CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting bp Hazelberg 5 Veghel

Commissie Mens en Maatschappij 7 mei 2026, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Buitengebied Veghel, herziening Hazelberg 5'28.435 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan

Buitengebied Veghel, Herziening Hazelberg 5

Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres

Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48

Toelichting Betreffende

Buitengebied Veghel, Herziening Hazelberg 5

Planstatus

ontwerp

Projectnummer

NL.IMRO.1948.BGV000BP0032023P-ON01

Datum

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Hazelberg 5 Gemeente Meierijstad Vast te stellen

Rapportnummer:

P00990_3

IMRO-nummer:

NL.IMRO.1948.BGV000BP0032023P-ON01

Datum:

3 oktober 2025

Projectteam BRO:

JRi, MvDn

Concept:

16 september 2022

Voorontwerp:

23 januari 2023

Ontwerp:

20 juli 2023

Vastgesteld:

2025

Trefwoorden:

Ruimte-voor-ruimte, Veghel, Meierijstad

Bron foto kaft:

BRO, Abstract 1

Beknopte inhoud:

--

Movares Willemsplein 2 5211 AK 's-Hertogenbosch T 0412 634 945 E info.bro@movares.nl

Toelichting

Inhoudsgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

3 3 3 5 6

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Voormalige en huidige situatie 2.2 Voorgestane ontwikkeling 2.3 Landschappelijke inpassing

7 7 9 11

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

14 14 16 21

4. MILIEUASPECTEN 4.1 Inleiding 4.2 M.e.r.-beoordeling 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Flora en fauna 4.5 Waterparagraaf 4.6 Bodem 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Geurhinder 4.9 Akoestiek 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 (Ondergrondse) infrastructuur 4.13 Spuitzones gewasbescherming 4.14 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen 4.15 Verkeer en parkeren

24 24 24 25 26 29 34 34 36 36 38 39 45 45 46 48

Inhoudsopgave

1

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen

50 50 50 52

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

54 54 54

6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Inspraak 6.2.4 Vaststellingsprocedure

54 54 55 55

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 3: Vervolgonderzoek huismus Bijlage 4: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 5: Geuronderzoek Bijlage 6: Akoestisch onderzoek Bijlage 7: Advies veiligheidsregio Bijlage 8: Stikstofonderzoek Bijlage 9: Brief Omgevingsdialoog Bijlage 10: Omgevingsdialoog Bijlage 11: Rekenmodule Beleidsregel

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Aan de Hazelberg 5 te Veghel, gemeente Meierijstad is een langgevelboerderij met bijgebouwen en twee grote voormalige agrarische veestallen aanwezig. Initiatiefnemer is voornemens om aan de Hazelberg 5, ter plaatse van huidige verouderde stallen één nieuwe vrijstaande woning te ontwikkelen. Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is de planlocatie momenteel bestemd als ‘Wonen’, ter plaatse is één wooneenheid toegestaan. Gezien er reeds een langgevelboerderij aanwezig is, is het realiseren van één nieuwe vrijstaande woning niet toegestaan. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad heeft in maart 2021 besloten om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan het wijzigen van de bestemming en het toevoegen van een woning op deze locatie. Voorliggend bestemmingsplan betreft het nieuwe juridischplanologische kader voor het plangebied. Er wordt aangetoond dat het initiatief haalbaar is en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt aan de Hazelberg 5 in Veghel. Kadastraal staat de locatie bekend als (ged.) Veghel, sectie L, nummer 4473, het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 6.875 m2. Het plangebied ligt in het buitengebied aan het bebouwingslint de Hazelberg, ten noorden van de kern Veghel. In de omgeving zijn reeds meerdere (ruimte-voor-ruimte) woningen ontwikkeld / in ontwikkeling. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven op onderstaande afbeeldingen. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.

Hoofdstuk 1

3

Hoofdstuk 1

4

1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ het geldende planologisch-juridisch kader. Op 22 oktober 2015 dit plan door de voormalig gemeente Veghel vastgesteld. Het plangebied heeft conform dit bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Wonen’. Tevens geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Het perceel heeft daarnaast de gebiedsaanduidingen: ‘Dagrecreatie’; ‘Reconstructiewetzone – Verwevingsgebied 1’ en ‘Vrijwaringszone – Radar’.

Figuur 1.3 Uitsnede vigerend bestemmingsplan (ruimtelijkeplannen.nl)

Op 27 januari 2021 is het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ vastgesteld door de gemeente Meierijstad. Dit bestemmingsplan is een actualisatie en harmonisatie van bestaande regels t.o.v. eerdere bestemmingsplannen. Ten slotte is ook het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren’, zoals vastgesteld op 31 januari 2019 door de gemeente Meierijstad vigerend.

Hoofdstuk 1

5

Voor gronden met de bestemming ‘Wonen’ is per bestemmingsvlak maximaal één woning toegestaan. Binnen deze bestemming is de realisatie van twee nieuwe woningen naast de reeds bestaande woonboerderij niet mogelijk. De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden. De gebiedsaanduidingen stellen randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen. De huidige bestemmingen maken het niet mogelijk om een nieuwe vrijstaande woning te realiseren. Voorliggend bestemmingsplan stelt de nieuwe planologisch-juridische kaders voor het plangebied en vormt de partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan. Zodra het plan van kracht is, wordt het onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 4.6, lid 1, van de Invoeringswet Omgevingswet.

1.4 Leeswijzer Voorliggend plan is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk diende als introductie voor het plan en bijbehorend plangebied. In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de beoogde ontwikkelingen. Het derde en vierde hoofdstuk gaan respectievelijk in op de verhouding van het plan tot vigerend beleid en de invloed van en op verschillende milieuaspecten. De laatste twee hoofdstukken gaan in op de juridische opzet inzake de bijbehorende regels en de maatschappelijke en economische haalbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 1

6

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Voormalige en huidige situatie De Hazelberg is gelegen in het gelijknamige buurtschap Hazelberg. De bebouwing van het buurtschap Hazelberg bestond omstreeks 1900 nog uit een handvol boerderijen op Dinthers grondgebied. In de jaren ‘30 van de vorige eeuw werden er, mogelijk ter stimulering van de economie, boerderijen gebouwd langs de Hazelbergsedijk, op Veghels grondgebied. Thans vormt deze bebouwing het zwaartepunt van het buurtschap. De boerderijen werden op enige afstand van elkaar gebouwd, zodat er een redelijk open bebouwingslint ontstond. Ter plaatse van het plangebied is het bebouwingslint de afgelopen jaren flink verandert: enkele agrarische bedrijven zijn gesaneerd en hebben plaatsgemaakt voor woningbouw. Alleen richting Heeswijk en in het gebied ten oosten van de Vorstenbosscheweg zijn nog enkele agrariërs actief. De Hazelberg is een bebouwingslint in het buitengebied ten noorden van de kern Veghel. De bebouwing aan het lint worden voornamelijk gekarakteriseerd door langgevelboerderijen en een aantal nieuwere moderne vrijstaande woningen. Het lint heeft een open en groen karakter, wat hoofdzakelijk wordt benadrukt door de forse bomen die het lint (aan weerszijde) begeleiden. Daarnaast worden veel voortuinen van de openbare ruimte gescheiden door groene hagen die bijdragen aan het groene beeld.

Het plangebied wordt omringd door woningen en agrarisch gebied. De bestaande langgevelboerderij is gebouwd omstreeks 1930. De voorgevel ligt parallel aan de straat, op ruime afstand daarvan. Het rechter deel van de boerderij is het oorspronkelijk woondeel en het linker deel is het oorspronkelijk bedrijfsdeel. Dit onderscheid is nog steeds goed herkenbaar in de gevelopbouw. Figuur 2.1 toont de bestaande langgevelboerderij in de huidige situatie.

Figuur 2.1 Langgevelboerderij in de huidige situatie (bron: BRO)

Hoofdstuk 2

7

Binnen het plangebied bevinden zich twee grote voormalige agrarische stallen. Deze stallen zijn al sinds de jaren negentig niet meer in gebruik als veestallen. De activiteiten zijn in 1997 gestopt en worden sindsdien in gebruik als caravanstalling / statische opslag. De twee grote stallen dateren van respectievelijk 1980 en 1973 en hebben een oppervlakte van 963 m2 en 593 m2. Figuur 2.2 toont deze stallen in de huidige situatie.

Figuur 2.2 Te slopen agrarische bebouwing in de huidige situatie (bron: BRO)

Hoofdstuk 2

8

2.2 Voorgestane ontwikkeling Initiatiefnemer is voornemens om beide voormalige agrarische veestallen en omliggende verharding te slopen en om in de plaats een vrijstaande woning te realiseren. De te slopen stallen hebben in totaal een oppervlakte van 1.556 m2. Op de stallen liggen nog asbestplaten. Figuur 2.3 toont de te slopen stallen.

Figuur 2.3 oppervlakte te slopen agrarische bebouwing

Achter de bestaande woonboerderij is een bijgebouw (262 m2) aanwezig dat is opgesplitst in een gedeelte dat gebruik wordt ten behoeve van statische opslag van caravans (194 m 2) en een gedeelte dat wordt gebruikt als bijgebouw bij de woning (68 m2). In dit bijgebouw staan o.a. werktuigen opgeslagen ten behoeve van het onderhouden van de tuin en het achterliggende agrarische perceel met vijvers. Gezien het achterliggende agrarische perceel een oppervlakte beslaat van ruim 10.000 m 2, zijn er verschillende werktuigen noodzakelijk om het perceel te onderhouden. Denk hierbij onder andere aan het opslaan van een grasmaaier, aanhanger, werktuigen en tuingereedschap. Met het planvoornemen bestaat de wens om het gedeelte van het bijgebouw (194 m2) dat momenteel wordt gebruikt ten behoeve van statische opslag van caravans dit ook zo in de toekomst te blijven gebruiken. Tevens zijn er bij de woonboerderij nog 2 kleinere tuinhuisjes aanwezig van in totaal ca. 80 m2. In totaal komt het oppervlakte bijbehorende bouwwerken bij de woonboerderij hiermee op 148 m 2 met daarnaast een bijgebouw ten behoeve van statische opslag van 194 m2. Voor het behoud van het bijgebouw ten behoeve van statische opslag wordt toepassing gegeven aan artikel 7.13 uit het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’.

7.13 Afwijkingsbevoegdheid voor het gebruik van bijbehorende bouwwerken voor statische binnenopslag bij woningen, niet zijnde bedrijfswoningen Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.2, voor het gebruik van bestaande bijbehorende bouwwerken voor de binnenopslag van statische goederen, met uitzondering van (brand)gevaarlijke goederen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. er is geen sprake van een agrarisch of niet-agrarisch bedrijf; Hier is geen sprake van.

Hoofdstuk 2

9

b. de opslag dient zich te beperken tot statische binnenopslag in bestaande gebouwen, waarbij buitenopslag niet is toegestaan; De statische binnenopslag beperkt zich in een bestaand bijgebouw. c. de oppervlakte aan bestaande bijbehorende bouwwerken te gebruiken voor de binnenopslag van statische goederen mag niet groter zijn dan 400 m 2, waarbij bijbehorende bouwwerken boven de 400 m2 worden aangemerkt als overtollige bebouwing, die als vorm van kwaliteitsverbetering moet worden verwijderd; De oppervlakte van het bijgebouw ten behoeve van statische opslag is maximaal 200 m2, dit is in de planregels geborgd. d. cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is uitgezonderd van verplichte sloop; Er is geen sprake van sloop van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. e. opslag ten behoeve van een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf is niet toegestaan. De statische opslag is ten behoeve van caravans en voor een klein gedeelte ten behoeve van de opslag van tuinmaterieel- en gereedschap en dus niet voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf. f. detailhandel is niet toegestaan. Er is geen sprake van detailhandel. Detailhandel is niet toegestaan. g. er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen. Statische opslag is in de huidige situatie reeds aanwezig en leidt niet tot onevenredige milieuhygiënische belemmeringen. h.

de nevenactiviteit 'statische opslag' leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. Er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. i. de nevenactiviteit 'statische opslag' mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben. De statische opslag is ten behoeve van caravans en voor een klein gedeelte ten behoeve van de opslag van tuinmaterieel- en gereedschap en heeft geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking. j. de nevenactiviteit 'statische opslag' gaat gepaard met een gedegen landschappelijke inpassing middels erfbeplanting (met voor het landschap kenmerkende soorten); de kwaliteitswinst blijkt uit een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan. Het erfinrichtingsplan maakt onderdeel uit van de aanvraag om afwijking van het bestemmingsplan; In figuur 2.3 is het landschappelijk inpassingsplan weergegeven. Als kwaliteitsverbetering wordt de bestaande woning beter landschappelijk ingepast door de aanleg van nieuwe haagbeuken. Deze haagbeuken passen bij het type woning en het straatbeeld. Daarbij is er achter op het perceel in het verleden al geïnvesteerd in kwaliteitsverbetering door het aanleggen van poelen en bosschages. k. parkeren moet op het eigen terrein plaatsvinden.

Op eigen terrein is voldoende voor ruimte voor parkeren.

Hoofdstuk 2

10

De nieuwe vrijstaande woning wordt gepositioneerd ten westen van de bestaande woonboerderij. Het gedeelte van de Hazelberg ter plaatse van het plangebied kenmerkt zich door de aanwezigheid van besloten woonpercelen dicht aan de weg. Dit is het gevolg van een recente transformatie van agrarische percelen en gebouwen naar relatief kleinere woonpercelen. De afstand van de gebouwen tot de weg wisselt, langgevelboerderijen aan de zuidzijde van de Hazelberg staan dichter op de weg. De langgevelboerderij Hazelberg 5 bevindt zich duidelijk op grotere afstand van de weg dan omliggende woningen. De oriëntatie van gebouwen is overwegend parallel aan de Hazelberg. Met de nieuwbouw van de vrijstaande woning wordt aangesloten op de langsrichting (hoofdgebouw). De rooilijn ligt ten opzichte van de bestaande boerderij ca. 4 meter dichterbij de weg. De nieuwbouw van de vrijstaande woning past qua plaatsing binnen het bestaande bebouwingspatroon van de Hazelberg. Op deze manier draagt de positionering bij aan de bestaande karakteristiek van het bebouwingslint. De beoogde nieuwe woning wordt uitgevoerd als één bouwlaag met kap zodat een eenduidig stedenbouwkundig beeld ontstaat aan de Hazelberg. Bij de woning wordt een bijgebouw en inrit met parkeerplaatsen gerealiseerd.

Initiatiefnemers vinden het belangrijk dat de ruimtelijke kwaliteit van de locatie en de omgeving met dit plan blijft behouden en/of wordt versterkt. Een zorgvuldige inpassing is van belang. Figuur 2.4 geeft een impressie van de toekomstige situatie met de situering van de nieuwe woning en bijgebouw op het perceel. Mogelijk wenst initiatiefnemer in de toekomst de bestaande woonboerderij te splitsen in twee wooneenheden. Hiervoor zijn momenteel nog geen concrete plannen, dus dit is niet verder uitgewerkt en opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voorziet in de planregels wel in een afwijkingsmogelijkheid voor een woningsplitsing, met bijbehorende randvoorwaarden. In het landschappelijk inpassingsplan is bij het intekenen van het bouwvlak rekening gehouden met de mogelijke toekomstige splitsing van de woonboerderij en het behouden van openheid van het straatbeeld. Hiermee blijft ook ruimte behouden om aan de westzijde van de bestaande woonboerderij een bijgebouw te realiseren.

2.3 Landschappelijke inpassing De inpassing van de woning zorgt ervoor dat deze een zo min mogelijke impact heeft op het karakter en de belevingswaarde van de straat. Het slopen van de verouderde voormalige agrarische stallen ten behoeve van het realiseren van de woning zorgt voor een aanzienlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Een essentieel onderdeel van de woningbouwontwikkeling vormt de goede landschappelijke inpasbaarheid. Om deze reden is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Om de planontwikkeling mogelijk te maken zijn een aantal inrichtingsmaatregelen voorgesteld die op basis van het planvoornemen, de beleidskaders en kennis van het landschap en locatie zijn vormgegeven. De schets in figuur 2.4 illustreert de voorgestelde maatregelen. Concreet zijn de volgende ingrepen voorgesteld: 1. Aanplanten nieuwe beukenhaag over de gehele lengte voorzijde en gedeeltelijk de zijkant van de voortuinen van de bestaande en nieuwe woningen. 2. Aanvullen bestaande bomenrij aan de Hazelberg.

Hoofdstuk 2

11

3. Strook westzijde perceel inrichten met bloem- en kruidenrijk grasland en inzetten als waterbergingsperceel voor afwatering nieuwe woningen. 4. Aanvullen bestaande rij populieren met de aanplant van nieuwe populieren. De volledige rapportage landschappelijke inpassing is opgenomen als bijlage 1 bij deze plantoelichting en bij de planregels.

Figuur 2.4 Landschappelijke inpassing Hazelberg 5

Fysieke tegenprestatie De regels die de Provincie Noord-Brabant hanteert voor het realiseren van voldoende fysieke tegenprestatie zijn eenduidig vastgelegd in de beleidsregel maatwerk voor omgevingskwaliteit. De fysieke tegenprestatie, die gericht is op het versterken van de omgevingskwaliteit, dient qua omvang gelijk te zijn aan de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel. Gezien er met onderhavige ontwikkeling één woning wordt gerealiseerd bedraagt de benodigde fysieke tegenprestatie uitgedrukt in geld € 125.000. Er wordt een aanzienlijk aantal meters gesloopt, tevens is er sprake van de aanleg en ver-

Hoofdstuk 2

12

sterking van landschapselementen. Aan de hand van de beleidsregel maatwerk voor omgevingskwaliteit en in overleg met de Provincie Noord-Brabant is de waarde van de fysieke tegenprestatie berekend. Er is door de Provincie Noord-Brabant een rekenmodule opgesteld waarmee de waarde van de fysieke tegenprestatie kan worden berekend. Deze rekenmodule is ingevuld en er is een pdf-formulier gegenereerd van de ingevulde gegevens. Dit pdf-formulier is opgenomen als bijlage 11 bij deze plantoelichting. De sloop van de voormalige veestallen, verharding en voorzieningen komt conform de rekenmodule in totaal op € 49.700,-. Naast de sloop van de veestallen, verharding en voorzieningen kunnen ook andere maatregelen worden ingezet om de omgevingskwaliteit te versterken, deze zijn schematisch opgenomen in tabel 2.1. Zo zijn de kosten voor de landschappelijke maatregelen opgenomen, welke € 3.251,04,- bedragen. Daarnaast bedragen de sloopkosten voor de asbest golfplaten € 3.112,- en het aanvoeren van zand om de mestputten te vullen € 4.825,-. Met deze maatregelen kan niet geheel worden voorzien in een tegenprestatie die gelijkstaat aan de inspanningsverplichting. Initiatiefnemer neemt daarom aanvullende maatregelen in de vorm van een storting in het gemeentelijk fonds ‘Verbetering Kwaliteit Buitengebied’.

Het bedrag dat in dit gemeentelijk fonds gestort moet worden bedraagt € 64.111,96, zie ook tabel 2.1 en bijlage 11.

Tabel 2.1 Berekening fysieke tegenprestatie

Hoofdstuk 2

13

3.

BELEIDSKADER

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Voor een ontwerpbestemmingsplan dat vóór 1 januari 2024 ter inzage is gelegd, blijft het oude recht van toepassing tot het bestemmingsplan van kracht is. Dit volgt uit artikel 4.6, lid 2, sub a, onder 1, van de Invoeringswet Omgevingswet. Omdat het ontwerpbestemmingsplan voor 1 januari 2024 ter inzage is gelegd, dient de gemeente vanwege het overgangsrecht van de Omgevingswet bij de vaststelling van het bestemmingsplan het recht toe te passen zoals dat gold vóór 1 januari 2024. Als iemand vóór 1 januari 2024 een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen of te wijzigen heeft ingediend, dan blijft het oude recht van toepassing op de afhandeling van die aanvraag. Dit volgt uit een uitspraak van de Raad van State. Zodra het plan van kracht is, wordt het onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 4.6, lid 1, van de Invoeringswet Omgevingswet.

3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Van 20 augustus 2019 tot en met 30 september 2019 heeft de ontwerp Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ter inzage gelegen. De ontwerp Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen die voor ons liggen. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in januari 2024 in werking treedt. Belangrijk uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zodat er in gebieden betere en meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Doorwerking plangebied De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is.

Bovendien is er sprake de sloop van voormalige agrarische stallen en wordt de woning landschappelijk ingepast. Tevens vindt er een omgevingsdialoog plaats zodat er een beter en meer geïntegreerde ontwikkeling ontstaat.

Hoofdstuk 3

14

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In de NOVI wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de NOVI is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied en voor de voorgestane ontwikkelingen. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Ladder voor duurzame ontwikkeling Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen.

De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Met onderhavig planvoornemen wordt de ontwikkeling van 1 nieuwe woning mogelijk gemaakt.

Op basis van geldende jurisprudentie geldt dat in het geval van woningbouwlocaties sprake is van een stedelijke ontwikkeling vanaf 12 woningen. Het plan voorziet dan ook niet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (ABRvS 18 december 2013, nr.

Hoofdstuk 3

15

201302867/1/R4). Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is niet van toepassing. De ladder voor duurzame ontwikkeling vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling en daarmee voldoet het bestemmingsplan aan de uitgangspunten van de ladder.

3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie ‘Kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De beoogde woningbouw heeft geen invloed op de vier opgestelde ambities. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat deze omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld, deze is in april 2022 geactualiseerd en in maart 2023 voor de laatste keer geconsolideerd.

De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening nog niet allemaal zijn verwerkt in de Interim Omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Inmiddels is de Omgevingsverordening Noord-Brabant in werking getreden.

Omdat het ontwerpbestemmingsplan voor 1 januari 2024, blijft het oude recht van toepassing (artikel 4.6, lid 2, sub a, onder 1, van de Invoeringswet Omgevingswet), derhalve is in deze paragraaf getoetst aan de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Veel van de van toepassing zijnde artikelen uit de Interim Omgevingsverordening zijn overgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Brabant, alleen hebben ze een ander artikelnummer gekregen.

Hoofdstuk 3

16

Doorwerking plangebied Het plangebied ligt binnen gronden die op de kaarten behorende bij de Interim Omgevingsverordening aangeduid zijn als ‘Gemengd landelijk gebied’, met de aanduiding ‘stalderingsgebied’. Met onderhavige ontwikkeling is er geen sprake van de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren, derhalve heeft de aanduiding ‘Stalderingsgebied’ geen gevolgen. In het buitengebied is de nieuwvestiging van woningen in eerste instantie niet zondermeer toegestaan: Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; (…) In de Interim Omgevingsverordening is ook de nieuwe beleidsregel Maatwerk Omgevingskwaliteit van toepassing verklaard. Met toepassing van artikel 3.77 en 3.78 en deze beleidsregel Maatwerk Omgevingskwaliteit is het mogelijk om woningen te realiseren in het buitengebied. Het is met deze regeling niet het doel om alleen maar woningen toe te voegen, het doel is het versterken van de omgevingskwaliteit. Er zijn een aantal voorwaarden opgenomen in Afdeling 3.7, ten behoeve van het realiseren van nieuwe woningen in het buitengebied.

Artikel 3.77 Ontwikkelingsrichting Voor de toepassing van de maatwerkbepalingen in deze afdeling geldt dat het bestemmingsplan een onderbouwing bevat dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Belangrijke randvoorwaarde voor het realiseren van een nieuwe woning is dus dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waar de locatie ligt. Om de afweging te kunnen maken in een concreet geval is het nodig dat een gemeente beleid uitwerkt waarin een ontwikkelingsrichting voor de verschillende typen gebied is opgenomen. Dat voorkomt gelegenheidsplanologie en biedt duidelijkheid naar zowel initiatiefnemers als omwonenden. De gemeente Meierijstad heeft de ontwikkelrichtingen voor gebieden nog niet specifiek uitgeschreven maar wel een kaart met gebied typologieën in het buitengebied van de gemeente opgesteld, zie figuur 3.1. Het plangebied is gelegen binnen de gebiedstypologie bebouwingsconcentratie in Landelijk gebied, verweving van functies. Het gebied kan zodoende worden gekenmerkt als een gemengd landelijk gebied. Met onderhavige ontwikkeling wordt er een flink deel van de bestaande bebouwing gesloopt. De huidige functie is wonen en dit blijft in de toekomst ook zo, waarbij er 1 nieuwe woning wordt toegevoegd. Bij de bestaande woonboerderij wordt het bestaande bijgebouw gebruikt ten behoeve van statische opslag.

Statische opslag wordt door de gemeente gezien als bedrijvigheid die passend is in het buitengebied. Het realiseren van een nieuwe woning en het behoud van kleinschalige statische opslag bij de bestaande woonboerderij is een passende ontwikkeling binnen de gebiedstypologie landelijk gebied, verweving van functies, mits er een bijdrage wordt geleverd aan het versterken van de omgevingskwaliteit.

Hoofdstuk 3

17

Figuur 3.1 Uitsnede Kaart Gebiedstypologieën (bron: gemeente Meierijstad)

Voor wat betreft de statische opslag bij de bestaande woonboerderij is Artikel 3.71 Bestaande nietagrarische functie in Landelijk gebied van toepassing: Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bevat regels voor een bestaande niet-agrarische functie die: a. de bestaande planologische gebruiksactiviteit vastleggen; b. een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking uitsluiten; c. kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk Gebied. Voor wat betreft het realiseren van de nieuwe woning in het buitengebied van de provincie Noord-Brabant zijn onderstaande artikelen van toepassing. Artikel 3.79 Ruimte-voor-ruimtekavel 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels in Stedelijk gebied of Landelijk gebied als deze ontwikkeling:

Hoofdstuk 3

18

a. door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit; b. op een aanvaardbare locatie plaatsvindt als bedoeld in artikel 3.78, derde lid; en c. past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 3.77. 2. Als uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat de in het verleden gedane investering in omgevingskwaliteit is terugverdiend, is het eerste lid niet meer van toepassing. 3. Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing: a. artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik, onder a; b. artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en c. artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied, eerste lid, onder a. Artikel 3.78 geeft maatwerk met als doel versterking van de omgevingskwaliteit (inmiddels opgenomen in artikel 5.14 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant). De belangrijkste punten uit dit artikel voor het realiseren van Ruimte-voor-Ruimte woningen worden genoemd: Artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voor een concreet initiatief nieuwvestiging mogelijk maken als: a. de ontwikkeling volledig tot doel heeft een versterking te geven van de omgevingskwaliteit en voor dat doel de middelen genereert; b.

de realisering van de onder a bedoelde versterking van omgevingskwaliteit niet op een andere wijze is verzekerd; c. de ontwikkeling door meerwaardecreatie aanzienlijk bijdraagt aan algemene belangen zoals sloop van overtollige bebouwing, de aanleg van natuur en bos, de verbetering van het woonen leefklimaat, het terugdringen van de emissie van milieuhinderlijke stoffen of het behoud van cultuurhistorische waarden; d. de ontwikkeling en de versterking van omgevingskwaliteit passen binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 3.77 ; e. is onderbouwd dat de activiteit volhoudbaar is naar de toekomst, bezien vanuit duurzaamheid en economisch oogpunt; f. de ontwikkeling past binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die deze verordening beoogt te beschermen; en g. bij de uitwerking van het plan deskundigen worden betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is. 2. De bijdrage aan het versterken van omgevingskwaliteit betreft maatwerk waarbij in ieder geval de volgende aspecten in acht worden genomen en juridisch vastgelegd: a. als de activiteit de realisatie van een woning betreft: i. wordt de woning opgericht op een aanvaardbare locatie in Landelijk gebied; ii.

is de fysieke tegenprestatie, die is gericht op het versterken van omgevingskwaliteit, qua omvang gelijk aan de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel; en iii. is in overleg met de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte onderzocht of de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtekavel tot de mogelijkheden behoort; (…) 3. Er is sprake van een aanvaardbare locatie voor de ontwikkeling van een woning als: a. de locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; of

Hoofdstuk 3

19

b. de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied of een bebouwingsconcentratie. Een belangrijke voorwaarde is dat de locatie waar de woningbouw plaatsvindt in een bebouwingsconcentratie ligt. De verordening omschrijft een bebouwingsconcentratie als ‘kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster’. De Hazelberg kan gezien worden als bebouwingslint. Tevens ligt het plangebied in een bebouwingsconcentratie volgens de kaart Gebiedstypologieën van gemeente Meierijstad (zie figuur 3.1) en volgens de Structuurvisie Veghel 2030 (zie paragraaf 3.4). Het plangebied maakt onderdeel uit van een bebouwingsconcentratie en voldoet het aan deze voorwaarde. De regels die de provincie Noord-Brabant hanteert voor het realiseren van voldoende fysieke tegenprestatie zijn eenduidig vastgelegd in de beleidsregel maatwerk voor omgevingskwaliteit (Inmiddels opgenomen in paragraaf 7.1 van de Beleidsregels omgevingsrecht Noord-Brabant). De fysieke tegenprestatie, die gericht is op het versterken van de omgevingskwaliteit, dient qua omvang gelijk te zijn aan de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel. Gezien er met onderhavige ontwikkeling één woning wordt gerealiseerd bedraagt de benodigde fysieke tegenprestatie uitgedrukt in geld € 125.000.

Er wordt een aanzienlijk aantal meters gesloopt, tevens is er sprake van de aanleg en versterking van landschapselementen, hiermee draagt het plan bij aan meerwaardecreatie. Aan de hand van de beleidsregel maatwerk voor omgevingskwaliteit (paragraaf 7.1 van de Beleidsregels omgevingsrecht Noord-Brabant) en in overleg met de Provincie Noord-Brabant is de waarde van de fysieke tegenprestatie berekend. Er is door de Provincie Noord-Brabant een rekenmodule (Rekenmodule maatwerk omgevingskwaliteit) opgesteld waarmee de waarde van de fysieke tegenprestatie kan worden berekend. Deze rekenmodule is ingevuld en er is een pdf-formulier gegenereerd van de ingevulde gegevens. Dit pdf-formulier is opgenomen als bijlage 11 bij deze plantoelichting. De sloop van de voormalige veestallen, verharding en voorzieningen komt conform de rekenmodule in totaal op € 49.700,-. Naast de sloop van de veestallen, verharding en voorzieningen kunnen ook andere maatregelen worden ingezet om de omgevingskwaliteit te versterken, deze zijn schematisch opgenomen in tabel 2.1. Zo zijn de kosten voor de landschappelijke maatregelen opgenomen, welke € 3.251,04,- bedragen. Daarnaast bedragen de sloopkosten voor de asbest golfplaten € 3.112,- en het aanvoeren van zand om de mestputten te vullen € 4.825,-.

Met deze maatregelen kan niet geheel worden voorzien in een tegenprestatie die gelijkstaat aan de inspanningsverplichting. Initiatiefnemer neemt daarom aanvullende maatregelen in de vorm van een storting in het gemeentelijk fonds ‘Verbetering Kwaliteit Buitengebied’. Het bedrag dat in dit gemeentelijk fonds gestort moet worden bedraagt € 64.111,96, zie ook tabel 2.1 en bijlage 11. Middels een landschappelijk inpassingsplan wordt het perceel landschappelijk ingepast in de omgeving waarbij de bestaande waardevolle landschappelijke kwaliteiten en structuren zoveel mogelijk behouden blijven, zie paragraaf 2.3 en figuur 2.4. De nieuwbouw is significant kleiner dan de huidige bouwing. De sloop van de veestallen, het verwijderen van de asbestplaten en mestputten levert een verbetering op voor het landschap. De nieuwe woning komt op de plaats waar nu al veestallen staan. De uitvoering en instandhouding van deze landschappelijke inpassing is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 3

20

Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Veghel 2030 In de structuurvisie geeft de voormalige gemeente Veghel de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting op hoofdlijnen weergegeven. Het betreft een globale visie, die kaders stelt aan gewenste ontwikkelingen in zowel het stedelijk als landelijk gebied. Deze structuurvisie is op 19 december 2013 vastgesteld door de voormalige gemeente Veghel. De structuurvisie omvat het gehele grondgebied van de voormalige gemeente Veghel en heeft betrekking op de periode tot 2030. Doorwerking plangebied In de structuurvisie zijn verschillende visiekaarten opgenomen. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de kaarten ‘Visiekaart 2030’ en ‘Visiekaart Wonen’ van belang, zie figuur 3.2 en 3.3. Visiekaart 2030 Het plangebied is gelegen in het buitengebied. De bestaande landschappelijke opbouw en functionele invulling vormt de leidraad voor een indeling van het buitengebied in vijf gebiedstypen. Bij elk van die gebiedstypen hoort beleid op maat. In een deel van de gebieden is sprake van een dominantie functie, andere zijn juist gemengd. In de Visiekaart 2030 is de planlocatie gelegen in de zone ‘Ontwikkelen agrarisch landschap (noordflank Veghel)’ en specifiek aangeduid als woongebied – lint. Het ter plaatse van het plangebied gelegen agrarisch landschap maakt deel uit van een veel groter agrarisch gebied rond Vorstenbosch en Heeswijk-Dinther.

Hoewel minder intensief en dominant dan in het agrarisch kerngebied vormt de agrarische sector ook hier de drager. De mogelijkheden voor de inpassing van functies als wonen en kleinschalige recreatieve voorzieningen zijn echter groter. Als dit gebeurt geldt wederom de eis dat de bijbehorende bebouwing aan de linten is gekoppeld.

Figuur 3.2 Uitsnede Visiekaart 2030

Hoofdstuk 3

21

Visiekaart wonen In de Visiekaart Wonen is het plangebied aangeduid als bebouwingsconcentratie buitengebied. In de bebouwingsconcentraties is als gevolg van de al aanwezige bebouwingsdichtheid en functiemenging ook de ontwikkelingsbehoefte in deze zones groter dan in de overige delen van het buitengebied. Er zijn verruimde mogelijkheden voor woningbouw. Dat wil echter niet zeggen dat alles volgebouwd kan worden. Zo moet de ruimtelijke karakteristiek worden versterkt door o.a. realisatie of behoud van groen, belangrijke zichten en waardevolle open ruimten.

Figuur 3.3 Uitsnede visiekaart Wonen

Woonvisie Meierijstad De gemeenteraad van de gemeente Meierijstad heeft op 5 juli 2018 de ‘Woonvisie Meierijstad 2018’ vastgesteld. Met deze visie wordt meer houvast geboden voor het analyseren van knelpunten en het benutten van mogelijkheden. De visie is opgebouwd uit vier verschillende thema’s met elk een eigen ambitie. Zo wordt er ingespeeld op de dynamiek van de woningmarkt en is er aandacht voor belangrijke trends zoals duurzaamheid, zorg en welzijn, en de leefbaarheid. De dynamiek van de woningmarkt De woningmarkt is in beweging en het is van belang dat bouwplannen hier zoveel mogelijk op inspelen zodat aan de woonwensen van de inwoners wordt voldaan. Hierbij wordt een toename verwacht van de woningbehoefte in de gemeente tot aan 2030. Deze demografische ontwikkelingen leiden tot een veranderende woningbehoefte. Omdat de meeste woningen er al staan kijkt de gemeente kritisch naar de woningen die aan de woningvoorraad toegevoegd worden. Duurzaamheid De gemeente Meierijstad wil in 2050 energieneutraal zijn. Deze duurzame ambitie is doorvertaald in een duurzame woonvisie. Niet alleen dient er sprake te zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling,

Hoofdstuk 3

22

de woning zelf dient ook duurzaam te zijn. Hierbij dient bijvoorbeeld gekeken te worden naar de mogelijkheden voor aardgasloos bouwen, isolatie en een duurzaam gebruik van grondstoffen. Daarnaast zijn er kwantitatieve woningbehoefteprognose per kern gegeven voor de periode tot het jaar 2028 (zie bijlage 2 van de woonvisie). Voor Veghel staat hierin een (kwantitatieve) woningbehoefte van 1.034 woningen opgenomen. Tevens is aan Veghel nog een verstedelijkingsopgave van 900 woningen toegekend om mensen van elders die in Veghel werken ook in Veghel te kunnen laten wonen. In de gemeentelijke woonvisie is tevens de kwalitatieve woningbehoefte verwoord. De gemeente geeft hierin aan dat op korte termijn behoefte is aan allerlei typen woningen uit verschillende prijsklassen. Naast een algemeen tekort aan woningen is er volgens de gemeente in het bijzonder sprake van een tekort aan betaalbare woningen. Actieplan woningbouw 2021 In 2021 is het actieplan woningbouw vastgesteld. Dit vormt een addendum op de woonvisie 2018. De noodzaak voor de veranderingen vloeit voort uit de gewijzigde provinciale woningbouwprognoses, die aantonen dat de opgave die we hebben aanzienlijk is. Die opgave blijkt ook duidelijk uit de huidige urgentie op de woningmarkt, die wordt veroorzaakt door almaar stijgende prijzen en de krapte in het beschikbare woningaanbod.

De gemeenteraad is unaniem in haar vraag naar oplossingen voor woningbouw in onze gemeente. Voor veel woningzoekenden is het moeilijk om een geschikte woning te vinden. Of het nu gaat om starters op de woningmarkt, om mensen die graag in aanmerking willen komen voor een sociale huurwoning, om burgers met een middeninkomen of om oudere inwoners die een (zorg)geschikte woning zoeken; allemaal worden ze geconfronteerd met dezelfde problemen. We zien overal lange wachtlijsten en we horen over mensen die al jaren tevergeefs op zoek zijn naar een woning. Het actieplan woningbouw 2021 geeft aan hoe de gemeente om wil gaan met de hogere woningbouwprognoses die door de provincie zijn afgegeven voor de gemeente en hoe ze dit willen combineren met het versnellen van de woningbouwproductie. Doorwerking plangebied Gelet op het gemeentelijke woningbouwprogramma en de provinciale woningbouwprognoses is het aannemelijk dat er nog ruimte is voor 1 woning in Veghel. Onderhavig plan voorziet in de ontwikkeling van slechts één nieuwe woning. Het realiseren van de woning leidt ook weer tot het vrijkomen van een woning op de woningmarkt. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de duurzame wensen van de gemeente Meierijstad. Zo zal de woning energieneutraal gebouwd worden en zal er worden voldaan aan de t.z.t. geldende wettelijke eisen voor duurzaamheid.

Het plan is in lijn met de Woonvisie Meierijstad.

Hoofdstuk 3

23

4.

MILIEUASPECTEN 4.1 Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een initiatief ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische aspecten daarbij een rol spelen. In dit hoofdstuk worden de verschillende voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten behandeld.

4.2 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van één woning mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. Doorwerking plangebied De ontwikkeling van een woning valt niet onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject).

Het kan echter zijn dat de ontwikkeling wel kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Volgens de Raad van State (201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De concrete omstandigheid in dit geval is het ontwikkelen van één woning. Voorts ligt de locatie niet in of nabij een beschermd natuurgebied en is er geen risico op verontreiniging. Ook leidt de ontwikkeling niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of –technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit dit bestemmingsplan dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Voorgaande maakt dat de ontwikkeling in het plangebied niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van

Hoofdstuk 4

24

categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Derhalve is het niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In de toelichting van het bestemmingsplan dient op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro) een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is met deze wet verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Doorwerking plangebied Archeologie De voormalige gemeente Veghel heeft haar archeologiebeleid verwerkt in het vigerende bestemmingsplan. In het bestemmingsplan Buitengebied heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’.

Gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ zijn mede bestemd voor de bescherming en het veiligstellen van de te verwachten archeologische waarden. In principe mag er niet gebouwd worden op deze gronden, tenzij er sprake is van ver-/nieuwbouw, waarbij niet groter of dieper gebouwd wordt dan voorheen, er maximaal 10.000 m2 aan oppervlakte bijkomt of niet dieper gegaan wordt dan 0,3 meter. Met de beoogde ontwikkelingen wordt de onderzoeksgrens van 10.000 m 2 niet overschreden. Conform het gemeentelijk beleid is dus geen archeologisch onderzoek nodig. Bovendien wordt de nieuwe woning met bijgebouw voor een groot gedeelte opgericht ter plaatse van waar in de huidige situatie reeds bebouwing aanwezig is en dus de grond is geroerd. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Cultuurhistorie Het plangebied bevindt zich in ‘De Meierij’, een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang. De Meijerij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden.

De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. De Meierij

Hoofdstuk 4

25

wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen. De Hazelberg is aangeduid als lijn van redelijk hoge waarde. Met onderhavig planvoornemen wordt een woning mogelijk gemaakt. De woning wordt uitgevoerd met één bouwlaag en kap. De rooilijn ligt ten opzichte van de bestaande boerderij in het plangebied ca. 4 meter dichterbij de weg. De nieuwbouw van past qua plaatsing binnen het bestaande bebouwingspatroon van de Hazelberg. Op deze manier draagt de positionering bij aan de bestaande karakteristiek van het bebouwingslint. De ontwikkeling doet hiermee geen afbreuk aan het bebouwingslint. Verder zijn er in de omgeving van het plangebied geen monumenten, beeldbepalende panden of waardevolle bomen aanwezig. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden en/of elementen in de omgeving. Uit paragraaf 2.3 is reeds gebleken dat de woning landschappelijk ingepast wordt, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke omgevingskenmerken.

4.4 Flora en fauna De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek”, bevindt zich op circa 16,5 kilometer afstand ten westen van het projectgebied.

Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de huidige bebouwing gesloopt en wordt er een nieuwe woning gerealiseerd, dit kan leiden tot uitstoot van stikstof tijdens de aanlegfase en gebruiksfase. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd (versie 2024.2.1).

Hoofdstuk 4

26

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er bij zowel de bouwfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. De notitie stikstofberekening is opgenomen als bijlage 8 inclusief de door AERIUS gegenereerde rapportages voor de aanlegfase en gebruiksfase. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd.

Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 640 meter ten noorden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing.

Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot een aantal andere provincies, de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) binnen de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of

Hoofdstuk 4

27

ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Op basis van de quickscan is er in de bestaande voormalige stallen één nestlocatie van een huismus aangetroffen. Naar aanleiding hiervan is onderzoek naar huismus uitgevoerd in het seizoen van 2022, om nesten van huismus vast te stellen dan wel met voldoende zekerheid uit te sluiten. In de quickscan en het vervolgonderzoek is ook de bestaande woonboerderij onderzocht op de aanwezigheid van beschermde soorten / de huismus.

Gezien deze woonboerderij geen onderdeel uitmaakt van de plannen en er geen ingrepen plaatsvinden aan de boerderij is deze niet relevant en wordt daarom buiten beschouwing gelaten in deze plantoelichting. Bij de stallen is één enkele nestplaats van huismus aangetroffen. Deze bevond zich onder een bolling van de golfplaten in de noordoosthoek van de westelijke stal. De sloop van de stal kan negatieve gevolgen hebben voor de huismus, wat een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming betreft. Een ontheffing Wet natuurbescherming is nodig of er dient aantoonbaar gewerkt te worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: • Huismus: Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van nestlocaties van huismus niet uit te sluiten. In de nieuwsbrieven “Nieuwe Wet natuurbescherming”, Provincie Noord-Brabant (maart en november 2017) heeft de provincie een beleidslijn opgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=6d080b87-e375-41de-8824-fc6373885c7f