Bijlage 1 - bp, toelichting en regels Schrijvershoef 7
Tekst van het document
LANDELIJK GEBIED, HERZIENING SCHRIJVERSHOEF 7 bestemmingsplan
Landelijk gebied, herziening Schrijvershoef 7 bestemmingsplan
Projectleider Bouw Dhr. E. Pijnappels Adviseur Ruimtelijke Ordening Dhr. K. Oostendorp Advieseur Ruimtelijke Ordening Mw. E. Dortmans
Datum: 21-12-2023
2
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend bestemmingsplan
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
Landschappelijk inrichtingsplan Situatietekening op schaal Advies GGD Bodemonderzoek Resultaten Aerius berekening Resultaten berekening Aerius aanlegfase Quickscan flora en fauna Omgevingsdialoog
Planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch Artikel 4 Wonen Artikel 5 Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle elementen Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Artikel 7 Algemene bouwregels
6 6 6 7 13 14 14 15 18 18 21 26 30 30 46 51 54 55 58 58 58 60 60 60 62
63 64 84 86 91 160 168 179 230
235 236 236 244 245 245 247 254 255 255 256 3
Artikel 8 Algemene gebruiksregels Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht Artikel 12 Slotregel
Bijlagen bij de regels Bijlage 1
Landschappelijk inrichtingsplan
257 261 262 264 264 265
267 268
4
T oelichting
5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het plan
Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Landelijk gebied" van de voormalige gemeente Schijndel (tegenwoordig gemeente Meierijstad) ten behoeve van het beëindigen van het agrarisch verwante bedrijf aan de Schrijvershoef 7 te Schijndel, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Middels de zogenaamde sloop-bonus regeling uit het bestemmingsplan "Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit" wordt het behoud van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning toegestaan, mede ten behoeve van het uitvoeren van een bedrijf aan huis in de vorm van een kleinschalig hoveniers- en loonwerkbedrijf, ondergeschikt aan de woonfunctie. Tevens zal, vergunningsvrij, een mantelzorgwoning worden opgericht. Deze zal van tijdelijke aard zijn en worden verwijderd als er niet langer een noodzaak voor mantelzorg aanwezig is. Omdat deze mantelzorgwoning op de gewenste plaats niet binnen het bouwvlak past, maar dit wel vereist is, is eveneens een verandering van het bouwvlak noodzakelijk. Daarbij zal het huidige bouwvlak eveneens worden verkleind. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.
Het geldende bestemmingsplan bevat een wijzigingsbevoegdheid om de bedrijfsbestemming om te schakelen naar een woonbestemming. Echter kan het behoud van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning daarmee niet mogelijk worden gemaakt. Het bestemmingsplan "Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit" van de gemeente Meierijstad heeft hiervoor wel een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Omdat deze echter formeel juridisch niet in één procedure gelijktijdig kan worden toegepast met de wijzigingsbevoegdheid kan hiervan geen gebruik worden gemaakt. De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.2
Planlocatie
De planlocatie is gelegen aan de Schrijvershoef 7 te Schijndel en ligt aan de zuidwest kant van Schijndel in het landelijk gebied van gemeente Meierijstad. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Schijndel, sectie L, nummer 366. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
6
Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: Atlas Leefomgeving.
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" van de gemeente Meierijstad, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 24 april 2014, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur zijn ter plaatse de bestemmingen 'Bedrijf - Agrarisch verwant' en 'Agrarisch met waarden - Kleinschalig landschap' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch verwant 5', 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied', 'wro-zone - esdek', 'wro-zone - wijzigingsgebied bebouwingsconcentratie' en 'wro-zone - omgevingsvergunning historische verkavelingsstructuren' van toepassing.
7
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. In het geldende bestemmingsplan is in artikel 9.8.4 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de bedrijfsbestemming van het agrarisch verwant bedrijf kan worden omgezet naar een woonbestemming. Omdat echter eveneens sprake is van een aanpassing van het bestemmingsvlak/bouwvlak, omdat eveneens gebruik wordt gemaakt van de zogenaamde sloop-bonus regeling en sprake zal zijn van een kleinschalig beroep of bedrijf aan huis, kan formeel juridisch gezien geen toepassing worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid. Wel biedt de wijzigingsbevoegdheid een goed toetsingskader voor de gewenste ontwikkeling. Derhalve is alsnog aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid getoetst. De voorwaarden uit de betreffende wijzigingsbevoegdheid luiden als volgt: "9.8.4 Wijziging naar Wonen Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming (deels) wijzigen in de bestemming Wonen, waarbij na bedrijfsbeëindiging de verbouw van een voormalige bedrijfswoning of voormalig (woon)boerderijpand voor woondoeleinden kan worden toegestaan; tevens kan daarbij, mits het betreft (woon)boerderijpanden met cultuurhistorische waarden, woningsplitsing worden toegestaan. Een en ander mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.
met het initiatief (wijziging in de bestemming Wonen al dan niet met woningsplitsing) dient een gedegen landschappelijke inpassing plaats te vinden middels erfbeplanting (met voor het landschap kenmerkende soorten); de kwaliteitswinst blijkt uit een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; b. de bebouwde oppervlakte en inhoud van de voormalige bedrijfswoning (inclusief de inpandige stal / het inpandig deel) mag niet worden vergroot, met dien verstande dat: 1. de bebouwde oppervlakte van de bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 100 m² per woning; 2. indien sprake is van sloop van voormalige legale bedrijfsgebouwen, kan een bebouwde oppervlakte van bijgebouwen worden toegestaan van 100 m² vermeerderd met maximaal 25% van het meerdere van de bebouwde oppervlakte van de (voormalige) bedrijfsgebouwen, tot een totaal maximum van 200 m²; 3. sloop van cultuurhistorisch waardevolle panden is niet toegestaan; de bestaande situering van de bedrijfswoning mag niet worden gewijzigd; c. de gesloopte oppervlakte mag slechts éénmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen; d. voor woningsplitsing gelden de volgende aanvullende regels: 1. woningsplitsing is uitsluitend toegestaan in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing; de splitsing dient mede gericht te zijn op het behoud en/of herstel van deze cultuurhistorisch waardevolle bebouwing; 8
2. splitsing mag slechts in maximaal 2 woningen plaatsvinden; 3. de inhoud per gesplitste woning dient minimaal 400 m³ bedragen; 4. per gesplitste woning zijn bijgebouwen toegestaan met een totale maximale oppervlakte van 100 m²; voor het overige dienen bijgebouwen, voor zover zij niet cultuurhistorisch waardevol zijn, te worden gesloopt; 5. de splitsing dient te passen binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma; e. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie; f. voldaan wordt aan de bepalingen bij of krachtens de Wet geluidhinder; g. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; h. de wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied; i. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; j. de regels van Artikel 26 Wonen worden van overeenkomstige toepassing verklaard." Ad. artikel 9.8.4, sub a: Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), wordt ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing.
Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 1 van deze toelichting), waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Ad. artikel 9.8.4, sub b: Er is geen sprake van een vergroting van de inhoud van de woning. Ter plaatse is momenteel meer dan 100 m² aan bedrijfsgebouwen aanwezig. Het is wenselijk een deel daarvan te behouden als bijgebouwen bij de woning. Op basis van de sloop-bonus regeling uit het bestemmingsplan "Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit" kan dit mogelijk worden gemaakt door een deel van de bedrijfsbebouwing te slopen. Dit is nader uitgewerkt in de toetsing aan de voorwaarden van de sloop-bonus regeling bij de verdere uiteenzetting van het bestemmingsplan "Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit". Ad. artikel 9.8.4, sub c: De te slopen oppervlakte aan bedrijfsgebouwen wordt niet meer dan één maal in aanmerking genomen voor het mogelijk maken van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning. Ad. artikel 9.8.4, sub d: Er is geen sprake van woningsplitsing. Ad. artikel 9.8.4, sub e: Zoals nader is omschreven in de paragraaf "Bodem" (paragraaf 4.1.7) is ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een bodemonderzoek uitgevoerd, waaruit blijkt dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de gewenste ontwikkeling. Ad.
artikel 9.8.4, sub f: Zoals nader is omschreven in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.5) wordt met de voorgenomen ontwikkeling aan de bepalingen krachtens de Wet geluidhinder voldaan. Ad. artikel 9.8.4, sub g: Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1) kan op elk van de van belang zijnde milieuaspecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden geborgd. Ad. artikel 9.8.4, sub h: Zoals nader omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de bodem, de waterhuishouding, de natuur, het landschap en/of cultuurhistorische waarden. Met de voorgenomen landschappelijke inpassing wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit en daarmee aan de landschappelijke 9
waarde van het gebied. Ad. artikel 9.8.4, sub i: Zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de belangen en/of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en bestemmingen. Ad. artikel 9.8.4, sub j: De regels behorende bij dit plan zijn opgebouwd op basis van de regels voor de bestemming 'Wonen' uit het geldende bestemmingsplan, aangevuld met de regels voor wonen in het buitengebied zoals zijn opgenomen in het bestemmingsplan "Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit". Zoals blijkt uit het voorgaande kan met de voorgenomen ontwikkeling aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid en de aanvullingen daarop uit het bestemmingsplan "Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit" worden voldaan. De voorgenomen ontwikkeling kan daarmee mogelijk worden gemaakt. Het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" is op bepaalde punten geactualiseerd. Hiertoe heeft de gemeente op 24 september 2015 het bestemmingsplan "Landelijk gebied, Herijking" vastgesteld. Vanuit dit bestemmingsplan is eveneens de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle elementen' aan de locatie toegekend. Vanuit deze dubbelbestemming wordt ingezet op behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waardevolle elementen.
Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Cultuurhistorie" (paragraaf 4.3.2) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen. De voorgenomen ontwikkeling zal het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waardevolle elementen daarmee niet in de weg staan. Bij de gemeentelijke fusie is de voormalige gemeente Schijndel met andere gemeenten in de regio opgegaan in de gemeente Meierijstad. Omdat de voormalige gemeenten elk een eigen beleid hadden op verschillende onderdelen heeft de gemeente een nieuw bestemmingsplan opgesteld om voor de meest gangbare ontwikkelingen eenzelfde beleid te kunnen voeren. Hiertoe heeft de gemeente op 27 januari 2021 het bestemmingsplan "Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit" vastgesteld. In dit bestemmingsplan zijn beleidsregels opgenomen voor het wonen in het landelijk gebied. Vanuit artikel 7.4 van het bestemmingsplan "Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit" mag de oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning, in afwijking van het bepaalde in het bestemmingsplan "Landelijk gebied", niet meer dan 150 m² bedragen. De initiatiefnemer wenst echter een grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning te behouden.
Dit kan mogelijk worden gemaakt met toepassing van de afwijking zoals is opgenomen in artikel 7.15, de zogenaamde sloop-bonus regeling voor bijgebouwen. De voorwaarden hiervoor zijn als volgt: "7.15 Afwijkingsbevoegdheid voor het toestaan van een grotere oppervlakte van bijbehorende bouwwerken (sloop-bonus) Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.4 onder b, en een grotere oppervlakte van bijbehorende bouwwerken toestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. alle voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen worden gesloopt; b. cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is uitgezonderd van verplichte sloop; c. voor iedere m² aan bebouwing die gesloopt wordt, geldt dat per m² sloop er een vergroting van de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken plaats kan vinden van 0,5 m²; d. de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij een woning na toepassing van deze regeling bedraagt 300 m²; e. de overige bepalingen uit artikel 7.4 blijven onverminderd van toepassing." Ad. artikel 7.15, sub a: De voormalige bedrijfsgebouwen die niet worden behouden als bijgebouw bij de woning worden met de voorgenomen ontwikkeling gesloopt. 10
Ad. artikel 7.15, sub b: Er is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Ad. artikel 7.15, sub c: Er is vanuit het bestemmingsplan zonder toepassing van de sloop-bonus regeling maximaal 150 m² aan bijgebouwen bij de woning toegestaan. In totaal is sprake van 265 m² aan voormalige bedrijfsbebouwing. Dit betekent dat 115 m² aan voormalige bebouwing als overtollig wordt aangemerkt. Omdat voor iedere te slopen m² maximaal 0,5 m² aan extra bijgebouwen is toegestaan betekent dit dat 0,5 x 115 m² = 57,5 m² aan extra m² is toegestaan bovenop de normaal toegestane 150 m². In totaal kan daarmee op de locatie 207,5 m² aan bijgebouwen worden toegestaan. De rest van de voormalige bedrijfsgebouwen zal worden gesloopt. Ad. artikel 7.15, sub d: Het maximaal toelaatbare oppervlak van 300 m² wordt niet overschreden. Er is immers sprake van maximaal 207,5 m² aan bijgebouwen. Ad. artikel 7.15, sub e: De overige voorschriften uit artikel 7.4 blijven van toepassing en zijn overgenomen in de planregels behorende bij dit plan. Gezien het voorgaande kan aan de voorwaarden uit de afwijkingsmogelijkheid (sloop-bonus regeling) worden voldaan, waarmee toepassing kan worden gegeven aan de regeling om de grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning te verantwoorden.
Vanuit artikel 7.6 van het bestemmingsplan "Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit" kan, onder voorwaarden, een beroep of bedrijf aan huis mogelijk worden gemaakt tot een maximale oppervlakte van 100 m². De voorwaarden hiervoor zijn als volgt: "7.6 Gebruik van bebouwing voor een beroep of bedrijf aan huis Binnen een (bedrijfs)woning of in bijbehorende bouwwerken bij een woning is een beroep of bedrijf aan huis toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. het beroep of bedrijf aan huis vindt plaats in de (bedrijfs)woning en/of bijbehorende bouwwerken; b. het beroep of bedrijf aan huis ondersteunt de woonfunctie, dat wil zeggen dat degene die het beroep of bedrijf aan huis in de (bedrijfs)woning en/of bijbehorende bouwwerken uitoefent, tevens de hoofdbewoner van de (bedrijfs)woning is; c. het aantal werkzame personen bij een beroep of bedrijf aan huis bedraagt maximaal 2 personen, waaronder inbegrepen de eigenaar van de woning; d. maximaal 40% van de brutovloeroppervlakte van de (bedrijfs)woning en/of bijbehorende bouwwerk en is in gebruik ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis, met een absoluut maximum van 100 m²; e. het parkeren ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis vindt plaats op eigen terrein. f.
vanaf de openbare weg zichtbare excessieve reclame-uitingen zijn niet toegestaan, hiervoor gelden de regels van de welstandsnota; g. het beroep of bedrijf aan huis leidt niet tot een onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking in relatie tot de functie en aard van de omliggende weg(en); h. het beroep of bedrijf aan huis mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven. i. de belangen van derden (omwonenden) worden niet geschaad; j. het aan huis verbonden beroep of bedrijf komt voor in de milieucategorie 1 of 2 van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' of kan, voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt, gelijk gesteld worden aan een bedrijf behorende tot één van die milieucategorieën; k. er vindt geen buitenopslag plaats ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis; l. beroepen of bedrijven aan huis in vorm van detailhandel, uitgezonderd internetwinkels zonder afhaalpunt of showroom en productiegebonden detailhandel als nevenfunctie bij agrarische bedrijfswoningen, of in de vorm van horeca (uitgezonderd ondersteunende horeca als nevenactiviteit bij agrarische bedrijfswoningen) zijn niet toegestaan." 11
Ad. artikel 7.6, sub a: De activiteiten vinden plaats in de bestaande (voormalige) bedrijfsbebouwing, welke als bijgebouw bij de woning in gebruik wordt genomen. Ad. artikel 7.6, sub b: De uitvoerder van de activiteiten is tevens de hoofdbewoner van de woning. De activiteiten zijn kleinschalig van aard en ondergeschikt aan de woonfunctie. Ad. artikel 7.6, sub c: Het aantal werkzame personen zal niet meer dan maximaal 2 bedragen, waaronder de eigenaar van de woning. Ad. artikel 7.6, sub d: De oppervlakte van het te behouden bijgebouw bedraagt 207,5 m². De oppervlakte van de woning bedraagt ongeveer 100 m². In totaal bedraagt de oppervlakte van de woning en de daarbij behorende bouwwerken ongeveer 307,5 m². De oppervlakte van het beroep of bedrijf aan huis zal maximaal 100 m² bedragen. Dit betreft ongeveer 32,5% van de oppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen. Het maximaal toegestane oppervlak van 100 m² zal niet worden overschreden. Ad. artikel 7.6, sub e: Het parkeren vindt, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeer en parkeren" (paragraaf 4.4) geheel op eigen terrein plaats. Ad. artikel 7.6, sub f: Er zal geen sprake zijn van zichtbare excessieve reclame uitingen. Er zal worden voldaan aan de eisen uit de welstandsnota. Ad.
artikel 7.6, sub g: Zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeer en parkeren" (paragraaf 4.4) zal geen sprake zijn van een onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking. Ad. artikel 7.6, sub h: Er is geen sprake van nieuwe gevoelige functies en/of verblijfsruimten ten behoeve van het gewenste beroep of bedrijf aan huis. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven. Tevens is in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) aangetoond dat ook de volledige ontwikkeling, waarbij in feite wel sprake is van nieuwe gevoelige objecten, ook niet zal leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven en/of functies. Ad. artikel 7.6, sub i: Er is geen sprake van een belemmering van de belangen van derden. Ter plaatse zal de bedrijvigheid juist afnemen, waardoor er een verminderde hinder aan de omgeving zal zijn. Voor de gewenste bedrijvigheid aan huis is reeds een melding Activiteitenbesluit Milieubeheer gedaan, waarbij de milieuaspecten voor de bedrijvigheid reeds zijn getoetst en akkoord zijn bevonden. Daarnaast is, zoals beschreven in het voorgaande en in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1), geen sprake van een mogelijke beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven en/of functies. Ad.
artikel 7.6, sub j: Er is sprake van een activiteit die in de VNG handreiking "Bedrijven en Milieuzonering" is aan te merken als "Dienstverlening t.b.v. de landbouw en daarin nader gespecificeerd als algemeen (o.a. loonbedrijven) en/of plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven". Bij een oppervlakte van minder dan 500 m² zijn deze activiteiten vanuit de VNG handreiking aangemerkt als activiteiten in milieucategorie 2. Ad. artikel 7.6, sub k: Er is geen sprake van buitenopslag en dit zal ook niet het geval zijn. Ad. artikel 7.6, sub l: Er is geen sprake van een vorm van detailhandel en/of horeca. 12
Gezien het voorgaande kan aan de voorwaarden uit de afwijkingsmogelijkheid worden voldaan, waarmee toepassing kan worden gegeven aan de regeling om het gewenste beroep of bedrijf aan huis te verantwoorden. Omdat door het wijzigen van het bestemmingsvlak/bouwvlak en het toepassen van de afwijkingsmogelijkheden voor een grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning (sloop-bonus regeling) en een beroep of bedrijf aan huis kan formeel juridisch geen toepassing worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid uit het geldende bestemmingsplan voor de omschakeling naar een woonbestemming. Derhalve is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.
13
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Meierijstad. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische gronden. De verkavelingsstructuur betreft een gemengde verkaveling met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Verder zijn er in de omgeving enkele agrarische bedrijven en een horecabedrijf aanwezig. Op de locatie is momenteel een agrarisch verwant bedrijf, zijnde een loonwerkbedrijf gevestigd. Ten behoeve van de huidige bedrijvigheid is een bedrijfswoning en een bedrijfsgebouw van ongeveer 265 m² aanwezig. Ter plaatse is een bestemmingsvlak/bouwvlak toegekend van ongeveer 0,27 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie. Het huidige bestemmingsvlak/bouwvlak is daarin rood omlijnd en uitgelicht weergegeven.
Luchtfoto huidige situatie ter plaatse met bestemmingsvlak/bouwvlak weergegeven. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
14
2.2
Gewenste situatie
2.2.1 Ruimtelijke structuur De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse de bedrijvigheid te beëindigen. De bedrijfswoning zal daarbij worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Daarbij wenst de initiatiefnemer een kleinschalig bedrijf aan huis uitvoeren in de vorm van een kleinschalig hoveniers- en loonwerkbedrijf, ondergeschikt aan de woonfunctie. De oppervlakte van dit kleinschalige bedrijf aan huis zal maximaal 100 m² bedragen en zal worden uitgevoerd in de bestaande bebouwing. Vanuit het geldende bestemmingsplan is maximaal 150 m² aan bijgebouwen bij de woning toegestaan. Voor de kleinschalige bedrijvigheid aan huis is voldoende ruimte nodig voor de stalling van enkele machines en materialen. Tevens is voldoende ruimte voor opslag voor privé doeleinden gewenst. De initiatiefnemer wenst daarom een deel van de huidige (voormalige) bedrijfsbebouwing te behouden. Met toepassing van de zogenaamde sloop-bonus regeling kan een grotere oppervlakte aan bijgebouwen mogelijk worden gemaakt indien in ruil daarvoor voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Daarbij geldt dat voor iedere m² die wordt gesloopt 0,5 m² aan extra bijgebouwen bij de woning mag worden gebouwd of worden behouden. Momenteel is er 265 m² aan voormalige bedrijfsgebouwen aanwezig. Dit is 115 m² meer dan vanuit het geldende bestemmingsplan is toegestaan.
Omdat voor iedere te slopen m² maximaal 0,5 m² aan extra bijgebouwen is toegestaan betekent dit dat 0,5 x 115 m² = 57,5 m² aan extra m² is toegestaan bovenop de normaal toegestane 150 m². In totaal kan daarmee op de locatie 207,5 m² aan bijgebouwen worden toegestaan. De rest van de voormalige bedrijfsgebouwen zal worden gesloopt. De bedrijvigheid aan huis wordt uitgevoerd in de bestaande te behouden (voormalige) bedrijfsbebouwing welke, met een grotere oppervlakte, als bijgebouw bij de woning in gebruik wordt genomen. De betreffende ruimtes waarin de gewenste bedrijvigheid aan huis zal worden uitgevoerd zijn in de situatietekening, welke in de volgende figuur en als bijlage 2 bij deze toelichting is opgenomen, aangegeven met de letters B. Verder wenst de initiatiefnemer een mantelzorgwoning op te richten om mantelzorg te kunnen bieden aan diens grootouders. Het gaat daarbij om een tijdelijke mantelzorgwoning voor zolang de zorgbehoefte aanwezig is. Zodra de behoefte aan de mantelzorg komt te vervallen zal de tijdelijke mantelzorgwoning worden verwijderd. De tijdelijke mantelzorgwoning kan op basis van artikel 7 lid 2 uit bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) vergunningsvrij mogelijk worden gemaakt, mits de mantelzorgwoning in zijn geheel of in delen verplaatsbaar is, de oppervlakte niet meer dan 100 m² bedraagt en deze buiten de bebouwde kom is gelegen.
Aan deze voorwaarden wordt met de tijdelijke mantelzorgwoning voldaan, waarmee deze zonder vergunning mogelijk kan worden gemaakt. Als aanvullende voorwaarde is door de gemeente echter gesteld dat de tijdelijke mantelzorgwoning binnen het bestemmingsvlak/bouwvlak gelegen moet zijn. Op de gewenste plaats van de tijdelijke mantelzorgwoning is momenteel geen bestemmingsvlak/bouwvlak aanwezig. Het is derhalve wenselijk het huidige bestemmingsvlak/bouwvlak te wijzigen. Daarbij zal het tevens worden verkleind tot een bij de woning en de te behouden bebouwing passende omvang (ongeveer 0,15 hectare). In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen.
15
Situatietekening gewenste situatie. Bron: DLV Advies.
2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Ten behoeve van de versterking van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en in de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.
Tekening landschappelijke inpassing. 16
Bron: DLV Advies. Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting. In de (concept) handreiking 'ruimtelijk kwaliteitskader' van de gemeente Meierijstad, is nader uitgewerkt in welke mate voor bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen moet worden bijgedragen aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen, namelijk: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen zonder impact op het landschap. Hiervoor geldt geen tegenprestatie. Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met een beperkte impact op het landschap. Hierbij wordt als tegenprestatie een goede landschappelijke inpassing geëist. Categorie 3: Ontwikkelingen met een grote impact op het landschap. Hierbij wordt de mate van investering in de ruimtelijke kwaliteit bepaald aan de hand van de waardevermeerdering van de gronden na bestemmingswijziging. Daarbij dient ten minste 20% van de waardestijging te worden geïnvesteerd in kwaliteitsverbeterende maatregelen.
Vanuit het ruimtelijk kwaliteitskader is de omschakeling van agrarisch verwant bedrijf naar een burgerwoning aangemerkt als een ontwikkeling in categorie 2. Dit betekent dat een goede landschappelijke inpassing wordt vereist. Aan deze eis is voldaan door het opstellen van landschappelijk inpassingsplan die is afgestemd op de gebiedtypologie van de omgeving. Naast de landschappelijke inpassing is niet nodig om daarnaast nog een tegenprestatie te leveren voor de voorgenomen ontwikkeling. Op basis van het voorgaande wordt met de voorgenomen ontwikkeling in (ruim) voldoende mate geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit.
17
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.
De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.
Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers- en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.
Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 18
aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.
Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.
De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de 19
gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het omschakelen van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Aan de hand van de definitie voor een stedelijke ontwikkeling kan daarmee mogelijk gesproken worden van een woningbouwlocatie, wat is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling.
Op basis van jurisprudentie (uitspraken ABRvS 28 juni 2017, 201608869/1/R3, Dongeradeel) is echter bepaald dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van meer dan 11 woningen die als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt. Daarmee is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarmee een verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking niet is vereist.
20
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Met de omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat. De Omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.
De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert. Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden.
Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen. Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te 21
benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. Voor omschakeling van een voormalig agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf en daarbij uit te voeren nevenactiviteiten zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Wel is het van belang dat op een duurzame en klimaatbestendige wijze wordt gebouwd. In overleg met de gemeente zal worden gekeken naar de mogelijkheden voor verdere verduurzaming door bijvoorbeeld het onderzoeken of er mogelijkheden zijn voor het opwekken van duurzame energie en/of het verder terugdringen van het energieverbruik. Gezien het voorgaande past de ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren. Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 16 november 2021 de (laatst geconsolideerde versie van de) Interim Omgevingsverordening vastgesteld, waarmee de tot dan toe geldende Verordening Ruimte werd vervangen. Op 11 maart 2022 is door de provincie de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Omgevingsverordening kan en zal echter pas in werking treden wanneer de Omgevingswet in werking treedt, naar verwachting 1 januari 2024. Tot die tijd geldt het beleid zoals is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, zoals eveneens op 11 maart 2022 door de provincie gewijzigd is vastgesteld. De gewijzigde regels van de Interim Omgevingsverordening zijn in overeenstemming gebracht met de vastgestelde Omgevingsverordening en zijn opgenomen in de meest recente versie van de Interim Omgevingsverordening, welke op 21 maart 2023 is geconsolideerd en in werking is getreden. Vanuit de Interim Omgevingsverordening is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als '(gemengd) landelijk gebied', 'cultuurhistorisch waardevol gebied' en 'stalderingsgebied'. Tevens is de locatie gelegen in een 'boringsvrije zone'.
Voor wat betreft de cultuurhistorisch waardevolle gebieden gelden aanvullende regels voor het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken. De cultuurhistorische waarden en kenmerken zijn opgenomen en beschreven in de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Cultuurhistorie" (4.3.2), waarin is getoetst aan de cultuurhistorische waardenkaart, zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van cultuurhistorische waarden. De voorgenomen ontwikkeling staat het behoud, herstel en/of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken daarmee niet in de weg. Binnen het stalderingsgebied gelden aanvullende regels voor de ontwikkeling van veehouderijbedrijven waarop zogenaamde hokdieren worden gehouden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van de ontwikkeling van een veehouderij en is geen sprake van het houden van hokdieren, waarmee de aanvullende regels ten aanzien van de stalderingsgebieden niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. In de boringsvrije zones gelden aanvullende regels voor ingrepen in de bodem van dieper dan 10 meter en voor warmtetoevoeging en -onttrekking aan het grondwater.
Van dergelijke activiteiten is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake, waarmee de aanvullende regels voor boringsvrije zones niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een agrarisch verwant bedrijf, zijnde een loonwerkbedrijf, beëindigd, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Voor het wonen in het (gemengd) landelijk gebied zijn in de verordening specifieke bepalingen opgenomen. Deze luiden als volgt: "Artikel 3.68 wonen in landelijk gebied Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; 22
b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Lid 2. Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als: c. dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf; d. in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt." In feite laat het bepaalde in artikel 3.68 geen nieuwe woningen toe. Bij de voorgenomen ontwikkeling is echter geen sprake van een nieuwe woning, maar van omschakeling van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Ook dit is echter niet mogelijk op basis van het gestelde in artikel 3.68. In artikel 3.69 van de verordening zijn echter uitzonderingen opgenomen op het verbod in artikel 3.68. De bepalingen voor deze uitzonderingen luiden als volgt: "Artikel 3.69 afwijkende regels (burger)woningen In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. b.
de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. c. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt." Het gestelde onder a en b van artikel 3.69 is bij de voorgenomen ontwikkeling niet van toepassing. Op basis van het gestelde onder c kan de omschakeling van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning mogelijk worden gemaakt, mits aan de voorwaarden wordt voldaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het splitsen van de woning in meerdere wooneenheden. Tevens wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een deel van de voormalige bedrijfsgebouwen gesloopt. Daarmee is eveneens sprake van de sloop van overtollige bebouwing. Aan de voorwaarden voor omschakeling van een bedrijfswoning naar een burgerwoning wordt daarmee voldaan. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de regels voor wonen in het landelijk gebied zoals in de verordening zijn opgenomen. Naast de specifieke voorwaarden voor het vestigen van een niet-agrarische ontwikkeling in het landelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit.
Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen: "Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1: Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2: Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie."
23
Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen. Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1: Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2: Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel." Ad. 3.6, lid 1, sub a: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een toedeling van een functie binnen het huidige ruimtebeslag. Er is immers sprake van een reeds bestaand bouwperceel en dat bouwperceel wordt niet uitgebreid, maar juist verkleind.
Tevens zal de totale oppervlakte aan bebouwing afnemen. Ad. 3.6, lid 1, sub b: Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3). Ad. 3.6, lid 1, sub c: Alle aanwezige bebouwing is geconcentreerd binnen het bouwperceel. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel. Het bouwvlak wordt van vorm veranderd zodat alle bebouwing, waaronder ook de te gewenste mantelzorgwoning, hier binnen komt te liggen. Daarbij wordt het bouwvlak eveneens verkleind, waarmee het totale ruimtebeslag op de locatie zal afnemen. Ad. 3.6, lid 2: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een bestaand bouwperceel. Met de voorgenomen vormverandering van het bouwvlak wordt geborgd dat alle bebouwing hierbinnen wordt geconcentreerd en dat er sprake is van een compacte indeling van het erf. Verspreid liggende bebouwing wordt daarmee voorkomen. Tevens wordt het bouwvlak verkleind en wordt bebouwing gesloopt, zodat het totale ruimtebeslag op de locatie afneemt. Er is, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.
Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen: "Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1: 24
De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2: De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3: Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid." Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan.
Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikk eling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap k an deel uitmaken van de meerwaardecreatie." Zoals gesteld kan de fysieke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 3.9 deel uitmaken van de meerwaardecreatie. In artikel 3.9 is het volgende opgenomen: "Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b.