Bijlage 1 Toelichting bp Hazelberg 5 Veghel
Tekst van het document
Door te werken conform de nieuwsbrieven worden maatregelen genomen om de ecologische functie te allen tijden en van gelijke kwaliteit te behouden, middels het gebruik van bewezen effectieve maatregelen. Hierdoor is het volgens de nieuwsbrieven niet noodzakelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verwijderen van nesten en verblijfplaatsen van de huismus. In Noord-Brabant geldt dat er geen ontheffingsplicht geldt, indien: • voorafgaand aan de activiteit ruim voldoende alternatieve verblijfplaatsen binnen het bestaande leefgebied zijn gerealiseerd;
Hoofdstuk 4
28
•
deze verblijven functioneel en geschikt zijn voor dezelfde functies als die zullen verdwijnen binnen hetzelfde leefgebied; • er maatregelen worden genomen die voorkomen dat de oude en te verwijderen verblijven nog gebruikt kunnen worden, voordat de soorten hier (weer) gebruik van maken. Met deze voorwaarden wordt de ecologische functionaliteit van het gehele bestaande leefgebied met bijbehorende functies geborgd en is overtreding van het verbod niet aan de orde. Met onderhavige ontwikkeling zal er met de sloop van de stallen één verblijfplaats van een huismus verdwijnen. Binnen het leefgebied van de huismus zullen alternatieve verblijfplaatsen worden gerealiseerd, zo zijn er in januari 2023 bij de bestaande woonboerderij twee nieuwe nestkasten geplaatst conform de eisen gesteld in het Kennisdocument Huismus. Huismussen hebben de tijd nodig om aan nieuwe nestplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode (minimaal 3 maanden) moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beiden aanwezig zijn. Hierdoor kunnen de huismussen de voorzieningen ontdekken en verkennen voor de ingreep wordt uitgevoerd. Voor de oude en te verwijderen nestlocatie worden na 3 maanden maatregelen genomen om te voorkomen dat deze weer gebruikt zal worden.
De bestaande voormalige stallen zullen op zijn vroegst pas ongeschikt of gesloopt worden 3 maanden nadat de nieuwe nestplaatsen zijn gerealiseerd. • •
•
Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen en oppervlaktewater in het noorden van het plangebied te worden vermeden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat beschermde soorten geen belemmering vormen voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Het uitgevoerde ecologisch onderzoek is echter inmiddels 3 jaar oud. Omdat momenteel nog niet bekend is op welke termijn de stallen gesloopt gaan worden is het niet nuttig om in deze fase opnieuw quickscan uit te voeren. Voorafgaand aan de sloop van de stallen zal er een nieuwe quickscan flora en fauna uitgevoerd worden.
4.5 Waterparagraaf Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in
Hoofdstuk 4
29
onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan NoordBrabant ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Deze is recent vervangen door de Interim Omgevingsverordening in verband met de Omgevingswet die in werking gaat treden. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Waterschap Aa en Maas. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2.
Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. In de keur van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte,
Hoofdstuk 4
30
tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. Het verbod uit artikel 3.6 van de keur is van toepassing tenzij: ➢ Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; ➢ de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; ➢ de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. ➢ De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel. Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06. ➢
Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: o De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; o De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;
Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Programma Water en Riolering Meierijstad 2022 – 2026 Het beleid van de gemeente Meijerijstad omtrent water en riolering is beschreven in het ‘Programma Water en Riolering Meierijstad 2022 – 2026’. Hierin zijn de speerpunten en ambities beschreven waarop de gemeente zich zal richten. De gemeente kiest voor nieuw te ontwikkelen gebieden binnen de bebouwde kom in principe voor een gescheiden rioolsysteem. Bij kleinschalige in- of uitbreidingen, waar in de bestaande situatie geen gescheiden systeem aanwezig is, mag de nieuwe verharding niet worden aangesloten op het gemengde stelsel. De perceeleigenaar moet het hemelwater op eigen perceel verwerken. Dit is opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad. De gemeente kiest voor een efficiënt transport van huishoudelijk afvalwater. In het buitengebied zijn de afstanden te groot om hiervoor vrijvervalriolering toe te passen. In het buitengebied zijn alle percelen waar afvalwater vrijkomt dan ook aangesloten op drukriolering of zijn voorzien van een lokaal systeem voor de individuele behandeling van afvalwater (IBA).
Nieuwbouw burgerwoningen in het buitengebied vallen onder de zorgplicht van de gemeente.
Hoofdstuk 4
31
Gemeentelijke Verordening fysieke leefomgeving In juli 2021 is de Verordening fysieke leefomgeving vastgesteld. Doel van de regels in deze verordening is het tegengaan van de verdroging en het ontlasten van riolering en rioolwaterzuiveringsinstallaties. Daartoe zijn regels gesteld om de opvang van regenwater op eigen terrein te bevorderen en het lozen van hemel- en grondwater op de openbare riolering te voorkomen. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Waardevol Water in Meierijstad VGRP+ 2017-2022’. Hierin zijn enkele speerpunten beschreven waarop de gemeente zich binnen deze planperiode zal richten: ➔ Klimaatbestendig inrichten openbaar en particulier gebied. ➔ Verhogen waterbewustzijn en stimuleren waterbewust handelen. ➔ Verduurzamen afvalwaterketen. ➔ Behalen KRW-doelen. ➔ Doelmatig verwerken afvalwater in het buitengebied. ➔ Verhogen belevingswaarde en benutten water voor natuur en recreatie. ➔ Verder professionaliseren van het stedelijk waterbeheer. ➔ Samenwerken. Uitbreidings- en reconstructieplannen van woningbouw en/of (reconstructies van) infrastructuur kunnen tot een toename van afstromend verhard oppervlak leiden.
Planontwikkelingen mogen niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater en/of het rioleringssysteem ook niet bij extremere omstandigheden. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekoppelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Als voorkeursvolgorde wordt de trits infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering gehanteerd. Nieuwe ontwikkelingen moeten hydrologisch neutraal of positief worden uitgevoerd. Doorwerking plangebied Op basis van de bodemkaart Nederland is er ter plaatse van het plangebied Laarpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand te verwachten. Oppervlaktewater Er loopt een B-watergang in het zuidwestelijke puntje van het plangebied richting het westen. Ten noorden van het plangebied zijn twee grote vijvers gelegen. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op deze vijvers. Afvalwater Voor de woning dient een nieuwe rioolaansluiting gerealiseerd te worden. Hiervoor wordt een aanvraag rioolaansluiting ingediend bij de gemeente Meierijstad. Hier mag alleen vuil water op aangesloten worden. De gemeente heeft aangegeven dat er waarschijnlijk een apart gemaal moet worden ge-
Hoofdstuk 4
32
plaatst voor de nieuwe woning. Het Programma Water en Riolering Meierijstad 2022 – 2026, paragraaf 3.2 geeft aan dat nieuwbouw burgerwoningen in het buitengebied onder de zorgplicht vallen van de gemeente. Hemelwater De locatie is in de huidige situatie vrijwel geheel verhard. Met onderhavige ontwikkeling is er geen sprake van toename van het verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie. In navolgende tabellen is weergegeven wat de huidige en toekomstige verharding is, hierbij is alleen gekeken naar de westzijde van het plangebied (van ca. 3.850 m2) gezien er aan de oostzijde rondom de bestaande woonboerderij van het plangebied geen veranderingen plaatsvinden ten opzichte van de huidige situatie. Huidig Verhard Stallen Erfverharding Totaal verhard
m2 1.556 m2 1.300 m2 2.856 m2
Onverhard Weide en voortuin
1.150 m2
Toekomstig Verhard Tweekapper Bergingen en overkappingen Erf Totaal verhard Onverhard voortuin en achtertuin
m2 200 m2 150 m2 450 m2 800 m2 1.500 m2
De ontwikkeling leidt tot een aanzienlijke afname van het verhard oppervlak van ca. 2.000 m2. Op basis van de toekomstig verhard oppervlak dient er een hemelwatervoorziening te worden gerealiseerd die de waterbergingsopgave van ca. 48 m3 (800 m2 x 0,06 m) kan verwerken. De benodigde waterberging kan deels verwerkt worden in de (voor)tuin en in het grasland / waterberging aan de westzijde op eigen terrein. Het regenwater kan via een goot/geul naar een verlaagd deel in de tuin of naar het grasland op eigen terrein worden geleid. Hier kan een infiltratievoorziening worden aangelegd zoals bijvoorbeeld een wadi, infiltratiekratten of een grindkoffer, zodat het water vertraagd wegzakt. Door een regenton met overloop op de infiltratievoorziening te gebruiken kan het regenwater ook gebruikt worden voor bijvoorbeeld de bewatering van planten. De benodigde voorziening(en) dient uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand worden gehouden. De definitieve hemelwaterbergingsopgave wordt bij de vergunning uitgewerkt, op het perceel zijn voldoende mogelijkheden voor de waterbergingsopgave. Daarbij is er in de huidige situatie geen sprake van wateroverlast.
Hoofdstuk 4
33
Conclusie Gezien de ligging van het plangebied en het planvoornemen is geen wateroverlast te verwachten. Daarmee vormt dit aspect geen belemmering voor onderhavig plan.
4.6 Bodem Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Doorwerking plangebied Momenteel heeft het plangebied reeds een woonbestemming. Ten opzichte van deze woonbestemming wordt het gebruik dan ook niet gevoeliger. Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de planlocatie. De volledige rapportage verkennend bodemonderzoek is opgenomen als bijlage 4 bij deze plantoelichting, onderstaand zijn de belangrijkste conclusies vermeld. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging en bouw van de woning. Na de sloop van de stallen zal de bovengrond worden onderzocht omdat na sloop afval in de bodem achter kan zijn gebleven.
Hierbij wordt ook gekeken naar asbest omdat asbest in het gebouw kan zijn toegepast. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit.
4.7 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
Hoofdstuk 4
34
Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 1. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype Er zijn twee omgevingstypes, namelijk een rustige woonwijk en gemengd gebied. Volgens de VNGbrochure is een rustige woonwijk, een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied, als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstypen gemengd gebied.
In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied. Doorwerking plangebied In de omgeving van het plangebied zijn naast woningen verschillende vormen van (agrarische) bedrijvigheid te vinden, derhalve is er sprake van gemengd gebied. Aan de Hazelberg 4 is een agrarisch bedrijf gevestigd, hiervoor geldt milieucategorie 2 met bijbehorende richtafstand van 10 meter tot gemengd gebied. Het bouwvlak van het betreffende bedrijf bevindt zich op een afstand van meer dan 10 meter en vormt derhalve geen belemmering. Bovendien is er in de huidige situatie reeds sprake van een woonbestemming ter plaatse van het plangebied en zijn er meerder burgerwoningen nabij het bedrijf gelegen, er dient zodoende al rekening te worden gehouden met omliggende gevoelige functies. Daarnaast bevinden zich in de omgeving van het plangebied enkele (intensieve) veehouderijen. Deze zijn allemaal op een afstand van minstens 200 meter van het plangebied gelegen. De hoogste milieucategorie voor veehouderijen is 4.1, voor o.a. varkens- en pluimveebedrijven, met bijbehorende richtafstand van 100 meter voor gemengd gebied. Er wordt derhalve in alle gevallen aan de richtafstand voldaan. In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op het aspect geurhinder en is aangetoond dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Met onderhavige ontwikkeling wordt er een nieuwe woning gerealiseerd, het plangebied is reeds bestemd als Wonen. De woning zorgt dan ook niet voor belemmeringen van de omliggende bedrijven, waardoor sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
1
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
35
Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
4.8 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning. Dit verspreidingsmodel geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Rgv. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad.
Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daartoe getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan wordt aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. Doorwerking plangebied In de omgeving van het plangebied zijn verschillende veehouderijen gelegen. Door De Roever Omgevingsadvies is daarom een geurhinderonderzoek uitgevoerd, de onderzoeksrapportage is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. In het rapport wordt het onderzoek naar de ligging van de geur- en afstandscontouren en naar de overige geuraspecten voor de ruimtelijke ontwikkeling beschreven. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de beoogde woning sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en dat omliggende veehouderijen niet in hun belangen worden geschaad. Ten aanzien van zowel de voor- als achtergrondbelasting kan worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Het aspect geurhinder vormt derhalve geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.9 Akoestiek In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:
Hoofdstuk 4
36
• •
wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
Doorwerking plangebied Voor de ontwikkeling is een akoestisch onderzoek noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Hazelberg, Hazelbergsestraat, Vorstenbosscheweg, Watersteeg en Achterst Ven. De rapportage is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting, onderstaand worden de belangrijkste conclusies vermeld. Hazelberg De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Hazelberg is maximaal 53 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Meierijstad kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd ter vervanging van boerderijbebouwing, te midden van bestaande woningen. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €60.000,- (200 m * 6m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. Omdat op dit deel ook een kruispunt is gelegen, is het toepassen van een stil wegdek niet duurzaam, omdat dit asfalt lijdt onder het afremmende en optrekkende verkeer.
Het aanbrengen van een stiller wegdek om de geluidbelasting ten gevolge van de Hazelberg terug te dringen is uit het oogpunt van praktische uitvoerbaarheid, beheer en onderhoud niet wenselijk. In de voorliggende situatie gaat de voorkeur uit naar gevelmaatregelen, de gevelgeluidwering dient echter te voldoen aan de minimum eis van 20 dB (afdeling 3.1 uit het Bouwbesluit). Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. De nieuwe woning beschikt over tenminste één geluidluwe gevel, de linker-, rechter- en achtergevel is een geluidluwe gevel. Er wordt een hogere waarde procedure doorlopen. Hazelbergsestraat – Vorstenbosscheweg/Watersteeg – Achterst Ven De geluidbelasting ten gevolge van de Hazelbergseweg is maximaal 32 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van de Hazelbergseweg geen restricties op aan het plan. De geluidbelasting ten gevolge van de Vorstenbosscheweg/Watersteeg is maximaal 42 dB, incl.
aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van de Vorstenbosscheweg/Watersteeg geen restricties op aan het plan.
Hoofdstuk 4
37
De geluidbelasting ten gevolge van Achterst Ven is maximaal 34 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van Achterst Ven geen restricties op aan het plan. Cumulatieve geluidbelasting In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidbelasting van alle omliggende wegen samen berekend. De hoogst berekende cumulatieve geluidbelasting is 58 dB. Deze geluidbelasting is exclusief aftrek ex artikel 110g van de Wet geluidhinder. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is voldoende geborgd in artikel 3.2 en 3.3 van het Bouwbesluit 2012. Aanvullende artikelen in de planregels zijn niet nodig om in de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen. Er wordt een hogere waarde procedure doorlopen. De ODBN heeft hiervoor reeds een ontwerpbesluit opgesteld. Het aspect akoestiek vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.10 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Een nieuw initiatief is niet relevant als aannemelijk kan worden gemaakt dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Doorwerking plangebied De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). Toetsing voor het aspect luchtkwaliteit is in dit geval niet noodzakelijk.
Er kan op voorhand worden geconcludeerd dat dit aspect geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen. Wel moet aangetoond worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van de NSL-monitoringstool. Sinds 1 januari 2023 is het CIMLK het instrument voor de ondersteuning van monitoring van de luchtkwaliteit. Deze monitoring gebeurt per 1 januari 2024 in het kader van de Omgevingswet, als opvolging van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). CIMLK ondersteunt
Hoofdstuk 4
38
ook de monitoring voor het Schone Lucht Akkoord. De achtergrondwaarden van de vier dichtstbijzijnde rekenpunten zijn in tabel 4.4 weergegeven. Tabel 4.4 Achtergrondwaarden ter plaatse van het projectgebied Id
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
Jaar
15520445
13,43
15,06
6
7,983
2030
15520451
13,43
15,06
6
7,983
2030
15520563
13,43
15,06
6
7,983
2030
15519962
13,43
15,06
6
7,983
2030
Norm
40
40
35
25
De data uit het CIMLK toont aan dat de achtergrondwaarden significant lager zijn dan de gestelde normen. Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied. De ontwikkeling is niet in betekende mate van invloed op de omgeving. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.). Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.
Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Hoofdstuk 4
39
Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants 2. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', etc.
Doorwerking plangebied Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met het plangebied is weergegeven in figuur 4.1.
2
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Hoofdstuk 4
40
Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart (plangebied rood omcirkeld) (bron: risicokaart.nl)
Risicovolle inrichtingen In een straal van 950 meter rondom het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Buisleidingen De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op een afstand van meer dan 4 kilometer. Risicovolle transportroutes A50 Eindhoven - Oss Op circa 640 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich de A50. Deze weg maakt onderdeel uit van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De weg kent geen PR 10-6-contour of plasbrandaandachtsgebied. Over de A50 worden verschillende gevaarlijke stoffen vervoerd, waaronder, GF3, LF1, LF2 en LT2. LT2 heeft een invloedsgebied van 880 meter. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute wordt gerealiseerd, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor het scenario toxische wolk. De ODBN heeft in samenwerking met de Veiligheidsregio een standaard verantwoording (beperkt) toxisch opgesteld.
Hoofdstuk 4
41
Vorstenbosscheweg/Achterst Ven Ten oosten van het plangebied ligt, op circa 70 meter afstand, de Vorstenbosscheweg/Achterst Ven. In de rapportage ‘Inventarisatie vervoer gevaarlijke stoffen, gemeente Meierijstad is vastgesteld, dat over de Vorstenbosscheweg/Achterst Ven de volgende hoeveelheden aan transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt: - Stofcategorie GF3: 16 transportbewegingen. In de Nota van toelichting op het Bevt is aangegeven, dat in sommige gevallen de berekening van het PR en het GR achterwege kan blijven. Hiervoor zijn vuistregels in de vorm van drempelwaarden voor vervoersaantallen opgesteld, die de gebruiker een indicatie geven van de hoogte van het PR of GR. Deze vuistregels zijn opgenomen in de bijlagenrapporten van de Handreiking risicoanalyse transport (HART). Met de vuistregels kan ingeschat worden of de vervoersaantallen, bebouwingsafstanden en/of personendichtheden te klein zijn om tot een overschrijding van grenswaarde of richtwaarde voor het PR dan wel tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde of 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het GR te kunnen leiden. Benodigd voor de toepassing van de vuistregels zijn gegevens omtrent de bebouwing (dichtheid bevolking en afstand tot aan de weg), het type weg en de stofcategorieën en aantallen transport-bewegingen van gevaarlijke stoffen.
De Vorstenbosscheweg/Achterst Ven heeft in het plangebied tweezijdige bebouwing, bestaande uit voornamelijk vrijstaande woningen. Conform het HART kan deze vorm van bebouwing getypeerd worden als ‘rustige woonwijk’. Een ‘rustige woonwijk’ heeft een personendichtheid van 25 personen per hectare. De minimale afstand van de bebouwing tot aan de weg bedraagt ongeveer 73 meter. De Vorstenbosscheweg/Achterst Ven betreft ter hoogte van het plangebied een weg buiten de bebouwde kom. Het aantal GF3 transporten is 16 op jaarbasis. PR Volgens de vuistregelmethodiek van de HART heeft een weg buiten de bebouwde kom geen 10-5contour wanneer het aantal GF3 transporten per jaar lager is dan 500 heeft een weg buiten de bebouwde kom geen 10-6-contour. De Vorstenbosscheweg/Achterst Ven heeft maximaal 16 GF3 transporten per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt dan ook geen belemmering voor het plangebied. GR Volgens de vuistregelmethodiek van de HART moet een RBM-II berekening van het groepsrisico uitgevoerd worden wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (vuistregel 1). Hiervan is echter, zoals eerder vermeld, geen sprake. Wanneer het aantal GF3 transporten minder is dan de drempelwaarde uit tabel 1-7 uit de HART, wordt 10% van de oriëntatiewaarde van het GR niet overschreden (vuistregel 2).
In dat geval is een nadere risicoberekening niet benodigd. Uit tabel 1-7 blijkt dat, voor een transportweg op 70 meter afstand, een dichtheid van 30 personen per hectare 10.390 GF3 vervoerseenheden per jaar nodig zijn om boven 10% van de oriëntatiewaarde van het GR uit te komen. In het gebied rondom de weg is hoofdzakelijk sprake van een vrijstaande woonbebouwing met maximaal 25 personen per hectare en 16 GF3 vervoerseenheden per jaar.
Hoofdstuk 4
42
Geconcludeerd kan worden dat het groepsrisico minder dan 0,1 × de oriëntatiewaarde zal bedragen. Conform het Bevt, artikel 8, lid 2 is een nadere berekening niet nodig en kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor het scenario BLEVE. Beperkte verantwoording groepsrisico toxische wolk en BLEVE Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een BLEVE het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tank. LPG komt vrij en ontsteekt.
Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Toxische wolk Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. Koude BLEVE Een koude BLEVE ontstaat doordat de inhoud van een tankwagon met brandbaar gas, bijvoorbeeld door een botsing, ineens vrijkomt en direct ontsteekt in de vorm van een vuurbal. De vuurbal geeft zowel een drukgolf als een intense warmtestraling. Personen die zich binnen de vuurbal bevinden zullen komen te overlijden. Mensen buiten de vuurbal en buiten de 35 kW/m 2 -contour kunnen komen te overlijden als gevolg van warmtestraling als ze zich buiten bevinden (dus niet in een gebouw). De koude BLEVE treedt plots op als gevolg van bijvoorbeeld een mechanische beschadiging van de tankauto en heeft een snelle ontwikkeltijd. Hierdoor zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. De bestrijdbaarheid van een BLEVE is matig. Propaan wordt vervoerd in niet- geïsoleerde tankwagens. Als gevolg van externe hittestraling kan deze na ca.12 minuten ontploffen.
De brandweer zal om deze reden defensief optreden en zich richten op het ontruimen van de omgeving. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als slecht beoordeeld.
Hoofdstuk 4
43
De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Voor het scenario BLEVE is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Bij het plangebied kan via de Hazelberg van de risicobron afgevlucht worden. Voor het scenario toxische wolk is schuilen het beste handelingsperspectief. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: • goed te alarmeren is; • goed te schuilen is; • goed te ontvluchten is.
Alarmering: In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden: Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden: Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. De personendichtheid in landelijke kerngebieden is veelal laag de nieuwe woningen leiden tot een marginale toename van het groepsrisico. Wat betreft de A50 bestaat vanuit externe veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
44
Conclusie Het bestemmingsplan voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en aan de aanvullende kaders die zijn vastgelegd in de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Meierijstad. Uit het voorgaande blijkt dat het groepsrisico geen belemmering hoeft te zijn voor het plangebied, omdat de nieuwbouw goede bescherming biedt tegen een mogelijke ramp met toxische stoffen. De Veiligheidsregio Brabant Noord is conform artikel 9 van het Bevt om advies gevraagd. Dit advies is verwerkt in de beperkte verantwoording van het groepsrisico en is tevens als bijlage 7 bij het plan opgenomen. De veiligheidsregio adviseert om initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief te informeren over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid. De initiatiefnemers zijn zich bewust van de aanwezige risico’s en op de hoogte van het handelingsperspectief, ook de toekomstige nieuwe bewoners zullen hierover worden ingelicht.
4.12 (Ondergrondse) infrastructuur De meest dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ligt op minstens 5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Gelet op deze afstand vormt dit aspect geen belemmering. Volgens de Netkaart van het RIVM geldt langs deze hoogspanningslijn een indicatieve zone van 100 meter. Het plangebied ligt hierbuiten. Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering. Ten noorden van het plangebied is een riool gelegen, deze riolering de beschermingszone rijken echter niet tot in het plangebied. In de ondergrond zijn geen kabels en leidingen aanwezig, waarvoor een planologisch beschermings-regime van toepassing is. De ontwikkelingen vinden volledig plaats op eigen terrein, waar geen kabels en leidingen van derden zijn gelegen. Ook vanuit het aspect kabels en leidingen in de ondergrond is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt er nieuwe ondergrondse infrastructuur aangelegd, het is niet nodig om hiervoor zones op te nemen in het bestemmingsplan.
4.13 Spuitzones gewasbescherming In de directe omgeving van het plangebied zijn geen percelen aanwezig met een spuitzone gewasbescherming. Hoewel in geen enkele wettelijke regeling in acht te nemen afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen enerzijds en percelen met open teelt waarop gewasbeschermings-middelen worden gebruikt anderzijds, dient op basis van het criterium goede ruimtelijke ordening wel te worden beoordeeld of het gebruik van die middelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. De afstand
Hoofdstuk 4
45
tussen onderhavig plangebied en gronden waarop teelt kan plaatsvinden, bedraagt ruim 50 meter zodat redelijkerwijs kan worden gesteld dat er binnen het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Spuitzones vormen geen belemmering voor het plan.
4.14 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Of daadwerkelijk advies wordt ingewonnen bij de GGD is een afweging van het bevoegd gezag. Toetsing aan het stappenplan wijst uit dat, de planlocatie buiten de endotoxine richtafstanden ligt die aangehouden moeten worden rondom varkens- en pluimveehouderijen (stap 1). De planlocatie is gelegen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij. Op een afstand van 1.750 meter aan de Langenbergsestraat 9 is een geitenhouderij gevestigd (stap 5a). Zie voor nadere toelichting hierop hieronder onder het kopje geitenhouderijen. De locatie is gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf: Achterst Ven 5 (stap 5b). Met betrekking tot stap 5b wordt door de GGD het volgende opgemerkt: Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) bleek dat in de jaren 2009-2013 er sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (20142016) werd dat verband niet meer gevonden.
Ook in het aanvullende, recente onderzoek in de regio Utrecht/Gelderland/Overijssel werd een dergelijk verband niet meer gevonden. Dit in tegenstelling tot het verband tussen het verhoogd voorkomen van longontsteking bij omwonenden nabij een geitehouderij (2 km). In de handreiking veehouderij en volksgezondheid, opgesteld door het Ondersteuningsteam, wordt aangegeven dat het wonen nabij een pluimveehouderij (binnen een straal van 1 km) leidt tot het advies om een advies bij de GGD op te vragen. In het ondersteuningsteam zijn de laatste onderzoeksresultaten recent besproken en is besloten dat er geen advies meer wordt gegeven om een GGD advies op te vragen op grond van het criterium “wonen binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij”. De ontwikkeling leidt niet tot een toename in emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak (stap 2). De planlocatie is gelegen in een gebied met een acceptabele geurbelasting, zie ook paragraaf 4.8 (stap 3). De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt meer dan 100 meter (stap 4). Er is geen sprake van een mestbewerking of mestverwerking als nevenactiviteit of zelfstandige activiteit (stap 6) en er is bij toekomstige bewoners of omwonenden geen ongerustheid over de volksgezondheid (stap 7).
Het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) is doorlopen. Uit toetsing aan het stappenplan uit de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid” volgt dat advies van de GGD nodig is voor dit plan. In onderstaande paragraaf wordt hier nader op ingegaan.
Hoofdstuk 4
46
Geitenhouderijen Uit landelijk onderzoek blijkt dat er binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen meer longontsteking bij mensen voorkomt dan daarbuiten. De GGD-Brabant heeft hierover in een advies haar zorgen geuit en mede daarom heeft de provincie Noord-Brabant sinds juli 2017 een bouwstop voor geitenhouderijen afgekondigd. Dit zou kunnen betekenen dat nieuwe ontwikkelingen binnen 2 kilometer van een geitenhouderij niet als ruimtelijk aanvaardbaar worden aangemerkt. Naast de verhoogde gezondheidsrisico’s kan een geitenhouder zich ook benadeeld voelen bij ontwikkelingen binnen 2 km van zijn geitenhouderij. De verschillende Brabantse omgevingsdiensten hebben gezamenlijk de ‘handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ opgesteld (d.d. 30 april 2018). Deze handreiking omvat een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. In onderhavig project wordt één nieuwe woning gerealiseerd. De gemeente Meierijstad moet een zorgvuldige afweging maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen.
Concreet houdt dit afwegingskader in dat in de gemeente Meierijstad voorlopig als volgt gehandeld wordt: 1) Een uitbreiding van het aantal geiten in bestaande stallen of gebouwen wordt niet toegestaan, tenzij er geen gezondheidskundige bezwaren daarvoor zijn. 2) Binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen doet zich, vooralsnog, een extra risico voor. Daarom hanteert het college daar een extra zorgvuldigheid. Dat betekent dat met plannen voor het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen sowieso terughoudend omgegaan wordt. Er bestaat géén hard afwegingskader voor de toetsing van bouwplannen. Locatie, omgeving, het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn telkens anders en vragen om maatwerk. Het gezondheidsbelang wordt daarbij afgezet tegen bijvoorbeeld volkshuisvestelijke, sociale, economische en financiële belangen. 3) Aanvragers van plannen en nieuwe potentiele bewoners in het gebied worden geïnformeerd over het risico. Ook wordt hen gevraagd een verklaring daarover te ondertekenen. Kortom, op grond van een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk is er wellicht ruimte om ruimtelijke ontwikkelingen wél toe te staan binnen een straal van 2 km rondom een geitenhouderij. Op basis van de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid” kan een dergelijke afweging worden gedaan.
De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de beoordeling uitvoert, of dat een GGD-advies noodzakelijk wordt geacht. Op 1.750 meter ten noordwesten van het plangebied ligt een geitenhouderij aan de Langenbergsestraat 9. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het op die locatie toegestaan om een geitenhouderij te exploiteren. In de feitelijke situatie en conform de vergunning zijn er circa 2.770 geiten op de geitenhouderij. De gemeente wil meewerken aan kleinschalige private initiatieven indien de initiatiefnemers expliciet verklaren het (gezondheids)risico van ontwikkelen en bouwen binnen een straal van 2 kilometer en
Hoofdstuk 4
47
het procesrisico te aanvaarden. Deze verklaring is door initiatiefnemers ondertekend. Overigens ligt het plangebied op grote afstand van de geitenhouderij en zijn er woningen die dichterbij de geitenhouderij zijn gelegen. Uit toetsing aan het stappenplan uit de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid” volgt dat advies van de GGD nodig is voor dit plan. Er wordt dan ook geadviseerd het planvoornemen voor te leggen aan de GGD. In onderhavige situatie is er sprake van één geitenhouderij binnen een straal van 2 kilometer afstand, namelijk op 1.750 meter ten noordwesten van het plangebied. De windrichting speelt een voorname rol bij de verspreiding van de uitstoot van een veehouderij. Windrichting en windsterkte spelen een rol bij de verspreiding van fijnstof (inclusief endotoxinen, ammoniak en micro-organismen) en geur. Omdat de overwegende windrichting in Nederland uit het zuidwesten komt zal de verspreiding van geur en fijnstof van de betreffende geitenhouderij zich doorgaans verplaatsen uit de richting van de planlocatie aan Hazelberg. Daarbij wordt de beoogde woning niet dichter tot de geitenhouderij georiënteerd dan reeds bestaande woningen. Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen.
Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Voor de locatie geldt dat er geen sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Conclusie Op basis van bovenstaande wordt het mogelijk geacht dat de gemeente Meierijstad een positieve afweging maakt ten aanzien van het planologisch toestaan van een woning ter plaatse van het plangebied. Wel wordt geadviseerd het planvoornemen aan de GGD voor te leggen. Initiatiefnemers sluiten een overeenkomst met de gemeente waarin zij instemmen met de risico’s die horen bij het wonen nabij een geitenhouderij. De toekomstige bewoners zullen hierover worden ingelicht.
4.15 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op de parkeervraag en het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de parkeervraag en de verkeersgeneratie. De gemeente Meierijstad heeft haar parkeerbeleid geregeld middels het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Er dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. Voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, te worden gevolgd.
Hoofdstuk 4
48
Doorwerking plangebied Verkeersgeneratie Voor de berekening van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de gemiddelde verkeersgeneratie in de publicatie “Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” uitgegeven door het CROW (381). In de 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' wordt voor Veghel de stedelijkheidsgraad ‘matig stedelijk’ vastgesteld. Het plangebied is gelegen in het buitengebied. Voor één woning in het buitengebied in matig stedelijk gebied is de gemiddelde verkeergeneratie 8,2 motorvoertuigen per etmaal. De huidige verkeerssituatie biedt voldoende mogelijkheden om deze zeer beperkte verkeerstoename op te vangen. Parkeren Per vrijstaande woning zijn volgens de Nota parkeernormen Meierijstad 2018, zoals opgenomen in het paraplubestemmingsplan parkeren, vastgesteld d.d. 31-01-2019, 2,4 parkeerplaatsen benodigd. Op eigen terrein is meer dan voldoende ruimte om in deze parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Voor de woning is voldoende ruimte voor ten minste 3 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen kunnen ook gebruikt worden door bezoekers (zie figuur 2.4).
In de planregels is in artikel 7.2 een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat er bij vergunningverlening voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein gerealiseerd dient te worden en in stand wordt gehouden. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘verkeer en parkeren’ geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
Hoofdstuk 4
49
5.
JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Dit bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om het realiseren van een woning conform de uitgangspunten en randvoorwaarden, zoals beschreven in hoofdstuk 2, juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De basis voor het opstellen van de regels en verbeelding is het opgestelde inrichtingsplan (landschappelijk inpassingsplan), dat de randvoorwaarden voor de bouw van de woning stelt. De regels zijn daarnaast afgestemd op de vigerende bestemmingsplannen ‘Buitengebied Veghel’ van de voormalige gemeente Veghel en ‘Harmonisatie van diverse regelingen laaghangend fruit’ van de gemeente Meierijstad. Er is gekozen voor een gedetailleerd plan, met enige ruimte voor nadere uitwerking in de positionering van hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken onder de gestelde randvoorwaarden. In par. 5.3 wordt dit nader toegelicht. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 5
50
Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). Een bestemming kan als volgt zijn opgebouwd volgens de SVBP2012 (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): • bestemmingsomschrijving; • bouwregels; • nadere eisen; • afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels; • afwijken van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; • wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan.