CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Buitengebied Veghel, herziening Zondveldstraat 16a

Raadsvergadering 2 november 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Veghel, herziening Zondveldstraat 16a'31.577 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Op basis van het voorgaande dient bij de GGD een nader advies te worden ingewonnen. 46

Stap 6: Mestbewerking en/of -verwerking: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de bewerking en/of verwerking van mest. Stap 7: Ongerustheid bij omwonenden: Er is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden. Op basis van voorgaande dient vanuit het stappenplan uit de handreiking een advies van de GGD te worden ingewonnen. De gemeente Meierijstad dient daarbij een afweging te maken of sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. 4.1.4.2 Volksgezondheid ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Vanuit het toetsingskader kan worden gesteld dat wanneer een gevoelig object buiten de richtafstanden voor varkensen pluimveehouderijen is gelegen er geen sprake zal zijn van een onevenredig verhoogd risico voor de volksgezondheid. Voor varkenshouderijen ligt de richtafstand op 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze 500 meter. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van varkens en/of het houden van pluimvee. Wel wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning en wordt een nieuwe compensatiewoning opgericht.

Binnen 200 meter van de locatie zijn echter, gemeten vanuit de gewenste bouwvlakken na realisatie van het project, geen varkenshouderijen gelegen. Tevens zijn binnen 500 meter van de locatie geen pluimveehouderijen gelegen. Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen. 4.1.4.3 Volksgezondheid ten aanzien van geitenhouderijen Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking. Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van geiten. Wel wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning en wordt een nieuwe compensatiewoning opgericht. Binnen 2 kilometer van de locatie zijn echter geen geitenhouderijen gelegen.

Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van geitenhouderijen.

4.1.5 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: 47

Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. 4.1.5.1 Wegverkeerslawaai Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning en wordt een compensatiewoning opgericht. Dit zijn vanuit de Wgh aan te merken als geluidsgevoelige objecten. Om aan te tonen of de geluidbelasting op de gevel de wettelijke norm zal overschrijden is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieruit blijkt het volgende: "De geluidsbelasting vanwege de Zondveldstraat op de nieuwe woning overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Op de zuidgevel wordt ook de maximale grenswaarde van 53 dB overschreden. De geluidsbelasting vanwege de Zondveldstraat op de huidige bedrijfswoning is hoger dan 48 dB, maar lager dan 58 dB (de maximale grenswaarde, indien getoetst wordt). Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting door de Zondveldstraat tot de voorkeursgrenswaarde zijn niet doeltreffend, financieel niet haalbaar en/of landschappelijk ongewenst. Daarom zijn voor de nieuwe woning hogere waarden vanwege de Zondveldstraat nodig. Afhankelijk van gekozen ruimtelijke instrument dienen ook voor de huidige bedrijfswoning hogere grenswaarden vastgesteld te worden. Als de geluidsbelasting op de nieuwe woning niet gereduceerd wordt tot de maximale grenswaarde, dan dient de zuidgevel van deze woning uitgevoerd te worden als dove gevel." Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6 van deze onderbouwing.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van wegverkeerslawaai. 4.1.5.2 Industrielawaai Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Burgerwoningen veroorzaken namelijk geen onevenredige geluidshinder aan de omgeving. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige 48

objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geluidbelasting dient aangetoond te worden dat ter plaatse van nieuwe geluidsgevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Hierbij mogen omliggende bedrijven akoestisch niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Volgens de handreiking "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) dient wanneer een nieuw gevoelig object binnen de richtafstanden voor geluid van een akoestisch relevante bron een nadere afweging te worden gemaakt van het woon- en leefklimaat. De nieuwe compensatiewoning en de om te schakelen woning liggen, zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1), binnen de richtafstanden voor geluid van het bedrijf aan de Zondveldstraat 9. Ten aanzien van dit bedrijf dient derhalve een nadere afweging te worden gemaakt, waarin dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd op het gebied van geluid ten aanzien van de akoestisch relevante activiteiten vanuit het bedrijf aan de Zondveldstraat 9. Het bedrijf aan de Zondveldstraat 9 betreft een agrarisch bedrijf, zijnde een rundveehouderij. Aan dit bedrijf is de bestemming 'Agrarisch met waarden' toegekend.

Het bedrijf is niet voorzien van de aanduiding 'intensieve veehouderij', waarmee uitsluitend een grondgebonden veehouderij mag worden uitgevoerd. In de jaren '90 van de vorige eeuw is aan het bedrijf een vergunning verleend voor het houden van 40 melk- en kalfkoeien en 50 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. Daarnaast is aan het bedrijf een vergunning verleend voor het houden van 50 vleeskalveren. Het houden van vleeskalveren betreft echter een intensieve veehouderij. Gezien vanuit het geldende bestemmingsplan alleen grondgebonden bedrijven zijn toegestaan is het houden van vleeskalveren in strijd met het geldende bestemmingsplan. Daardoor mogen de vleeskalveren niet worden gehouden op de locatie. De geluidsactiviteiten die eventueel samen kunnen hangen met deze diergroep zullen daarom buiten beschouwing gelaten worden. Het bedrijf aan de Zondveldstraat 9 staat reeds geruime tijd leeg. Al jaren lang worden er geen dieren meer gehouden. Uit het controleoverzicht van 18 januari 2021 naar aanleiding van een milieucontrole, zoals is weergegeven in de volgende figuur, blijkt eveneens dat ter plaatse geen dieren meer gehouden worden. Daarmee vinden ter plaatse van het bedrijf aan de Zondveldstraat 9 geen akoestisch relevante activiteiten meer plaats, waarmee geen sprake is van een onevenredige geluidhinder op de woningen van de initiatiefnemer.

Controleoverzicht Zondveldstraat 9, datum 18 januari 2021. Bron: Gemeente Meierijstad. Echter mag het bedrijf aan de Zondveldstraat niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Derhalve dient uit te worden gegaan van de maximaal planologische mogelijkheden van het bedrijf. Vanuit het bestemmingsplan is een grondgebonden veehouderijbedrijf mogelijk. Omdat de emissies van ammoniak en stikstof vanuit het bestemmingsplan zijn begrensd op die van de vigerende vergunning dient 49

voor de maximale planologische mogelijkheden te worden uitgegaan van de vigerende vergunning die op het bedrijf aanwezig is. Gezien het voorgaande is derhalve uitgegaan van een maximale bedrijfssituatie voor het houden van 40 melk- en kalfkoeien en 50 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. Om te onderzoeken of het bedrijf aan de Zondveldstraat 9 in de maximale ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt is een aanvullend akoestisch onderzoek volgens het stappenplan uit de Handreiking "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat het geluidniveau in de nieuwe woningen aanvaardbaar wordt geacht en dat het bedrijf aan de Zondveldstraat akoestisch gezien niet in de ontwikkelingsmogelijkheden zal worden geschaad. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 7 bij deze toelichting.

4.1.6 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. 4.1.6.1 Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicobronnen, waaronder risicovolle inrichtingen, weergegeven zijn.

50

Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). 4.1.6.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water en door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. Nabij de locatie, op een afstand van ongeveer 320 meter van de gewenste compensatiewoning, is een leiding voor het transport van gas gelegen. Voor gasleidingen lopen de inventarisatieafstanden voor het groepsrisico uiteen van 45 meter bij een leiding met een kleine diameter en een lage druk (diameter 4 inch en een druk van 40 bar) tot maximaal 580 meter bij een leiding met een grote diameter en een hoge druk (diameter 42 inch en een druk van 80 bar). De betreffende leiding heeft een diameter van 10,39 inch (kleine diameter) en 40 bar (lage druk). Gezien de grote afstand tot de betreffende leiding (ongeveer 320 meter) en het gegeven dat er sprake is van een leiding met een kleine diameter en een lage druk, zal geen sprake zijn van de ligging van de locatie binnen het invloedsgebied van de betreffende leiding.

4.1.6.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.

4.1.7 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Om aan te tonen of sprake is van een verwachtte of feitelijke verontreiniging is een onderzoek conform de norm NEN 5740 (verkennend onderzoek) uitgevoerd. Hieruit blijkt het volgende: "Ter plaatse van de onderzoek slocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De resultaten van het onderzoek stemmen niet overeen met de gestelde hypotheses. De resultaten vormen echter geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie.

De bodemk waliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging en nieuwbouw van een woning." Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 8 van deze onderbouwing. Ter plaatse van de te slopen stallen dient een aanvullend onderzoek plaats te vinden om te onderzoeken of op de plaats van de huidige stallen sprake is van een verontreiniging. Met de gemeente is in goed overleg (met mevrouw K. Klok, per mail van 16 december 2022) overeengekomen dat dit aanvullend onderzoek uitgevoerd mag worden na de ter inzage termijn van het ontwerp van het voorliggend bestemmingsplan. Daarmee is er sprake van meer zekerheid voor de haalbaarheid en uitvoering van het voorliggende plan voor de initiatiefnemer en wordt voorkomen dat ter plaatse al moet worden gesloopt terwijl nog niet voldoende zeker is of de gewenste ontwikkeling doorgang kan vinden. De sloop van de stallen en het aanvullend bodemonderzoek dienen voor vaststelling van het voorliggende plan te worden uitgevoerd. 51

Om dit te borgen is in artikel 4.4.2 van de bij dit plan behorende regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het uitvoeren van het aanvullend onderzoek. Hiermee kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg zal staan.

4.1.8 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met een spuitzone waarbinnen gevoelige objecten alleen onder voorwaarden kunnen worden toegestaan. Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige objecten is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbestrijdingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige objecten. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling en het hiermee mogelijk samenhangende risico is onbekend.

Wel dient een afweging te worden gemaakt of bij een perceel waarop (mogelijk) bomenteelt plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang: de aard van het bestrijdingsmiddel (biologische of juist giftige middelen); de toedieningswijze (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten). Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid; de frequentie van het spuiten; de weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting); de inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht op grond van een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelige object. In dat geval blijkt wegens de reductie van drift (afhankelijk van de dikte, hoogte en type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter). Nabij de locatie is geen sprake van bomenteelt die wordt uitgevoerd en/of van akkerbouw met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen.

4.1.9 Hoogspanningsverbindingen De stroom door de draden van een hoogspanningslijn veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder meer af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningslijn verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningslijn, des te zwakker is het magneetveld. Nabij de locatie zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. De dichtstbijzijnde hoogspanningsverbinding is gelegen op een afstand van ongeveer 2,3 kilometer van de locatie. Hiermee zal ter plaatse geen sprake zijn van onevenredige risico's en/of belemmeringen ten aanzien van hoogspanningsverbindingen. 52

4.1.10 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in omschakeling van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning en het oprichten van één nieuwe compensatiewoning. Het realiseren van woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Aangezien het gaat om het realiseren van slechts één extra woning, wordt deze ontwikkeling op basis van jurisprudentie niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.

4.2

Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht.

Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Kampina & Oisterwijkse Vennen) is gelegen op een afstand van ongeveer 17,3 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.

53

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Hierbij zal de bestaande bedrijfswoning worden omgeschakeld naar een burgerwoning. De omschakeling van de huidige bedrijfswoning naar een burgerwoning zal niet leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Ook zullen ten behoeve van de omschakeling van de woning en het gebruik ervan geen wijzigingen plaatsvinden. Het toekomstig gebruik van de woning zal, omdat er feitelijk niets wijzigt aan het gebruik van de woning, daarmee niet leiden tot een toenemende uitstoot van stikstofoxiden en daarmee niet leiden tot een toenemende depositie van stikstof in de betreffende gebieden. De beëindiging van de intensieve veehouderij zal leiden tot een aanzienlijke afname van de uitstoot van ammoniak vanuit de locatie. De gehouden dieren in de huidige situatie hebben een grote emissie van ammoniak, welke leidt tot een depositie van stikstof in de betreffende gebieden. Bij de beëindiging van de intensieve veehouderij komt deze uitstoot in zijn geheel te vervallen. De verminderde uitstoot van ammoniak zal leiden tot een afname van de depositie van stikstof op de betreffende gebieden. Verder wordt, in ruil voor de sanering van de intensieve veehouderij, een nieuwe compensatiewoning worden opgericht.

Hierbij zal sprake zijn van een beperkte toename van de emissie van stikstofoxiden als gevolg van de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van de nieuwe woning. Deze beperkte toename zal echter aanzienlijk lager zijn dan de afname als gevolg van de beëindiging van de intensieve veehouderij. Daarmee zal de depositie netto gezien alleen maar afnemen. Om de mogelijke effecten tijdens de gebruiksfase op de depositie van stikstof op de betreffende gebieden in beeld te brengen zijn met het rekenprogramma Aerius Calculator berekeningen gemaakt. Uit deze berekeningen is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot significante effecten op de betreffende gebieden (het projecteffect bedraagt niet meer dan 0,00 mol per hectare per jaar). Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de depositie van stikstof op de betreffende gebieden. Voor de resultaten en een daarbij behorende onderbouwing van de berekeningen wordt verwezen naar bijlage 9 van deze toelichting. Sinds 1 juli 2021 was de Wet Stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet was het vanaf 1 juli 2021 niet meer nodig om voor de aanlegfase een stikstofberekening uit te voeren. In deze wet was namelijk een bouwvrijstelling opgenomen voor tijdelijke stikstofemissies tijdens sloop-, bouw- en aanlegactiviteiten.

Het slopen van de voormalige varkensstallen en het bouwen van een nieuwe woning waren activiteiten waarbij sprake was van een tijdelijke stikstofemissie, waarvoor de vrijstelling gold. Met de tussenuitspraak van 2 november 2022 door de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State is echter gebleken dat de bouwvrijstelling niet 54

voldoet aan het Europese beschermingsrecht en dat per project onderzoek moet worden gedaan naar de mogelijke gevolgen van de uitstoot van stikstof per project. Om de mogelijke effecten tijdens de aanlegfase op de depositie van stikstof op de betreffende gebieden in beeld te brengen zijn met het rekenprogramma Aerius Calculator berekeningen gemaakt. Uit deze berekeningen is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot significante effecten op de betreffende gebieden (het projecteffect bedraagt niet meer dan 0,00 mol per hectare per jaar). Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de depositie van stikstof op de betreffende gebieden. Voor de resultaten en een daarbij behorende onderbouwing van de berekeningen wordt verwezen naar bijlage 10 van deze toelichting. Naast een mogelijke toename van de depositie van stikstof op de betreffende gebieden kunnen effecten als licht, geluid en trillingen schadelijk zijn voor de leefgebieden in de betreffende gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van inrichtingen die structureel licht, geluid en/of trillingen uitstralen aan de omgeving. Mogelijk is, met name tijdens de werkzaamheden, incidenteel sprake van de uitstraling van licht, geluid en/of trillingen.

Echter zullen deze effecten, gezien de grote afstand tot de betreffende gebieden, in de betreffende gebieden niet merkbaar zijn. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.

Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast heeft de gemeente Meierijstad een groene kaart opgesteld. Op de Groene Kaart zijn alle bomen en andere houtopstanden opgenomen waarvoor een omgevingsvergunning aangevraagd moet worden bij kap, aantasting of rooien. Zoals te zien zijn de laanbomen aan de Zondveldstraat en de groensingel aan de oostzijde van het perceel waarop de nieuwe compensatiewoning wordt ontwikkeld aangemerkt als groenvlak. Voor het kappen, aantasten of rooien van deze bomen is een omgevingsvergunning vereist. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zal, om een uitrit voor de compensatiewoning mogelijk te maken, één boom worden gekapt. De gemeente heeft op 16 september 2020 per e-mail van mevrouw Klok aangegeven dat één boom gekapt mag worden.

Hiervoor wordt de eventueel benodigde vergunning te zijner tijd aangevraagd.

55

Uitsnede Groene kaart. Bron: Gemeente Meierijstad. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in 56

Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.

Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt het volgende: "Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten.

Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werk zaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing." Verder wordt in het onderzoek verwijzing gemaakt naar een uilenkast. In het onderzoek staat daarover beschreven dat deze niet in de te slopen bebouwing is gesitueerd en zal worden behouden. Voor wat betreft de uilenkast is daarmee geen noodzaak voor mitigerende of compenserende maatregelen. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 11 van deze toelichting.

57

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies. De provincies dienen in het ruimtelijk beleid specifieke regels op te nemen ter bescherming van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB).

Hierbij hebben zij in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant specifieke regels opgenomen ter bescherming van deze gebieden. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNB-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 1,25 kilometer.

Uitsnede kaart NNN/NNB. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in het NNN/NNB is gelegen en de zeer ruime afstand tot het dichtstbijzijnde NNN/NNB-gebied zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

58

4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. De locatie is niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen. Tevens zal de uitstoot van ammoniak als gevolg van de beëindiging van de intensieve veehouderij in zijn geheel komen te vervallen. Gezien de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen en na de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling niet langer sprake is van de uitstoot van ammoniak zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast.

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

De gemeente Meierijstad heeft de archeologische verwachtingswaarde opgenomen in dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan. Aan de locatie is in het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' toegekend. Deze dubbelbestemming is over de gehele locatie en over het gehele perceel waarop de gewenste ruimte voor ruimte woning zal worden opgericht gelegen en is daarmee binnen het gehele plangebied van toepassing. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 10.000 m² en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een veehouderij, waarbij de (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Omdat bij de sloop van bebouwing ook de fundering en eventuele kelders worden gesaneerd is sprake van een ingreep van meer dan 30 centimeter onder het maaiveld. De totaal te slopen oppervlakte bedraagt bij de voorgenomen ontwikkeling ongeveer 1.485 m². Verder zal een van de bestaande veldschuren worden behouden en worden gebruikt als bijgebouw bij de woning. Hierbij zal deze veldschuur worden verlengd met ongeveer 10 meter. Omdat bij de bouw van een veldschuur vaak ook een fundering wordt gelegd is ook hierbij sprake van een ingreep van meer dan 30 centimeter onder maaiveld.

De oppervlakte van de gewenste verlening van de veldschuur bedraagt ongeveer 100 m². Ten slotte zal een nieuwe compensatiewoning worden opgericht. Omdat bij de bouw van een woning en het daarbij behorende bijgebouw vaak ook een fundering moet worden gelegd is eveneens sprake van een ingreep van meer dan 30 centimeter onder het maaiveld. De nieuwe woning mag een maximale inhoud hebben van 750 m³. Dergelijke woningen hebben doorgaans een oppervlakte van maximaal 150 m². Vanuit 59

het geldende bestemmingsplan en de herziening daarop wordt bij de nieuwe compensatiewoning maximaal 150 m² aan bijgebouwen toegestaan. Vanuit de herziening van het bestemmingsplan kan een grotere oppervlakte aan bijgebouwen mogelijk worden gemaakt indien hiervoor in ruil voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Echter is in deze regeling opgenomen dat deze niet kan worden toegepast indien sloop al heeft plaatsgevonden ten behoeve van een andere regeling. Omdat de sloop van de stallen reeds is toegepast ten behoeve van de regeling maatwerk met als doel omgevingskwaliteit kan deze niet ook nog worden toegepast voor de extra oppervlakte aan bijgebouwen. In totaal zal daarom ten behoeve van de nieuwe compensatiewoning maximaal 300 m² aan nieuwe bebouwing worden opgericht. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal maximaal, als alle ingrepen bij elkaar worden opgeteld, sprake zijn van een ingreep van ongeveer 1.885 m². Dit is aanzienlijk minder dan 10.000 m², waarmee de ondergrens voor het uitvoeren van nader onderzoek niet wordt overschreden. Aanvullend onderzoek wordt daarmee niet noodzakelijk geacht. Mochten tijdens de werkzaamheden alsnog toevalsvondsten worden gedaan dan zullen deze terstond worden gemeld aan het bevoegd gezag. Hiermee is het niet aannemelijk dat met de voorgenomen ontwikkeling mogelijk voorkomende archeologische resten worden geschaad.

4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie in een gebied met enkele cultuurhistorische elementen gelegen.

Uitsnede cultuurhistorische waardenk aart. Bron: Provincie Noord-Brabant. 60

Nabij de locatie zijn enkele waardevolle panden en een monumentale boom gelegen. De voorgenomen ontwikkeling vindt echter plaats op het eigen terrein en zal geen betrekking hebben op de betreffende panden en/of de betreffende boom. Hiermee zullen de historische panden en de monumentale boom niet worden aangetast. Verschillende wegen in de omgeving zijn aangemerkt als historisch geografische lijn met redelijk hoge of hoge waarde. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden uitsluitend werkzaamheden en aanpassingen op eigen terrein plaats. Er is geen sprake van een aanpassing of ingreep aan de wegen en/of de betreffende historisch geografische lijnen in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de betreffende lijnen, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van de historisch geografische lijnen in de omgeving. Nabij de locatie is een structuur van historisch groen gelegen. Het betreft de laanbeplanting langs de Zondveldstraat. Deze maakt deel uit van de historische laanbeplanting Veghelse Dijk, Zijtaart, Zondveld. De voorgenomen ontwikkeling vindt geheel plaats op het eigen terrein. Door de beëindiging van de veehouderij ter plaatse zal de belasting op het groen in de omgeving lager worden, waarmee sprake is van een verbeterde situatie voor de betreffende laanbeplanting.

De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de betreffende historische laanbeplanting, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van het historisch groen. De gemeente heeft op 16 september 2020 per e-mail van mevrouw Klok aangegeven dat één boom gekapt mag worden. Aan de overzijde van de Zondveldstraat is een historisch waardevol gebied gelegen. Het betreft het Akkercomplex Zondveld. Dit gebied betreft een groot akkercomplex van de cultuurhistorisch waardevolle buurtschap Zondveld. Het is van belang dat ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een aantasting van het waardevolle akkercomplex. De voorgenomen ontwikkeling vindt geheel op eigen terrein en buiten het historisch akkercomplex plaats. Er is daarmee geen sprake van een wijziging aan (de structuur van) het waardevolle akkercomplex. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een afname van de bebouwde oppervlakte. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben op het waardevolle akkercomplex, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van het historisch waardevolle gebied. De locatie is gelegen in een bebouwingslint dat nader is aangemerkt als historische stedenbouw. Het gaat om het bebouwingslint Zondveld, wat een redelijk hoge historische waarde heeft. Het bebouwingslint Zondveld heeft een agrarische oorsprong.

Ondanks diverse nieuwe toevoegingen is het agrarische karakter van dit lint nog duidelijk herkenbaar. De bebouwing is los van elkaar gerangschikt. Het bebouwingslint heeft een duidelijke relatie met de achterliggende akker. Het is bij ruimtelijke ontwikkelingen in het lint van belang dat het agrarisch karakter nog herkenbaar blijft. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het agrarisch bedrijf beëindigd en de daarbij behorende bedrijfsbebouwing gesloopt. De huidige bedrijfswoning heeft reeds een agrarisch karakter. Dit zal met de voorgenomen ontwikkeling niet wijzigen. De nieuw te bouwen compensatiewoning zal eveneens een landelijk karakter krijgen, waarmee deze goed zal aansluiten bij de reeds aanwezige bebouwing in het gebied. In de omgeving van de locatie zijn verschillende voormalige agrarische bedrijven omgeschakeld naar burgerwoningen met een landelijk karakter. De voorgenomen ontwikkeling sluit hier goed op aan en past daarmee goed binnen het gebied. Door het behoud van een landelijke uitstraling zal de agrarische structuur op de locatie en in het gebied goed herkenbaar blijven. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling goed aansluiten op het historische lint, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van de historische stedenbouw.

Gezien het voorgaande is het niet aannemelijk dat met de voorgenomen ontwikkeling cultuurhistorisch waardevolle elementen worden geschaad.

4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. De locatie is niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. Gezien de locatie niet in een aardkundig 61

waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.

4.4

Verkeer en parkeren

4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting van de huidige bedrijfswoning is gerealiseerd op de Zondveldstraat. De locatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om de huidige locatie te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein van het huidige bedrijf zelf is voldoende gelegenheid om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende voertuigen de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal ten behoeve van de huidige woning uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. De nieuwe compensatiewoning zal worden voorzien van een eigen nieuwe inrit, welke wordt aangesloten op de Zondveldstraat. Hierbij zal ook rekening worden gehouden met voldoende ruimte voor inkomend en vertrekkend verkeer om op eigen terrein te kunnen keren en parkeren.

In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het omschakelen van een agrarisch bedrijf naar een burgerwoning, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt gebruikt als burgerwoning. Bij burgerwoningen in het buitengebied geldt, op basis van de parkeernormen van de gemeente (uit de Nota parkeernormen Meierijstad 2018), een norm van minimaal 2,4 parkeerplaatsen, afgerond 3 parkeerplaatsen per woning. In de huidige situatie is reeds ruim voldoende ruimte bij de bedrijfswoning aanwezig voor drie auto's om te kunnen parkeren. Dit zal met de voorgenomen ontwikkeling niet veranderen. Er is na realisatie van de voorgenomen ontwikkeling ruim voldoende parkeergelegenheid bij de om te schakelen woning aanwezig voor drie auto's. Daarnaast zal een nieuwe compensatiewoning worden opgericht. Ook hierbij geldt een parkeernorm van 2,4, afgerond 3 parkeerplaatsen. Er wordt bij de nieuwe woning voldoende verharding aangebracht voor drie parkeerplaatsen (en als nodig meer). Daarnaast biedt het te bouwen bijgebouw bij de nieuwe woning voldoende ruimte voor een of twee auto's. Er is daarmee in de gewenste situatie ruim voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig.

Hiermee zal het parkeren na realisatie van de voorgenomen ontwikkeling ook geheel op het eigen terrein plaatsvinden.

4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij, waarbij de huidige bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Daarnaast zal een nieuwe compensatiewoning worden opgericht in ruil voor het beëindigen en saneren van de intensieve veehouderij. In de huidige situatie is sprake van een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij. Ten behoeve van deze veehouderij vinden wekelijks gemiddeld de volgende verkeersbewegingen plaats: Leveren van dieren: 1 vrachtwagen per week, leidt tot 2 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Afvoeren van dieren: 1 vrachtwagen per week, leidt tot 2 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Leveren van voer: 1 vrachtwagen per week, leidt tot 2 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. 62

Afvoeren van mest: 1 vrachtwagen per 2 weken, leidt tot 1 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Controle/bezoek dierenarts: 1 bestelauto of personenauto per week, leidt tot 2 verkeersbewegingen per week met personenvervoer. Levering van overige diensten en goederen: 3 bestelauto's en/of personenauto's per week, leidt tot 6 verkeersbewegingen per week met personenvervoer. Totaal: gemiddeld 15 verkeersbewegingen per week, waarvan 7 met vrachtverkeer. Deze verkeersbewegingen komen in zijn geheel te vervallen. Daarnaast vinden in de huidige situatie verkeersbewegingen met personenvervoer plaats ten behoeve van de bedrijfswoning. Volgens de kencijfers van het CROW geldt voor burgerwoningen in het buitengebied een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,4 verkeersbewegingen per dag. Afgerond vinden gemiddeld 8 verkeersbewegingen per dag plaats ten behoeve van de bedrijfswoning. Omdat de huidige bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning verandert het feitelijk gebruik van de woning niet. De woning is in gebruik als woning en zal in gebruik blijven als woning. Het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de om te schakelen bedrijfswoning wijzigt daarmee niet. Ten slotte wordt een nieuwe compensatiewoning opgericht. Een compensatiewoning betreft eveneens een burgerwoning in het buitengebied, waarvoor eveneens een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,4 per dag geldt.

Afgerond zullen ten behoeve van de nieuwe compensatiewoning gemiddeld 8 verkeersbewegingen per dag plaatsvinden met personenvervoer. Het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie zal daarmee, in vergelijking met de huidige situatie beperkt toenemen. Echter betreft het een zeer geringe toename van maximaal 6 verkeersbewegingen per dag. Dit staat gelijk aan 3 auto's per dag. Daarnaast zal het aandeel vrachtverkeer van en naar de locatie (gemiddeld 7 verkeersbewegingen per week) in zijn geheel komen te vervallen. Daarmee wordt de overlast aan de omgeving en op de omliggende wegen aanzienlijk kleiner. Gezien sprake is van een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen en het aandeel vrachtverkeer van en naar de locatie in zijn geheel komt te vervallen is geen sprake van een mogelijke toename van de overlast naar de omgeving als gevolg van het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie.

4.5

Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Aa en Maas (hierna: het waterschap). De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd.

Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Hiermee geven de waterschappen ook invulling aan de wens van met name de zogenaamde grensgemeentes die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen. 63

Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging.

4.5.1 Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's: 1. Waterveiligheid; Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreme droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gbeied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: Schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; De waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; De kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; De betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. 64

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=eef16a94-4832-498a-afcc-3cd9d56721cf