Bijlage 1: toelichting en regels bestemmingsplan
Tekst van het document
Met de transitie van de Borchgrave vormt de Heuvel weer de enige hoofdroute voor de (winkelende) centrumbezoeker; de overgang van Markt naar Heuvel via het Kerkplein moet dan ook laagdrempelig en aangenaam zijn. Doorwerking plangebied Op de huidige locatie heeft de Albert Heijn te weinig ruimte om de noodzakelijke investeringen te kunnen verrichten en om het gewenste assortiment aan te kunnen bieden. Het blijven exploiteren van de supermarkt in het huidige pand zal op termijn onrendabel worden waardoor verplaatsing noodzakelijk is voor het behoud van de Albert Heijn. In hoofdstuk 4 en in de als bijlage bij deze toelichting opgenomen Ruimtelijk-functionele Effectenanalyse worden nog enkele argumenten aangedragen waarom de verplaatsing van de Albert Heijn noodzakelijk is. Kortheidshalve wordt hier ook naar verwezen. Aanvullend wordt opgemerkt dat ook de gemeenteraad dit in 2013 al heeft onderkend en heeft aangegeven meer beleidsruimte te willen bieden voor een eventuele verplaatsing van een full-servicesupermarkt (i.c. Albert Heijn) buiten het winkelconcentratiegebied. Daarnaast blijkt uit de Ruimtelijk-functionele Effectenanalyse dat bij het niet uitbreiden van deze supermarkt geldt dat er juist meer koopkracht zal blijven afvloeien naar andere kernen.
De positie van de supermarkt zal dan verder verzwakken en het is niet uit te sluiten dat deze full-servicesupermarkt dan geheel zal verdwijnen uit de gemeente. Op termijn kan dit grote gevolgen hebben voor de bestaande centrumvoorzieningen (minder bezoekers aan het centrum) en daarmee het centrum minder aantrekkelijk maken voor de vestiging van nieuwe centrumvoorzieningen in Sint-Oedenrode. Dat is een onwenselijk scenario dat de potentie op behoud van een levendig dorpscentrum verkleint. Op basis van het vorenstaande en de Ruimtelijk-functionele Effectenanalyse wordt geconcludeerd dat de verplaatsing van de Albert-Heijn naar de locatie aan de Borchmolendijk de beste optie is. Ook in de centrumvisie van Meierijstad is de verplaatsing opgenomen. Dit temeer omdat dit niet zal leiden tot duurzame ontwrichting of onacceptabele effecten op het woon-, leef- en ondernemersklimaat. Verder blijft ook de consumentenverzorging intact: er is juist sprake van een versterking van het winkelaanbod en meer keuze voor de consument. 3.3.2 Woonvisie Meierijstad 2018 Op 5 juli 2018 heeft de gemeenteraad de nieuwe woonvisie voor Meierijstad vastgesteld. Als kaders voor de nieuwe visie zijn onder andere uitgangspunten uit het Europees, rijks- en provinciaal beleid en het Coalitieakkoord 2017-2022 gehandhaafd.
Hoofdstuk 3
25
Enkele uitgangspunten (die van toepassing zijn op onderhavig initiatief) hieruit zijn: Waar wonen en werken jeugd aantrekt en er een goede ruimtelijke balans is tussen werken, wonen en leven en iedereen kan meedoen; Er is ondersteuning waar die nodig is en een divers woningaanbod; Meierijstad neemt de behoefte van de woningzoekenden als uitgangspunt bij het formuleren van de woonvisie; Meierijstad maakt het mogelijk dat gebouwd kan worden in alle kernen. Ook wordt gezegd dat de komende 10 jaar nog veel gebouwd moet worden. Daarna neemt de behoefte aan extra woningen af door stabilisatie van de bevolkingsgroei en hoeft er beduidend minder toegevoegd/ bijgebouwd te worden. De bevolkingsgroei zorgt voor de periode tot 2030 voor woningbouwbehoefte. In het basisdocument wordt hierbij onderscheidt gemaakt tussen kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Kwantitatief: Meierijstad had op 1 januari 2017 79.800 inwoners. Naar verwachting zal het aantal inwoners toenemen naar 83.375 inwoners in 2030. Een toename van bijna 4,5%. De jaren daarna blijft Meierijstad groeien, maar minder in omvang. Namelijk met 1,4% naar 84.530 inwoners in 2040. De gemeente Meierijstad telde op 1 januari 2017 33.613 particuliere huishoudens, waarvan 48% in de voormalige gemeente Veghel, 30% in de voormalige gemeente Schijndel en 22% in de voormalige gemeente Sint-Oedenrode.
De provincie prognosticeert een toename van ruim 4.400 extra huishoudens in de gemeente Meierijstad (een toename van 13%). Dit betekent dat er ruim 5.400 woningen extra nodig zijn tot 2040. Dit is uitgaande van de hoge prognose waarbij de achterstand die er op de woningmarkt is ontstaan, geheel wordt ingehaald. Op de eerste plaats dient de gemeente te voorzien in de woningbehoefte van haar eigen bevolkingsontwikkeling, gebaseerd op geboorte- en sterftecijfers en de taakstelling statushouders en beperkt arbeidsmigranten. De beperkte plusopgave (verstedelijkingsopgave van de kern Veghel) kan ingezet worden om in de behoefte van huishoudens die zich willen vestigen in Veghel te voorzien. In afbeelding 3.3 is een tabel weergegeven met de kwantitatieve woningbehoefte in Meierijstad.
Afbeelding 3.3: Kwantitatieve woningbouw Meierijstad
In de periode 1-1-2018 tot 2040 zouden er 4.466 tot 5.421 woningen toegevoegd moeten worden op basis van de lage respectievelijk de hoge provinciale woningbehoeftecijfers. De grootste toename zit in de komende 10 jaar (2018-2028). Voor de komende 10 jaar is er behoefte aan 3.136 tot 3.941 woningen welke de kwantitatieve woningbehoefte is voor het woningbouwprogramma op basis van de
Hoofdstuk 3
26
lage respectievelijk de hoge woningbehoefte. De provincie gaat er bij de hoge prognose van uit dat in 2030 de gehele achterstand in realisatie woningbouw is ingehaald. Vandaar dat de cijfers voor de periode 2030-2040 voor zowel de lage als de hoge prognose gelijk zijn. Uit cijfers (Woonvisie, juli 2018) blijkt dat de gemeente voor de komende 10 jaar een bouwprogramma van circa 556 woningen aan de kern Sint-Oedenrode wil toekennen. Dit aantal volgt uit de woningbehoefte en een beleidsmatige keuze van de gemeente over de wijze waarop deze behoefte over de kernen wordt verdeeld. Kwalitatief: De huishoudenssamenstelling verandert de komende jaren als gevolg van vergrijzing, ontgroening en huishoudensverdunning. Met name het aantal oudere huishoudens, ouder dan 75 jaar groeit sterk, zoals te zien is in onderstaande figuur. De vraag naar woningen voor eenpersoonshuishoudens stijgt; dit geldt zowel voor ouderen als jongeren. De komende jaren zal Meierijstad flink vergrijzen. Het aantal huishoudens van 75 jaar en ouder zal naar verwachting tot 2040 meer dan verdubbelen. In 2040 zal in Meierijstad een kwart van alle huishoudens 75 jaar of ouder zijn.
Uit het onderzoek van de werkgroep die in het kader van het traject van de woonvisie woonwensen en woonbehoeften van ouderen in kaart heeft gebracht blijkt dat er 2.700 senioren graag willen verhuizen waarvan 1.600 binnen 1 tot 3 jaar.
Het aantal jonge huishoudens en het aantal gezinnen blijven nagenoeg gelijk. Hoewel Meierijstad vergrijst, blijft het aantal en aandeel gezinnen naar verwachting ook de komende jaren groot. De doelgroep blijft door zijn aanhoudende omvang dus ook in de toekomst een factor van betekenis op de woningmarkt in Meierijstad. Gezinnen met kinderen zoeken relatief vaak een eengezinskoopwoning, met name tussen de €250.000 en €350.000. Het aantal jonge huishoudens tot 35 jaar blijft in de gemeente Meierijstad de komende jaren nagenoeg gelijk. Deze groep op de woningmarkt is echter wel sterk geneigd te verhuizen. Met andere woorden: de doelgroep jonge huishoudens is misschien qua omvang klein (en wordt steeds kleiner), maar de impact op de woningmarkt is en blijft er.
Hoofdstuk 3
27
Jongeren en jonge gezinnen ondervinden bij hun zoektocht naar geschikte woonruimte beperkingen wat betreft betaalbaarheid/financierbaarheid.
De kwalitatieve behoefte aan woningen voor de komende jaren (tot 2030) is in de woningbouwprogrammering voor de komende 10 jaar voor Meierijstad in zijn totaliteit de volgende verdeling (prijspeil 2018) aangehouden: 25% sociale huur 15% huur vanaf € 710,-/maand 10% koop < € 185.000 (goedkoop) 20% koop € 185.000 tot € 275.000 (middelduur) 20% koop > € 275.000 (duur) 10% variabel in te zetten Doorwerking plangebied Kwantitatief De ontwikkeling waarin dit bestemmingsplan voorziet, gaat uit van sloop van enkele panden, waarin in totaal 5 woningen aanwezig zijn, het amoveren van de bouwtitel voor één vrijstaande woning aan het Leerlooierspad en de nieuwbouw van één pand met daarin op de verdieping maximaal 6 nieuwe woningen. In planologisch opzicht is er per saldo derhalve sprake van een gelijkblijvend aantal woningen. Feitelijk wordt er één extra woning toegevoegd. Voor de kern Sint-Oedenrode is in het kwantitatief kader opgenomen dat de additionele woningbehoefte tussen 2018 en 2028 in totaal 556 extra woningen bedraagt. De vervangende nieuwbouw die met dit plan wordt voorzien, is niet van invloed op het kwantitatieve programma. Kwalitatief In de huidige situatie is er sprake van 2 bovenwoningen, 3 grondgebonden woningen (waarvan één vrijstaand) en één bouwtitel voor een vrijstaande woning. De nieuwe woningen waarin wordt voorzien betreffen appartementen en studio’s.
Hiermee wordt in algemene zin aangesloten op de geconstateerde kwalitatieve woningbehoefte gezien de demografische ontwikkelingen in Meierijstad. Vanuit het beleid van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode kan worden afgeleid dat kwalitatief het accent wat betreft inbreiding in bestaand stedelijk gebied ligt op: Huur geschikt / senioren; Huur gestapeld; Koop geschikt / senioren Koop gestapeld De woningen waarin dit plan voorziet betreffen gestapelde woningen. De woningen zijn in principe geschikt voor ouderen, maar ook voor jongeren/starters op de woningmarkt. Met het oog op het woonbeleid van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode om in het centrum niet enkel voor senioren te bouwen maar ook voor andere doelgroepen, past dit goed binnen het gemeentelijk woonbeleid. Gezien het vorenstaande kan derhalve worden geconcludeerd dat de ontwikkeling waarin dit bestemmingsplan voorziet qua woningtypen passend is binnen de gemeentelijke woningbouwbeleid.
Hoofdstuk 3
28
4.
PLANBESCHRIJVING 4.1
Algemeen
De Albert Heijn kan op haar huidige locatie geen toekomstbestendige supermarkt meer exploiteren. Behoud van een full-servicesupermarkt is noodzakelijk voor het centrum van Sint-Oedenrode. Vanwege het te beperkte winkelvloeroppervlak zijn investeringen op de huidige locatie onvoldoende rendabel. Daarnaast stelt de hedendaagse consument andere eisen en heeft zij andere wensen. Aan deze eisen en wensen kan Albert Heijn op de huidige locatie niet voldoen. Op de locatie Borchmolendijk/Passtraat kan de Albert Heijn een nieuwe winkel realiseren met een winkelvloeroppervlak van 1.500 m 2. Met een dergelijk winkelvloeroppervlak kan een toekomstbestendige supermarkt worden geëxploiteerd en kan de Albert Heijn de consument optimaal van dienst zijn. De keuze om de Albert Heijn naar deze locatie te verplaatsen is een weloverwogen keuze geweest.
4.2 Ruimtelijke ontwikkeling Ter plaatse van de huidige locatie van de Albert Heijn is geen sprake van fysieke wijzigingen. Uitsluitend de mogelijkheid om in het pand een supermarkt te exploiteren wordt middels dit bestemmingsplan verwijderd. Omdat verder geen sprake is van enige ontwikkeling hier, wordt hier niet nader op ingegaan. Wat betreft de ontwikkeling aan de Borchmolendijk kan onderscheid worden gemaakt in de herontwikkeling van de plint langs de Borchmolendijk en de ontwikkeling van de supermarkt op het terrein van drankenhandel De Leijer. Op beide wordt hierna nader ingegaan. Het plangebied grenst aan meerdere straten (Borchmolendijk, Passtraat en Leerlooierspad) en kent daarnaast een ‘eigen’ binnenterrein. Deze straten kennen allemaal een eigen sfeer en bebouwingskarakteristiek, waardoor nieuwe plannen moeten aansluiten op deze verschillende karakteristieken. Daarom zijn er 3 duidelijk te onderscheiden deelgebieden of zones met elk een specifieke karakteristiek, sfeer en uitstraling. Deze gebieden vragen elk om een specifieke benadering, zowel qua kwantitatieve ruimtelijk-stedenbouwkundige aspecten als beeld- en inrichtingskwaliteitsaspecten. Hierna wordt per zone ingegaan op deze aspecten. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar het beeldkwaliteitsplan, dat als bijlage is opgenomen.
Te onderscheiden zijn de volgende zones (zie indicatief figuur 4.1): rood: zone aan de Borchmolendijk; blauw: zone aan de Passtraat; geel: zone georiënteerd op het binnenterrein met aandacht voor de overgang naar het Sluisplein/Leerlooierspad.
Hoofdstuk 4
29
Figuur 4.1: Aanduiding in kleur van de drie benoemde zones
Basis voor ontwikkeling is dat de uitstraling en het karakter van de nieuwe ontwikkeling moet aansluiten bij het historisch karakter van de Borchmolendijk, de bebouwingskarakteristiek aan de Passtraat en de overgang naar het opener en groenere karakter rondom het Leerlooierspad. De nieuwe bebouwing bestaat overwegend uit laagbouw. Enkel aan de Borchmolendijk is een hogere bouwmassa toegestaan, in de vorm van twee bouwlagen en een kap. 4.2.1 Ontwikkeling zone Borchmolendijk De gebouwen/panden aan de Borchmolendijk 14, 16, 18, 20, 20a en 22 en Passtraat 2 maken onderdeel uit van het plangebied. Deze bestaande bebouwing wordt gesloopt en vervangen door nieuwe bebouwing in de noordoostelijke hoek van het plangebied. De rooilijn van de bebouwing zal ten opzichte van de huidige rooilijn iets teruggelegd worden. Mede hierdoor wordt het mogelijk om het laden en lossen ten behoeve van de supermarkt plaats te laten vinden aan deze zijde van de Borchmolendijk. In paragraaf 5.10 wordt hier nader op ingegaan. Tussen het nieuwe gebouw en het pand Borchmolendijk 12/12a komt een open ruimte, waar de toegang tot het parkeerterrein en een centrumdorpse groenvoorziening, omheind met een hekwerk en voorzien van een voor deze zijde van de Borchmolendijk kenmerkende stoep, worden beoogd.
De nieuwe bebouwing aan de Borchmolendijk zal overwegend uit tweelaagse bouwmassa’s met evenwijdig aan de weg gesitueerde kappen bestaan. De goot- en nokhoogten variëren teneinde een divers straatbeeld te krijgen, dat past in het beschermd dorpsgezicht. Een klein gedeelte zal plat worden afgedekt. Het gebouw wordt zo vormgegeven dat het voor wat betreft de straatzijde aan de Borchmolendijk, lijkt te bestaan uit meerdere, geschakelde panden met een dorps karakter. Aandacht gaat uit naar
Hoofdstuk 4
30
de aansluiting tussen het binnenterrein en de Borchmolendijk. Dit geldt in ieder geval voor de belangrijkste hoofdmassa’s, namelijk de bebouwing tussen de voorgevelrooilijn van de bebouwingswand aan de Borchmolendijk en de heersende achtergevelrooilijn van de bebouwing aan de Borchmolendijk. Dit om de eenheid in beeld en bebouwingskarakteristiek gezien vanuit de Borchmolendijk te versterken. Middels een dubbele oriëntatie en rijke detaillering wordt de fijnschalige structuur en historisch karakter van de Borchmolendijk niet aangetast.
Afbeelding 4.2: indicatief schetsontwerp mogelijke planuitwerking nieuwbouw aan de Borchmolendijk.
In afbeelding 4.2 is een indicatief schetsontwerp en sfeerbeeld ter hoogte van de supermarkt opgenomen. Op de verdiepingen kunnen de sociale ruimten behorende bij de supermarkt geïntegreerd worden, alsmede maximaal zes wooneenheden. In de planregels zijn in deze zone de maximale goot- en bouwhoogten, de minimale en maximale dakhellingen, situering van rooilijnen en maximale bouwdiepte vastgelegd. 4.2.2 Ontwikkeling zone Passtraat De huidige Passtraat kenmerkt zich door een afwisseling van voor- en achterkanten. Aan de zijde van de Borchmolendijk is de bebouwing lager dan de nieuwbouw aan de zijde van het Sluisplein. Om een doorzetting van deze ruimtelijke karakteristiek te bewerkstelligen zijn aan de nieuwbouw eisen gesteld die moeten zorgen voor behoud van deze afwisseling. Er is gekozen voor een lage goothoogte in combinatie met een kapverplichting voor de gevels direct grenzend aan de Passtraat. Daarnaast is een hoogte-accentje tot maximaal 8,5 meter aan de zuidzijde mogelijk gemaakt om te accentueren dat het gebouw voor wat betreft deze straatzijde lijkt te bestaan uit meerdere, geschakelde panden met een dorps karakter. 4.2.3 Ontwikkeling binnenterrein en overgang naar Sluisplein/Leerlooierspad Alle in de huidige situatie aanwezige bebouwing op het terrein van drankenhandel De Leijer wordt gesloopt. Ook de woning aan de Passtraat 2 wordt gesloopt.
De planologische mogelijkheid om op het achterterrein een vrijstaande woning te bouwen vervalt met dit bestemmingsplan. Het terrein direct achter de gebouwen/tuinen aan de Borchmolendijk 12/12a, 14 en 16 wordt ingericht als parkeerterrein. Dit parkeerterrein doet dienst als parkeerterrein ten behoeve van de supermarkt. Er worden enkele parkeerplaatsen gerealiseerd ten behoeve van de woningen (als dubbelgebruik, zie ook paragraaf 5.10). De supermarkt krijgt een bruto-oppervlakte van circa 1.900 m 2 en een maximaal winkelvloeroppervlak van 1.500 m2 (met de mogelijkheid om op de verdiepingen van de nieuw te bouwen panden aan de
Hoofdstuk 4
31
Borchmolendijk een sociale ruimte van maximaal 100 m² in te richten). Met een dergelijk winkeloppervlak kan een ruime winkel gepresenteerd worden die beter aansluit bij de eisen en wensen die de consument stelt aan een moderne full-service supermarkt. Op basis van een dergelijk maximaal winkelvloeroppervlak zijn de investeringen die verricht moeten worden ook renderend. De supermarkt, hieronder worden tevens het magazijn en andere niet voor publiek toegankelijke ruimten verstaan, beslaat nagenoeg het gehele perceel gelegen tussen het parkeerterrein en de perceelsgrens aan de Passtraat. Het gebouw bestaat aan het binnenterrein uit één bouwlaag met een bouwhoogte van overwegend maximaal 5,5 meter. De toegang tot de supermarkt bevindt zich bij het parkeerterrein. Door hier de in- en uitgang te situeren zijn de looplijnen tot de auto zo beperkt mogelijk. De nieuwe toegang tot het parkeerterrein bevindt zich aan de Borchmolendijk, waar is voorzien in één entree voor in- en uitgaand gemotoriseerd verkeer, gelegen tegenover het pand Borchmolendijk 9/9a. Verkeer van en naar de supermarkt kan via de Borchmolendijk rijden, waarbij aankomst en vertrek zowel vanuit c.q. naar noordelijke en zuidelijke richting kan plaatsvinden.
Er is een afzonderlijke toegang voor voetgangers aan deze zijde en voor langzaamverkeer is er tevens een toegang (af te sluiten met een poort) vanuit het Leerlooierspad/Sluisplein voorzien. Ter plaatse van de entree van de supermarkt biedt het plan de mogelijkheid om een luifel aan het hoofdgebouw te realiseren van maximaal 5 meter hoog. Daarnaast is op één plek aan de zuidwestzijde een mogelijkheid geboden om een hoogteaccent met kap te realiseren (maximaal 8 meter hoog). Dit om de dorpse uitstraling ook vanuit de zuidzijde te benadrukken. Ten zuiden van de hoofdbebouwing is een zone aangegeven waar bijbehorende bouwwerken mogen worden opgericht. Deze kennen dezelfde vormentaal en bijbehorende stijl als de hoofdgebouwen in deze zone. In afbeelding 4.3 is een 3D-weergave van de bouwmogelijkheden volgens onderhavig bestemmingsplan opgenomen.
Afbeelding 4.3: 3D-weergave toekomstige situatie op basis van bouwmogelijkheden bestemmingsplan
Hoofdstuk 4
32
4.3 Distributieve mogelijkheden en effecten 4.3.1 Algemeen Zoals eerder aangegeven is in verband met de verplaatsing en uitbreiding van de supermarkt een Ruimtelijk-functionele Effectenanalyse4 uitgevoerd. Deze onderzoeksrapportage is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. De conclusie voor wat betreft de distributieve mogelijkheden en effecten wordt hierna weergegeven. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar de onderzoeksrapportage. 4.3.2 Conclusie distributieve mogelijkheden en effecten Op basis van de gemaakte berekeningen, analyse en de besproken argumentatie, concludeert BRO dat er voor de verplaatsing en uitbreiding van Albert Heijn zowel in kwalitatieve als kwantitatieve zin sprake is van een actuele regionale behoefte. Positieve effecten initiatief op centrum Met de verplaatsing en uitbreiding van Albert Heijn zijn positieve effecten te verwachten voor het centrum van Sint-Oedenrode. Het dagelijks aanbod en productassortiment in het centrum wordt met de uitbreiding van de Albert Heijn namelijk vergroot. Ook neemt de parkeerdruk op de Markt af, waardoor deze ruimer beschikbaar is voor klanten van andere winkels in het (noordelijk deel van het) centrum.
Ook vermindert de verkeersdruk gerelateerd aan het laden en lossen op de doorgaande parkeerroute direct achter het centrumgebied nabij de vertreklocatie van de Albert Heijn aan de achterzijde van het huidige pand (nabij Odendael). Met twee (moderne) supermarkten aan beide uiteinden van het kernwinkelgebied krijgt het centrum van de gemeentelijke hoofdkern een sterker toekomstperspectief, wat ook past in het gemeentelijk, regionaal en provinciaal beleid. De plannen van Albert Heijn dragen daarmee bij aan een versterking van de regionale detailhandelsstructuur en de consumentenverzorging. Gemeentelijke ambities centraal Het initiatief van Albert Heijn betreft een verplaatsing en vergroting van de bestaande supermarkt, zodat zijn trekkersrol voor het centrum optimaler benut kan worden. Dit is expliciet als project opgenomen in de gemeentelijke centrumvisie.5 De belangrijkste gemeentelijke ambities voor het centrum betreffen een zo aantrekkelijk mogelijk aanbod voor de eigen inwoners en versterking van de regionale aantrekkingskracht. Door huisvesting van de Albert Heijn direct grenzend aan de Borchmolendijk ziet het initiatief juist daarop. Aan de essentiële voorwaarde dat er zowel aan de noord- als de zuidzijde van het centrum een supermarkt blijft, wordt dan ook voldaan.
Daartegenover staat dat, in het geval dat Albert Heijn niet kan uitbreiden en verplaatsen, de winkel mogelijk zal verdwijnen en er juist sprake zal zijn van een verzwakkend effect op het noordelijk deel van het centrum, waardoor het centrum als geheel niet langer zijn (kleine) streekverzorgende rol zal kunnen vervullen. Het college van de gemeente Meierijstad heeft ingestemd met een verplaatsing naar de planlocatie aan de Borchmolendijk. Een van die voorwaarden is dat de toegang van de supermarkt en het parkeerterrein aan de Borchmolendijk komen te liggen. Ook zal de eventuele verplaatsing en ver-
4
BRO, Sint-Oedenrode, Ruimtelijk-functionele Effectenanalyse Albert Heijn Sint Oedenrode, d.d. 21 november 2019.
5 Gemeente Meierijstad, Centrumvisie Sint-Oedenrode 2018, door DTNP
Hoofdstuk 4
33
groting van AH leiden tot een vergroting van de parkeercapaciteit aan de noordzijde van het centrum. Met de verplaatsing van de AH-supermarkt verandert er ook iets aan de parkeerbehoefte en -voorzieningen in het centrum. Doordat het parkeren voor supermarktbezoekers in de toekomst op eigen terrein wordt opgevangen, ontstaat er ruimte op de Markt om de verblijfskwaliteit te vergroten. Hierbij is de relatie met Kerkplein en Heuvel van groot belang om de compacte centrumstructuur te behouden. Indien de supermarkt niet zal kunnen verplaatsen en uitbreiden zal de concurrentiepositie van de winkel verslechteren. Er zal meer koopkracht blijven afvloeien naar andere gemeenten. Het verdwijnen van Albert Heijn uit de gemeente is op termijn daardoor niet uit te sluiten. Daarmee verzwakt de concurrentiepositie van het noordelijk deel van het centrum, dat dan aan trekkracht verlies. Op termijn kan dit grote gevolgen hebben voor het centrum en de positie van Sint-Oedenrode in de regio.
Effecten in regio en duurzame ontwrichting Op grond van de theoretische marktberekening moet geconcludeerd worden dat bij realisatie van de verplaatsing en uitbreiding van Albert Heijn geen negatief omzeteffect optreedt. In het toekomstige scenario wordt rekening gehouden met het verplaatsen en uitbreiden van de Albert Heijnsupermarkt. Hierdoor neemt het functionele aanbod in de dagelijkse sector in het verzorgingsgebied toe met circa 660 m² wvo6. Gelijktijdig is de verwachting dat de koopkrachtbinding zal toenemen. Hierdoor blijft de gemiddelde vloerproductiviteit in Sint-Oedenrode naar verwachting stabiel op circa € 6.275 per m² wvo, wat betekent dat er geen omzeteffect zal zijn (0%) ten opzichte van de huidige vloerproductiviteit. BRO gaat er in het algemeen vanuit dat bij een omzetverdunning van meer dan 10% ten opzichte van de huidige situatie het verdwijnen van bestaand aanbod niet uit te sluiten is. Hiervan is in dit geval geen sprake. Dit maakt dat het niet de verwachting is dat er elders in het verzorgingsgebied aanbod zal verdwijnen als gevolg van het initiatief van Albert Heijn. Wel zal het aanbod nog altijd onder het landelijk gemiddelde functioneren. De bestaande supermarkten zullen naar verwachting geen omzeteffecten ondervinden als gevolg van de verhuizing en verplaatsing van Albert Heijn.
De supermarkten bedienen alleen hun eigen marktsegment en verzorgingsgebied. Albert Heijn komt met de verhuizing dichter in de buurt van discounter Aldi te liggen, maar deze winkels zijn juist complementair aan elkaar. De Jumbo in het centrum van Sint-Oedenrode heeft gezien zijn profiel, ligging en omvang een goede uitgangspositie en is (samen met Albert Heijn) de trekker van het centrum. Ook heeft de Jumbo in het noordelijk deel van Sint-Oedenrode een relatief sterke uitgangspositie, door de eigen profilering en solitaire ligging. Hoewel niet in de lijn der verwachting, gezien het stabiel blijven van de gemiddelde vloerproductiviteit, is het toch mogelijk dat het overige dagelijkse aanbod in de gemeente van (kleinschalige) food- en speciaalzaken en buurtwinkels (ook in de andere kernen) enige omzeteffecten ondervinden. De mate waarin dit effect zich voordoet en eventueel leidt tot het stoppen van een onderneming, zal sterk per winkel verschillen. Het functioneren van dergelijke winkels in Nederland staat als gevolg van autonome ontwikkelingen op dit moment in algemene zin al onder druk (bijv. consumenten bezoeken winkels met een ruim en onderscheiden aanbod, veranderende eisen aan ondernemerschap en het ontbreken van bedrijfsopvolging). De levensvatbaarheid is afhankelijk
6
wvo, betreft het winkelverkoop vloeroppervlak, dit zijn alleen de voor het publiek toegankelijke ruimten (dus exclusief magazi jn, kantoor, etalage, etc.
Hoofdstuk 4
34
van de bereidheid van inwoners om er gebruik van te maken. De eventuele effecten die een toename van het supermarktaanbod in de hoofdkern zou kunnen hebben op een kleinschalige buurtwinkel of speciaalzaak zijn niet los te zien van deze autonome ontwikkelingen. Daarbij zou met het eventueel verdwijnen van een of enkele van dergelijke winkels, bijvoorbeeld in de kleinste kernen, geen sprake zijn van een onacceptabele aantasting van de verzorgingsstructuur of van duurzame ontwrichting. Er is namelijk juist sprake van een versterking van de detailhandelsstructuur indien er twee moderne supermarkten in verschillende segmenten in de hoofdkern te vinden zijn. Het proces van verdwijnen van kleinschalige vers- of buurtwinkels is al langer gaande in landelijke gebieden. Ook al zouden mogelijk de buurtsuper en enkele speciaalzaken verdwijnen, dan is er nog geen sprake van duurzame ontwrichting omdat er binnen de gemeente voldoende alternatieve aankoopplaatsen zijn. De consumentenverzorging blijft ook intact: er is juist sprake van een versterking van het winkelaanbod en meer keuze voor de consument.
Woon-, leef- en ondernemersklimaat Mede op basis van het bovenstaande zijn onaanvaardbare effecten op het woon-, leef- en ondernemersklimaat niet te verwachten. Per saldo draagt het initiatief juist positief bij aan het woon-, leef- en ondernemersklimaat, omdat het centrumgebied van Sint-Oedenrode wordt versterkt, wat de leefbaarheid en consumentenverzorging ten goede komt. Ook is er geen sprake van omzeteffecten, aangezien de gemiddelde vloerproductiviteit stabiel blijft, waardoor niet verwacht wordt dat er zaken zullen verdwijnen als gevolg van het initiatief.
Hoofdstuk 4
35
5.
MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN 5.1 Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuw bestemmingsplan ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische aspecten daarbij een rol spelen. In dit hoofdstuk worden de verschillende voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten behandeld. In het kader van het onderzoeken van de milieuhygiënische en planologische aspecten is het verwijderen van de mogelijkheid om op de huidige locatie van de Albert Heijn aan de Markt een supermarkt te exploiteren, niet relevant. In dit hoofdstuk wordt hier verder dan ook geen aandacht aan besteed en wordt uitsluitend ingegaan op de ontwikkeling aan de Borchmolendijk.
5.2 Besluit milieueffectrapportage 5.2.1 Algemeen Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. 7 Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. 5.2.2 Onderzoek Om te bepalen of een m.e.r.
of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C respectievelijk D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. Drempelwaarden Lijst D De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject (zoals onderhavig project) is, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat; of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer;
7
HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 (Commissie tegen Nederland).
Hoofdstuk 5
36
als drempelwaarde opgenomen in het Besluit m.e.r. (D11.2). Het bestemmingsplan is aanzienlijk kleiner dan 100 hectare en omvat maximaal 6 nieuwe woningen alsmede een supermarkt (max. 2.000 m² bvo). Daarmee ligt het bestemmingsplan ruimschoots beneden de drempelwaarden, zoals bovenstaand opgesomd. Gelet op de kwalificatie, aard en omvang van het project is wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde. Om deze reden is een aanmeldingsnotitie opgesteld. Deze is opgenomen in de bijlagen. De initiatiefnemer dient de aanmeldingsnotitie in bij de gemeente. De gemeente (het bevoegd gezag) neemt binnen 6 weken na ontvangst van de aanmeldingsnotitie (mededeling) een beslissing of een MER gemaakt moet worden. Deze beslissing dient voorafgaand aan de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan te worden genomen. In de aanmeldingsnotitie wordt geadviseerd om, gelet op de plaats, de kenmerken en de beperkte potentiële milieugevolgen van het project, geen m.e.r. uit te voeren. 5.2.3 Conclusie Ten aanzien van het project geldt een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Zoals beschreven in de voorafgaande alinea zijn er geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten en wordt het daarom niet noodzakelijk geacht om een m.e.r. uit te voeren.
Hierover is op 1 februari 2021 een separaat besluit genomen waarbij is besloten dat bij de voorbereiding van onderhavige bestemmingsplanprocedure géén milieueffectrapport (MER) hoeft te worden gemaakt.
5.3 Geluid 5.3.1 Algemeen Op basis van de Wet Geluidhinder zijn drie geluidsbronnen waarmee bij de opstelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden. Het betreft wegverkeer-, spoorweg- en industrielawaai. In het plangebied worden nieuwe geluidsgevoelige functies in de vorm van woningen mogelijk gemaakt en een supermarkt. 5.3.2 Onderzoek Wegverkeerslawaai In verband met de ontwikkeling is een akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai8 uitgevoerd. Het onderzoek heeft alleen betrekking op de realisatie van maximaal 6 appartementen aan de Borchmolendijk. De te realiseren woningen zijn niet gelegen binnen de wettelijk vastgestelde zones van de wegen Corridor en Lindendijk. De wegen in de directe omgeving, zoals de Borchmolendijk, betreffen 30 km/uur wegen, die geen geluidzone hebben. De geluidbelasting van deze wegen is wel inzichtelijk gemaakt in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Uit het akoestisch onderzoek (par. 5.2 in de bijlage) blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting, exclusief aftrek overeenkomstig artikel 110g van de Wet geluidhinder, ten gevolge van alle wegen (zoneplichtig en niet zoneplichtig) in de directe omgeving van het plangebied, ten hoogste 69 dB op de voorgevels
8
Windmill, Akoestisch onderzoek Borchmolendijk Sint-Oedenrode, 9 juli 2020.
Hoofdstuk 5
37
en 55 dB op de achtergevels bedraagt. Gezien deze waarde is het vanuit goede ruimtelijke ordening noodzakelijk om te kijken naar passende maatregelen. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn redelijkerwijs niet mogelijk, wat in de onderzoeksrapportage gemotiveerd is beschreven. Maatregelen bij de ontvanger zijn aan te bevelen in de vorm van gevelmaatregelen, alsmede door bij het ontwerpen de geluidsgevoelige ruimten zoveel mogelijk aan de geluidluwe zijde te situeren. Ten minste één gevel kan als geluidluw worden aangemerkt. Voorwaardelijk verplichtend is, ter borging van een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen, voorgeschreven dat de binnenwaarde ten hoogste 35 dB(A) mag bedragen en elke woning ten minste één geluidluwe gevel dient te hebben. De cumulatieve geluidbelasting die hiervoor als uitgangspunt dient bedraagt maximaal 69 dB ter plaatse van de maatgevende nieuwe woningen. Railverkeerslawaai In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen spoorwegen waardoor het aspect railverkeerslawaai geen belemmering vormt. Industrielawaai Binnen het plangebied wordt een nieuwe supermarkt mogelijk gemaakt. Op de locatie van de supermarkt heeft voorheen eveneens een bedrijf gelegen. Geluidnormen voor supermarkten volgen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (verder te noemen Activiteitenbesluit).
In het Activiteitenbesluit zijn onder meer geluideisen opgenomen waaraan de inrichting moet voldoen. In dit kader is eveneens akoestisch onderzoek uitgevoerd. In paragraaf 5.11 (Bedrijven en milieuzonering) wordt op dit aspect nader ingegaan. Indirecte hinder Het effect van de verkeersgeneratie van de nieuwe planontwikkeling op bestaande omliggende woningen (Borchmolendijk) is eveneens in beeld gebracht. Dit veroorzaakt een toename van maximaal 0,3 dB op de bestaande woningen. Gesteld kan worden dat de ontwikkeling derhalve niet leidt tot een onaanvaardbare toename van de geluidbelasting op bestaande woningen. 5.3.3 Conclusie Uitgangspunt bij de realisatie van de woningen is het door middel van de karakteristieke geluidwering van de uitwendige constructie behalen van een binnenniveau van maximaal 35 dB(A). Hiervan uitgaande vormt de Wet geluidhinder geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.4 Luchtkwaliteit 5.4.1 Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Een nieuw initiatief is niet relevant als aannemelijk kan worden gemaakt dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële
Hoofdstuk 5
38
regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. 5.4.2 Onderzoek Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft in samenwerking met het Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld voor ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit als gevolg van een toename in het aantal verkeersbewegingen. Met deze rekentool kan worden berekend of een plan (niet) in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. In paragraaf 5.10 wordt nader ingegaan op de aspecten verkeer en parkeren. Uit deze paragraaf blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling sprake is van een toename van circa 866 verkeersbewegingen (lichte motorvoertuigen) en een afname van vrachtverkeer van en naar het centrumgebied van Sint-Oedenrode.
Tabel 5.1: Rekentool NIBM locatie Borchmolendijk/Passtraat
Zoals uit de bovenstaande tabel blijkt, is de bijdragen aan NO2 en PM10 ruimschoots minder dan de grenswaarde. De bijdrage van het extra verkeer is daarom als 'niet in betekenende mate' aan te merken. Dat betekent, dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk is en er voor wat betreft luchtkwaliteit geen belemmeringen zijn voor de voorgestane ontwikkeling. Daarnaast moet er ook gekeken worden naar de achtergrondwaarden m.b.t. de luchtkwaliteit in onderstaande tabel zijn de achtergrondwaarden van fijnstof en stikstof bij de dichtstbijzijnde toetspunten
Hoofdstuk 5
39
weergegeven. Zoals te zien is liggen de achtergrondwaarden ruim onder de gestelde norm. Om deze reden is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Id
NO2 μg/m3 PM10 μg/m3 PM10 overschrijdingsdagen PM2.5 μg/m3 Jaar
15521418 20.9
19.4
7.2
11.6
2020
15521430 22.5
19.8
7.5
11.7
2020
15521470 23.5
20.0
7.6
11.8
2020
15521518 23.2
19.9
7.6
11.7
2020
Norm
40
35
25
40
5.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.5 Externe veiligheid 5.5.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.). Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.
Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten
Hoofdstuk 5
40
worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants9. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (artikel 3.1 Wro) wordt ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Meierijstad Het doel van de beleidsvisie externe veiligheid is duidelijkheid verschaffen aan burgers en bedrijven over de wijze waarop de gemeente omgaat met het ruimtelijke scheiden van risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten.
Er wordt in de visie invulling gegeven aan de omgang met risiconormen en richtlijnen voor drie verschillende gebiedstypen: risicoluw gebied; gemengd gebied; intensief gebied. 5.5.2 Onderzoek In het plangebied is sprake van nieuwe functies die worden gezien als (beperkt) kwetsbare objecten. Daarom moet getoetst worden aan wetgeving op het gebied van externe veiligheid. Middels de Risicokaart is beoordeeld of deze risicobronnen in en rond het projectgebied aanwezig zijn. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. Uitsluitend de ontwikkelingslocatie wordt globaal weergegeven in deze afbeelding, de huidige locatie van de Albert Heijn is in dit kader niet van belang.
9
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Hoofdstuk 5
41
Afbeelding 5.1: Uitsnede Risicokaart
Risicovolle bedrijven Aan de Dommelstraat 20 te Sint-Oedenrode bevindt zich een inrichting met een chlooropslag (Zwembad De Neul). Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 240 meter uit de grens van deze inrichting. Een dergelijke inrichting valt niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). De PR 10-6 contour van de inrichting is gelegen binnen de perceelsgrenzen van de inrichting. Van een invloedsgebied dat in dit kader nader moet worden beschouwd is geen sprake. Transport gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt op ca. 750 meter van de rijksweg A50. Aangezien deze weg een invloedsgebied heeft van 880 meter (vanwege gevaarlijke stoffen uit categorie LT2), ligt het plangebied hierbinnen. Wel ligt het plangebied buiten 200 meter van deze weg waardoor slechts een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Beperkte verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van de rijksweg A50 dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij wordt de Veiligheidsregio conform artikel 9 van het Bevt om advies gevraagd. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van de ramp Voor dit onderdeel en het onderdeel zelfredzaamheid wordt advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Brabant Noord.
Hoofdstuk 5
42
De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld: 1. Is het rampscenario te bestrijden? 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? 1. Is het rampscenario te bestrijden? Gezien de afstand van het plangebied tot de Rijksweg A50 (ca. 750 meter) is hiervoor het vrijkomen van een toxische wolk het maatgevende scenario. Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagen lek raakt en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Het scenario toxische wolk kan doorgaans bestreden worden door de gaswolk neer te slaan middels een waterscherm. In de omgeving van de locatie van de calamiteit is hiervoor echter onvoldoende bluswater aanwezig. De bestrijdbaarheid van dit scenario is dan ook matig te noemen. 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? Het optreden van de brandweer zal zich in eerste instantie beperken tot het evacueren van mensen en het afzetten van het gevarengebied. Daarna zal worden overgegaan tot het beperken van de omvang van de calamiteit. Het rampgebied is vanaf meerdere zijden door de hulpdiensten te bereiken. In de directe omgeving van het rampgebied Rijksweg A50 is echter geen bluswatervoorziening aanwezig.
De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. De mogelijkheden t.a.v. zelfredzaamheid zijn goed. Er zijn geen aanwijzingen dat een groep niet-of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied aanwezig (zullen) zijn. De aanwezigen zijn naar verwachting voldoende mobiel om zelfstandig te kunnen vluchten. Bij een toxische wolk is schuilen het beste handelingsperspectief. Nieuwbouw van gebouwen is als gevolg van de eisen in het Bouwbesluit doorgaans goed geïsoleerd en beschikt over een uitschakelbare mechanische ventilatie. Het schuilen kan hierdoor effectief plaatsvinden. Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang dat het plangebied: 1. goed te alarmeren is; 2. goed te ontvluchten is. 1. Alarmering: Over het algemeen is in de gemeente Meierijstad de WAS-dekking op orde.
Daarnaast kan in geval van een calamiteit NL-alert in worden gezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen.
Hoofdstuk 5
43
2. Vluchtmogelijkheden: Binnen het plangebied zijn voldoende vluchtwegen van de risicobronnen af (richting oosten). Leidingen Binnen een straal van 500 meter van het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Advies Veiligheidsregio Brabant-Noord Op 23 april 2020 is door de Veiligheidsregio Brabant-Noord een advies opgesteld in het kader van externe veiligheid. Hieronder is het advies opgenomen: De veiligheidsregio onderschrijft de conclusies. Aanvullend op de externe veiligheidsparagraaf adviseert de veiligheidsregio het volgende: Informeer de BHV organisatie Albert Heijn actief over het aanwezig risico en handelingsperspectief. Adviseer hen om in het plan beschreven scenario toxisch in het noodplan op te nemen en te beoefenen. Verplicht de initiatiefnemer om potentiele kopers/huurders van de appartementen te informeren over het aanwezig risico en handelingsperspectief. Zij kunnen deze informatie meewegen in het besluit om zich hier te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. 5.5.3 Conclusie Voor wat betreft externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling. De adviezen van de Veiligheidsregio zullen worden opgevolgd.
5.6 Bodem 5.6.1 Algemeen Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Er dient bepaald te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. 5.6.2 Onderzoek Op de locatie zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd, te weten: 1. Verkennend bodemonderzoek locatie Sluisstraat e.o., Amitec bv, rapport met nummer VO/96276/V1, d.d. 8 januari 1997; 2. Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Borchmolendijk 16 Inpijn-Blokpoel Son Milieu bv, rapport met nummer MB-3775, d.d. 12 januari 2001 en 19 maart 2001; 3. Verkennend bodemonderzoek Passtraat Amitec bv, rapport met nummer HO/1.041/V1, d.d. mei 2001; 4. Verkennend bodemonderzoek Borchmolendijk 16-22a en Passtraat 2, MILON bv, rapport met nummer 20151580, d.d. 15 januari 2016;
Hoofdstuk 5
44
5. Verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek Borchmolendijk 12 t/m 22 (a) en Passtraat 2 te Sint-Oedenrode, MILON bv, rapport met nummer 20192286, d.d. 23 januari 2020 v2.0; 6. Verkennend en aanvullend onderzoek Borchmolendijk 14 en 22 te Sint-Oedenrode, MILON bv, rapport met nummer 20192286-1, d.d. 17 februari 2020. De complete onderzoeken van referentienummers 4 t/m 6 zijn als bijlagen bij deze toelichting gevoegd. De bodemonderzoeken met referentienummers 1 t/m 3 zijn voorafgaand aan het onderzoek uit 2016 (referentie nummer 4) bij de gemeente ingezien. Deze onderzoeken zijn niet fysiek in bezit van de initiatiefnemer. Hieronder wordt per perceel een samenvatting gegeven van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en in welke onderzoeken dit is onderzocht. Sint-Oedenrode, Sectie G, nummer 3981, Borchmolendijk 12-12a Deze locatie is onderzocht in het rapport met referentie 5. Uit het onderzoek blijkt dat in de boven- en ondergrond bijmengingen met puin aanwezig zijn. In zowel de boven-, ondergrond en grondwater worden maximaal licht verhoogde waarden gemeten. Asbestonderzoek is over de gehele locatie uitgevoerd en niet aangetroffen op deze locatie. De aangetroffen waarden geven geen aanleiding voor nader onderzoek, noch vormen zij een beperking voor de toekomstige ontwikkelingen.
Sint-Oedenrode, Sectie G, nummer 2863, Borchmolendijk 14 Deze locatie is onderzocht in het rapport met referentie 6. In dit onderzoek zijn 2 boringen in de tuin geplaatst om de locatie hiermee te betrekken bij de reeds onderzochte locatie. Uit het onderzoek blijkt dat in de bovengrond bijmengingen met baksteen worden aangetroffen. In de bovengrond wordt een sterk verhoogde waarde aan zink gemeten. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat ter plaatse sprake is van een heterogene grondverontreiniging. In het verkennend onderzoek zijn in de directe omgeving geen verontreinigingen aangetroffen. De verontreiniging lijkt zich dan ook te beperken tot de tuin van huisnummer 14. Gelet op het beperkte oppervlak wordt aanvullend onderzoek niet zinvol geacht. De omvang van de verontreiniging beperkt zich tot de binnentuin (circa 25 m2) over een diepte van 0,0 tot 0,5 m-mv. Hiermee is maximaal 15 m3 sterk verontreinigd. Hiermee betreft het een niet ernstig geval van bodemverontreiniging. Voor deze locatie wordt na sloop de verontreiniging gesaneerd middels een plan van aanpak, waarbij gesaneerd wordt tot de maximale waarde voor industrie. Hiermee voldoet de bodem na de sanering aan de kwaliteitseisen voor de toekomstige ontwikkelingen.
Sint-Oedenrode, Sectie G, nummers 3893, 4382, 4430, 5044 Borchmolendijk 16, 18, 20, 20a, 22a en achterterrein Deze locatie is onderzocht in het rapport met referenties 1 t/m 5. Uit het onderzoek blijkt dat de eerder aangetroffen verontreiniging (refentienummer 1 en 3) met zink niet meer wordt aangetroffen in de later uitgevoerde onderzoeken. Wel wordt op het achterterrein een verontreiniging met koper en zink aangetroffen. Deze verontreiniging hangt samen met de zintuigelijke bijmengingen van puin en baksteen op de locatie. De mate van bodemvreemde bijmengingen is echter niet bepalend voor de hoogte van de gemeten gehalten aan koper en zink. De omvang van de verontreiniging is tot aan de oostelijke perceelsgrens voldoende afgeperkt. In verticale richting is de verontreiniging volledig afgeperkt, het betreft de bodemlaag van 0,0 tot circa 0,6 m-
Hoofdstuk 5
45
mv waarin sterk verhoogde concentraties koper en zink worden aangetroffen. Vanaf 0,6 tot 1,0 m-mv worden uitsluitend licht of geen verhoogde concentraties aangetroffen. De omvang van de verontreiniging met concentraties boven de interventiewaarde (sterk verontreinigd) wordt geschat op circa 200 m3 (325 m2 x 0,6 m1). De omvang van de verontreiniging met concentraties boven de achtergrondwaarde (licht/matig verontreinigd) wordt geschat op circa 300 m 3. Naar verwachting is de verontreiniging ontstaan als het gebruik van verontreinigd ophoogmateriaal wat in het verleden is toegepast. Hiermee wordt aangenomen dat het historische verontreiniging betreft. Ter plaatse van het achterterrein wordt zowel bodem met puinbijmengingen, als puinlagen aangetroffen. Uit het verkennend asbest onderzoek blijkt dat op het achterterrein in een puinlaag asbest boven de norm voor nader onderzoek aanwezig is. Deze verontreiniging is op basis van de analyses en zintuiglijke waarnemingen gedeeltelijk ingekaderd. Voor beide aangetroffen verontreinigingen geldt dat ter plaatse van de verontreinigingen geen grondverzet plaatsvindt. Eventuele kabels en leidingenstroken worden buiten deze verontreinigingscontouren geplaatst. De verontreinigingen worden gesaneerd middels een duurzame afdichting. Het achterterrein wordt in de toekomstige situatie gebruikt als parkeerplaats en daarmee verhard.
Hierdoor zijn er geen contactmogelijkheden met de verontreiniging en daarmee geen humane risico’s. Gelet op de aard van de verontreinigingen en het toekomstig gebruik zijn er tevens geen verspreiding of ecologische risico’s. Buiten de twee aangetroffen verontreinigingscontouren worden op de locatie maximaal licht verhoogde waarden aangetroffen in de boven- en ondergrond (referentienummers 5 en 6). In het grondwater wordt voor geen van de parameters de streefwaarden overschreden. Deze aangetroffen waarden geven geen aanleiding voor nader onderzoek, noch vormen zij een beperking voor de toekomstige ontwikkelingen. Sint-Oedenrode, Sectie G, nummer 4788, Passtraat 2 Deze locatie is onderzocht in het rapport met referenties 1 t/m 4. Uit het onderzoek blijkt dat in de bovengrond resten puin worden aangetroffen. In zowel de boven- als ondergrond worden maximaal licht verhoogde waarden gemeten. Het grondwater is niet specifiek onderzocht op dit perceel maar over het gehele terrein meegenomen. In het grondwater worden maximaal licht verhoogde waarden voor barium gemeten. Dit perceel is, op basis van de zintuigelijke bijmengingen, niet verdacht op het voorkomen van asbest. De aangetroffen waarden geven geen aanleiding voor nader onderzoek, noch vormen zij een beperking voor de toekomstige ontwikkelingen.
Sint-Oedenrode, Sectie G, nummer 4802 en 4804, Borchmolendijk 22 Deze locatie is onderzocht in het rapport met referenties 5 en 6. Uit het onderzoek blijkt dat in de boven- en ondergrond resten baksteen en/of puin zijn waargenomen. In deze laag wordt een sterke verontreiniging met zink, cadmium, koper en lood aangetroffen. De omvang van de verontreiniging met concentraties boven de interventiewaarde (sterk verontreinigd) wordt geschat op circa 400 m³ (200 m² x circa 2,0/2,5 m-mv). Naar verwachting is de verontreiniging ontstaan als het gebruik van verontreinigd ophoogmateriaal wat in het verleden is toegepast. Hiermee wordt aangenomen dat het historische verontreiniging betreft. Op basis van de geschatte omvang en de oorzaak van de verontreiniging kan gesteld worden dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Hoofdstuk 5
46
Voor deze locatie wordt na sloop de verontreiniging gesaneerd middels een BUS-melding, waarbij gesaneerd wordt tot de maximale waarde voor industrie. Hiermee voldoet aan de kwaliteitseisen voor de toekomstige ontwikkelingen. Buiten de aangetroffen verontreinigingscontour wordt op de locatie maximaal licht verhoogde waarden aangetroffen in de boven- en ondergrond (referentie 5 en 6). In het grondwater is het eerder vastgestelde verhoogde gehalte aan minerale olie (referentie 5) niet bevestigd. Deze aangetroffen waarden geven geen aanleiding voor nader onderzoek, noch vormen zij een beperking voor de toekomstige ontwikkelingen. PFAS Binnen de gehele onderzoekslocatie liggen de gehaltes aan PFAS ruimschoots lager dan de ad hoc interventiewaarde. Daarnaast zijn de gehaltes aan PFAS lager dan de maximale waarde van bodemfunctieklasse Landbouw/natuur. Omdat de bepalingsgrens voor PFAS niet wordt overschreden komt de grond in aanmerking voor toepassingen onder grondwaterniveau, diepe plassen en binnen grondwaterbeschermingsgebieden. 5.6.3 Conclusie Het plangebied is door middel van diverse bodemonderzoeken uitgebreid onderzocht. Uit de diverse onderzoeken blijkt dat op de locatie 4 verontreinigingen aanwezig zijn, te weten: Borchmolendijk 14, verontreiniging met zware metalen beperkt zich tot de binnentuin maximaal 15 m3.
Deze verontreiniging wordt gesaneerd middels een plan van aanpak tot de maximale waarde industrie. De gemeente is bevoegd gezag; Borchmolendijk 22, sterke verontreiniging met metalen, waarvan de omvang wordt geschat op circa 400 m³ (200 m² x circa 2,0/2,5 m-mv). Deze verontreiniging wordt na sloop gesaneerd middels een BUS-melding, waarbij gesaneerd wordt tot de maximale waarde voor industrie. De ODZOB is bevoegd gezag; Achterterrein, sterke verontreiniging met zink, waarvan de omvang wordt geschat 200 m3 (325 m2 x 0,6 m). Deze verontreiniging wordt gesaneerd middels duurzame afdichting (BUS-melding). De ODZOB is bevoegd gezag; Achterterrein, sterke verontreiniging met asbest, waarvan de exacte omvang niet is bepaald. Deze verontreiniging wordt gesaneerd middels duurzame afdichting (BUS-melding). De ODZOB is bevoegd gezag. De twee verontreinigingen op het achterterrein worden op voorkeur van de initiatiefnemer gesaneerd middels duurzame afdichting. Hiervoor is akkoord van het bevoegd gezag (ODZOB) nodig. Deze toestemming is nog niet verkregen ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning. In het kader van het bestemmingsplan kan worden gesteld dat er vanuit het oogpunt van de haalbaarheid geen belemmeringen bestaan tegen de beoogde bestemmingswijziging en het toekomstige gebruik van de gronden. Het gehele terrein is tevens onderzocht op PFAS-gehalten.
Deze vormen geen belemmering voor het plan. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
5.7 Water Nederland is groot geworden door het leven met en de strijd tegen het water. In de 20e eeuw is, doordat er te weinig rekening is gehouden met het waterbelang, veel ruimte aan het water onttrokken en
Hoofdstuk 5
47
veel afvalwater direct geloosd op oppervlaktewater. Om de toekomst van Nederland veilig te stellen is het nodig om te anticiperen op klimaatsveranderingen en bij de ruimtelijke planvorming goed rekening te houden met water. De waterbeheerder heeft de taak, kennis en kunde om daar zorg voor te dragen. Daarom is het belangrijk om hem vroegtijdig te betrekken bij de planvorming. Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, sinds 1 november 2003 wettelijk vastgelegd. 5.7.1 Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal Milieu- en Waterplan van Noord-Brabant (2016-2021), het Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Waardevol water’ van Waterschap De Dommel, het VGRP+ 2017-2022 ‘Waardevol water in Meierijstad’, het Nationaal Waterplan en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ nog relevant. Hierin staat hoe het beste omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën.