CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Toelichting Hoogstraat 64 Sint-Oedenrode

Raadsvergadering 23 mei 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64 Sint-Oedenrode'19.180 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

buisleidingen).

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

58

‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting

4.11.1.2 Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1.

2.

Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten; Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.

4.11.1.3 Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in de planlocatie worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. 4.11.1.4 Overige wet- en regelgeving Ook wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘(art. 3.1 Wro) onder andere getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.

4.11.2 Toets 4.11.2.1 Bedrijven Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant weer, waarbij het plangebied is omcirkeld.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

59

‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting

Plangebied

Figuur 36: Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

Het meest dichtbij gelegen risico-object is gelegen op de locatie aan Vernhout 14. Hier is een bovengrondse propaantank aanwezig. De locatie Vernhout 14 ligt op een afstand van 410 meter vanaf het plangebied. Het plangebied ligt ruim buiten de risicocontour van dit bedrijf. 4.11.2.2 Vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer over het spoor Op het grondgebied van de voormalige gemeente Meierijstad bevindt zich geen spoortracé. Het dichtst bij gelegen spoorwegtracé bevindt zich op een afstand van 4,5 kilometer vanaf het plangebied. Dit aspect is dan ook niet van toepassing. Vervoer over de weg De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover transporten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden zijn de autosnelwegen A2 en de A50. Deze autosnelwegen zijn gelegen op een afstand van 3,3 km. respectievelijk 2,5 km. van het plangebied. Daarmee valt het plangebied buiten de risicocontour van de betreffende snelwegen. Vervoer over het water Op het grondgebied van de gemeente Meierijstad bevindt zich geen waterwegverbindingen waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Dit aspect is dus niet van toepassing. Kabels en leidingen Op een afstand van 580 meter van de woonboerderij is een buisleiding gelegen. Het gaat hierbij om een buisleiding ten behoeve van het transport van brandstof. De woonboerderij ligt ruim buiten de risicocontour van deze buisleidingen.

Er zijn geen hoogspanningsleidingen gesitueerd in de omgeving van het plangebied. Er zijn op dit gebied geen gezondheidsrisico’s voor het plangebied.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

60

‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting

Hoogspanningslijnen Op een afstand van ongeveer 1,6 kilometer ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.

4.12 Mer-beoordeling 4.12.1 Inleiding De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten.

4.12.2 Beleidskader 4.12.2.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is.

In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling. 4.12.2.2 Drempelwaarden Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m², of een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan met een omvang van 125 hectare of meer.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

61

‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting

4.12.2.3 Vorm-vrije m.e.r.-beoordeling Op basis van de criteria die genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling dient bij een ontwikkeling een vormvrije m.e.r.- beoordeling worden uitgevoerd indien de drempelwaarde zoals genoemd in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet wordt overschreden.

4.12.3 Toets 4.12.3.1 Toets aan drempelwaarden Dit bestemmingsplan overschrijdt de drempelwaarden zoals opgenomen in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet. Op basis van deze bijlage is geen MER noodzakelijk. 4.12.3.2 Vormvrije m.e.r. beoordeling Dit bestemmingsplan ziet toe op sanering van een veehouderijtak en behoud van een cultuurhistorische boerderij door splitsing hiervan. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (in de uitspraak met datum en nummer ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1) overwogen dat het antwoord op de vraag of sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij is in deze uitspraak de navolgende rechtsoverweging opgenomen: “hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en de omvang, niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject.

Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door onder andere de realisatie van twee eengezinswoningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.” De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld wanneer dat de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd. Dit plan valt wegens aard en omvang van het project niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling waarop de drempelwaarden genoemd in de D-lijst. Omdat de beoogde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is, als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, is het uitvoeren van een m.e.r.beoordeling niet noodzakelijk.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

62

‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting

5. UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch wordt gemaakt in ruimtelijk plan. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd en geen locatie-eisen (aan openbare weg of woningcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Inzake de beoogde omgevingsvergunning binnen de planlocatie sluit de gemeente met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst. Hiermee is kostenverhaal zeker gesteld.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Dit plan is in een omgevingsdialoog door de initiatiefnemer toegelicht aan de omgeving, vooruitlopend op start van deze bestemmingsplanprocedure. Naar aanleiding van zienswijzen op het bestemmingsplan zal een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden over vaststelling van dit bestemmingsplan. De omgevingsdialoog is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

63

‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting

6. OVERLEG INSPRAAK ZIENSWIJZEN EN PROCEDURE 6.1 Overleg In het kader van het vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden naar diverse van belang zijnde instanties, zoals het Waterschap de Dommel en de provincie Noord-Brabant.

6.2 Inspraak In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend. Voor dit bestemmingsplan wordt wegens omvang van het plan en de aard van de ontwikkeling geen inspraak verleend.

6.3 Zienswijzen Het bestemmingsplan is conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt. Er zijn gedurende publicatie van het ontwerpbestemmingsplan geen zienswijzen ontvangen, anders dan een zienswijze van de provincie Noord-Brabant. In navolging van de zienswijze is dit bestemmingsplan aangevuld. Dit betreft met name een betere onderbouwing van de cultuurhistorische waarden van de langgevelboerderij. Ook is het plan gewijzigd, zodanig dat deelname aan de regeling Ruimte voor Ruimte geen onderdeel meer uitmaakt van dit plan. Dit plan wordt in navolging van deze wijzigingen opnieuw als ontwerpbestemmingsplan gepubliceerd.

6.4 Procedure De bestemmingsplanprocedure conform de Wro wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wro zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage; gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad; binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast; de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; - door Gedeputeerde Staten is een zienswijze ingediend en deze zienswijze is niet of niet volledig door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

64

‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogstraat 64’ - toelichting

-

de gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten wijzigingen aangebracht.

Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend worden gemaakt nadat zes weken zijn verstreken. Het bestemmingsplan wordt dan voor zes weken ter inzage gelegd waartegen beroep kan worden ingesteld. Wanneer er geen beroep wordt ingesteld, dan treedt het bestemmingsplan in werking en wordt het bestemmingsplan onherroepelijk. Wanneer een beroep aanhangig is gemaakt treedt het bestemmingsplan in werking maar wordt (vooralsnog) niet onherroepelijk. Bij het instellen van een voorlopige voorziening kan het bestemmingsplan worden geschorst en treedt dan niet in werking.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

65

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=75a24f8c-15ec-4659-b4c9-50640392397f