CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1- Toelichting bp Bolst Noord Erp

Raadsvergadering 18 september 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan ‘Bolst Noord’ en vaststelling beeldkwaliteitsplan 'Bolst Noord' Erp21.306 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.4.5

Nota Parkeernormen Meierijstad 2018

Vanaf 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening komen te vervallen. Eén van de consequenties van het vervallen van de stedenbouwkundige voorschriften is dat vanaf dat moment bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening getoetst kan worden aan de gemeentelijke parkeernormen. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om via het bestemmingsplan regels te stellen over parkeernormen. De gemeente Meierijstad is voornemens om alle huidige bestemmingsplannen aan te laten sluiten bij de doelstellingen van deze wetswijziging. Dit betekent dat de parkeernormen bij (bouw)plantoetsing nu aan de bestemmingsplannen gekoppeld gaan worden. Geldende bestemmingsplannen die in de regels reeds verwijzen naar het parkeerbeleid en/of waarvoor geldt dat in de regels reeds parkeernormen zijn opgenomen, hoeven strikt genomen niet te worden herzien, maar het kan wel. Voor de uniformiteit is ervoor gekozen om de normen op alle ruimtelijke plannen van toepassing te verklaren. Het plan bevat daarnaast een mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de normen, mits aangetoond wordt dat dit niet zal leiden tot onvoldoende parkeergelegenheid. Het niet in stand houden van parkeerplaatsen wordt bovendien aangemerkt als zijnde strijdig met het bestemmingsplan.

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 32 van 66

Datum:22 mei 2025

Doorwerking plangebied In paragraaf 4.13 wordt getoetst aan de Nota Parkeernormen van de gemeente Meierijstad. Hieruit blijkt dat voldoende parkeerplaatsen binnen het plangebied worden gerealiseerd. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het Paraplubestemmingsplan parkeren / de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018. 3.4.6

Duurzaamheid

De concrete doelstellingen op het gebied van duurzaamheid voor de gemeente Meierijstad zijn vastgelegd in het Uitvoeringsprogramma voor de duurzaamheidsvisie. Hierin staat centraal dat duurzaamheid geen afzonderlijk beleidsveld meer is binnen de gemeente, maar integraal terug moet komen in de werkzaamheden en projecten van de gemeente. Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in: duurzaam materiaalgebruik; slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); afvalreductie; vastgesteld ambitieniveau (GPR).

Doorwerking plangebied Het ontwerp van het plan zal ervoor zorgen dat het plan aansluit op de reeds aanwezige bebouwing. De toe te passen bouwmaterialen zullen afgestemd worden op de reeds aanwezige woningen. Bij de verdere uitwerking zal gekeken worden naar de mogelijkheden voor duurzaam materiaalgebruik en slimme energetische concepten. Conclusie De beoogde ontwikkeling is, voor zover deze momenteel is uitgewerkt, niet ij strijd met het gemeentelijk beleid.

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 33 van 66

Datum:22 mei 2025

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Vormvrije m.e.r - beoordeling

In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage 1994 (verder: Besluit m.e.r.) zijn activiteiten met drempelwaarden opgenomen op basis waarvan de noodzaak van het wel of niet opstellen van een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) of meteen een milieueffectrapportage (onderdeel C) wordt bepaald. In onderdeel C is aangegeven bij welke activiteiten waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor geldt een directe verplichting voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure (onderdeel C). Onderdeel D bevat activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een m.e.r-procedure nodig. De opgenomen drempelwaarden zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. De bouw maximaal 80 woningen valt onder het Besluit me.r. categorie D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De hierbij opgenomen drempelwaarden worden niet overschreden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het Besluit m.e.r.

(artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij deze beoordeling worden de selectiecriteria van de Europese richtlijn gevolgd: de kenmerken van het project, onder andere omvang en cumulatie: de plaats van het project, de kenmerken van het plangebied in relatie met kwetsbaarheid van de omgeving; de kenmerken van de potentiële effecten, mogelijke effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid. Er is een aanmeldnotitie opgesteld, waarin de bovengenoemde selectiecriteria zijn opgenomen en op basis waarvan het bevoegd gezag een besluit kan nemen of een milieueffectrapportage noodzakelijk is of niet. De aanmeldnotitie is opgenomen in Bijlage 3 bij dit bestemmingsplan. Conclusie Uit de aanmeldnotitie blijkt dat het project niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen en dat er geen noodzaak is om een milieueffectrapportage te doorlopen. Dit heeft geleid tot het M.e.r.-beoordelingsbesluit (30 juni 2023) zoals opgenomen in bijlage 4

4.2

Wegverkeerslawaai

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 34 van 66

Datum:22 mei 2025

onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Doorwerking plangebied Er is door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek verrricht naar de te verwachten geluidsbelastingen vanwege webverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe woningen. In deze toelichtingen worden de belangrijkste conclusies van dit onderzoek vermeld.

Het hele onderzoek is als bijlage 5 bij dit bestemmingsplan opgenomen. Hogere waarden Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat een hogere waarde procedure moet worden gevolgd voor de nieuwe bouwkavel aan het Oudveld, tussen de bestaande woningen gelegen aan het Oudveld 6 en 6D in. Vanwege de geluidsbelasting afkomstig van de doorgaande weg Oudveld. Uit de resultaten van het geluidonderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden vanwege het verkeer op het Oudveld. Er wordt wel voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Het verlenen van hogere waarden wordt mogelijk geacht.Er zal bij het ter inzage gaan van dit bestemmingsplan een separaat besluit genomen tot verlening van de Hogere Waarde in het kader van de Wet geluidhinder. Dit hogere waarde besluit is als bijlage 6 aan dit bestemmingsplan toegevoegd. Geluidbelasting in de woning Om in de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te behalen van 33 dB is een minimale karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingconstructie nodig van 25 dB. De geluidbelasting wegverkeerslawaai is 58 dB exclusief aftrek ex artikel 110g van de Wet geluidhinder. De minimaal benodigde karakteristieke geluidwering van 25 dB is geborgd in artikel 3.3 van het Bouwbesluit 2012. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning is hiermee geborgd.

Conclusie Er wordt voldaan aan het gestelde in de Wet geluidhinder en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning is geborgd in artikel 3.3 van het Bouwbesluit 2012. De hogere waarde kan worden vastgesteld.

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 35 van 66

Datum:22 mei 2025

4.3

Luchtkwaliteit

De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fjn stof (PM2,5)de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing. Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit.

Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Onderzoek Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. Het voorliggende bestemmingsplan maakt het ontwikkelen van een nieuwe woongebied planologisch mogelijk. Voor een woningbouwlocatie is in het besluit NIBM aangegeven dat een project van 1.500 woningen met één ontsluitingsweg aangemerkt kan worden als een NIBM-project. Dit aantal woningen wordt met zekerheid niet gehaald binnen het voorliggende plangebied. Binnen de bestemmingen ‘Woongebied’ kunnen namelijk maximaal 80 nieuwe woningen gebouwd worden.

Omdat het aantal nieuwe woningen van maximaal 80 binnen het plangebied de drempelwaarde van 1.500 woningen niet overschrijdt, kunnen de ontwikkelingen binnen het plangebied worden

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 36 van 66

Datum:22 mei 2025

gezien als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de grenswaarde uit de Wet luchtkwaliteit is niet aan de orde. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) Voor de volledigheid zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Met de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen (de route Veghelsedijk – Schansoord en de route Hesselereind - Morschehoef) de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 11 zijn de jaargemiddelde concentraties weergegeven voor het peiljaar 2015. Uit de monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied ruim beneden de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10 ) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) blijven.

Afbeelding 11 NIBM Conclusie Omdat het voorliggende bestemmingsplan onder de drempelwaarde van NIBM tool blijft is onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit formeel niet nodig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde normen uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten. Kortom, de bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate, er is geen nader onderzoek nodig. 4.4

Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 37 van 66

Datum:22 mei 2025

omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm.

Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uit 2004 legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico’s voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken. Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden.

In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 meter, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 meter is een verantwoording niet noodzakelijk. Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken buiten de 200 m dient in de toelichting aandacht moet worden gegeven aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zover het binnen het invloedsgebied van de transportroute is gelegen. Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 38 van 66

Datum:22 mei 2025

beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan bovendien achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. d. Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen een aanvullende verantwoording noodzakelijk is met betrekking tot het al dan niet nemen maatregelen om de effecten van een plasbrand te beperken en de zelfredzaamheid van personen. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden.

Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan. Ook is vastgesteld dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een ruimtelijk besluit wordt genomen, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 of 5 meter, afhankelijk van de werkdruk. Voor deze strook geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. Net als bij het Bevi worden de risicoafstanden en rekenmethodiek die volgen uit het Bevb opgenomen in een regeling, de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Doorwerking plangebied Op basis van de risicokaart is een inventarisatie gedaan van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Hieronder is de risicokaart weergegeven. Inrichting De risicokaart geeft aan dat op circa 750 meter ten zuidoosten van het plangebied een tankstation gelegen. Dit tankstation heeft een vergunde LPG jaardoorzet van 500-1.000 m3.

De volgende installaties zijn aanwezig: een LPG-reservoir met een risicocontour PR10-6 van 25 meter, een LPG-vulpunt met een risicocontour PR10-6 van 35 meter en een LPG-afleverinstallatie met een risicocontour PR10-6 van 15 meter. Het invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico is 150 meter. Hiermee wordt voldaan aan de risicoafstanden er hoeft geen verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 39 van 66

Datum:22 mei 2025

Afbeelding 12 Risicokaart Transport Het plangebied valt niet binnen invloedsgebieden van wegen, waterwegen of spoorlijnen. Buisleidingen Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsgebieden van buisleidingen. Het bestemmingsplan voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van de Bolst Noord.

4.5

Railverkeerslawaai

In de Wgh en het Bgh is de zonering van spoorwegen (en ook van tram en metro) en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. De locatie is niet gelegen in de nabijheid van een spoorlijn. Daardoor is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai niet aan de orde. Aangezien er recent uitvoerig onderzoek is gedaan naar de effecten is er geen aanleiding om opnieuw onderzoek te doen.

4.6

Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 40 van 66

Datum:22 mei 2025

scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor.

Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. In de ruimtelijke ordening wordt onderscheid gemaakt tussen milieuzoneringen met betrekking tot het aspect geur afkomstig van veehouderijbedrijven en alle andere aspecten. Voor het aspect geur geldt aparte wetgeving (Wet geurhinder en veehouderij en de Wro) en daardoor specifieke afstanden. Deze afstanden komen niet overeen met de afstanden die in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG zijn opgenomen. Het aspect geur wordt daarom in deze paragraaf buiten beschouwing gelaten. ø Voorbolst 4 Op circa 400 meter van het projectgebied is een melkveehouderij gevestigd. Deze inrichting valt onder ‘fokken en houden van rundvee’ en heeft milieucategorie 3.2 met een grootste richtastand van 100 meter. Deze afstand geldt voor het aspect geur.

Echter voor geur is aparte regelgeving van toepassing die is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor de overige omgevingsaspecten geldt een grootste afstand van 30 meter. De woningen in het plangebied liggen op een afstand van circa 400 meter, daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Bolst 18A/18 Op circa 350 meter van het plangebiedbevindt zich een bedrijf met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-4'. Hieronder wordt een bedrijf in ln landbouwmechanisatie- en loonbedrijf met als nevenactiviteit agrarische bedrijfsvoering bedoeld. Deze inrichting heeft milieucatogorie 3.2 met een grootste richtafstand van 50 meter voor geluid. Hier wordt uitgegaan van 'Dienstverlening t.b.v de Landbouw. Aan de gestelde richtafstand wordt ruimschoots voldaan.

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 41 van 66

Datum:22 mei 2025

Morschehoef 19A Aan de Morschoef 19A is een champignonnenkwekerij gevestigd. Dit bedrijf heeft milieucatogorie 2 met een grootste richtafstand van 30 meter. Deze afstand geldt voor het aspect geur. De geplande woningen liggen op circa 300 meter waarmee ruim wordt voldaan aan de regelgeving. Morschehoef 8 Aan Morschehoef 8 is een varkenshouderij gevestigd. Deze inrichting heeft de milieucategorie 4.1 met een grootste richtafstand van 200 meter. Deze afstand geldt voor het aspect geur. Echter voor geur is aparte regelgeving van toepassing die is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor de overige omgevingsaspecten geldt een grootste afstand van 50 meter. De beoogde woningen in het plangebied liggen op een afstand van meer dan 200 meter, daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Conclusie De inrichtingen vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Omgekeerd wordt er geen milieubelastende inrichting in het plangebied mogelijk gemaakt. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.7

Geurhinder

De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege van veehouderijen. De Wgv isbedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. De Wgv bepaalt de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven geregeld. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Doorwerking plangebied Rondom de kern Erp zijn verschillende intensieve veehouderijen gelegen. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het belangrijk dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de geurgevoelige objecten. Het woon- en leefklimaat wordt inzichtelijk gemaakt door middel van de achtergrondbelasting, ofwel cumulatieve geurbelasting van alle aanwezige veehouderijen, in een gebied.

Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het projectgebied betrokken. In onderstaande afbeelding is een uitsnede weergegeven van de 'kaart achtergrondbelansting geur maart 2022'. Op deze kaart is te zien dat de planlocatie aan de westzijde een 'zeer goed' woon- en leefklimaat heeft. Aan de oostzijde heeft

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 42 van 66

Datum:22 mei 2025

de planlocatie de aanduiding 'goed' woon- en leefklimaat. Conclusie Ter plaatse van het plangebied is de gecumuleerde geurbelasting dus zeer laag. Waardoor er sprake is van een goed/zeer goed woon- en leefklimaat. De ontwikkeling zal dus niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven. Er zijn al veel woningen gelegen tussen de veehouderijen en het plangebied. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan 'Bolst-Noord'.

Afbeedling 12 geurbelasting 4.8

Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen

De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, om te bepalen of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Uit toetsing op afstanden door de ODBN blijkt dat wordt voldaan aan de endotoxine richtafstanden voor varkens- en/of pluimveehouderijen (stap 1). De planlocatie is niet gelegen binnen de straal van 2 km van geitenhouderijen (stap 5a). De locatie is evenmin gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf (stap 5b) en ook niet binnen 250 meter van overige veehouderijen (stap 5c). Uit de toetsing op afstanden blijkt dat deze stappen niet leiden tot de conclusie dat advies dient te worden opgevraagd bij de GGD. Geitenhouderijen

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 43 van 66

Datum:22 mei 2025

Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Zie hieronder afbeedling 12 met een overzicht van alle geitenhouderijen in de gemeente Meierijstad.

Afbeedling 13 Geitenhouderijen gemeente Meierijstad. Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Voor de locatie geldt dat er geen sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Conclusie Het gehele stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) is doorlopen. Een advisering van de GGD hoeft niet te worden gevraagd voor dit plan. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico op deze locatie. Dit onderdeel zorgt dan ook niet voor belemmeringen.

4.9

Flora en fauna

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Floraen faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen).

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 44 van 66

Datum:22 mei 2025

Bescherming van soorten In Nederland is de bescherming van natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden en houtopstanden. De Wnb kent drie beschermingsregimes waarin de verbodsbepalingen voor de bescherming van in het wildlevende dier- en plantsoorten zijn opgenomen. Vogelrichtlijnen Het verbod op opzettelijk verstoren vogels is alleen geldig wanneer er sprake is van een “wezenlijke invloed” op de gunstige staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Er kan sprake zijn van een wezenlijke invloed op de gunstige staat van instandhouding bij verstoring door projecten in het broedseizoen. Hierbij kan verstoring leiden tot aantasting van de functionaliteit van nesten en/of het doden van dieren. In dit kader kan er sprake zijn van overtreding van artikel 3.1, lid 1 en 2. Enkele vogelsoorten gebruiken jaarlijks hetzelfde nest of maken jaarrond gebruik van de nestlocatie. Habitatrichtlijnen In de habitatrichtlijn worden enkele vogelsoorten benoemd uit de verdragen van Bern en Bonn. In dit kader is het verstoren van deze vogelsoorten verboden, ongeacht of er sprake is van een wezenlijke invloed op de gunstige staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Andere soorten De onder het beschermingsregimes andere soorten vallen enkele soorten waarvoor geen Europese verplichting tot bescherming bestaat. Dit betreft enkel nationaal beschermde soorten. Voor een aantal algemeen voorkomende nationaal beschermde soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 voor bestendig beheer, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkelingen. Onder de vrijstelling worden projecten toegestaan die de verbodsbepalingen onder artikel 3.10 overtreden, ook zonder ontheffing. In alle gevallen geldt de zorglicht. De lijst vrijgestelde soorten is per provincie verschillend, zie Bijlage IV. Voor een overzicht van alle beschermde soorten wordt verwezen naar de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Natura 2000 De Europese lidstaten hebben de verplichting om beschermingszones aan te wijzen. Deze beschermingszones worden toegewezen in het kader van de Europese vogelrichtlijn en/of habitatrichtlijn. Deze beschermingszones worden gevormd door de Natura 2000-gebieden. Ieder Natura 2000-gebied heeft specifieke instandhoudingsdoelstellingen in het kader van de Vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn, dit betreft: De leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, of; De natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.

In het kader van de Wnb geldt een verbod op elk project binnen, of in de invloedssfeer van een Natura 2000-gebied die: de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of; een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 45 van 66

Datum:22 mei 2025

Activiteiten die een wezenlijk effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden hebben kunnen alleen doorgang vinden wanneer bevoegd gezag hiervoor een vergunning verleend. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) betreft natuurgebieden en gebieden die zijn aangewezen als ecologische verbindingszones tussen natuurgebieden. De kenmerken en waarde van het NNN mogen, als gevolg van een projecten, niet wezenlijk worden aangetast. Voor projecten moeten alle mogelijke effecten op de kenmerken en waarde van NNN-gebieden getoetst worden. Bescherming houtopstanden Het verboden is een houtopstand geheel of gedeeltelijk te kappen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels een goedgekeurde gedragscode of de werkzaamheden voortvloeien uit instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.

Flora en Fauna Op 10 juli 2023 is de Quickscan Flora en Fauna Bolst Noord aangeleverd door Pius Floris (zie bijlage 7). Uit de resultaten van de Quickscan volgt dat negatieve effecten op: Huismus, Steenuil, Marterachtigen (steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel), Alpenwatersalamander, Rugstreeppad, Grote modderkruiper en Teunisbloempijlstaart niet uit te sluiten zijn. Opvolgende is een soortgericht onderzoek uitgevoerd binnen het plangebied Bolst Noord (zie bijlage 8). Dit onderzoek is uitgevoerd door Pius Floris onderzoek en advies en op 13 februari 2025 aangeleverd aan de gemeente Meierijstad. Op basis van dit onderzoek kan een inschatting gemaakt worden van de effecten op de aanwezige natuurwaarden door de voorgenomen ontwikkeling. Uit het soortgericht onderzoek blijkt dat er geen verdere vervolgstappen nodig zijn. Voor het borgen van de zorgplicht zal een werkprotocol worden opgesteld. Doorwerking plangebied Uit Soortgericht onderzoek Bolst noord blijkt dat vervolgstappen niet nodig zijn en geen negatieve effecten zijn op de onderzochte soorten.

4.10 Stikstofdepositie Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het dichtbijzijnde Natura 2000-gebied, "Kampina & Oiserwijkse Vennen", bevindt zich op ruim 21,5 kilometer afstand ten westen van de planlocatie Bolst noord, Erp. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van sto-ringsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als ge-volg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 46 van 66

Datum:22 mei 2025

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 80 woningen. Gezien de omvang van het project kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd. Aerius berekening Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit deze berekening blijkt dat zowel bij de aanlegfase als de gebruiksfase géén rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. De berekeningen zijn toegevoegd aan de bijlagen 9 en 10 van dit bestemmingsplan. Conclusie Het rekenresultaat met de ingevoerde mobiele werktuigen en verkeers-bewegingen is in alle fases niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Stikstofdepostie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van de Bolst Noord in Erp.

4.11

Bodem

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. Voor deze bestemmingsplanprocedure is op 9 mei 2022 het 'Verkennend bodemonderzoek' uitgevoerd door Ingenieursbureau Land uit Ede. Dit onderzoek is als bijlage 11 aan dit bestemmingsplan toegevoegd. Doorwerking plangebied Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Het onderhavinge plan maakt de ontwikkeling van maximaal 80 wonigen planologisch mogelijk. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies van het bodemonderzoek vermeld. Het bodemonderzoek toont aan dat: In het noordwestelijke gedeelte van de onderzoekslocatie, overschrijdt de aangetoonde gehalte van de parameter zink de interventiewaarde. Er is dus sprake van een verontreiniging met zink. Voor de overige schone grond binnen de onderzoekslocatie zijn overschrijdingen van de achtergrondwaarde voor de parameters koper, zink en PAK aangetoond.

De te verwachten bodemkwaliteitsklasse varieert van •'altijd toepasbaar' tot klasse 'eindustrie'. Voor het werken met deze grond is geen veiligheidsklasse van toepassing. In het grondwater overschrijden de aangetoonde nikkel, zink, cadmium en barium concentraties de streefwaarde. Dit komt vaker in dit gebied voor. Vervolgonderzoek hiernaar is niet nodig. In de bodem van de onderzoekslocatie is visueel en analytisch geen asbest aangetroffen. Conclusie

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 47 van 66

Datum:22 mei 2025

De zink verontreiniging van ca. 75 m3 (t.p.v. boring 01) dient verwijderd te worden om de locatie rondom boring 01 geschikt te maken voor woningbouw. Voor de verwijdering van deze verontreinigingen dient een plan van aanpak te worden opgesteld, welke dient te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag (omgevingsdienst Brabant Noord). De verontreiniging zal bij het verlenen van de (bouw)vergunning worden verwijderd.

4.12

Waterparagraaf

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Deze is recent vervangen door de Interim Omgevingsverordening in verband met de Omgevingswet die in werking gaat treden. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld.

In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's: 1. Waterveiligheid; Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veekrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaat robuust watersysteem waarin: schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 48 van 66

Datum:22 mei 2025

ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschap verordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. In de keur van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'.

Het verbod uit artikel 3.6 van de keur is van toepassing tenzij: Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel. Benodigde retentiecapaciteit (in m3 ) = toename verhard oppervlak (in m2 ) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Programma Water en Riolering Meierijstad 2022 – 2026 Het beleid van de gemeente Meierijstad omtrent water en riolering is beschreven in het 'Programma Water en Riolering Meierijstad 2022 – 2026'. Hierin zijn de speerpunten en ambities

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 49 van 66

Datum:22 mei 2025

beschreven waarop de gemeente zich zal richten. De gemeente kiest voor nieuw te ontwikkelen gebieden binnen de bebouwde kom in principe voor een gescheiden rioolsysteem. Bij kleinschalige in- of uitbreidingen, waar in de bestaande situatie geen gescheiden systeem aanwezig is, mag de nieuwe verharding niet worden aangesloten op het gemengde stelsel. De perceeleigenaar moet het hemelwater op eigen perceel verwerken. Dit is opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad. Gemeentelijke Verordening fysieke leefomgeving In juli 2021 is de Verordening fysieke leefomgeving vastgesteld. Doel van de regels in deze verordening is het tegengaan van de verdroging en het ontlasten van riolering en rioolwaterzuiveringsinstallaties. Daartoe zijn regels gesteld om de opvang van regenwater op eigen terrein te bevorderen en het lozen van hemel- en grondwater op de openbare riolering te voorkomen. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Waardevol Water in Meierijstad VGRP+ 2017-2022'. Hierin zijn enkele speerpunten beschreven waarop de gemeente zich binnen deze planperiode zal richten: Klimaatbestendig inrichten openbaar en particulier gebied. Verhogen waterbewustzijn en stimuleren waterbewust handelen.

Verduurzamen afvalwaterketen. Behalen KRW-doelen. Doelmatig verwerken afvalwater in het buitengebied. Verhogen belevingswaarde en benutten water voor natuur en recreatie. Verder professionaliseren van het stedelijk waterbeheer. Samenwerken. Uitbreidings- en reconstructieplannen van woningbouw en/of (reconstructies van) infrastructuur kunnen tot een toename van afstromend verhard oppervlak leiden. Planontwikkelingen mogen niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater en/of het rioleringssysteem ook niet bij extremere omstandigheden. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekoppelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Als voorkeursvolgorde wordt de trits infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering gehanteerd. Nieuwe ontwikkelingen moeten hydrologisch neutraal of positief worden uitgevoerd. 4.4.2 Onderzoek Er is een waterparagraaf opgesteld door IB land om te onderzoeken of er met onderhavig plan wordt voldaan aan de relevante waterhuishoudkundige aspecten. Onderstaand worden belangrijkste conclusies weergegeven, het volledig onderzoek (19 juni 2025) is terug te vinden in de bijlage 12 van dit bestemmingsplan.

Conclusie onderzoek De belangrijkste conclusies wat betreft de waterhuishouding van De Bolst zijn: In de gehele woonwijk De Bolst komt uiteindelijk een gescheiden rioolstelsel. Het vuilwater komt uit in gemaal De Bolst. Het hemelwater wordt via infiltratieriool ingezameld, getransporteerd naar de verschillende waterbergingen en geïnfiltreerd; De capaciteit van gemaal De Bolst is voldoende om het afvalwater van de toekomstige wijk te

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 50 van 66

Datum:22 mei 2025

kunnen verpompen; De verwachte gemiddeld hoogste grondwaterstand in De Bolst bedraagt 10.20 m + NAP; De overstort van de bergingsleiding en het infiltratieriool wordt met de realisatie van fase 1 verplaatst naar de definitieve locatie in het noorden van het plangebied; In fase 0 van de Bolst ontstaat 4.5 ha verhard oppervlak en op basis van de bergingseisen uit de periode 2007-2008 (36.6 mm) bedraagt de bergingsopgave 1.652 m³; In de fases 1 t/m 3 ontstaat 3.1 ha verhard oppervlak en op basis van het huidige beleid van waterschap Aa en Maas komt hiervoor 1862 m³ waterberging in de wijk (60 mm); Fase 4 dient in de toekomst voorzien te zijn van een eigen waterberging en een eigen rioolstelsel dat nabij de overstort aansluit op het infiltratieriool; In overleg met waterschap en gemeente is gekozen voor een maatwerkoplossing waarbij het grootste gedeelte van de bergingsopgave (3.050 m³) fysiek wordt aangelegd en het overig deel (464 m³) door middelvan infiltratie tot stand komt; Uit de rioolberekeningen van het ontwerp van het infiltratieriool zoals opgenomen in de ontwerptekeningen van Megaborn (kenmerk GMe1903-402) blijkt dat bij bui L08 in beperkte mate water op straat ontstaat.

Er ontstaat geen overlast, omdat het water oppervlakkig af kan stromen naar het groen of de greppel langs de Voorbolst; Uit de rioolberekeningen van het ontwerp van het infiltratieriool zoals opgenomen in de ontwerptekeningen van Megaborn (kenmerk GMe1903-402) blijkt dat bij bui L09 in grotere mate water op straat ontstaat. Er ontstaat naar verwachting geen overlast, omdat het water zich oppervlakkig kan verspreiden op straat, in de bermen en eventueel richting de greppel langs de Voorbolst; De gemeente Meierijstad accepteert het theoretisch optreden van water op straat bij bui L09 en kiest niet voor kapitaalvernietiging en het veroorzaken van overlast door de bestaande riolering in fase 0 te vervangen voor leidingen met grotere diameters. Conclusie onderzoek De belangrijkste aanbevelingen wat betreft de waterhuishouding van De Bolst zijn: Gedurende de ontwikkeling van de wijk dient de hoeveelheid waterberging altijd te voldoen aan de eisen.

Aan te bevelen valt te zorgen dat voorafgaand aan de ontwikkeling van een nieuwe fase de waterberging op voorhand is gerealiseerd; Om de weerstand te beperken is het van belang dat de uitstroomconstructies in de bestaande en toekomstige centrale waterbergingen uitgerust zijn met een maasrooster (1.0 x 1.0 m); De hoogte van de drempel van de overstort van het infiltratieriool naar het oppervlaktewater is een belangrijke sluitpost voor de waterberging. Het is dan ook van belang dat deze drempel uiteindelijk een niveau krijgt van 10.88 m + NAP. Elke cm dat de drempel lager is, resulteert in een afname van de hoeveelheid berging van ongeveer 100 m³.

4.13

Archeologie en cultuurhistorie

Erfgoedwet De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt mgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 51 van 66

Datum:22 mei 2025

overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. Het betreft dan: Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenwet doorgevoerd via een wijziging van artikel 3.6. lid 2 van Besluit ruimtelijke ordening. In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen: Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Dit is één van de pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo).

De Rijksdienst helpt gemeenten om hieraan te voldoen met de Handreiking erfgoed en ruimte. Hierin staat hoe gemeenten zo’n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt in deze handreiking aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan, compleet met voorbeeldbepalingen. Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant De cultuurhistorische waardenkaart (CHWkaart) van de provincie Noord-Brabant laat zien welke cultuurhistorische interessante en waardevolle patronen en objecten zich in het plangebied bevinden. Elke tijdsperiode heeft haar weerslag gehad op de vorming van de gebouwde omgeving. Lijnen, punten en vlakken uit het verleden zijn soms nog afleesbaar in het huidige (dorps)landschap. De CHW-kaart brengt deze cultuurhistorische waardevolle patronen en objecten in beeld. Met de Cultuurhistorische Waardenkaart wil de provincie Noord-Brabant een ‘handvat’ bieden voor het inpassen van cultuurhistorische waardevolle elementen binnen de ruimtelijke ordening. Het uitgangspunt is niet het bewaren van ‘monumenten’, maar het inpassen van cultuurhistorisch waardevolle elementen in het landschap. Gemeentelijk archeologiebeleid De voormalige gemeente Veghel heeft voor het gehele grondgebied een eigen archeologische inventarisatie laten uitvoeren.

Op de verwachtingskaart staan naast de reeds bekende archeologische waarden ook de te verwachten archeologische waarden in de vorm van zones met een bepaalde trefkans. Hiermee wordt een beeld verkregen waar archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig kunnen zijn. Deze verwachtingskaart dient als instrument om archeologisch beleid mee te voeren.

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 52 van 66

Datum:22 mei 2025

Afbeelding 13 Uitsnede archeologische beleidskaart vooramlig gemeente Veghel. Archeologie De archeologische beleidsadvieskaart geeft een gedetailleerd overzicht van de aanwezige archeologische waarden en de archeologische verwachtingen in de voormalige gemeente Veghel (zie afbeelding 13). Het grondgebied van de voormalige gemeente Veghel is met betrekking tot archeologie opgedeeld in diverse categorieën (o.a. een hoge, middelhoge en lage verwachting). Voor deze categorieën worden door burgemeester en wethouders op grond van de omvang en diepte van bodemingrepen voorwaarden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarnaast is, afhankelijk van de omvang van de ingreep, een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd.

NL.IMRO.1948.ERP000BP0012023P-VG01

Pagina: 53 van 66

Datum:22 mei 2025

In het kader van de ontwikkeling van De Bolst is in het voorjaar van 2004 een bureau- en karterend booronderzoek uitgevoerd, waarbij een groot deel van het plangebied is onderzocht (zie bijlage 13). Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het onderzoeksgebied is gelegen in een zone met een hoge archeologische verwachtingswaarde, met name voor bewoning in de IJzertijd. Het veldonderzoek wees echter uit dat de bodem vooral in het westelijke deel sterk was afgetopt of tot op grote diepte was verstoord. In het oostelijke deel was op verschillende plaatsen nog een restant van een podzolbodem aanwezig. Er werden evenwel geen archeologische vindplaatsen aangetroffen. Wel zijn een aantal Laat-Middeleeuwse scherven aan de oppervlakte of in de boringen aangetroffen. Deze vondsten bevonden zich echter niet in situ. Voor het onderzoeksgebied is het uitvoeren van een waarderend booronderzoek of ander vervolgonderzoek niet benodigd. Naar aanleiding van het bureau- en karterend booronderzoek zijn de gronden vrijgegeven voor verdere ontwikkeling en is op de archeologische beleidskaart de aanduiding ‘geen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk’ opgenomen. Voor de niet onderzochte percelen aan de Voorbolst en het Oudveld geldt een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Voor deze gronden is in het bestemmingsplangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen.

In de voorgenoemde dubbelbestemming is bepaald dat voor verstorende werkzaamheden in de bodem die een bedreiging kunnen vormen voor de mogelijk aanwezige archeologische waarden een vergunning verplicht is. Voor de gronden met een middelhoge archeologische verwachting bedraagt de maximale verstoring 100 m2 en 30 cm diep. Indien deze vrijstellingsgrenzen worden overschreden, dient een archeologisch onderzoek overlegd te worden. Cultuurhistorie Het voorliggende plangebied is gelegen aan de noordzijde van Erp; een agrarisch dorp van bescheiden omvang, maar met een lange geschiedenis. De oudste akkergronden van Erp zijn ten oosten van het plangebied gelegen. Het plangebied is waarschijnlijk ergens in de 13e eeuw ontgonnen, mogelijk zelfs nog eerder. Vanuit Oudveld aan de oostzijde van het plangebied en de Voorbolst aan de westzijde van het plangebied, is steeds meer marginaal terrein in gebruik genomen. De scheiding in het midden wordt gevormd door een oud beekdal waar zich thans nog een sloot bevindt. Erp bestond aanvankelijk uit een aaneenschakeling van agrarische linten met enkele verspreid liggende bebouwingsconcentraties. De verschillende (agrarische) bebouwingslinten zijn vandaag de dag nog duidelijk herkenbaar, waarvan de Voorbolst een typisch voorbeeld is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=4c1d1266-69d0-49f0-be6d-3280bab4eaaa