder samengevat opgenomen en luidt als volgt:

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen Aan Milieupartner BV is opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodem- en asbestonderzoek op het perceel Sleuf 15 te Sint-Oedenrode, kadastraal bekend onder gemeente Sint-Oedenrode, sectie N, nummer 141. Het verkennend bodem- en asbestonderzoek wordt uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen perceelsplitsing. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het doel van het verkennend asbestonderzoek is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is de onderzoekslocatie is onverdacht met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging (ONV).

- 42 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd in verband met de aangetroffen bodemvreemde bijmengingen in de bovengrond van de onderzoekslocatie. Op basis van de aangetroffen bijmengingen is hiervoor de hypothese verdachte locatie, heterogeen verdeeld (VED-HE) gehanteerd. Resultaten verkennend bodemonderzoek Uit de boorprofielbeschrijvingen blijkt dat de bodem (tot circa 1,5 m-mv) is opgebouwd uit zwak siltig, matig fijn zand. Hieronder is zwak zandig leem aanwezig. Vanaf een diepte van circa 4,5 m-mv is zwak siltig, zeer fijn zand aanwezig. De bovengrond is over het algemeen zwak humeus. Tijdens de veldwerkzaamheden is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen op het maaiveld en in de opgeboorde grond. Plaatselijk is de bovengrond (zeer) zwak baksteen- en/of puinhoudend. De zwak puinhoudende bovengrond (MM1 bg), de resten baksteenhoudende bovengrond (MM2 bg) en de zintuiglijk als schoon beoordeelde ondergrond (MM3 og) is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Het grondwater ter plaatse (Pb01) is eveneens niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. De gestelde hypothese “onverdachte locatie” is op basis van onderhavige resultaten bevestigd. Verkennend asbestonderzoek Uit bovenstaande resultaten blijkt dat zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen.

Analytisch is in de fijne fracties van beide grondmengmonsters (MMAB1 en MMAB2) geen asbest aangetoond. Ter plaatse van de onderzoekslocatie blijft het gewogen asbestgehalte in de bodem onder de norm voor nader onderzoek (50 mg/kg.ds). Hiermee is de opgestelde hypothese ‘verdachte locatie’ niet bevestigd. Conclusies en aanbevelingen Met het verkennend bodem- en asbestonderzoek is de huidige bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie voldoende vastgelegd. Op basis van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem bestaan, ons inziens, geen belemmeringen voor de voorgenomen perceelsplitsing en verbouwingswerkzaamheden. De uitvoering van nader of aanvullend onderzoek is derhalve, ons inziens, niet zinvol. Bij eventuele grondafvoer dient rekening te worden gehouden met de regels van de Regeling en het Besluit Bodemkwaliteit.

- 43 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

Een bodemonderzoek is een momentopname en een indicatie van de kwaliteit van grond en grondwater. Bij werkzaamheden in de bodem dient rekening te worden gehouden met de veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 400 ‘werken met verontreinigde grond en grondwater’.

Conclusie Het aspect bodem vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.6

Kabels en leidingen In en in de directe omgeving van het plangebied zijn volgens de provinciale risicokaart en het bestemmingsplan geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Initiatiefnemer van onderliggend plan is verplicht zorg te dragen dat de door de nutsbedrijven aan te brengen gebruikelijke voorzieningen waarop de te realiseren woning dienen te worden aangesloten (water, elektra, data e.d.) worden getroffen. De initiatiefnemer zal aan de nutsbedrijven de hiertoe benodigde opdrachten verstrekken. De kleinere leidingen worden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden middels een KLIC-melding in kaart gebracht. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.7

Bedrijven en milieuzonering Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te maken wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient er voor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende fysieke afstand tussen bedrijven en gevoelige objecten (zoals woningen), geen overlast, hinder of schade ontstaat. Afhankelijk van het bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. Wettelijk kader De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen. - 44 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

Omgevingstype In een intensief gebruikt gebied met veel functies en ‘bedrijvigheid’ wordt vaak minder hinder ervaren van een milieubelastende activiteit dan in een rustige woonwijk. De VNG-handreiking hanteert daarom twee omgevingstypen, te weten ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Hoewel rondom de de planlocatie aan de Sloef (alsmede de Hoogstraat) diverse bedrijfsmatige functies gelegen zijn (zoals ook nader weergegeven in figuur 4.10), wordt voor de toetsing uitgegaan van een worst-case scenario waarbij het plangebied en haar omgeving worden aangemerkt als omgevingstype ‘rustig buitengebied’. Milieuzonering In figuur 4.10 zijn de hindercontouren van de bedrijfsmatige functies binnen een straal van 200 meter rondom het plangebied aangegeven. De hindercontouren komen voort uit de van toepassing zijnde richtafstanden uit de VNG handreiking. Betreffende richtafstanden zijn gemeten vanaf de grens van het perceel waarop de bestemming ‘Bedrijf’ (of andere milieubelastende functie) rust tot aan de meest dichtbij gelegen gevel van de als woning in gebruik te nemen boerderij aan Sloef 15. Overschrijdingen van de richtafstanden zijn vetgedrukt. Bedrijf

richtafstand in meters

afstand

id

Adres

bestemming – functie

geur

stof

geluid

gevaar

feitelijk

1.

Sloef 19

Agrarisch - iv varkens

200

30

50

0

14 m.

2.

Sloef 12-12a

Agrarisch - rundvee

100

30

30

0

28 m.

3.

Sloef 11

Agrarisch - rundvee

100

30

30

0

60 m.

4.

Sloef 6

Agrarisch - rundvee

100

30

30

0

120 m.

5.

Hoogstraat 44

Agrarisch - iv vleeskuikens

200

30

50

0

105 m.

Figuur 4.10: Overzicht en toetsing richtafstanden (Handreiking VNG, 2009).

Uit figuur 4.10 volgt dat voor de veehouderijen aan Sloef 19, Sloef 12-12a, Sloef 11 en Hoogstraat 44 voor het aspect ‘geur’ niet wordt voldaan aan de genoemde richtafstanden tot de meest dichtbij gelegen gevel van de als woning in gebruik te nemen boerderij aan Sloef 15. Daarnaast wordt voor de veehouderijen aan Sloef 19 en Sloef 12-12a eveneens niet voldaan aan de genoemde richtafstand voor de aspecten ‘geluid’ en ‘stof’. Voor wat betreft het aspect ‘stof’ geldt dat in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling verschillende regels staan om stofhinder te voorkomen al direct buiten de inrichting, dus los van de ligging ten opzichte van de woonomgeving. Die regels hebben betrekking op zowel puntbronemissies als emissies door de op- en overslag van goederen in de buitenlucht. Voor die laatste geldt bijvoorbeeld dat wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is; verontreiniging van de omgeving wordt zoveel mogelijk beperkt (artikel 3.32 lid 1 onder a Activiteitenbesluit). Gezien de afstand van de als woning in gebruik te

- 45 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

nemen boerderij aan Sloef 15 tot de bestemmingsgrenzen van de bedrijfspercelen aan Sloef 19 en Sloef 12-12a in combinatie met de voor deze bedrijven geldende regels in het Activiteitenbesluit, vormt het aspect ‘stof’ geen belemmering voor onderhavig initiatief. Conclusie De onderdelen ‘geur’ en ‘geluid’ dienen nader te worden onderzocht. Dit vindt plaats in navolgende hoofdstukken 4.8 en 4.10 van voorliggende toelichting. Uit deze toetsing blijkt dat voor wat betreft beide aspecten sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de als woning in gebruik te nemen boerderij aan Sloef 15 én dat eveneens omliggende bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.8

Geur Per 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door veehouderijbedrijven. Voor een goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst of: ➢ Bestaande bedrijven door het plan niet worden belemmerd in huidige of toekomstige bedrijfsvoering; ➢ Er binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het eerste punt wordt de zogenaamde toets op de ‘omgekeerde werking’ toegepast. Daarbij wordt uitgegaan van de geurnormen en de richtafstanden uit de Wet geurhinder (Wgv) of de gemeentelijke verordening. Voor het tweede punt moet worden getoetst of de achtergrondbelasting voldoet aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant of de gemeentelijke beleidsregel. Individuele geurhinder De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Voor diercategorieën waarvan de geuremissiefactor per dier is vastgesteld, zoals varkens, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Deze bedraagt maximaal: ➢ 3,0 ouₑ/m³ binnen de bebouwde kom ➢ 14,0 ouₑ/m³ buiten de bebouwde kom Voor dieren zonder geuremissiefactor, zoals melkkoeien en paarden, gelden minimaal de volgende aan te houden afstanden: ➢ ten minste 100 meter binnen de bebouwde kom ➢ ten minste 50 meter buiten de bebouwde kom

- 46 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

Zoals blijkt uit de toetsing aan de richtafstanden in hoofdstuk 4.7 van voorliggende toelichting, wordt voor de agrarische bedrijven aan Sloef 19, Sloef 1212a, Sloef 11 en Hoogstraat 44 niet voldaan aan de van toepassing zijnde richtafstanden tot de als woning in gebruik te nemen cultuurhistorisch waardevolle boerderij. Dit leidt ertoe dat voor deze agrarische bedrijven het aspect ‘geur’ in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling nader onderzocht dient te worden. Bij voorliggend initiatief wordt aan de cultuurhistorisch waardevolle boerderij aan Sloef 15 opnieuw een zelfstandige woonfunctie toegekend. Voor deze woning geldt een individuele geurnorm van 14,0 ouₑ/m³ als gevolg van de geur afkomstig van de varkenshouderij aan Sloef 19 en de pluimveehouderij aan Hoogstraat 44 (dieren met emissiefactor). Voor de rund- en melkveehouderijen aan Sloef 12-2a en Sloef 11 geldt een vaste afstand van 50 meter (dieren zonder emissiefactor) tot de als woning in gebruik te nemen cultuurhistorisch waardevolle woonboerderij. Sloef 19 Het agrarisch bedrijf aan Sloef 19 betreft een varkenshouderij.

Om te bepalen of de vestiging van een zelfstandige woning in de cultuurhistorisch waardevolle boerderij aan Sloef 15 een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van het bedrijf aan Sloef 19, dient de voorgrondbelasting ter plaatse van de cultuurhistorisch waardevolle boerderij inzichtelijk te worden gemaakt. Als onderdeel van de meest recent verleende omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) d.d. 20 juli 2021 voor het varkensbedrijf aan Sloef 19, is door het bedrijf de voorgrondbelasting die zij veroorzaakt op omliggende objecten in beeld gebracht. Deze berekening middels het programma V-stacks Vergunning maakt als bijlage 5 onderdeel uit van de OBM. Onderstaand is in figuur 4.11 een uitsnede van deze bijlage 5 opgenomen. Daarnaast is in figuur 4.12 een overzichtskaart opgenomen, waarop de emissiepunten van het bedrijf alsmede de geurgevoelige objecten inzichtelijk zijn gemaakt o.b.v. genoemde geurberekening. Uit de uitgevoerde berekening naar de voorgrondbelasting blijkt dat de voorgrondbelasting ter plaatse van de als woning in gebruik te nemen cultuurhistorisch waardevolle boerderij 9,2 ouₑ/m³ bedraagt en daarmee voldoet aan de van toepassing zijnde geurnorm van 14,0 ouₑ/m³. Het meest dichtbij gelegen dierenverblijf van de inrichting aan Sloef 19 is daarnaast gelegen op 56 meter van de cultuurhistorisch waardevolle boerderij.

Hiermee wordt eveneens voldaan aan de vastgestelde afstandseis van 25 meter zoals opgenomen in artikel 5, lid 1 van de Wgv. Hiermee belemmert de cultuurhistorisch waardevolle boerderij aan Sloef 15, wanneer zij wordt omgevormd tot een geurgevoelig object, het bedrijf aan Sloef 19 niet.

- 47 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

Figuur 4.11: Voorgrondbelasting Sloef 19 (bron: OBM Sloef 19 Sint-Oedenrode d.d. 20-7-´21).

Figuur 4.12: Overzicht emissiepunten Sloef 19 en omliggende gevoelige objecten. - 48 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

Sloef 12-12a en Sloef 11 Aan Sloef 12-12a en Sloef 11 zijn een tweetal rundveehouderijen gevestigd. Voor beide bedrijven geldt een vaste afstand van 50 meter (dieren zonder emissiefactor) tot burgerwoningen. Deze afstand wordt in het kader van de omgekeerde werking gemeten vanaf de rand van het bouwvlak van beide bedrijven tot de meest dichtbij gelegen gevel van de als woning in gebruik te nemen boerderij aan Sloef 15. De afstand van de rand van het bouwvlak van het bedrijf aan Sloef 12-12a tot de meest dichtbij gelegen gevel van de als woning in gebruik te nemen boerderij bedraagt 59 meter. De afstand van de rand van het bouwvlak van het bedrijf aan Sloef 11 tot de meest dichtbij gelegen gevel van de als woning in gebruik te nemen boerderij aan Sloef 15 bedraagt 69 meter. Hiermee wordt voor beide bedrijven aan de vaste afstand van 50 meter voldaan. In figuur 4.13 zijn de deze afstanden nader weergegeven. Hiermee worden beide bedrijven niet beperkt in gebruiks- dan wel ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van voorliggend initiatief. Hierbij geldt voor het bedrijf aan Sloef 11 ook aanvullend nog dat de reeds bestaande (herbouwde) burgerwoning aan Sloef 15 het eerst belemmerende object voor de uitbreidingsruimte van dit bedrijf in oostelijke richting betreft.

Figuur 4.13: Afstand rand bouwvlak Sloef 12-12a (links) en Sloef 11 (rechts) tot woonboerderij.

Gecumuleerde geurhinder Om aan te tonen dat er binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de gecumuleerde geurbelasting van alle omliggende veehouderijen, wordt getoetst of de achtergrondbelasting voldoet aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant of gemeentelijke beleidsregel. Voor de achtergrondbelasting zijn in de Interim omgevingsverordening normen opgenomen. De gemeente Meierijstad heeft geen eigen waarden in haar beleid opgenomen, waardoor de volgende toetswaarden worden aangehouden: ▪ 10 ouₑ/m³ voor objecten in de bebouwde kom; ▪ 20 ouₑ/m³ voor objecten in het buitengebied. - 49 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

Door middel van het programma V-Stacks Gebied versie 2020.1 is de achtergrondbelasting geur ter plaatse van de cultuurhistorisch waardevolle boerderij aan Sloef 15 in beeld gebracht. Hierbij is getoetst op de 4 hoekpunten van de gevels van de als zelfstandige woning in gebruik te nemen cultuurhistorisch waardevolle boerderij. Op alle hoekpunten overschrijdt de achtergrondbelasting de norm van 20 ouₑ/m³ niet. Er is hiermee geen sprake van een overbelaste situatie. Voor de berekening is gebruik gemaakt van de gegevens van de Kernregistratie dierenverblijven (KRD) van alle veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer van het plangebied. Een overzicht van het voor de berekening gebruikte bronnenbestand, de gebruikte paramaters en de uitkomsten zijn toegevoegd als bijlage aan voorliggende toelichting. De uitkomsten van de berekening zijn tevens weergegeven in figuur 4.14.

VStacks receptorbestand Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID 1100 1101 1102 1103

X-coor 159909 159918 159928 159919

Y-coor 395500 395520 395516 395496

Geurnorm 20.00 20.00 20.00 20.00

Geurbelasting [OU/m3] 18.69 19.25 19.48 19.48

Figuur 4.14: Achtergrondbelasting ter plaatse van woonboerderij Sloef 15.

Om het woon- en leefklimaat te beoordelen hanteert het RIVM voor de achtergrondbelasting geur de milieukwaliteitscriteria zoals opgenomen in figuur 4.15. De achtergrondbelasting ter plaatse van de boerderij valt hiermee in de categorie 14 t/m 20 ouₑ/m³. Het woon- en leefklimaat ten gevolge van de achtergrondbelasting kan dan ook als matig worden beoordeeld. Achtergrondbelasting (ou /m³ ) E

Mogelijke kans op geurhinder (%)

Beoordeling leefklimaat

1-3

<5

zeer goed

4-8

5-10

goed

9-13

10-15

redelijk goed

14-20

15-30

matig

21-28

20-25

tamelijk slecht

29-38

25-30

slecht

39-50

30-35

zeer slecht

51-65

35-40

extreem slecht

Figuur 4.15: Classificatie achtergrondbelasting (RIVM).

Conclusie Er zijn hiermee voor wat betreft het aspect geur geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. - 50 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

4.9

Gemeente Meierijstad

Gezondheid in relatie tot veehouderijen Door middel van toetsing aan het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) kan beoordeeld worden of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Het stappenplan 2.0 wordt hieronder weergegeven, waarbij per stap een nadere toetsing plaatsvindt. 1. Voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de blootstelling aan endotoxine heeft de Gezondheidsraad een advieswaarde van 30 EU/m3 vastgesteld. De advieswaarde van de Gezondheidsraad voor endotoxine is een instrument ter bescherming van de gezondheid van omwonenden van veehouderijen. Binnen een straal van 1 kilometer rondom de planlocatie bevinden zich meerdere varkens- en pluimveehouderijen. De PM10 (endotoxine) emissie van deze bedrijven zijn weergegeven in figuur 4.16.

Op basis van de vergunde fijnstofemissie kan door middel van onderstaande formules worden berekend binnen welke afstand naar verwachting de advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden.

Voor de varkens- en pluimveebedrijven in de omgeving van het plangebied gelden de richtafstanden en feitelijke afstanden zoals opgenomen in figuur 4.16. De afstanden gelden vanaf het emissiepunt afkomstig uit de Kernregistratie Dierenverblijven (KRD) tot de meest dichtbij gelegen gevel van de als zelfstandige woning in gebruik te nemen boerderij. Zoals blijkt uit figuur 4.16 wordt enkel voor het pluimveebedrijf aan Hoogstraat 44 niet voldaan aan de richtafstand voor endotoxine tot de als zelfstandige woning in gebruik te nemen boerderij.

- 51 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

Richtafstand

Feitelijke

endotoxine

afstand

Id

Adres

Type bedrijf

1.

Sloef 19

Opfokbiggen: 128 kg. PM10/jaar

60 m.

80 m..

2.

Hoogstraat 44

Vleeskuikens: 1.320 kg. PM10/jaar

222 m.

195 m.

3.

Hoogstraat 41

Vleesvarkens: 303 kg. PM10/jaar

112 m.

290 m.

4.

Hoogstraat 20

Vleesvarkens: 130 kg. PM10/jaar

61 m.

890 m.

5.

Houtsestraat 8

Dekberen: 21 kg. PM10/jaar

0 m.

670 m.

6.

Houtsestraat 17

Vleesvarkens: 91 kg. PM10/jaar

39 m.

950 m.

7.

Houtsetraat 18a

Vleesvarkens: 196 kg. PM10/jaar

85 m.

760 m.

8.

Sonse Heideweg 7

Vleesvarkens: 18 kg. PM10/jaar

0 m.

770 m.

9.

Sonse Heideweg 9

Leghennen: 3.224 kg. PM10/jaar

180 m.

850 m.

Figuur 4.16: Richtafstanden Endotoxine.

2. Toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak; De voorgenomen ontwikkeling betreft de toevoeging van een zelfstandige woning in de bestaande cultuurhistorisch waardevolle boerderij binnen het plangebied. Hierbij vindt geen toename in emissies van geur, fijnstof en/of ammoniak plaats. 3. Geurbelasting; toetsen aan een aanvaardbaar woon-/leefklimaat; a. Wettelijke uitgangspunten In hoofdstuk 4.8 van voorliggende toelichting heeft een toetsing van de voorgenomen ontwikkeling aan de Wgv plaatsgevonden. Op de planlocatie is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geur. b. Gezondheidskundige uitgangspunten Naast een toets op sec de wettelijke aspecten kan ook gekeken worden naar een gezondheidskundige beoordeling ten aanzien van het aspect geur. De GGD hanteert het standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015) op dit moment het best beschikbare beeld geeft voor deze gezondheidskundige beoordeling. Bij de beoordeling van de geurbelasting hanteert de GGD het uitgangspunt dat maximaal 12% (woonkern) en 20% (buitengebied) geurgehinderd mag zijn. Dit betekent dat de gezondheidskundige advieswaarden voor het buitengebied door de GGD landelijk wordt gesteld op respectievelijk 5,0 OU/m3 voor de voorgrond en 10,0 OU/m3 voor de achtergrond.

Uit hoofdstuk 4.8 volgt dat de achtergrondgeurbelasting ter plaatse van het plangebied 18 tot 19 OU/m3 bedraagt. Hiermee wordt de gezondheidskundige advieswaarde van 10,0 OU/m3 voor de achtergrond niet gehaald.

- 52 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

4. Bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij; Niet van toepassing. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot nieuwe situaties van het gemengd houden van varkens en pluimvee. 5. Geitenhouderij: binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming; of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming; of overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter liggen woon- of verblijfsruimten van derden; a. Geitenhouderijen Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. De provincie heeft een verbod van uitbreiding van geitenhouderijen ingevoerd. In het kader van de omgekeerde werking (gevoelige functies rond geitenhouderijen) wordt bekeken of er zich binnen 2 kilometer van het plan bedrijven met geiten bevinden. Binnen een straal van 2 kilometer van de planlocatie bevinden zich geen geitenhouderijen waar meer dan 50 geiten gehouden worden. Er is dan ook geen sprake van een onaanvaardbaar volksgezondheidsrisico ter plaatse van de planlocatie. b. Pluimveehouderijen Ook voor pluimveehouderijen is een dergelijke afstand te benoemen.

Uit het VGO-2 rapport (2017) blijkt namelijk dat er binnen een straal van 1 kilometer rondom één pluimveehouderij omwonenden een verhoogd risico op longontsteking hebben. Echter moet worden benadrukt dat het hier om een hypothese gaat, en dat causaliteit nog niet door onderzoekers is vastgesteld. Met deze onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden bij de ontwikkeling en uitbreiding van pluimvee-houderijen of de bouw van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van pluimveehouderijen. Binnen een straal van 1 kilometer rondom de planlocatie bevindt zich op respectievelijk 195 meter en 850 meter twee pluimveehouderijen aan Hoogstraat 44 en Sonse Heideweg 9. Dit heeft echter geen consequenties, daar de GGD het volgende heeft aangegeven: “Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO), onderzoeksprogramma VGOIII (looptijd 2017-2024) bleek dat in de jaren 2009-2013 sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) - 53 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

werd dat verband niet meer gevonden. Elke drie jaar worden in het kader van het onderzoeksprogramma VGO-III de onderzoeksresultaten geactualiseerd. Voor de periode 2017 – 2019 geldt dat bovenstaand verband opnieuw werd gevonden voor een afstand van 500 meter. Tot het moment dat de herziene versie van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid wordt uitgegeven op basis van de meest recente onderzoeksresultaten, heeft de ODBN in overleg met de GGD besloten om een advies van de GGD te blijven vragen binnen een afstand van 500 meter van een pluimveehouderij.” c. Overige veehouderijen Ook voor overige veehouderijen is een dergelijke afstand te benoemen, namelijk 250 meter ten opzichte van gevoelige functies. Er bevinden zich binnen 250 meter van het plangebied een drietal overige veehouderijen. Het melkrundveebedrijf aan Sloef 12-12a is op een afstand van 59 meter van de woonboerderij gelegen. Daarnaast is het rundveebedrijf aan Sloef 11 op 69 meter afstand van de woonboerderij gelegen. Tot slot is het melkveebedrijf aan Sloef 4 op 120 meter afstand van de woonboerderij gelegen. 6. De aanwezigheid van mestbewerking en mestverwerking; Niet van toepassing. 7. De ongerustheid bij omwonenden; Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid als gevolg van de toevoeging de woning in de bestaande cultuurhistorisch waardevolle boerderij binnen het plangebied.

Uit toetsing op afstanden blijkt dat voor één pluimveebedrijf niet voldaan wordt aan de endotoxine richtafstand (stap 1). De planlocatie is niet gelegen binnen de straal van 2 km van geitenhouderijen (stap 5a). De locatie is wel gelegen binnen een afstand van 1 km van een tweetal pluimveebedrijven (stap 5b). Daarnaast zijn binnen 250 meter van het plangebied een drietal overige veehouderijen gelegen (stap 5c). Voor stap 5b kan, zoals in de toelichting beschreven, gebruik worden gemaakt van het oordeel van het ondersteuningsteam dat geen advies meer wordt gegeven om een GGD advies op te vragen op grond van het criterium “wonen binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij”. Uit de toetsing blijkt dat stap 1, stap 3b, stap 5b en stap 5c tot de conclusie leiden dat advies dient te worden opgevraagd bij de GGD. Of in onderhavig geval een advies van de GGD noodzakelijk wordt geacht betreft een afweging van de gemeente Meierijstad.

- 54 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

Afwegingskader geitenhouderijen Meierijstad Het college van B&W van Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. De ontwikkeling moet getoetst worden aan dit afwegingskader. Concreet betekent dit dat in de gemeente Meierijstad voorlopig als volgt gehandeld wordt: ▪

Een uitbreiding van het aantal geiten in bestaande stallen of gebouwen wordt niet toegestaan, tenzij er geen gezondheidskundige bezwaren daarvoor zijn. Bij voorliggende ontwikkeling is geen sprake van de uitbreiding van het aantal geiten.

▪

Binnen een straal van 2 kilometer rondom geitenhouderijen doet zich, vooralsnog, een extra risico voor. Daarom hanteert het college daar een extra zorgvuldigheid. Dat betekent dat met plannen voor het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen sowieso terughoudend omgegaan wordt. Er bestaat géén hard afwegingskader voor de toetsing van bouwplannen. Locatie, omgeving, het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn telkens anders en vragen om maatwerk. Het gezondheidsbelang wordt daarbij afgezet tegen bijvoorbeeld volkshuisvestelijke, sociale, economische en financiële belangen. Binnen een straal van 2 kilometer van de planlocatie zijn geen geitenhouderijen gevestigd.

▪

Aanvragers van plannen en nieuwe potentiële bewoners in het gebied worden geïnformeerd over het risico. Ook wordt hen gevraagd een verklaring daarover te ondertekenen. Het plangebied is niet gelegen in het genoemde gebied met geitenhouderijen.

Conclusie Het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.10 Geluid Ten aanzien van het aspect geluid zijn het wegverkeer en de bedrijven van belang. Voor het wegverkeerslawaai vormt de Wet geluidhinder het toetsingskader en voor de bedrijven de Wet milieubeheer (waaronder het Activiteitenbesluit). Daarnaast moet in het kader van de Wet ruimtelijke ordening sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. - 55 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

Wegverkeerslawaai De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij de vaststelling van een bestemmingsplan of bij het verlenen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Als gevolg van de voorgenomen vestiging van een zelfstandige woning in de bestaande cultuurhistorisch waardevolle boerderij aan Sloef 15 wordt één nieuw geluidgevoelig object in de zin van de Wgh opgericht. In dit kader is door initiatiefnemers opdracht versterkt aan Tritium Advies B.V. voor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. De samenvatting en conclusie van het akoestische onderzoek zijn hieronder samengevat opgenomen.

Samenvatting en conclusie: In opdracht van Kastelijn Ruimtelijk Advies is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd ten behoeve van de beoogde herontwikkeling aan Sloef 15 te Sint-Oedenrode. Beoogd wordt bestaande boerderij te restaureren/renoveren tot een woning waarbij zoveel mogelijk oorspronkelijke delen bewaard blijven. Het onderzoek is uitgevoerd ten behoeve van de hiervoor noodzakelijke juridisch-planologische procedure. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Sloef en de Hoogstraat. Voor de gezoneerde weg Hoogstraat geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de te renoveren boerderij overschrijdt. Voor de Sloef geldt dat de geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde op een aantal toetspunten overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde wordt ter plaatse van de voorgevel tevens overschreden. Een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde wordt in principe niet toegestaan door de Wgh. Om toch woningbouw te kunnen realiseren is het mogelijk de geveldelen ter plaatse van deze toetspunten als ‘dove gevel’ conform artikel 1b, lid 4 van de Wgh uit te voeren. Een ‘dove gevel ’is namelijk geen gevel volgens de Wgh.

Dit betekent derhalve dat er geen te openen delen (ramen en deuren) in deze gevels zijn toegestaan, met uitzondering van eventuele incidenteel te openen delen (zoals een verhuisraam), mits deze delen niet direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte. Aangezien draaiende delen voor de vereiste spuiventilatie noodzakelijk zijn, dient

- 56 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

hier in de plattegrond rekening mee te worden gehouden. Ook bij het gedeeltelijk ‘doof’ uitvoeren van een gevel (bijvoorbeeld alleen de eerste en tweede verdieping) is nader overleg met de gemeente vereist. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet mogelijk. Voor het vervangen van de slijtlaag op de weg Sloef naar normaal asfalt (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde ter plaatse van de voorgevel wordt dan niet meer overschreden. Het vervangen van het wegdek ontmoet echter overwegende bezwaren van financiële aard. Tevens is de huidige slijtlaag aangebracht om groot onderhoud te kunnen uitstellen. Het is derhalve niet realistisch het wegdek opnieuw te wijzigen. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. De gemeente Meierijstad beschikt niet over een eigen geluidbeleid. Derhalve worden bij een procedure hogere waarde geen aanvullende voorwaarden gesteld.

Uit de rekenresultaten blijkt dat de woning kan beschikken over een geluidluwe noord- en oostgevel. In het kader van een goed akoestisch woon- en leefklimaat is dit een pré en wordt bovendien geadviseerd dat bij de indeling van de woning rekening wordt gehouden dat de verblijfsruimten en de tot de woning behorende buitenruimte zo veel mogelijk aan de geluidluwe zijden worden gesitueerd. Aangezien voor onderhavige woning sprake is van een procedure hogere waarde, is een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. In het kader van een goed akoestisch woon- en leefklimaat dient te worden gestreefd naar de kwaliteit van een nieuwbouwwoning. Derhalve wordt geadviseerd de karakteristieke geluidwering te toetsen aan de cumulatieve geluidbelasting minus 33 dB. Voor de onderhavige woning geldt echter dat het een renovatie van een zéér oude boerderij betreft. Naast de gedateerde bouwkwaliteit rust er op deze boerderij ook een cultuur historische waarde, waardoor de te treffen maatregelen enigszins beperkt zijn. Indien blijkt dat het om monumentale redenen niet mogelijk is te voldoen aan de nieuwbouweis, kan hiervan (mits goed onderbouwd) worden afgeweken met een versoepeling tot maximaal 5 dB. Hiervoor wordt tevens overleg met de beoordelende instantie geadviseerd.

Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.

- 57 -

Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Sloef 15’

Gemeente Meierijstad

Om het planvoornemen mogelijk te maken worden de volgende maatregelen getroffen: ➢ De zuidelijke gevel, gekeerd naar de Sloef, wordt doof uitgevoerd. Het toepassen van de dove gevel is geborgd in artikel 3.2.1 van regels van voorliggend plan; ➢ Er wordt een hogere waarde procedure doorlopen om het planvoornemen mogelijk te maken. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt voor de overige gevels, niet zijnde de dove gevel, overschreden. Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren blijken op basis van het akoestisch onderzoek niet haalbaar en de maximale ontheffingswaarde wordt op de overige gevels, niet zijnde de dove gevel, niet overschreden. ➢ Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te behalen van 38 dB (normstelling voor te saneren objecten), is een minimaal benodigde geluidwering van 21 dB noodzakelijk. Het toepassen van deze karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van ten minste 21 dB is geborgd in artikel 3.2.1 van de regels van voorliggend plan. Industrielawaai Zoals blijkt uit figuur 4.10 van voorliggende toelichting wordt voor wat betreft het industrielawaai niet voldaan aan de geldende richtafstanden voor geluid van 50 meter voor het varkensbedrijf aan Sloef 19 en van 30 meter voor het melkrundveebedrijf aan Sloef 12-12a tot de als woning in gebruik te nemen cultuurhistorisch waardevolle boerderij aan Sloef 15.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=3f95e45b-d801-482d-a2d0-b27c2a223334