Bijlage 1: Buitengebied Veghel, herziening Zondveldstraat 16a
Tekst van het document
Er is, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik. Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen: "Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.
Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid." Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan. Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikk eling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap k an deel uitmaken van de meerwaardecreatie." Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een intensieve veehouderij worden beëindigd.
Een intensieve veehouderij heeft een grote uitstoot van geur, fijnstof, stikstofoxiden, broeikasgassen en ammoniak. Bij de voorgenomen beëindiging zal de uitstoot van het bedrijf in zijn geheel worden beëindigd. Dit heeft een aanzienlijke meerwaarde op het gebied van milieu en natuur. Het woon- en leefklimaat in de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee worden verbeterd. De nieuw op te richten bebouwing zal duurzamer en enegiezuiniger worden opgericht dan de huidige bebouwing. Daarnaast hebben burgerwoningen een aanzienlijk lagere energiebehoefte dan een intensieve veehouderij. Met de beëindiging van het intensieve veehouderijbedrijf zal het energieverbruik daarmee fors afnemen. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de overheid. Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede bij het gebied passende 28
landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 2 van deze toelichting), waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 3.9 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Ten slotte zal met de voorgenomen ontwikkeling een groot deel van de aanwezige voormalige bedrijfsbebouwing (ongeveer 1.485 m²) worden gesloopt. Sloop van bebouwing is in artikel 3.9 van de verordening eveneens opgenomen als mogelijkheid voor kwaliteitsverbetering van het landschap en is derhalve ook aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie. Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Gemeentelijke structuurvisie De gemeente Meierijstad (voorheen de gemeente Veghel) heeft op 19 december 2013 de Structuurvisie Veghel 2030 vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar 2030. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Woongebied (kernen & linten)' dat vervolgens weer is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Ontwikkelen agrarisch kerngebied'.
Uitsnede kaart Structuurvisie Veghel 2030. 29
Bron: Gemeente Meierijstad. De woongebieden zijn onderverdeeld in de kernen en de linten (of bebouwingsconcentraties). De locatie is niet in de kern gelegen, maar in een bebouwingslint. Als gevolg van de al aanwezige bebouwingsdichtheid en functiemenging is de ontwikkelingsbehoefte in deze zones groter dan in de overige delen van het buitengebied. Ook de beleidsruimte voor verandering is daarom groter. Dat wil echter niet zeggen dat alles volgebouwd kan worden. Zo moet de ruimtelijke karakteristiek worden versterkt door o.a. realisatie of behoud van groen, belangrijke zichten en waardevolle open ruimten. Het uitgangspunt bij ontwikkelingen in deze gebieden is altijd dat deze gepaard moeten gaan met een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. De intensieve veehouderij past, vanwege de milieubelasting die deze veroorzaakt, niet goed in het bebouwingslint dat hoofdzakelijk uit burgerwoningen bestaat. De beëindiging van de veehouderij zal leiden tot een kwaliteitswinst aan de omgeving. Niet alleen zal de milieubelasting afnemen en daarmee het woon- en leefklimaat worden verbeterd, maar eveneens zal gebiedsontsierende bebouwing worden gesloopt, waarmee wordt bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit.
Door de sloop van de bebouwing en het verkleinen van het bouwvlak zal de totale bebouwde oppervlakte in het gebied afnemen. Ook wanneer de nieuwe compensatiewoning is opgericht dan zal het totale bebouwde oppervlak nog kleiner zijn dan in de huidige situatie. Dit leidt tot een verbeterd doorzicht naar het achterliggende landschap. De impact op het landschap blijft daarmee beperkt. Daarnaast zal ter plaatse, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) worden voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 2 van deze toelichting), waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. In het landschappelijk inrichtingsplan wordt daarnaast ingegaan op de soorten beplanting die zullen worden gebruikt en op de bijdrage van de voorgenomen landschappelijke inpassing aan de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Er zal daarmee sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing ten behoeve van de gewenste nieuwe woning, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit.
Gezien de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een verbeterd woon- en leefklimaat in de omgeving en daarmee een prettigere woonomgeving en er in voldoende mate wordt bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit past de voorgenomen ontwikkeling in het woongebied, zijnde het bebouwingslint. De agrarische sector blijft ook tot 2030 zonder meer de belangrijkste drager voor het Veghelse buitengebied. Daarbij zijn drie verschillende gradaties te onderscheiden. In de beekdalen is sprake van agrarisch medegebruik, ter ondersteuning van de ecologische en landschappelijke functie van het gebied. In het meeste zuidelijke deel van de gemeente is de situatie juist omgekeerd. Dit gebied vormt het agrarische kerngebied binnen de gemeente, waar landbouw en veeteelt leidend zijn. De locatie is in dit gebied gelegen. Verder is er nog het overige deel van het buitengebied, waarin de landbouw weliswaar een belangrijke drager vormt, maar waar de groeiruimte veel beperkter is. Daarnaast biedt dit gebied meer ruimte voor andere functies, zoals wonen, recreatie en voorzieningen. In het agrarisch kerngebied zijn andere functies mogelijk, mits zij de agrarische bedrijven en ontwikkelingen niet in de weg staan.
Zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven in de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling agrarische bedrijven en de ontwikkelingen niet in de weg staan. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen het agrarisch kerngebied. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de Structuurvisie Veghel 2030 van gemeente Meierijstad.
30
3.3.2 "Kansen voor Kwaliteit", een afwegingskader voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing Op 7 mei 2020 heeft de gemeente Meierijstad het rapport "Kansen en Kwaliteit" vastgesteld. Dit rapport biedt een afwegingskader voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing (VAB). In het buitengebied zijn in de afgelopen jaren vele agrarische bedrijven gestopt. Ook in de komende jaren zullen naar verwachting nog veel bedrijven gaan stoppen. Leegstand kan grote gevolgen hebben voor de kwaliteit van het buitengebied. Het biedt echter ook kansen om het buitengebied leefbaar en vitaal te houden. Volgens een onderzoek van Wageningen Environmental Research (WENR) uit maart 2019 is de gemeente Meierijstad in Noord-Brabant de nummer één als het gaat om het verwachte aantal vierkante meters vrijkomende agrarische bebouwing de komende 10 jaar. De toename in vrijkomende (agrarische) bebouwing is ook al merkbaar binnen de gemeente. Er worden veel initiatieven voor herontwikkeling ingediend, waar het betreffende beleid, zoals opgenomen in de geldende bestemmingsplannen, niet direct een antwoord op heeft. De realiteit gaat vaak sneller dan dat de gemeente met beleid of acties kan bijbenen. Omdat nieuwe initiatieven niet altijd voorspelbaar zijn, is er behoefte aan beleid dat flexibiliteit geeft.
Het afwegingskader voor vrijkomende (agrarische) bebouwing "Kansen voor Kwaliteit" tracht hier in te voorzien. Het doel van het rapport is om te komen tot een afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing, waarbij de (directe) omgeving leidend is, een verbetering van de kwaliteit vereist is en de direct omwonenden en andere belanghebbenden worden betrokken. In de geldende bestemmingsplannen voor het buitengebied van de gemeente zijn voor herbestemming van vrijkomende (agrarische) bedrijfslocaties kwantitatieve normen opgenomen. Deze kwantitatieve normen blijken tegenwoordig niet bruikbaar. Gemeente Meierijstad kiest er voor om de kwantitatieve normen (afgezien van wettelijke verplichtingen), zoals opgenomen in de geldende bestemmingsplannen los te laten en maatwerk toe te passen. Het loslaten van de kwantitatieve normen wil echter niet zeggen dat alles kan. Van kwantitatieve beoordeling wordt overgegaan naar kwalitatieve beoordeling en is het mogelijk elk initiatief afzonderlijk in overweging te nemen. Voor deze kwalitatieve beoordeling wordt meer gekeken naar de specifieke kenmerken van de locatie/omgeving en de ruimtelijke kwaliteit die met een initiatief wordt behaald. Voor de kwalitatieve beoordeling hanteert de gemeente de volgende drie hoofdprincipes: 1. Omgeving is leidend (functietypen en gebiedstypen); 2.
Kwaliteitsimpuls is vereist (basisinspanning en aanvullende kwaliteitsverbetering); 3. Afstemming is nodig (omgevingsdialoog en omgevingstafel). Vanuit het afwegingskader wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsgebonden functies, in het gebied passende functies en functies in strijd met het gebied. Voor wat betreft wonen is in het afwegingskader opgenomen dat het een functie is die passend is in het gebied. Verder is voor wonen opgenomen dat dit vaak een belangrijk economisch component van een nieuwe ontwikkeling vormt. Echter wordt voor het buitengebied een beperkt aantal woningen gereserveerd. Voor wat betreft de omgeving heeft de gemeente verschillende gebiedstypen vastgesteld waarbinnen verschillende mogelijkheden gelden voor ontwikkelingen. Vanuit het afwegingskader is de locatie gelegen in een gebied dat nader is getypeerd als 'Landelijk gebied, verweving van functies'. Binnen het gebiedstype Landelijk gebied, 'verweving van functies' speelt de landbouw een belangrijke rol. Echter zijn in deze gebieden de agrarische bedrijven niet de enige gebruikers. Door de tijd hebben agrarische bedrijven plaatsgemaakt voor nieuwe functies. In het gebied 'Landelijk gebied, verweving van functies' zijn in principe alle functies mogelijk. Of een functie daadwerkelijk op een specifieke locatie haalbaar is, hangt af van de impact op de (directe) omgeving.
De functie wonen past daarmee in principe binnen het gebiedstype 'Landelijk gebied, verweving van functies', mits er geen sprake is van een nadelige impact op de omgeving. De impact op de omgeving wordt bepaald aan de hand van de omvang van de ontwikkeling, de aard van de beoogde functie en mogelijke hinder, de de aard van de (directe) omgeving en de uitstraling van de 31
beoogde functie. Voor wat betreft de omvang van een ontwikkeling wordt gekeken naar het ruimtebeslag van zowel de bebouwing als van de buitenruimte. Daarbij wordt gekeken of de omvang past binnen de schaal van het landschap en de karakteristiek van de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Door de beëindiging van de intensieve veehouderij en het slopen van voormalige agrarische bebouwing zal het bebouwd oppervlak ter plaatse afnemen. Er wordt voorzien in een nieuwe compensatiewoning met bijgebouw, maar in totaal zal her verhard en bebouwd oppervlak, en daarmee het ruimtebeslag, afnemen. Het huidige bedrijf heeft geruime tijd de positie in het landschap gehad die het nu heeft en was passend in de omgeving. Met de afname van het ruimtebeslag zal ook de voorgenomen ontwikkeling na realisatie van het project een passende omvang hebben in de omgeving. Daarnaast is de locatie gelegen in een bebouwingslint dat in de loop der jaren steeds meer is getransformeerd van een agrarisch lint naar een gemengd lint met verschillende functies, waarbij het wonen in burgerwoningen de boventoon voert. De voorgenomen ontwikkeling sluit hier goed op aan, waarmee de ontwikkeling goed past binnen de uitstraling en karakteristiek van het gebied.
Voor wat betreft de aard van de beoogde functie en de mogelijke hinder wordt gekeken naar de effecten van een ontwikkeling op de omgeving. Daarbij wordt gekeken naar eventuele milieuhinder op nabijgelegen gevoelige functies en eventuele problemen met de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij en wordt uitsluitend voorzien in burgerwoningen. Burgerwoningen veroorzaken geen hinder aan gevoelige objecten. Omdat de huidige intensieve veehouderij een grote hinder veroorzaakt aan gevoelige objecten is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een aanzienlijke afname van de milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarmee juist een positief effect op de gevoelige objecten in de omgeving. Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1), geen van de omliggende functies in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Daarnaast zal de beëindiging van de intensieve veehouderij leiden tot een afname van het vrachtverkeer van en naar de locatie. Er zal uitsluitend nog sprake zijn van personenvervoer bij een woning en niet langer van bedrijfsmatig zwaar verkeer.
De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee eerder een positief effect hebben op de verkeersafwikkeling en op de verkeersveiligheid. Voor wat betreft de aard van de omgeving wordt gekeken naar het type gebied waarin een ontwikkeling plaatsvindt. In een rustige woonomgeving kan een nieuwe ontwikkeling een andere impact hebben dan in een gemengd gebied. Daarnaast wordt gekeken of een ontwikkeling een negatief effect heeft op de omgeving of niet. De locatie is gelegen in een lint waarin verschillende functies naast elkaar voorkomen. Het betreft voornamelijk burgerwoningen en agrarische bedrijven en een enkele niet-agrarische functie. Het wonen in burgerwoningen voert steeds meer de boventoon in het gebied, waarmee het gebied steeds meer van een gemengd gebied transformeert naar een rustige woonomgeving. De voorgenomen ontwikkeling sluit hier goed op aan. Daarnaast zullen de activiteiten geen hinder veroorzaken aan de woningen in de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarbij zal de hinder aan de omgeving aanzienlijk afnemen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen negatief effect, maar eerder een positief effect hebben op de omgeving, zeker op de vele burgerwoningen in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee goed bij de aard van de omgeving.
Voor wat betreft de uitstraling van de beoogde functie wordt gekeken naar de (beeld)kwaliteit van de bebouwing en de uitstraling van het erf en of deze passen bij de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de voormalige en verouderde voormalige bedrijfsbebouwing gesloopt. De nieuw te bouwen compensatiewoning krijgt een eigentijdse, bij het gebied passende uitstraling. Daarmee zal de beeldkwaliteit op de locatie worden bevorderd. Daarnaast wordt ter plaatse, zoals nader beschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Na realisatie van het project heeft de locatie een uitstraling als een rustig woonerf. Dit sluit goed aan bij de 32
vele woningen in de omgeving. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling goed binnen de uitgangspunten voor het gebied 'Landelijk gebied, verweving van functies' en past deze goed in de omgeving waarin de locatie is gelegen. Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in het rapport "Kansen voor Kwaliteit", een afwegingskader voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing van de gemeente Meierijstad. 3.3.3 Sloop-bonus regeling Op 27 januari 2021 is het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen (“Laaghangend fruit”)’ vastgesteld door de gemeente Meierijstad. In het bestemmingsplan is de sloop-bonus regeling opgenomen. Middels de sloop-bonus regeling wil de gemeente de kwaliteit van het buitengebied verbeteren door mogelijkheden te bieden om nieuwbouw te plegen als oude stallen gesloopt worden. De sloopregeling is voor eigenaren van te slopen bebouwing een stimulans om bestaande (oude) bebouwing te slopen. Vergroten inhoud woning (sloop-bonus) Wanneer alle voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt (uitgezonderd de hoeveelheid bij recht toegestane bijgebouwen), worden verruimde mogelijkheden geboden voor het uitbreiden van de inhoud van de bestaande woning, tot een maximum van 1.000 m3.
Voor het uitbreiden van de bestaande woning geldt de volgende regeling: gesloopte oppervlakte 0 - 750 m² gesloopte bedrijfsgebouwen > 750 m² gesloopte bedrijfsgebouwen
extra uitbreiding woning in m3 0,5 m³ per gesloopte m² 0,35 m³ per gesloopte m²
Dat betekent dat voor het vergroten van de inhoud van de compensatiewoning met 48 m³ er 96 m² aan overtollige bebouwing gesloopt moet worden. Vergroten oppervlakte bijbehorende bouwwerken (sloop-bonus) Wanneer alle voormalige agrarische bijgebouwen worden gesloopt (uitgezonderd de hoeveelheid bij recht toegestane bijgebouwen) worden verruimde mogelijkheden geboden voor de oprichting van bijgebouwen. Er geldt dat voor elke m² gesloopte vrijgekomen (agrarische) bedrijfsbebouwing 50% van de gesloopte oppervlakte mag worden teruggebouwd in de vorm van een nieuw bijgebouw (of uitbreiding van bestaande bijgebouwen), tot een maximale oppervlakte van 300 m² (inclusief de oppervlakte van de reeds aanwezige bijgebouwen). In het kader van welstand kunnen nadere eisen worden gesteld aan het maximaal aantal op te richten bijgebouwen en de verschijningsvorm van de bijgebouwen. De regeling is bedoeld om ook op percelen met een relatief geringe oppervlakte aan vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing sloop van deze bebouwing te bevorderen. Voor onderhavig geval betekent dat dat voor het bijgebouw bij de compensatiewoning er een grotere oppervlakte gevraagd wordt van in totaal 89 m² en dat daarvoor 178 m² aan bebouwing gesloopt dient te worden. Ruimtelijke aanvaardbaarheid Zoals aangegeven in paragraaf 3.3.1 past de voorgenomen ontwikkeling binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied.
De afgelopen jaren is gemeentelijk beleid gevoerd extra ontwikkelruimte te bieden als er gecompenseerd wordt, zoals grotere woningen. Dit is in eerdere plannen reeds opgenomen en zo ook overgenomen in het bestemmingsplan en. 'Laaghangend Fruit (harmonisatie van diverse regelingen). Deze biedt de mogelijkheid om, door gebruik te maken van de sloop-bonus regeling, een woning te vergroten tot 1000 m³. Tevens wordt de mogelijkheid geboden om de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken te vergroten tot 300 m². Voldaan wordt aan de voorwaarden van de sloop-bonus regeling. Hierdoor is de maatvoering van 798 m³ voor de inhoud van het woonhuis en 239 m² aan bijbehorende bouwwerken in 33
onderhavig plan overeenkomstig overgenomen. Onderhavige locatie is gelegen in een bebouwingsconcentratie met in de directe omgeving overwegend burgerwoningen. Veelal betroffen dit agrarische bedrijfslocaties die in de loop der tijd zijn beëindigd en zijn herbestemd ten behoeve van woondoeleinden. De omvang van deze percelen is relatief groot en onderhavige plan is daarin niet afwijkend. De westandscommissie heeft zich al reeds gebogen over het bouwplan voor de compensatiewoning en kan hiermee instemmen. Daarmee is verzekerd dat de verschijningsvorm van de woning passend beschouwd wordt binnen de gebiedskarakeristieken van deze bebouwingsconcentratie. Concluderend: door de ligging binnen een bebouwingsconcentratie, de aanwezigheid van relatief grote woonpercelen in de directe omgeving en het bouwplan van de compensatiewoning is het beoogde plan voor de compensatiewoning ruimtelijk aanvaardbaar en passend binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied.
34
Hoofdstuk 4 4.1
Ruimtelijke- en milieuaspecten
Milieu
4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.
De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het beëindigen van een agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij. De bedrijfswoning zal daarbij worden omgeschakeld naar een burgerwoning. In ruil voor de sanering van het bedrijf zal een nieuwe compensatiewoning worden opgericht op het naastgelegen perceel, ten oosten van het huidige bedrijf. Burgerwoningen veroorzaken geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving, waarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van hinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Daarnaast zal de milieubelasting aan de omgeving als gevolg van de beëindiging van de intensieve veehouderij aanzienlijk afnemen. Daarmee zal het woon- en leefklimaat in de omgeving alleen maar verbeteren. Er is na de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling sprake van minder milieuhinder aan de omgeving dan in de huidige situatie.
Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een agrarische bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. Tevens wordt een nieuwe compensatiewoning opgericht. Beiden zijn aan te merken als gevoelige objecten en mogen omliggende bedrijven en/of functies niet onevenredig in de ontwikkelingsmogelijkheden beperken. In de omgeving van de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Omdat burgerwoningen geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving veroorzaken worden deze niet beperkt door de komst van nieuwe gevoelige objecten. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende burgerwoningen.
Verder zijn er in de omgeving van de locatie (binnen een straal van ongeveer 250 meter) zijn de volgende inrichtingen gelegen: Zondveldstraat 5: Agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve varkenshouderij; Zondveldstraat 5a-5b: Niet-agrarisch bedrijf, zijnde een auto/motorreparatie-, service- en handelsbedrijf; Zondveldstraat 9: Agrarisch bedrijf, zijnde een melkrundveehouderij met tevens jongvee en vleesstieren; 35
Zondveldstraat 10a: Niet-agrarisch bedrijf, zijnde een loon-, grondverzet- en mechanisatiebedrijf; Zondveldstraat 40: Agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve varkenshouderij; Krijtenburg 22: Agrarisch bedrijf, zijnde een veehouderij waarop schapen worden gehouden en hobbymatig jongvee, fokstieren en paarden. Zondveldstraat 5: Aan de Zondveldstraat 5 is een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij gevestigd. Ten aanzien van dergelijke inrichtingen zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 200 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 50 meter. Gevaar: 0 meter. De betreffende intensieve veehouderij aan de Zondveldstraat 5 is, gemeten van bouwvlak van het bedrijf tot de dichtstbijzijnde gevel van het (bijgebouw bij) de om te schakelen woning van de initiatiefnemer, gelegen op een afstand van ongeveer 210 meter van de locatie. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige beperking van het bedrijf aan de Zondveldstraat 5. Zondveldstraat 5a-5b: Aan de Zondveldstraat 5a en 5b is een niet-agrarisch bedrijf voor de reparatie, service en handel van auto's en motoren gevestigd. Ten aanzien van een dergelijke inrichting zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 10 meter. Stof: 0 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter.
Het betreffende bedrijf is, gemeten van het bouwvlak van het betreffende bedrijf tot de dichtstbijzijnde gevel van (het bijgebouw bij) de om te schakelen woning, gelegen op een afstand van ongeveer 103 meter van de locatie. Ten aanzien van de gewenste compensatiewoning bedraagt de afstand tot het betreffende bedrijf, gemeten van het bouwvlak van het betreffende bedrijf tot aan de dichtstbijzijnde gewenste gevel van (het bijgebouw bij) de op te richten compensatiewoning, ongeveer 185 meter. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende bedrijf. Tevens wordt het betreffende bedrijf al eerder beperkt door dichterbij gelegen burgerwoningen. Er is daarmee geen sprake van een verdere beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende bedrijf. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige beperking van het bedrijf aan de Zondveldstraat 5a-5b. Zondveldstraat 9: Aan de Zondveldstraat 9 is een agrarisch bedrijf, zijnde een melkrundveehouderij gevestigd, waarop eveneens jongvee en vleesstieren worden gehouden. Ten aanzien van een dergelijke inrichting zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter.
36
Het betreffende bedrijf is, gemeten van het bouwvlak van het betreffende bedrijf tot aan de dichtstbijzijnde gevel van (het bijgebouw bij) de om te schakelen woning, gelegen op een afstand van ongeveer 33 meter van de locatie. De gewenste compensatiewoning zal, gemeten van het bouwvlak van de betreffende veehouderij tot aan het bouwvlak van de compensatiewoning, worden opgericht op een afstand van ongeveer 15 meter van het betreffende bedrijf. Hiermee wordt niet aan de gestelde richtafstanden, behalve aan die voor gevaar, voldaan. Voor wat betreft geur geldt voor (bedrijfs)woningen die op of na 19 maart 2000 hebben behoord tot een veehouderij een aangepaste bescherming. De om te schakelen woning betreft een woning die op of na 19 maart 2000 heeft behoord tot een veehouderij. In plaats van de wettelijk gestelde normen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn voor deze woningen de vaste afstanden uit de Wgv van toepassing.
Deze zijn als volgt: Minimaal 50 meter van het emissiepunt van een dierenverblijf tot de gevel van het gevoelig object als dit buiten de bebouwde kom is gelegen; Minimaal 100 meter van het emissiepunt van een dierenverblijf tot de gevel van het gevoelig object als dit binnen de bebouwde kom is gelegen; Minimaal 25 meter van de gevel van een dierenverblijf tot de gevel van het gevoelig object als dit buiten de bebouwde kom is gelegen; Minimaal 50 meter van de gevel van een dierenverblijf tot de gevel van het gevoelig object als dit binnen de bebouwde kom is gelegen. Ook voor compensatiewoningen is deze aangepaste bescherming van toepassing. Dat betekent dat zowel voor de om te schakelen woning als voor de compensatiewoning de vaste afstanden van toepassing zijn uit de Wgv. De dichtstbijzijnde gevel van een dierenverblijf van het bedrijf aan de Zondveldstraat 9 is gelegen op een afstand van ongeveer 62 meter van de gevel van de om te schakelen woning en van ongeveer 60 meter van de gevel van de gewenste compensatiewoning. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende bedrijf op het gebied van geur. Voor wat betreft fijnstof geldt dat ter plaatse van nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat moet kunnen worden geborgd.
Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden geborgd en zal geen sprake zijn van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende bedrijf op het gebied van fijnstof. Voor wat betreft geluid geldt dat de geluidsbelasting op de gevel de wettelijke normen niet mag overschrijden of, wanneer dat wel het geval is, een besluit voor een Hogere Grenswaarde moet worden genomen. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.5), een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Daaruit blijkt dat de geluidbelasting op de woningen van de initiatiefnemer zal voldoen aan de wettelijke normen, waarmee ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd op het gebied van geluid. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Industrielawaai" (paragraaf 4.1.5.2) is eveneens een afweging gemaakt van het geluid afkomstig van het betreffende bedrijf. Daarvoor is door een akoestisch onderzoeksbureau een aanvullende notitie opgesteld, waaruit blijkt dat de geluidsbelasting van het betreffende bedrijf niet zal leiden tot een onevenredige geluidhinder op de woningen van de initiatiefnemer.
De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende bedrijf op het gebied van geluid. Tevens wordt het betreffende bedrijf al eerder beperkt door dichterbij gelegen burgerwoningen. Er is daarmee geen sprake van een verdere beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende bedrijf. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige beperking van het bedrijf aan de Zondveldstraat 9. 37
Zondveldstraat 10a: Aan de Zondveldstraat 10a is een niet-agrarisch bedrijf, zijnde een loon-, grondverzet- en mechanisatiebedrijf gevestigd. Ten aanzien van een dergelijke inrichting zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 30 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 50 meter. Gevaar: 10 meter. Het betreffende bedrijf is, gemeten van het bouwvlak van het betreffende bedrijf tot aan de dichtstbijzijnde gevel van (het bijgebouw bij) de om te schakelen woning, gelegen op een afstand van ongeveer 220 meter van de locatie. De gewenste compensatiewoning zal, gemeten van het bouwvlak van het betreffende bedrijf tot de dichtstbijzijnde gevel van (het bijgebouw bij) de compensatiewoning, worden opgericht op een afstand van ongeveer 300 meter van het betreffende bedrijf. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende bedrijf. Tevens wordt het betreffende bedrijf al eerder beperkt door dichterbij gelegen burgerwoningen. Er is daarmee geen sprake van een verdere beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende bedrijf. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige beperking van het bedrijf aan de Zondveldstraat 10a.
Zondveldstraat 40: Aan de Zondveldstraat 40 is een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij gevestigd. Ten aanzien van een dergelijke inrichting zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 200 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 50 meter. Gevaar: 0 meter. Het betreffende bedrijf is, gemeten van het bouwvlak van het betreffende bedrijf tot aan de dichtstbijzijnde gevel van (het bijgebouw bij) de om te schakelen woning, gelegen op een afstand van ongeveer 300 meter. De gewenste compensatiewoning zal, gemeten van het bouwvlak van het betreffende bedrijf tot de dichtstbijzijnde gevel van (het bijgebouw bij) de compensatiewoning, worden opgericht op een afstand van ongeveer 290 van het betreffende bedrijf. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende bedrijf. Tevens wordt het betreffende bedrijf al eerder beperkt door dichterbij gelegen burgerwoningen. Er is daarmee geen sprake van een verdere beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende bedrijf. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige beperking van het bedrijf aan de Zondveldstraat 40. Krijtenburg 22: Aan de Krijtenburg 22 is een agrarisch bedrijf, zijnde een schapenhouderij gevestigd.
Tevens worden ter plaatse hobbymatig jongvee, fokstieren en paarden gehouden. Ten aanzien van een dergelijke inrichting zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 50 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. 38
Het betreffende bedrijf is, gemeten van het bouwvlak van het betreffende bedrijf tot aan de dichtstbijzijnde gevel van (het bijgebouw bij) de om te schakelen woning, gelegen op een afstand van ongeveer 175 meter. De gewenste compensatiewoning zal, gemeten van het bouwvlak van het betreffende bedrijf tot de dichtstbijzijnde gevel van (het bijgebouw bij) de compensatiewoning, worden opgericht op een afstand van ongeveer 300 van het betreffende bedrijf. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende bedrijf. Tevens wordt het betreffende bedrijf al eerder beperkt door dichterbij gelegen burgerwoningen. Er is daarmee geen sprake van een verdere beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende bedrijf. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige beperking van het bedrijf aan de Krijtenburg 22.
4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. 4.1.2.1 Geur vanuit de locatie Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij. Daarbij zal de bestaande bedrijfswoning worden omgeschakeld naar een burgerwoning.
In ruil voor de beëindiging en sanering van de intensieve veehouderij zal tevens, op het naastgelegen perceel aan de oostzijde van de locatie, een nieuwe compensatiewoning worden opgericht. Burgerwoningen hebben geen geuremissie naar de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting op gevoelige objecten in de omgeving. Door de beëindiging van de intensieve veehouderij zal de geuroverlast aan de omgeving juist (aanzienlijk) afnemen. Daarmee zal ook het woon- en leefklimaat in de omgeving van de locatie (aanzienlijk) verbeteren. 4.1.2.2 Geur vanuit omliggende bedrijven Naast het feit dat er geen sprake mag zijn van geuroverlast aan de omgeving bij ruimtelijke ontwikkeling dient, wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, te worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van de huidige bedrijfswoning naar een burgerwoning. Tevens wordt een nieuwe burgerwoning middels de regeling maatwerk met als doel omgevingskwaliteit opgericht. Er is daarmee sprake van nieuwe gevoelige objecten, waarbij dient te worden gemotiveerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur. Daarbij is het van belang dat omliggende veehouderijen niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering.
Bij de toetsing is uitgegaan van de maximaal planologische mogelijkheden van veehouderijen. Het woon- en leefklimaat dient bepaald te worden aan de hand van de geurbelasting. Het berekenen van de geurbelasting dient te worden uitgevoerd met het rekenprogramma V-Stacks.
39
4.1.2.2.1 Normen vanuit de Wet geurhinder en veehouderij Voor woningen die op of na 19 maart 2000 hebben behoord tot een veehouderijbedrijf alsmede voor ruimte voor ruimte woningen geldt echter een aangepaste bescherming. In plaats van de geurbelasting te berekenen dient bij dergelijke woningen te worden voldaan aan de vaste afstanden die gelden vanuit de Wgv. Omdat de locatie buiten de bebouwde kom is gelegen, bedraagt de vaste afstand 50 meter van emissiepunt van een dierenverblijf tot de gevel van het gevoelig object en 25 meter van de gevel van een dierenverblijf en de gevel van het gevoelig object. Het dichtstbijzijnde dierenverblijf bevindt zich, gemeten van gevel tot gevel, op een afstand van ongeveer 62 meter van de om te schakelen woning en ongeveer 60 meter van de gewenste compensatiewoning. Hiermee wordt aan de vaste afstanden voldaan en daarmee ook aan de voorwaarden vanuit de Wgv. 4.1.2.2.2 Woon- en leefklimaat Daarnaast dient het woon- en leefklimaat te worden beoordeeld aan de hand van de voor- en achtergrondbelasting in het gebied. Om aan te tonen of aan de normen wordt voldaan is middels het rekenprogramma V-stacks een berekening gemaakt van zowel de voorgrondbelasting (met V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020) als de achtergrondbelasting (met V-Stacks-Gebied Versie V-2020.1) op de betreffende woningen.
Voor de maatgevende bedrijven in de omgeving, zijnde de intensieve veehouderijen aan de Zondveldstraat 5 en 40, zijn berekeningen van de voorgrondbelasting gemaakt. Voor het bedrijf aan de Zondveldstraat 9 zijn geen berekeningen gemaakt omdat daar alleen dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden en daarmee de bijdrage van dat bedrijf aan de geurbelasting aan de omgeving niet te berekenen is. Uit de berekeningen, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting, blijkt dat ruimschoots aan de geldende geurnormen wordt voldaan. Voor de Zondveldstraat 5 kan geconcludeerd worden dat er geen sprake kan zijn van belemmeringen voor de bedrijfsvoering, aangezien er tussen het plangebied en de Zondveldstraat 5 nog andere woningen gelegen zijn. In het kader van het woon- en leefklimaat kan de veehouderij aan de Zondveldstraat 5 wel bepalend zijn. Derhalve is deze locatie ook meegenomen in de toetsing. Op de locatie geldt een geurnorm voor de voorgrondbelasting van 14 ouE/m³. De hoogste voorgrondbelasting veroorzaakt door het bedrijf aan de Zondveldstraat 5 bedraagt in de vergunde situatie ten hoogste 10,2 ouE/m³ en wanneer gerekend wordt vanuit proportionele afname 3,7 ouE/m³. De hoogste voorgrondbelasting veroorzaakt door het bedrijf aan de Zondveldstraat 40 bedraagt 9,8 ouE/m³.
Daarmee is voor wat betreft de voorgrondbelasting sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting is in beeld gebracht met het programma V-stacks gebied. Hierbij zijn alle veehouderijbedrijven binnen een straal van 2 kilometer rondom de initiatieflocatie meegenomen. De invoergegevens en resultaten zijn in bijlage 5 van deze toelichting te raadplegen. De achtergrondbelasting ter plaatse van de nieuw op te richten woningen bedraagt ten hoogste 19,2 ouE/m³. Receptorpunt 1001 1002 1003 1004 1005 1006 1007 1008 1009 1010 1011 1012 1013
Geurnorm (OUE/m3) 20,00 20,00 20,00 20,00 20,00 20,00 20,00 20,00 20,00 20,00 20,00 20,00 20,00
Geurbelasting (OUE/m3) 18,24 18,68 18,43 18,76 18,70 19,20 19,13 18,28 18,31 18,07 17,93 18,26 17,76 40
1014 20,00 17,29 Resultaten verspreidingsberekening V-Stacks gebied Berekende achtergrondbelasting. Bron: V-Stacks gebied. Eerst dient bepaald te worden of de voor- of achtergrond leidend is voor het woon- en leefklimaat. Indien de voorgrondbelasting meer bedraagt dan de helft van de achtergrondbelasting, is de voorgrondbelasting leidend. In dit geval is de voorgrondbelasting leidend. Om op basis van de geurbelasting uitspraken te kunnen doen over het leefklimaat is een tabel nodig waarin de geurbelasting is te vertalen naar een percentage geurgehinderden. Van daaruit kan dan het woon- en leefklimaat worden bepaald. In de onderstaande tabel is dit weergegeven.
De geurhinder is uitgedrukt als percentage. Het geurhinderpercentage geeft het percentage inwoners weer die in een telefonische enquête heeft aangegeven "soms of vaak last van geur van stallen van veehouderijen" te ondervinden. De locatie is gelegen in een concentratiegebied. Bij een voorgrondbelasting van maximaal 10,20 ouE/m³ zal 20-25% van de omwonenden geurhinder ondervinden. 20-25% geurgehinderden komt overeen met een tamelijk slecht woon- en leefklimaat. De voorgrondbelasting van 10,20 ouE/m³ is van toepassing op de bestaande (voormalige) bedrijfswoning. Op de nieuw op te richten woning bedraagt de voorgrondbelasting 8,8 ouE/m³. Een voorgrondbelasting van 8,8 ouE/m³ staat gelijk aan 15-20% geurgehinderen en is daarmee gelijk aan een matig woon- en leefklimaat. Een matig woon- en leefklimaat (tot maximaal 20% geurgehinderden) wordt beschouwd als een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarmee is het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe compensatiewoning, aanvaardbaar. Voor de bestaande voormalige bedrijfswoning, dient nog een nadere afweging te worden gemaakt van het woon- en leefklimaat, omdat dit als tamelijk slecht wordt aangemerkt. De voormalige bedrijfswoning betreft een bestaande woning binnen het tamelijk slechte woon- en leefklimaat. Er is daarmee geen sprake van nieuwe woningen binnen het tamelijk slechte woon- en leefklimaat.
Momenteel is de woning in gebruik als bedrijfswoning bij een veehouderij. Met de beëindiging van deze veehouderij zal de bijdrage aan de achtergrondbelasting vanuit het eigen bedrijf komen te vervallen, waarmee de totale geurbelasting ter plaatse van de om te schakelen woning, zal afnemen. Omdat er geen sprake is van een nieuwe woning en omdat de totale geurbelasting op de woning zal afnemen, wordt het woon- en leefklimaat, ondanks dat het tamelijk slecht is, als aanvaardbaar beschouwd. Wanneer wordt gekeken naar de achtergrondbelasting dan is er sprake van een geurbelasting van 19,2 ouE/m³. Dit staat gelijk aan een hinderpercentage van 15-20% en daarmee gelijk aan een matig woon- en leefklimaat. Vanuit de achtergrondbelasting is daarmee wel sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gezien het voorgaande kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse op het gebied van geur worden geborgd. 41
4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij. Daarbij wordt de huidige bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. Tevens wordt in ruil voor het beëindigen en saneren van de intensieve veehouderij een nieuwe compensatiewoning opgericht. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is opgenomen hoe wordt omgegaan met woningen in het kader van NIBM.
Vanuit deze regeling is, in bijlage 3a, voor woningbouwlocaties opgenomen dat deze als NIBM worden beschouwd als sprake is van niet meer dan 1.500 nieuwe woningen wanneer er één ontsluitingsweg aanwezig is en niet meer dan 3.000 nieuwe woningen wanneer er twee ontsluitingswegen aanwezig zijn. Ter plaatse is sprake van één ontsluitingsweg, waarmee woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen worden gezien als NIBM. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het omschakelen van een bestaande woning en het oprichten van één nieuwe woning. Er is daarmee geen sprake van een woningbouwproject met meer dan 1.500 woningen, waarmee sprake is van een NIBM-project. Naast de eventuele bijdrage van de woningen dient ook de eventuele bijdrage van het verkeer in beschouwing te worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een veehouderijbedrijf beëindigd. De huidige verkeersbewegingen van en naar het bedrijf, zoals nader omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2), komen daarbij in zijn geheel te vervallen. De huidige verkeersbewegingen ten behoeve van de huidige bedrijfswoning zullen niet wijzigen. De woning is reeds in gebruik als woning en zal in gebruik blijven als woning.
Daarmee zal het aantal verkeersbewegingen ter plaatse alleen maar afnemen, wat zal leiden tot een afname van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het verkeer. De nieuwe compensatiewoning zal leiden tot een (zeer) beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen met personenvervoer. Ook dit is nader omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2). Voor deze beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van de nieuwe ruimte voor ruimte woning is middels de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 µg/m³. Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 µg/m³ met de voorgenomen ontwikkeling niet overschreden, waarmee gesteld kan worden dat ook ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een NIBM-project. 42
Resultaten berekening NIBM-tool. Bron: InfoMil. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Naast het feit dat een nieuwe ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage aan de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden dient, wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit. Op basis van landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit als de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden niet meer dan 40 µg/m³ bedraagt. De provincie Noord-Brabant heeft deze norm in haar ruimtelijk beleid echter aangescherpt. Binnen de provincie Noord-Brabant geldt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden niet meer dan 31,2 µg/m³ bedraagt.
Volgens de gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin ook de gegevens uit de Monitoringstool van het NSL zijn opgenomen, bedraagt de achtergrondconcentratie voor fijnstof en voor stikstofoxiden, zoals zijn weergegeven in de volgende figuren, ter plaatse ongeveer 19,9 µg/m³ (fijnstof) en 18,0 µg/m³ (stikstofoxiden). Dit is ruimschoots onder de gestelde norm van 31,2 µg/m³, waarmee ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.
43
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM. 44
Verder dienen nabijgelegen bronnen beschouwd te worden. Aan de overzijde van de Zondveldstraat (op nummer 9) is een melkrundveehouderij gevestigd. Een melkrundveehouderij heeft een emissie van fijnstof welke van invloed kan zijn op het woon- en leefklimaat op de nieuwe woning en de om te schakelen woning. In augustus 2009 heeft InfoMil de "Handreiking bij beoordelen fijnstof bij veehouderijen" gepubliceerd. In mei 2010 is deze vastgesteld en definitief gemaakt. Deze handleiding is bedoeld als ondersteuning voor de gemeente als bevoegd gezag, bij het beoordelen van vergunningaanvragen voor nieuwe vestigingen en uitbreidingen, die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit. De handreiking geeft op basis van rekenvoorbeelden aan wanneer een project als NIBM beschouwd kan worden. De handreiking geeft grenswaarden ten aanzien van de totale emissie bij afstanden oplopend van 70 tot 160 meter. Bij 70 meter is de NIBM-vuistregelgrens 324.000 g/jaar oplopend tot 1.376.000 g/jaar bij 160 meter. Dit betekent concreet dat op 70 meter elk project met een emissie minder dan 324.000 g/jaar oplopend tot op 160 meter elk project met een emissie minder dan 1.376.000 g/jaar als NIBM is aan te merken. De grenswaarden voor de verschillende afstanden zijn in de volgende tabel weergegeven.
Tabel grenswaarden fijnstof op verschillende afstanden. Bron: ECN. De betreffende melkrundveehouderij is gelegen op een afstand van minder dan 70 meter, waarmee de NIBM-vuistregelgrens geldt van 324.000 g/jaar. Wanneer de betreffende melkrundveehouderij een emissie van minder dan 324.000 g/jaar heeft dan is sprake van een NIBM-inrichting en zal deze geen onevenredig nadelige invloed hebben op de achtergrondconcentratie van fijnstof en daarmee eveneens geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning en de om te schakelen woning. Volgens de vigerende vergunning mogen op de betreffende melkrundveehouderij de volgende aantallen dieren worden gehouden: 40 melk- en kalfkoeien vanaf 2 jaar (RAV-nummer A1.100); 50 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (RAV-nummer A3.100); 50 vleesstieren en overig vleesvee van 6 tot 24 maanden (roodvleesproductie) (RAV-nummer A6.100). Volgens de lijst Emissiefactoren fijnstof voor veehouderij, versie 2022, bedraagt de toename van de fijnstofemissie: 40 x 148 g/dier/jaar = 5.920 g/jaar. 50 x 38 g/dier/jaar = 1.900 g/jaar. 50 x 170 g/dier/jaar = 8.500 g/jaar. Totaal: 5.920 + 1.900 + 8.500 = 16.320 g/jaar.
De totale emissie van het betreffende melkrundveehouderijbedrijf is aanzienlijk lager dan de NIBM-vuistregelgrens, waarmee de melkrundveehouderij niet in betekenende mate bijdraagt aan de achtergrondconcentratie voor fijnstof en geen onevenredige emissie van fijnstof veroorzaakt op zowel de nieuwe als de om te schakelen woning. Hiermee (en gezien het voorgaande met betrekking tot de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden) kan ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden geborgd.
45
4.1.4 Volksgezondheid Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht. 4.1.4.1 Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 Middels de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking.
De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk wordt geacht. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is het stappenplan uit de handreiking gevolgd. In het stappenplan wordt aan de reeks van een aantal vragen bepaald of nader advies van de GGD nodig is. De toetsing aan het stappenplan is als volgt: Stap 1: Edotoxinen: Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van varkens en/of het houden van pluimvee. Wel wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning en wordt een nieuwe compensatiewoning opgericht. Binnen 200 meter van de locatie zijn echter, gemeten vanuit de gewenste bouwvlakken na realisatie van het project, geen varkenshouderijen gelegen. Tevens zijn binnen 500 meter van de locatie geen pluimveehouderijen gelegen. Stap 2: Emissies: De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Er is sprake van de beëindiging van een veehouderij. De emissies nemen daarmee alleen maar af. Stap 3: Geur: Er is geen sprake van het houden van dieren.
Ten aanzien van veehouderijen in de omgeving wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2), aan de vaste afstanden en/of geurnormen voldaan. Tevens kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van geur worden geborgd. Aan het wettelijk kader ten aanzien van geur wordt daarmee voldaan. Aan de gezondheidskundige advieswaarde ten aanzien van geur wordt echter niet voldaan. De berekende waarden zijn hoger dan de normen die vanuit de advieswaarde gelden. Daarmee dient nader advies te worden ingewonnen bij de GGD. Stap 4: Gecombineerde diersoorten: Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen dieren meer gehouden. Er is in de nabije omgeving ook geen sprake van een inrichting waarop meerdere diersoorten gecombineerd worden gehouden. Tevens is geen sprake van een kleinere afstand dan 100 meter tot varkens- en/of pluimveehouderijen. Stap 5: Varkens-, pluimvee- en geitenhouderijen: Binnen 2 kilometer van de locatie zijn geen geitehouderijen gelegen. Tevens zijn binnen 200 meter van de locatie geen varkenshouderijen gelegen. Wel is binnen 1 kilometer van de locatie een pluimveehouderij (Heisteeg 8) gelegen. Tevens zijn binnen 250 meter van de locatie twee overige veehouderijen gelegen, zijnde een melkrundveehouderij (Zondveldstraat 9) en een paardenhouderij (Krijtenburg 22).