CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - bp, toelichting en regels Schrijvershoef 7

Raadsvergadering 23 januari 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Landelijk gebied, herziening Schrijvershoef 7' Schijndel31.845 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

42

Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe risicovolle inrichtingen. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's naar de omgeving. Zoals te zien in de voorgaande figuur, ligt de dichtstbijzijnde risicobron op meer dan 2 kilometer van de locatie, te weten een tankstation. De afstand tot aan de dichtstbijzijnde risicobron is dermate groot dat de locatie niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting is gelegen. Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van risicovolle inrichtingen. 4.1.6.2 Transportroutes (spoor-, vaar- en autowegen en buisleidingen) Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. Het externe veiligheidsbeleid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het beleid voor externe veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. Nabij de locatie zijn geen transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen gelegen. De locatie is daarmee niet binnen het invloedsgebied van een transportroute gelegen. Conclusie In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen gelegen die van invloed zijn op het plan. Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor het planvoornemen.

4.1.7 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. 43

De huidige bedrijfswoning die wordt omgeschakeld naar een burgerwoning is een reeds bestaande woning. Ter plaatse van deze woning is geen sprake van bodemverontreinigende maatregelen. Tevens diende de bodem bij het gebruik als bedrijfswoning al geschikt te zijn voor een gebruik voor een woonfunctie. Dit zal niet wijzigen, waarmee de bodem ter plaatse van de om te schakelen bedrijfswoning niet als verdacht is aan te merken. De mantelzorgwoning zal naast de bestaande woning worden opgericht. Op dit deel van het terrein heeft geen bedrijvigheid plaatsgevonden, waarmee deze gronden naar verwachting ook schoon zijn en als niet verdacht zijn aan te merken. Op de locatie is een gebouw aanwezig met asbesthoudende platen dat deels gesloopt zal worden. Het is zeer waarschijnlijk dat er sprake is van een druppelzone met asbestvezels aan de noordzijde van dit gebouw. Dit dient te worden onderzocht met een bodemonderzoek. Daarnaast dient te worden onderzocht of er asbesthoudend puin of zinkassen aanwezig zijn op de locatie. Ten slotte is bij de woning ooit een ondergrondse HBO-tank door de eigenaar verwijderd, dit dient ook te worden meegenomen in een onderzoek. Op basis van het voorgaande is een onderzoek conform de norm NEN 5740 (verkennend onderzoek) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat: "De onderzoeksresultaten vormen ons inziens geen belemmeringen voor de beoogde woonbestemming.

Aanbevolen wordt om de grond die vrijkomt bij (eventuele) graafwerkzaamheden te hergebruiken binnen het projct. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapoort worden afgevoerd naar een grondbank. Als de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is aanvullend partijkeuring nodig conform het Besluit Bodemkwaliteit." Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting. Hiermee is de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.

4.1.8 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met een spuitzone waarbinnen gevoelige objecten alleen onder voorwaarden kunnen worden toegestaan. Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige objecten is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige objecten. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling en het hiermee mogelijk samenhangende risico is onbekend.

Op 29 juni 2020 is een aanvulling gekomen op het rapport van de gezondheidsraad. In deze aanvulling zijn geen specifieke nieuwe maatregelen opgenomen. Wel staat in dit advies dat blootstelling aan bestrijdingsmiddelen zoveel als mogelijk moet worden voorkomen. Daarnaast is in mei 2015 het rapport "driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuiting" van Wageningen UR (hierna: PRI 2015.) opgesteld. Dit rapport geeft een "wetenschappelijke" onderbouwing om af te kunnen afwijken van de 50 meter afstand. In diverse uitspraken is de Afdeling bestuursrechtspraak echter tot het oordeel gekomen dat het rapport PRI 2015 geen deugdelijke grondslag vormt voor het locatiespecifieke onderzoek (uitspraak 201806136/1/R1 en 201806358/1/R1 d.d. 16 december 2020). Dit betekent dat de specifieke omstandigheden en verwachte activiteiten ter plaatse in beeld moeten worden gebracht, om te beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar risico en daarmee van een goed woon- en leefklimaat. Of deze wijze van motiveren voldoende is om de afwijking te onderbouwen is niet 44

gegarandeerd. Op dit moment zijn er echter geen andere technische onderzoeken beschikbaar die de motivatie kunnen geven om af te kunnen wijken van de 50 meter richtafstand voor drift. Derhalve dient een afweging te worden gemaakt of bij een perceel waarop (mogelijk) bomenteelt plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang: de aard van het bestrijdingsmiddel (biologische of juist giftige middelen); de toedieningswijze (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten). Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid; de frequentie van het spuiten; de weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting); de inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht op grond van een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelige object. In dat geval blijkt wegens de reductie van drift (afhankelijk van de dikte, hoogte en type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter).

Nabij de locatie is sprake van bomen- en fruitteelt waarbij gebruik gemaakt wordt van gewasbeschermingsmiddelen. Om deze reden dient rekening gehouden te worden met de spuitzones van de betreffende gewassen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning en het oprichten van een nieuwe mantelzorgwoning. Aan de overzijde van de Schrijvershoef is een boomgaard aanwezig waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. De afstand tussen de huidige bedrijfswoning en de betreffende boomgaard bedraagt ongeveer 42 meter. Daarmee wordt niet aan de adviesafstand van 50 meter voldaan. De afstand tussen de gewenste mantelzorgwoning en de betreffende boomgaard bedraagt ongeveer 65 meter, waarmee ten aanzien van de mantelzorg wel ruimschoots aan de adviesafstand wordt voldaan. De om te schakelen woning betreft echter een al bestaande woning. Dat wil zeggen dat de exploitant van de boomgaard al rekening dient te houden met de huidige woning die op kortere afstand gelegen is. Dit zal niet veranderen. De exploitant van de boomgaard wordt met de omschakeling niet verder beperkt omdat er sprake is van een al bestaande situatie.

Daarnaast heeft de exploitant van de boomgaard op het perceel waarop de bomenteelt plaatsvindt al voorzien in een robuuste, groenblijvende haag om de eventuele drift van gewasbeschermingsmiddelen vanuit de boomgaard af te vangen. Deze haag bevindt zich tussen het perceel en de locatie in. Met de betreffende haag, die voldoende hoog en breed is, wordt de drift al afgevangen voor het de locatie kan bereiken. Daarmee is gemotiveerd van de adviesafstand af te wijken. Op het eigen agrarische perceel, gelegen achter de woning, wordt geen gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. De enige toegepaste methoden voor onkruidbestrijding zijn mechanisch van aard, met technieken zoals schoffelen en maaien. De afstand tussen het zuidelijk gelegen perceel en de mantelzorgwoning bedraagt ongeveer 15 meter, wat in eerste instantie niet voldoet aan de gestelde 50 meter afstandsnorm. Het is echter belangrijk op te merken dat de bewoning van de mantelzorgwoning van tijdelijke aard is. Bovendien mag een mantelzorgwoning vergunningsvrij worden gebouwd. Bij het overwegen van de afstandsnorm moet rekening worden gehouden met deze specifieke omstandigheden. Daarnaast geldt dat bij eventuele spuitactiviteiten op het perceel al rekening moet worden gehouden met andere gevoelige objecten, zoals woningen, in de nabije omgeving.

Dit duidt op een bewuste en verantwoordelijke aanpak om mogelijke overlast te minimaliseren. Om de impact verder te verminderen, wordt aan de zuidzijde van het perceel beplanting aangelegd. Deze beplanting fungeert als een buffer en kan eventuele drift opvangen. Dit draagt bij aan het minimaliseren van potentiële effecten op de mantelzorgwoning en andere nabijgelegen gevoelige gebieden. Aan de noordzijde van de om te schakelen woning bevindt zich een ander perceel waar mogelijk gespoten wordt, met een afstand van ongeveer 37 meter. Hoewel deze afstand niet direct voldoet aan de gestelde norm van 50 meter, zijn er belangrijke factoren die de mogelijke risico's aanzienlijk verminderen. 45

Allereerst staat er aan dit perceel al direct een bestaande burgerwoning op een afstand van circa 10 meter. Dit betekent dat bij het spuiten al in een eerder stadium rekening is gehouden met deze nabijgelegen woning. Bovendien is er sprake van een overwegende zuidwesten windrichting, wat positief is voor de verspreiding van eventuele drift, aangezien de wind van het perceel weg van de om te schakelen woning en mantelzorgwoning waait. Daarnaast is er bestaande bebouwing tussen de om te schakelen woning en het perceel waar gespoten wordt. Deze bebouwing fungeert als een fysieke barrière en draagt bij aan het tegenhouden van eventuele drift. Al met al kan geconcludeerd worden dat de genoemde factoren samen zorgen voor een aanzienlijke vermindering van mogelijke risico's met betrekking tot spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen. 4.1.9 Hoogspanningsverbindingen De stroom door de draden van een hoogspanningslijn veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder meer af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningslijn verschillen.

De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningslijn, des te zwakker is het magneetveld. Nabij de locatie zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. Hiermee zal ter plaatse geen sprake zijn van onevenredige risico's en/of belemmeringen ten aanzien van hoogspanningsverbindingen. 4.1.10 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in omschakeling van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning en het oprichten van een mantelzorgwoning. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt een drempelwaarde voor een toename met 2.000 woningen.

Daarnaast is de drempelwaarde alleen van toepassing wanneer sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename met 2.000 of meer woningen en is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, waarmee de voorgenomen niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Zie hiervoor ook de bijbehorende jurisprudentie: 201901464/1/R1 - ECLI:NL:RVS2020:729 en 201901439/1/R1 -- ECLI:NL:RVS:2020:100.

4.2

Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 46

4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Kampina & Oisterwijkse Vennen) is gelegen op een afstand van ongeveer 8,9 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. Gezien de omzetting van de bedrijfswoning naar de burgerwoning zullen op de locatie geen fysieke veranderingen plaatsvinden. Er is sprake van een woning en dit blijft zo. Wel wordt een nieuwe mantelzorgwoning opgericht. Deze zal echter volledig gasloos in gebruik worden genomen en zal daarmee niet leiden tot een verhoogde uitstoot van stikstofoxiden. De mantelzorgwoning zal een aantal verkeersbewegingen tot gevolg hebben. Echter zal de beëindiging van de agrarisch verwante bedrijvigheid leiden tot een afname van het aantal verkeersbewegingen, met name ook die met vrachtverkeer. Deze afname is groter dan de toename van het aantal verkeersbewegingen van de mantelzorgwoning, waarmee het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie zal afnemen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Daarmee zal de emissie van stikstofoxiden vanuit het verkeer alleen maar afnemen, wat zal leiden tot een afname van de depositie van stikstof op de betreffende 47

gebieden. Voor een nieuw bestemmingsplan moet echter gerekend worden met de maximaal planologische mogelijkheden. De bestemming 'Agrarisch' uit het nieuwe plan staat bijvoorbeeld 'Agrarisch grondgebruik' toe. De bestemming 'Wonen' staat zo bijvoorbeeld 'Het hobbymatig houden van vee' toe. Hierdoor is er Aerius verschilberekening uitgevoerd waarin in de beoogde situatie (fictief gezien) 5 paarden zijn opgenomen. Voor de verkeersbewegingen van de woning en de mantelzorgwoning zijn de gegevens vanuit het CROW (publicatie 2009) aangehouden. Dit betekend dat er 8,6 verkeersbewegingen per woning zijn aangehouden en middels een lijnbron naar de dichtsbijzijnde N-weg zijn getrokken. Deze berekening is opgenomen in bijlage 5. Uit deze berekening blijkt dat met de beoogde situatie er geen sprake is van significante effecten (het projecteffect bedraagt niet dan 0,00 mol per hectare per jaar). Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de sloop van een deel van het bestaande bedrijfsgebouw en het (vergunningsvrij) oprichten van een mantelzorgwoning. Tijdens de werkzaamheden daarvan is mogelijk sprake van een toenemende emissie van stikstofoxiden. Om te onderzoeken of dit mogelijk zal leiden tot negatieve effecten op de betreffende gebieden is met het rekenprogramma Aerius Calculator een berekening gemaakt.

Uit deze berekening, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 6 van deze toelichting, blijkt dat de werkzaamheden niet zullen leiden tot significante effecten (het projecteffect bedraagt niet meer dan 0,00 mol per hectare per jaar). Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.

Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk.

Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker 48

aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.

Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn.

Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat op grond van het uitgevoerde onderzoek geen effecten te verwachten zijn die van negatieve invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van de (mogelijk) aanwezige soorten. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is dan ook niet nodig. Voor het gehele onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 7 van deze toelichting.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. 49

Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies, waarbij provincies regels moeten opstellen ter bescherming van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB). In het ruimtelijk beleid, zoals is verwoord in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, heeft de provincie regels gesteld die dienen ter bescherming van het NNN/NNB. Dit geldt voor ontwikkelingen die plaatsvinden in het NNN/NNB. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNB-gebied is gelegen op ruim 680 meter afstand van de locatie.

Uitsnede kaart NNN/NNB. Bron: Atlas van de Leefomgeving Het NNN/NNB heeft geen externe werking. De regels die worden gesteld ter bescherming van het NNN/NNB hebben daarom alleen betrekking op ontwikkelingen die in het gebied plaatsvinden. Echter kan een ruimtelijke ontwikkeling, wanneer deze binnen 250 meter van een NNN/NNB gebied plaatsvindt, mogelijk effecten hebben op deze gebieden. Het gaat daarbij dan voornamelijk om licht, geluid en fijnstof. De locatie is niet binnen 250 meter van een NNN/NNB gebied gelegen. Gezien met de voorgenomen ontwikkeling geen ontwikkelingen in een NNN/NNB gebied en/of binnen 250 meter van een NNN/NNB gebied plaatsvinden zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen.

50

Uitsnede kaart WAV-gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast. Bij de voorgenomen ontwikkeling is daarnaast geen sprake van een toename van de uitstoot van ammoniak. Er is immers geen sprake van een veehouderij. Omdat de uitstoot van ammoniak niet zal toenemen zal ook geen sprake zijn van een verhoogde ammoniakdepositie op de betreffende gebieden. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van Wav-gebieden in de omgeving.

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart en/of dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

De gemeente Meierijstad heeft de archeologische verwachtingen vastgelegd in dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan. De locatie is gelegen in een gebied met de dubbelbestemming 'Waarde 51

Archeologie 4'. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat onderzoek nodig is bij bodemingrepen van meer dan 500 m² en dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het oprichten van een mantelzorgwoning en het slopen van een deel van het bestaande bedrijfsgebouw. De mantelzorgwoning mag, om te voldoen aan de eisen voor vergunningsvrij bouwen, niet groter zijn dan 100 m². Het te slopen deel van het bestaande bedrijfsgebouw bedraagt 57,5 m². In totaal is daarmee sprake van een bodemingreep van maximaal 157,5 m². Er is daarmee geen sprake van een bodemingreep van meer dan 500 m². Daarmee is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk en zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen archeologische waarden en/of resten worden geschaad.

4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

Uitsnede cultuurhistorische waardenk aart. Bron: Provincie Noord-Brabant De Schrijvershoef is, net als enkele andere wegen in de omgeving, aangemerkt als historisch geografische lijn in het landschap met redelijk hoge waarde. Hierbij is het van belang dat deze lijn niet onevenredig 52

wordt aangetast. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van wijzigingen aan de infrastructuur. Daarnaast is uitsluitend sprake van een functiewijziging en vinden aan de ruimtelijke uitstraling van het erf nagenoeg geen wijzigingen plaats. Er zal alleen een nieuwe mantelzorgwoning worden opgericht. Deze is echter zeer kleinschalig van aard en deze zal geen nadelige impact hebben op de (zicht)lijnen van en/of vanuit de Schrijvershoef. De betreffende lijn blijft daarmee behouden zoals deze is. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van de betreffende historisch geografische lijn in het landschap. De locatie is in een cultuurhistorisch waardevol landschap dat tevens is aangemerkt als een cultuurhistorisch waardevol gebied gelegen. Het betreft een cultuurhistorisch waardevol gebied dat deel uitmaakt van de waardevolle regio's Meierij en Kempen, welke deel uitmaken van het gebied Het Groene Woud. Het waardevolle landschap in deze regio's bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is.

In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. Het landschap wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Vanouds waren de randen van de beekdalen en de dekzandruggen de meest geschikte plek voor bewoning. De beekdalen zelf en de uitgestrekte broekgebieden waren te nat om te wonen of om akkerbouw te bedrijven. Deze terreinen werden gebruikt als weide, hooiland of hakhout. Op de hogere delen van het bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding ontstonden op enkele plekken stuifzanden. Een en ander had tot gevolg dat het agrarische landschap over het algemeen heel kleinschalig was. De beekdalen waren heel besloten. De percelen waren er klein en vrijwel allemaal omgeven door opgaande beplanting. De oude akkercomplexen waren wat grotere, open ruimten in deze besloten wereld. Binnen het waardevolle landschap staat het behoud van de kleinschalige karakteristieken centraal. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een functiewijziging. Aan de ruimtelijke en uiterlijke verschijningsvorm van het erf vinden geen grootschalige wijzigingen plaats. Het huidige erf blijft daarmee de positie in het landschap behouden zoals dit al heeft.

De impact op het landschap van de voorgenomen ontwikkeling is daarmee minimaal. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben op het historische landschap. Vanuit het gemeentelijke beleid is aan het gebied waarin de locatie is gelegen de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle elementen' toegekend. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij de volgende werkzaamheden: het aanbrengen van (half)verhardingen; het rooien of vellen van houtgewas; afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem; graven of dempen van sloten; verwijderen van perceelsrandbeplanting; diepwoelen en diepploegen; het verwijderen van wegen of paden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een ontwikkeling waarbij bovenstaande werkzaamheden uitgevoerd dienen te worden. Er is daarmee geen sprake van werkzaamheden die kunnen leiden tot de betreffende cultuurhistorisch waardevolle elementen. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen cultuurhistorisch waardevolle elementen worden aangetast.

53

4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.

Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.

4.4

Verkeer en parkeren

4.4.1 Infrastructuur en parkeren De locatie aan de Schrijvershoef 7 is goed ontsloten op de Schrijvershoef. De locatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de openbare weg, deze zal zowel voor de woning als de mantelzorgwoning gebruikt worden. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om de woningen te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid om te keren en te parkeren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende voertuigen de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee is geen sprake van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na 54

realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden. Vanuit de parkeernormen en het parkeerbeleid van de gemeente dienen er in totaal 5 parkeerplaatsen aanwezig te zijn voor de woning en de mantelzorgwoning. De locatie aan de Schrijvershoef heeft reeds voldoende verharding voor (aanzienlijk) meer dan vijf personenauto's om te kunnen parkeren. In de tekening op schaal, welke als bijlage 2 van deze toelichting is opgenomen, zijn de parkeerplaatsen ingetekend. Op eigen terrein zal daarmee ook in de gewenste situatie sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het omzetten van bedrijfswoning naar burgerwoning en het realiseren van een mantelzorgwoning. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. De verkeersbewegingen die de bedrijfswoning realiseerde zullen gelijk blijven wanneer deze is omgezet naar burgerwoning. Door het toevoegen van de mantelzorg woning zullen er extra verkeersbewegingen plaatsvinden. Echter vervalt de bedrijfsfunctie van de locatie en zullen er geen bedrijfsactiviteiten meer zijn. Dit resulteert in totaliteit een aanzienlijke daling van verkeersbewegingen. De afname van het aantal verkeersbewegingen door het beëindigen van het aanwezige bedrijf is groter dan de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het oprichten van de mantelzorgwoning. Daarnaast zal het aandeel vrachtverkeer compleet verdwijnen en is er geen sprake van nachtverkeer. Gezien het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.

4.5

Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Aa en Maas (hierna: het waterschap). De gemeente heeft verder geen aparte verordening opgesteld omtrent waterbeleid.

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Hiermee geven de waterschappen ook invulling aan de wens van met name de zogenaamde grensgemeentes die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de 55

compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is.

Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken. Voor een optimale inpassing van plannen met een uitbreiding van het verhard oppervlak is het noodzakelijk het waterschap in een vroeg stadium te betrekken. Dit geldt zowel voor kleine als grote plannen. Alleen op deze wijze kunnen waterbeheerder en initiatiefnemer gezamenlijk zorgen voor het behoud van de robuustheid van het watersysteem en kan wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk worden beperkt. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de Digitale Watertoets doorlopen. Hieruit blijkt dat bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van waterschapsbelangen. Het waterschap wordt vroegtijdig bij de plan- of projectvorming betrokken. Nabij de locatie is een A-watergang gelegen. Hiervoor is er advies gevraagd aan het waterschap. Deze geven aan dat de locatie zich net binnen een beschermingszone voor beheer en onderhoud, variërend van 2,5 meter tot 5 meter vanaf de insteek ligt. Het is hierin niet toegestaan nieuwe objecten of obstakels zoals beplating te plaatsen binnen deze zone. Hier is rekening mee gehouden met het landschappelijk inrichtingsplan (zie bijlage 1 van deze toelichting).

4.5.1 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning, de realisatie van een mantelzorgwoning en daarbij een (gedeeltelijke) sloop van het bijbehorend gebouw. De mantelzorgwoning mag, vanuit het beleid voor vergunningsvrij bouwen, niet groter zijn dan 100 m². In totaal zal ongeveer 57,5 m² van het bestaande bedrijfsgebouw worden gesloopt. De toename van het verharde oppervlak is daarmee niet groter dan ongeveer 42,5 m². Afkoppeling van het hemelwater vindt plaats middels een gescheiden stelsel. Hierbij wordt het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool afgevoerd, maar afgekoppeld op bestaande sloten. Van belang is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen: Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak niet toeneemt of met minder dan 500 m² toeneemt is geen aanvullende compensatie nodig.

Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak toeneemt met meer dan 500 m², maar minder dan 10.000 m², dient compenserende waterberging te worden toegepast. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van de rekenregel. Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak toeneemt met 10.000 m² of meer dient in overleg met het waterschap maatwerk te worden toegepast. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak slechts in zeer beperkte mate (met maximaal 56

42,5 m²) toenemen. Er is daarbij geen sprake van een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m², waarmee geen aanvullende compenserende waterberging nodig is. Daarnaast wordt het bouwvlak aangepast en verkleind. Het bedrijfsbestemmingvlak wordt verkleind van een oppervlakte van ongeveer 2.711 m² naar ongeveer 1.500 m². Voor het voorgenomen initiatief en voor de toekomst houdt dit in dat de bebouwingsmogelijkheden af zullen nemen voor de locatie, wat een positieve bijdrage levert voor de infiltratie van water. Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast. De projectlocatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de om te schakelen bedrijfswoning op wordt geloosd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken afgevoerd naar bestaande sloten. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties. Het hemelwater van de mantelzorgwoning zal eveneens worden afgekoppeld op bestaande sloten.

De toename van het verhard oppervlak is dusdanig klein dat dit niet zal leiden tot mogelijke belemmeringen ten aanzien van de waterhuishouding. Het overige water wordt afgevoerd via het riool, dit is in overleg met de gemeente. Daarnaast zal het watergebruik, door de aanwezigheid van de mantelzorgwoning beperkt toenemen. Deze hoeveelheid aan water is echter verwaarloosbaar te noemen. Gezien het voorgaande zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.

57

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub a en/of c van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan, project of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro.

In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Meierijstad. Verder zal ook eventuele planschade in een separate overeenkomst worden geregeld. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee wordt het project financieel haalbaar geacht.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan betreft een partiële herziening op het bestemmingsplan "Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit" van gemeente Meierijstad en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de 58

gemeentelijke bladen en/of op de gemeentelijke website. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl. Omgevingsdialoog Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is er een omgevingsdialoog uitgevoerd. Tijdens deze omgevingsdialoog is zijn de omwonende en de buurt op de hoogte gesteld van de voorgenomen ontwikkeling. Tijdens deze dialoog zijn er geen bezwaren naar voren gekomen. Voor de omgevingsdialoog wordt verwezen naar bijlage 8.

59

Hoofdstuk 6 6.1

Wijze van bestemmen

Doel en reikwijdte

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn: 1. goede ruimtelijke ordening; 2. uitvoerbaarheid. Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet. Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en; 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor: 1. het bebouwen van de gronden; 2.

het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

6.2

Onderdelen van een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).

6.2.1 De toelichting De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). 60

Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. Bijlagen bij de toelichting: Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.

6.2.2 De planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels: In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald; 2. Bestemmingsregels: In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3. Algemene regels: In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen; 4. Overgangs- en slotregels: In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel). Bijlagen bij de planregels: Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.

6.2.3 De verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan. 61

De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.

6.3

Voorliggend bestemmingsplan

Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: 'Wonen', waarbij de functie voor het wonen in de woning wordt neergelegd. 'Agrarisch', waarbij de functie agrarisch gebruik van de gronden wordt neergelegd. Dit plan kent de volgende noemenswaardige bijzonderheden: Bij het voormalig bedrijfsgebouw behorend bij Schrijvershoef 7 zal maximaal 207,5 m² aan bijgebouwen bij de woning worden toegestaan. Dit is middels een maatvoeringsaanduiding op de bij dit plan behorende verbeelding opgenomen. Het ter plaatse toegekende bouwvlak wordt gewijzigd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=413524d2-3a23-4e16-8502-e90f8b925c3c