Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan
Tekst van het document
hierop zijn geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura2000-gebieden te verwachten als gevolg van deze fase. Overige storende effecten Daarnaast heeft men te maken met de volgende mogelijke storende aspecten ten gevolge van activiteiten en plannen zoals verlies van oppervlakte, barrièrewerking en versnippering, verstoring door geluid en licht, trilling, optische verstoring, verstoring door mensen, mechanische effecten, verontreiniging, verdroging en bewuste verandering soortensamenstelling. Door de aard en geringe omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de geruime afstand tot de Natura2000-gebieden zijn storende effecten op deze gebieden uitgesloten. 6.2.2
Soortenbescherming
In zijn algemeenheid is bij ruimtelijke ingrepen sprake van directe, indirecte, tijdelijke en permanente effecten. Onder directe effecten worden effecten verstaan waarmee planten en dieren rechtstreeks te maken krijgen als gevolg van de ontwikkeling. Verlies van habitat en kwaliteit zijn directe effecten en bovendien permanent. Indirecte effecten betreffen onder andere verstoring, waarbij de aanwezigheid van mensen, licht en geluid een rol speelt. Verstoring tijdens de bouwwerkzaamheden zijn tijdelijk, maar verstoringen kunnen ook een permanent karakter hebben. De toets in het kader van de soortenbescherming is geregeld in de Wet natuurbescherming, die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Deze wet regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren.
Toets plangebied In relatie tot de Wet natuurbescherming kan over het plangebied het volgende worden opgemerkt: • De locatie heeft geen kenmerkende specifieke natuurwaarden die planologisch zijn vastgelegd in het vigerend bestemmingsplan die in stand dienen te worden gehouden of extra zorg behoeven. Ook liggen de gebieden behorende tot Natuur Netwerk Brabant en Natura2000-gebieden op voldoende ruime afstand van het plangebied; • De omliggende landerijen zijn reeds sinds lange tijd in gebruik als agrarische grond. Door het intensieve gebruik van het land is het zeer onwaarschijnlijk dat in de directe omgeving van het plangebied beschermde soorten voorkomen; • Door middel van het aanbrengen van erfbeplanting wordt onderhavige ontwikkeling landschappelijk ingepast. De erfbeplanting sluit aan bij de bestaande structuren en gebiedssoorten en draagt bij aan een aantrekkelijkere leefomgeving voor eventueel voorkomende soorten; • Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling worden geen gebouwen gesloopt of aangepast. Enkel het gebruik van de bebouwing verandert. De geplande activiteiten leiden niet tot overtredingen van de Wet natuurbescherming; de ontwikkeling heeft naar verwachting geen effecten op beschermde dier- en plantensoorten.
25 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
7. Water 7.1
Waterbeleid
Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Provinciaal Waterplan Noord-Brabant, Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw WB21, Nationaal bestuursakkoord water, Beleidsbrief regenwater en riolering. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend: • Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Watertoets Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor de waterhuishouding betekenen. Ook is het overleg met de waterbeheerder onderdeel van deze watertoets. Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer in de gemeente Meierijstad is in handen van het Waterschap Aa en Maas en de gemeente. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Waterbeheerprogramma schetst de ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050) en vertaalt deze ambities naar doelen en maatregelen voor de periode van dit Waterbeheerprogramma.
Dit Waterbeheerprogramma is een echte koerswijziging van het waterschap. De Dommel wil dat de waterhuishouding in 2050 toekomstbestendig is. Dat betekent een waterhuishouding die robuust, wendbaar, in balans met de omgeving is en die voorziet in een goede waterkwaliteit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben. Keur Brabantse waterschappen Voor waterhuishoudkundige ingrepen binnen het plangebied is de Keur waterschap De Dommel van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap.
Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De Keur is in 2021 geactualiseerd. Bij een toename en het afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2, toename van een verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2.
26 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (VFL) De Verordening Fysieke Leefomgeving is een integratie van een aantal verordeningen en afzonderlijke regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening met betrekking tot de fysieke leefomgeving. In de verordening is ook de Hemelwaterverordening (versie Meierijstad) opgenomen. Het doel van de regels met betrekking van afvoer hemelwater en grondwater is het tegengaan van de verdroging en het ontlasten van riolering en rioolwaterzuiveringsinstallaties. Daartoe zijn regels gesteld om de opvang van regenwater op eigen terrein te bevorderen en het lozen van hemel- en grondwater op de openbare riolering te voorkomen. Programma Water en Riolering Meierijstad 2022-2026 De gemeente Meierijstad heeft op basis van de Wet milieubeheer de wettelijke plicht een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) te maken. Het GRP is een beleids- en beheerplan dat op hoofdlijnen weergeeft hoe de gemeente invulling geeft aan de gemeentelijk watertaken. Deze hebben betrekking op afvalwater, regenwater, grondwater en oppervlaktewater. Om mee te kunnen bewegen met de ontwikkelingen is het wenselijk het GRP-periodiek te actualiseren. Voor de periode 2022 - 2026 is een nieuw GRP opgesteld, met een naamswijziging en aangepaste opzet. Hierbij wordt voorgesorteerd op de komst van de Omgevingswet in 2024, die het opstellen van programma's voorschrijft.
Vandaar dat nu gesproken wordt van het Programma Water en Riolering (PWR). De belangrijkste uitgangspunten voor het PWR zijn: a. het stedelijke watersysteem wordt in stand gehouden door doelmatig beheer; b. de kans kwetsbaarheid voor wateroverlast wordt verkleind door, naast de aanleg van hemelwaterriool, ook te zoeken naar ruimtelijke oplossingen; c. er wordt werk gemaakt van het omgaan met weersextremen door integratie van verharding, groen en blauw in de openbare ruimte en gebiedsontwikkelaars wordt in Meierijstad een wateropgave meegegeven; d. de betrokkenheid en eigen verantwoordelijkheid voor water bij inwoners en bedrijven wordt vergroot door ontmoediging en stimulering.
7.2
Oppervlaktewater
De volgende figuur toont de ligging van de leggerwatergangen in de omgeving van het plangebied, die in beheer zijn bij het waterschap De Dommel.
B-Watergangen A-Watergang
Plangebied
Figuur 13: Ligging leggerwatergangen 27 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
Het plangebied is op geruime afstand van de A-watergangen gelegen om invloed op de oppervlaktewaterhuishouding van het gebied uit te oefenen. Rondom het plangebied zijn aan diverse zijden B-watergangen gelegen. De B-wateren worden onderhouden door de aanliggende eigenaren. Het onderhoud van de watergangen worden niet beperkt door onderhavige ontwikkeling. Onderhavige ontwikkeling heeft dan ook geen negatieve effecten op deze B-watergangen.
7.3
Grondwater
Via de Kaartbank van de provincie Noord-Brabant zijn gegevens opgevraagd over de grondwaterstand bij de onderzoekslocatie. Uit gegevens is gebleken dat de gemiddelde hoogste waterstand zich rond de 40-100 centimeter beneden maaiveld bevindt en de gemiddelde laagste grondwaterstand 140-180 centimeter beneden maaiveld (zie volgende figuren).
Figuur 14: Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) (plangebied rood omkaderd)
Figuur 15: Gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG)
7.4
Omgang met hemelwater
Verhard oppervlak De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een toename van het verhard oppervlakte. De natuurhuisjes worden opgericht ter plaatse van de bestaande opslagen voor ruwvoer. Deze worden verwijderd. De uitbreiding van de parkeerplaats wordt uitgevoerd in halfverharding (grasbetontegels). 28 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
Zoals beschreven blijft de mestkelder onder de stal behouden en wordt in gebruik genomen voor de opslag van hemelwater wat benut wordt voor het beregenen van het kampeerterrein in de zomermaanden. Als overloop wordt aan de westzijde een infiltratiegreppel gerealiseerd. Afvoer hemelwater In de Keur 2015 is een vrijstelling van de compensatie opgenomen voor nieuwe verharde oppervlakken kleiner dan 500 m2. Aangezien in onderhavige situatie het verharde oppervlakte niet toeneemt, is bij deze ontwikkeling sprake van een vrijstelling van de Keur. Dit betekent dat er vanuit de Keur geen compensatie wordt gevraagd voor deze ontwikkeling. Gebruik niet-uitlogende materialen Het gebruik van niet uitlogende materialen is conform het advies van de Dubo-richtlijn (Duurzaam Bouwen). In het Activiteitenbesluit staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakken als daken. Bij de eventuele herbouw van de woning zal geen gebruik worden gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK’s) en van met verontreinigde stoffen verduurzaamd hout. Doordat het hemelwater niet vervuild is, is het geen probleem om het hemelwater te laten infiltreren.
7.5
Omgang met huishoudelijk afvalwater
Het huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd middels de bestaande aansluiting op de gemeentelijke riolering. In de huidige situatie is sprake van het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool. Vanuit het melkveebedrijf wordt afvalwater geloosd als ook de minicamping. In de huidige situatie worden dagelijks maximaal de volgende hoeveelheden afvalwater geloosd: • 5.625 liter van de minicamping. Dit op basis van gemiddeld 75 liter afvalwater (sanitair) per bezoeker. Uitgaande van 25 standplaatsen, 3 personen per standplaats; • 325 liter per dag (spoelwater melkinstallatie en melktank). deze lozing vindt plaats op twee momenten per dag. In de beoogde situatie wordt vanuit het veehouderijbedrijf geen afvalwater geloosd, enkel vanuit de camping. In de beoogde situatie worden dagelijks de volgende hoeveelheden afvalwater geloosd: • 7.875 liter van de camping. Dit op basis van gemiddeld 75 liter afvalwater (sanitair) per bezoeker. Uitgaande van 35 standplaatsen, 3 personen per standplaats; • 750 liter van de appartementen. Dit op basis van gemiddeld 75 liter afvalwater (sanitair) per bezoeker. Uitgaande van 4 appartementen, 2 personen per appartement; • 200 liter voor het gebruik van de wellness. Deze lozingen vinden verspreid over de gehele dag plaats.
Er is geen sprake van een pieklozing zoals in de huidige situatie bij het lozen van het spoelwater afkomstig van de melkveehouderij. Er wordt geen schoon hemelwater geloosd op het gemeentelijk riool.
7.6
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan het beleid van Waterschap De Dommel en de gemeente Meierijstad inzake de watertoets.
29 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
8. Fysieke belemmeringen 8.1
Kabels en leidingen
De aanwezigheid van kabels en/of leidingen in een gebied kunnen de realisatie van eventuele bouwplannen in de weg staan. Buiten de normale huis- en bedrijfsaansluitingen liggen geen leidingen in de directe omgeving van het plangebied die een fysieke belemmering vormen. In de directe omgeving zijn geen kabels en leidingen gelegen.
8.2
Hoogspanningslijnen
Op een afstand van ongeveer 2,5 kilometer van het plangebied ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.
8.3
Spuitzones gewasbescherming
Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabijgelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van vele soorten van open teelt (bijvoorbeeld, siergewassen, vaste planten, groet in de volle grond) wordt in de bestemmingsplanpraktijk een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een perceel waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin wordt als zodanig aangemerkt. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woningen. De 50 meter afstand is echter een indicatieve en willekeurige afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden.
Drift in bijvoorbeeld de fruitteelt is door de aard van de bespuiting, met name op- en zijwaarts gericht spuiten en spuitfrequentie intensiever dan bijv. bespuitingen in de lage bomenteelt of aardappelteelt. Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht. Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering. Een viertal aandachtspunten zijn van belang: • Wat wordt planologisch mogelijk gemaakt en geldende bestemming(en); • Welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt; • Wat zijn de effecten van de gewasbeschermingsmiddelen voor de mens bij blootstelling en het gebruik van driftreducerende middelen of maatregelen; • Overheersende windrichting. In de bestaande situatie is reeds sprake van gevoelige objecten (bedrijfswoning); in de beoogde situatie blijft de woning als zodanig in gebruik. Eveneens worden er nieuwe recreatiewoningen gerealiseerd. De nieuwe appartementen liggen op ruim voldoende afstand, maar de beoogde ‘vakantiehuisjes’ komen te liggen aangrenzend aan een akkerland waar het aspect spuitzonering in de huidige situatie wel van toepassing is. Dit akkerland is in eigendom van de initiatiefnemer.
Op de agrarische gronden welke onderdeel uitmaken van het plangebied is een milieuzone opgenomen die dient ter bescherming van het woon- en leefmilieu in de gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, in 30 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
deze het recreatieterrein. Binnen de milieuzone – spuitzone is het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen is ter plaatse niet toegestaan
31 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
9. Milieuhygiënische verantwoording 9.1
Inleiding
Milieuaspecten spelen een rol in de ruimtelijke planvorming wanneer aan een gebied functies worden toegekend die een milieubelasting doen ontstaan of doen toenemen. Door middel van een goede ruimtelijke ordening kan een milieubelasting ook worden beperkt of worden voorkomen, zodat wordt bijgedragen aan de duurzame ontwikkeling van de gemeente. Milieuaspecten worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces betrokken. Hierdoor wordt het milieubelang volwaardig afgewogen tegen andere belangen die evenzeer claims leggen op de beschikbare ruimte.
9.2
M.e.r.-beoordeling
Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden (vormvrije m.e.r.beoordeling). Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 liggen, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Indien het een stedelijk ontwikkelingsproject (cat. D 11.2) betreft, welke zowel in kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit staat, dan moet er voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan een aparte m.e.r.-beoordelingsbeslissing worden genomen dat geen MER nodig is. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een vormvrije m.e.r.beoordeling opgesteld, waarin de verschillende milieueffecten zijn afgewogen. Deze m.e.r.-beoordeling is toegevoegd als bijlage aan onderhavige rapportage.
9.3
Bodem
Wettelijke basis In een bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet onder andere worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Aanleiding en doel Een bodemonderzoek moet in bepaalde gevallen worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak.
Aanleiding van de bodemtoets vormt de wijziging van de bestemming aan het Goeiendonk 23 te SintOedenrode. Huidige situatie en toekomstige situatie In de huidige situatie is binnen het plangebied een agrarisch bedrijf gevestigd. In de beoogde situatie wordt de bestemming gewijzigd in een recreatie bestemming. 32 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
In het kader van de bodemtoets is een vooronderzoek 2 uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de richtlijnen zoals deze zijn opgesteld in de Nederlandse Norm (NEN) 5725 [NNI, oktober 2017]. De NEN 5725 (versie oktober 2017) beschrijft de werkwijze voor het uitvoeren van het vooronderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van verontreinigingen in en de verwachte milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem. De rapportage van het vooronderzoek is toegevoegd als bijlage aan onderhavige toelichting. In het kader van het wijzigen van de agrarische bestemming naar een recreatieve bestemming en oprichting van natuurhuisjes komt circa 13.500 m² in aanmerking voor verkennend bodemonderzoek. Het terreindeel wordt met het oog op het agrarisch gebruik als heterogeen verdacht beschouwd. Binnen dit terreindeel is sprake van een voormalig onverhard pad. Het pad wordt niet als verdacht beschouwd. Wel worden tijdens het veldwerk ter controle boringen geplaatst ter plaatse van het pad. Het terreindeel ter plaatse van de boerderij, rundveestal 2 en loods 3 behoudt de agrarische bestemming. Voorheen is sprake geweest van een bovengrondse dieseltank. In het kader van beëindiging van opslag van oliehoudende producten komt de voormalige tanklocatie in aanmerking voor eindsituatie onderzoek.
Verder zijn binnen dit terreindeel geen (voormalige) potentiële bronnen vastgesteld die bodemverontreiniging tot gevolg kunnen hebben. Uit het verrichte vooronderzoek blijkt geen sprake van asbestverdachte druppelzones. Rundveestal 2 en loods 3 waren ten tijde van de asbesthoudende golfplaten voorzien van goten en hemelwaterafvoer. Rundveestal 5 is altijd voorzien geweest van asbestvrije golfplaten. De in 2018 aangebrachte laag menggranulaat is asbestvrij. De overige bodem binnen de onderzoekslocatie wordt op basis van het vooronderzoek en de terreinverkenning niet als asbestverdacht beschouwd. Wanneer tijdens het veldwerk asbestverdachte bijmenging wordt aangetroffen wordt de strategie bijgesteld. Vanuit de directe omgeving wordt geen beïnvloeding verwacht op de bodemkwaliteit. In de regio worden gehalten aan zware metalen in het grondwater aangetoond. Deze kunnen als regionaal verhoogd worden beschouwd. Conclusie en advies Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt geadviseerd ter plaatse van 13.500 m², het terreindeel met een recreatieve bestemming, verkennend bodemonderzoek te verrichten. De voormalige dieseltank komt in aanmerking voor eindsituatie onderzoek De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar.
Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit.
9.4
Geluid (wegverkeerslawaai)
In het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. In dit kader is onderzocht of de toekomstige ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op de omgeving. De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit artikel 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient te worden verricht, indien sprake is van het projecteren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen een dergelijke 2 vooronderzoek Goeiendonk 23 te Sint-Oedenrode, Bodeminzicht, November 2023, B3360
33 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
zone. Uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. De weg de Goeiendonk is een lokale weg, deels verhard en deels onverhard. Er heerst dus een beperkte verkeersintensiteit. In beoogde situatie zullen er slechts wat verkeersbewegingen bij komen ten behoeve van de toegang naar de camping van de initiatiefnemer. De camping bestaat reeds, en wordt in beoogde situatie verder ontwikkeld. Deze camping is weliswaar het hele jaar geopend, maar het aantal campinggasten zal er merendeels vertoeven in de zomermaanden, waardoor het de rest van het jaar erg rustig zal zijn. Gezien de gehele situatie waarbij het op de weg rustig was en zal blijven, is te verwachten dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal worden behaald met een zeer acceptabele hoeveelheid aan geluidshinder. Op basis van de huidige situatie is conform de Atlas van de leefomgeving, zie volgens afbeelding, sprake van een aanvaardbaar (< 45 dB) woon- en leefklimaat aangaande geluid afkomstig van het wegverkeer ter plaatse van het plangebied. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet noodzakelijk.
Figuur 16: uitsnede kaart geluid wegverkeer atlas voor de leefomgeving
9.5
Geluid (industrielawaai)
Ten aanzien van geluid worden de richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ aangehouden (zie hoofdstuk 10). Voor de volledigheid wordt verwezen naar deze paragraaf. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
9.6
Luchtkwaliteit
Wet luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit; daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen. 34 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
De kern van de ‘Wet luchtkwaliteit’ bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen op grond van de richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. De wet regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Niet in betekenende mate bijdragen In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde. Toetsing initiatief Om te beoordelen of het beoogde initiatief NIBM bijdraagt, is de NIBM-tool (versie 2022) ingevuld. Hierin is de bijdrage berekend bij een aantal dagelijkse voertuigbewegingen van maximaal 39,6. Onderstaande figuur toont het resultaat.
Figuur 17: NIBM-tool
Woon- en leefklimaat Ten aanzien van het woon- en leefklimaat wordt voor de parameters fijn stof (PM10), zeer fijn stof (PM2,5) en stikstofdioxiden (NO2) in beeld gebracht of ter plaatse van het plangebied aan de wettelijke normen wordt voldaan. De huidige achtergrondconcentraties van deze stoffen bedragen: • fijn stof (PM10): 16,54 µg/m³ (wettelijke norm: 40 µg/m³); • zeer fijn stof (PM2,5): 9,22 µg/m³ (wettelijke norm: 25 µg/m³); • stikstofdioxiden (NO2): 12,00 µg/m³ (wettelijke norm: 40 µg/m³) 3.
3 https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten
35 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
Figuur 18: uitsnede kaart Atlasleefomgeving
Ter plaatse van het plangebied voldoen de achtergrondconcentraties aan de wettelijke grenswaarden, de heersende luchtkwaliteit vormt geen belemmering. De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; het plan is te kleinschalig om in betekenende mate bij te dragen aan een verandering/ verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van de hier benoemde achtergrondconcentraties kan gesteld worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
9.7
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) schept het kader voor de onderbouwing van nieuwe plannen voor het aspect geur. De Wgv heeft ook consequenties voor de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke projecten. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen geurhinder, omgekeerd moet het bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat nieuwe projecten gerealiseerd worden op plaatsen waar de geurhinder onaanvaardbaar hoog is of door nieuwe ontwikkelingen te hoog zal worden. De grondslag hiervan ligt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Bij besluitvorming omtrent een bestemmingsplan moet worden bepaald of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Er moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Ook voor geurhinder betekent dit dat de volgende aspecten nader onderzocht moeten worden: • Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belang veehouderij) (voorgrondbelasting); • Is er ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object) (achtergrondbelasting). 36 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
Onder voorgrondbelasting wordt verstaan de individuele geurbelasting op het plangebied van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang veehouderij). Onder achtergrondbelasting wordt verstaan de cumulatieve geurbelasting op het plangebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang geurgevoelig object). Beoordeling belangen veehouderijen (voorgrondbelasting) Binnen het plangebied is nu nog een melkveehouderij gevestigd. Initiatiefnemer is voornemens om deze af te bouwen en om te zetten om er op kleinschaligere basis zoogkoeien en bijbehorende vleesvee te gaan houden (oud Hollandse rassen). De veehouderij zal een nevenactiviteit gaan worden ten behoeve van de (reeds bestaande) camping, welke de primaire functie gaat overnemen. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de geuremissie in de beoogde situatie. De totale geuremissie bedraagt 534 ouE/s. Tabel 2: Geuremissie beoogde situatie Diersoort
RAV code omschrijving stalsysteem Zoogkoeien ouder dan 2 jaar A 2.100 Overige huisvestingssystemen Vleesstieren en overig vleesvee van 8 tot A 6.100 Overige 24 maanden (roodvleesproductie) huisvestingssystemen Fokstieren en overig rundvee ouder dan A 7.100 Overige 2 jaar huisvestingssystemen
Aantal dieren 10
ouE/s/ dier -
ouE/s totaal
15
35,60
534,00
5
-
-
Totaal
534,00
Het activiteitenbesluit geeft regels aan de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (een gebouw geschikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf, bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Ingevolge het Activiteitenbesluit bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij ten minste 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. De afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object bedraagt ten minste 25 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. De afstand tussen het dichtstbijgelegen dierenverblijf tot aan de dichtstbijzijnde woning (de bedrijfswoning bij veehouderijbedrijf), bedraagt meer dan 75 meter. Hiermee wordt voldaan aan de norm uit de Wgv. Middels het programma V-Stacks Vergunning is de geurbelasting op geurgevoelige objecten in de beoogde situatie bepaald. De volgende tabel geeft de resultaten weer van de berekening, zie ook bijlage 3.
Tabel 3: Voorgrondbelasting beoogde situatie Adres geurgevoelig object Geurnorm (ouE/m³) Vernhout 9 Goeiendonk 13
14,0 14,0
Geurbelasting beoogde situatie (ouE/m³) 0,0 0,0
In de beoogde situatie wordt voldaan aan de geurnormen. In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende veehouderijbedrijven gelegen: • Goeiendonk 20 (melkveehouderij): afstand circa 75 meter; • Vernhout 5 (varkens- en pluimveehouderij): afstand circa 175 meter; 37 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
• • •
Broekdijk 10 (melkveehouderij): afstand circa 275 meter Schoorse Hoefstraat 7 (melkveehouderij): afstand circa 400 meter; Schoorse Hoefstraat 11 (paardenhouderij): afstand circa 470 meter.
De ligging van de veehouderijbedrijven is weergegeven in de volgende figuur.
Broekdijk 10 (melkveehouderij)
Schoorse Hoefstraat 11 (paardenhouderij)
Schoorse Hoefstraat 7 (melkveehouderij)
Goeiendonk 20 (melkveehouderij)
Vernhout 5 (varkens- en pluimveehouderij)
Figuur 19: Ligging dichtstbijzijnde veehouderijbedrijven (plangebied rood omkaderd)
Deze veehouderijbedrijven worden beschermd tegen geurgevoelige objecten. Dit betekent dat de rechten van de veehouderijbedrijven die kunnen worden ontleend aan de vigerende vergunning gerespecteerd dienen te worden. De camping met bijbehorende voorzieningen zijn geen geurgevoelige objecten. Voor geurgevoelige objecten die onderdeel zijn van een veehouderij, zoals in onderhavige situatie, gelden uitsluitend de minimumafstanden en niet de waarde voor de geurbelasting. Binnen een straal van 50 meter van de grens van het plangebied zijn geen veehouderijbedrijven gelegen. Beoordeling woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting) Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur in beeld te brengen, is de cumulatieve geurbelasting in de omgeving in kaart gebracht waarbij de aanwezige andere veehouderijbedrijven in de omgeving van het initiatief meegenomen zijn. De bedrijven binnen een straal van 2 kilometer afstand rondom het plangebied zijn meegenomen. Uit deze geurgevoelige objecten is een representatieve selectie gemaakt in de berekening. De berekening is uitgevoerd middels het programma V-Stacks Gebied. Voor het berekenen van de achtergrondbelasting zijn de gegevens gebruikt van het Bestand KRD (d.d. 29-07-2023 De invoergegevens zijn opgenomen in de bijlage. In het buitengebied geldt een achtergrondbelasting van 20 ouE als toetswaarde.
38 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
Tabel 4: Resultaten berekening achtergrondbelasting op Goeiendonk 23 Receptorpunt Geurbelasting [ouE/m3] Hoekpunt 1 bouwvlak 5,71 Hoekpunt 2 bouwvlak 5,84 Hoekpunt 3 bouwvlak 11,19 Hoekpunt 4 bouwvlak 9,32
In onderhavige situatie bedraagt de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied 5,7-11,1 ouE/m³. Deze geurbelasting voldoet aan de maximale toetswaarde en wordt derhalve aanvaardbaar geacht. Beoordeling milieukwaliteit Naast een kwantitatieve weergave van de geurbelasting is er bij deze berekening voor gekozen om ook de geurbeleving inzichtelijk te maken. Hierbij is bijlage 6 en 7 van de handreiking Wet geurhinder en veehouderij als leidraad gebruikt. In bijlage 7 van de Handreiking is een tabel opgenomen waarin de kans op geurgehinderden vertaald is naar het woon- en leefklimaat, zie de volgende tabel 4. Tabel 5: Beoordeling milieukwaliteit Voorgrondbelasting Achtergrondbelasting (ouE/m³) (ouE/m³) <1,5 1-3 1,5-3,5 4-8 3,5-6,5 9-13 6,5-10 14-20 10-14 21-28 14-19 29-38 19-25 39-50 >25 51-65
Percentage geurgehinderden (%) <5 5-10 10-15 15-20 20-25 25-30 30-35 35-40
Milieukwaliteit Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder indien de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. De bepalende geurbelasting is duidelijkheidshalve vetgedrukt. De volgende tabel geeft per receptorpunt het percentage geurgehinderden en de milieukwaliteit. Tabel 6: Milieukwaliteit Geurgevoelig VoorgrondAchtergrond Percentage geurgehinderden Milieukwaliteit object geurbelasting geurbelasting [%] Vernhout 5 [ouE/m³] [ouE/m³] Hoekpunt 1 4,8 5,71 12% Redelijk goed Hoekpunt 2 5,4 5,84 13% Redelijk goed Hoekpunt 3 11,8 11,19 22% Tamelijk slecht Hoekpunt 4 7,6 9,32 17% Matig
Het woon- en leefklimaat kan worden geclassificeerd als tamelijk slecht tot redelijk goed waarmee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De receptorpunten zijn gelegen op de hoekpunten van de beoogde bestemming recreatie. Hoekpunt 3 en 4 zijn de zuidelijk gelegen receptorpunten grenzend aan de weg. Ter plaatse van de appartementen, kampeerplekken en natuurhuisjes is de milieukwaliteit te kwalificeren als matig tot redelijk goed, zie de volgende figuur. Een redelijk goed tot matig woon- en leefklimaat kan gekwalificeerd worden als aanvaardbaar. Enkel ter plaatse van de bestaande bedrijfswoning is sprake van een tamelijk slecht woonen leefklimaat wat in onderhavige situatie aanvaardbaar wordt geacht. Het betreft immers een bedrijfswoning bij een veehouderijbedrijf.
4 SenterNovem, 2007
39 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
Figuur 20: Visuele weergave woon- en leefklimaat
9.8
Externe veiligheid
Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= ‘1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
40 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron
Wanneer groepsrisicoverantwoording?
Inrichtingen (Bevi)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.
Buisleidingen (Bevb)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording dient een toelichting te worden gegeven op artikel 12 lid 1 onder a, b, f en g van het Bevb. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
Weg, spoorweg of binnenwater (Bevt)
Figuur 21: Wanneer groepsrisico verantwoorden?
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘(art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barro, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, enz. Toetsing plangebied Het dichtstbijzijnde risicovolle object betreft propaantank, gelegen op het terrein van de Goeiendonk 20 (melkveehouderij). Verder ligt er op een afstand van circa 160 meter een onderaardse aardolieleiding rrpl9. Deze buisleiding heeft een invloedsgebied van 55 meter. Het plangebied ligt dus buiten het invloedsgebied van deze buisleiding. Binnen het plangebied is voorheen een propaantank in gebruik geweest. Deze tank is inmiddels niet meer in gebruik en is verwijderd. Onderhavige ontwikkeling is niet gelegen binnen de risicocontouren van deze bronnen (zie volgende figuur).
41 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
Goeiendonk 20 Opslagtank (propaan)
Plangebied
Buisleiding (aardolie rrp-l9)
Figuur 22: Uitsnede Risicokaart
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
9.9
Duurzaam en slim bouwen
Onderhavige ontwikkeling ziet op het realiseren van recreatieve voorzieningen. Door de huidige melkveestal te transformeren kunnen er binnen dit reeds bestaande bouwwerk een viertal vakantieappartementen worden gerealiseerd. Verder wordt binnen dit gebouw een gemeenschappelijke recreatieruimte gerealiseerd, waar de campinggasten kunnen recreëren (onder andere in het geval van slecht weer) en waar verschillende activiteiten worden georganiseerd. Ook is er in dit gebouw eveneens plaats voor een fietsenstalling. Verder wordt er in dit pand ook voorzien in een kleinschalige wellnessvoorziening. De bestaande mestkelder onder de stal blijf behouden en wordt in gebruik genomen voor de opslag van hemelwater, wat benut wordt voor het beregenen van het kampeerterrein in de zomermaanden.
9.10 Gezondheid De ontwikkeling heeft geen schadelijk gevolgen voor de volksgezondheid. De aspecten geur en fijn stof zijn eerder aanbod gekomen in deze rapportage en vormen geen belemmering voor de omgeving. Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Er ligt binnen een afstand van 250 meter van het plangebied een veehouderij aan de Vernhout 5 waar varkens en pluimvee wordt gehuisvest. Geitenhouderijen Uit het VGO-onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Er liggen geen geitenhouderijen in de omgeving van het plangebied. Er is geen sprake van een verhoogd gezondheidsrisico. 42 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan heeft plaatsgevonden.
Stap 1: endotoxine Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De projectlocatie ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. De richtafstand voor de vleesvarkens welke worden gehouden aan de Vernhout 5 bedraagt de richtafstand 98 meter en voor het pluimvee 122 meter.
Stap 2: emissies De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak.
Stap 3a: geur, toetsen aan aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan. De volgende tabel geeft een weergave van de normen waaraan getoetst wordt:
Aan de rand van het plangebied is de geurbelasting vanuit de veehouderij hoger dan 10,0. De verblijfsrecreatieve voorzieningen zijn op ruimere afstand gelegen, de geurbelasting is hier lager dan 10,0 ouE/m³ zie de volgende figuur. De achtergrondgeurbelasting bedraagt maximaal 11,19 ouE/m³.
Contour voorgrondbelasting 10,0 ouE/m³
Vernhout 5 (varkens- en pluimveehouderij)
Figuur 23: Voorgrondbelasting veehouderij Vernhout 5 43 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
Stap 3b: geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde In de beoogde situatie wordt niet voldaan de advieswaarde voor de voorgrondbelasting. De volgende tabel geeft een weergave van de normen waaraan getoetst wordt:
Aan de rand van het plangebied is de achtergrondgeurbelasting vanuit de veehouderij hoger dan 10,0. De verblijfsrecreatieve verblijven zijn op ruimere afstand gelegen. Binnen het grootste deel van het plangebied waarbinnen gecreëerd wordt is de geurbelasting is lager dan 10,0 ouE/m³, zie de volgende figuur.
Contour achtergrondbelasti ng 10,0 ouE/m³
Figuur 24: Achtergrondbelasting veehouderijbedrijven
Stap 4a: houden meerdere diersoorten binnen één veehouderij Niet van toepassing.
Stap 5: Afstand tot geitenhouderijen, pluimveehouderijen Binnen een afstand van 2,0 kilometer is geen geitenhouderij gelegen. Binnen een afstand van 250 meter van het plangebied is een varkens- en pluimveehouderij aan Vernhout 5 gelegen. Toetsing pluimveehouderij Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO), onderzoeksprogramma VGO-III (looptijd 2017-2024) bleek dat in de jaren 2009-2013 sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden. Elke drie jaar worden in het kader van het onderzoeksprogramma VGO-III de onderzoeksresultaten geactualiseerd. Voor de periode 2017 – 2019 geldt dat bovenstaand verband opnieuw werd gevonden voor een afstand van 500 meter. Tot het moment dat de herziene versie van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid wordt uitgegeven op basis van de meest recente onderzoeksresultaten, heeft de ODBN in overleg met de GGD besloten om een advies van de GGD te blijven vragen binnen een afstand van 500 meter van een pluimveehouderij. 44 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
Op circa 75 meter afstand van onderhavig plangebied is een (rund-)veehouderij gelegen aan de Goeiendonk 20.
Stap 6: mestbe- en -verwerking Er is geen sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit.
Stap 7: ongerustheid Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Uit de beperkte toetsing op afstanden blijkt uit stap 3 en 5 de conclusie dat advies opgevraagd kan worden aan de GGD.
45 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
10. Bedrijven en voorzieningen Er dient voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende en hindergevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de woon- en leefkwaliteit. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt. Uitgave Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzonering om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde brochure Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).
Scheiding van functies versus functiemenging Scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies met behulp van milieuzonering is in de omgeving van sterk milieubelastende activiteiten zonder meer noodzakelijk. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. Vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik verdient het de voorkeur om functiescheiding binnen een gemengd gebied niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid.
De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten 46 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Tabel 7: Milieucategorieën en richtafstanden tot woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied Milieucategorie
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Omgeving van het plangebied rustige woonwijk/buitengebied of gemengd gebied? Het plangebied is gelegen in een cluster van met relatief weinig bebouwing, de omgeving van de locatie kan worden getypeerd als ‘rustig buitengebied’ als bedoeld in de VNG-brochure. De volgende figuur toont de ligging van de omliggende bedrijven.
Broekdijk 10 (melkveehouderij)
Schoorse Hoefstraat 11 (paardenhouderij)
Schoorse Hoefstraat 9 (melkveehouderij)
Vernhout 5 (varkens- en pluimveehouderij)
Goeiendonk 20 (melkveehouderij)
Figuur 25: Ligging bedrijven (plangebied rood omkaderd)
De volgende tabel toont de richtafstanden die horen bij de verschillende bedrijven.
47 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
Tabel 8: Richtafstanden op basis van ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG) Categorie bedrijvigheid Indices en richtafstanden (meters)
Werkelijke afstand (m)
Goeiendonk 20 (melkveehouderij) Fokken en houden van (melk)rundvee
Geur 100
Stof 30
Geluid 30
Gevaar 0
Vernhout 5 (pluimvee- en varkenshouderij) Fokken en houden van varkens Fokken en houden van pluimvee (legkippen)
200 200
30 30
50 50
0 0
180
Broekdijk 10 (melkveehouderij) Fokken en houden van (melk)rundvee
100
30
30
0
290
Schoorse Hoefstraat 7 (melkveehouderij) Fokken en houden van (melk)rundvee
100
30
30
0
460
Schoorse Hoefstraat 11 (paardenhouderij) Paardenfokkerijen
50
30
30
0
400
63
Voor alle aspecten wordt voldaan aan deze afstanden. Uitzondering vormt het aspect geur voor de veehouderij aan de Goeiendonk 20 en Vernhout 5. Dit aspect wordt echter onderbouwd in paragraaf 9.7; kortheidshalve wordt hier dan ook naar verwezen. Het initiatief vormt geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende bedrijven en ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd dient ook voor het plangebied zelf te worden getoetst aan de richtafstanden die horen bij de nieuwe functie. Tabel 9: Richtafstanden op basis van ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG) Categorie bedrijvigheid Indices en richtafstanden (meters) Goeiendonk 23 (rundveehouderij en recreatie) Fokken en houden van (melk)rundvee Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken) Fitnesscentra, badhuizen en sauna-baden
Geur 100 30 10
Stof 30 0 0
Geluid 30 50 30
Gevaar 0 30 0
Voor alle aspecten wordt voldaan aan deze afstanden. Uitzondering vormt het aspect geur. De woning aan de Goeiendonk 20 is op kortere afstand gelegen. Het aspect geur wordt echter onderbouwd in paragraaf 9.7; kortheidshalve wordt hier dan ook naar verwezen. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
48 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
11. Verkeer 11.1 Huidige en verkeersstructuur In de huidige situatie wordt het plangebied ontsloten via twee inritten aan de Goeiendonk; Eén voor de bedrijfswoning en het veehouderijbedrijf en één als toegang tot de camping. (zie volgende figuur). De Goeiendonk betreft een (gedeeltelijk onverharde) lokale weg.
In-/uitrit camping
In-/uitrit Veehouderij en bedrijfswoning
Figuur 26: Ontsluitingssituatie huidige situatie
11.2 Nieuwe verkeersstructuur In de beoogde situatie wijzigt de ontsluitingssituatie van het plangebied niet. De bestaande inritten blijven gehandhaafd.
11.3 Verkeersaantrekkende werking Daar de camping verder wordt ontwikkeld, zal het aantal verkeersbeweging van campinggasten van en naar het campingterrein toenemen. Dit zal echter met name in de zomermaanden geval zijn. Het aantal verkeersbewegingen omtrent de huidige melkveehouderij zal daarentegen afnemen, daar het houden van vee in beoogde situatie enkel als nevenactiviteit zal plaatsvinden.
49 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
Tabel 10: Berekening verkeersaantrekkende werking 5 Functie Verkeersgeneratie (per eenheid) Eengezinswoning (dure sector) 8,6 per woning Camping (kampeerterrein) Natuurhuisjes (kampeerterrein) Appartementen (recreatie, 4* hotel) Agrarisch bedrijf
Verkeersgeneratie totaal 8,6
0,4 per standplaats 0,4 per standplaats 27,6 per 10 kamers
10,0 4,0 11,0
6 Totaal
6,0 39,6
11.4 Parkeren Het uitgangspunt ten aanzien van parkeren is dat parkeren in beginsel moet plaatsvinden op eigen terrein. Uitgegaan wordt van de parkeernormen zoals opgenomen in het ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de parkeerbehoefte in de beoogde situatie. Tabel 11: Parkeerbehoefte ontwikkeling Functie Koop vrijstaand Camping (camping) Natuurhuisjes (camping) Appartementen (camping) Agrarisch bedrijf
Parkeernorm (per eenheid) 2,4 per woning
Aantal parkeerplaatsen 2,4
1,3 per standplaats 1,3 per standplaats 1,3 per standplaats
32,5 13,0 5,2
2,0 Totaal
3 56,1
Bij de woning is voldoende ruimte aanwezig voor drie parkeerplaatsen. Hiermee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte van de bewoners. Parkeergelegenheden voor de camping (waaronder de natuurhuisjes en de appartementen) worden op eigen terrein gesitueerd aan de inrit van de camping. Dit zal plaatshebben voor 51 parkeervakken. De afmetingen van de parkeervakken bedragen 2,5 * 5,13 meter per vak. De erfontsluiting heeft een breedte van 6,0 meter ter plaatse van de parkeervakken. Op de situatietekening welke is toegevoegd als bijlage is de situering van de parkeerplaatsen aangegeven.
5 CROW, toekomstbestending parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie
50 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Goeiendonk 23’
12. Juridische planopzet 12.1 Algemene opzet Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) naar het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: • De toelichting: een planbeschrijving die een verantwoording van de gemaakte keuzes, een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten bevat; • De bestemmingsregels, waarin de bestemmingen en daarbinnen geldende mogelijkheden zijn uitgewerkt; • De verbeelding, die de rol heeft van visualisering van de bestemmingen.
12.2 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). Deze vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.