Bijlage 1 Toelichting
Tekst van het document
Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Afwijken van de richtafstanden is mogelijk, mits wordt onderbouwd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Met voorliggend plan wordt een bestaande intensieve varkenshouderij op locatie definitief beëindigd. Met de beëindiging van de agrarische bedrijfsmatige activiteiten wordt het gebruik als burgerwoning van de eerder planologisch aanvaardbaar geachte en aangewezen plattelandswoning bekrachtigd middels de woonbestemming.
Daarmee verdwijnt de laatste agrarisch bedrijfsmatige functie op de kruising 't AchteromBobbenagelseweg en is uitsluiten nog sprake van woonfuncties op deze kruising. Op relatief korte afstand van het plangebied zijn 4 bedrijven gelegen. Het gaat om 3 intensieve veehouderijbedrijven, Bobbenagelseweg 3a en Ollandseweg 153 en Ollandseweg 142. De afstanden tussen de woonbestemming en deze bedrijven bedraagt respectievelijk ruim 75 m1, 170m1 en 150 m1. Op basis van de VNG dient een richtafstand van 50 m1 te worden aangehouden voor geluid en op basis van de Wet geurhinder en veehouderij dient een minimale afstand van 50 m1 in het kader van geur te worden aangehouden tussen een woning die op of na 19 maart 2000 onderdeel uitmaakt van een veehouderij. Daarnaast is sprake van een houthandel op Ollandseweg 138. Op basis van de VNG dient een richtafstand van 100 m1 te worden aangehouden. De afstand tussen de bedrijfslocatie en het plangebied bedraagt circa 110 m1. De bedrijfswoningen behorende bij deze inrichting liggen op circa 95 m1 vanaf het plangebied. Daarbij geldt dat tussen het plangebied en deze inrichting aan de Ollandseweg bestaande woonbestemmingen en functies zijn gelegen. Ter plaatse van de woning is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat in relatie tot omliggende bedrijven.
Op grofweg dezelfde locatie van de varkensstal op 't Achterom wordt een privé-stal gerealiseerd. De privé-stal bestaat uit een gebouw met paardenrijhal, paardenstallen en opslag en buitenruimte. In totaal zullen er niet (veel) meer dan 5 paarden binnen de privé-stal gestald worden. Een privé-stal betreft geen hindergevoelig object. In het de regels en op de verbeelding wordt geborgd dat uitsluitend sprake is van het gebruik als
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
31
prive-stal. Omgekeerd vormt een privé-stal wel mogelijk een hinderveroorzakend object. Hoewel voorliggend plan voorziet in de realisatie van een privé-stal, komt een paardenfokkerij qua inschatting van de richtafstanden conform de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' nog het meest overeen met de toekomstige situatie. Een privé-stal is in beginsel echter kleinschaliger dan een paardenfokkerij. Om een worst-case inschatting te maken is met voorliggend plan aangesloten bij de richtafstanden van een paardenfokkerij. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor een paardenfokkerij een maximale richtafstand van 50 meter ten gevolge van het aspect geur. De afstand tussen bestemmingsvlak wonen en de betreffende aanduidingen specifieke bouwaanduiding priverijhal en specifieke aanduiding mestopslag met omliggende mlieugevoelige functies bedraagt overal ruim meer dan 50 m1. Zo is de afstand tussen de meest nabijgelegen woonbestemmingen Bobbenagelseweg 7 en Ollandseweg 147 54 en 90 meter. Een paardenfokkerij heeft op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en mileuzonering' een richtafstand van 30 meter voor de aspecten fijnstof en geluid. De bestaande rijbak wordt niet in de richting van een omliggende woonbestemming vergroot. De afstand van de rijbak tot de woning Bobbenagelseweg 7 blijft hiermee onveranderd 30 meter.
Hiermee wordt aan de richtafstand van de aspecten fijnstof en geluid voldaan. Gelet op bovenstaande vormt het aspect bedrijven- en milieuzonering geen belemmering voor het planvoornemen.
4.2
Geluid
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) te worden onderzocht of sprake is van geluidsoverlast. In de Wet geluidhinder is bepaald dat ten aanzien van zogenoemde 'geluidgevoelige objecten' wettelijke eisen gelden ten aanzien van de maximale geluidsbelasting. De belangrijkste onderwerpen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg en wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een privé-stal. Een privé-stal betreft geen geluidgevoelig object. Bobbenagelseweg 9 is momenteel in gebruik als woonlocatie met bedrijfswoning. Tevens is de bedrijfswoning bestemd als plattelandswoning, hiermee is de woonfunctie (bewoning door particuliere derden) reeds bestemd en gerealiseerd. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is hiermee voor voorliggend plan overbodig. Gelet op bovenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor het planvoornemen.
4.3
Bodem
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. Voorliggend plan voorziet in een functiewijziging. De bestemming 'Agrarisch met waarden Landschapswaarden' wordt omgezet naar de bestemming 'Wonen'. Hierom is een verkennend bodemonderzoek (Aelmans, rapportnummer C230271.005/SBI, d.d. 27 november 2023, Bijlage 5) uitgevoerd. Hierbij is tevens de aanwezigheid van asbest onderzocht. De resultaten hiervan worden hieronder weergegeven.
32
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
Toegangsweg/inrit Onder de klinkerverharding is sporadisch een bijmenging puin waargenomen. In de grove fractie (>20 mm) van het uitkomend materiaal is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Aangezien er geen aanwijzingen zijn gevonden welke aanleiding zouden kunnen geven tot een verkennend onderzoek naar asbest is bemonstering en analyse van de fijne fractie (<20 mm) weinig zinvol geacht en is de fijne fractie niet bemonsterd. De boven- en ondergrond blijken niet verontreinigd te zijn met één van de componenten waarop is onderzocht. Regendrupzone In de toplaag van de regendrupzone is een gehalte asbest aangetoond van 15 mg/kgds. Derhalve wordt de interventiewaarde voor asbest (van 100 mg/kgds) niet overschreden en is er ter plaatse van de onderzochte regendrupzone geen sprake van een bodemverontreiniging met asbest. Evenmin is een verhoogd gehalte PCB aangetoond. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de aanwezigheid van de golfplaten tot de uitvoering van het onderzoek niet geleid heeft tot een bodemverontreiniging. Resterend terrein Uit de analyseresultaten blijkt dat de boven- en ondergrond niet verontreinigd zijn met één van de componenten waarop is onderzocht. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit kunnen zowel de boven- als ondergrond als klasse AW2000 grond worden bestempeld.
Grondwater In het grondwater zijn lichte overschrijdingen met, xylenen, trichlooretheen en tetrachlooretheen aangetroffen. De aangetroffen concentraties overschrijden enkel de streefwaarden en vormen derhalve geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.
Resumerend kan het volgende gesteld worden: Volgens de onderzoekers behoeven er op basis van onderzoeksresultaten geen restricties gesteld te worden aan de beoogde herontwikkeling; Ter plaatse van de onverdachte regendrupzone is geen sprake van een bodemverontreiniging met asbest; In de bodem zijn geen verhoogde parameters aangetoond; In het grondwater zijn enkel overschrijdingen ten opzichte van de streefwaarde aangetoond. Aangezien direct contact met het grondwater niet te verwachten is blijft het risico uit oogpunt van volksgezondheid en milieuhygiëne beperkt. Het is echter raadzaam om geen freatisch grondwater te gebruiken voor consumptieve doeleinden, zoals het besproeien van gewassen en/of drenken van dieren. Indien gewenst kan een herbemonstering worden uitgevoerd om de aangetroffen gehaltes in het grondwater te verifiëren. Gelet op bovenstaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor het planvoornemen.
4.4
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
33
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
Risiconormering Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Verantwoording groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's binnen de planlocatie worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. Om het plaatsgebonden risico en het groepsrisico voor de toekomstige gebruikers van het plangebied in kaart te brengen is de kaart 'Veilige omgeving' geraadpleegd, welke ter hoogte van het plangebied hieronder is weergegeven.
34
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
Uitsnede kaart 'Veilige leefomgeving' (Bron: Atlasleefomgeving.nl) met ligging plangebied lichtblauw omlijnd Het plan voorziet in het planologisch wijzigen van het gebruik van de woning van plattelandswoning naar burgerwoning. Daarmee is niet langer sprake van een bedrijfswoning die tevens door burgers kan worden bewoond, maar uitsluitend het gebruik als burgerwoning. Omdat in de huidige situatie al sprake is van burgerbewoning (bewoning door derden) is reeds sprake van een kwetsbaar object en leidt het plan niet tot een gewijzigde situatie in het kader van externe veiligheid. Daarnaast voorziet het plan in het beëindigen van de varkenshouderij (geëxploiteerd door een derde partij) en het mogelijk maken van een prive- stal voor privegebruik door de bewoners van de woning. In het de regels en op de verbeelding wordt geborgd dat binnen het plangebied aan 't Achterom uitsluitend sprake is van het gebruik als prive-stal. De rijhal met paardenboxen en inpandige opslag vormt geen beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object. Als gevolg van het plan is geen sprake van toename van het aantal personen binnen het plangebied. De privé-stal betreft geen Bevi-inrichting of andere risicovolle inrichting.
Risicovolle inrichtingen Ten oosten van het plangebied is op een afstand van meer dan 600 meter een opslagtank (propaan of propeen) gelegen. Op een afstand van meer dan 800 meter ten noordoosten van het plangebied is een eveneens een opslagtank (propaan of propeen) gelegen. Het plangebied ligt niet binnen de richtafstand van risicovolle (BEVI) inrichtingen. In paragraaf 4.1 bedrijven en milieuzonering zijn functies in de directe omgeving van het plangebied beoordeeld op basis van de richtafstande voor milieu, waaronder veiligheid volgend uit veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barro, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations'. Gezien de afstand tussen het plangebied en risicovolle inrichtingen is geen sprake van een belemmering voor het plan.
Transportroutes Het plangebied ligt op grote afstand van spoor-, water en hoofdwegen. Het plangebied is op een afstand van circa 3.000 meter van de Rijksweg A50 gelegen. Over de A50 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het gaat concreet om de volgende jaarintensiteiten aan gevaarlijke stoffen.
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
35
Stofgroep Omschrijving Jaarintensiteit Invloedsgebied (m) LF1 Brandbare vloeistoffen 1.087 45 LF2 Zeer brandbare vloeistoffen 4.107 45 LT1 Toxische vloeistoffen 33 730 LT2 Zeer toxische vloeistoffen 85 880 Tabel: Beeld van invloedsgebied van gevaarlijke stoffend die vervoerd worden over de A50 Bijlage 1 van de Regeling basisnet geeft voor de transportroute A50 aan dat er geen sprake is van de aanwezigheid van een PR 10-6 contour. Het plaatsgebonden risico geeft dan ook geen beperkingen aan de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Tevens is geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Het invloedsgebied van deze transportroute kan bepaald worden aan de hand van de vervoerde stoffen. In voorgaande tabel is per stofgroep het invloedsgebied opgenomen. Het plangebied is op grotere afstand gelegen en daarmee niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Gezien de afstand tot het plangebied vormen transportroutes geen belemmering voor het plan.
Transport door buisleidingen Binnen het plangebied is buisleiding Z-544-01 van de Gasunie gelegen. In het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2' is voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming hiervan een dubbelbestemming met beschermingszone opgenomen. Het plan voorziet niet in het toevoegen van een beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object. De bestaande woning wordt gehandhaafd. De bestaande varkensstal wordt vervangen door een priverijhal, waarin paarden worden gehouden en sprake is van een rijbak. Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone – leiding' geldt dat de bouw van kwetsbare objecten, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen niet zijn toegestaan. Bodemingrepen vinden plaats buiten de dubbelbestemming leiding. Met het planvoornemen zijn er geen bodemingrepen binnen de dubbelbestemming voorzien en tevens wordt hierbinnen geen bebouwing opgericht. De privé-stal mag uitsluitend voor privé-gebruik in het kader van de woonfunctie gebruikt worden. Het aantal personen binnen het plangebied neemt niet toe. De ontwikkeling heeft daarmee geen invloed op het groepsrisico. De ligging van de buistransportleidingen vormt geen belemmering voor herbestemming van het plangebied.
Advies Veiligheidsregio Brabant Noord Omdat de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in het invloedsgebied van de buisleiding Z-544-01 dient conform art. 12 BEVEB het groepsrisico te worden verantwoord. De veiligheidsregio houdt in dit advies geen rekening met een toename van personen als gevolg van de privé stal. Mocht hier wel sprake van zijn dient hier nader op ingegaan te worden in het bestemmingsplan. In dit advies wordt dus ingegaan op de planmogelijkheid voor het ontwikkelen van een extra woning. Onderstaande beoordeling en adviezen gaan daarmee gelden als er daadwerkelijk een plan is om een woning te realiseren. Het relevante scenario i.r.t. het plangebied is een fakkelbrand. Het scenario hierbij is als volgt: Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. Beoordeling zelfredzaamheid Voor het scenario fakkelbrand is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd moeten worden en aanwijzingen moeten krijgen over hoe zij moeten vluchten. Tevens moeten
36
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
er voldoende vluchtwegen aanwezig zijn, die aanwezigen weg van de risicobron leiden. Dit is een punt om rekening mee te houden tijdens een ontwikkeling van de woning. Beoordeling bestrijdbaarheid Voor het scenario fakkelbrand bij de buisleiding is de bestrijdbaarheid slecht. Bij een incident met een buisleiding kan de fakkelbrand alleen worden bestreden door de toevoer dicht te draaien. Hiervoor moet contact opgenomen worden met de leidingbeheerder en dit kost veel tijd. De brandweer kan tot de leiding is afgesloten niet handelend optreden. Adviezen De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen: Informeer de initiatiefnemers en de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt zo goed als mogelijk ingezet op het verhogen van het risicobewustzijn van de burger en het nemen van eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat er een incident gebeurd meteen weten hoe ze moeten handelen. Dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid.
Gelet op bovenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen.
4.5
Luchtkwaliteit
De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen.
Wet milieubeheer Beperken van uitstoot van schadelijke stoffen en NIBM In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wmb), zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wmb is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
37
Voorkomen langdurige bloodstelling aan verontreiniging Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn er grenswaarden en regels voor een aanvaardbare luchtkwaliteit op leefniveau. In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijnstof en stikstof: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³. de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken.
Het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn een gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Hiervan is met onderhavige ontwikkeling geen sprake. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van 'Besluit gevoelige bestemmingen' geen bezwaar is.
Beoordeling In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM1 0 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Als gevolg van het plan is sprake van een definitieve beëindiging van de intensieve varkenshouderij en omvorming naar een woonbestemming met privestal. Ter plaatse van de woning verandert er feitelijk niets in het kader van luchtkwaliteit. Ter plaatse van de huidige varkenshouderij is in de nieuwe situatie sprake van het houden van een aantal paarden binnen.
38
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
afname fijnstofemissie per jaar als gevolg van planontwikkeling Door de ontwikkeling neemt de stofuitstoot als gevolg van het houden van dieren fors af. Het plan leidt tot een forse afname van stofuitstoot en daarmee tot een zeer aanzienlijke verbetering van de luchtkwaliteit op locatie. Daarmee kan worden vastgesteld dat het plan niet in betekende mate bijdraagt (bijdrage aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide neemt zelfs af) aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening is eveneens gekeken naar de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (zowel PM10 als PM2.5) ter plaatse van de voorgenomen gebruikswijziging. Om een goed beeld te krijgen van deze concentraties is gebruik gemaakt van Atlas van de leefomgeving, waar de luchtkwaliteit jaarlijks in beeld wordt gebracht. De concentraties in de directe nabijheid van de voorgenomen ontwikkeling zijn in onderstaande tabel in beeld gebracht. NO2
2022 11.888
Maatgevende richtwaarde 50
PM10 PM2,5
17.020 10.043
32.5 (norm 40) 25
Uit bovenstaande gegevens blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van de rekenpunten niet overschreden wordt. Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van de projectlocatie ruimschoots wordt voldaan aan de richtwaarden. Gelet op bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor het planvoornemen.
4.6
Gezondheid
4.6.1 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot de veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld zijn. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van de geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet milieubeheer. Nieuwe knelpunten moeten worden voorkomen. In de Wet geurhinder een veehouderij zijn grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting die een veehouderijbedrijf op en geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning) mag veroorzaken. Tevens gelden volgens de wet minimale afstanden tot woningen van derden. De grenswaarden worden weergegeven in odourunits per vierkante meter lucht (ouE/m3). Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de ligging van een veehouderijbedrijf binnen of buiten de concentratiegebieden en de ligging van de veehouderijbedrijven binnen of buiten de bebouwde kom.
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
39
Voorgrondbelasting en achtergrondbelasting De geurhinder wordt bepaald op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting, ook wel individuele belasting genoemd, wordt de geurbelasting op een geurgevoelig object bedoeld van 1 veehouderij. De achtergrondbelasting, ook wel de cumulatieve belasting genoemd, wordt veroorzaakt door alle veehouderijen samen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen.
Geldende geurnormen en vaste afstanden voor een individuele veehouderij De geurnomen in het kader van de Wgv en de eventuele gemeentelijke geurnormen richten zich op de maximale geurbelasting van een individuele veehouderij op een gevoelig object, zoals een nabij gelegen woning. Dit wordt ook wel de voorgrondbelasting genoemd.
Beoordeling Voor het vast te stellen bestemmingsplan is het van belang te onderbouwen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatste van de beoogde ontwikkeling (toets op een goede ruimtelijke ordening o.b.v. van de kans op hinder vanwege geur uit stallen van de omliggende veehouderijen) en dat de rechten van de omliggende veehouders voldoende gerespecteerd worden (de zogenaamde toets om de omgekeerde werking).
Toets op de omgekeerde werking en voorgrondbelasting Vaste jurisprudentie bij ruimtelijke besluiten is dat door de nieuwe bestemmingen er geen sprake mag zijn van een aantasting van de bestaande rechten van de omliggende veehouderijen. In beginsel dient bij het bepalen van de rechten het agrarische bouwblok als uitgangspunt voor het meten van de geurbelasting contouren te worden genomen. Dit omdat veehouderijen rechten hebben om hun emissiepunten te verschuiven binnen het vastgestelde bouwblok (de zogenaamde 'vergunde rechten'). Het plan voorziet in het beëindigen van een intensieve veehouderij. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij geldt dat voor de voorgrondbelasting De bestaande woning behoorde op 19maart 2000 bij de veehouderij en wordt derhalve op basis van de Wetgeurhinder en veehouderij beschouwd als een geurgevoelig object bij een veehouderij. Op basis van artikel 3 lid 2 van de Wvg geldt voor een dergedergelijk object een minimaal aan te houden afstand van 50 m1 tot naburige veehouderijen. Voor de de prive-stal en gebouwen geldt dat deze geen geurgevoelig object vormen. Tevens geldt dat dit gebouw is geprojecteerd binnen het huidige agrarische bouwvalk bestemd voor een intensieve veehouderij, waarmee toetsing alleen bestaat uit de afstandsnorm op basis van artikel 14 lid 3, namelijk 50 m1. Aan deze minimale afstand wordt voor de gehele woonbestemming voldaan.
Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting geur in en nabij het plangebied wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de aanwezigheid van 3 intensieve veehouderijen, waaronder de te saneren intensieve veehouderij in het plangebied. Ter plaatse van de woning in het plangebied Bobbenagelseweg 9 is sprake van een redelijk goed tot matig woon en leefklimaat in het kader van geur; er is sprake van maximaal 13-20 OU. Ter plaatse van 't Achterom 3 waar de prive-stal is voorzien is sprake van een matig tot tamelijk slecht woon
40
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
en leefklimaat; er is sprake van maximaal 20-28 OU. Daarbij moet vermeld worden dat de beoogde privé-stal geen geurgevoelig object betreft conform de Wet geurhinder en veehouderij.
Uitsnede kaart achtergrondbelasting (Bron: ODZOB) met globale ligging plangebied rood omlijnd
De piek in de achtergrondbelasting binnen het plangebied wordt veroorzaakt door de eigen bedrijfsvoering (huidige varkenshouderiJ).Het planvoornemen voorziet in de definitieve beëindiging van de intensieve varkenshouderij én de realisatie van een privé-stal en draagt hiermee bij aan een aanzienlijke afname van de achtergrondbelasting en verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving binnen de gehele woonbestemming in het plangebied. Na planrealisatie zal sprake zijn van minimaal een redelijk goed tot matig woon en leefklimaat. Dit komt overeen met een achtergrondbelasting van maximaal 20 OU. Dit is in lijn met de uitgangspunten van de provinciale (interim) omgevingsverordening Noord-Brabant. De achtergrondbelasting vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Op basis hiervan is in het ontwerpbestemmingsplan onderbouwd en geconcludeerd dat ten aanzien van geur (achtergrondbelasting) door veehouderijen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.6.2 Endotoxinen De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. Deze notitie haakt in op de
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
41
lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Het plangebied is niet gelegen binnen de contouren van omliggende intensieve veehouderijbedrijven. Het plangebied ligt op voldoende afstand van de vergunde individuele endotoxine-risicocontouren van omliggende veehouderijen. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van gezondheidsrisico's ten gevolge van endotoxinen. Het bestemmingsplan heeft geen omgekeerde werking en er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect endotoxinen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving. 4.6.3 Geitenhouderij Mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, hebben meer kans op longontsteking dan gemiddeld. Het gaat om een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen.
Een eerdere studie, over de periode 2007-2013, gaf dit verband al aan. Het nieuwste onderzoek naar Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (rapportage VGO 3, september 2018) bevestigt deze bevindingen voor de jaren 2014-2016 in het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door het Nivel in samenwerking met IRAS/UU, WUR en het RIVM. Het gezondheidskundig advies is om uit voorzorg geen nieuwe woningen te bouwen binnen 2 km rond geitenhouderijen (risicoafstand varieert in de onderzoeken tussen de 1,5 en 2 km), om gezondheidsrisico's voor toekomstige bewoners te voorkomen. Het plan voorziet niet in het realiseren van een nieuwe woning en er is daarmee geen sprake van een toename van het aantal personen in het plangebied. De planontwikkeling is dan ook aanvaardbaar in het kader van gezondheid en veehouderij. 4.6.4 Spuitzones Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten.
Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen spuitzones opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Het planvoornemen voorziet in een woonbestemming ter plaatse van de bestaande woning en bijgebouwen (Bobbenagelseweg 9) en de prive-stal ('t achterom 3). Het gebruik van de woning door burgers is eerder al ruimtelijk aanvaardbaar geacht. Binnen 50 m1 van de woning en bijgebouwen zijn geen percelen gelegen waarop sprake is van agrarisch grondgebruik waarvoor spuitzones gelden. Voor de tuin geldt dat ten noordwesten een agrarisch grasperceel ligt dat voor een klein deel binnen 50 m1 van de woonbestemming ligt. Er is geen sprake van boomteelt, fruitteelt of akkerbouw.
42
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
Woonbestemming met 50 m1 zone en duiding van huidig gebruik buiten plangebied Rondom de woonbestemming Bobbenagelseweg 9 geldt dat hier uitsluitend sprake is van het gebruik van de privestal. Dit is geen gevoelige functie. Daarnaast geldt dat de gronden rond de woonbestemming grotendeel in eigendom zijn bij de initiatiefnemer en in gebruik voor het weiden van de paarden op de eigen locatie. Daarnaast geldt dat het perceel ten westen van het plangebied in eigendom is van stichting ARK. Dit perceel wordt als natuur ontwikkeld en overgedragen aan Brabants Landschap. Daarmee kan worden vastgesteld dat err geen overbelasting door bestrijdingsmiddelen plaatsvindt en het aspect spuitzones de ontwikkeling niet in de weg staat. 4.6.5 Veehouderij en gezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 wordt hieronder doorlopen. Het stappenplan is als volgt:
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
43
44
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
Beoordeling: 1. Endotoxine: Nee Het plan maakt met de privé-rijhal geen gevoelig object mogelijk. De bestaande intensieve varkenshouderij wordt juist gesaneerd. Endotoxinen vormt geen belemmering. 2. Emissies: Nee Het plan leidt met de sanering van een intensieve varkenshouderij tot een afname in emissies. Een toename in de emissie voor geur, fijnstof of ammoniak is uitgesloten. 3. Geur: Nee In de toelichting is onderbouwd dat er sprake is van een acceptabele voor- en achtergrond belasting ter plekke van de woning. De privé-rijhal vormt geen gevoelig object.
4. a. Binnen één veehouderij (1 adres of 1 ondernemer) wordt bedrijfsmatig meerdere diersoorten gehouden: Nee. b. De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie minder dan 100 meter: Nee.
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
45
5. a. Geitenhouderij: Op ca. 1,2 km is de geitenhouderij Schootsedijk 47 gelegen. b. Pluimveebedrijf: Op ca. 110 m is het pluimveebedrijf Ollandseweg 142 (vleeskuikens) gelegen. c. Er zijn 3 overige veehouderijen binnen 250 m van het plangebied gelegen.
6. Er is sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit: Nee Er is sprake van een kleinschalige mestopslag ten westen van de privé-rijhal. Hierbij is geen sprake van mestbe- of verwerking (dit is ook uitgesloten in de regels). 7. Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid: Nee Uit de Omgevingsdialoog is niet gebleken dat hier sprake van is. Er is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid bij omwonenden.
Met het planvoornemen wordt niet voldaan aan de punt 5 van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid. In dit geval kan bij de GGD advies opgevraagd worden over het plan. Met het planvoornemen neemt het aantal personen binnen het plangebied in ieder geval niet toe. In de huidige situatie wordt de intensieve varkenshouderij bezocht door verzorgers, bedrijfshulpverleners en bedrijfsleiders. In de toekomstige situatie wordt de privé-rijhal slechts hobbymatig door de huidige bewoners van de locatie voor privé-gebruik gebruikt. Het aantal woningen binnen het plangebied blijft gelijk (zoals geborgd in de regels). Daarmee is er op zijn minst geen toename van het aantal mensen dat binnen het plangebied aanwezig is, danwel is te verwachten dat er zelfs sprake zal zijn van een afname van het aantal mensen binnen het plangebied. Het aantal mensen dat binnen het plangebied blootgesteld wordt aan emissies van veehouderijen neemt ten gevolge van het planvoornemen in ieder geval niet toe. Het is hierom overbodig om een (algemeen) advies op te vragen bij de GGD.
4.7
Natuur
Voor de planologische procedure dient te worden vastgelegd dat de voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar is binnen de geldende natuurwetgeving. In natuurbescherming wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden en beschermde soorten. 4.7.1 Soortenbescherming Wat betreft soortenbescherming is de Wet Natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Tevens geldt onder de Wet Natuurbescherming dat bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden moet worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees
46
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Met het planvoornemen wordt de bestaande varkensstal volledig gesloopt. Om op voorhand uit te kunnen sluiten dat hierbij beschermde soorten in het geding komen, is een quickscan flora en fauna (Aelmans, rapportnummer C230271.001.004/YST, d.d. 20 november 2023, Bijlage 6) uitgevoerd. De resultaten hiervan worden hieronder weergeven. Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van het perceel 't Achterom te Sint Oedenrode kan worden uitgesloten dat de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden een negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming en natuurgebieden. Gezien de afstand en de aard van de ingreep worden geen negatieve effecten verwacht op de meest nabijgelegen natuurgebieden (NNB/ Natura 2000). De ruimtelijke ontwikkeling leidt vermoedelijk niet tot een toename van de stikstofdepositie op de naburige Natura 2000 gebieden. Om te bepalen of dit het geval is zou een Aerius-berekening kunnen worden uitgevoerd.
Hier is nadere invulling aan gegeven in de stikstofnotitie die voor dit project is opgesteld, zoals toegelicht in paragraaf 4.7.3. Voor de geplande ingreep blijven alle aanwezige bomen en struiken behouden, welke als nest-gelegenheid kunnen dienen voor diverse algemene vogels. Op basis van artikel 3.1 van de Wet natuur-bescherming (Wnb) is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Gezien er op de onderzoekslocatie vrijgestelde en/of algemene soorten voor kunnen komen dient men zich aan de zorgplicht te houden. Geadviseerd wordt om een ecologisch werkprotocol aan te houden. Door bijvoorbeeld één werkrichting vast te leggen kunnen dieren wegvluchten van de werkzaamheden. De vluchtrichting moet wel naar een realistisch vluchtgebied leiden. Door tijdens de ontwerpfase te denken aan "natuurinclusief" bouwen kan het nieuwe gebouw meer natuurwaarde bieden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld ingebouwde nestkasten voor vleermuizen of huismussen en gierzwaluwen, maar ook aan het aanplanten van inheemse struiken en bomen. 4.7.2 Gebiedsbescherming Er dient aannemelijk gemaakt te worden dat het plan geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Europees beschermde Natura 2000-gebieden en Natuur Netwerk Nederland (NNN).
Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied, waardoor uitsluitend sprake is van een externe werking. Gezien de kleinschalige aard van het planvoornemen (realisatie privé-stal) en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (8,7 km tot Kampina & Oisterwijkse Vennen en 13,6 km tot Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek) is verstoring ten gevolge van het planvoornemen door licht, trillingen, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten op voorhand uit te sluiten.
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
47
Ligging plangebied t.o.v. omliggende Natura 2000-gebieden Het plangebied is aan de westzijde grenzend aan NNN. Dit betreft de zonering langs de watergang die, zoals toegelicht in paragraaf 3.3.3, met voorliggend plan gedempt wordt. In de huidige situatie is een intensieve varkenshouderij gelegen nabij het NNN. In de toekomstige situatie wordt een privé-stal binnen het plangebied gerealiseerd. Hiermee is sprake van een aanzienlijke kwaliteitsverbetering binnen het plangebied. Met het planvoornemen zijn geen effecten op omliggend NNN te verwachten.
48
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
Ligging plangebied binnen NNN Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming (Wnb) ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator). 4.7.3 Stikstof Voor voorliggend plan is een stikstofnotitie incl. bijlagen (Pouderoyen Tonnaer, rapportnummer P222372.003, d.d. 5 december 2023, Bijlage 7) opgesteld. Op basis van de stikstofnotitie is te concluderen dat het bouwplan in de realisatie- en gebruiksfase niet tot een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar leidt. Voor de gebruiksfase geldt dat er is gerekend met het houden van 8 paarden (40 kg NH3/jaar). In de regels van voorliggend plan is dit als maximale emissie ten gevolge van activiteiten direct volgend uit het planvoornemen opgenomen. Voor het plan is derhalve geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming vereist. 4.7.4 Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor het planvoornemen en er is geen Wnb-vergunning vereist.
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
49
4.8
Archeologie en Cultuurhistorie
4.8.1 Archeologie In Europees verband is als wettelijk toetsingskader het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. In de Erfgoedwet is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. Het plangebied is op basis van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2' bestemd met dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. De voor 'Waarde – Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de middelhoge archeologische verwachtingswaarden van de gronden. Binnen de dubbelbestemming geldt dat voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlak groter dan 500 m² en dieper dan 0,5 meter een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
Hierom is een verkennend archeologisch onderzoek (KSP Archeologie, rapportnummer 23113, d.d. 2 november 2023, Bijlage 9) uitgevoerd. De resultaten hiervan worden hieronder weergegeven. Uit het booronderzoek is gebleken dat in beide onderzoeksgebieden er sprake is van een lage enkeerdgronden. Op basis van de aanwezigheid van roestvlekken in de top van de C-horizont en soms zelfs in de basis van het humeuze dek gaat het om van oorsprong relatief laaggelegen zones waar het grondwater periodiek tot net onder of zelf aan de basis van de humeuze bovengrond voorkwam. Vervolgens is de humeuze bovengrond van normaliter ca. 30 cm opgehoogd tot 65 à 120 cm. Gezien lagere oorspronkelijke landschappelijke ligging dan verwacht zijn de (middel)hoge verwachtingen voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) naar een lage archeologische verwachting bijgesteld. Er is geen sprake van diepe verstoringen waardoor de zeer hoge verwachting voor resten van een voormalige huisplaats uit de Nieuwe tijd - Midden met mogelijke voorgangers uit de Late Middeleeuwen rondom de bestaande paardenbak behouden blijft.
Het booronderzoek heeft aan de hand van de bodemopbouw aangetoond dat in de twee onderzochte gebieden voorafgaand aan de ophogingen sprake was van een relatief natte ligging. Voor de perioden Laat-Paleolithicum tot en met Volle Middeleeuwen geldt voor het gehele onderzochte gebied daarom een bijgestelde lage archeologische verwachting. KSP Archeologie acht daarom veelal geen vervolgonderzoek of een archeologische dubbelbestemming nodig binnen het onderzochte gebied. Ter hoogte van de bestaande paardenbak is op de oudst bekende historische kaarten uit het begin van de 19e eeuw en halverwege de 19e eeuw een voormalige hoeve bekend. Ter hoogte van het huis en erf en tuin uit 1811-1832 geldt een zeer hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot aan de Nieuwe tijd Midden (ca. 1850). Door KSP Archeologie wordt geadviseerd om op die locatie een archeologische dubbelbestemming op te nemen waarbij ingrepen dieper dan 30 cm over een oppervlak van meer dan 50 m² onderzoeksplichtig zijn. Dit is conform het beleid bij voormalige hoeves en molens uit 2007 en het vigerende bestemmingsplan. Selectieadvies Het booronderzoek heeft aan de hand van de bodemopbouw aangetoond dat in de twee onderzochte gebieden voorafgaand aan de ophogingen sprake was van een relatief natte ligging.
Voor de perioden Laat-Paleolithicum tot en met Volle Middeleeuwen geldt voor het gehele onderzochte gebied daarom een
50
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
bijgestelde lage archeologische verwachting. KSP Archeologie acht daarom veelal geen vervolgonderzoek of een archeologische dubbelbestemming nodig binnen het onderzochte gebied (onderstaande afbeelding, links). Ter hoogte van de bestaande paardenbak is op de oudst bekende historische kaarten uit het begin van de 19e eeuw en halverwege de 19e eeuw een voormalige hoeve bekend. Ter hoogte van het huis en erf en tuin uit 1811-1832 geldt een zeer hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot aan de Nieuwe tijd Midden (ca. 1850). Door KSP Archeologie wordt geadviseerd om op die locatie een archeologische dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3' op te nemen (onderstaande afbeelding, links). waarbij ingrepen dieper dan 30 cm over een oppervlak van meer dan 50 m² onderzoeksplichtig zijn. Dit is conform het beleid bij voormalige hoeves en molens uit 2007 en het vigerende bestemmingsplan. Als de plannen bovenstaande ondergrenzen overschrijden wordt een proefsleuvenonderzoek geadviseerd om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Voor dit gravende archeologisch onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het onderzoek vastgelegd.
Gezien de beperkte omvang van de locatie wordt geadviseerd om in het PvE een optie op te nemen voor een uitbreiding naar een opgraving als er behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. De initiatiefnemers zien mogelijkheden om de paardenbak op te hogen waardoor er tot maximaal 30 cm afgegraven hoeft te worden en er geen nader archeologisch onderzoek nodig is.
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
51
Advies aanpassing archeologische dubbelbestemmingen De kennis van het bureau- en booronderzoek zou ook geëxtrapoleerd kunnen worden, waardoor ook buiten het onderzoeksgebied de archeologische dubbelbestemmingen gewijzigd kunnen worden (Bovenstaande afbeelding, rechts). Het gehele noordelijke onderzoeksgebied en de westgrens en een stuk ten noorden van het zuidelijke onderzoeksgebied liggen relatief laag. Hier zou de archeologische dubbelbestemming ook kunnen vervallen. Langs de oostzijde van het centrale en zuidelijke deel van het plangebied is op basis van de maaiveldhoogtes ook de dekzandrug aanwezig. Hier zou een archeologische dubbelbestemming die past bij een hoge verwachting toegepast kunnen worden. Ten oosten van het noordelijke onderzoeksgebied is ook nog een zone aanwezig waar in 1811-1832 een 'huis & erf' of 'tuin' aanwezig waren. Hier zou ook een 'zeer hoge archeologische verwachting, hoeves en molens' op z'n plaats zijn. KSP Archeologie adviseert om de kennis die opgedaan is bij het archeologisch booronderzoek te extrapoleren binnen het gehele plangebied en voor de zonering van de nieuwe archeologische dubbelbestemmingen (bovenstaande afbeelding, rechts). Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Dit selectieadvies betekent nog niet dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De
52
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Meierijstad), die vervolgens een selectiebesluit neemt.
4.8.2 Cultuurhistorische waarden In de Erfgoedwet is geregeld dat in het kader van de goede ruimtelijke ordening in een ruimtelijke onderbouwing een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) van provincie Noord-Brabant Het plangebied is op basis van de CHW van provincie Noord-Brabant gelegen binnen het cultuurhistorische landschap het 'Groene Woud'. Het Dommeldal tussen Sint-Oedenrode en Boxtel is een fraai beekdal met graslanden, broekbosjes, afgesneden meanders en mooie overgangen naar de oude akkercomplexen op de hogere gronden langs het dal. Ook binnen het plangebied waren deze structuren aanwezig als erfbepalende elementen zoals waarneembaar op de historische kaarten. Momenteel zijn die kenmerkende structuren minder of niet meer aanwezig. Wel is het reliëf nog duidelijk waarneembaar binnen het perceel en de omgeving in de vorm van het beekdal en enkele bolle akkers. Vanuit de omgeving ('t Achterom, Ollandseweg) zijn er nog meerdere zichten in noord-zuid richting op het Dommeldal. Ook over het plangebied loopt zo'n zichtlijn. Met het planvoornemen wordt de intensieve varkenshouderij op locatie definitief beëindigd en er wordt een privé-stal gerealiseerd. Vanwege het cultuurhistorisch/landschappelijk belang die de zichtlijnen vertegenwoordigen en de gewenste openheid voor het gebied, is gekozen de nieuwe privé-stal zo veel mogelijk aan de westrand van het plangebied te situeren. Met het planvoornemen vindt mede door de landschappelijke inpassing van het plangebied een aanzienlijke kwaliteitsverbetering plaats.
Hiermee worden de natuurwaarden en cultuurhistorische waarden (fraai beekdal met graslanden) binnen het plangebied versterkt. Met het planvoornemen zijn er geen negatieve effecten op aanwezige cultuurhistorische waarden voorzien. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Bobbenagelseweg 9 - 't Achterom 3'
53
4.9
Kabels en leidingen
Door het plangebied zijn geen bovengrondse kabels of leidingen gelegen waarbij sprake is van (planologische) beschermingszones en/of belangen van derde op dit punt. Door het plangebied is echter wel de ondergrondse leiding Z-544-01 van de Gasunie met bijbehorende beschermingszone gelegen. Op basis van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2' is binnen het plangebied de dubbelbestemming 'Leiding' en gebiedsaanduiding 'veiligheidszone leiding'. De voor 'Leiding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van een ondergrondse gasleiding met de hartlijn ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - gas'. Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone – leiding' geldt dat de bouw van kwetsbare objecten, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen niet zijn toegestaan. Voorts geldt dat bij het verlenen van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer deze veiligheidszone als uiterste grenswaarde in acht genomen moet worden. De privé-stal wordt gerealiseerd buiten de dubbelbestemming 'Leiding' en binnen de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - leiding'. De te realiseren privé-stal betreft geen Bevi-inrichting.
Hierdoor volgen er geen beperkingen voor de realisatie van de privé-stal vanuit de ligging binnen de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - leiding'. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.10
Water
Voor voorliggend plan is een waterplan (Pouderoyen Tonnaer, rapportnummer P222372.003.001/RHA, d.d. 2 november 2023, Bijlage 8) opgesteld. Het waterplan wordt hieronder kort toegelicht. Keur Waterschap de Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015', in 2019 na aanpassing inwerking getreden, bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening. De keur van het waterschap is van toepassing wanneer direct en indirect wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. De Keur is ook van toepassing als het oppervlaktewater niet in eigendom en beheer is van het waterschap.