Bijlage 1 - BOPA Philippusstraat 25 Sint Oedenrode
Tekst van het document
bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel
voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Gebiedsbescherming
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Bescherming van Natura 2000-gebieden, nationaal
landschap en provinciaal beschermde gebieden kennen een interne alsook een externe werking. Zowel ingrepen
die binnen, als ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken op de
instandhoudingsdoelstellingen moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Conform Ow bijlage A is een Natura 2000-activiteit een: Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat
niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
Stikstofdepositie
Stikstofdepositie is geregeld in de Ow en Amvb’s. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb)
blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats
ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. In de Omgevingswet zal uiteindelijk een omgevingswaarde
ten aanzien van stikstof worden ingevoerd. Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn alle inheemse flora en fauna beschermt. De bescherming richt zich zowel op soorten
van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als op bepaalde soorten van nationaal belang. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die
bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub g van de Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover beleid voeren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een
programma van soortenbescherming. Soortenbescherming in de Omgevingswet is vooral gericht op het reguleren van flora- en fauna-activiteiten, dit zijn activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten
in het wild. Er kan dan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd zijn. Door strikte
67
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving worden onderzocht: •
• •
of er soorten aanwezig zijn; welke soorten dat zijn;
of deze negatief worden aangetast door de geplande werkzaamheden.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Hoe is het verwerkt in het plan
In het kader van de beoogde ontwikkeling is een Quickscan Flora & Fauna uitgevoerd door Lycens B.V., de
bijbehorende rapportage is bijgevoegd bij voorliggende BOPA-motivering als Bijlage 10 – Quickscan flora & fauna. Soortenbescherming
Naar aanleiding van de Quickscan Flora & Fauna is een nader onderzoek uitgevoerd naar de huismus, vleermuis en gierzwaluw. De bijbehorende rapportage is bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 11 – Nader
onderzoek soorten.
In het nader onderzoek is vastgesteld dat er in het onderzoeksgebied een kraamverblijfplaats van de gewone
dwergvleermuis aanwezig is. Buiten het onderzoeksgebied is een zomerverblijfplaats van de laatvlieger vastgesteld. Met de ontwikkeling wordt geen essentiële vliegroute of essentieel foerageergebied aangetast.
Tijdens het nader onderzoek zijn geen nestplaatsen van gierzwaluwen en huismussen vastgesteld. Het onderzoeksgebied vormt geen essentieel foerageergebied of leefgebied voor de huismus of de gierzwaluw. Het
slopen van de bebouwing en het rooien van beplanting leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van de wet- en regelgeving voor gierzwaluwen en huismussen.
Vanwege de verblijfplaats van de vleermuis is voor wat betreft de sloop van het voormalige KPN-gebouw sprake van een flora- en fauna-activiteit zoals bedoeld in het Bal. Dit betekent dat er een vergunning noodzakelijk is voor de sloop ervan. In het kader van de vergunningaanvraag is een activiteitenplan voor de vleermuis opgesteld, deze is bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 12 – Activiteitenplan Soortbescherming.
In het kader van de vergunningaanvraag voor de flora- en fauna-activiteit zijn mitigerende maatregelen genomen
met het ophangen van tijdelijke kasten. In de nieuwbouw worden permanente voorzieningen ingebouwd. Voor een uitgebreide beschrijving van de maatregelen wordt verwezen naar de bijlage. Op 3 december 2024 is de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit aangevraagd bij het bevoegd gezag.
Gelet op de door initiatiefnemer getroffen maatregelen en het maatschappelijke belang van de ontwikkeling
wordt de vergunning voor de flora- en fauna-activiteit redelijkerwijs verleend. Derhalve is geen sprake van een
belemmering. Ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt een vergunningvoorschrift opgenomen in het te nemen besluit waarmee de sloop van het voormalige KPN-gebouw uitsluitend is toegestaan wanneer de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit is verleend.
68
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Gebiedsbescherming
Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natura 2000-gebied, Natuurnetwerk Brabant, Groenblauwe mantel en Nationaal landschap behoren. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en de afstand
met het onderzoeksgebied is dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Brabant, groenblauwe mantel en Nationaal landschap
hebben. Daarnaast wordt het onderzoeksgebied omgeven door bebouwing waardoor de impact van het uitvoeren van voorgenomen activiteiten minimaal is. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Stikstof
Ter beoordeling van een mogelijk effect van het initiatief op Natura 2000-gebied is door Lycens B.V. een
stikstofdepositieberekening uitgevoerd, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 13 –
Stikstofdepositieberekening bij voorliggende motivering. De rekenbestanden zijn bijgevoegd als losse bijlagen. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat stikstofemissie afkomstig van onderhavig plan geen
significant negatieve gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. Het
aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Daarnaast is geen (natuur)vergunning op grond van de Omgevingswet noodzakelijk omdat geen sprake is van een depositie hoger dan 0,00 mol/ha/j. Conclusie
Met betrekking tot natuur is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2.12.Duurzaamheid
Duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkeling betekent onder andere dat voldaan moet worden aan wettelijke
milieueisen, op het gebied van bijvoorbeeld bodem, lucht en geluid. Daarnaast betekent duurzaamheid aandacht
voor water (o.a. waterberging, met het oog op de voortgaande klimaatverandering) en voor inrichting van de openbare ruimte (materiaalgebruik, verharding, groen, verlichting). Tot slot zijn circulariteit en energie speerpunten als het gaat om duurzaamheid. Wettelijk kader
De gemeente Meierijstad beschikt niet over duurzaamheidsbeleid voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Hoe is het verwerkt in het plan
In de basis is sprake van een duurzame ontwikkeling omdat de bestaande niet toekomstbestendige en energieonzuinige bebouwing plaatsmaakt voor nieuwbouw. Op de daken van de gebouwen worden
zonnepanelen toegepast. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de
vergunningaanvragen sinds 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De nieuwe woningen worden nagenoeg energieneutraal. Daarnaast is intiatiefnemer ook voornemens
om circulariteit toe te passen door de dakpannen van het bestaande KPN gebouw te hergebruiken. Ook wordt
69
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
onderzocht of hergebruik of verkoop van kwalitatief goed sloopmateriaal mogelijk is. Daarnaast is sprake van duurzaamheid in de zin dat klimaatadaptieve maatregelen worden genomen (waterberging, toevoegen groen en natuurinclusieve maatregelen). Tot slot is op basis van sub-paragraaf 5.2.2 tevens sprake van duurzame verstedelijking. Geconstateerd wordt dat sprake is van een duurzame ontwikkeling. Conclusie
Met betrekking tot duurzaamheid is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2.13.Gezondheid Wettelijk kader
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke
leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Hierbij gaat het zowel om het beschermen van de gezondheid (bijvoorbeeld voorkomen ernstige nadelige
gevolgen voor de gezondheid) als het bevorderen van de gezondheid (bijvoorbeeld middels sport en ontspanning).
De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat overheden, bedrijven én burgers
verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving. Ook kent de omgevingswet ‘specifieke
zorgplichten’, deze borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter. Een specifieke zorgplicht geldt voor specifieke activiteiten voor concreet genoemde belangen.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere
betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. In een ruimtelijke procedure dienen dergelijke (planologisch) relevante aspecten met betrekking tot de bescherming van de gezondheid en het milieu dan ook te worden beoordeeld.
Toetsing aan het aspect gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit thema. Het
beoordelingskader kan dus per gemeente verschillen. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van gezondheid kan
in het omgevingsplan zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is, dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden. Indien het gemeentelijk beleid ten aanzien van gezondheid nog niet is vastgelegd in het omgevingsplan, dient te worden getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege.
Tot op heden heeft de gemeente Meierijstad in het omgevingsplan (nog) geen toepassing gegeven aan het
vastleggen van het gemeentelijk beleid ten aanzien van gezondheid. Er kan niet worden getoetst aan bijbehorende omgevingswaarden. Wel is wat betreft gezondheid, in het kader van de specifieke zorgplicht,
opgenomen dat in ieder geval alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid
70
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
moeten worden genomen. Ook gelden, met het oog op het beschermen van de gezondheid, onder andere regels
voor het graven in de bodem, het tijdelijk opslaan van vrijkomende grond, de aansluiting op drinkwater, afvoer van huishoudelijk afvalwater & hemelwater en overbewoning van woonruimte. Hoe is het verwerkt in het plan
Onderhavig initiatief maakt de realisatie van woningen in het sociale segment mogelijk. Op basis van hoofdstuk
3 is sprake van een zorgvuldig inpassing van de nieuwbouw op de locatie met aandacht voor groen, verkoeling en ontmoeting. Hiermee draagt het initiatief bij aan gezond gedrag en mentale gezondheid.
In het kader van de ontwikkeling is een digitaal GGD omgevingsadvies opgevraagd. Met name het aspect luchtkwaliteit en veehouderij is hierin relevant. Het advies van de GGD is om minimaal 250 meter afstand in acht te nemen tussen een (intensieve) veehouderij en nieuw te realiseren gevoelige bestemmingen.
Wanneer er een geitenhouderij in de omgeving staat, blijkt dat mensen die binnen een straal van 2 km wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. Het risico neemt toe naarmate de afstand kleiner is, al is dit nog niet precies te kwantificeren. Het risico is het grootst binnen 500 meter van de geitenhouderij. Geadviseerd wordt om
in elk geval niet naar een geitenhouderij toe te bouwen en terughoudend te zijn met de bouw van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van geitenhouderijen.
Het meest recente VGO-onderzoek toont toch weer aan dat binnen een afstand van 500 meter van een pluimveehouderij er een verhoogd risico is op longontsteking. Het advies is daarom een afstand van minimaal 500 meter aan te houden tussen een gevoelige bestemming en een pluimveehouderij.
Op basis van Figuur 41 is in de omgeving van het plangebied sprake van veehouderijen. Binnen een straal 500
meter is geen sprake van veehouderijen. Op een afstand van 611 meter is een pluimveehouderij met vleeskuikens
gesitueerd. Hiermee wordt ruim voldaan aan de richtafstanden voor wat betreft geitenhouderijen en pluimveehouderijen, er is derhalve geen sprake van een belemmering voor de toekomstige gevoelige functie.
Het doorlopen van de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ is niet noodzakelijk. Een maatwerkadvies van de GGD is niet noodzakelijk. Er is sprake van een aanvaardbaar gezondheidsrisico.
Uit de beoordeling van de verscheidene omgevingsaspecten (hoofdstuk 5) blijkt dat voor wat betreft de
milieuaspecten met potentiële gevolgen voor gezondheid, sprake is dan een evenwichtige toedeling van functies
aan locaties. Dit geldt zowel voor het plangebied als de directe omgeving. Geconstateerd wordt dat met onderhavige ontwikkeling sprake is van het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving.
Tot slot is geen sprake van strijd met het beleidsstuk ‘Afwegingskader geitenhouderijen’ op basis van subsubparagraaf 4.4.1.5.
71
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Figuur 41: Uitsnede I-GO viewer veehouderijen Conclusie
Met betrekking tot gezondheid is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2.14.Klimaatadaptatie
De verandering van het klimaat vraagt om klimaatadaptatie. De impact van klimaatverandering kan groot zijn en
verschilt per sector. Zonder zorgvuldige voorbereiding op de veranderingen levert dat risico’s op voor de samenleving en de fysieke leefomgeving. Als gevolg van klimaatverandering is er in de fysieke leefomgeving een
toegenomen kans op hittestress, droogte, wateroverlast en overstromingen.
Deze negatieve gevolgen zijn als thema’s geformuleerd in het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Bij ruimtelijke ontwikkelingen spelen deze thema’s een belangrijke rol. Klimaatadaptatie van de fysieke
leefomgeving is hierbij een van de belangrijkste opgaven. Klimaatadaptief ontwikkelen, bouwen en inrichten van
de fysieke leefomgeving voorkomt problemen en beperkt financiële en maatschappelijke schade als gevolg van
klimaatverandering en de gevolgen daarvan. Wettelijk kader
Zie 4.2.1.2, op basis van artikel 5.55 van de Omgevingsverordening moet rekening worden gehouden met gevolgen van klimaatverandering, ofwel klimaatadaptatie.
Hoe is het verwerkt in het plan
Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van binnenstedelijk groen, hiermee wordt hittestress en het
optreden van het stedelijk hitte eiland effect tegengegaan. Daarnaast worden waterbergingsmaatregelen getroffen om de afwenteling van wateroverlast te voorkomen. Hemelwater van verharding wordt binnen de
72
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
planbegrenzing in een wadi en waterbergende parkeerplaatsen opgevangen zodat dit niet wordt afgevoerd op het riool. Er wordt daarmee voorzien in een klimaatadaptieve inrichting van het plangebied. Conclusie
Met betrekking tot klimaatadaptatie is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2.15. Kabels en leidingen Wettelijk kader
Hoogspanningslijnen
Voor het elektriciteitsnetwerk (waaronder hoogspanningslijnen, ondergrondse kabels en
transformatorhuisjes) bestaat geen directe wetgeving of normenkader in relatie tot gezondheid. Echter blijft artikel 1.6 van de Omgevingswet, die gaat over zorgplicht, gelden. Een netwerkbeheerder mag niet de gezondheid
van de omwonenden schaden. Uit onderzoek is gebleken dat er mogelijk een oorzakelijk verband bestaat tussen leukemie en verblijf in het magnetische veld afkomstig van hoogspanningslijnen. In Nederland geldt daarom rijksvoorzorgbeleid voor hoogspanningslijnen.
Magnetische velden afkomstig van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen in nieuwe woningen, scholen en
kinderdagverblijven niet sterker zijn dan 0,4 microtesla (μT) over een jaargemiddelde. De gemeente stelt daarvoor
preventief een zone in die vrij blijft van dergelijke bebouwing, dit noemen we de magneetveldzone. Dit geldt voor situaties waarin nieuwe gevoelige functies in de buurt van een bovengrondse hoogspanningslijn worden gebouwd of nieuwe hoogspanningslijnen bij bestaande gevoelige functies worden gerealiseerd.
Het begrip “gevoelige bestemming” wordt als woning, school, crèche en kinderopvangplaats gedefinieerd.
Daarbij is toegelicht dat andere bestemmingen waar kinderen of volwassenen voor kortere tijd en niet dagelijks
verblijven, geen gevoelige bestemmingen zijn. Denk hierbij aan sportvelden, kinderspeelplaatsen en recreatiegebieden.
De magneetveldzone rond de hoogspanningslijnen markeert een gebied waarin het magnetische veld, gemiddeld over een jaar genomen, sterker is dan 0,4 microtesla. De breedte van de zone wordt afgeleid uit de nominale
stroom waarvoor de hoogspanningslijn is ontworpen. De keuze voor deze magneetveldzone sluit goed aan bij internationale epidemiologische onderzoeken. De indicatieve magneetveldzone bedraagt: •
•
50 meter aan weerszijden van het hart van de hoogspanningslijn voor 50 kV-lijnen;
60 meter aan weerszijden van het hart van de hoogspanningslijn voor 150 kV-lijnen.
Ook dient rekening te worden gehouden met de mogelijke effecten op technische apparatuur in de nabijheid van het magnetisch veld. De gemeentelijk brandweer dient te adviseren over de blus(on)mogelijkheden nabij de
hoogspanningslijn. Tenslotte zal de nieuwe bebouwing zijn gebonden aan bepaalde bouwhoogte als gevolg van
73
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
de hoogspanningslijn. Een bouwplan binnen de zakelijk rechtstrook (toetsingszone netbeheerder) van de lijn dient ter toetsing voorgelegd te worden aan de netbeheerder (TenneT voor 150 kV lijnen en Liander voor 50 kV lijnen).
De zakelijk rechtstrook bedraagt: •
17,5 meter aan weerszijden van het hart van de hoogspanningslijn voor 50 kV-lijnen;
•
3 meter gemeten vanaf de buitenste kabel voor ondergrondse hoogspanningslijnen.
•
22,5 meter aan weerszijden van het hart van de hoogspanningslijn voor 150 kV-lijnen;
Kabels en leidingen
Naast de hoogspanningslijnen kunnen er nog andere kabels of leidingen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van (planologisch relevante) waterleidingen of rioleringsleidingen. Hoe is het verwerkt in het plan
In het plangebied en de directe omgeving is geen sprake van hoogspanningslijnen. In het plangebied is geen
sprake van planologisch relevante kabels of leidingen.
In het kader van grondroerende werkzaamheden moet een KLIC-melding worden uitgevoerd. Onderstaande figuur toont een uitsnede van de KLIC-melding van het voormalige KPN-gebouw en het daarnaast gesitueerde gasdrukverdeelstation van Enexis.
Figuur 42: Uitsnede KLIC-melding
74
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Het gasdrukverdeelstation wordt door Enexis verplaatst. De infrastructuur wordt verlegd zodat dit aansluit op de
Philippusstraat. Dit is geen onderdeel van onderhavig initiatief. Er is geen sprake van een belemmering voor de woningbouw. Conclusie
Met betrekking tot kabels en leidingen is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2.16.Activiteiten en milieuzonering Wettelijk kader
In het kader van de wijziging of afwijking van het omgevingsplan gelden criteria op basis van de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is hier onderdeel van. Ten behoeve van: •
het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede
•
het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving,
omgevingskwaliteit, en
zoals dat de doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3) zijn, dient bij wijzigingen (ruimtelijke ontwikkeling) in de fysieke leefomgeving een afweging plaats te vinden van milieuzonering.
Door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is in oktober 2024 de ‘Handreiking Activiteiten en milieuzonering’ gepubliceerd. Deze handreiking “vervangt” de publicaties ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009
en ‘Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019’, die zijn gebaseerd waren op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) respectievelijk de Crisis- en herstelwet.
Van groot belang is dat de nieuwe handreiking geen wetgeving betreft. Toepassing van de handreiking door gemeenten bij het opnemen van regels omtrent milieuzonering in het omgevingsplan is dan ook niet verplicht.
Het staat gemeenten vrij hier een eigen werkwijze in toe te passen. Zo heeft de gemeente Amersfoort een
alternatieve systematiek ontwikkeld met de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUD). In de geest van de Omgevingswet is de nieuwe handreiking, volgens de VNG, wel geschikter voor het opnemen van dergelijke regels. Onderzoek
De gemeente heeft beleidsvrijheid in het toepassen van milieuzonering, zowel voor het opnemen van regels hieromtrent in het omgevingsplan, als in het beoordelen de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Zolang de gemeente nog geen regels heeft opgenomen in haar omgevingsplan is sprake van een overgangssituatie.
75
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Voor het inschatten van de milieugebruiksruimte van activiteiten bevat de ‘Handreiking Activiteiten en
milieuzonering’ een lijst met activiteiten met een inschatting van geluid en geur (bijlage 5). In hoofdstuk 10 van de handreiking wordt beschreven hoe een inschatting kan worden gemaakt van de toelaatbaarheid van nieuwe
activiteiten. Hiertoe bevat de handreiking een transponeertabel. De lijst is nadrukkelijk níet geschikt (en níet bedoeld) voor opname of overname in de regels van het omgevingsplan of in een beleidsregel bij het omgevingsplan.
Om gedurende de overgangssituatie toch nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toe te kunnen laten moet worden gezocht naar een praktische werkwijze om milieuzonering te beoordelen. Hiertoe wordt aangesloten bij de
systematiek van de Handreiking Activiteiten en milieuzonering van 2024 waarbij, wanneer er geen regels omtrent
milieuruimte zijn, of kunnen worden opgenomen, wordt aangesloten bij de systematiek van richtafstanden. Dit
geschiedt op basis van de in de nieuwe handreiking opgenomen transponeertabel en daarbijbehorende lijst van activiteiten met een inschatting van geluid en geur.
Figuur 43: Transponeertabel In de omgeving van het plangebied is in zeer beperkte mate sprake van milieuhinderlijke activiteiten (Figuur 44). Ter plaatse van de bedrijfsfunctie in het plangebied wordt een gevoelig gebruik (wonen) toegestaan in afwijking van het omgevingsplan. In het plangebied is sprake van twee milieuhinderlijke activiteiten, een gasverdeelstation
76
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
en een transformatorhuisje. In de toekomstige situatie is sprake van voldoende afstand van deze activiteiten tot de milieugevoelige woningen. Milieuhinder is daarmee uitgesloten.
Figuur 44: Functies in de omgeving van het plangebied In de wijdere omgeving van het plangebied is sprake van meerdere milieuhinderlijke activiteiten. Op ruim 500
meter van het plangebied zijn het bedrijventerrein van Ahrend HQ en het agrarische bedrijf Corridor 3 gesitueerd. Op deze afstand is geen milieuhinder te verwachten, dit is tevens bevestigd in sub-paragraaf 5.2.13.
Op kortere afstand van de milieuhinderlijke activiteiten (bedrijven) zijn in de bestaande situatie reeds woningen gesitueerd. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden de bedrijven niet gehinderd.
Voor wat betreft milieuzonering is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en een efficiënt ruimtegebruik. Conclusie
Met betrekking tot activiteiten en milieuzonering is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
77
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
6. Beperkingengebied 6.1.
Algemeen
Wettelijk kader
Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.
De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen,
hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen.
Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat
er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Een beperkingengebied is in feite wat nu de (beschermings)zones
onder de huidige wetgeving zijn en in veel gevallen omvat het beperkingengebied ook de locatie van de weg of het waterstaatswerk of object zelf.
Een concreet voorbeeld van een beperkingengebied is een oppervlaktewaterlichaam (bijvoorbeeld een primaire watergang of een A-watergang) inclusief de (beschermings)zones (onderhoudsstroken en eventueel natuurvriendelijke oevers).
Hoe is het verwerkt in het plan
Op grond van de bestudering van de provinciale omgevingsverordening (4.2.1.2) en waterschapsverordening (4.3.1.1) is ter plaatse van het plangebied geen sprake van een beperkingengebied. Conclusie
Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van een beperkingengebied dat een belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.
78
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
7. Uitvoerbaarheid 7.1.
Economische uitvoerbaarheid
7.1.1. Financieel economische uitvoerbaarheid
Door vaststelling van dit planologisch besluit worden zogenaamde ‘kostenverhaalplichtige activiteiten� mogelijk gemaakt in de zin van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit.
De Omgevingswet verplicht de gemeente de kosten die zij zelf maakt ten behoeve van een planologisch besluit voor het mogelijk maken van een kostenverhaalplichtige activiteit te verhalen op de eigenaar of eigenaren van de
betreffende gronden. Het kostenverhaal betreft alleen kosten die op de kostensoortenlijst staan als genoemd in Bijlage IV bij het Omgevingsbesluit. Hierbij kan worden gedacht aan de kosten die gemoeid zijn met de
voorbereiding van het planologisch besluit in de procedurefase, maar ook aan de kosten van aanleg van openbare voorzieningen in de uitvoeringsfase.
Een kostenverhaalsplichtige activiteit mag niet worden verricht voordat de voor de activiteit verschuldigde bijdrage in het kader van het kostenverhaal is betaald. Hiervan kan worden afgeweken als een overeenkomst
wordt gesloten waarin voorwaarden worden opgenomen over het stellen van aanvullende zekerheden voor de betaling. In dit geval mag de uitvoering van een activiteit wel starten voordat de kostenverhaalbijdrage betaald is. Als er geen zekerheid voor betaling is overeengekomen vóór het nemen van het planologisch besluit, neemt de gemeente kostenverhaalsregels op in het omgevingsplan, danwel kostenverhaalvoorschriften op bij de omgevingsvergunning.
In het kader van de financiële uitvoerbaarheid is een anterieure overeenkomst afgesloten met de initiatiefnemer waarin het kostenverhaal is geregeld.
7.1.2. Kostenverhaal
Publiekrechtelijk kostenverhaal vindt in het concrete geval niet langer plaats via de omgevingsvergunning, maar
door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Ook wel de beschikking bestuursrechtelijke geldschuld genoemd.
Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: •
•
aangewezen bouwactiviteiten
aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen
Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen
activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van
kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van
79
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
7.1.3. Nadeelcompensatie
De basisregeling voor nadeelcompensatie staat in titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In titel 4.5
Awb staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.
De regels over nadeelcompensatie in afdeling 15.1 van de Omgevingswet zijn een aanvulling op deze algemene
regeling uit de Awb. De regels over nadeelcompensatie in de Omgevingswet hebben voorrang op de regels in de Awb.
7.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1. Participatie en belangenafweging De
Omgevingswet
verplicht
tot
het
uitvoeren
van
participatie
door
de
aanvrager
van
alle
omgevingsvergunningen. Door initiatiefnemer is participatie uitgevoerd door de organisatie van een
omgevingsdialoog. Daarnaast zijn enkele omwonenden bij initiatiefnemer op kantoor uitgenodigd om het
onderwerp bezonning te bespreken. Een uitgebreide beschrijving van de omgevingsdialoog is opgenomen als Bijlage 17 – Verslaglegging omgevingsdialoog.
7.2.2. Advies en instemming
Conform de Omgevingswet kan de gemeenteraad als adviseur worden aangewezen bij aanvragen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in door de gemeenteraad aangewezen gevallen. In deze gevallen geeft de raad advies aan het college van burgemeester en wethouders, die het bevoegd gezag is bij omgevingsvergunningen. Het college besluit in overeenstemming met het advies door de raad. Feitelijk betekent dat, dat het advies van de raad aan het college bindend is.
Het adviesrecht is de bevoegdheid van de gemeenteraad het college te adviseren en zegt daarmee niets over de wenselijkheid of vergunbaarheid van een initiatief. Het van toepassing zijn van het adviesrecht zegt eveneens
niets over de te volgen procedure. Uitgangspunt blijft het toepassen van de reguliere procedure, waarbij belanghebbenden via bezwaar en beroep voor hun recht kunnen opkomen.
De gemeente Meierijstad heeft een lijst opgesteld van gevallen waarbij voor een BOPA sprake is van een bindend adviesrecht. Hiervan is in ieder geval sprake in het geval van een aanvraag betreffende stedelijk gebied, niet zijnde een bedrijventerrein, voor de nieuwbouw van 5 woningen.
In onderhavige aanvraag is sprake van de nieuwbouw van meer dan 5 woningen, het binden adviesrecht van de gemeenteraad is van toepassing.
80
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
7.2.3. Vergunningvoorschriften
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt als voorwaarde voor de verlening van een omgevingsvergunning een
‘evenwichtige toedeling van functies’. Niet altijd voorziet een aanvraag daar in. In die gevallen heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om het evenwicht te herstellen of te waarborgen door te voorzien in maatwerk. Enerzijds
kunnen aan de BOPA vergunningvoorschriften worden verbonden, anderzijds kunnen de toepasselijke algemene regels de mogelijkheid van het opleggen van maatwerkvoorschriften bevatten. Vergunningvoorschriften
Aan een BOPA kunnen voorschriften worden verbonden (artikel 5.34 Ow). Deze voorschriften zijn mogelijk voor zover ze betrekking hebben op:
het gebied waar de vergunningaanvraag op ziet;
•
de aangevraagde ontwikkeling.
•
De voorschriften kunnen beperkingen inhouden. Ze moeten nodig zijn met het oog op de beoordelingsregels die worden gehanteerd bij het beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
In het te nemen besluit dient een vergunningvoorschrift te worden opgenomen met betrekking tot de sanering van asbest. Hierna wordt een voorstel gedaan voor de strekking van het voorschrift: 1.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft bodemkwaliteit wordt een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke bouwactiviteit voor het bouwen van een woning
uitsluitend verleend indien is aangetoond dat de in het verkennend bodemonderzoek met het kenmerk “2023-0541 dd. 2-4-2024” aangetroffen asbestverontreiniging door een hiervoor erkende partij is 2.
gesaneerd.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft bodemkwaliteit wordt een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke bouwactiviteit voor het bouwen van een woning
uitsluitend verleend indien onderzoek heeft plaatsgevonden naar potentiële dempingen die hebben 3.
plaatsgevonden.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft archeologie wordt
een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke bouwactiviteit voor het bouwen van een woning
uitsluitend verleend indien op basis van archeologische onderzoek is gebleken dat als gevolg van de
4. 5.
bodemingrepen ter plaatse geen archeologische waarden worden geschaad.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft geluid wordt de positie van gebouwblok 3A ten opzichte van de weg vastgelegd zoals weergeven op de
inrichtingstekening.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft natuur wordt een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke bouwactiviteit voor het bouwen van een woning uitsluitend
verleend indien de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit voor het slopen van het voormalige KPN-gebouw zoals beschreven in Bijlage 12 – Activiteitenplan Soortbescherming is verkregen.
81
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
8. Belangenafweging en conclusie
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse
omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl).
Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige
toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 4).
De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er
sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige
belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling?
Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7).
Op basis van voorliggende motivering wordt geconcludeerd dat, alles overwegende, de ontwikkeling wel aanvaardbaar is omdat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
82
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9. Bijlagen
83
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.1.
84
Bijlage 1 – Archeologisch bureauonderzoek
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.2.
85
Bijlage 2 – Archeologisch karterend booronderzoek
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.3.
86
Bijlage 3 – Selectieadvies BO
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.4.
87
Bijlage 4 – Mededeling mer-beoordelingsplicht
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.5.
88
Bijlage 5 – Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.6.
89
Bijlage 6 – Verkennend bodemonderzoek Ingenieursbureau Mol
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.7.
90
Bijlage 7 – Nader bodemonderzoek Ingenieursbureau Mol
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.8.
91
Bijlage 8 – Verkennend bodemonderzoek Lycens
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.9.
92
Bijlage 9 – Geohydrologisch onderzoek
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.10. Bijlage 10 – Quickscan flora & fauna
93
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.11. Bijlage 11 – Nader onderzoek soorten
94
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.12. Bijlage 12 – Activiteitenplan Soortbescherming
95
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.13. Bijlage 13 – Stikstofdepositieberekening
96
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.14. Bijlage 14 – AERIUS-berekening realisatiefase
97
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.15. Bijlage 15 – AERIUS-berekening gecombineerde fase
98
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.16. Bijlage 16 – AERIUS-berekening gebruiksfase
99
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
9.17. Bijlage 17 – Verslaglegging omgevingsdialoog
100
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024