CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - BOPA Philippusstraat 25 Sint Oedenrode

Raadsvergadering 20 februari 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Afgifte positief advies voor voornemen tot verlening omgevingsvergunning voor herontwikkeling locatie Philippusstraat te Sint-Oedenrode22.953 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd,

archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en

beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is, vooruitlopend op de Omgevingswet, opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Middels deze kaarten kan worden

afgeleid wat de archeologische en/of cultuurhistorische verwachting en het bijbehorende beleidsadvies is voor

een specifieke locatie. Dit beleidsadvies schrijft per verwachting zowel drempelwaarden voor waarboven onderzoek benodigd wordt geacht, als welke onderzoeken dit betreft.

38

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

De archeologische waarden en verwachtingen, alsook de cultuurhistorische waarden, zijn veelal doorvertaald in

respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen, welke zijn opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege. De dubbelbestemming is vaak gebaseerd op de gemeentelijke

beleidskaart in combinatie met aanvullende informatie uit onderzoeken. Normaliter is de geldende

dubbelbestemming bepalend ten opzichte van de beleidskaart. Voor de exacte ligging van de archeologische en

verwachtingen en cultuurhistorische waarden met betrekking tot de zoekgebieden, wordt verwezen naar beleidskaarten welke onderdeel uitmaken van de kaartenboeken in de bijlagen. Hoe is het verwerkt in het plan

Archeologisch bureauonderzoek

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd door Lycens B.V., de bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 1 – Archeologisch bureauonderzoek bij deze BOPA-motivering.

Op basis van het bureauonderzoek is een middelhoge tot hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten binnen het plangebied vastgesteld. Op basis van de bouwhistorische gegevens kan de verwachting naar

laag worden bijgesteld op de locatie van het KPN-gebouw. Dit gebied kan worden vrijgegeven in verband met diepe bodemverstoringen.

Naar aanleiding van de beoordeling van het onderzoek heeft de gemeente Meierijstad een selectieadvies

genomen. Hierin is vastgesteld dat een archeologisch karterend booronderzoek wordt verlangd. De locatie aan het beekdal tussen de Dommel en de historische stadskern op de dekzand is potentieel bijzonder archeologisch

relevant. Behalve dat hier resten uit diverse perioden verwacht kunnen worden, zo blijkt uit de bureaustudie,

kunnen hier complextypen van uiteenlopende aard en omvang voorkomen, van jachtkampjes tot afvaldumps, agrarisch landgebruik en ruimtelijke inrichting. In het bijzonder kunnen sporen van beekdalspecifieke activiteiten voorkomen, zoals kades, wegen, steigers, voorden en deposities. Tegelijkertijd zal de bestaande woonwijk zijn sporen hebben nagelaten in de bodem.

Archeologisch karterend booronderzoek

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een verkennend booronderzoek uitgevoerd door Lycens B.V., de

bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 2 – Archeologisch karterend booronderzoek bij deze BOPAmotivering.

Op basis van de resultaten van het onderzoek is geadviseerd op een deel van het plangebied vervolgonderzoek uit te voeren, indien dieper wordt ontgraven dan 0,9 m-mv. Het overige deel van het plangebied behoeft geen vervolgonderzoek. Naar aanleiding van dit onderzoek is een selectieadvies genomen, deze is bijgevoegd bij

voorliggende motivering als Bijlage 3 – Selectieadvies BO.

Het uitvoeren van het gevraagde vervolgonderzoek is in de huidige situatie niet mogelijk in verband met de aanwezigheid van de bestaande bebouwing. Om dit geen belemmering te laten zijn voor de afwijking van het

omgevingsplan wordt een vergunningvoorschrift opgenomen bij het te nemen besluit. Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te borgen is hiervoor een voorstel gedaan in sub-paragraaf 7.2.3.

39

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse

sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2024 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Conclusie

Met betrekking tot archeologie is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.

Gevolgen fysieke leefomgeving

5.2.1. Milieueffectrapportage

Het doel van milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het

gaat dan om besluitvorming over plannen en programma’s en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben.

Wettelijk kader

Bij de voorbereiding van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient op grond van verschillende kaders

nagegaan te worden of voor de activiteiten die met het betreffende besluit worden mogelijk gemaakt, een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld of niet.

Milieueffectrapportage (mer) brengt de milieueffecten van een plan of project in beeld voordat het bevoegd gezag

daar een besluit over neemt. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed.

De wetgeving over de m.e.r. is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende procedures: • • • •

plan-m.e.r.-beoordelingsplicht plan-m.e.r.

project-m.e.r.-beoordelingsplicht project-m.e.r.

Of het besluit over een ontwikkeling mer-plichtig of mer-beoordelingplichtig is, kan worden bepaald op basis van

bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Kolom 1 van Bijlage V beschrijft categorieën waarvoor mogelijk een mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt. Getoetst moet worden of het initiatief in kolom 1 voorkomt. Indien voor het mogelijk maken van het initiatief een besluit

zoals beschreven in kolom 4 noodzakelijk is, dan dient aan kolommen 2 en 3 te worden getoetst. Als het initiatief

voldoet aan de beschrijving in kolom 2 geldt een mer-plicht, er moet dan milieueffectrapportage worden gedaan en een milieueffectrapport worden opgesteld. Als het initiatief niet voldoet aan kolom 2 wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de beschrijving in kolom 3. In bijna alle gevallen is dit het geval, er is dan sprake van een mer-

40

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

beoordelingsplicht. Aan de hand van de mer-beoordeling wordt bepaald of het initiatief leidt tot aanzienlijke milieueffecten (zowel positief als negatief) en of dit aanleiding geeft tot een mer-plicht. Hoe is het verwerkt in het plan

De beoogde ontwikkeling is verenigbaar met het in kolom 1 van bijlage V als nummer J11 opgenomen project “Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen”.

Hoewel het planologische beslag op de ruimte nagenoeg niet toeneemt is sprake van intensivering door het toevoegen van woningen. Milieueffecten zoals extra verkeersgeneratie kunnen niet uitgesloten worden. In kolom

2 is opgenomen dat een drempelwaarde niet van toepassing is. In kolom 3 is opgenomen dat de mer-

beoordelingsplicht geldt wanneer sprake is van ‘aanleg, wijziging en uitbreiding’. Als besluit is in kolom 4 het Omgevingsplan opgenomen, hier moet ook de omgevingsvergunning onder worden verstaan. Vanwege de aard en omvang van het project is sprake van de mer-beoordelingsplicht.

In het kader van de ontwikkeling is door Lycens B.V. een mer-beoordeling uitgevoerd, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 4 – Mededeling mer-beoordelingsplicht. In het onderzoek is

geconcludeerd dat als gevolg van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit geen sprake is van aanzienlijke

negatieve milieueffecten die leiden tot noodzaak van milieueffectrapportage. Dit aspect vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. Conclusie

Met betrekking tot milieueffectrapportage is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.2. Ladder voor duurzame verstedelijking Wettelijk kader

In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een

bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel ‘in beginsel’ grenzen. Hoe is het verwerkt in het plan

Stedelijke ontwikkeling of niet?

In casu is sprake van de netto toevoeging van 27 wooneenheden. Hiermee is sprake van meer dan 11 woningen

zoals bedoeld in de uitspraak ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 waardoor sprake is van een woningbouwlocatie en dus een stedelijke ontwikkeling. De Ladder is daarom van toepassing op het onderhavige initiatief.

41

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Nieuw of niet?

De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Dus of het ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan het geldende

omgevingsplan toestaat. Dit gaat over bestaande bebouwing. En ook over de bebouwing die nog kan worden gebouwd volgens het omgevingsplan, mits hiervoor de Ladder is toegepast.

Het gaat dus om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Van belang is dus in hoeverre het plan: •

•

in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging

en welk planologische beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan

In de bestaande situatie is de planologische ruimte voor het realiseren van bebouwing beperkt. In het plangebied zijn 26 woningen De bestaande bouwvlakken hebben een gezamenlijk oppervlakte van circa 2.600 m2. In de

bouwvlakken is vrijwel geen ruimte meer voor het toevoegen van bebouwing. Daarbij gelden er maximale

goothoogtes voor de woningen van 4,5 en 6 meter. De gronden kunnen worden gebruikt voor de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’ en ‘Verkeer – Verblijfsgebied’.

Met de afwijking van het omgevingsplan worden in het plangebied drie woongebouwen tot circa 7,40 en 9,90

meter toegestaan met in totaal 50 wooneenheden en bijbehorende voorzieningen. De ‘tweedimensionale

footprint’ van de gebouwen is circa 2.400 m2. Met uitzondering van het KPN-gebouw wijkt het toekomstige gebruik van de gronden voor woondoeleinden in wezen niet af van het bestaande gebruik.

Als gevolg van onderhavig initiatief neemt de planologische ‘tweedimensionale footprint’ af met circa 200 m2.

Met het toelaten van hogere bebouwing in meerdere bouwlagen neemt het toegestane brutovloeroppervlakte echter aanzienlijk toe. In die zin is sprake van een groter planologische ruimtebeslag. Derhalve moet worden

aangetoond dat sprake is aan behoefte aan onderhavige nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Behoeftebepaling

Als een omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, wordt rekening gehouden met de

behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Dit met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het

tegengaan van leegstand. Hiervoor is niet relevant of het plangebied binnen of buiten het stedelijk gebied ligt. De

behoefte wordt beoordeeld op het niveau van het verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Dit gebied kan

verschillen naar gelang de aard en omvang van de voorziene stedelijke ontwikkeling. De behoefte is het saldo van de aantoonbare vraag naar de ontwikkeling verminderd met het bestaande aanbod. Het aanbod dat feitelijk nog niet is gerealiseerd, maar wel in een omgevingsplan of omgevingsvergunning is vastgelegd, wordt meegerekend. Het heeft de voorkeur om de woningen binnenstedelijk te bouwen. Als de woningen buiten het stedelijk gebied worden geprojecteerd, wordt rekening gehouden met de mogelijkheden om de woningen binnen het stedelijk

42

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

gebied te bouwen. Op basis van Figuur 17 ligt het plangebied in stedelijk gebied. Beoordeeld moet worden of de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in de behoefte.

Kwalitatieve en kwantitatieve behoefte

Op basis van het woningbouwbeleid zoals beschreven in paragraaf 4.4.1.3 bestaat er in het verzorgingsgebied

(gemeente Meierijstad) concrete kwalitatieve- en kwantitatieve behoefte aan de geprojecteerde woningen. In het woningbouwbeleid wordt een behoefte aan sociale huurwoningen geïdentificeerd. Daarbij neemt het aantal één-

en tweepersoonshuishoudens toe waardoor de vraag naar voor deze doelgroep geschikte wooneenheden

eveneens toeneemt. Daarbij neemt de vraag naar duurzame en energiezuinige wooneenheden toe. Hier voorziet het initiatief in, waarbij er nog een aanzienlijke investering in binnenstedelijke omgevingskwaliteit plaatsvindt.

Geconstateerd wordt dat het plan voorziet in de behoefte en het plan derhalve voldoet aan de ladder voor

duurzame verstedelijking. Conclusie

Met betrekking tot de Ladder voor duurzame verstedelijking is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.3. Mobiliteit Wettelijk kader

Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat deze geen negatieve gevolgen hebben voor de lokale parkeer-

en verkeersituatie. Het parkeerbeleid van de gemeente Meierijstad is vervat in het bestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan parkeren” zoals beschreven in paragraaf 1.3.1.3. Hoe is het verwerkt in het plan

In het plangebied wordt nieuwbouw gerealiseerd. Ter beoordeling van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie zijn (op basis van het parkeerbeleid) de volgende uitgangspunten gehanteerd: •

• • •

Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk – Sint-Oedenrode

Stedelijke zone: rest bebouwde kom

Type: huur, etage goedkoop (onder huurtoeslaggrens)

Kengetal voor de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie: het gemiddelde van de minimale en maximale bandbreedte.

Parkeren – auto

Bestaande situatie

In de bestaande situatie zijn in het plangebied 24 sociale huurwoningen en een nutsvoorzieningsgebouw van KPN aanwezig. Voor de woningen geldt een parkeerbehoefte van 1,9 parkeerplaatsen per woning. De totale parkeerbehoefte bedraagt daarmee 52,8 parkeerplaatsen.

43

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Toekomstige situatie

Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van 50 sociale huurappartementen voor één- en

tweepersoonshuishoudens. Op basis van het parkeerbeleid geldt voor dergelijke wooneenheden een

parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per eenheid. Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 90 parkeerplaatsen (Figuur 23). In deze parkeerbehoefteberekening is geen rekening gehouden met dubbelgebruik. Wonen Rest bebouwde kom en buitengebied

Bestaand

Overige kernen Koop/huur, vrijstaand Koop/huur, 2 onder 1 kap Koop/huur, tussen/hoek Koop/huur, etage huur Koop/huur, etage midden Koop/huur, etage goedkoop Serviceflat/aanleunwoning Kleine eenpersoonswoning (tiny house, meestal grondgebonden) Kamververhuur, niet zelfstandig Kamerverhuur, zelfstandig Totale parkeerbehoefte Exclusieve parkeercapaciteit bewoners Resterende parkeerbehoefte openbare ruimte

Parkeernorm Parkeernorm Eenheid per bewoners bezoekers 2,1 Woning 0,3 2,1 Woning 0,3 1,9 Woning 0,3 2 Woning 0,3 1,8 Woning 0,3 1,5 Woning 0,3 1 Woning 0,3

Gemeten eenheid bestaand

Gemeten eenheid nieuw

Bewoners 0 0 45,6 0 0 0 0

24

50

Nieuw

Bezoekers Bewoners Bezoekers 0 0 7,2 0 0 0 0

0 0 0 0 0 75 0

0 0 0 0 0 15 0

0,45

Woning

0,3

0

0

0

0

0,2 0,5

Kamer Kamer

0,2 0,2

0 0 45,6 0 45,6

0 0 7,2

0 0 75 0 75

0 0 15

Hui di ge s i tua ti e

Ni euwe s i tua ti e

41,04 5,76 46,8

67,5 12 79,5

7,2

15

Figuur 23: Parkeernorm bestaand en toekomstig Werkda g Tot. Vra a g hui di ge s i tua ti e 45,6 7,2 52,8

Functi e Woni ng bewoners Woni ng bezoekers Tota a l

Tot. Vra a g ni euwe s i tua ti e 75 15 90

Ochtend

Hui di ge s i tua ti e

Ni euwe s i tua ti e

22,8 0,72 23,52

37,5 1,5 39

0,5 0,1

Koopa vond

0,8 0,7

Mi dda g

Hui di ge s i tua ti e

Ni euwe s i tua ti e

22,8 1,44 24,24

37,5 3 40,5

0,5 0,2

Avond 0,9 0,8

Za terda g

Hui di ge s i tua ti e

Ni euwe s i tua ti e

36,48 5,04 41,52

60 10,5 70,5

Mi dda g 0,6 0,6

Hui di ge s i tua ti e

Ni euwe s i tua ti e

27,36 4,32 31,68

45 9 54

Na cht

Hui di ge s i tua ti e

Ni euwe s i tua ti e

45,6 0 45,6

75 0 75

1 0

Zonda g

Avond 0,8 1

Hui di ge s i tua ti e

Ni euwe s i tua ti e

36,48 7,2 43,68

60 15 75

Mi dda g 0,7 0,7

Hui di ge s i tua ti e

Ni euwe s i tua ti e

31,92 5,04 36,96

52,5 10,5 63

Figuur 24: Berekening dubbelgebruik Pa rkeerei s Bruto pa rkeervra a g Netto pa rkeervra a g Verva l l en (i nformel e) pa rkeerca pa ci tei t bes ta a nde s i tua ti e Pa rkeerpl a a ts en openba a r gebi ed ni euwe s i tua ti e Netto pa rkeertekort (a fgerond)

Werkda g Za terda g Koopa vond Zonda g Ochtend Mi dda g Avond Na cht Mi dda g Avond Mi dda g 15,48 16,26 32,7 29,4 28,98 22,32 31,32 26,04 16 17 33 30 29 23 32 27

30

30

30

30

30

30

30

30

63 -17

63 -16

63 0

63 -3

63 -4

63 -10

63 -1

63 -6

Figuur 25: Gewogen parkeerbehoefte Figuur 24 toont de berekening van de parkeerbehoefte bij dubbelgebruik. Wanneer rekening wordt gehouden met

dubbelgebruik is sprake van een maximale parkeerbehoefte van 79,5 parkeerplaatsen op een werkdagavond.

Vervolgens kan de stap gemaakt worden naar de gewogen parkeerbehoefte, deze is berekend in Figuur 25. De bruto parkeervraag is het verschil tussen de werkdagavond in de huidige situatie en de nieuwe situatie. Deze is

(79,5 – 46,8 =) 32,7. De netto parkeervraag is dan 33. Wanneer de vervallen (informele) parkeercapaciteit in de bestaande situatie hierbij wordt opgeteld (30 parkeerplaatsen) is sprake van een parkeerbehoefte van 63 parkeerplaatsen. Met de realisatie van 63 parkeerplaatsen wordt dan in de parkeervraag voorzien.

44

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Het plan voorziet in de realisatie van 75 parkeerplaatsen op eigen terrein die openbaar toegankelijk zijn (Figuur 26). Daarmee wordt ruimschoots voorzien in de parkeerbehoefte van 63 parkeerplaatsen.

Geconstateerd wordt dat het onderhavige initiatief voorziet in voldoende parkeergelegenheid. De toename van de parkeerbehoefte leidt, dankzij het toevoegen van voldoende nieuwe parkeerplaatsen, niet tot een hogere

parkeerdruk. Voor het aspect parkeren geldt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan

locaties.

Figuur 26: Parkeerinrichting toekomstige situatie Parkeren – fiets

Het parkeerbeleid van de gemeente Meierijstad bevat normen voor fietsparkeren (Figuur 27). Op grond hiervan geldt voor nieuwe voorzieningen naast een parkeereis voor auto’s ook een parkeereis voor fietsen.

In het plangebied worden 50 appartementen gerealiseerd. De appartementen krijgen een eigen (fietsen)berging. Op basis van figuur 27 geldt per appartement (woning) een norm van 2,5 fietsparkeerplekken. In totaal moet daarmee worden voorzien in 75 fietsparkeerplekken voor bewoners. Hier voorziet het plan in.

Daarnaast geldt een fietsparkeernorm voor bezoekers. Op basis hiervan moeten 25 tot 50 fietsplekken worden

voorzien in de openbare ruimte. In het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in een dergelijk

45

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

aantal fietsparkeerplekken. Dit wordt nader uitgewerkt in het civieltechnische ontwerp. Het plan zal voldoen aan het parkeerbeleid.

Figuur 27: Fietsparkeernormen Verkeer

Bestaande situatie

In de bestaande situatie zijn in het plangebied 24 sociale huurwoningen en een nutsvoorzieningsgebouw van KPN aanwezig. Voor de woningen (CROW-categorie ‘huur, huis, sociale huur’) geldt een verkeersgeneratie van 5,6

verkeersbewegingen per woning. Er bestaat geen CROW-categorie voor een nutsvoorzieningsgebouw. Deze functie kent geen verkeersaantrekkende werking, hierom wordt voor deze functie geen verkeersgeneratie

meegerekend. In de bestaande situatie is daarmee sprake van een verkeersgeneratie van 134,4 verkeersbewegingen pet etmaal.

Toekomstige situatie

Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van 50 sociale huurappartementen voor één- en

tweepersoonshuishoudens. Voor deze wooneenheden (CROW-categorie ‘huur, appartement, midden/goedkoop

(incl. sociale huur)’) geldt een verkeersgeneratie van 4,1 verkeersbewegingen per woning. In de toekomstige

situatie is daarmee sprake van een verkeersgeneratie van 205 verkeersbewegingen per etmaal.

Er is daarmee sprake van een theoretische toename van 70,6 verkeersbewegingen per etmaal. In werkelijkheid zal het aantal verkeersbewegingen per etmaal naar verwachting lager zijn. Figuur 28 toont een uitsnede van de

verkeersintensiteit van de Philippusstraat. Deze gegevens zijn gebruikt voor het geluidonderzoek wegverkeer. Op

basis van de gegevens is sprake van een verkeersintensiteit van circa 3.000 motorvoertuigen per weghelft per

etmaal. Een toename van circa 70 verkeersbewegingen per etmaal, dus in theorie 35 extra verkeersbewegingen per weghelft, dit is een toename van circa 1%. Dit zal niet leiden tot onevenredige negatieve verkeerseffecten.

46

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Figuur 28: Verkeersintensiteiten Philippusstraat De bestande wegenstructuur in de omgeving van het plangebied is in staat de toename van verkeersbewegingen te verwerken. De verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling komen niet in het geding. Conclusie

Met betrekking tot mobiliteit is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.4. Geluid

Op grond van de Omgevingswet is het noodzakelijk om bij een ruimtelijke procedure te onderzoeken welke

geluidbelasting een plan ondervindt door activiteiten in de omgeving. Allereerst moet worden vastgesteld of een plan in een aandachtsgebied is gelegen. Indien dit het geval is dan gelden er standaardwaarden waar het geluid

niet boven uit mag komen. Indien het niet mogelijk is om met redelijke maatregelen aan deze standaardwaarden te voldoen dan kan de gemeente een hogere waarde toelaten tot aan de aangegeven grenswaarde. Wettelijk kader

Geluidaandachtsgebied

Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein met GPP

waarbinnen de standaardwaarde mogelijk wordt overschreden. Binnen een geluidaandachtsgebied moet de

waarde van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt getoetst aan de geluidnormen. De reikwijdte van een geluidaandachtsgebied is afhankelijk van de geluidemissie van de bron.

De geluidaandachtsgebieden zijn vastgelegd in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Voor zover dat nog niet is gebeurd geldt een overgangssituatie.

47

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Het geluidaandachtsgebied van een gemeenteweg, lokale spoorweg en waterschapsweg is tot een nader te bepalen tijdstip begrenst door vaste afstanden (art. 17.5 omgevingsregeling) als opgenomen in Tabel 1. Tabel 1: Breedte aandachtsgebieden Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf (art 17.5 overgangsrecht geluidaandachtsgebied) Geluidaandachtsgebied

weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder weg

Breedte

100 meter

bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan

200 meter

bestaande uit 3 of meer rijstroken

350 meter

lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen

350 meter

30 km/u weg

lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen

200 meter

Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw binnen de geluidzone van een provinciale weg waarvoor nog geen

geluidproductieplafond (hierna: gpp) is vastgesteld, geldt de Wet geluidhinder (artikel 3.5, Aanvullingswet geluid).

Toetswaarden geluidbelasting

Per geluidbronsoort moet de geluidbelasting worden bepaald en worden getoetst aan de standaardwaarden

(SW) en grenswaarden (GW) van het Bkl (standaardwaarden van het Bkl (art. 5.78t respectievelijk 5.78u). Hierbij gelden de in Tabel 2 opgenomen standaardwaarden. Tabel 2: Standaardwaarden geluidbelasting Geluidbronsoort

Standaardwaarde

Gemeentewegen en Waterschapswegen

53 Lden

Provinciale wegen Rijkswegen Spoorwegen

50 Lden 55 Lden

Indien de geluidbelasting op een plan voor een bepaalde geluidbronsoort hoger is dan de standaardwaarde moet een afweging worden gemaakt waarbij maatregelen en beleid wordt betrokken. Na dit aanvullend onderzoek is

het mogelijk dat een bevoegd gezag afwijkt van de standaardwaarden en bij de besluitvorming een hogere omgevingswaarde vaststelt. Indien er voor meerdere bronsoorten de standaardwaarde wordt overschreden zal ook de cumulatieve geluidbelasting moeten worden bepaald en worden afgewogen. Hierbij gelden de in Tabel 3 opgenomen grenswaarden.

48

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Tabel 3: Grenswaarden geluidbelasting Geluidbronsoort

Grenswaarde

Gemeentewegen en Waterschapswegen

70 Lden

Provinciale wegen Rijkswegen Spoorwegen

60 Lden 65 Lden

Een omgevingswaarde normeert de (totale) omgevingskwaliteit op een willekeurige plaats in het land of in een

bepaald gebied. Indien een hogere omgevingswaarde voor geluid wordt toegestaan, moet door middel van een

gevelisolatieberekening worden aangetoond dat de geluidsbelasting binnen de woning de maximaal toelaatbare waarde van 33 dB niet overschrijdt. Bij een nieuwe woning maakt de gevelisolatieberekening onderdeel uit van de bouwaanvraag. Onder de Ow is het gezamenlijk geluid van de verschillende geluidbronnen tezamen op de gevel het uitgangspunt. Om het gezamenlijk geluid te bepalen van wegverkeerslawaai worden de wegen met gpp’s en zonder gpp’s bij elkaar opgeteld. Hoe is het verwerkt in het plan

De geluidbelasting op het plan is bepaald op verscheidene punten verspreid over de woningen. De hoogte van de

waarneempunten is gekozen op 2.5, 5 en waar van toepassing op 7.5 meter. Er zijn geen wegen in de directe omgeving gelegen waarvoor een gpp is vastgesteld.

De geluidbelasting op bouwblok 1A en 2A is gelijk of lager dan 53 dB. Blok 3A is dichter bij de weg gelegen. De

geluidbelasting is hier met 54 dB hoger dan de standaardwaarde. Om af te wijken van de standaardwaarde is een afweging noodzakelijk. Eén van deze afwegingen is de vraag of door het verplaatsen van een ontwikkeling wel

aan de standaardwaarde kan worden voldaan. Dit is hier het geval. Indien de afstand tussen de weg en blok 3A

met 1.75 meter wordt vergroot zal de geluidbelasting afnemen tot de standaardwaarde. De geluidbelasting op alle blokken bedraagt na verschuiving van blok 3A met 1.75 meter van de weg af maximaal 53 dB.

Na overleg met de initiatiefnemer blijkt het verplaatsen van blok 3A met 1.75m geen bezwaar. Na deze maatregel

is de geluidbelasting op het plan niet hoger dan de standaardwaarden van het Bkl (art. 3.20). De minimaal vereiste

geluidwering aangegeven in het Bbl bedraagt 20 dB. Er wordt zonder nadere voorzieningen voldaan aan de binnenwaarde van 33 dB.

Het aspect geluid is geen beletsel voor het afwijken van het omgevingsplan. Om de evenwichtige toedeling van functies aan locaties te borgen wordt een vergunningvoorschrift opgenomen bij het te nemen besluit waarmee

de positionering van gebouw 3A wordt vastgelegd. Zodoende is geborgd dat voor de betreffende gevel aan de standaardwaarde wordt voldaan.

Zodoende is voor wat betreft geluid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

49

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Conclusie

Met betrekking tot geluid is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.5. Luchtkwaliteit Wettelijk kader

Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden

zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij

toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit

beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.

In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstof- dioxiden, fijnstof,

benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2)

en fijnstof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die

concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2. in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een

uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden: •

bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het

•

bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter

•

Bal);

in lengte toeneemt;

bij de aanleg van een auto(snel)weg.

Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: •

•

aannemelijk is gemaakt dat het plan niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde (vanaf

ingangsdatum) danwel niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde;

aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het plan per saldo verbetert of ten minste

gelijk blijft; danwel bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het plan

samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering);

50

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

•

aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen.

Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten.

Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, alsmede een

zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de

buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen. De

regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te

beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hoe is het verwerkt in het plan

Figuur 29 toont het resultaat van de NIBM-tool, hieruit volgt dat het plan in ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van Figuur 30, Figuur 31 en Figuur 32 is ter plaatse van het

plangebied sprake van een NO2 concentratie van 12 – 14 µg /m3, een PM10 concentratie van 18 – 20 µg Pm10/m3

en een PM2,5 concentratie van 10 – 11 µg Pm10/m3.

De omgevingswaarden voor NO2 (40 µg/m3), PM10 (40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) worden niet overschreden.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2026

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

70

Aandeel vrachtverkeer

5,0%

NO2 in μg/m

3

0,07

PM10 in μg/m

3

0,01

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 29: NIBM-tool extra voertuigbewegingen

51

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Figuur 30: Uitsnede stikstofdioxide kaart 2022

Figuur 31: Uitsnede fijnstof (PM10) kaart 2022

52

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Figuur 32: Uitsnede fijnstof (PM2,5) kaart 2022 Conclusie

Met betrekking tot luchtkwaliteit is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.6. Geur

Wettelijk kader

Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere)

milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • •

bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven).

Aanvaardbare geurhinder

De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92

lid 2 Bkl). De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen,

onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming.

Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.

Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar

vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen

53

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.

Geurhinder door activiteiten

Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk)

omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel,

gelden de regels uit de Bruidsschat. Op termijn worden de regels uit de bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente.

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal).

De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van

de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.

Hoe is het verwerkt in het plan

Met het onderhavige initiatief worden gevoelige functies mogelijk gemaakt, namelijk woningen. Daarmee moet voor wat betreft deze woningen sprake zijn van aanvaardbare geurhinder. In de omgeving van het plangebied is slechts beperkt sprake van geurveroorzakende activiteiten. Op ruim 500 meter van het plangebied zijn het bedrijventerrein van Ahrend HQ en het agrarische bedrijf Corridor 3 gesitueerd. Op kortere afstand van deze

bedrijven zijn in de bestaande situatie reeds woningen gesitueerd. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden de bedrijven niet gehinderd.

Figuur 33 toont een uitsnede van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.

Op basis van het kaartbeeld is het plangebied gesitueerd in het concentratiegebied van Noord-Brabant. Er is sprake van een goede tot zeer goede achtergrondbelasting.

Er is geen sprake van andere activiteiten welke (kunnen) leiden tot geurhinder ter plaatse van het plangebied. In de toekomstige situatie is sprake van aanvaardbare geurhinder.

54

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Figuur 33: Uitsnede kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant Conclusie

Met betrekking tot geurhinder is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.7. Trillingen Wettelijk kader

Onder de Omgevingswet zijn de regels met betrekking tot trillingen door bedrijven (activiteiten)

gedecentraliseerd. Dat betekent dat gemeenten zelf regels mogen stellen over trillingen als gevolg van activiteiten. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Het onderdeel Trillingen is ook geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig

gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Hoe is het verwerkt in het plan

Het plangebied is gesitueerd in stedelijk gebied. In de omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten gesitueerd welke trillingen produceren zoals een spoorweg. Ter plaatse van het plangebied zal geen sprake zijn van trillinghinder.

55

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Conclusie

Met betrekking tot trillingen is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.8. Bodem Wettelijk kader

Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: • • •

het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie);

het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies);

het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen).

Om het omgevingsplan te wijzigingen waarmee een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie wordt

toegestaan, dient op grond van artikel 5.89ka en 5.89i van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een

bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend

bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit

onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige

locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Hoe is het verwerkt in het plan

In het kader van de beoogde ontwikkeling zijn twee verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd. Navolgend worden beide behandeld.

Verkennend bodemonderzoek KPN-locatie (Ingenieursbureau Mol)

Door Ingenieursbureau Mol is in 2023 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de KPNlocatie, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 6 – Verkennend

bodemonderzoek Ingenieursbureau Mol. Het onderzoeksgebied is weergeven in Figuur 34.

56

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Figuur 34: Onderzoeksgebied Ingenieursbureau Mol Het terrein is onderzocht in verband met de wens om de bodemkwaliteit vast te leggen. Het doel van het verkennend bodemonderzoek was aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden.

Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek is het volgende geconcludeerd: Gehele locatie • • •

De bovengrond is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters; De ondergrond is licht verontreinigd met lood;

Het grondwater is licht verontreinigd met barium en zink.

De hypothese onverdacht voor bodemverontreiniging moest verworpen worden, aangezien in de grond en het

grondwater licht verhoogde gehalten van enkele stoffen zijn aangetoond. Echter, de onderzoeksresultaten geven

geen aanleiding tot het instellen van verder onderzoek. De resultaten benaderen geenszins de toetswaarde voor nader onderzoek.

57

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Deellocatie 1: Gedempte sloot • •

De diepere ondergrond ter plaatse van boring 05 is sterk verontreinigd met koper; Het grondwater is matig verontreinigd met barium.

De hypothese verdacht voor bodemverontreiniging wordt bevestigd. De onderzoeksresultaten overschrijden de toetswaarde voor nader onderzoek.

Naar aanleiding van de bevindingen is een nader bodemonderzoek uitgevoerd in 2023. De bijbehorende

rapportage is bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 7 – Nader bodemonderzoek Ingenieursbureau Mol. Het doel van het nader onderzoek was tweeledig: •

•

Vaststellen van de ernst van de verontreiniging met koper in de grond;

Vaststellen van de omvang van de verontreiniging met koper in de grond.

Er was in het mengmonster MM1 van het verkennend bodemonderzoek sprake van een interventiewaarde-

overschrijding. Naar aanleiding daarvan heeft een uitsplitsing van het mengmonster plaatsgevonden en zijn de individuele monsters geanalyseerd. Hieruit bleek dat in één mengmonster sprake was van een tussenwaardeoverschrijding voor koper (Boring 05-3, 1,00 - 1,50 m-mv). In de andere monsters zaten geen verhoogde gehalten.

Naar aanleiding van deze overschrijding van de tussenwaarde heeft nader onderzoek plaatsgevonden, om te controleren of sprake is van een sterke verontreiniging op die plek. Hieruit bleek dat er hoogstens een matig

verhoogd gehalte is aangetoond (boring 104, 1,00 - 1,50 m-mv). Op basis van de resultaten is dus geen sprake van

een interventiewaarde-overschrijding.

Conform het gestelde in de Wet bodembescherming is geen sprake van geval van ernstige bodemverontreiniging omdat de gehalten met koper niet verhoogd ten opzichte van de interventiewaarden zijn aangetroffen. Zodoende is geen sprake van een belemmering voor de herontwikkeling en de activiteit wonen. Verkennend bodemonderzoek overig plangebied (Lycens B.V.)

In het kader van de beoogde ontwikkeling is in het overige plangebied een verkennend bodemonderzoek met aanvullend asbestonderzoek uitgevoerd door Lycens B.V., de bijbehorende rapportage is bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 8 – Verkennend bodemonderzoek Lycens. Het onderzoeksgebied is

weergeven in Figuur 35. Navolgend worden de resultaten van het onderzoek beknopt beschreven.

Chemisch analytisch zijn in de bovengrond metalen en PAK, PCB en minerale olie aangetoond. De zintuiglijk

schone ondergrond is licht verontreinigd met PAK. De ondergrond met bijmenging aan baksteen bevat geen verhoogde gehalten van de onderzochte parameters. De verhoogde gehalten in de bovengrond zijn vermoedelijk

te relateren aan het gebruik van de locatie door de jaren heen en de bodemvreemde materialen in de bodem. De

verhoogde gehalten in de zintuiglijk schone ondergrond zijn vermoedelijk te relateren aan het gebruik van de locatie door de jaren heen.

58

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

In de puinlaag is asbest aangetoond. Ter plaatse van het asbestonderzoek is asbest aangetoond in een gehalte van 228,5 mg/kg ds. De interventiewaarde wordt hierbij overschreven.

Chemisch analytisch zijn in het grondwater lichte verontreinigingen met barium en naftaleen aangetoond. Het is

niet bekend waar deze verontreinigingen door worden veroorzaakt. De aanwezigheid van naftaleen kan te maken hebben met de licht verhoogde gehalten aan PAK die in de grond is aangetoond.

Figuur 35: Onderzoeksgebied Lycens B.V. Aangezien met betrekking tot de aangetoonde verhoogde concentratie aan barium geen antropogene bron

bekend is, is barium vermoedelijk van nature in een verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig. Ten aanzien van naftaleen is geen directe oorzaak bekend.

De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Voor wat betreft de chemische kwaliteit van de bodem zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Voor wat betreft het gehalte aan asbest in de puinlaag is er wel sprake van een

belemmering. Voorafgaand aan de herontwikkeling dient de puinlaag met asbest te worden verwijderd onder de geldende wet- en regelgeving.

Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te borgen wordt middels een vergunningvoorschrift

geregeld dat voorafgaand aan de bouw van de nieuwe woningen de betreffende asbestverontreiniging wordt

59

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

gesaneerd. Ook wordt middels een vergunningvoorschrift geborgd dat nader onderzoek naar mogelijke dempingen ter plaatse van het plangebied plaatsvindt.

De noodzakelijke sanering van de asbestverontreiniging en het nader onderzoek naar dempingen staat de financiële uitvoerbaarheid niet in de weg. De kosten hiervan zijn met het oog op de totale projectomvang slechts

van zeer geringe invloed op de haalbaarheid. Dit vormt geen belemmering voor het afwijken van het omgevingsplan. De bodemkwaliteit staat daarmee de afwijking van het omgevingsplan niet in de weg.

Verwerken nadere stappen bodem Conclusie

Met betrekking tot bodem is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.9. Veiligheid Wettelijk kader

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling

5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van

belang voor de regels over het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: •

• • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven.

Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).

Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.

Onder de Omgevingswet is het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s een manier van

omgaan met het groepsrisico (GR) (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en zijn digitaal raadpleegbaar. De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas leefomgeving. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening

worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen.

Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing). Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn, bijvoorbeeld

gebouwen met een kantoorfunctie. Daarnaast bestaan er ook zeer kwetsbare gebouwen. Een gebouw is ‘zeer kwetsbaar’ als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals een

kinderopvang, basisschool, school/verblijf voor personen met een lichamelijke of geestelijke beperking, een woonfunctie voor 24-uurszorg en gevangenissen.

60

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Onder de Omgevingswet werken gemeenten in het kader van externe veiligheid met aandachtsgebieden.

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan regels opnemen omtrent externe veiligheid. Dat geldt onder meer als

zij in de buurt van een risicobron nieuwe (kwetsbare) gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe

risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. In het omgevingsplan zijn door de gemeente Meierijstad (nog) geen aandachtsgebieden opgenomen in het kader van externe veiligheid, derhalve is vastgehouden aan het omgevingsplan van rechtswege. Hoe is het verwerkt in het plan

De beoogde ontwikkeling voorziet in de toevoeging van nieuwe beperkt kwetsbare objecten (woningen). Netto neemt het aantal beperkt kwetsbare objecten in het plangebied ten opzichte van de bestaande situatie toe met 27 eenheden.

In het plangebied is een gasverdeelstation van Enexis aanwezig. Deze wordt vervangen. In de nieuwe situatie is

sprake van een categorie B station in een behuizing met een opstellingsruimte groter dan 0,5 m3 maar kleiner

dan 15 m3. Als richtafstand tot gebouwen voor kwetsbare personen geldt een afstand van 4 meter. Hier wordt in de toekomstige situatie ruimschoots voldaan (ca. 10-15 m). Derhalve is geen sprake van een situatie met een verhoogde kans op zware ongevallen of rampen voor wat betreft externe veiligheid.

Op circa 80 meter ten westen van de beoogde bebouwing in het westelijke deel van het plangebied is een

risicobron gesitueerd. Dit betreft een opslagtank voor gas bij het zwembad De Neul. Voor de risicobron geldt geen

aandachtsgebied of plaatsgebonden risico. De risicobron vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

De overige in de omgeving van het plangebied gesitueerde risicobronnen betreffen de A50, een buisleiding van

de Gasunie en Bongers tankstation B.V. aan de Schijndelseweg 19. De afstand van het plangebied tot de

betreffende risicobronnen is dusdanig groot dat geen sprake is van een belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

61

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Figuur 36: Uitsnede veiligheidskaart Conclusie

Met betrekking tot veiligheid is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.10.Water Wettelijk kader

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over delen van het watersysteem

in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat belast is met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Onder de Omgevingswet is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Gemeenten kunnen zelf

besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is, dient in een ruimtelijke procedure ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot

het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende.

62

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024

Sinds 1 januari 2024 heeft Waterschap De Dommel een waterschapsverordening. Deze verordening vervangt de Keur. In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij beken, sloten en gemalen.

Toevoegen verharding

Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie

berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Benodigde compensatie (in m3) =

Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) Het middelste getal in de rekenregel is de gevoeligheidsfactor. Dit is een nominale waarde die de hydrologische

gevoeligheid en infiltratiepotentie van de locatie uitdrukt. De gevoeligheidsfactor is verdeeld in 3 zones: 1, 0,5 of 0,25. Om te bepalen welke zone van toepassing is op een bepaalde locatie, dient de Kaart Gevoeligheidsfactor te worden geraadpleegd op de website van het waterschap. Het getal 0,06 in de rekenregel staat voor de waterschijf van 60 mm die overeenkomt met de vastgestelde bovengrens voor de compensatiecapaciteit van 600 m3/ha. Gemeentelijk waterbeleid

Zie subsub-paragraaf 4.4.1.4. Hoe is het verwerkt in het plan

Weging van het waterbelang

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient een weging van het waterbelang

plaats te vinden. Nederland is een waterrijk land en het aspect water verdient dan ook een prominente plaats in

de ruimtelijke ordening. Welke onderwerpen relevant zijn voor deze weging is afhankelijk van de aard, omvang

en plaats van de ontwikkeling. De onderwerpen grondwater, waterberging, waterveiligheid, afvalwater en aanleghoogte bebouwing.

Grondwater

Bij het toelaten van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met het grondwater. Ten opzichte van de directe omgeving kent het plangebied een relatief lage ligging. Dit is niet direct terug te zien in de grondwaterstand. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) is circa 135 cm onder maaiveld, de Gemiddeld

Laagste Grondwaterstand (GLG) is circa 150 cm onder maaiveld. Deze grondwaterstanden vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

63

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Figuur 37: Grondwaterstand en AHN Waterberging

Op basis van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen dient te worden voorkomen dat door bebouwing en verharding een versnelde waterafvoer plaatsvindt. De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater.

Transport van schoon hemelwater via de riolering moet worden vermeden. Het hemelwater dient zoveel mogelijk te

worden

afgekoppeld

van

het

rioleringsstelsel,

waarna

het

hemelwater

in

een

collectieve

hemelwatervoorziening in de openbare ruimte wordt verwerkt. Indien dit niet mogelijk is kan in overleg met het waterschap worden bekeken in hoeverre vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater mogelijk is.

Op basis van de Kaart Gevoeligheidsfactor geldt voor het plangebied een gevoeligheidsfactor van 1. In de bestaande situatie is in het plangebied 7.738 m2 verharding aanwezig. In de toekomstige situatie neemt dit

af naar 6.435 m2. Deze afname van verharding heeft een positieve invloed op de waterhuishoudkundige situatie.

Op grond van subsubparagraaf 4.4.1.4 is sprake van een totale waterbergingsopgave van 226,8 m3. Aan deze

bergingsopgave wordt invulling gegeven met de aanleg van waterbergende fundering onder bestrating, een wadi en een waterbergend speelveld. Figuur 38 toont een globale weergave van de waterbergende voorzieningen.

64

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Figuur 38: Waterberging voorzieningen In het westelijk plangebieddeel wordt waterbergende fundering onder de weg toegepast. Dit substraat betreft een mengsel van basalt en lava waardoor het zeer stevig is en tegelijkertijd een grote opnamecapaciteit heeft. Het

is duurzaam en onderhoudsvriendelijk waardoor het geschikter is als waterbergingsmaatregel dan infiltratiekratten. Bij overvloedige regenval is de opbouw in staat het overtollige water af te voeren naar de

onderliggende bodem, vanwaar het in de ondergrond infiltreert. Het substraat wordt toegepast in een laag van 0,5 meter. Het waterbergend vermogen is 109 m3.

In het oostelijk plangebieddeel worden een wadi en een waterbergend speelveld gerealiseerd. Voor deze voorzieningen wordt uitgegaan van een aanlegdiepte van 0,8 meter, daarmee kan een waterschijf van 0,5 meter worden vastgehouden. Zodoende wordt een waterbergend vermogen van 118 m3 gerealiseerd.

In het kader van de waterbergingsopgave is door Lycens B.V. een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd naar de infiltratiecapaciteit ter plaatse van het plangebied. De bijbehorende rapportage is bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 9 – Geohydrologisch onderzoek.

In het onderzoek is middels 8 metingen de waterdoorlatendheid van de bodem bepaald. Ten tijde van het

onderzoek was sprake van een grondwaterstand tussen 1,2 en 1,5 m-mv. Dit sluit aan bij de GHG en GLG zoals

voorgaand besproken. Op basis van het onderzoek is de gemiddelde k-waarde tussen de 1 en 7 meter per dag. De gemiddelde K-waarden bevindt zich minimaal in de categorie “goed doorlatend”. De goede doorlatendheid van

de bodem is te relateren aan het feit dat de bodem bijna geheel uit zand bestaat en dat er geen storende klei of

65

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

leemlagen aanwezig zijn tot de maximaal onderzochte diepte. Geconstateerd wordt dat de bodem geschikt is

voor hemelwaterinfiltratie. Met

deze

invulling

van

de

waterbergingsopgave

wordt

voorzien

in

een

duurzame

en

veilige

waterhuishoudkundige inrichting die voldoet aan het van toepassing zijnde beleid van de gemeente. De

maatregelen voldoen aan de (minimale) regels van het waterschap. Waterveiligheid

Het plangebied ligt in een gebied dat kwetsbaar is voor overstromingen. Ten behoeve van de waterveiligheid zijn

er dan ook waterkeringen aanwezig in de vorm van dijken. Waterveiligheidmaatregelen in het kader van het

onderhavige initiatief zijn niet haalbaar en doelmatig. In het geval van een calamiteit in de vorm van een overstroming zal het gebied worden geïnformeerd middels een NL-alert waarna wordt geëvacueerd.

Figuur 39: Waterberging watersysteemtoets 2018 & waterklik overstromingsberekening

Figuur 40: Waterkeringen en dijken Afvalwater

Afvalwater van de toekomstige woningen wordt afgevoerd op het bestaande riool. Er wordt gebruikgemaakt van

de bestaande rioolaansluitingen. Gelet op de toename van het aantal wooneenheden en de beperkte omvang van huishoudens leidt dit niet tot een belemmering.

66

Toelichting en motivatie BOPA

19 december 2024

Conclusie

Met betrekking tot water is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.11.Natuur Wettelijk kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden, regels voor soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten en regels ter

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=7150c8d2-80ce-4c1d-a79a-39d2a7694bb5