Bijlage 1. Toelichting Hoogstraat 64 Sint-Oedenrode
Tekst van het document
Hierbij is zowel de boven- als ondergrond geanalyseerd en slechts licht verhoogde gehalten zink en PCB’s in de bovengrond zijn aangetroffen. Ter plaatse van het noordoostelijke deel van de toekomstige tuin bij varkensstal (gebouw 4) zal na de sloop van de stal aanvullend grondonderzoek van de bovenste 0,5 meter worden verricht. Dit is als voorwaardelijke verplichting verankerd in de regels van dit bestemmingsplan.
4.2 Waterhuishouding 4.2.1
Beleidskader
4.2.1.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt mogelijke negatieve invloeden inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel. De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van afvalwater dat afkomstig is van huizen en bedrijven. Huiseigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor de aansluiting op het riool. Vanaf dit aansluitpunt neemt de gemeente de verantwoordelijkheid over. De gemeente is ook verantwoordelijk voor de zorg voor het overtollige regenwater en grondwater. 4.2.1.2 Waterbeheerprogramma 2022-2027 Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de watertransitie met als doel een toekomstbestendige waterhuishouding in 2050. Dit betekent een waterhuishouding die in
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
33
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Hierbij ligt in tegenstelling tot eerder beleid met name de nadruk op de volgende focuspunten: van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied; van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners worden keuzes gemaakt over meerdere opgaven in een gebied; van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. 4.2.1.3 Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen binnen het plangebied is de ‘Keur Waterschap De Dommel’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.
Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. 4.2.1.4
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen hanteren dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². 4.2.1.5 Programma Water en Riolering Meierijstad De gemeente Meierijstad heeft op 19 oktober 2021 het Programma Water en Riolering vastgesteld voor de periode 2022-2026. De belangrijkste uitgangspunten voor het PWR zijn: a. het stedelijke watersysteem wordt in stand gehouden door doelmatig beheer; b.
de kans kwetsbaarheid voor wateroverlast wordt verkleind door, naast de aanleg van hemelwaterriool, ook te zoeken naar ruimtelijke oplossingen; c. er wordt werk gemaakt van het omgaan met weersextremen door integratie van verharding, groen en blauw in de openbare ruimte en gebiedsontwikkelaars wordt in Meierijstad een wateropgave meegegeven;
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
34
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
d.
de betrokkenheid en eigen verantwoordelijkheid voor water bij inwoners en bedrijven wordt vergroot door ontmoediging en stimulering. Zelfreinigend vermogen toegenomen, weinig verontreinigingsbronnen (geen maaswater, geen chemische onkruidbestrijding, gescheiden rioleringssysteem.
In navolging van het nieuwe beleid is de eigenaar van een perceel verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Er is daarbij vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en), waarbij het volgende geldt: dat de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 60 mm per m² verhard oppervlak dient te kunnen verwerken; voor het oppervlak aan groen dak in m² geen aanvullende hemelwatervoorziening wordt vereist; de benodigde voorziening(en) uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd dienen te zijn en moeten blijvend in stand worden gehouden; bij elke activiteit mag de reeds aanwezige totale hoeveelheid hemelwaterberging op het perceel van de eigenaar niet afnemen.
4.2.2
Toets
4.2.2.1 Waterschapsbeleid Het plangebied is niet gelegen in een ‘Beschermd gebied waterhuishouding’ of een ‘Attentiegebied’. Navolgende figuur geeft de ligging van het plangebied op de kaart ‘Beschermde gebieden keur’ weer.
Plangebied
Figuur 21: Uitsnede kaart ‘Beschermde gebieden keur’ waarop het plangebied is aangeduid als gelegen buiten beschermde keurgebieden
Dit bestemmingsplan voorziet enkel in de sanering van verhard oppervlakte. In navolging van het beleid van het waterschap en van de gemeente Meierijstad wordt dan ook geen compensatie vereist. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
35
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
4.2.2.2 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van nietuitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBomaatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
4.3 Cultuurhistorie 4.3.1
Beleidskader
4.3.1.1 Inleiding Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een aanvraag aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. 4.3.1.2 Erfgoedvisie gemeente Meierijstad 2020-2030 De gemeente Meierijstad heeft op 27 januari 2021 de Erfgoedvisie ‘Verbindend erfgoed’ vastgesteld. De gemeente Meierijstad is rijk aan cultureel erfgoed. Er is breed maatschappelijk draagvlak in Meierijstad om met dit erfgoed zorgvuldig om te gaan. Het erfgoed van Meierijstad vormt de basis van de identiteit van Meierijstad. Het doel is dit erfgoed in goede staat door te geven aan volgende generaties door de bestaande identiteit te versterken en voorwaarden te creëren om die identiteit uit te bouwen. De Erfgoedvisie bestaat uit een visie een uitvoeringsprogramma. De visie en bijbehorende ambities zijn vertaald naar de volgende zes thematische beleidsspeerpunten: de basis op orde brengen en houden. ontwikkelen: erfgoed en ruimte. toegankelijk en beleefbaar maken van erfgoed. inspiratie en richting bieden aan maatschappelijke opgaven. kennisontwikkeling en kennisoverdracht. samenwerken: erfgoed verankeren in de samenleving.
4.3.2
Toets
4.3.2.1 Omgeving Het plangebied is gelegen in het buurtschap Vernhout. Op historische kaarten van uit circa 1900 wordt dit buurtschap nog ‘Nieuwenhuizen’ genoemd. Het buurtschap betreft een kampontginning aan de rand van de Sonse heide, één van de grootste heidegebieden van midden-Brabant. Deze heide is rond 1920 ontwaterd en daarna nagenoeg volledig ontgonnen. Van het oorspronkelijke grote heidegebied ten zuiden van het buurtschap resteren thans nog enkel een aantal venrestanten (Langven en Oud meer) op de laagste delen. Een groot deel van het heidegebied is bebost.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
36
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
Het buurtschap heeft zich na de jaren ‘30 van de vorige eeuw nog verder ontwikkeld. In de jaren ‘60 en ‘70 van de vorige eeuw zijn er nieuwe boerderijen geplaatst tussen de bestaande ontginningsboerderijen. De nieuwe boerderijen betroffen vooral niet grondgebonden intensieve veehouderijbedrijven die minder afhankelijk waren van voldoende grond aan huis. Deze boerderijen bestaan uit eenvoudige boerderijwoningen met daar achter veelal varkensstallen gelegen. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de ligging van het plangebied op historische kaart uit de periode 1900-1909.
Ligging plangebied
Figuur 22: Historische kaart plangebied en omgeving periode 1900-1909, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
4.3.2.2 Plangebied Binnen het plangebied is een woonboerderij gelegen die cultuurhistorisch waardevol is en met deze ontwikkeling duurzaam wordt herbestemd voor de toekomst. De cultuurhistorische waarden van de boerderij St Oda-hoeve (de woonboerderij binnen het plangebied) is in paragraaf 2.2 van deze toelichting beschreven. In de regels van dit bestemmingsplan is de bescherming van de cultuurhistorisch waardevolle elementen in de boerderij geborgd. Dit plan ziet niet toe op (ver)bouw werkzaamheden met betrekking tot de boerderij.
4.4 Archeologie 4.4.1
Beleidskader
4.4.1.1 Erfgoedwet Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). De Erfgoedwet kent nieuwe bepalingen voor gemeenten. Zo kunnen gemeenten een gemeentelijke erfgoedverordening vaststellen en dienen gemeenten een erfgoedregister bij te houden. Ook dient het college van burgemeester en wethouders het voornemen om cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekendmaken.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
37
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
4.4.1.2
Gemeentelijke archeologiebeleid
Erfgoedvisie De gemeente Meierijstad heeft op 27 januari 2021 de Erfgoedvisie ‘Verbindend erfgoed’ vastgesteld ter bescherming van cultuurhistorische en archeologische waarden. In deze visie is omschreven hoe de gemeente Meierijstad streeft naar behoud van deze waarden. Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart De voormalige gemeente Sint-Oedenrode heeft met de ‘Notitie archeologiebeleid gemeente SintOedenrode’ d.d. november 2011, geactualiseerd archeologiebeleid en een gemeentelijke archeologische verwachtingskaart vastgesteld. Het plangebied heeft op deze kaart een lage archeologische verwachtingswaarde. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de archeologische verwachtingskaart waarop het plangebied is aangeduid.
Plangebied
Figuur 23: Uitsnede van de archeologische verwachtingskaart van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
4.4.2
Toets
Voor het plangebied geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde. In het geldende bestemmingsplan is dan ook de bestemming ‘Waarde-Archeologie 1’ aan de locatie toegekend. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m² en dieper dan 0,5 m, dan ook een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden, die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Binnen het plangebied worden geen nieuwe gebouwen of bouwwerken opgericht. Het betreft enkel functieveranderingen van bestaande gebouwen en het saneren van gebouwen. Een archeologisch onderzoek is niet nodig. De dubbelbestemming is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
38
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
om te borgen dat eventuele archeologische waarden ook in de toekomst niet verloren gaan door grondverzet. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten er tijdens de werkzaamheden binnen het plangebied toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan geldt conform artikel 53 van de Monumentenwet uit 1988 (gewijzigd in 2007 met de Wet op de Archeologische Monumentenzorg) een meldingsplicht bij het bevoegd gezag, de gemeente Meierijstad.
4.5 Natuur 4.5.1
Beleidskader
4.5.1.1 Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura2000 gebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Plannen en projecten dienen eenduidig en integraal te worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. 4.5.1.2 Soortenbescherming Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw plan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient vooraf een beoordeling plaats te vinden.
4.5.2
Toets
4.5.2.1
Gebiedsbescherming
Het meest dicht bij het plangebied gelegen Natura2000-gebied betreft ‘Kampina & Oisterwijkse vennen’. Dit gebied is gelegen op een afstand van circa 10 kilometer van het plangebied. Navolgende figuur geeft de ligging van het plangebied ten opzichte van dit Natura2000-gebied weer.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
39
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
Natura-2000
Plangebied
gebied
Figuur 24: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied ‘Campina en Oisterwijkse vennen’
Het plangebied is gelegen op een grote afstand van het meest dichtbijgelegen Vogel- en Habitatrichtlijngebied en de veehouderij wordt gesaneerd. De akkerbouwtak blijft behouden. Slechts nevenactiviteiten binnen de bestaande bebouwing worden met dit plan toegevoegd. Het houden van vee wordt met dit plan uitgesloten en de omgevingsvergunning voor het houden van dieren wordt ingetrokken. Dit plan heeft een positief effect op stikstof. Nox Advies heeft een Aerius-berekening uitgevoerd. Deze berekening met datum 31 oktober 2023 behoort als bijlage bij deze toelichting. De conclusie hiervan is hierna opgenomen. ‘Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit plan vrijkomt in zowel de sloopfase als de gebruiksfase leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar. Ook wanneer de fases gecombineerd worden, resulteert een uitkomst van 0,00 mol N/ha/jaar. Er is geen rekening gehouden met de stalemissies, die tot op heden nog steeds vergund zijn. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is derhalve niet aan de orde.
Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmeringen voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan.’ 4.5.2.2 Soortenbescherming Met de beoogde herontwikkeling wordt een bestaande cultuurhistorisch waardevolle langgevelboerderij worden gesplitst in twee wooneenheden en worden stallen gesloopt. Door Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is een flora en faunaonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek met datum 15 maart 2022 behoort als bijlage bij deze toelichting. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna samengevat opgenomen.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
40
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
Tijdens de uitgevoerde veldonderzoeken zijn de aanwezige biotopen in het plangebied vastgesteld. Ook is onderzoek gedaan naar biotopen en natuurwaarden in de directe aangrenzende omgeving waarop ontwikkelingen binnen het plangebied van invloed op kunnen zijn. Aan de hand van de aanwezige biotopen kan worden bepaald of er mogelijk beschermde soorten voorkomen. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen, die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijvoorbeeld holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige biotopen zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn verwerkt in de notitie. Uit het onderzoek blijkt dat er geen flora en fauna waarden verloren gaan met deze ontwikkeling. De voorzorgsmaatregelen met betrekking tot het broedseizoen en de voorzorgsplicht dient in acht genomen te worden.
4.6 Wegverkeerslawaai 4.6.1
Beleidskader
4.6.1.1 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. 4.6.1.2 4.7.1.2 Industrielawaai Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.
4.6.2
Toets
4.6.2.1 Wegverkeerslawaai Voor splitsing van de langgevelboerderij is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek, uitgevoerd door M-Tech met datum 2 maart 2022 en rapportnummer Hoo.StO.22.AO VL BP-01 is toegevoegd aan deze toelichting. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen. “De planlocatie ligt binnen de invloedsfeer van de Hoogstraat en de Nieuwehuizen. Uit de akoestische berekeningen blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de Hoogstraat ten hoogste 52
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
41
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
dB bedraagt. Daarmee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden, de maximaal toegestane waarde van 53 dB wordt wel gerespecteerd. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Hoogstraat bedraagt ten hoogste 55 dB op de voorgevel. Daarmee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden, de maximaal toegestane waarde van 53 dB wordt eveneens overschreden (rood gearceerd).Ter plaatse van beide zijgevels wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden maar wordt de maximale ontheffingswaarde wel gerespecteerd (oranje gearceerd). Vanwege een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde van 53 in buitenstedelijk gebied op de toetspunten T01, zijn maatregelen vereist. Geadviseerd wordt in het bouwplan op te nemen, een dove gevel toe te passen ter plaatse van de voorgevel. Indien een dove gevel wordt toegepast zijn geen draaiende delen toegestaan in de voorgevel ter plaatse van de nieuwe te ontwikkelen woning. Een dove gevel is geen gevel in het kader van de Wet Geluidhinder en valt derhalve buiten de toetsing. Een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde is dan niet aan de orde. Ter plaatse van het blauw gearceerde toetspunt T05 is een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde eveneens niet aan de orde. Een bed&breakfast (logiesfunctie) is volgens het Bouwbesluit geen geluidgevoelige bestemming (zoals bijv.
woning) en valt derhalve eveneens buiten de toetsingskaders.Voor de zijgevels geldt, Reductie van deze geluidbelasting zou gerealiseerd kunnen worden door geluidafscherming, vervanging van het wegdek of verlaging van de maximum snelheid. Afscherming tussen de beoogde woning en de betreffende weg is theoretisch mogelijk echter vanwege de beperkte breedte van het perceel zal het scherm/wal zeer beperkt efficiënt zijn en het geluid aan beide zijkanten langs het scherm voor een zeer beperkte reductie zorgen. Tevens vanwege de beperkte afstand tussen de woning en de weg wordt dit wordt niet realistisch geacht. Bij het huidige wegdektype referentiewegdek is reductie haalbaar. Een reductie zal met het vervangen van de wegdekverharding naar een dunne deklaag een reductie van circa 2 dB opleveren. Verlaging van de rijsnelheid naar bijvoorbeeld 50 km/uur levert een reductie op van amper 1 dB. Dit is niet voldoende om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Gelet op de kleinschaligheid van het project en de praktische, stedenbouwkundige en financiële bezwaren gepaard gaande met dergelijke geluidreducerende maatregelen, zullen hogere grenswaarden aangevraagd worden, zoals bedoeld in artikel 83 van de Wet geluidhinder.
Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen, dient conform artikel 3.3 van het Bouwbesluit een binnenniveau van maximaal 33 dB vanwege wegverkeer behaald te worden. Daarbij dient de cumulatieve geluidbelasting zonder aftrek conform artikel 110g Wgh beschouwd te worden, zijnde 60 dB ter plaatse van de voorgevels en maximaal 56 dB op de zijgevels. Dit betekent een minimaal vereiste gevelgeluidwering van 27 dB. Echter, aangezien de woonboerderij een bestaand pand is, is conform artikel 3.5 Verbouw van het Bouwbesluit geldt: “Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 3.2 tot en met 3.4 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.”
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
42
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
In de praktijk betekent dit dat bij bestaande bouw een binnenniveau acceptabel geacht van maximaal 38 dB. E.e.a. in nader overleg met het bevoegd gezag. Geluidwering berekening is geen onderdeel van dit onderzoek en dient in een later stadium (definitief ontwerp) nader te worden bepaald aan de hand van de eisen conform het Bouwbesluit.” In samenhang met deze bestemmingsplanprocedure wordt een hogere waarde procedure doorlopen. In de regels van dit bestemmingsplan is vastgelegd dat de voorgevel van de woning als dove gevel dient te worden uitgevoerd. Met verlening van de ontheffing hogere grenswaarde op de zijgevels en het uitvoeren van de voorgevel van de woning als dove gevel is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van akoestiek. 4.6.2.2 Industrielawaai Met deze herbestemming worden de stallen voor de veehouderij gesloopt. De bestaande gebouwen voor het agrarisch akkerbouwbedrijf worden daarvoor deels gebruikt en deels gebruikt voor statische opslag. De bebouwing is een afstand van 70 meter tot de splitsen boerderij gelegen. De ontsluiting van deze activiteiten vindt plaats aan de andere zijde van het plangebied. De ruimtelijke uitstraling van de te behouden activiteiten stralen hiermee niet uit op de te splitsen woning. Geluidbronnen zijn buiten de afstand van 50 meter tot het bedrijf gelegen.
De activiteiten worden maximaal op de huidige omvang begrensd en kunnen niet groeien in de toekomst. Hiermee is er akoestisch sprake van een goed woon- en leefklimaat. Om ook in de toekomst te borgen dat een goed woon- en leefklimaat behouden blijft is een milieuzone opgenomen binnen de woonbestemming. In de regels van de woonbestemming is geborgd dat binnen deze zone geen gevoelige functies zoals bijvoorbeeld een mantelzorgwoning in de toekomst kunnen worden toegevoegd. Ook is een categorisering binnen de bedrijfsbestemming opgenomen. Nabij de woonbestemming is slechts bedrijvigheid met een milieucategorie van maximaal 2 toegestaan. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.9 van deze toelichting.
4.7 Geur 4.7.1
Beleidskader
4.7.1.1 Inleiding Bij besluitvorming omtrent de bestemming van nieuwe voor geur gevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: - Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? -
Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad?
4.7.1.2
Activiteitenbesluit
Per 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit in werking getreden. Veel veehouderijen vallen in hun geheel onder het Activiteitenbesluit. De Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij zijn voor deze bedrijven niet van toepassing. De eisen uit de wetten zijn wel als voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
43
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
4.7.1.3 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor de vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De Wet geurhinder en veehouderij wordt voornamelijk gebruikt om de geurbelasting veroorzaakt door veehouderijen te beoordelen bij de vergunningverlening. Indirect heeft de wet consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Die doorwerking van de geurregelgeving naar de ruimtelijke ordening wordt de ‘omgekeerde werking’ genoemd. 4.7.1.4 Achtergrondbelasting Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat. Er dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zijn. De achtergrondbelasting bepaalt in de meeste gevallen het woon- en leefklimaat op een locatie. 4.7.1.5 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen.
De achtergrondbelasting is maatgevend voor het woon- en leefklimaat, tenzij de voorgrondbelasting tenminste de helft van de waarde van de achtergrondbelasting bedraagt. Alsdan is de voorgrondbelasting bepalend. 4.7.1.6 Belangen veehouderij en derden Als gevolg van deze omgevingsvergunning mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen.
4.7.2
Toets
4.7.2.1 Veehouderijbedrijven in de omgeving In de omgeving van het plangebied zijn een aantal agrarische bedrijven gelegen. Er moet binnen het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kunnen worden gewaarborgd. Andersom mag de beoogde herontwikkeling geen omliggende veehouderijen belemmeren in de ontwikkelingsmogelijkheden. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de provinciale veehouderijbedrijvenkaart waarop de omliggende veehouderijen inzichtelijk zijn gemaakt.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
44
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
Nieuwenhuizen 5
Nieuwenhuizen 9
Plangebied
Hoogstraat 68
Vernhout 14 Hoogstraat 71 Figuur 25: Uitsnede veehouderijbedrijvenkaart en de ligging van het plangebied nabij deze bedrijven, de adressen aan Hoogstraat 62, Hoogstraat 65 en Hoogstraat 70 zijn inmiddels beëindigd
Op deze veehouderijen zijn navolgende dieraantallen vergund: Diercategorie omschrijving vrouwelijk jongvee tot 2 jaar zoogkoeien ouder dan 2 jaar fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar
vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Totaal
Aantal dieren 130 10 10 180
10 340
RAV-code vergund A3.100 A2.100 A7.100 A1.13.1/BWL 2010.34
RAV-code actueel Omschrijving RAV A3.100 overige huisvestingssystemen A2.100 overige huisvestingssystemen A7.100 overige huisvestingssystemen A1.13.1/BWL 2010.34 ligboxenstal met roostervloer voorzien van
A3.100
A3.100
cassettes in de roosterspleten en mestschuif overige huisvestingssystemen
Figuur 26: Vergunde dieraantallen Nieuwenhuizen 5 (Bron: KRD Noord-Brabant)
Figuur 27: Vergunde dieraantallen Nieuwenhuizen 9 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
45
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
Figuur 28: Vergunde dieraantallen Hoogstraat 68 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)
Figuur 29: Vergunde dieraantallen Hoogstraat 71 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)
Figuur 30: Vergunde dieraantallen Vernhout 14 (Bron: Web BVB Provincie Noord-Brabant)
Binnen het plangebied is nu nog een veehouderij gevestigd. Binnen het plangebied zijn navolgende dieraantallen vergund:
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
46
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
Figuur 31: Vergunde dieraantallen Hoogstraat 64 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)
De veehouderij aan Hoogstraat 64 te Sint-Oedenrode wordt gesaneerd in samenhang met dit plan. De veehouderijen aan Hoogstraat 68 en Nieuwenhuizen 9 zijn de dominante veehouderijen ten opzichte van het plangebied. De geurberekeningen van de voorgrondbelastingen van deze veehouderijen zijn hierna opgenomen.
Tabel 1: Voorgrondbelasting Hoogstraat 68 ten opzichte van het plangebied
Tabel 2: Voorgrondbelasting Nieuwenhuizen 9 ten opzichte van het plangebied
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
47
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
In het kader van de voorgrondbelasting wordt voldaan aan de voorgrondbelasting in het kader van geur. Het bestemmingsvlak van de veehouderij aan Nieuwenhuizen 9 is gelegen binnen een afstand van 50 meter tot de woonbestemming binnen de woonboerderij. Het bouwvlak van deze veehouderij is gelegen op een afstand van circa 37,5 meter tot de langgevelboerderij binnen het plangebied. In de huidige situatie is het bouwvlak van de veehouderij aan Nieuwenhuizen 9 niet volledig bebouwd en ligt de meest dichtst bij het plangebied gelegen bedrijfsbebouwing op een afstand van circa 53 meter tot de langgevelboerderij waarin de bedrijfswoning gelegen is en een woning wordt toegevoegd. Aan de afstand van 50 meter wordt thans feitelijk dan ook voldaan. Tevens geldt dat binnen het plangebied al reeds sprake van een (bedrijfs)woning. Ook in de huidige situatie dient dan op grond van artikel 14 Wgv een afstand te worden aangehouden van 50 meter tussen de veehouderij en een woning welke is gelegen op een agrarisch bouwvlak. De veehouderij Nieuwenhuizen 9 mag derhalve in de huidige situatie ook al niet verder uitbreiden richting het plangebied. De beoogde situatie brengt in dit kader dan ook geen veranderingen met zich mee ten opzichte van de huidige situatie. De voorgrondbelasting wordt binnen dit plan aanvaardbaar geacht.
Hierin is in ogenschouw genomen dat met dit plan een intensieve veehouderij gesaneerd wordt. Deze veehouderijen liggen binnen elkaars vaste afstand. Met dit plan kan één van de twee veehouderijbedrijven stoppen. Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat in het kader van geur. Dit plan heeft door sanering van de veehouderij bovendien positieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat voor het plangebied en de directe omgeving. De gemeente heeft afgewogen dat deze ontwikkeling aanvaardbaar is. 4.7.2.2 Woon- en leefklimaat Om te bepalen of binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is de achtergrondbelasting bepaald. Dit is berekend met V-Stacks gebied. De gehanteerde bronnen zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De uitkomst van de berekening is hierna opgenomen. Berekende ruwheid: 0,40 m Rekenuren: 25 Rasterpunt linksonder x: 155105 m Rasterpunt linksonder y: 390804 m Gebied lengte (x): 4000 m , Aantal gridpunten: 50 Gebied breedte (y): 4000 m , Aantal gridpunten: 50
Tabel 3: Uitkomst achtergrondbelastingberekening voor het plangebied
In de omgeving van het plangebied veroorzaakt de veehouderij binnen het plangebied de geurbelasting. Na sanering van dit bedrijf is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Herontwikkeling van
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
48
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
het plangebied is derhalve in het kader van de achtergrondbelasting geen bezwaar. Het woon- en leefklimaat in de omgeving verbetert zeer sterk. 4.7.2.3 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven Herontwikkeling van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet onevenredig belemmeren. Conform artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij geldt een vaste afstand van 50 meter tussen veehouderijen en een woning welke is gelegen op een voormalige veehouderij. Derhalve geldt voor de nieuw te realiseren woning binnen het plangebied een vaste afstand van 50 meter tot veehouderijen. De meest dicht bij het plangebied gelegen veehouderij betreft de veehouderij aan Nieuwenhuizen 9. Het bouwvlak van deze veehouderij is gelegen op een afstand van circa 37,5 meter tot de langgevelboerderij binnen het plangebied. In de huidige situatie is het bouwvlak niet volledig bebouwd, en ligt de meest dichtst bij het plangebied gelegen bedrijfsbebouwing op een afstand van circa 53 meter tot de langgevelboerderij. Aan de afstand van 50 meter wordt thans dan ook voldaan. Tevens geldt dat binnen het plangebied al reeds sprake van een (bedrijfs)woning. Ook in de huidige situatie dient dan op grond van artikel 14 Wgv een afstand te worden aangehouden van 50 meter tussen de veehouderij en een woning welke is gelegen op een agrarisch bouwvlak.
De veehouderij Nieuwenhuizen 9 mag derhalve in de huidige situatie ook al niet verder uitbreiden richting het plangebied. De beoogde situatie brengt in dit kader dan ook geen veranderingen met zich mee ten opzichte van de huidige situatie. De overige veehouderijen zijn gelegen op een afstand van meer dan 50 meter tot het plangebied. Derhalve kan geconcludeerd wordt dat de beoogde herontwikkeling de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet belemmerd. 4.7.2.4 Conclusie De huidige voormalige agrarische bedrijfswoning wordt herbestemd naar één burgerwoning en een bedrijfswoning bij een bedrijf met akkerbouw en statische opslag. Ter plaatse van de betreffende te splitsen langgevelboerderij is op basis van de Wet geurhinder en veehouderij sprake van een ‘redelijk goed woon- en leefklimaat’. Dit is een acceptabel woon- en leefklimaat. Ook worden de omliggende veehouderijen, door de beoogde ontwikkeling niet in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. De beoogde herontwikkeling is in het kader van het aspect geur geen bezwaar.
4.8 Gezondheid 4.8.1
Beleidskader
4.8.1.1 Endotoxinen De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit kunnen maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afge-
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
49
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
rond. Er wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. 4.8.1.2 Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans hebben dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico.
4.8.1.3 Gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.
4.8.2
Toets
4.8.2.1
Toets van de ontwikkeling aan Handreiking aan endotoxinen en geitenbedrijven
Stap 1 In stap 1 van de handreiking wordt getoetst aan endotoxine. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De locatie aan Nieuwenhuizen 9 is de dichtst bij gelegen veehouderij gelegen intensieve veehouderijtak. Het betreft een sterk verouderd veehouderijbedrijf waar feitelijk geen dieren meer worden gehouden. Met inachtneming van de uiterste gevelsituering van het bedrijf is sprake van een afstand van 30 meter. In de geurparagraaf is toegelicht waarom van de feitelijke situatie voor dit bedrijf kan worden uitgegaan. Deze veehouderij ligt met de bedrijfsgebouwen op een afstand van 55 meter van de nieuw op te richten woning binnen de langgevelboerderij. Voor deze veehouderij geldt een fijnstofproductie PM10 van 99 kg./jr. Op grond van de berekeningstabel geldt hiervoor een aan te houden afstand van 44 meter. Aan deze afstand wordt voldaan.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
50
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
Binnen een afstand van 250 meter tot het plangebied is ook de veehouderij met melkvee en varkens aan Hoogstraat 68 gelegen. Binnen deze veehouderij is sprake van een fijnstof uitstoot met een omvang van 104 kg per jaar. De aan te houden afstand bedraagt 47 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Aan stap 1 wordt voldaan. Stap 2 Toets aan toename van emissies. Dit is niet van toepassing omdat het plan geen uitbreiding van een veehouderij betreft, maar juist een sanering daarvan. Stap 3 In stap 3 wordt getoetst aan geur. Bij stap 3a wordt getoest aan wettelijke waarden voor geur. Deze toets is opgenomen in paragraaf 4.7. Dit plan voldoet aan deze waarden. Bij 3b wordt voor geur getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden. Voor het buitengebied zijn deze waarden: 5 ouE/m3 voor de voorgrondbelasting. 10 ouE/m3 voor de achtergrondbelasting. 100 meter voor de afstand tussen de rand van een bedrijf en de gevel van het geurgevoelige object. Er wordt voldaan aan de vaste afstand. De bedrijven aan Hoogstraat 68 en Nieuwenhuizen 9 zijn bedrijven die relevant zijn voor de voorgrondbelasting. De berekeningen voor deze bedrijven zijn opgenomen in paragraaf 4.7. Aan stap 3a (wettelijke waarden) als stap 3b (gezondheidswaarden) wordt voldaan.
Stap 4 Er zijn geen bedrijven in de omgeving waar bedrijfsmatig een combinatie van de volgende dieren worden gehouden: Varkens en pluimvee; Rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten); Kleine herkauwers onderling. Aan stap 4 wordt voldaan. Stap 5 In stap 5 wordt getoetst aan de afstand tot een geitenhouderij of een pluimveebedrijf. Binnen het plangebied is sprake van sanering van een veehouderij. Binnen twee kilometer tot het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen. Binnen het bedrijf aan Schoor 11 te Sint-Oedenrode, gelegen op een afstand van circa één kilometer tot het plangebied mogen naast een gering aantal andere dieren, ook twee geiten gehouden worden. Dit heeft geen gevolgen voor de volksgezondheid. Hiermee is geen sprake van een onacceptabel woon- en leefklimaat in het kader van gezondheid. Tussen deze locatie en het plangebied zijn vele andere gevoelige bestemmingen gelegen. De ontwikkeling binnen het plangebied is niet maatgevend voor uitbreiding van deze veehouderij. Deze herbestemming ziet toe op herbestemming van een veehouderij bij sanering van deze veehouderij. Tussen het plangebied en de geitenhouderij zijn andere gevoelige objecten gelegen. Het belang van sanering en herbestemming van de veehouderij en de ligging van deze woning tot de geitenhouderijen in de omgeving is afgewogen en beoordeeld.
Bij ontwikkeling binnen de geitenhouderij zijn andere, reeds bestaande burgerwoningen maatgevend. Deze ontwikkeling leidt niet tot een onacceptabel gezondheidsrisico.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
51
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
Binnen een afstand van 1 kilometer van het plangebied zijn geen pluimveehouderijen gelegen (stap 5b). Het plangebied is wel gelegen binnen een afstand van 250 meter van drie overige veehouderijen: Hoogstraat 68 (melkveehouderij), Nieuwenhuizen 5 (melkveehouderij) en Vernhout 6 (paardenhouderij) (stap 5c). Voor deze veehouderijen wordt voldaan aan het wettelijk kader. Uit beantwoording van het stappenplan volgt het advies om de GGD te raadplegen. De gemeente Meierijstad acht het niet noodzakelijk voor voorgenomen ontwikkeling advies in te winnen bij de GGD. Aangezien wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden ten aanzien van de omgevingsaspecten luchtkwaliteit, geur, veiligheid en geluid acht de gemeente Meierijstad het planvoornemen voorstelbaar en is geen advies vanuit de GGD noodzakelijk. Binnen het plangebied wordt bovendien een veehouderij gesaneerd. Per saldo is er sprake van een grote milieuwinst met deze ontwikkeling. Stap 6 Er bevindt zich geen zelfstandige mestbewerking of verwerking plaats. Aan stap 6 wordt voldaan. Stap 7 Er is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid. Aan 7 wordt daarmee voldaan. 4.8.2.2 Gewasbeschermingsmiddelen Ten zuiden van de boerderij Hoogstraat 64 zijn twee percelen cultuurgrond gelegen die in gebruik zijn voor de boomkwekerij.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bij de toevoeging van een nieuwe woning een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand minimaal aangehouden moet worden is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen woningen en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Zo blijkt uit jurisprudentie dat door afschermende bebouwing en afschermende groene beplanting de spuitzone terug gebracht kan worden. Jurisprudentie geeft aan dat, indien er afschermende groene beplanting aanwezig is, die zich bevindt op de perceelsgrens een afstand van tenminste 10 meter vanaf de beplanting kan worden gehanteerd. De percelen waarop boomteelt wordt toegepast zijn gelegen op een afstand van 23 meter en 25 meter vanaf de huidige boerderij. Het meest oostelijke perceel is daarbij omzoomd door een groenhaag.
Deze groenhaag schermt de woning af tegen bestrijdingsmiddelen en zorgt er voor dat vanaf dit perceel een afstand van 10 meter tot een woonbestemming volstaat. De werkelijke afstand is 25 meter en daarmee is er voor dit perceel dan ook geen probleem. Het andere perceel in gebruik voor de boomkwekerij ligt tegenover het stalgedeelte van de boerderij. In dit deel wordt de beoogde tweede woning gerealiseerd. De woning mag in principe niet gerealiseerd worden binnen een zone van 50 meter vanaf de kwekerij. De boomkwekerij ligt hier op een afstand van 23 meter.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
52
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
In het bestemmingsplan is thans geregeld dat de gehele boerderij nu al gebruikt mag worden voor bewoning. Het maakt dan ook niet uit waar binnen de boerderij de toe te voegen woning is gelegen. Het is dan ook goed verdedigbaar dat bestemmingsplanmatig thans in het stalgedeelte al bewoning is toegestaan en er daarom geen sprake is van een nieuwe driftgevoelige situatie aldaar. Verder is aan de westzijde van de nieuw op te richten woning een transformatorhuisje gelegen dat deels wordt omzoomd door een groenblijvende hoge haag. Deze haag en het transformatorhuisje werken als afscherming tegen mogelijke drift. Binnen het plangebied neemt het aantal blootgestelden met maximaal 1 huishouden toe. Met herbestemming van de boerderij kan een cultuurhistorische waardevolle boerderij voor de toekomst behouden blijven en kan een intensieve veehouderij worden gesaneerd. Het bevoegd gezag heeft een afweging gemaakt tussen volksgezondheidsrisico’s van eventueel spuiten met gewasbeschermingsmiddelen op een afstand van circa 23 meter tot het plangebied en behoud van een cultuurhistorische waardevolle boerderij waarin al gewoond door het toestaan van realiseren van één woning binnen dit bestaande volume. Afgewogen is dat het gezondheidsrisico van eventueel spuiten niet significant meer gevaar oplevert dan in de huidige situatie en dat dit gevaar aanvaardbaar is.
4.9 Bedrijven en milieuzonering 4.9.1
Beleidskader
De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een milieugevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.”
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
53
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
4.9.2
Toets
4.9.2.1 Gebiedstypering In de directe omgeving van het plangebied is sprake van zowel burgerwoningen als (niet-)agrarische bedrijven en voormalige agrarische bedrijven. Sprake is dan ook van een sterke functiemening, waarmee het plangebied valt te typeren als gelegen binnen ‘gemengd gebied’. 4.9.2.2 Bedrijvigheid binnen het plangebied Binnen het plangebied vindt met de ontwikkeling een omschakeling naar een grondgebonden agrarisch bedrijf plaats met als neventak statische opslag. Het akkerbouwbedrijf en de neventak vallen in het kader van de brochure bedrijven en milieuzonering onder milieucategorie 2. Voor deze bedrijven geldt een aan te houden afstand van minimaal 10 meter in ‘gemengd gebied’. De gebouwen liggen op een afstand van meer dan 10 meter van de nieuwe woning binnen het plangebied. Om ook in de toekomst zeker te stellen dat er sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is binnen de woonbestemming een afstand van 10 meter tot de bestemmingsgrens aangeduid als milieuzone waarbinnen geen gevoelige functies mogen worden gebruikt. Realisering van bijvoorbeeld een mantelzorgwoning is hierdoor niet mogelijk.
Tevens is een afstand van 20 meter van de perceelsgrens van het agrarisch bedrijf met de woonbestemming voorzien van de functie-aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’ waarmee is geborgd dat binnen een afstand van 20 meter tot de perceelsgrens slechts bedrijfsactiviteiten met maximaal categorie 2 plaatsvinden. Daarmee kunnen bedrijfsactiviteiten in een milieucategorie 3 niet plaats vinden binnen een afstand van 30 meter tot de woning en/of geluidgevoelige functies. Hiermee levert de ontwikkeling geen belemmeringen op in het kader van de bedrijven en milieuzonering. In samenhang met deze bestemmingsplanprocedure dient de vergunning voor het houden van dieren te worden ingetrokken en dient voor de bestemde bedrijfsactiviteiten een melding Activiteitenbesluit te worden gedaan. In deze melding is tevens verankerd dat binnen deze zonering slechts categorie 2 activiteiten mogelijk zijn. De loodsen binnen deze aanduiding worden gebruikt als een multifunctionele ruimte met kantine. Ze zijn van het allergrootste belang voor het leggen van zonnepanelen op het dak. Deze zonnepanelen worden gebruikt voor de woningen, maar worden niet op het dak van de cultuurhistorische waardevolle boerderij gerealiseerd. De loods wordt verder gebruikt voor het stallen van het niet zware bedrijfsmaterieel zoals een aanhanger, heftruck en opslag van bedrijfsmiddelen als onderdelen en dergelijke.
Met de juridische borgen zoals aangeduid op de verbeelding is geen sprake van overschrijding van de richtlijnafstanden. Een akkerbouwbedrijf is op basis van de richtlijn bedrijven en milieuzonering een categorie-2 bedrijf met een grootst aan te houden afstand binnen gemengd gebied van 10 meter. Om zeker te borgen dat er geen sprake is van zwaardere activiteiten is op de benodigde afstand tot de woning een aanduiding (bedrijf tot en met categorie-2) gelegd met borging van deze afstand. Zwaardere landbouwmachines komen vanaf een aparte ontsluitingsweg naar het perceel en blijven hiermee te allen tijde aan de achterzijde van het perceel. 4.9.2.3 Niet-Agrarische bedrijven nabij het plangebied Ten westen van de boerderij aan Hoogstraat 64 is een transformatiehuisje gelegen. Navolgende figuur geeft een beeld van het betreffende transformatorhuisje.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
54
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
Figuur 32: Beeld transformatorhuisje ten westen van plangebied (bron: Google Maps)
De VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geeft een richtafstand van 10 meter voor transformatorgebouwen t/m 1 MVA van de inrichtingsgrens tot een gevoelig object. Deze indicatie van 10 meter wordt aangehouden voor de aspecten geluid en gevaar. De aan te houden afstand kan in gemengd gebied met één afstandsstap verkleind worden naar 0 meter. Daarbij dient in acht genomen te worden dat de indices voor het aspect gevaar enkel met één afstandsstap verkleind mogen worden wanneer op basis van het Bevi geen specifieke regelgeving geldt voor het specifieke bedrijf. Voor het bedrijf zijn geen specifieke regels vastgesteld op basis van het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen). Het transformatiehuisje is gelegen op een afstand van circa 6 meter van de woning en vormt daarmee geen belemmering in het kader van de Bedrijven en milieuzonering. 4.9.2.4 Agrarische bedrijven nabij het plangebied In de omgeving van het plangebied zijn enkele agrarische bedrijven gelegen. Navolgende tabel geeft een beeld van de ligging van agrarische bedrijven en de afstanden van deze bedrijven tot het plangebied. Adres
Bedrijf
Milieu-
Richtafstand
Afstand
categorie
binnen
plangebied
gemengd
tot
het
gebied Nieuwenhuizen 5
Fokken en houden van rundvee
3.2
50 meter
112 meter
Nieuwenhuizen 2-9
Fokken en houden van varkens en rundvee
4.1
100 meter
30 meter
Hoogstraat 68
Fokken en houden van varkens en rundvee
4.1
100 meter
Meer dan 300 meter
Hoogstraat 71
Fokken en houden van rundvee
3.2
50 meter
Meer dan 380 meter
Vernhout 14
Fokken en houden van rundvee
3.2
50 meter
Meer dan 300 meter
Tabel 4: Beeld van agrarische bedrijven en afstanden
Binnen het plangebied wordt een woning toegevoegd binnen bestaande bebouwing. De toe te voegen woning ligt binnen de richtlijnafstand van 100 meter tot het agrarisch bedrijf aan Nieuwenhuizen 9. Deze afstand geldt in het kader van geur. Voor het aspect stof en geluid geldt een aan te houden afstand van 30 meter. Voor gevaar is geen sprake van een richtlijnafstand. Er wordt afgeweken van de
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
55
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
richtlijn voor de afstand in het kader van geur. De motivering hiervoor is in paragraaf 4.7 van deze toelichting.
4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Beleidskader 4.10.1.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. 4.10.1.2 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto.
Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. 4.10.1.3 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde . de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³. De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.
4.10.2 Toets 4.10.2.1 Uitstoot van gevaarlijke stoffen Gesteld kan worden dat de beoogde herontwikkeling, het juridisch planologisch mogelijk maken van bewoning van een extra wooneenheid in een te splitsen langgevelboerderij, sanering van de intensieve veehouderij en herbestemming van deze veehouderij naar een akkerbouwbedrijf, onder het begrip NIBM valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
56
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
4.10.2.2 Blootstelling aan verontreiniging Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het plangebied en directe omgeving weer.
Plangebied
Figuur 33: Kaart met fijnstof-uitstoot PM10 waarop de ligging van het plangebied is aangeduid (bron: RIVM)
Plangebied
Figuur 34: Kaart met fijnstof- PM2,5 waarop de ligging van het plangebied is aangeduid (bron: RIVM)
Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 17 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 10 µg/m³. Er is er in het kader van fijnstof uitstoot sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 binnen het plangebied en directe omgeving weer.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
57
‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting
Plangebied
Figuur 35 Kaart met uitstoot stikstofdioxide, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid (bron: RIVM, 2020)
Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 12 µg/m³. Er worden geen gevoelige bestemmingen toegevoegd. Er is in het kader van stikstofuitstoot sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.
4.11 Externe veiligheid 4.11.1 Beleidskader 4.11.1.1 Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro). De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q.