CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Buitengebied Veghel, herziening Zondveldstraat 16a

Raadsvergadering 2 november 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Veghel, herziening Zondveldstraat 16a'31.577 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

BUITENGEBIED VEGHEL, HERZIENING ZONDVELDSTRAAT 16A bestemmingsplan

Buitengebied Veghel, herziening Zondveldstraat 16a bestemmingsplan

Ontwerp

Adviseur ROM Mevr. F.C.J.L. Klomp-Pullens Adviseur Ruimtelijke Ordening Dhr. K. Oostendorp

Datum: 15 juni 2023

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend bestemmingsplan

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12

Tekeningen op schaal Landschappelijk inrichtingsplan Resultaten en toelichting rekenmodule Maatwerk omgevingskwaliteit Resultaten berekeningen voorgrondbelasting geur Resultaten berekeningen achtergrondbelasting geur Akoestisch onderzoek verkeerslawaai Akoestisch onderzoek industrielawaai Bodemonderzoek Resultaten berekening Aerius Calculator gebruiksfase Resultaten berekening Aerius Calculator aanlegfase Onderzoek flora en fauna Milieuvergunning 2004

Planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch Artikel 4 Wonen

6 6 6 7 8 10 10 11 15 15 18 29 35 35 53 59 62 63 67 67 67 69 69 69 71

73 74 76 88 96 173 180 213 234 300 337 348 379

391 392 392 399 400 400 402 2

Artikel 5 Waarde - Archeologie 4 Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Artikel 7 Algemene bouwregels Artikel 8 Algemene gebruiksregels Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht Artikel 12 Slotregel

Bijlagen bij de regels Bijlage 1

Landschappelijk inrichtingsplan

409 411 411 412 413 416 417 419 419 420

421 422

3

4

T oelichting

5

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Veghel (tegenwoordig gemeente Meierijstad) ten behoeve van het beëindigen van de intensieve veehouderij aan de Zondveldstraat 16a te Veghel, het omschakelen van de huidige bedrijfswoning ter plaatse naar een burgerwoning en het oprichten van een nieuwe woning met toepassing van de regeling maatwerk met als doel omgevingskwaliteit op een naastgelegen perceel. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De initiatiefnemer voert momenteel ter plaatse een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij uit. Ontwikkelingen in de agrarische sector, en met name in de (intensieve) veehouderij, volgen elkaar in hoog tempo op. Door steeds strenger wordende wet- en regelgeving worden aan (intensieve) veehouderijen, steeds strengere eisen gesteld op het gebied van milieu, volksgezondheid, dierwelzijn, ammoniak en stikstof en duurzaamheid. Om aan alle strenge eisen te kunnen voldoen, moeten door (intensieve) veehouders steeds meer en steeds vaker vrij forse investeringen worden gedaan.

Hierdoor is het voor veel veehouders moeilijk om te kunnen blijven voorzien in een duurzaam en volwaardig agrarisch bedrijf met een gezonde concurrentiepositie in de markt. Om de noodzakelijke investeringen te doen is, naast de investeringen, schaalvergroting noodzakelijk. Voor de initiatiefnemer is het niet haalbaar en rendabel gebleken om de noodzakelijke investeringen te doen om aan de strenge eisen te kunnen voldoen. Daarnaast is de locatie gelegen in een gebied dat door de vele nabijgelegen burgerwoningen minder geschikt is voor schaalvergroting van een intensieve veehouderij. Ook schaalvergroting van het bedrijf is daarmee niet haalbaar en rendabel gebleken voor de initiatiefnemer. Om deze redenen heeft de initiatiefnemer besloten de bedrijvigheid ter plaatse te willen staken. De initiatiefnemer wenst ter plaatse te blijven wonen. Om deze reden wenst de initiatiefnemer de huidige agrarische bestemming te wijzigen in een woonbestemming ten behoeve van een burgerwoning. De huidige aanwezige agrarische bedrijfswoning zal daarbij in gebruik worden genomen als burgerwoning.

In ruil voor de sanering van de intensieve veehouderij, wat op zichzelf ook reeds een forse investering betreft, en om de locatie op voldoende wijze te kunnen verwaarden, wenst de initiatiefnemer ter plaatse te voorzien in een extra woning met toepassing van de regeling maatwerk met als doel omgevingskwaliteit. Voor wat betreft de extra woning met toepassing van de regeling maatwerk met als doel omgevingskwaliteit is uitvoerig overleg geweest met de provincie. De provincie heeft bevestigd dat aan alle eisen voor de regeling wordt voldaan en heeft toegezegd de titel voor een compensatiewoning te zullen verlenen. De gewenste ontwikkeling past niet binnen de afwijkingsmogelijkheden en/of de wijzigingsbevoegdheden uit het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.2

Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan de Zondveldstraat 16a en ongenummerd te Veghel en ligt aan de zuidkant van Veghel in het landelijk gebied van gemeente Meierijstad. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Veghel, sectie P, nummers 467, 1251, 1418, 1643 en 1644. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

6

Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Meierijstad (voorheen gemeente Veghel), zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Veghel op 22 oktober 2015, onverkort van toepassing. Daarnaast zijn de bepalingen uit het bestemmingsplan "Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit", zoals is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad op 27 januari 2021 van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak', 'intensieve veehouderij', 'landbouw', 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied 1', 'vrijwaringszone - radar' van toepassing.

7

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient de agrarische bestemming op de huidige bedrijfslocatie te worden gewijzigd naar een woonbestemming. Tevens dient van de huidige bedrijfslocatie de aanduiding 'intensieve veehouderij' te worden verwijderd. Ten slotte dient op het naastgelegen agrarische perceel een nieuw bestemmingsvlak voor een woning te worden gerealiseerd om de nieuwe compensatiewoning mogelijk te maken. In het bestemmingsplan is geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de aanduiding 'intensieve veehouderij' te verwijderen en/of om een nieuw bestemmingsvlak voor wonen op te richten. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter 8

plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

9

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

De locatie is gelegen in het buitengebied van gemeente Meierijstad. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische landbouwgronden en erven bij burgerwoningen. De verkavelingsstructuur betreft een gemengde verkaveling met een relatief kleinschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Verder zijn in de omgeving nog enkele agrarische bedrijven en niet-agrarische bedrijven gelegen. Het gebied waarin de locatie is gelegen heeft de afgelopen jaren een transformatie doorgemaakt van puur agrarisch naar een meer gemengd gebied met wonen, agrarische bedrijvigheid en niet-agrarische bedrijvigheid. De trend in het gebied laat zien dat de agrarische tak in het gebied steeds verder afneemt, waarbij niet-agrarische functies, en in het bijzonder wonen, steeds meer opkomen. Op de locatie is momenteel een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij gevestigd. Ter plaatse mogen volgens de vigerende vergunning de volgende dieren worden gehouden: 378 gespeende biggen; 56 kraamzeugen; 115 guste- en dragende zeugen; 2 dekberen; 123 vleesvarkens. De gewenste compensatiewoning zal worden opgericht op het perceel ten oosten van de huidige bedrijfslocatie (het perceel met kadastraal nummer 1418).

Dit betreft in de huidige situatie een onbebouwd stuk landbouwgrond zonder bouwvlak. Aan het agrarisch bedrijf is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 1,17 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie. Het huidige bouwvlak is daarin uitgelicht en rood omlijnd weergegeven.

10

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

2.2

Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse het agrarisch bedrijf te beëindigen. Daarbij wenst de initiatiefnemer de huidige bedrijfswoning te gebruiken als burgerwoning. Tevens is het voor de initiatiefnemer, om voldoende ruimte te behouden voor het uitvoeren van enkele hobbymatige (agrarische) activiteiten, wenselijk de bestaande veldschuur te behouden en te verlengen met ongeveer 10 meter. Daarmee zal de te behouden veldschuur (huidig ongeveer 200 m²) een oppervlakte krijgen van ongeveer 300 m². De overige aanwezige bedrijfsbebouwing, zijnde de stallen, zullen in zijn geheel worden gesloopt en worden gesaneerd. In totaal zal ongeveer 1.485 m² aan agrarische bedrijfsbebouwing worden gesloopt en gesaneerd. De huidige aanwezige vergunningen en rechten zullen eveneens worden ingetrokken. De initiatiefnemer wenst op de locatie te blijven wonen. Het is daarom wenselijk de bestaande 11

bedrijfswoning om te schakelen naar een burgerwoning. Daarbij zal het huidige agrarische bouwvlak worden verkleind naar een omvang die passend is bij de huidige woning en de daarbij behorende (te behouden) bijgebouwen. Op het naastgelegen perceel aan de oostzijde van de bedrijfslocatie wenst de initiatiefnemer, in ruil voor de sanering van de intensieve veehouderij, een nieuwe woning op te richten met een inhoud van 798 m³ en een oppervlakte van 239 m². Deze nieuwe woning kan mogelijk worden gemaakt met toepassing van de regeling maatwerk met als doel omgevingskwaliteit van de provincie Noord-Brabant. Over zowel de plaats als de eisen voor deze gewenste compensatiewoning is reeds uitvoerig overleg geweest met de provincie. De provincie heeft daarbij aangegeven dat aan de eisen voor deelname aan de regeling wordt voldaan en dat de locatie waarop de gewenste compensatiewoning gewenst is akkoord is. Om een grotere inhoud van de woning te realiseren boven de maximale maatvoering van 750 m³, wordt gebruik gemaakt van de sloop-bonus regeling zoals opgenomen in het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen (“Laaghangend fruit”)’. De regeling wordt verder toegelicht in paragraaf 3.3.3. Voor de sloop van de eerste 750 m² geldt dat de woning met 0,5 m³ per m² sloop vergroot mag worden.

Dat betekent dat voor het vergroten van de inhoud met 48 m³ er 96 m² aan overtollige bebouwing gesloopt moet worden. Om een grotere oppervlakte aan bijgebouwen te realiseren boven de maximale maatvoering van 150 m² bij een woning, wordt eveneens gebruik gemaakt van de sloop-bonus regeling. Hierin is opgenomen dat voor iedere m² aan bebouwing die gesloopt wordt er 0,5 m² vergroting van de maximale oppervlakte aan bijbehorende bebouwing mag plaatsvinden tot een maximum van 300 m² per woning. Voor onderhavig geval betekent dat dat voor het bijgebouw bij de woning er een grotere oppervlakte gevraagd wordt van in totaal 89 m² en dat daarvoor 178 m² aan bebouwing gesloopt dient te worden. Het resterende deel, 1.147 m² aan overtollige bedrijfsbebouwing wordt tesamen met het verwijderen van overige voorzieningen, het doorhalen van ammoniakreachten en het uirvoeren van landschappelijke maatregelen als fysieke maatregel meegenomen wordt in het kader van de maatwerkregeling omgevingskwaliteit. Hier wordt in paragraaf 3.2.2 nader op ingegaan. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.

12

Situatietekening gewenste situatie. Bron: DLV Advies.

2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.

13

Tekening landschappelijke inpassing. Bron: H8 Ontwerpbureau. Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van deze onderbouwing. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

14

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.

De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.

Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.

Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 15

aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.

Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.

De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de 16

gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. Het Barro kent een doorwerking op het plangebied in de vorm van de ligging van de locatie in een 'radarverstoringsgebied'. Het is van belang dat binnen dit gebied geen activiteiten plaatsvinden die de werking van de radar kunnen verstoren. Om dit te borgen zijn in de regels behorende bij dit plan in de algemene aanduidingsregels aanvullende bepalingen opgenomen met daarin een maximale bouwhoogte voor bouwwerken, zodat de werking van de radar niet zal worden verstoord.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Aan de hand van deze definitie kan gesproken worden van een stedelijke ontwikkeling. Op basis van jurisprudentie (uitspraken ABRvS 28 juni 2017, 201608869/1/R3, Dongeradeel) is echter bepaald dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van meer dan 11 woningen die als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en dat daarmee verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking niet is vereist.

17

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Met de omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat. De ontwerp Omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.

De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert. Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden.

Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen. Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te 18

benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. Voor beëindiging van een veehouderij en omschakeling naar een burgerwoning en het oprichten van een compensatiewoning zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Wel is het van belang dat op een duurzame en klimaatbestendigde wijze wordt gebouwd. Bij de beëindiging van de veehouderij ter plaatse zal de uitstoot van fijn stof, stikstofoxiden, koolstofdioxide en methaan afnemen. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de provincie. Tevens zal de verouderde bebouwing worden gesloopt en zal de nieuwe bebouwing worden opgericht die aan de huidige duurzaamheidseisen voldoet. Het energieverbruik zal daarmee lager zijn. In overleg met de gemeente zal daarnaast, wanneer de bebouwing wordt opgericht, worden gekeken naar de mogelijkheden voor verdere verduurzaming door bijvoorbeeld het onderzoeken of er mogelijkheden zijn voor het opwekken van duurzame energie en/of het verder terugdringen van het energieverbruik. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim Omgevingsverordening Ruimte Noord-Brabant is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren. Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 16 november 2021 de (laatst geconsolideerde versie van de) Interim Omgevingsverordening vastgesteld, waarmee de tot dan toe geldende Verordening Ruimte werd vervangen. Op 11 maart 2022 is door de provincie de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Omgevingsverordening zal echter pas in werking treden wanneer de Omgevingswet in werking treedt, naar verwachting 1 juli 2023. Tot die tijd geldt het beleid zoals is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, zoals eveneens op 11 maart 2022 door de provincie gewijzigd is vastgesteld. De gewijzigde regels van de Interim Omgevingsverordening zijn opgenomen in de meest recente versie, welke op 1 oktober 2022 is geconsolideerd en in werking is getreden. Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als '(gemengd) landelijk gebied' en 'stalderingsgebied'. Binnen het stalderingsgebied zijn specifieke regels van toepassing voor de ontwikkeling van veehouderijen waarop zogenaamde hokdieren worden gehouden.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een veehouderij beëindigd en worden geen hokdieren meer gehouden, waarmee de regels betreffende het stalderingsgebied niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Voor wonen in het gemengd landelijk gebied zijn in de verordening wel specifieke regels opgenomen. Deze luiden als volgt: "Artikel 3.68 wonen in landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Lid 2 Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als: a. dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf; b. in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt." Vanuit artikel 3.68 zijn alleen bestaande bedrijfswoningen en burgerwoningen toegestaan en is het niet mogelijk een bedrijfswoning om te schakelen naar een burgerwoning en/of een woning te verplaatsen. In artikel 3.69 zijn echter afwijkende regels voor wonen in het (gemengd) landelijk gebied opgenomen die meer mogelijkheden bieden. Deze luiden als volgt: 19

"Artikel 3.69 afwijkende regels wonen In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. b. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. c. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt." Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.69 onder a en b. Op basis van het bepaalde in sub c kan een voormalige (agrarische) bedrijfswoning in gebruik worden genomen als burgerwoning, mits er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en er overtollige bebouwing wordt gesloopt. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de huidige bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. Er vindt daarbij geen splitsing in meerdere woonfuncties plaats en de aanwezige bedrijfsbebouwing zal, behoudens een te behouden en te verlengen landbouwschuur, geheel worden gesloopt. Daarmee is sprake van sloop van overtollige bebouwing.

Aan de voorwaarden voor het in gebruik nemen van de voormalige (agrarische) bedrijfswoning als burgerwoning wordt daarmee voldaan. Tevens wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een nieuwe compensatiewoning opgericht. Het oprichten van een compensatiewoning valt niet onder de mogelijke afwijkingen uit artikel 3.69. In de verordening is echter in artikel 3.78 een afwijkende bepaling opgenomen voor compensatiewoningen middels de regeling maatwerk met als doel omgevingskwaliteit. Deze bepaling maakt onder voorwaarden een nieuwe woning mogelijk in het buitengebied als aan de voorwaarden wordt voldaan. Deze bepaling luidt als volgt: "Artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan kan voor een concreet initiatief nieuwvestiging mogelijk maken als: a. de ontwikkeling volledig tot doel heeft een versterking te geven van de omgevingskwaliteit en voor dat doel de middelen genereert; b. de realisering van de onder a bedoelde versterking van omgevingskwaliteit niet op een andere wijze is verzekerd; c. de ontwikkeling door meerwaardecreatie aanzienlijk bijdraagt aan algemene belangen zoals sloop van overtollige bebouwing, de aanleg van natuur en bos, de verbetering van het woon- en leefklimaat, het terugdringen van de emissie van milieuhinderlijke stoffen of het behoud van cultuurhistorische waarden; d.

de ontwikkeling en de versterking van omgevingskwaliteit passen binnen de gewenste ontwikk elingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 3.77; e. is onderbouwd dat de activiteit volhoudbaar is naar de toekomst, bezien vanuit duurzaamheid en economisch oogpunt; f. de ontwikkeling past binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die deze verordening beoogt te beschermen; en g. bij de uitwerking van het plan deskundigen worden betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is. Lid 2 De bijdrage aan het versterken van omgevingskwaliteit betreft maatwerk waarbij in ieder geval de volgende aspecten in acht worden genomen en juridisch vastgelegd: a. als de activiteit de realisatie van een woning betreft: 1. wordt de woning opgericht op een aanvaardbare locatie in Landelijk gebied; 20

2. is de fysieke tegenprestatie, die is gericht op het versterken van omgevingskwaliteit, qua omvang gelijk aan de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel; en 3. is in overleg met de Ontwikk elingsmaatschappij ruimte voor ruimte onderzocht of de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtekavel tot de mogelijkheden behoort; b. als de ontwikkeling mede tot doel heeft een milieubelastende activiteit te saneren, moeten alle daarvoor aanwezige rechten en toestemmingen, waaronder de verleende vergunningen, zijn ingetrok ken; c. als de activiteit de ontwikkeling van een nieuw landgoed betreft: 1. heeft het landgoed ten minste een omvang van 10 hectare; 2. bestaat 50% van het landgoed uit gerealiseerde natuur binnen het Natuur Netwerk Brabant; 3. wordt de fysieke tegenprestatie ingezet voor de ontwikkeling van natuur; 4. is de bebouwing van allure en qua omvang passend bij de uitstraling van het landgoed; 5. wordt de bebouwing geconcentreerd opgericht buiten het Natuur Netwerk Brabant; 6. zijn naast landgoedwoningen ook andere bij een landgoed passende gebruiksactiviteiten mogelijk, waaronder zorg; en 7. is de openbaarheid van het landgoed verzekerd. d.

als de ontwikkeling plaatsvindt binnen een Cultuurhistorisch waardevol gebied ter behoud van een waardevol cultuurhistorisch complex, zoals beschreven op de Cultuurhistorische Waardenkaart, is de fysieke tegenprestatie gericht op behoud of versterking van de aldaar benoemde waarden en kenmerken. Lid 3 Er is sprak e van een aanvaardbare locatie voor de ontwikkeling van een woning als: a. de locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; b. of de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied of een bebouwingsconcentratie. Lid 4 Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing: a. artikel Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik, onder a; b. artikel Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en c. artikel Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied, eerste Lid, onder a." Ad. artikel 3.78, lid 1, sub a: Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij, welke is gelegen in een gebied met voornamelijk burgerwoningen en daarmee milieuhinder veroorzaakt aan de omgeving, in zijn geheel beëindigd. Daarbij zal de voormalige bedrijfsbebouwing, uitgezonderd een te behouden en te verlengen veldschuur, worden gesloopt. Met de beëindiging van de intensieve veehouderij zullen de emissies van het bedrijf (geur, ammoniak, fijnstof, broeikasgassen, zoönosen en ziektekiemen) in zijn geheel komen te vervallen.

Daarmee zal de hinder aan de omgeving aanzienlijk afnemen. Tevens zullen de mogelijke risico's voor de volksgezondheid in zijn geheel worden weggenomen. Dit leidt tot een aanzienlijke verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving, waarmee sprake is van een aanzienlijke versterking van de omgevingskwaliteit. Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Dit draagt bij aan de ontstening van het landschap en een verbeterde beeldkwaliteit op de locatie en in het gebied. De nieuwe bebouwing zal kwalitatief hoogwaardige bebouwing betreffen die past in het gebied en de omgeving. Ook daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de beeldkwaliteit op de locatie, waarmee eveneens wordt voorzien in een versterking van de omgevingskwaliteit. Met de beëindiging van de intensieve veehouderij zal de energiebehoefte aanzienlijk afnemen. Tevens zal de emissie van broeikasgassen aanzienlijk afnemen. Daarnaast zal de nieuwe bebouwing worden opgericht volgens de huidige eisen ten aanzien van energie en duurzaamheid. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de klimaatdoelstellingen, waarmee deze leidt tot een versterking van de omgevingskwaliteit. 21

Ten slotte wordt bij de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) is hiertoe door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. De landschappelijke inpassing draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving, waarmee de eveneens een bijdrage wordt geleverd aan de versterking van de omgevingskwaliteit. Gezien het voorgaande wordt met de voorgenomen ontwikkeling bijgedragen aan een (aanzienlijke) verbetering en versterking van de omgevingskwaliteit. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.78, lid 1, sub b: Er wordt bij de voorgenomen ontwikkeling geen gebruik gemaakt van andere regelingen die de versterking van de omgevingskwaliteit op andere wijze realiseert. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.78, lid 1, sub c: Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarmee komen de emissies van het bedrijf in zijn geheel te vervallen. Er is daarmee sprake van het (aanzienlijk) terugdringen van de emissie van milieuhinderlijke stoffen.

Daarnaast wordt de (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing, uitgezonderd de te behouden en te verlengen veldschuur, gesloopt, waarmee sprake is van sloop van overtollige bebouwing. Ten slotte wordt ter plaatse voorzien in een goede landschappelijke inpassing, waarbij nieuwe landschappelijke elementen worden aangelegd. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt daarmee, door middel van meerwaardecreatie, bijgedragen aan de algemene belangen. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.78, lid 1, sub d: In artikel 3.77 van de verordening is opgenomen dat om te bepalen of een ontwikkeling past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied gemotiveerd dient te worden dat de activiteiten vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving. Verder dient te worden gemotiveerd of de ontwikkeling effecten heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders. Ten slotte dient te worden gemotiveerd op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden en op welke wijze de sloop van overtollige bebouwing wordt gesloopt. De activiteit betreft het wonen in burgerwoningen.

De locatie is gelegen in een gebied dat in de loop der jaren is ontwikkeld tot gemengd gebied met voornamelijk woonfuncties en niet-agrarische functies die naast elkaar voorkomen. De huidige bedrijvigheid, die ook het houden van dieren omvat, veroorzaakt milieuhinder en past niet goed binnen een dergelijk gebied. Een activiteit die minder of nagenoeg geen milieuhinder veroorzaakt past beter in het gebied. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij de reeds aanwezige functies in het gebied en wordt het bebouwingslint verder afgerond en versterkt. Er is daarmee sprake van een functie die goed past binnen het gebied. Zoals nader omschreven en aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van nadelige effecten op een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders. Leegstand wordt juist voorkomen door het geven van een nieuwe invulling aan een bestaande locatie en de sloop van overtollige bebouwing. Daarnaast zal de beëindiging van het intensieve veehouderijbedrijf, waarop varkens worden gehouden, leiden tot een aanzienlijke afname van de emissie van methaan, geur, fijnstof, ammoniak, stikstofoxiden en mogelijke ziektekiemen en/of zoönosen.

Deze emissies zullen vrijwel geheel komen te vervallen. Er is daarmee sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse, sprake van een verminderd effect op belangrijke natuurgebieden, sprake van een vermindering van de mogelijke risico's op de volksgezondheid ter plaatse en sprake van een verminderde uitstoot van broeikasgassen en/of andere mogelijk schadelijke stoffen. Daarmee wordt een aanzienlijke bijdrage geleverd aan een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving, en daarmee aan de omgevingskwaliteit. 22

Tevens wordt met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarmee wordt een aanvullende bijdrage geleverd aan de omgevingskwaliteit. Landschappelijke inpassing is in artikel 3.9 opgenomen als mogelijke meerwaardecreatie en past daarmee binnen de doelstellingen voor een verbeterde omgevingskwaliteit. Ten slotte wordt bij de voorgenomen ontwikkeling (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Daarmee is sprake van sloop van overtollige bebouwing. Ook dit draagt bij aan de versterking van de omgevingskwaliteit. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied zoals is bedoeld in artikel 3.77. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.78, lid 1, sub e: Het agrarisch bedrijf ter plaatse is niet langer haalbaar en rendabel en past niet op de plaats waarop dit gelegen is. De beëindiging van de intensieve veehouderij en de omschakeling van de bedrijfswoning naar een burgerwoning past goed binnen het gebied waarin de locatie is gelegen. Een burgerwoning is vanuit economisch oogpunt houdbaar, ook voor de toekomst.

Daarnaast zal de beëindiging van het bedrijf leiden tot een aanzienlijke afname van zowel de milieubelasting aan de omgeving als van de emissie van broeikasgassen en de energiebehoefte. Daarmee is sprake van een ontwikkeling die bijdraagt aan de duurzaamheid. Tevens zal de nieuwe compensatiewoning worden opgericht volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie, waarmee deze op het gebied van duurzaamheid eveneens toekomstbestendig is. Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee sprake van een ontwikkeling die vanuit zowel economisch als duurzaam oogpunt houdbaar is, ook naar de toekomst. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.78, lid 1, sub f: De verordening heeft als voornaamste doel het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een verbetering van de omgevingskwaliteit behaald door de beëindiging van de intensieve veehouderij, de sloop van overtollige bebouwing en de realisatie van een goede landschappelijke inpassing. Daarnaast streeft de verordening naar het terugdringen van emissies en het beperken van milieuhinder. Met de voorgenomen ontwikkeling komen de emissies van het bedrijf en de daarbij behorende milieuhinder in zijn geheel te vervallen. Verder wordt vanuit de verordening gestuurd op een zorgvuldig gebruik van de ruimte.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voornamelijk op eigen terrein ontwikkeld. Daarnaast wordt voorzien in een zo compact mogelijke inrichting van het terrein en wordt overtollige bebouwing gesloopt, waarmee het totale ruimtebeslag op de locatie zal afnemen. De voorgenomen ontwikkeling sluit daarmee aan bij de uitgangspunten, belangen en doelen uit de verordening. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.78, lid 1, sub g: Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is goed overleg gevoerd met de deskundige van de provincie Noord-Brabant. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.78, lid 2, sub a, onder 1: Wanneer sprake is van een aanvaardbare locatie is nader opgenomen in het derde lid van artikel 3.78. Hierin is opgenomen dat sprake is van een aanvaardbare locatie indien deze binnen een bebouwingsconcentratie is gelegen of wanneer de ontwikkeling een logische afronding geeft van een bebouwingsconcentratie. Vanuit het bestemmingsplan is het gebied waarin de locatie is gelegen niet aangemerkt als 23

bebouwingsconcentratie. De locatie is echter gelegen in een bebouwingslint dat, gezien de structuur en functies daarin, eveneens is aan te merken als een bebouwingscluster. In de verordening is de volgende definitie opgenomen voor bebouwingsconcentratie: "bebouwingsconcentratie: kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster." De locatie is niet in een kernrandzone gelegen. Een bebouwingslint is als volgt in de verordening gedefinieerd: "bebouwingslint: min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg buiten Stedelijk gebied." Een bebouwingscluster is in de verordening als volgt omschreven: "bebouwingscluster: vlakvormige verzameling van bebouwing, gelegen buiten Stedelijk gebied." Als het gebied nader wordt bekeken, zie hiervoor de volgende afbeelding met een luchtfoto van de omgeving, dan is het gebied aan te merken als zowel een min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing aan een weg buiten het stedelijk gebied als een vlakvormige verzameling van bebouwing, gelegen buiten het stedelijk gebied. Er is daarmee sprake van een gebied dat is aan te merken als een bebouwingslint en/of een bebouwingscluster, waarmee sprake is van een ligging van de locatie in een bebouwingsconcentratie.

24

Luchtfoto omgeving locatie. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor het oprichten van de gewenste nieuwe compensatiewoning is overleg geweest met de provincie Noord-Brabant. Zij hebben aangegeven dat de locatie van de gewenste compensatiewoning aanvaardbaar is. Zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van belemmeringen op het gebied van milieu, natuur, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en/of water. Tevens zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de in het gebied voorkomende waarden onevenredig worden aangetast. Daarmee is de locatie waarop de gewenste compensatiewoning gesitueerd wordt aan te merken als een planologisch aanvaardbare locatie. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.78, lid 2, sub a, onder 2: Van oorsprong is voor de voorgenomen ontwikkeling een aanvraag gedaan voor een woning met toepassing van de regeling ruimte-voor-ruimte. Voor een dergelijke titel diende een tegenprestatie te worden geleverd in de vorm van sloop van bebouwing en het intrekken van (fosfaat)rechten. Daarbij diende ten minste 1.000 m² aan (voormalige) stallen te worden gesloopt en minimaal 3.500 kilogram fosfaatrechten te worden ingetrokken. 25

Op eigen locatie, vanuit het eigen bedrijf, kon voldoende (voormalige) bedrijfsbebouwing worden gesloopt en konden voldoende fosfaatrechten worden ingetrokken om een ruimte-voor-ruimte titel te kunnen krijgen. Dit is destijds door de provincie bevestigd. Inmiddels heeft de provincie de nieuwe beleidsregel "Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit" met de daarbij behorende rekenmodule "Rekenmodule beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant" vastgesteld. Hierin kan door middel van sloop van bebouwing en het intrekken van ammoniakrechten een nieuwe tegenprestatie worden berekend. Het verschil daarbij is dat de fosfaatrechten niet langer als tegenprestatie kunnen worden ingetrokken. Deze kunnen echter wel vrij in de markt worden verhandeld. Volgens de rekenmodule wordt met de voorgenomen ontwikkeling, door sloop van bebouwing, het saneren van voorzieningen (verharding, silo's, etc.) en het intrekken van de ammoniakrechten van het bedrijf, een tegenprestatie met een waardering van € 98.210,17 geleverd. Voor de sloop van bedrijfsgebouwen en voorziening, in combinatie met de afwaardering, komt uit de rekenmodule een bedrag van € 53.823,00. Daarnaast worden de ammoniakrechten ingeleverd voor een bedrag van € 15 per kilo vergund ammoniak, in totaal is dit € 26.754,30. Het realisren van landschappelijke maatregelen komt neer op een bedrag van € 17.632,87.

Voor de resultaten van de rekenmodule wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. Deze drie bedragen bij elkaar resulteren in de inzet voor het versterken van de omgevingskwaliteit van € 98.210,17. Een ruimte-voor-ruimte titel heeft een geldelijke waarde van € 125.000,-. Om met de voorgenomen ontwikkeling, volgens het nieuwe beleid, een gelijkwaardige tegenprestatie te leveren dient derhalve nog een aanvullende investering te worden gedaan van € 37.435,20. Voor dit restbedrag zal nog een gedeeltelijke titel voor een compensatiewoning worden aangekocht bij de provincie. Daarmee wordt met de voorgenomen ontwikkeling een vergelijkbare tegenprestatie geleverd als bij een ruimte-voor-ruimte titel. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.78, lid 2, sub a, onder 3: Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is goed overleg gevoerd met de provincie. De provincie heeft aangegeven akkoord te zijn met de gewenste compensatiewoning. De ontwikkeling van een kavel behoort daarmee tot de mogelijkheden. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.78, lid 2, sub b t/m d: Deze bepalingen hebben betrekking op andere ontwikkelingen dan de ontwikkeling van een nieuwe woning en zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Echter is bij de voorgenomen ontwikkeling wel sprake van het saneren van een milieubelastende activiteit.

Daarbij worden de daarvoor aanwezige rechten en toestemmingen ingetrokken. Ad. artikel 3.78, lid 3: Het derde lid bevat bepalingen om nader te bepalen of sprake is van een aanvaardbare locatie voor een compensatiewoning als bedoeld in lid 2, sub a, onder 1. De toetsing aan deze bepaling heeft reeds plaatsgevonden aan de toetsing aan artikel 3.78, lid 2, sub a, onder 1 zoals in het voorgaande is opgenomen. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.78, lid 4: In dit lid worden bepalingen genoemd die niet van toepassing zijn op de ontwikkeling van een compensatiewoning. Hiermee is in de verdere toetsing aan de verordening rekening gehouden. Gezien het voorgaande wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de voorwaarden voor het oprichten van een nieuwe woning met toepassing van de regeling maatwerk met als doel omgevingskwaliteit. Naast de specifieke voorwaarden voor wonen in het landelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen: "Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit 26

Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie." Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen. Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c.

gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel." Ad. artikel 3.6, lid 1, sub a: Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een nieuwe compensatiewoning. Deze wordt op basis van de voorwaarden uit de verordening mogelijk gemaakt (artikel 3.78). Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een uitbreiding. De huidige veehouderij wordt beëindigd en de bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Het bouwvlak wordt daarbij verkleind en het bebouwde oppervlak zal door sloop worden verminderd. Het totale ruimtebeslag zal bij de voorgenomen ontwikkeling kleiner worden dan in de huidige situatie. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een toedeling van een functie binnen het huidige ruimtebeslag. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.6, lid 1, sub b: Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3). Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.6, lid 1, sub c: Alle bebouwing wordt geconcentreerd binnen het bouwperceel. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=eef16a94-4832-498a-afcc-3cd9d56721cf