CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ruimtelijke Onderbouwing (versie mei 2024)

Raadsvergadering 27 juni 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Afgifte ontwerpverklaring van geen bedenkingen omgevingsvergunning realisatie 65 appartementen en parkeergarage (p1) op de Noordkade te Veghel23.539 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Vanuit de doelgroepenverordening is geen specifieke eis ten aanzien van de verdeling van de woningbouwcategorieën opgenomen. In de Woonvisie, zie ladderonderbouwing paragraaf 4.1.4, is een minimale verdeling per categorie opgenomen. In dit plan wordt uitgegaan van minimaal 30% sociale huur. Ook wordt minimaal 40% middeldure huur gerealiseerd en maximaal 28% vrije sector, zie paragraaf 3.1. Hiermee wordt voldaan aan de dit richtinggevende uitgangspunten uit de Woonvisie. De bijbehorende huurprijzen en instandhoudingstermijnen zoals benoemd in de doelgroepenverordening worden daarnaast in de anterieure overeenkomst geborgd. 4.3.5 Conclusie Het leisure, cultuur- en foodcluster is inmiddels gerealiseerd. In het Masterplan werd woningbouw al genoemd in het gewenste programma en past binnen de Centrumvisie van de gemeente Meierijstad.

38/118

Woningen zorgen voor permanente leefbaarheid binnen het gebied. Hierdoor kan de Noordkade daadwerkelijk in de nabije toekomst uitgroeien tot het ‘stedelijke’ centrum van de dorpenstad Meierijstad.

39/118

Hoofdstuk 5 5.1

Cultuurhistorie en archeologie

Cultuurhistorie

5.1.1 Beleid en normstelling Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen (of andere ruimtelijke plannen) rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedssfeer van) het projectgebied Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en/of dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden. 5.1.2 Onderzoek Een van de hoofddoelen bij de herontwikkeling van het CHV terrein is om de bestaande cultuurhistorische waarden, de identiteit van het projectgebied en daarmee de toegevoegde waarde een belangrijke positie toe te kennen in het initiatief.

Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Noord-Brabant Het projectgebied staat niet specifiek vermeld op de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant, zie figuur 5.1. De herontwikkeling van het CHV terrein is echter wel aangemerkt als 'Innnovatief' herbestemmingsproject binnen het ontwikkel- en investeringsprogramma 'de Erfgoedfabriek' van de provincie Noord-Brabant, zie figuur 5.2. Met de Erfgoedfabriek investeert de provincie in de herbestemming van belangrijke erfgoedcomplexen: "Oude gebouwen krijgen nieuwe functies, verhalen blijven levend en karakteristieke gebouwen in ons landschap blijven behouden".

40/118

Figuur 5.1: Uitsnede CHW provincie Noord-Brabant

Figuur 5.2: Uitsnede kaart Herbestemmingsprojecten erfgoed provincie Noord-Brabant Eind 2013 besloot de provincie Noord-Brabant ook in het CHV-complex te investeren vanwege het belang van het verhaal, maar ook vanwege de bijzondere kwaliteit van de gebouwen en locatie. De provincie is daardoor eigenaar van de monumentale graansilo en enkele andere cultuurhistorisch belangrijke delen. Doel van de herbestemming is om op CHV Noordkade een regionaal centrum van Food, Cultuur en Leisure te laten groeien, wat aansluit bij de ambitie om uit te groeien tot een van de meest aantrekkelijke en innovatieve regio’s van Europa.

41/118

Inmiddels ligt de herbestemming van het cluster op stoom. De functies Food, Leisure en cultuur zijn voor een groot deel ingevuld. Het cultuurcluster met cultuureducatie, podia, jongerencentrum, toneel- en muziekgroepen, galerie en kunstwinkel blijft nieuwe clubs naar Noordkade trekken. Leisure is zeer succesvol met een theatercafé, bioscoopzalen, restaurants, bioscoop, bierbrouwerij en escaperoom. Het uiteindelijke doel van de herbestemming is het behoud van dit unieke terrein door er een regionale trekpleister en tweede centrum van Veghel van te maken. Door woningbouw toe te voegen krijgt het terrein de continue levendigheid van een tweede centrum. 5.1.3 Conclusie Op basis van bovenstaande paragraaf kan geconcludeerd worden dat de geplande ontwikkeling van P1 goed aansluit bij de ambitie van onder andere de provincie om het unieke cultuurhistorische waardevolle terrein te behouden en een tweede centrum van Veghel te vormen.

5.2

Archeologie

5.2.1 Beleid en normstelling Verdrag van Malta In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen, zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Gemeente Meierijstad De gemeente Meierijstad beschikt over vastgesteld archeologie beleid. Een belangrijk onderdeel hiervan vormt de gemeentelijke archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor ruimtelijke plannen.

De gemeentelijke beleidskaart is gebaseerd op gedetailleerde kennis van de lokale landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en het bodemarchief. Deze kennis komt tot uiting in vijf periode-specifieke archeologische verwachtingskaarten die tonen op welke locaties archeologische resten uit bepaalde perioden kunnen worden verwacht. Op de beleidskaart worden de verschillende verwachtingen vertaald naar verwachtingszones en gekoppeld aan concrete vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden, worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek.

42/118

Door middel van het hanteren van verschillende vrijstellingsgrenzen wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten. Het archeologisch kaartbeeld is echter niet statisch. In de loop der tijd zal de kennis over het bodemarchief toenemen. De vrijstellingszones in het onderhavige bestemmingsplan zijn dan ook geen exacte weergave van de vastgestelde beleidskaart. 5.2.2 Onderzoek De archeologische beleidskaart van de gemeente is een archeologisch verwachtingsmodel, waaraan grenzen zijn gekoppeld tot waar voorgenomen bodemingrepen worden vrijgesteld van de verplichting tot archeologisch onderzoek. Omdat er sprake is van een gedifferentieerde archeologische verwachting, is er ook sprake van gedifferentieerde vrijstellingszones. Volgens de meest recente archeologische beleidskaart uit 2023 geldt voor het projectgebied een categorie 4 voor het aantreffen van archeologische resten. Deze beleidskaart is vertaald in het ontwerpbestemmingsplan 'paraplubestemmingsplan archeologie', gemeente Meijerijstad. Dit plan heeft tot en met 25 januari 2024 ter inzage gelegen. Ter plaatse van het projectgebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen.

Hiervoor geldt een vrijstelling bij bodemingrepen kleiner dan 250 m2 en tot 30 cm diepte ten opzichte van het maaiveld.

Figuur 5.3: Uitsnede archeologische beleidskaart Gemeente Meijerijstad 2023 met projectgebied rood omlijnd (Bron: BAAC)

43/118

Figuur 5.4: Uitsnede archeologische eenhedenkaart Gemeente Veghel 2009 met projectgebied rood omlijnd (Bron: BAAC) Het projectgebied bevindt zich in een dekzandvlakte waar, volgens de gemeentelijk archeologische verwachtingskaart, een middelhoge archeologische verwachting geldt. Door Econsultancy is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd: rapportnummer 17765.004, versie 2, datum 30 augustus 2022. Uit het bureauonderzoek blijkt dat in de bodem van de projectlocatie archeologische waarden aanwezig kunnen zijn: op dekzandruggen of in dekzandvlaktes eventueel in combinatie met de aanwezigheid van beekdalen en beekloopjes kunnen sporen en vondsten uit alle archeologische perioden worden verwacht. Het betreft voor de projectlocatie een middelhoge tot hoge verwachting. Geadviseerd wordt een Programma van Eisen te laten opstellen met als inzet de uitvoering van een vervolgonderzoek met karterende en waarderende proefsleuven in plaats van (eerst) een verkennend booronderzoek. Gezien de aanwezige bodemverontreiniging, zie paragraaf 8.3, is op verzoek van de initiatiefnemer voorgesteld toch eerst een verkennend booronderzoek uit te voeren om zo beter inzicht te krijgen in de bodemopbouw en mate van verstoring. Dit onderzoek is in overeenstemming met de gemeente in 2023 uitgevoerd. Op basis van de boorresultaten werd geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek te laten uitvoeren.

De archeologisch adviseur van de initiatiefnemer heeft hierop een second-opinion opgesteld waarin juist bepleit wordt om af te zien van vervolgonderzoek. De boorgegevens van zijn hierbij juist gebruikt om aan te tonen dat Deelgebied C te nat was voor bewoning. De archeologisch adviseur van de gemeente Meierijstad heeft vervolgens beoordeeld of archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is. Deelgebied C lijkt voornamelijk in een beekdal-setting te liggen en in die gebieden is de kans op het aantreffen van behoudenswaardige vindplaatsen doorgaans laag. In dit soort gebieden kunnen wel bijzondere datasets worden aangetroffen zoals rituele deposities of bruggen maar dergelijke fenomenen laten zich niet opsporen met booronderzoek of proefsleuven. Een vervolgonderzoek is in dit gebied dan ook niet nodig. Wel wordt geadviseerd toezicht te houden bij de uitvoer van de grondwerkzaamheden in Deelgebied C. Ook blijft de wettelijke meldingsplicht voor vondsten van toepassing.

44/118

5.2.3 Conclusie Archeologisch vervolgonderzoek is niet noodzakelijk.

45/118

Hoofdstuk 6 6.1

Groenstructuur en natuur

Ecologie

6.1.1 Beleid en normstelling Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit wijzigingsplan mogelijk worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Noord-Brabant uitgewerkt in het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten. In de provincie Noord-Brabant wordt voor een aantal soorten vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft onder andere aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. 6.1.2 Onderzoek Gebiedsbescherming

46/118

Het projectgebied is niet gelegen in of in de directe omgeving van Natura 2000-gebieden. Hieronder zijn de afstanden tot de twee dichtbijzijnste in Zuidoost Brabant gesitueerde Natura 2000-gebieden weergegeven:  Ruim 17 km tot "Vlijmens Ven, Moerplaten", ten westen;  Ruim 18 km tot "Kampina & Oisterwijkse vennen", ten zuidwesten;

Figuur 6.1: Nabijgelegen Natura 2000-gebieden, projectgebied met stip aangeduid (Bron: Natura2000.nl/gebieden) Gezien de grote afstanden tot de genoemde Natura 2000-gebieden is de ontwikkeling van het projectgebied niet van invloed op de instandhoudingsdoeleinden van de betreffende gebieden. Ook kunnen vanwege de afstand directe effecten, zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten worden. Voor de realisatie- en gebruiksfase zijn stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd. De memo is in bijlage 13 te vinden, de berekening voor de aanlegfase is te vinden in bijlage 14 en de berekening voor de gebruiksfase in bijlage 15. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het projectgebied is niet gelegen binnen Natuurnetwerk Brabant. Het projectgebied is op circa 400 meter van het NNB gelegen en heeft daardoor geen negatieve invloed op de instandhouding van deze ecologische verbindingszone. Op grotere afstand, ten zuiden van het projectgebied, zijn nog andere natuurnetwerken in de vorm van de Groen-Blauwe mantel en de ecologische hoofdstructuur. Gezien de afstanden heeft het planvoornemen geen invloed op deze natuurnetwerken.

47/118

Figuur 6.2: Projectgebied rood omkaderd t.o.v. Natuurnetwerk Brabant (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten) Het projectgebied ligt in stedelijk gebied op ruime afstand van natuurgebieden. De ontwikkeling heeft mede gelet op aard en omvang van de ontwikkeling, geen negatieve effecten op natuurwaarden die op grotere afstand liggen. Soortenbescherming Op 28 maart 2022 is een quickscan ecologie uitgevoerd op 5 deellocaties op het CHV-terrein zie Bijlage 2. Het P1 parkeerterrein is deellocatie C.

Figuur 6.3: Deellocaties, P1 parkeerterrein is deellocatie C (bron: Habitus Bijlage 2)

48/118

Vleermuizen Gelet op de bebouwing ten westen en zuiden van deellocatie C, de oostzijde van het bioscoopgebouw ten noorden van deellocatie D, de bebouwing ten noorden en noordoosten van de onderzoekslocatie en het kanaal ten zuiden van de onderzoekslocatie en de naastgelegen bomenlaan, zijn bij de bouw- en eindfase, overtredingen van de Wet natuurbescherming te vermijden als mogelijke verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied functioneel en duurzaam behouden blijven. Additionele (bouw)verlichting richting deze elementen tijdens de werkzaamheden en eindfase dient te worden voorkomen. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is dienen maatregelen genomen te worden om de toename tot een minimum te beperken. Algemene broedvogels Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden en verwijdering van groen buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient de bebouwing voorafgaand aan het broedseizoen actief ongeschikt te worden gemaakt en dient een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige op het gebied van vogels.

Overige soortgroepen Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. 6.1.3 Conclusie P1 vormt geen geschikt habitat voor beschermde soorten. Het planvoornemen wordt

49/118

hierdoor niet belemmerd.

Hoofdstuk 7 7.1

Water

Beleid en normstelling

Toetsingskader Bij ieder ruimtelijke plan dient te worden beoordeeld of het plan invloed heeft op de waterhuishoudkundige situatie. Ieder plan dient namelijk minimaal 'hydrologische neutraal' te worden ontwikkeld. Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal Waterhuishoudingsplan van de provincie Noord-Brabant, het Waterbeheersplan 2016-2021 van Waterschap Aa & Maas, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De volgende driestapsstrategieën zijn leidend:  Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. De twee meest relevante beleidsstukken zijn hierna verder toegelicht. Beleidskader Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen.

Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Waterbeheerplan 2022-2027 Aa en Maas In het Waterbeheerplan staan de doelen voor de komende 6 jaar beschreven, hoe deze doelen behaald gaan worden en hoe ingespeeld wordt op veranderende omstandigheden. De missie van het waterschap Aa en Maas is: “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten.” Het waterschap wil samen met de gemeente werken aan een klimaatrobuust watersysteem. Om dit te bereiken:

50/118

 

   

maakt het waterschap op strategisch niveau afspraken met gemeenten en andere overheden over de ruimtelijke borging van het waterbelang; maakt het waterschap met gemeenten op basis van de stresstesten, risicodialogen en het uitvoeringsprogramma DPRA kwantitatieve afspraken gericht op een klimaatrobuust watersysteem. Hierbij komen ook de Vitale en Kwetsbare Functies in beeld en ontstaat er duidelijkheid over restrisico’s; denkt het waterschap met gemeenten mee bij beleid en regelgeving rondom meervoudig ruimtegebruik, afkoppelen en hemelwaterverordeningen zodat de hoeveelheid water vanuit bebouwd gebied doelmatig wordt ingezet en/of afvoer naar het regionale systeem wordt beperkt; gaat het waterschap op zoek naar mogelijkheden om in bebouwd gebied verdroging tegen te gaan en ruimte te vinden voor waterberging; wordt het waterschap uitgangspunten voor weging van het waterbelang (de watertoets) geactualiseerd voor waterkwantiteit en waterkwaliteit; meet en monitort het waterschap de waterkwaliteit van het water in en rondom de stad. Op basis hiervan stellen we een overzicht op van knelpunten en streven we ernaar om deze samen met gemeenten te verhelpen; zet het waterschap in op vergroten sponswerking. Dit doen we door maatregelen als ontstenen, vergroenen, afkoppelen en groene daken te promoten/te ondersteunen.

De stimuleringsregeling klimaatactief bebouwd gebied zetten we daarom voort en koppelen dit waar mogelijk aan gemeentelijke regelingen; zoekt het waterschap in het bebouwde gebied breed de samenwerking op met gemeenten, woningcorporaties, bedrijventerreinen, ontwikkelaars en de bouwsector om anders bouwen te promoten.

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m²-10.000 m² en meer dan 10.000 m². Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen' wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m².

Het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd.

51/118

7.2

Huidige situatie

Algemeen Het projectgebied ligt in het noordwestelijke deel van de kern van Veghel en maakt onderdeel uit van het food- en cultuurcentrum de Noordkade, ook wel bekend als het voormalige CHV terrein. De locatie bestaat uit een fabriek en is in de huidige situatie geheel verhard. Bodem en grondwaterstand Het projectgebied is in de bodemkaart van Nederland niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom. De bodem ten noorden van het projectgebied bestaat uit beekeerdgronden; leemarmm en zwak lemig fijn zand. Met betrekking tot grondwater is ter plaatse van het projectgebied sprake van grondwatertrap IVc. De gemiddelde kleinste diepte (GHG) ligt op 57 centimeter beneden maaiveld, de gemiddelde grootste diepte (GLG) ligt op 189 centimeter beneden maaiveld. Het maaiveld bevindt zich op circa 11,4 meter +NAP. Waterkwantiteit Conform de Legger van waterschap Aa en Maas zijn er in de directe omgeving van het projectgebied geen waterlopen, zie figuur 7.1. Hierdoor bevindt het projectgebied zich niet in de beschermingszone van een watergang.

Figuur 7.1: Uitsnede legger oppervlaktewaterenwaterschap Aa en Maas met het projectgebied rood omkaderd

52/118

Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het projectgebied. Veiligheid en waterkeringen Het projectgebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering, zie figuur 7.2.

Figuur 7.2 Uitsnede waterkeringen legger waterschap Aa en Maas met het projectgebied rood omcirkeld Afvalwaterketen en riolering Het projectgebied is momenteel aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel.

7.3

Toekomstige situatie

Het geheel verharde projectgebied wordt met deze ontwikkeling wordt bebouwd met woningen en een parkeergarage. Waterkwantiteit Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen' wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². De beoogde ontwikkeling bestaat uit het realiseren van een parkeergarage en een aantal appartementengebouwen. De huidige situatie is volledig verhard. Er is dus geen sprake van een toename aan verharding. Er hoeven geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden. In de beoogde situatie neemt het verhard oppervlakte af door de toevoeging van twee groene zones:

53/118

 

aan de noordzijde van de parkeergarage tegen de achtertuinen van de bestaande woningen. Het hemelwater wordt hier afgekoppeld, zodat het langzaam in de bodem kan trekken. aan de zuidzijde van de parkeergarage tegen de nieuwe appartementengebouwen. Deze groene zone betreft eigenlijk een groen dak bovenop de parkeerkelder van de woongebouwen.

Veiligheid en waterkeringen De in deze ruimtelijke onderbouwing mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting;  (in-) filtratie van afstromend hemelwater;  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;  afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het projectgebied is momenteel al aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Er wordt geen aanpassing gedaan op de reeds bestaande koppeling met het gemeentelijk rioolstelsel. Watervergunning Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'.

Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder watervergunning gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Conclusie Het projectgebied bevindt zich niet in de beschermingszone van een watergang of waterkering. Het projectgebied is momenteel al volledig verhard, er is geen sprake van een toename in verharding. Compensatie is hierdoor niet aan de orde. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een negatief effect op het waterhuishoudkundige systeem.

54/118

7.4

Wijze van overleg met waterschap

Aangezien het verhard oppervlak op het perceel in de beoogde situatie niet zal toenemen en het projectgebied niet in een kern- of beschermingszone is gelegen, is overleg met het waterschap niet noodzakelijk.

55/118

Hoofdstuk 8 8.1

Milieuhygiënische verantwoording

Inleiding

Voor de ontwikkeling is het van belang dat tijdens de uitvoering en in de nieuwe situatie sprake is van een goede omgevingssituatie. Deze omgevingstoets gaat in op de relevante milieuaspecten.

8.2

M.e.r.-beoordeling

8.2.1 Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten. 8.2.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een parkeergarage en woningbouw in een aantal appartementengebouwen op het huidige volledig verharde parkeerterrein. Uit jurisprudentie blijkt dat het oordeel of een ruimtelijke ontwikkeling wel of niet aangemerkt kan worden als een stedelijk ontwikkelingsproject onder andere afhangt van de aard en omvang van het plan/voornemen en de vraag of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De ontwikkeling vindt voornamelijk plaats op een volledig verhard terrein, in een sterk stedelijke omgeving en wordt ontsloten door belangrijke ontsluitingswegen.

In de toekomstige situatie is er sprake van een vermindering in verharding. Op voorhand is aan te merken dat de milieugevolgen door het project beperkt zijn, zie ook de beoordeling van de milieuaspecten. Hiermee valt de ontwikkeling niet in de categorie D 11.2 stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Het CHV terrein bestaat tegenwoordig uit kunst, cultuur en een foodcluster. Denk hierbij aan recreatieve (bioscoop, museum, escape room, jongerencentrum), maar ook culturele (kunst- en toneelgroepen, de muziekschool en het poppodium, theater), educatieve (KreaTech Fabriek en cultuureducatie Jumbo Academy) en food-gerelateerde (verschillende restaurants en een stadsbrouwerij) functies. Hiermee maakt de ontwikkeling geen deel uit van een industrieterrein zoals bedoeld in categorie D 11.3 uit het Besluit m.e.r. Ook valt de ontwikkeling niet onder een ander categorie.

56/118

Hierdoor is het plan niet m.e.r.-beoordelingsplichting en hoeft er geen project m.e.r. of vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. De informele m.e.r.-beoordeling is toegevoegd in bijlage PM. Op basis van deze m.e.r.-beoordelingsnotitie zal het bevoegd gezag bij besluitvorming over de ontwerpomgevingsvergunning besluiten dat geen milieueffectrapportage voor de voorgenomen planontwikkeling noodzakelijk is. 8.2.3 Conclusie Het aspect m.e.r.-beoordeling staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

8.3

Bodem

8.3.1 Beleid en normstelling Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 8.3.2 Onderzoek Het oostelijke deel van het huidige P1 parkeerterrein wordt getransformeerd tot een parkeergarage en woningen in een aantal appartementengebouwen. Aangetoond moet worden of de grond veilig is om op te wonen. Op 11 september 2023 heeft REDD adviesbureau een uitgangspuntennotitie bodemonderzoek en -sanering opgesteld, deze is te lezen in Bijlage 3. Het onderzoek ziet uitsluitend op het oostelijk deel van het projectgebied. Op het westelijk deel wordt niet gebouwd. Hier vinden enkel civieltechnische wijzigingen plaats die geen ingreep in de boden vragen en van tijdelijke aard zijn. Nader onderzoek en ingrepen vinden hier plaats in samenhang met de toekomstige ontwikkeling van het westelijk terreindeel. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk.

In het westelijke deel van het projectgebied zal het aanvullend bodemonderzoek zich richten op:  Aard, samenstelling, omvang en kwaliteit van de funderingslaag;  Omvang verontreiniging met PAK en zware metalen (in samenhang met vorige punt);  Omvang met minerale olie in de grond;  Omvang met minerale olie in het grondwater bij 7. In het oostelijke deel zal het aanvullend bodemonderzoek zich richten op:  Aard, samenstelling, omvang en kwaliteit van de funderingslaag;  Omvang verontreiniging met PAK en zware metalen (in samenhang met vorige punt);  Omvang verontreiniging asbestverontreiniging. De definitieve saneringsdoeleinden zullen aan de hand van de resultaten van het uit te voeren bodemonderzoek worden bepaald en in een saneringsplan worden uitgewerkt.

57/118

Het aanvullende bodemonderzoek en nader asbestonderzoek in de bodem is uitgevoerd, zie bijlage 6. De onderzoeksresultaten in relatie tot de voorgestane planvorming zullen tot een bodemsanering leiden. Voor de uitvoering van de bodemsanering op het oostelijk deel is inmiddels een Plan van aanpak bodemsanering opgesteld, zie bijlage 4. Dit saneringsplan is aan de provincie Noord-Brabant en de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) voorgelegd. De provincie Noord-Brabant en de ODZOB hebben met het saneringsplan ingestemd, zie bijlage 5. Onderzoek en sanering van de bodem op het westelijk deel wordt op een later moment uitgevoerd en maakt geen onderdeel uit van de ontwikkeling. De sanering wordt uitgevoerd op kosten van initiatiefnemer. Deze kosten vormen geen financiële belemmering voor de uitvoering van het planvoornemen. 8.3.3 Conclusie Sanering van de bodem is noodzakelijk om het planvoornemen te realiseren.

8.4

Geluid

8.4.1 Beleid en normstelling Bij een ruimtelijke ontwikkeling worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. Deze wet heeft betrekking op geluid dat veroorzaakt wordt door wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. De Wgh bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van voorgenoemde geluidsbronnen. Indien een geluidsgevoelig object mogelijk wordt gemaakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. 8.4.2 Onderzoek Wegverkeerslawaai Delen van de N.C.B.-laan en de Pater van den Elsenlaan hebben een maximumsnelheid van 50 km/u. Er zijn ook niet-gezoneerde wegen binnen de omgeving van het projectgebied. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zal onderzoek gedaan naar de geluidbelasting van gezoneerde wegen en cumulatie van alle wegen binnen het onderzoeksgebied ter behoeve van het woon- en leefklimaat. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is opgenomen als bijlage 7. Nieuwe woningen Een hogere waarde is niet nodig omdat alle berekende geluidsniveaus komend van de gezoneerde wegen in de omgeving onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen.

De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 50 dB ter plaatse van de noordgevel op verschillende toetspunten. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan ten hoogste 50 - 33 > 20 dB (standaardeis uit het bouwbesluit). Een onderzoek naar de gevelwering zal dan niet aan de orde zijn. De toenemende verkeersintensiteit zal een maximale toename brengen van afgerond 1 dB, met een gemiddelde toename van 0,1 dB over alle toetspunten. Deze toename kan als niet significant worden beschouwd.

58/118

De milieukwaliteit wordt bij het gebouw wordt geclassificeerd als 'Zeer Goed' tot 'Goed'. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gebouw wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg staat. Bestaande woningen Bij de bestaande woning aan N.C.B.-laan 54 wordt niet aan de grenswaarden uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering voldaan. De overschrijdingen zijn niet met een redelijkerwijs te nemen maatregel weg te nemen. De overschrijdingen vinden plaats op de 1e etage (5 meter hoogte). Vanwege planologische, verkeerskundige en esthetische bezwaren is een scherm van 5 meter hoogte niet mogelijk. Het bevoegd gezag kan volgens stap 4 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering toch beoordelen dat sprake is van een aanvaardbare situatie. Hierbij kan het bevoegd gezag de volgende redenen betrekken:  Deze woning ligt nabij de inrit naar P1. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting volledig afkomstig is van de in- en uitgaande verkeersbewegingen. Er is geen relevante bijdrage van de parkeergarage. Uit bijlage I blijkt dat er in de huidige situatie al 3.970 voertuigbewegingen per etmaal van en naar P1 plaatsvinden.

Daar komen in de beoogde situatie maximaal 305 (worst-case gerekend met 310) voertuigbewegingen per etmaal bij vanwege de beoogde woningen. Dit is een toename van 7,8%. In geluidbelasting is dit een toename van 10 x log(1,078) = 0,32 dB(A). Deze toename wordt verwaarloosbaar (niet hoorbaar) geacht.  Gezien de bouwkundige staat van de woning en de zeer beperkte toename van de geluidbelasting wordt de extra bijdrage van 0,32 dB(A) door de beoogde woningen aanvaardbaar geacht. De extra bijdrage van 0,32 dB(A) door de beoogde woningen leidt niet tot een noodzaak van nieuwe eisen aan de geluidwering van gevels. Industrielawaai In het kader van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd, opgenomen als bijlage 8. Onderzocht is of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het geluid afkomstig van de parkeergarage en het (resterende) buitenparkeerterrein. Uit de berekeningen blijkt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van bestaande en beoogde woningen, rekening houdend met het volgende:  Om akoestische redenen is een afscherming nodig aan de buitenste zuidoosthoek van de parkeergarage, om het geluid richting de beoogde woningen (Blok 1) af te schermen.

Deze afscherming moet op zijn minst 1 meter uitsteken en dezelfde hoogte hebben als de openingen in de parkeergarage, zie afbeelding 2 in paragraaf 3.1.3 van het onderzoeksrapport. De afscherming moet beschikken over een massa van 10 kg/m2 en mag geen openingen bevatten. Op basis van dit akoestisch onderzoek is het bouwplan hierop aangepast.  Op het dak van de parkeergarage is (mede om akoestische redenen) rekening gehouden met een betonnen borstwering van 1,2 meter hoog, die exact is overgenomen uit de ontwerptekeningen. De borstwering moet beschikken over een massa van 10 kg/m2 en mag geen openingen bevatten.  In de voorschriften van de omgevingsvergunning wordt voor de beoogde woningen een eis aan de geluidwering van de gevels opgenomen, gebaseerd op de cumulatieve geluidbelasting vanwege alle relevante bronnen in de omgeving (zie het separaat uitgevoerde onderzoek cumulatie). Met de realisatie van de borstwering is sprake van voldoende geluidwering tussen de parkeergarage en de woningen. Geluid afkomstig van parkerende auto's en dichtslaande portieren vormt zodoende geen belemmering.

59/118

Instellingslawaai De parkeergarage en de appartementen zijn geen instellingen die lawaai produceren. Ook worden bestaande omliggende instellingen niet in hun bedrijfsvoering geschaad door de komst van de woningen en de parkeergarage. Gezoneerd industrieterrein In de feitelijke situatie is geen sprake van een geluidzone over het projectgebied. Planologisch moet dit nog aangepast worden door de gemeente Meijerijstad. Hiervoor wordt een separate procedure gevolgd. Gezien de industriefunctie op Noordkade (binnen en direct rond het projectgebied) is komen te vervallen, zijn daarmee ook de geluidproducerende inrichtingen verdwenen. Omdat geen sprake meer is van een gezoneerd industrieterrein zijn geluidgevoelige functies hier, mits onderzocht, mogelijk. Cumulatie van geluid Vanwege de ligging binnen meerdere geluidszones dient onderzoek gedaan te worden naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen. In het onderzoek cumulatie van geluid, zie bijlage 9, is in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat nader ingegaan op de cumulatieve geluidbelasting. Dit onderzoek leidt niet tot gewijzigde conclusies voor de verschillende geluidsbronnen. 8.4.3 Conclusie Wat betreft wegverkeerslawaai wordt het woon- en leefklimaat in de woningen (binnenniveau) middels een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels gegarandeerd.

Middels bouwkundige voorzieningen wordt gewaarborgd dat op de op de betreffende delen sprake is van een dove gevel. De parkeergarage inclusief het bestaand parkeerterrein wordt akoestisch inpasbaar geacht. Ten aanzien van de aspecten industrielawaai en instellingslawaai bestaan er geen belemmeringen.

8.5

Luchtkwaliteit

8.5.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij een ruimtelijke ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 9.1 weergegeven. Tabel 8.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg /m³

fijn stof (PM2,5)

60/118

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. 8.5.2 Onderzoek Aangenomen mag worden dat de realisatie van de parkeergarage en de nieuwe appartementen op het huidige parkeerterrein niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit laat de tabel in figuur 8.1 ook zien.

Binnen de parkeergarage wordt de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen gerealiseerd. Verder dient de extra parkeerruimte in de parkeergarage te vervanging van bestaande parkeerplaatsen op Noordeinde. Deze parkeerplaatsen genereren zodoende geen extra verkeer. De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bedraagt maximaal 305 mvt/etmaal (zie paragraaf 10.4). Uit de NIBM-tool blijkt dat de maximale bijdrage NO2 0,50 µg/m³ bedraagt en de maximale bijdrage voor PM10 0,07 µg/m³. Hierdoor heeft de beoogde ontwikkeling een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. De beoogde ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld aan het toetsen aan de grenswaarden.

61/118

Figuur 8.1: Resultaten NIBM-tool

Figuur 8.2: Resultaten CIMLK-tool 2020 (bron: cimlk.nl/kaart) In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de NCB-Laan, direct ten noorden van het projectgebied. Uit de monitoringstool blijkt dat in het monitoringsjaar de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in de prognose voor 2020; 18,7 µg/m³ voor NO2, 18,7 µg/m³ voor PM10 en 10,9 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,7 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het projectgebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 8.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het projectgebied. Ten aanzien van luchtkwaliteit is ter plaatse van het projectgebied sprake van een aanvaardbaar leefklimaat.

62/118

8.6

Externe veiligheid

8.6.1 Beleid en normstelling Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.

Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het

63/118

ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. 8.6.2 Onderzoek De risicokaart in figuur 8.3 laat zien welke risicobronnen in de nabijheid van het projectgebied aanwezig zijn. Uit de risicokaart blijkt dat in de omgeving van het projectgebied geen vaarwegen, spoorlijnen, buisleidingen of inrichtingen aanwezig zijn, waarvan een risicocontour over het projectgebied ligt. In de omgeving liggen een aantal mogelijke risicobronnen, zoals de hogedruk aardgasleiding, het bedrijf Friesland Campina en het LPG-tankstation. Deze zijn in de Quickscan Externe Veiligheid onderzocht, zie Bijlage 10. Uit het rapport blijkt dat geen van deze in de buurt gelegen risicobronnen een invloedsgebied heeft dat reikt tot over de ontwikkellocatie.

Wel is de provinciale weg N279 aanwezig, waarvan een risicocontour (invloedsgebied) over het projectgebied ligt.

Figuur 8.3: Risicobronnen omgeving, projectgebied groen omkaderd (Bron: risicokaart)

64/118

Provinciale weg N279 Aan de zuidoostkant van het projectgebied bevindt zich de provinciale weg N279 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Deze weg is geen onderdeel van een routering voor gevaarlijke stoffen. De N279 maakt ook geen onderdeel uit van het landelijk basisnet transport, zodat hiervoor geen vaste veiligheidsafstanden zijn opgenomen. Uit de memo 'Toedeling van het transport van gevaarlijke stoffen aan de N279 tussen Den Bosch en Asten'– van Rijkswaterstaat (12 januari 2010) blijkt, dat over deze weg diverse soorten gevaarlijke stoffen in bulkwagens vervoerd worden. De voor het projectgebied maatgevende stofcategorie is LT2 met een invloedsgebied van 880 meter. Het projectgebied valt met een afstand van circa 490 meter hierbinnen. Het maatgevende rampscenario is het ontstaan van een toxische wolk, die ontstaat door een lekkage van de tankwagen (b.v. als gevolg van een verkeersongeval), waardoor een plas met toxische vloeistof ontstaat, welke verdampt. Plaatsgebonden risico De provinciale weg N279 heeft geen plaatsgebonden risicocontour. Het plaatsgebonden risico van deze weg is dan ook geen belemmering voor het plan.

Groepsrisico Uit het EV-onderzoek (MER N279 Veghel- Asten Deel B effectrapport grijs, 18 augustus 2017) blijkt, dat de hoogte van het groepsrisico vanwege de provinciale weg N279 ter hoogte van het projectgebied ruim kleiner is dan 1 maal de oriënterende waarde (kleiner dan 0,1*OW). De realisatie van het plan zorgt, mede vanwege de grotere afstand tot de weg (circa 460 meter) en de relatief beperkte omvang van het plan, niet voor een overschrijding van de oriënterende waarde. Het projectgebied valt buiten de 200 meter inventarisatiezone van de provinciale weg N279. Derhalve hoeven volgens het Bevt geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik en kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op de zelfredzaamheid van personen binnen het projectgebied bij een ramp op de weg en de bestrijdbaarheid van (de gevolgen) van de ramp op de weg. De uitwerking van de beperkte verantwoording volgt verderop in deze paragraaf. (Beperkte) verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van de provinciale weg N279 dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden (artikel 7, Bevt).

Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat (alleen) in op de zelfredzaamheid van personen binnen het projectgebied bij een ramp op de weg en de bestrijdbaarheid van (de gevolgen) van de ramp op de weg. De mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit en de gevolgen daarvan Voor dit onderdeel en het onderdeel zelfredzaamheid is advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Brabant Noord. De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld:  Is het rampscenario te bestrijden?  Is de omgeving van het projectgebied voldoende ingericht om de gevolgen van een calamiteit hierbinnen te bestrijden? Is het rampscenario te bestrijden? De mate van bestrijdbaarheid van een calamiteit is afhankelijk van de opkomsttijd brandweer, de bereikbaarheid van de locatie calamiteit en de bluswatervoorziening in de omgeving van de calamiteit.

65/118

Voor het transport over de provinciale weg N279 is voor het projectgebied het scenario toxische wolk maatgevend. Voor het scenario toxische wolk geldt, dat de toxische wolk met een waterscherm neergeslagen moet worden. De opkomsttijd van de brandweer ter plaatse (locatie calamiteit) bedraagt circa 8 minuten. De bereikbaarheid van de plaats van de calamiteit wordt als goed beoordeeld. De aanwezige bluswatervoorziening voor bestrijding van een calamiteit is ruim voldoende. Grote hoeveelheden bluswater kunnen onttrokken worden vanuit de naastgelegen haven/Zuid-Willemsvaart, wat de bestrijding van het incident zeer bevorderd. De algemene conclusie is dan ook, dat de bestrijdbaarheid van dit scenario goed is. Is de omgeving van het projectgebied voldoende ingericht om de gevolgen van een calamiteit hierbinnen te bestrijden? Vanwege de afstand tot het projectgebied (circa 500 meter) zullen de gevolgen, van een calamiteit met een tankwagen met toxische vloeistof (rampscenario toxische wolk) op de provinciale weg N279, binnen het projectgebied beperkt zijn. De omgeving van het projectgebied hoeft derhalve hierop niet speciaal ingericht te worden. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen.

De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het projectgebied en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario (brand, explosie en/of toxische wolk). De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het projectgebied en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario (brand, explosie en/of toxische wolk). Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen verminderd zelfredzame mensen in het projectgebied gehuisvest, maar kunnen wel aanwezig zijn. De aanwezigen worden derhalve geacht voldoende mobiel te zijn om zelfstandig of onder begeleiding te kunnen vluchten. Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden.

Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het projectgebied:  goed te alarmeren is;  goed te ontvluchten is;  goed te schuilen is.

66/118

Alarmering: Ter hoogte van de planlocatie is de WAS-dekking (sirene burgerbescherming) op orde. In geval van een calamiteit zal tevens NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Vluchtmogelijkheden: Vluchten is geen goede optie bij het rampscenario toxische wolk. Schuilmogelijkheden: Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Geadviseerd wordt een uitschakelbare ventilatie in de bebouwing aan te brengen en de ramen en deuren afdoende afsluitbaar (kiervrij) te maken. Vanwege het aspect geur zijn de geveldelen (anders dan de toegangs-, bevoorradings- en vluchtdeur) niet te openen. 8.6.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Het projectgebied ligt binnen het invloedsgebied van de provinciale weg N279, maar buiten de 200 meter inventarisatiezone van de weg. Het groepsrisico is daarom beperkt verantwoord.

De hoogte van het groepsrisico wordt door het bestuur van de gemeente Meierijstad aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol:  de zeer beperkte gevolgen van een ramp -met een toxische vloeistof op de weg (rampscenario toxische wolk)binnen het projectgebied, vanwege de grotere afstand van het projectgebied tot de risicobron;  de goede mogelijkheden binnen het projectgebied voor de zelfredzaamheid van personen. Binnen het projectgebied zijn alleen personen aanwezig die zelfredzaam zijn of onder begeleiding kunnen vluchten.

8.7

Duurzaam en slim bouwen

8.7.1 Beleid en normstelling De ambities binnen de gemeente Meierijstad op het gebied van duurzaamheid gaan verder dan de eisen die gelden op basis van het Bouwbesluit. Zo moet de energieprestatie 10% beter zijn dan hetgeen wordt voorgeschreven in het Bouwbesluit. 8.7.2 Toetsing Energie De woningen worden gasloos verwarmd middels warmtepompen. Voor extra verduurzaming van het projectgebied is er een wens om op het dak van de parkeergarage zonnepanelen te realiseren. De haalbaarheid hiervan wordt onderzocht. Klimaatadaptatie De groene zone tussen de appartementen en de parkeergarage zorgt voor verkoeling en gaat daarmee hittestress tegen in stedelijk gebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=a17d6df7-05b4-42ea-82a0-b1524376370a