CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - bp, toelichting en regels Schrijvershoef 7

Raadsvergadering 23 januari 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Landelijk gebied, herziening Schrijvershoef 7' Schijndel31.845 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. 25

Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterk ing van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken." Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een agrarisch verwant bedrijf beëindigd en omgeschakeld naar een burgerwoning. Bij het huidige bedrijf is sprake van een grotere milieubelasting aan de omgeving dan bij het gewenste gebruik als burgerwoning. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan het verminderen van de milieuhinder aan de omgeving en daarmee aan een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving.

De voorgenomen ontwikkeling leidt daarmee tot een verbetering van de omgevingskwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een deel van de voormalige bedrijfsgebouwen gesloopt. Er is geen sprake van nieuwbouw van bedrijfsgebouwen. Daarmee zal sprake zijn van een afname van het bebouwd oppervlak op de locatie. Daarnaast wordt het bouwvlak ter plaatse verkleind, waarmee het maximaal mogelijke ruimtebeslag eveneens zal afnemen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan ontstening van het landschap. Tevens is sloop van voormalige agrarische bebouwing in artikel 3.9 opgenomen als vorm van kwaliteitsverbetering en is derhalve aan te merken als meerwaardecreatie. Verder zal met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 3.9 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie. Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de bepalingen zoals zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Ruimte gemeente Schijndel De voormalige gemeente Schijndel (tegenwoordig gemeente Meierijstad) heeft op 31 mei 2012 de Structuurvisie Ruimte gemeente Schijndel vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar de langere termijn. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. 26

Vanuit de visie is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Gebiedstype 2: Buitengebied en woongebieden'. Vanuit de visie wordt ten aanzien van woningbouw vooral gestuurd op een kwalitatieve verbetering van het huidige woningaanbod en niet zozeer op de ontwikkeling van nieuwe woningen en/of woningbouwlocaties. Voor nieuwe locaties is eerst een afzonderlijke stedenbouwkundige afweging nodig. Tevens wordt gesteld dat de vraag naar nieuwe woningen vooralsnog volledig in de bestaande bebouwde kommen kan worden opgevangen, waarmee nieuwe uitbreidingslocaties voor woningbouw niet noodzakelijk worden geacht. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van de ontwikkeling van een nieuwe woningbouwlocatie. Er wordt een bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. Er is daarmee geen sprake van een nieuwe woning, maar van een nieuwe functie van een bestaande woning. Dit sluit goed aan op de uitgangspunten uit de visie ten aanzien van woningbouw. Verder wordt met de voorgenomen ontwikkeling een nieuwe mantelzorgwoning mogelijk gemaakt. Dit betreft echter een tijdelijke woning om de behoefte aan zorg op te vangen. Zodra de behoefte aan mantelzorg komt te vervallen zal de mantelzorgwoning worden verwijderd. Er is daarmee geen sprake van een nieuwe permanente woning.

Vanuit de maatschappij wordt daarnaast sterk gestuurd op het zoveel mogelijk zelf opvangen van de zorgbehoefte, waarbij mensen langer zelfstandig kunnen blijven wonen. Dit met name om de grote en steeds verder toenemende druk op de zorginstellingen te verminderen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt daarmee een invulling gegeven aan een maatschappelijk vraagstuk. Ook dit sluit aan bij de uitgangspunten uit de visie. Verder zijn in de visie richtlijnen en uitgangspunten opgenomen voor het buitengebied. In het buitengebied is de agrarische sector de belangrijkste sector. Het is van belang dat de agrarische sector in voldoende mate kan blijven ontwikkelen. Echter wordt daarbij wel aandacht gevraagd voor een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. In principe worden nieuwe ontwikkelingen en nieuwe bebouwing vooral mogelijk gemaakt in de bebouwingsconcentraties. Het wijzigen van functies in het buitengebied is mogelijk, mits aandacht wordt geschonken aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en de agrarische bedrijven niet onevenredig in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en bedrijven.

Er is daarmee geen sprake van een mogelijke beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven. Daarnaast wordt ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Tevens wordt met sloop van bebouwing en het verkleinen van het bouwvlak ter plaatse voorzien in een afname van het maximale ruimtebeslag. Met de landschappelijke inpassing, sloop van bebouwing en het verkleinen van het bouwvlak wordt bijgedragen aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee goed binnen de uitgangspunten die in de visie voor het buitengebied zijn opgenomen. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de Structuurvisie Ruimte gemeente Schijndel van gemeente Meierijstad.

3.3.2 "Kansen voor Kwaliteit", een afwegingskader voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing Op 7 mei 2020 heeft de gemeente Meierijstad het rapport "Kansen voor Kwaliteit" vastgesteld. Dit rapport biedt een afwegingskader voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing (VAB). In het buitengebied zijn in de afgelopen jaren vele agrarische bedrijven gestopt. Ook in de komende jaren zullen naar verwachting nog veel bedrijven gaan stoppen. Leegstand kan grote gevolgen hebben voor de kwaliteit van het buitengebied. Het biedt echter ook kansen om het buitengebied leefbaar en vitaal te houden. Volgens een onderzoek van Wageningen Environmental Research (WENR) uit maart 2019 is de gemeente Meierijstad in Noord-Brabant de nummer één als het gaat om het verwachte aantal vierkante meters vrijkomende agrarische bebouwing de komende 10 jaar. De toename in vrijkomende (agrarische) bebouwing is ook al merkbaar binnen de gemeente. Er worden veel initiatieven voor herontwikkeling 27

ingediend, waar het betreffende beleid, zoals opgenomen in de geldende bestemmingsplannen, niet direct een antwoord op heeft. De realiteit gaat vaak sneller dan dat de gemeente met beleid of acties kan bijbenen. Omdat nieuwe initiatieven niet altijd voorspelbaar zijn, is er behoefte aan beleid dat flexibiliteit geeft. Het afwegingskader voor vrijkomende (agrarische) bebouwing "Kansen voor Kwaliteit" tracht hier in te voorzien. Het doel van het rapport is om te komen tot een afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing, waarbij de (directe) omgeving leidend is, een verbetering van de kwaliteit vereist is en de direct omwonenden en andere belanghebbenden worden betrokken. In de geldende bestemmingsplannen voor het buitengebied van de gemeente zijn voor herbestemming van vrijkomende (agrarische) bedrijfslocaties kwantitatieve normen opgenomen. Deze kwantitatieve normen blijken tegenwoordig niet bruikbaar. Gemeente Meierijstad kiest er voor om de kwantitatieve normen (afgezien van wettelijke verplichtingen), zoals opgenomen in de geldende bestemmingsplannen los te laten en maatwerk toe te passen. Het loslaten van de kwantitatieve normen wil echter niet zeggen dat alles kan. Van kwantitatieve beoordeling wordt overgegaan naar kwalitatieve beoordeling en is het mogelijk elk initiatief afzonderlijk in overweging te nemen.

Voor deze kwalitatieve beoordeling wordt meer gekeken naar de specifieke kenmerken van de locatie/omgeving en de ruimtelijke kwaliteit die met een initiatief wordt behaald. Voor de kwalitatieve beoordeling hanteert de gemeente de volgende drie hoofdprincipes: 1. Omgeving is leidend (functietypen en gebiedstypen); 2. Kwaliteitsimpuls is vereist (basisinspanning en aanvullende kwaliteitsverbetering); 3. Afstemming is nodig (omgevingsdialoog en omgevingstafel). Vanuit het afwegingskader wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsgebonden functies, in het gebied passende functies en functies in strijd met het gebied. Voor wat betreft wonen is in het afwegingskader opgenomen dat het een functie is die passend is in het gebied. Verder is voor wonen opgenomen dat dit vaak een belangrijk economisch component van een nieuwe ontwikkeling vormt. Echter wordt voor het buitengebied een beperkt aantal woningen gereserveerd. Voor wat betreft de omgeving heeft de gemeente verschillende gebiedstypen vastgesteld waarbinnen verschillende mogelijkheden gelden voor ontwikkelingen. Vanuit het afwegingskader is de locatie gelegen in een gebied dat nader is getypeerd als 'Landelijk gebied, verweving van functies'. Binnen het gebiedstype Landelijk gebied, 'verweving van functies' speelt de landbouw een belangrijke rol. Echter zijn in deze gebieden de agrarische bedrijven niet de enige gebruikers.

Door de tijd hebben agrarische bedrijven plaatsgemaakt voor nieuwe functies. In het gebied 'Landelijk gebied, verweving van functies' zijn in principe alle functies mogelijk. Of een functie daadwerkelijk op een specifieke locatie haalbaar is, hangt af van de impact op de (directe) omgeving. De functie wonen past daarmee in principe binnen het gebiedstype 'Landelijk gebied, verweving van functies', mits er geen sprake is van een nadelige impact op de omgeving. De impact op de omgeving wordt bepaald aan de hand van de omvang van de ontwikkeling, de aard van de beoogde functie en mogelijke hinder, de de aard van de (directe) omgeving en de uitstraling van de beoogde functie. Voor wat betreft de omvang van een ontwikkeling wordt gekeken naar het ruimtebeslag van zowel de bebouwing als van de buitenruimte. Daarbij wordt gekeken of de omvang past binnen de schaal van het landschap en de karakteristiek van de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Door de beëindiging van het agrarisch verwant bedrijf, het verkleinen van het bouwvlak en het slopen van voormalige bedrijfsbebouwing zal het bebouwd oppervlak ter plaatse afnemen. Er is geen sprake van nieuwbouw. Het huidige bedrijf heeft geruime tijd de positie in het landschap gehad die het nu heeft en was passend in de omgeving.

Met de afname van het ruimtebeslag zal ook de voorgenomen ontwikkeling na realisatie van het project een passende omvang hebben in de omgeving. Daarnaast is de locatie gelegen in een gebied dat in de loop der jaren steeds meer is getransformeerd van een agrarisch gebied naar een gemengd gebied met verschillende functies, waarbij het wonen in 28

burgerwoningen de boventoon voert. De voorgenomen ontwikkeling sluit hier goed op aan, waarmee de ontwikkeling goed past binnen de uitstraling en karakteristiek van het gebied. Voor wat betreft de aard van de beoogde functie en de mogelijke hinder wordt gekeken naar de effecten van een ontwikkeling op de omgeving. Daarbij wordt gekeken naar eventuele milieuhinder op nabijgelegen gevoelige functies en eventuele problemen met de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een agrarisch verwant bedrijf en wordt uitsluitend voorzien in een burgerwoning. Burgerwoningen veroorzaken geen hinder aan gevoelige objecten. Omdat het huidige agrarisch verwante bedrijf een grotere milieuhinder veroorzaakt dan het gewenste gebruik als burgerwoning is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een afname van de milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarmee juist een positief effect op de gevoelige objecten in de omgeving. Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1), geen van de omliggende functies in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Daarnaast zal de beëindiging van het agrarisch verwant bedrijf leiden tot een afname van het verkeer van en naar de locatie.

Er zal uitsluitend nog sprake zijn van het bestaande personenvervoer bij de om te schakelen woning en niet langer van bedrijfsmatig verkeer, waaronder vrachtverkeer en landbouwverkeer. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee eerder een positief effect hebben op de verkeersafwikkeling en op de verkeersveiligheid. Voor wat betreft de aard van de omgeving wordt gekeken naar het type gebied waarin een ontwikkeling plaatsvindt. In een rustige woonomgeving kan een nieuwe ontwikkeling een andere impact hebben dan in een gemengd gebied. Daarnaast wordt gekeken of een ontwikkeling een negatief effect heeft op de omgeving of niet. De locatie is gelegen in een gebied waarin verschillende functies naast elkaar voorkomen. Het betreft voornamelijk burgerwoningen met enkele agrarische bedrijven en een enkele niet-agrarische functie. Het wonen in burgerwoningen voert steeds meer de boventoon in het gebied, waarmee het gebied steeds meer van een gemengd gebied transformeert naar een rustige woonomgeving. De voorgenomen ontwikkeling sluit hier goed op aan. Daarnaast zal het gewenste gebruik als burgerwoning geen hinder veroorzaken aan de woningen in de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een agrarisch verwant bedrijf beëindigd. Daarbij zal de hinder aan de omgeving afnemen omdat niet langer sprake is van bedrijfsmatige activiteiten.

De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen negatief effect, maar eerder een positief effect hebben op de omgeving, zeker op de vele burgerwoningen in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee goed bij de aard van de omgeving. Voor wat betreft de uitstraling van de beoogde functie wordt gekeken naar de (beeld)kwaliteit van de bebouwing en de uitstraling van het erf en of deze passen bij de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een deel van de voormalige bedrijfsbebouwing gesloopt. De nieuw te bouwen tijdelijke mantelzorgwoning krijgt een eigentijdse, bij het gebied passende uitstraling. Daarmee zal de beeldkwaliteit op de locatie worden bevorderd. Daarnaast wordt ter plaatse, zoals nader beschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Na realisatie van het project heeft de locatie een uitstraling als een rustig woonerf. Dit sluit goed aan bij de vele woningen in de omgeving. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling goed binnen de uitgangspunten voor het gebied 'Landelijk gebied, verweving van functies' en past deze goed in de omgeving waarin de locatie is gelegen.

Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in het rapport "Kansen voor Kwaliteit", een afwegingskader voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing van de gemeente Meierijstad.

29

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijke- en milieuaspecten

Milieu

4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De richtafstanden van de VNG handreiking gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'.

In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is een gebied waar meerdere functies (bijvoorbeeld wonen en bedrijvigheid) naast elkaar voorkomen. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Gezien de aard van het gebied waarin het plangebied is gelegen, de menging van functies in het gebied en de ligging nabij een drukke ontsluitingsweg (de Boxtelseweg), kan het gebied waarin het plangebied is gelegen worden beschouwd als een 'gemengd gebied'. Dit houdt in dat voor wat betreft de richtafstanden uit de VNG handreiking één stap terug gedaan mag worden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een agrarisch verwant bedrijf waarbij de huidige bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Burgerwoningen veroorzaken geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving en hebben daarmee geen nadelige invloed op andere gevoelige objecten in de omgeving. De gronden achter de woonbestemming betreft slechts agrarisch landschap en agrarisch gebruik. Bovendien blijft er een zeer kleinschalig hoveniers-/loonwerkbedrijf aan huis actief, dat valt onder de noemer 'beroep aan huis'.

Deze bedrijvigheid, met een oppervlakte van slechts maximaal 100 m2, is ondergeschikt aan de woning en valt in een lagere milieucategorie dan de huidige bedrijvigheid. Hierdoor zal eventuele milieuhinder voor de omgeving alleen maar afnemen. De activiteiten van het bedrijf omvatten hoofdzakelijk het opslaan van gereedschap en kleine werktuigen, terwijl de feitelijke werkzaamheden elders worden uitgevoerd. Hierdoor wordt een minimale impact op de directe omgeving gegarandeerd. Voor volledigheid wordt de activiteit nogmaals getoetst aan de categorie 'plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven, b.o. < 500 m2'. Gezien de aanwezige functiemenging in de omgeving, is het gerechtvaardigd om deze categorie te handhaven. Conform de VNG Bedrijven en Milieuzonering valt deze activiteit onder categorie B, zoals beschreven: 'Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.' Er wordt ruimschoots voldaan aan de voorwaarde die hoort bij categorie B. Tussen de locatie van de activiteiten en de naastgelegen burgerwoning bevinden zich twee bouwkundige afscheidingen (wanden). Hiermee wordt aan de gestelde eisen voldaan, waardoor de activiteit op een passende manier kan worden uitgeoefend zonder nadelige gevolgen voor de omgeving.

Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden 30

van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een bestaande bedrijfswoning worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Omdat dit mogelijk van invloed kan zijn op omliggende bedrijven dient dit te worden gezien als zijnde een nieuw gevoelig object, ook al is er in feite geen sprake van een verandering. Daarnaast wordt een tijdelijke mantelzorgwoning opgericht. Ook dit kan worden aangemerkt als een gevoelig object. Om deze reden is een nadere afweging noodzakelijk of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk leidt tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven en/of functies. In de nabije omgeving zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Burgerwoningen zijn zelf gevoelige objecten en veroorzaken geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving. De omliggende burgerwoningen worden dan ook niet in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt door de komst van andere gevoelige objecten. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een mogelijke beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de burgerwoningen in het gebied.

Verder zijn er nabij de locatie (binnen ongeveer 200 meter) de volgende inrichtingen en/of functies gelegen: Schrijvershoef 6: Agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij, met als nevenactiviteit een winkel in streekeigen producten. Schrijvershoef 11-11a: Een burgerwoning met als bedrijf aan huis de opslag ten behoeve koelingsinstallatiebedrijven. Schrijvershoef 13: Een agrarisch bedrijf, zijnde een grondgebonden melkrundveehouderij. Boxtelseweg 15: Een horecabedrijf, zijnde een restaurant en zalencomplex. Schrijvershoef 6: Aan de Schrijvershoef 6 is een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij gevestigd met als nevenactiviteit het verkopen van streekeigen producten in een landwinkel/groentenwinkel. Voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij, geldt vanuit de VNG handreiking als grootste richtafstand een afstand van 30 meter. Voor verkoop van streekproducten aan huis geldt als grootste richtafstand een afstand van 10 meter. Omdat de locatie en het bedrijf aan de Schrijvershoef 6 in een gemengd gebied gelegen zijn mag voor wat betreft de richtafstanden één stap terug worden gedaan. Daarmee geldt als grootste richtafstand een afstand van 10 meter. Het betreffende bedrijf is, gemeten van bestemmingsgrens tot de zijde van het gevoelig object, gelegen op een afstand van ongeveer 16 meter, waarmee aan de richtaftanden wordt voldaan.

Het betreffende bedrijf zal daarmee niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Schrijvershoef 11-11a: Aan de Schrijvershoef 11-11a is een burgerwoning gelegen. Bij deze burgerwoning vindt als bedrijf aan huis echter ook opslag ten behoeve van koelinstallatiebedrijven plaats. Omdat sprake is van uitsluitend opslag van materialen geldt vanuit de VNG handreiking als grootste richtafstand een afstand van 30 meter. Omdat de locatie en het bedrijf aan de Schrijvershoef 11-11a in een gemengd gebied gelegen zijn mag voor wat betreft de richtafstanden één stap terug worden gedaan. Daarmee geldt als grootste richtafstand een afstand van 10 meter. De betreffende woning met bedrijf aan huis is, gemeten van bestemmingsgrens tot de zijde van het gevoelig object, gelegen op een afstand van ongeveer 115 meter van de locatie. Daarmee wordt ruimschoots aan de richtafstanden voldaan. Daarnaast wordt de betreffende woning met het bedrijf aan huis al eerder beperkt door dichterbij gelegen burgerwoningen. De betreffende woning met bedrijf aan huis zal daarmee niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Schrijvershoef 13: Aan de Schrijvershoef 13 is een agrarisch bedrijf, zijnde een grondgebonden melkrundveehouderij gelegen. Voor een melkrundveehouderij geldt vanuit de VNG handreiking als grootste richtafstand een afstand van 100 meter. 31

Omdat de locatie en het bedrijf aan de Schrijvershoef 13 in een gemengd gebied gelegen zijn mag voor wat betreft de richtafstanden één stap terug worden gedaan. Daarmee geldt als grootste richtafstand een afstand van 50 meter. Het betreffende bedrijf is, gemeten van bestemmingsgrens tot de zijde van het gevoelig object, gelegen op een afstand van ongeveer 170 meter van de locatie. Daarmee wordt ruimschoots aan de richtafstanden voldaan. Daarnaast wordt het betreffende bedrijf al eerder beperkt door dichterbij gelegen burgerwoningen. Het betreffende bedrijf zal daarmee niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Boxtelseweg 15: Aan de Boxtelseweg 15 is een horecabedrijf, zijnde een restaurant en zalencomplex gelegen. Voor een dergelijke inrichting geldt vanuit de VNG handreiking als grootste richtafstand een afstand van 30 meter. Omdat de locatie en het bedrijf aan de Boxtelseweg 10 in een gemengd gebied gelegen zijn mag voor wat betreft de richtafstanden één stap terug worden gedaan. Daarmee geldt als grootste richtafstand een afstand van 10 meter. Het betreffende horecabedrijf is, ggemeten van bestemmingsgrens tot de zijde van het gevoelig object, gelegen op een afstand van ongeveer 103 meter, waarmee ruimschoots aan de richtafstanden wordt voldaan. Daarnaast wordt het betreffende horecabedrijf al eerder beperkt door dichterbij gelegen burgerwoningen.

Het betreffende horecabedrijf zal daarmee niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gezien het voorgaande zullen geen van de omliggende bedrijven en/of functies onevenredig in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van de bedrijvigheid op de locatie.

De aanwezige bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Daarnaast wordt het bouwvlak gewijzigd zodat er een tijdelijke mantelzorgwoning gerealiseerd kan worden op het perceel. De woning en mantelzorgwoning veroorzaken geen geurhinder naar de omgeving. Ter plaatse zal eveneens geen sprake zijn van het houden van dieren, waarmee geen sprake is van een inrichting met een emissie van geur. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan andere gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat er geen sprake mag zijn van een onevenredige geurhinder aan de omgeving moet ter plaatse van de woningen sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor wat betreft geur dient te worden bekeken of er ter plaatse sprake is van mogelijke geurhinder die de normen overschrijdt. In de omgeving van de locatie is één veehouderij gevestigd, te weten een grondgebonden melkveehouderij. Het bedrijf ligt op een afstand van 164 meter van de locatie, gemeten van bouwvlak tot bouwvlak. De dieren 32

die hier gehouden worden hebben geen geuremissie, hierdoor dient getoetst te worden aan de geldende vaste afstanden. Aan de minimale afstand van 50 meter wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast wordt het betreffende bedrijf al eerder beperkt door dichterbij gelegen burgerwoningen. Het betreffende bedrijf zal daarmee niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Verder zijn er geen andere activiteiten in de omgeving die mogelijk kunnen leiden tot een onevenredige geurhinder op de locatie. Het is daarmee aannemelijk dat op het gebied van geur ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant (ODZOB) heeft voor heel het grondgebied van de provincie Noord-Brabant de achtergrondbelasting voor geur berekend op basis van de actuele vergunningen. De uitkomsten van deze berekeningen hebben zij in een kaart van de achtergrondbelasting voor geur verder in beeld gebracht. Zoals blijkt uit gegevens van deze kaart, zoals te zien in de volgende figuur, bedraagt de achtergrondbelasting ter plaatse tussen de 0 en 3 odeurunits per kubieke meter lucht, wat gelijk staat aan een zeer goed woon- en leefklimaat op het gebied van geur.

Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur Bron: ODZOB. Op basis van het voorgaande kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor geur worden geborgd.

4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NOx ).

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim 33

worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is opgenomen hoe wordt omgegaan met woningen in het kader van NIBM. Vanuit deze regeling is, in bijlage 3a, voor woningbouwlocaties opgenomen dat deze als NIBM worden beschouwd als sprake is van niet meer dan 1.500 nieuwe woningen wanneer er één ontsluitingsweg aanwezig is en niet meer dan 3.000 nieuwe woningen wanneer er twee ontsluitingswegen aanwezig zijn. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en de realisatie van een mantelzorgwoning. Hiermee is sprake van een NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen.

Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en de realisatie van een mantelzorgwoning. Een burgerwoning en mantelzorgwoning dient te worden beschouwd als een gevoelig object op het gebied van luchtkwaliteit. Hiermee dient nader te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd. Daarbij zijn de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden leidend.

Vanuit landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor fijnstof wanneer de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden niet meer bedragen dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³). Volgens gegevens uit de Altas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de gegevens uit de Monitoringstool van het NSL zijn verwerkt, bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden, zoals weergegeven in de volgende figuren, ter plaatse ongeveer 15,8 µg/m³ (PM10) en 2,5 µg/m³ (NO2). De achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden bedragen daarmee ter plaatse (aanzienlijk) minder dan 40 µg/m³. Tenslotte wordt er ook voldaan aan de maximale jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM2,5) die uitkomt op circa 9 µg/m³ (maximum is 25 µg/m³) Hierdoor is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit.

34

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof (PM10). Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

35

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof (PM2,5). Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM. Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

4.1.4 Volksgezondheid Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht. 4.1.4.1 Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 Middels de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking.

De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk wordt geacht. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is het stappenplan uit de handreiking gevolgd. In het stappenplan wordt aan de reeks van een aantal vragen bepaald of nader advies van de GGD nodig is. De toetsing aan het stappenplan is als volgt: Stap 1: Endotoxinen: Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van varkens en/of het houden van pluimvee. Wel wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning en wordt een nieuwe mantelzorgwoning opgericht. Binnen 200 meter van de locatie zijn echter, gemeten vanuit de gewenste bouwvlakken na realisatie van het project, geen varkenshouderijen gelegen. Tevens zijn binnen 1.000 meter van de locatie geen pluimveehouderijen gelegen. 36

Stap 2: Emissies: De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Er is immers geen sprake van een veehouderij. Burgerwoningen zijn ook geen inrichtingen met een onevenredige emissie van geur, fijnstof en/of ammoniak. Stap 3: Geur: Er is geen sprake van het houden van dieren. Ten aanzien van veehouderijen in de omgeving wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2), aan de vaste afstanden en/of geurnormen voldaan. Tevens kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van geur worden geborgd. Aan het wettelijk kader ten aanzien van geur wordt daarmee voldaan. Aan de gezondheidskundige advieswaarde ten aanzien van geur wordt eveneens voldaan. Stap 4: Gecombineerde diersoorten: Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen dieren gehouden. Er is in de nabije omgeving ook geen sprake van een inrichting waarop meerdere diersoorten gecombineerd worden gehouden. Tevens is geen sprake van een kleinere afstand dan 100 meter tot varkens- en/of pluimveehouderijen. Stap 5: Varkens-, pluimvee- en geitenhouderijen: Binnen 1 kilometer van de locatie zijn geen pluimveehouderijen gelegen. Daarnaast zijn binnen 200 meter van de locatie geen varkenshouderijen gelegen. Wel zijn binnen 2 kilometer van de locatie twee geitenhouderijen (aan de Oetelaarsestraat 29 en de Boxtelseweg 10) gelegen.

Tevens is binnen 250 meter van de locatie een overige veehouderij gelegen, zijnde een melkrundveehouderij (Schrijvershoef 13). Op basis van het voorgaande dient bij de GGD een nader advies te worden ingewonnen. Stap 6: Mestbewerking en/of -verwerking: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de bewerking en/of verwerking van mest. Stap 7: Ongerustheid bij omwonenden: Er is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden. Op basis van voorgaande dient vanuit het stappenplan uit de handreiking een advies van de GGD te worden ingewonnen. De GGD heeft een portaal gemaakt waarmee gemeenten en initiatiefnemers zelf in staat zijn voor kleine ontwikkelingen (zoals de voorgenomen ontwikkeling) gezondheid mee te nemen in de beoordeling. Deze toets is opgenomen in bijlage . De gemeente Meierijstad dient daarbij een afweging te maken of sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. 4.1.4.2 Volksgezondheid ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 2.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Vanuit het toetsingskader kan worden gesteld dat wanneer een gevoelig object buiten de richtafstanden voor varkensen pluimveehouderijen is gelegen er geen sprake zal zijn van een onevenredig verhoogd risico voor de volksgezondheid.

Voor varkenshouderijen ligt de richtafstand op 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze 1.000 meter. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van varkens en/of het houden van pluimvee. Wel is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van het omschakelen van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en het oprichten van een mantelzorgwoning, welke kunnen worden aangemerkt als gevoelige objecten. Binnen 200 meter van de locatie zijn echter geen varkenshouderijen gelegen. Tevens zijn binnen 1.000 meter van de locatie geen pluimveehouderijen gelegen. Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen. 37

4.1.4.3 Volksgezondheid ten aanzien van geitenhouderijen Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking. Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van geiten. Wel is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van het omschakelen van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en het oprichten van een mantelzorgwoning, welke kunnen worden aangemerkt als gevoelige objecten. Op ongeveer 1.900 meter van de locatie van de woning (en 1.910 meter van de mantelzorgwoning) is een geitenhouderij gelegen met een vergunning voor het houden van 480 geiten en 960 opfokgeiten (Oetelaarsestraat 29). Daarnaast bevindt zich op circa 400 meter (van de mantelzorgwoning en 410 van de woning) een andere geitenhouderij, te weten op de Boxtelseweg 10).

De om te schakelen agrarische bedrijfswoning aan de Schrijvershoef is al in gebruik als woning en dit zal met de voorgenomen ontwikkeling zo blijven. Er is daarmee geen sprake van een wijziging van het gebruik en/of een toename van het aantal blootgestelden. Voor wat betreft de omschakeling van de bedrijfswoning naar een burgerwoning zijn daarmee geen verhoogde risico's ten aanzien van de volksgezondheid te verwachten. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en/of de volksgezondheid negatief beïnvloedt. De meeste ziektekiemen worden verspreid door middel van fijnstof. De ziektekiemen hechten zich aan het fijnstof en worden op die manier door de lucht verplaatst. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Luchtkwaliteit (paragraaf 4.1.3 Luchtkwaliteit) is de concentratie fijnstof op de locatie (zeer) beperkt en is deze voornamelijk afkomstig uit de directe omgeving van de locatie. Daarmee is de kans op het binnenkrijgen van ziektekiemen vanaf de betreffende geitenhouderijen, die zich op grote afstand bevinden (1,9 kilometer en 400 meter) zeer beperkt. Daarnaast is in Nederland sprake van overwegend zuidwestelijke wind. Dat wil zeggen dat de wind in overwegende mate vanuit zuidwestelijke richting over het land waait.

Beide geitenhouderijen zijn niet in de overheersende windrichting gelegen, waardoor de mogelijke ziektekiemen en/of zoönosen juist het vaakst van de locatie af waaien. Verder zullen de bewoners en eventueel toekomstige bewoners van de woning en mantelzorgwoning bewust worden gemaakt van het feit dat er binnen 2 kilometer geitenhouderijen gevestigd zijn. Daarmee zijn eventuele kopers op de hoogte van de mogelijke risico's voor de volksgezondheid, waarmee zij zelf een afweging kunnen maken of zij op een dergelijke afstand van een geitenhouderij willen wonen. Daarmee wordt het risico voor de volksgezondheid als gering en aanvaardbaar geacht. Afwegingskader Geitenhouderijen Meierijstad Het college van B&W van Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen een straal van 2 kilometer van het plangebied liggen twee geitenhouderijen. Op ongeveer 1.900 meter van de locatie van de woning (en 1.910 meter van de mantelzorgwoning) is een geitenhouderij gelegen met een vergunning voor het houden van 480 geiten en 960 opfokgeiten (Oetelaarsestraat 29).

Daarnaast bevindt zich op circa 400 meter (van de mantelzorgwoning en 410 van de woning) een andere geitenhouderij, te weten op de Boxtelseweg 10). De ontwikkeling moet getoets worden aan dit afwegingskader. Dit betekend het volgende: Een uitbreiding van het aantal geiten in bestaande stallen of gebouwen wordt niet toegestaan, tenzij er geen gezonheidskundige bezwaren daarvoor zijn. Bij voorliggende ontwikkeling is geen sprake van de uitbreiding van het aantal geiten. 38

Binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen doet zich, vooralsnog, een extra risico voor. Daarom hanteert het college daar een extra zorgvuldigheid. Dat betekent dat met plannen voor het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen sowieso terughoudend omgegaan wordt. Er bestaat géén hard afwegingskader voor de toetsing van bouwplannen. Locatie, omgeving, het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn telkens anders en vragen om maatwerk . Het gezondheidsbelang wordt daarbij afgezet tegen bijvoorbeeld volkshuisvestelijke, sociale, economische en financiële belangen. De planlocatie ligt binnen de straal van 2 kilometer. Echter is er met het voorgenomen initiatief geen sprake van het huisvesten/opvangen van kwetsbare mensen of kinderen. Daarnaast is er al sprake van een bestaande woning. Aanvragers van plannen en nieuwe potentiele bewoners in het gebied worden geïnformeerd over het risico. Ook wordt hen gevraagd een verklaring daarover te onderteken. De nieuwe bewoners zijn op de hoogte gesteld van de risico's ten opzichte van de geitenhouderijen en zullen hiervoor een verklaring ondertekenen. Ten aanzien van de ligging ten opzichte van de betreffende geitenhouderijen dient nader advies bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) te worden ingewonnen.

4.1.4.4 Volksgezondheid ten aanzien van overige veehouderijen Binnen een straal van 250 meter bevinden zich verder geen veehouderijen. De dichtsbijzijnde veehouderij is de grondgebonden melkrundveehouderij, te weten aan de Schrijvershoef 13. Aan de wettelijke afstanden ten aanzien van deze veehouderij wordt echter voldaan. Zowel de wettelijke normen (en afstanden) als de advieswaarden voor geur worden niet overschreden. Daarnaast is in Nederland sprake van overwegend zuidwestelijke wind. Dat wil zeggen dat de wind in overwegende mate vanuit zuidwestelijke richting over het land waait. De betreffende melkrundveehouderij niet in de overheersende windrichting gelegen, waardoor de mogelijke ziektekiemen en/of zoönosen juist het vaakst van de locatie af waaien. Verder zullen de bewoners en eventueel toekomstige bewoners van de woning en mantelzorgwoning bewust worden gemaakt van het feit dat er binnen 250 meter een melkrundveehouderij gevestigd is. Daarmee zijn eventuele kopers op de hoogte van de mogelijke risico's voor de volksgezondheid, waarmee zij zelf een afweging kunnen maken of zij op een dergelijke afstand van een melkrundveehouderij willen wonen. Daarmee wordt het risico voor de volksgezondheid als gering en aanvaardbaar geacht.

Ten aanzien van de ligging ten opzichte van de betreffende melkrundveehouderij dient nader advies bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) te worden ingewonnen. 4.1.4.5 Advies GGD Ten aanzien van de afstand tot de betreffende geitenhouderijen en tot de betreffende melkrundveehouderij wordt nader advies bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk geacht. Voor kleinere initiatieven (zoals deze) kan er op basis van het portaal van de GGD beoordeelt worden hoe er rekening gehouden kan worden met gezondheidsaspecten. Dit advies is bijgevoegd in bijlage 3. Op basis daarvan neemt de gemeente Meierijstad een besluit of sprake is van een aanvaardbaar risico voor de volksgezondheid.

4.1.5 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische 39

kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een inrichting die geluidhinder veroorzaakt. Een burgerwoning en mantelzorgwoning zijn immers geen inrichtingen met activiteiten die geluidhinder veroorzaken en/of statische geluidsbronnen. Er zal daarmee geen sprake zijn van geluidhinder aan de omgeving.

Voor de gewenste bedrijvigheid aan huis is reeds een melding Activiteitenbesluit Milieubeheer gedaan. Hierbij zijn de milieuaspecten reeds getoetst en akkoord bevonden. Op de bedrijvigheid zijn daarnaast te allen tijde de normen uit het Activiteitenbesluit Milieubeheer van toepassing. Daarmee is geborgd dat de bedrijven ten aanzien van gevoelige objecten en/of elkaar geen onevenredige hinder veroorzaken op het gebied van geluid. Vanuit het Activiteitenbesluit Milieubeheer geldt dat wanneer binnen 50 meter van de inrichting een gevoelig object is gelegen, alleen een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als sprake is van transportbewegingen met vrachtverkeer en als dit meer dan 4 transportbewegingen in de avond- en/of nachtperiode betreft. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van meer dan 4 transportbewegingen in de avond- en/of nachtperiode met vrachtverkeer. Daarnaast is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van statische geluidsbronnen, waarmee nader akoestisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Bij de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een burgerwoning en een mantelzorgwoning. De burgerwoning is vanuit de Wgh aan te merken als een geluidsgevoelig object. Om aan te tonen of de geluidbelasting op de gevel de wettelijke norm zal overschrijden dient er gekeken te worden naar industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Verder gaat de Wet geluidhinder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingskaarten en actieplannen. In de nabije omgeving van de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Dit zijn geen inrichtingen die geluidhinder veroorzaken, waarmee vanuit de omliggende burgerwoningen geen sprake zal zijn van industrielawaai op de locatie. Verder zijn in de omgeving slechts in beperkte mate inrichtingen gelegen. Deze moeten op het gebied van geluid echter al voldoen aan de wettelijke normen op dichterbij gelegen woningen. Omdat de normen op deze dichterbij gelegen woningen al niet mogen worden overschreden zal ter plaatse van de om te schakelen woning en de nieuwe mantelzorgwoning ook geen sprake zijn van een overschrijding van de wettelijke normen. Er zal daarmee geen sprake zijn van geluidhinder als gevolg van industrielawaai. De burgerwoning is gelegen binnen de geluidzone van de Boxtelseweg en de Schrijvershoef. De normstelling van Wet geluidshinder mag niet meer bedragen dan 48 dB. Wanneer de geluidsbelasting niet hoger is dan 48 dB vanwege het verkeer op deze wegen, dan vormt wegverkeerslawaai geen belemmering voor het plan. Het volgende kan in acht genomen worden: Het verkeer op de Schrijvershoef is circa 650 motorvoertuigen per etmaal. De woning staat op ongeveer 12 meter afstand van de wegas.

Deze afstand, in combinatie met het beperkte verkeer over deze weg, zal gezien het geringe aantal en de afstand, niet zorgen voor een hogere geluidbelasting dan 48 dB op de gevel van de mantelzorgwoning. De afstand tussen de woning en de as van de Boxtelseweg is met meer dan 250 meter dermate groot 40

dat gesteld kan worden dat de geluidbelasting ter hoogte van de mantelzorgwoning lager is dan 48 dB. Daarnaast is het bijkomend voordeel dat het bodemgebied tussen de mantelzorgwoning en de Boxtelseweg voornamelijk bestaat uit zacht bodemgebied, wat een positief effect heeft op de geluidbelasting bij zowel de mantelzorgwoning als de burgerwoning. Er kan gesteld worden dat onder de gestelde norm gebleven zal worden en dat een akoestisch onderzoek hierdoor niet direct noodzakelijk is. Er zijn in de omgeving geen spoorwegverbindingen gelegen die kunnen leiden tot een onevenredige geluidhinder ter plaatse. Er zal daarmee geen sprake zijn van spoorweglawaai ter plaatse van de locatie. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai en kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid worden geborgd.

4.1.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. In de navolgende paragraaf worden beide begrippen verder uitgewerkt. In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Deze begrippen zijn als volgt nader te omschrijven: Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico: Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij hetmaken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.

In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

41

Tabel wanneer verantwoording van het groepsrisico. Bron: Omgevingsdienst. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz.. Overige wet- en regelgeving: Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit Milieubeheer, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations'. Voldaan wordt aan de in de voornoemde wet- en regelgeving opgenomen veiligheidsafstanden. Toetsing aan de normen uit overige wet- en regelgeving geeft dan ook geen belemmering voor het plan. 4.1.6.1 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geldt voor bedrijven en inrichtingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en waarvoor een risicocontour is vastgelegd.

Voor dergelijke inrichtingen en bedrijven geldt een verantwoordingsplicht wanneer binnen de risicocontour van die inrichting of dat bedrijf een ruimtelijk besluit genomen wordt. De risicovolle inrichtingen en bedrijven zijn geïnventariseerd en in kaart gebracht in de Risicokaart van het Interprovinciaal Overleg (IPO). In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=413524d2-3a23-4e16-8502-e90f8b925c3c