Bijlage 1 - BOPA Philippusstraat 25 Sint Oedenrode
Tekst van het document
Toelichting en motivatie Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Philippusstraat, Sint-Oedenrode
Toelichting en motivatie Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Philippusstraat, Sint-Oedenrode Projectnummer: 2023-0541
19 december 2024
Ruben Laman
Merijn van Hoek
r.laman@lycens.nl
m.vanhoek@lycens.nl
Adviseur Ruimtelijke ordening
Teamleider Ruimtelijke ordening
M 06 109 843 15
Lycens B.V.
Deventerstraat 10
M 06 839 230 05
7575 EM Oldenzaal
0541-570730
info@lycens.nl
Inhoud
0. Begrippenlijst ........................................................................................................................ 4 1. Inleiding ................................................................................................................................ 5 2. Huidige situatie ................................................................................................................... 12 3. Beoogde ontwikkeling......................................................................................................... 15 4. Beleid en regelgeving .......................................................................................................... 19 5. Fysieke leefomgeving .......................................................................................................... 35 6. Beperkingengebied ............................................................................................................. 78 7. Uitvoerbaarheid .................................................................................................................. 79 8. Belangenafweging en conclusie .......................................................................................... 82 9. Bijlagen ............................................................................................................................... 83
3
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
0. Begrippenlijst Begrippenlijst BOPA nr.
Begrip
Definitie
2
Bbl
Besluit bouwwerken leefomgeving
1 3 4 5 6 7
4
Bal Bkl
BOPA
ETFAL Or
Ow
Toelichting en motivatie BOPA
Besluit activiteiten leefomgeving Besluit kwaliteit leefomgeving
Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit
Evenwichtige Toedeling Functies Aan Locaties Omgevingsregeling Omgevingswet
19 december 2024
1.
1.1.
Inleiding
Aanleiding en doel
Woningcorporatie Woonmeij (hierna: initiatiefnemer) is voornemens een bestaand en verouderd woongebied in
Sint-Oedenrode te herontwikkelen. Het initiatief heeft betrekking op de herontwikkeling van de bestaande
huurwoningen aan de Philippusstraat, het voormalige KPN-gebouw aan de Philippusstraat 25 en vier bestaande woningen aan de Coeveringslaan (nr. 41 t/m 47).
In totaal worden er drie appartementenblokken gerealiseerd. Alle bestaande in het plangebied aanwezige
bebouwing, met uitzondering van de transformatorhuisjes, wordt gesloopt. Ter plaatse van het oostelijk deel van het plangebied wordt een appartementenblok met 28 appartementen gerealiseerd verdeeld over drie bouwlagen. In het westelijk deel van het plangebied worden twee appartementenblokken met elk 11 appartementen
gerealiseerd.
Alle
appartementen
betreffen
sociale
huurwoningen
voor
één-
en
tweepersoonshuishoudens. In totaal worden 24 bestaande niet toekomstbestendige sociale huurwoningen gesloopt, netto worden er derhalve 26 wooneenheden toegevoegd. Naast de wooneenheden worden bijkomende
voorzieningen als bergingen, wegen en parkeergelegenheden gerealiseerd. Hierbij wordt tevens openbaar groen en waterberging gerealiseerd. Tezamen vormt dit de beoogde ontwikkeling.
De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk op grond van het vigerende planologische regime. Ten eerste geldt ter
plaatse van een deel van het plangebied de bestemming ‘bedrijf - nutsvoorziening’. Deze bestemming staat
gebruik ten behoeve van het wonen niet toe. Voor een deel van de gronden geldt de bestemming ‘verkeer – verblijfsgebied’ ook hier is het wonen niet toegestaan. Ten tweede gelden binnen het plangebied verscheidene
bouwvlakken met de aanduiding ‘aaneengebouwd’. Daarbij gelden maximale goothoogten van 4,5 en 6 meter. Het realiseren van meerlaagse appartementengebouwen is daarmee niet toegestaan.
De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk binnen de regels van het vigerende planologische regime (het
omgevingsplan van rechtswege). Middels een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA) kan van deze
regels worden afgeweken. Hierop is in de basis is de reguliere procedure van toepassing. Deze BOPA dient o.a. te bestaan uit een ruimtelijke motivering waarin wordt aangetoond dat het besluit tot het afwijken van het
omgevingsplan in overeenstemming is met een gezonde fysieke leefomgeving en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorliggende BOPA motivering voorziet hierin. Tevens dient deze motivering als toelichting
op de ruimtelijke bouwactiviteit.
1.2.
Beschrijving van het plangebied
Het plangebied is weergeven in Figuur 1 en staat kadastraal bekend als (kadastrale) gemeente Sint Oedenrode,
sectie G, nummers 3153, 3154, 3573, 4076, 4248 (ged.), 4244, 4245, 4255 (ged.), 4257 (ged), 5022 en 5023. Figuur 2 toont de geografische ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving.
5
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Figuur 1: Plangebied en bestaande situatie
Figuur 2: Geografische ligging plangebied ten opzichte van de omgeving
6
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
1.3.
Het Omgevingsplan van rechtswege
Ter plaatse van het plangebied geldt het omgevingsplan “Omgevingsplan gemeente Meierijstad” dat in werking
is vanaf 1 januari 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit (ruimtelijke) regels uit verschillende in
artikel 4.6 Invoeringswet aangewezen vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen, wijzigingsplannen én uit rijksregels over activiteiten, die zijn aangeduid als de bruidsschat.
1.3.1. Regels
Met de inwerkingtreding van de Ow zijn vigerende bestemmingsplannen onderdeel geworden van het
Omgevingsplan van rechtswege. Zolang het Omgevingsplan niet wordt gewijzigd is er daarmee sprake van bestemmingen en bestemmingsplanregels in het Omgevingsplan van rechtswege.
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van de bestemmingsplannen “Centrum, herziening 2013” (vastgesteld
op 10 oktober 2013), “Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1” (vastgesteld op 29 januari 2015), “Paraplubestemmingsplan parkeren” (deels onherroepelijk in werking 31 januari 2019), “Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit” (vastgesteld 27 januari 2021) en “parplubestemmingsplan archeologie”
(ontwerp op 15 november 2022) welke enkel als ontwerp ter inzage heeft gelegen.
1.3.1.1.
“Centrum, herziening 2013”
Op basis van dit bestemmingsplan gelden ter plaatse van het plangebied de bestemmingen ‘Bedrijf -
Nutsvoorziening’, ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ en ‘Wonen’. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 2’. De aanwezige bouwvlakken kennen bouwaanduidingen en
maatvoeringen. Ter plaatse van het oostelijke plandeelgebied geldt tot slot de gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied 3’.
Figuur 3: Planologisch regime “Centrum, herziening 2013”
7
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Uit onderstaande Figuur 4 volgt dat het oostelijke appartementenblok gedeeltelijk ter plaatse van de bestemming
‘verkeer - verblijfsgebied’ is voorzien. Het noordelijke appartementenblok in het westelijke plandeelgebied is
voorzien ter plaatse van de bestemming ‘bedrijf - nutsvoorziening’. Het beoogde gebruik van deze gronden ten
behoeve van woondoeleinden is niet toegestaan.
Daarbij sluit geen van de appartementenblokken aan bij de vigerende bouwvlakken. Het bouwen van gebouwen ten behoeve van het wonen is niet toegestaan daar waar geen bouwvlak geldt. Tevens wordt afgeweken van de hier toegestane bouwvormen (aaneengebouwd) en maatvoeringen (goothoogte).
De archeologische dubbelbestemmingen worden niet beschouwd omdat deze middels het bestemmingsplan “paraplubestemmingsplan archeologie” worden herzien.
Figuur 4: Bouwplan ten opzichte van vigerende bestemmingen en bouwvlakken Conclusie strijdigheid
De beoogde ontwikkeling is de volgende onderdelen strijdig met het bestemmingsplan “Centrum, herziening
2013”: 1.
2. 3.
4.
8
Het gebruik van gronden met de bestemming ‘bedrijf – nutsvoorziening’ ten behoeve van
woondoeleinden;
Het gebruik van gronden met de bestemming ‘verkeer – verblijfsgebied’ ten behoeve van
woondoeleinden;
Het bouwen van meerlaagse woongebouwen buiten het bouwvlak;
Het bouwen van meerlaagse woongebouwen met een goothoogte hoger dan 4,5 en 6 meter.
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Dit betreffen daarmee de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning noodzakelijk is.
1.3.1.2.
“Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1”
daarvoor
geldende
Middels het betreffende bestemmingsplan heeft de gemeente de mogelijkheden voor het wonen binnen de bestemmingen
gereguleerd
om
overbewoning
tegen
te
gaan.
Met
het
paraplubestemmingsplan is een regeling opgenomen in de onderliggende bestemmingsplannen waaraan getoetst kan worden.
In het bestemmingsplan zijn onder andere de begrippen bijzondere woonvormen, wonen, woning en huishouden opgenomen.
Het beoogde gebruik van de appartementen door één- en tweepersoonshuishoudens is in overeenstemming met de opgenomen begrippen met betrekking tot het wonen.
Conclusie strijdigheid
De beoogde ontwikkeling is niet strijdig met het bestemmingsplan “Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-
Oedenrode 1”. Een omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten is niet noodzakelijk.
1.3.1.3.
“Paraplubestemmingsplan parkeren”
Middels dit bestemmingsplan zijn meerdere vigerende onderliggende bestemmingsplannen herzien op het onderdeel parkeren.
Het
'paraplubestemmingsplan parkeren'
heeft tot
doelstelling
om
voor
de
bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad die daar nog niet in voorzien, de juridische link te leggen met
“geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. In bestemmingsplannen dient daartoe een bepaling te worden voorgeschreven waarmee wordt geregeld dat een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien voldaan wordt aan het gemeentelijk parkeerbeleid.
Met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan is bepaald dat bij het bouwen of uitbreiden van een gebouw en/of het veranderen van de functie van een bouwperceel voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op
openbaar gebied aanwezig gerealiseerd dient te worden.
Onderhavig initiatief voorziet in voldoende parkeergelegenheid, dit wordt nader toegelicht in paragraaf 5.2.3. Conclusie strijdigheid
De beoogde ontwikkeling is niet strijdig met het bestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan parkeren”. Een omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten is niet noodzakelijk.
1.3.1.4.
“Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit”
Op 1 januari 2017 zijn de gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel gefuseerd tot de gemeente Meierijstad.
Naar aanleiding van de fusie is er veel nieuw beleid ontwikkeld en zijn de verordeningen geharmoniseerd.
9
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft men om technische redenen besloten enkele (harmonisatie)herzieningen uit te voeren voor verschillende thema’s omdat dit na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer mogelijk is. Daarbij is gekeken welke activiteiten relatief vaak voorkomen en waarvan de regels nog verschillen of ontbreken. Conclusie strijdigheid
De beoogde ontwikkeling is niet strijdig met het bestemmingsplan “Harmonisatie van diverse regelingen –
laaghangend fruit”. Een omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten is niet noodzakelijk.
1.3.1.5.
“Paraplubestemmingsplan archeologie”
De gemeente Meierijstad is per 1 januari 2017 ontstaan uit een fusie van drie gemeenten, te weten St. Oedenrode, Veghel en Schijndel. Deze gemeenten beschikten alle drie over een eigen archeologische verwachtingskaart. Deze
kaarten konden echter niet één op één aan elkaar ‘geplakt’ worden, gezien de verschillende wijze waarop de
kaarten tot stand zijn gekomen. Om tot een eenduidige inventarisatie- en beleidskaart te komen voor de nieuw
ontstane gemeente Meierijstad, is ervoor gekozen om een nieuwe kaart te maken, waarbij deels geput kon worden uit de bestaande data. Sinds de vervaardiging van de oude kaarten zijn echter verscheidene nieuwe
archeologische onderzoeken uitgevoerd, wat heeft geresulteerd in een aantal nieuwe waarnemingen. Bij de actualisatie is deze nieuwe data meegenomen.
Figuur 5: Archeologische dubbelbestemmingen
10
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Middels het paraplubestemmingsplan heeft de gemeente de archeologische dubbelbestemmingen van onderliggende bestemmingsplannen herzien.
Ter plaatse van het plangebied gelden op basis van het bestemmingsplan de dubbelbestemmingen ‘Waarde –
Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 6’. Op basis hiervan gelden voorwaarden voor het verkrijgen van een
omgevingsvergunning voor het bouwen en werken of werkzaamheden.
Vanwege de archeologische verwachtingen ter plaatse van het plangebied is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding van dit onderzoek is een nader onderzoek uitgevoerd in de vorm van een karterend
booronderzoek. Op basis van de bevindingen is een deel van het plangebied vrijgegeven voor de noodzakelijke ingrepen. In het overige deel van het plangebied is nader onderzoek noodzakelijk. De resultaten zijn toegelicht in
paragraaf 5.1.4.
Conclusie strijdigheid
De beoogde ontwikkeling is niet strijdig met het bestemmingsplan “paraplubestemmingsplan archeologie”. Een omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten is niet noodzakelijk.
1.3.2. Conclusie
De beoogde ontwikkeling is op de volgende onderdelen strijdig met het vigerende planologische regime. Dit betreffen daarmee de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning noodzakelijk is.
1.
Het gebruik van gronden met de bestemming ‘bedrijf – nutsvoorziening’ ten behoeve van
2.
Het gebruik van gronden met de bestemming ‘verkeer – verblijfsgebied’ ten behoeve van
3.
4.
woondoeleinden;
woondoeleinden;
Het bouwen van meerlaagse woongebouwen buiten het bouwvlak;
Het bouwen van meerlaagse woongebouwen met een goothoogte hoger dan 4,5 en 6 meter.
Voorliggende
motivering
omgevingsplanactiviteiten.
1.4.
wordt
ingediend
bij
de
aanvraag
van
bovengenoemde
buitenplanse
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande situatie beschreven. In hoofdstuk 3 wordt de
beoogde ontwikkeling uiteengezet. Het van toepassing zijnde beleid komt aan de orde in hoofdstuk 4, waarna in
hoofdstuk 5 de aspecten die van belang zijn voor de fysieke leefomgeving worden toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt de potentiële aanwezigheid van beperkingengebieden besproken. De economische en maatschappelijke
uitvoerbaarheid worden in hoofdstuk 7 behandeld. Hoofdstuk 8 beschrijft de belangenafweging en conclusie van
voorliggende motivering. De bijlagen zijn opgenomen in hoofdstuk 9.
11
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
2. Huidige situatie 2.1.
Historie
Ten behoeve van het opstellen van het stedenbouwkundige plan heeft een historische analyse van het
plangebied en de omgeving plaatsgevonden. Figuur 6 toont de wijzigingen van het landschap door de tijd en de
gestage uitbreiding van Sint-Oedenrode. Figuur 7 toont de rondom het plangebied aanwezige historische
structuren.
Figuur 6: Uitsnede landschappelijke analyse (bron: NieuwBlauw)
12
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Figuur 7: Historische structuren in de ruimte (bron: NieuwBlauw)
2.2.
Ruimtelijke structuur
In de bestaande situatie vormt het plangebied, en specifiek de Philippusstraat, een corridor tussen het park aan de Dommel en de dorpsentree van Sint-Oedenrode. Figuur 8 toont straataanzichten in de bestaande situatie die deze overgang weergeven. Figuur 9 geeft een schetsmatige weergave van de ruimtelijke structuren.
13
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Figuur 8: Aanzichten en overgangen tussen gebiedstypen (bron: NieuwBlauw)
Figuur 9: Stedenbouwkundige weergave plangebied en omgeving (bron: NieuwBlauw)
14
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
3. Beoogde ontwikkeling 3.1.
Algemeen
Initiatiefnemer is voornemens 50 sociale huurwoningen te bouwen voor de doelgroep één- en
tweepersoonshuishoudens. Figuur 10 toont het wenselijk eindbeeld van de beoogde ontwikkeling. Alle
bestaande in het plangebied aanwezige bebouwing, met uitzondering van de transformatorhuisjes, wordt gesloopt. De appartementen hebben een oppervlakte van 60 m2, Figuur 11 toont het schetsontwerp van één appartement.
Figuur 10: Wenselijk eindbeeld beoogde ontwikkeling (aan wijzigingen onderhevig)
Figuur 11: Plattegrond appartement (aan wijzigingen onderhevig)
15
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
3.2.
Stedenbouw
De appartementenblokken worden uitgevoerd in een stijl die passend is voor de omgeving. Het appartementenblok in het oostelijk deel van het plangebied bevat in totaal 28 appartementen. Het betreffende
gebouw bestaat uit twee blokken die haaks parallel aan de Philippusstraat worden gesitueerd. Het blok direct
aan de Philippusstraat wordt tweelaags met een bouwhoogte van circa 7,40 meter. Het daarachtergelegen pand heeft een maximale bouwhoogte van 9,90 meter. De appartementenblokken in het westelijk plangebieddeel zijn in grote mate vergelijkbaar. Deze bestaan uit twee bouwlagen met een maximale bouwhoogte van circa 7,40 meter.
Figuur 12: Aanzichten appartementenblokken (aan wijzigingen onderhevig)
16
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
3.3.
Infrastructuur en voorzieningen
Ten behoeve van de woningbouwontwikkeling dienen infrastructurele wijzigingen te worden uitgevoerd met betrekking tot (voertuig)ontsluiting, parkeergelegenheid en de toegankelijkheid van de openbare ruimte.
De bestaande langsparkeerplaatsen aan de Philippusstraat worden behouden. Voor gemotoriseerd verkeer
wordt het oostelijke plandeelgebied ontsloten op de Coeveringslaan. Het westelijke plandeelgebied wordt
ontsloten op de Philippusstraat. Daarnaast worden er verscheidene verbindingen met de omliggende wegen
gecreëerd en verbeterd voor langzaam verkeer. Hiermee ontstaat, ten opzichte van de bestaande situatie, een open gebied.
Figuur 13: Infrastructurele inrichting van het plangebied en omgeving (aan wijzigingen onderhevig)
3.4.
Groene inpassing en beplanting
Ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit en toekomstbestendige (klimaatadaptieve) inrichting van het plangebied wordt een aanzienlijke hoeveelheid groen toegevoegd en opnieuw ingericht. Daarbij wordt tevens
ruimte gereserveerd voor de realisatie van waterbergingsmaatregelen. Figuur 14 en Figuur 15 tonen de te
realiseren groene inpassingen in het plangebied. Het wenselijke eindbeeld geeft een duidelijke toename van groen weer.
GEWIJZIGDE TEKENING OPNEMEN?
17
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Figuur 14: Bomenbeplanting (aan wijzigingen onderhevig)
Figuur 15: Lage beplanting (aan wijzigingen onderhevig)
18
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
4. Beleid en regelgeving
In dit hoofdstuk wordt het relevante beleidskader uiteengezet en worden de activiteiten hieraan getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken, en anderzijds instructieregels van hogere overheden in
omgevingsverordeningen en het Bkl.
4.1.
Rijk
4.1.1. Beleid 4.1.1.1.
Algemeen
Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee
moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking.
Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en
waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI
benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: • • • •
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de
NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: •
•
•
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte.
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming
en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.
Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
19
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Onderzoek
In dit geval is er sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI. Conclusie
Geconcludeerd
wordt
omgevingsplanactiviteit.
dat
de
NOVI
geen
belemmering
vormt
voor
onderhavige
buitenplanse
4.1.2. Rijks(instructie)regels Algemeen
De instructieregels van het Rijk staan in hoofdstuk 5 van het Bkl. De instructieregels over een evenwichtige
toedeling van functies staan in afdeling 5.1 Bkl en gaan over thema's zoals water, veiligheid en geluid, en tevens over
nationale
belangen,
zoals
elektriciteitsvoorziening,
doorvaart
rijksvaarwegen
Hoofdonderwerpen met betrekking tot de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn: • • • • • •
en
erfgoed.
waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2)
beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid,
elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van
•
woningbouwcategorieën;
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke
leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Onderzoek
Het plangebied is gesitueerd in het gebied “Gebieden waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren”.
Artikel 2.41, zesde lid (geometrische begrenzing militaire terreinen en gebieden met of bij militaire objecten)
De geometrische begrenzing van gebieden waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren als bedoeld in artikel 5.150, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III.
20
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
De beoogde bebouwing wordt niet dusdanig hoog dat sprake zal zijn van verstoring van radarbeeld.
Figuur 16: Provinciale gebiedsaanwijzingen De Omgevingsregeling bevat anderszins geen bepalingen welke relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling. Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de rijksregels geen belemmering vormen voor onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
4.2.
Provincie
4.2.1. Beleid 4.2.1.1.
Algemeen
Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’
De Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. Deze omgevingsvisie heeft na de inwerkingtreding van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie vervangen. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil
laten zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De
provincie wil daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's.
Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij ligt de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: 1.
werken aan energietransitie;
3.
de slimme netwerkstad, en
2. 4.
21
een klimaatproof Brabant;
een concurrerende duurzame economie.
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Deze vier hoofdopgaven staan ten dienste van de basis opgave: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Toets
De beoogde ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van bestaand vastgoed in het sociale huur segment. Ten
behoeve van de ontwikkeling worden een voormalig nutsgebouw van KPN en 24 niet toekomstbestendige sociale huurwoningen gesloopt. Het pand van KPN is overbodig geworden en niet meer als nutsgebouw in gebruik. De
sociale huurwoningen zijn gebouwd omstreeks 1950 en voldoen niet aan de hedendaagse eisen met betrekking
tot duurzaamheid. Het plan voorziet in de realisatie van drie appartementenblokken met in totaal 50 sociale
huurwoningen voor één- en tweepersoonshuishoudens. Deze bebouwing wordt gerealiseerd volgens de meest
recente duurzaamheidsvereisten. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan hoofdopgave 1, door energiezuinige bebouwing te realiseren neemt het energieverbruik af. In het kader van de energietransitie betreft het
verminderen van energieverbruik een positieve bijdrage.
In het kader van de ontwikkeling wordt aanzienlijk geïnvesteerd in het toevoegen van groen. Naast de verbetering
van de ruimtelijke kwaliteit vindt hiermee een bijdrage aan de ‘klimaatproofheid’ van Noord-Brabant plaats.
Groen koelt af in tijden van (extreme) hitte en neemt bovendien water op in tijden van (extreme) regenval. Het
plan voorziet tevens in de realisatie van waterberging om wateroverlast te voorkomen. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan hoofdopgave 2.
Tot slot draagt de realisatie van woongelegenheid voor één- en tweepersoonshuishoudens bij aan hoofdopgaves
3 en 4. In de huidige woningmarkt is het, vanwege de krapte, aanzienlijk lastiger voor dergelijke huishoudens om
een geschikte woonruimte te vinden. In de zoektocht naar passende woonruimte is uitstroom van deze personen
(naar andere regio’s en provincies) hierdoor mogelijk. Door te voorzien in woongelegenheid voor één- en
tweepersoonshuishoudens (in het sociale segment) wordt uitstroom van potentiële werknemers naar andere regio’s voorkomen. Hiermee is sprake van een bijdrage aan hoofdopgaves 3 en 4. Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
4.2.1.2.
Algemeen
TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant
De volledige versie van de verordening is gepubliceerd met behulp van oude technische standaarden. Dit is tijdelijk mogelijk als alternatief naast de nieuwe techniek die voor omgevingswetdocumenten geldt met ingang
van inwerkingtreding van de wet per 1 januari 2024. Er moet daarom niet aan de Omgevingsverordening (van
rechtswege) welke op 1 januari 2024 in werking is getreden worden getoetst maar aan de TAM-
omgevingsverordening.
22
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
De Omgevingsvisie, zoals beschreven in voorgaande paragraaf, vormt het beleidskader voor het provinciaal ruimtelijk beleid. Het juridische kader voor dit beleid is vastgelegd in de Omgevingsverordening. De verordening
vormt derhalve een belangrijk uitvoeringsinstrument voor de provincie om haar doelen te realiseren, en wordt regelmatig aangepast en aangevuld met wijzigingsbesluiten. Toets kaarten
In Figuur 17 is een uitsnede van het TAM-omgevingsplan opgenomen. Navolgend is aan de relevante artikelen
getoetst.
Figuur 17: Uitsneden TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant Toets artikelen
De Omgevingsverordening bevat verscheidene artikelen welke relevant zijn voor de beoogde ontwikkeling. Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1
Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a.
b. c. d.
e.
een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag;
de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling;
bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel ; en
splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan.
Lid 2
Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden.
23
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Toets Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1
In casu is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, dit blijkt uit: a.
Het feit dat de ontwikkeling plaatsvindt in bestaand stedelijk gebied, waarbij niet toekomstbestendig
b.
Het feit dat sprake is van intensivering van bestaand ruimtebeslag. Met de realisatie van woongebouwen
c. d. e.
vastgoed wordt gesloopt ten behoeve van de realisatie nieuwe woongelegenheid;
tot circa 9 meter worden méér woningen gerealiseerd dan in de huidige situatie, waarbij nieuwe ruimte ontstaat voor het realiseren van omgevingskwaliteit;
Onderhavig initiatief wordt in paragraaf 5.2.2 getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking,
hieruit volgt dat het initiatief voldoet aan de uitgangspunten van de Ladder;
Onderhavig initiatief voorziet in drie woongebouwen met in totaal 50 appartementen en bijkomende voorzieningen. De bebouwing wordt geconcentreerd op drie specifieke locaties in het plangebied; Het feit dat geen bouwperceel wordt gesplitst.
Lid 2
Niet relevant voor toets omdat het plan reeds voldoet aan lid 1. Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering Lid 1
Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in: a.
welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met
b.
hoe negatieve effecten worden voorkomen.
elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en
Lid 2
Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden: a.
de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden;
b.
de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een
c.
de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden , de omvang van de functie en
goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en
de bebouwing , de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving .
Lid 3
Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid.
24
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Toets Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering Lid 1
a.
In hoofdstuk 5 is getoetst of bij onderhavige ontwikkeling sprake zal zijn van een evenwichtige toedeling
van functies aan locaties. Hierbij is de lagenbenadering toegepast. Op basis van hetgeen onderzocht in hoofdstuk 5 wordt geconcludeerd dat het effect van de ontwikkeling op de lagen afzonderlijk, en de
onderlinge wisselwerking met elkaar, verwaarloosbaar is. Daarbij is de factor tijd actief betrokken door
b.
de herkomstwaarde van de lagen op waarde te schatten en te voorzien in een duurzame ontwikkeling;
In het kader van de beoogde ontwikkeling is een mer-beoordeling uitgevoerd om te bepalen of sprake
kan zijn van aanzienlijke milieueffecten, dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4 – Mededeling mer-
beoordelingsplicht bij voorliggende motivering. Negatieve gevolgen als gevolg van het initiatief zijn uitgesloten.
Lid 2
In hoofdstuk 5 zijn de voorgeschreven lagen onderscheiden. Onderhavig initiatief voldoet aan lid 2. Lid 3
In het kader van de beoogde ontwikkeling is een mer-beoordeling uitgevoerd om te bepalen of sprake kan zijn van aanzienlijke milieueffecten. Hierin zijn de lagen zoals beschreven in lid 2 beschouwd. Dit onderzoek is
bijgevoegd als Bijlage 4 – Mededeling mer-beoordelingsplicht bij voorliggende motivering. Negatieve gevolgen als gevolg van het initiatief zijn uitgesloten. Onderhavig initiatief voldoet aan lid 3. Artikel 5.10 Meerwaardecreatie Lid 1
Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a.
b.
de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en
de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.
Lid 2
De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Artikel 5.10 Meerwaardecreatie Lid 1
In onderhavige ontwikkeling is sprake van gecombineerde meerwaardecreatie door het toevoegen van nieuwe
wooneenheden in het sociale huur segment en daarnaast de toevoeging van kwalitatief binnenstedelijk groen,
de groene inpassing van bestaande transformatorhuisjes, het verminderen van verharding door toepassing van halfverharding en natuurinclusief bouwen met de inpassing van neststenen in de gevels. Naast het hoofddoel om
nieuwe woningen te realiseren wordt bijgedragen aan de omgevingskwaliteit en klimaatadaptiviteit van het stedelijke gebied.
25
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Lid 2
Er is sprake van een binnenstedelijke locatie, landschappelijke waarden zijn niet van toepassing. Artikel 5.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1
Een omgevingsplan dat een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voor wonen, werken of voorzieningen , wijst daarvoor een locatie aan binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a.
de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken;
b.
het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.
en
Lid 2
Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen als: a.
b. c. d. e. f.
een goede omgevingskwaliteit wordt bevorderd, met een veilige en gezonde leefomgeving ;
toepassing wordt gegeven aan zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;
optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;
rekening wordt gehouden met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;
de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit worden benut; en
wordt bijgedragen aan een duurzame, concurrerende economie.
Toets Artikel 5.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1
a.
b. Lid 2
a. b.
Onderhavig initiatief wordt in paragraaf 5.2.2 getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking,
hieruit volgt dat het initiatief voldoet aan de regionale afspraken zoals bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken;
Op basis van de toetsing aan lid 2 is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling. In hoofdstuk 5 is getoetst of bij onderhavige ontwikkeling sprake zal zijn van een evenwichtige toedeling
van functies aan locaties. Op basis van hetgeen beschreven wordt bijgedragen aan de omgevingskwaliteit, waarbij sprake zal zijn van een veilige en gezonde leefomgeving;
Onderhavig initiatief heeft betrekking op een binnenstedelijke locatie. Niet toekomstbestendige
bebouwing wordt gesloopt ten behoeve van nieuwebouw, transformatie van de bestaande bebouwing
is niet realistisch in verband met de benodigde intensivering. Er is daarmee sprake van de c.
herontwikkeling van een verouderd stedelijk gebied;
De locatie is vanwege de binnenstedelijke ligging niet geschikt voor de grootschalige productie van duurzame energie. De woningen zullen in het gebruik energieneutraal zijn. Hiermee is sprake van een optimale invulling van mogelijkheden;
26
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
d.
Onderhavig initiatief levert een bijdrage aan de klimaatadaptatie van de fysieke leefomgeving, dit is
e.
Het mobiliteitsaspect is toegelicht in paragraaf 5.2.3;
f.
toegelicht in paragraaf 5.2.14;
In paragraaf 4.2.1.1 is toegelicht op welke wijze onderhavig initiatief bijdraagt een de economische positie van Noord-Brabant.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de omgevingsverordening geen belemmering vormt voor onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
4.3.
Waterschap
4.3.1. Verordening 4.3.1.1.
Algemeen
Waterschapsverordening waterschap De Dommel
Sinds 1 januari 2024 heeft Waterschap De Dommel een waterschapsverordening. Deze verordening vervangt de Keur. In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij beken, sloten en gemalen. Onderzoek
Onderhavig initiatief maakt geen activiteiten mogelijk waarvoor op basis van de waterschapsverordening regels
gelden. In het kader van onderhavig initiatief is de Digitale Watertoets uitgevoerd, op basis hiervan is de ‘normale
procedure’ van toepassing. Ten behoeve van het informeel vooroverleg is het waterschap over het initiatief
geïnformeerd.
Naar aanleiding hiervan is een serie kaartuitsneden van het plangebied en de directe omgeving gedeeld ter
uitwerking van de waterparagraaf. Voor de volledige waterparagraaf / weging van het waterbelang wordt
verwezen naar sub-paragraaf 5.2.10. Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de waterschapsverordening geen belemmering vormt voor onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
4.4.
Gemeente Meierijstad
4.4.1. Beleid 4.4.1.1.
Algemeen
Toekomstvisie Meierijstad
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet verlangt dat elke gemeente voor eind 2024 een Omgevingsvisie opstelt; daarin staan de hoofdlijnen voor de kwaliteit, ontwikkeling en het gebruik
27
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
van de fysieke leefomgeving. Meierijstad heeft ervoor gekozen om de sporen van de Toekomstvisie en de
Omgevingsvisie samen te voegen. Zo voorkomt de gemeente dat veel partijen en inwoners vaker gevraagd
worden over bijna dezelfde zaken. De Toekomstvisie Meierijstad is straks dus ook de Omgevingsvisie Meierijstad. Onderzoek
Op dit moment is gemeente Meierijstad nog bezig met het opstellen van de Toekomstvisie. Er is nog geen (concept)visie gereed om voorliggend plan aan te toetsen. Conclusie
Gelet op de aard en omvang van onderhavig initiatief is sprake van een ontwikkeling welke bijdraagt aan woonen leefomgeving van Sint-Oedenrode. Daarbij worden in een tijd van krapte op de woningmarkt nieuwe wooneenheden voor een specifieke doelgroep (die het lastig heeft op de woningmarkt) gerealiseerd. Aangenomen wordt dat dit past in de toekomstvisie Meierijstad.
4.4.1.2.
Algemeen
Erfgoedvisie gemeente Meierijstad 2020-2030
De gemeentelijke fusie is de belangrijkste aanleiding voor het harmoniseren en actualiseren van beleid,
waaronder het erfgoedbeleid. De drie voormalige gemeenten gingen ieder op hun eigen wijze met het erfgoed
om en hadden een eigen erfgoed- of monumentenbeleid. Deze verschillende benaderingswijzen hebben ertoe geleid dat het erfgoedbeleid binnen de gemeente Meierijstad nu wordt geharmoniseerd, waarbij nieuwe ambities worden uitgesproken die aansluiten op de hedendaagse erfgoedzorg.
Erfgoed is een breed begrip. De definitie van erfgoed kan op verschillende manieren worden uitgelegd. Waar
voorheen vooral een definitie werd gehanteerd die zich richtte op enkel monumenten en de gebouwde omgeving, is de laatste jaren een bredere definitie gebruikelijk. De gemeente Meierijstad hanteert de volgende definitie:
“Cultureel erfgoed omvat die materiele, immateriële, zichtbare en onzichtbare overblijfselen van onze maatschappelijke ontwikkeling, die wij waardevol vinden voor ons maatschappelijk geheugen en identiteit en willen doorgeven aan toekomstige generaties.” Deze brede beschrijving omvat zowel het tastbare als het niet-
tastbare erfgoed. Het kan gaan om voorwerpen in musea, archeologische vondsten, archieven, monumenten en landschappen. Maar ook de daaraan verbonden gebruiken, verhalen en gewoonten.
Om een goed overzicht te krijgen van de verschillende vormen van erfgoed in Meierijstad wordt de volgende driedeling gehanteerd. 1.
Onroerend erfgoed (niet verplaatsbaar) Monumentale gebouwen, historische landschapselementen,
2.
Roerend erfgoed (verplaatsbaar) Kunstcollecties, archieven, mobiel erfgoed.
3.
28
archeologische vindplaatsen.
Immaterieel erfgoed (niet tastbaar) Verhalen, dans, muziek, evenementen, ambachten, tradities.
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Onderzoek
In het kader van de beoogde ontwikkeling wordt bestaande bebouwing gesloopt en nieuwe bebouwing mogelijk
gemaakt. Op basis van paragrafen 5.1.1 en 5.1.4 wordt geconcludeerd dat geen sprake is van negatieve gevolgen
voor cultuurhistorie of archeologie. Onderhavig initiatief doet geen afbreuk aan de ambities uit de erfgoedvisie. Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de erfgoedvisie geen beletsel vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.4.1.3.
Woonvisie, addendum en prestatieafspraken
Woonvisie Meierijstad
Op 5 juli 2018 is de Woonvisie Meierijstad vastgesteld door de gemeenteraad. De aandacht wordt op vier thema’s gelegd: •
•
• •
de dynamiek van de woningmarkt: een continue afstemming van de vraag naar passende woningen en het aanbod (bestaand en nieuw) in relatie tot de behoefte op de langere termijn onder wisselende omstandigheden;
wonen, welzijn en zorg: de samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving;
duurzaamheid: aandacht voor de energetische uitdagingen en het zo optimaal mogelijk gebruik maken van bestaande infrastructuur en vastgoed;
leefbaarheid: een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woon- kwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet.
Behoefte aan sociale huur
De behoefte aan sociale huurwoningen (met een huurprijs tot €711 per maand, prijspeil 2018) is in belangrijke mate gerelateerd aan de omvang van de sociale doelgroep, ofwel huishoudens met een inkomen tot €36.165.
Onder invloed van de vergrijzing en het toenemend aantal alleenstaanden neemt deze doelgroep toe. De toename van de doelgroep vertaalt zich niet één op één in een grotere behoefte aan sociale huur. Niet iedereen
met een laag inkomen doet namelijk een beroep op de sociale huur. Steeds meer ouderen wonen ondanks een laag inkomen in een koopwoning met lage hypotheeklasten.
In de bestaande sociale huurwoningen is er ook sprake van scheef wonen. Mensen die door inkomensontwikkeling een hoger inkomen hebben gekregen en eigenlijk niet meer aangewezen zouden zijn op
een sociale huurwoning (goedkope scheefheid). Maar ook huishoudens wiens inkomen is gedaald of die in het recente verleden in een relatief te dure sociale huurwoning zijn gaan wonen (dure scheefheid). In Meierijstad
liggen de percentages scheefwoners hoger dan landelijk gemiddeld. Reden om daar eens verder naar te kijken met de corporaties. De goedkope scheefwoners houden woningen bezet die bedoeld zijn voor de lage inkomens. Binnen de groep dure scheefwoners kan betaalbaarheid een probleem zijn of worden. Mogelijk wordt het aandeel
scheefwoners veroorzaakt door aan de ene kant een voor huurders gunstige prijs-kwaliteitverhouding van de
29
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
sociale huurwoningen en door onvoldoende alternatieve huur- en koopwoningen. Aan de andere kant door
inkomensstijgingen en inkomensdalingen en ‘dure’ toewijzing in het verleden tot 1 januari 2016, het moment dat woningcorporaties passend gingen toewijzen.
Op basis van verschillende onderzoeken is de inschatting dat er de komende 10 jaar bijna 1.000 sociale huurwoningen (25% van de geprognosticeerde woningbehoefte) nodig zijn. Dit aantal is een optelsom van de behoefte op basis van de huidige inkomensverdeling bij gemiddelde economische groei, de behoefte vanuit
specifieke doelgroepen (uitstromers Beschermd Wonen en doorstromers vanuit de Maatschappelijke Opvang en
als gevolg van de vergrijzing, zie onder Wonen, Welzijn, Zorg) en de opgave die er nog vanuit het verleden ligt. Binnen de regio wordt de behoefte aan sociale huur ook in regionaal verband onderzocht in relatie tot de
regionale behoefte. Mogelijk dat dit, naast de monitoring binnen de eigen gemeente, de komende jaren tot bijstelling leidt van de ingeschatte behoefte. Het kunnen benutten van mogelijkheden om het aandeel
scheefwoners in sociale huurwoningen te verminderen zal invloed hebben op de opgave die we nu zien. Vandaar dat we met de corporaties de ontwikkelingen in de vraag en aanbodkant blijven monitoren. Aandachtspunt hierbij is dat er binnen de doelgroep sociale huur een verschuiving plaatsvindt naar een steeds groter aandeel eenpersoonshuishoudens en minder gezinnen en dat er in de voorraad sociale huurwoningen een groot aandeel grondgebonden gezinswoningen zijn.
Addendum: Actieplan woningbouw - Woningbouwoffensief Meierijstad
Naast de Woonvisie kent de gemeente Meierijstad het ‘Actieplan woningbouw - Woningbouwoffensief
Meierijstad’. Het actieplan is een aanvulling op de Woonvisie dat is opgesteld vanwege veranderende provinciale
woningbouwprognoses. De wijzigingen ten opzichte van de Woonvisie zijn als het ware een addendum op de
woonvisie. Het Actieplan geeft aan hoe de gemeente om wil gaan met de hogere woningbouwprognoses die door de provincie zijn afgegeven voor de gemeente en hoe men dit wil combineren met het versnellen van de
woningbouwproductie.
30
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Figuur 18: Uitsnede actieplan woningbouw
Prestatieafspraken 2024
Op 19 februari 2024 ondertekenden gemeente Meierijstad, de corporaties (Area, Woonmeij en BrabantWonen) en
de huurdersvertegenwoordiging van Area en Woonmeij de prestatieafspraken voor 2024. De gemeente werkt op dit moment aan een Woonzorgvisie waar de ambities op het gebied van wonen, zorg en welzijn (en de afstemming daartussen) een belangrijke plek krijgen. De focus voor de Woonzorgvisie ligt, zoals ook benoemd in de
prestatieafspraken, op de opgave ten aanzien van beschikbaarheid van woningen, duurzaamheid, leefbaarheid en wonen met zorg. Eén van de doelstellingen is om in 2024 voldoende sociale huurwoningen te realiseren.
Woonzorgvisie Meierijstad
Op 26 september 2024 heeft de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad de Woonzorgvisie ‘Thuis in
Meierijstad, thuis in vitale wijken en dorpen’ vastgesteld. De gemeente wil iedereen die graag in onze gemeente wil (blijven) wonen een thuis bieden. De toename van het aantal ouderen enerzijds en de afname van jongeren
anderzijds zijn daarbij belangrijke ontwikkelingen om rekening mee te houden. Daarnaast is sprake van een grote groep mensen die extra hulp nodig hebben bij het vinden van passende en betaalbare huisvesting. Daar heeft het Rijk verschillende aandachtsgroepen en urgentiecategorieën voor vastgesteld. Deze komen terug in de
woonzorgvisie die op termijn ook als volkshuisvestelijk programma onder de omgevingsvisie dient. De gemeente wil sturen op vitale leefgemeenschappen met: •
• • •
31
Woonruimte voor iedereen,
Delen in plaats van verdelen,
Een gezonde thuisomgeving met zorg en welzijn in de directe omgeving (Toekomstbestendige) gemengde wijken en dorpen
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Onderzoek
Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van 50 wooneenheden voor één- en tweepersoonshuishoudens in
het sociale huur segment. Netto worden er, ten opzichte van de bestaande situatie, 26 wooneenheden toegevoegd. De woonvisie en het actieplan identificeren een sterke behoefte aan sociale huurwoningen. De woonzorgvisie stelt vast dat er sprake is van een grote groep die op zoek is naar passende en betaalbare
huisvesting. Hoewel op basis van Figuur 18 op korte termijn geen sprake is van een woningbouwopgave past de realisatie van één- en tweepersoons wooneenheden in het sociale huur segment bij het beleid. Conclusie
Geconcludeerd wordt dat onderhavig initiatief in overeenstemming is met de doelen en ambities van de woonvisie.
4.4.1.4. Algemeen
Programma Water en Riolering Meierijstad 2022-2026 & Verordening fysieke leefomgeving
Programma Water en Riolering Meierijstad 2022-2026
De gemeente Meierijstad heeft per september 2017 het Programma Water en Riolering Meierijstad 2022-2026
vastgesteld. In het plan streeft de gemeente ernaar dat nieuwbouwplannen hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Als voorkeursvolgorde hanteert de gemeente: infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater -
afvoeren naar riolering. De gemeente Meierijstad acht hierbij ook voor ontwikkelingen onder de 500 m2 compenserende maatregelen benodigd. Hiervoor wordt de bergende eis van 60 millimeter gehanteerd. Verordening fysieke leefomgeving
De gemeente Meierijstad beschikt over de Verordening fysieke leefomgeving, hierin zijn regels voor de fysieke leefomgeving opgenomen, onder andere voor hemelwaterafvoer. Onderzoek
Artikel 6.4 lid 1 van de verordening fysieke leefomgeving schrijft voor dat het verboden is “om vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein.”.
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is inzichtelijk gemaakt hoeveel nieuw verhard oppervlak wordt gerealiseerd. “Nieuw verhard oppervlak” is in de verordening niet nader gedefinieerd. Als nieuw verhard oppervlak
wordt gezien verharding of bebouwing in de toekomstige situatie daar waar in de bestaande situatie geen verharding of bebouwing aanwezig is.
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is inzichtelijk gemaakt hoeveel nieuwe verharding wordt gerealiseerd
(Figuur 19). Op basis van deze tekening is in het initiatief sprake van 1.328 m2 nieuwe verharding (bestrating en dergelijke). Er wordt circa 2.452 m2 bebouwing gerealiseerd, dit wordt eveneens gezien als nieuwe verharding.
Gelet op voorgaande uitleg van “nieuw verhard oppervlak” wordt hiermee extra compenseert omdat in de
32
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
bestaande situatie reeds bebouwing aanwezig is op de locaties van de nieuwbouw. Dit wordt niet verrekend zoals de reguliere verharding.
Als gevolg van de ontwikkeling neemt de totale verharding af met circa 1.300 m2, daarmee verbetert de infiltratiecapaciteit onverhoopt. In totaal wordt 3.780 m2 verharding gecompenseerd, hiervoor geldt een bergingseis van 60 mm per m2. Dit resulteert in een bergingsopgave van 226,8 m3.
In sub-paragraaf 5.2.10 is beschreven op welke wijze invulling is gegeven aan deze wateropgave.
Figuur 19: Verharding in de huidige en toekomstige situatie Conclusie
Geconcludeerd wordt dat onderhavig initiatief in overeenstemming is met de regels van het programma water en riolering en de verordening fysieke leefomgeving.
4.4.1.5.
Afwegingskader geitenhouderijen
De gemeente Meierijstad heeft een beleidsdocument voor het toestaan van woningen bij geitenhouderijen
(vastgesteld 13 maart 2018). De gevoelige relatie tussen woningbouw en geitenhouderijen is wat de gemeente
Meierijstad betreft vooral actueel in de kernen Schijndel en Olland. De insteek hierbij is een zorgvuldige afweging
van belangen aan de hand van een maatwerkaanpak. Bij zowel kleine als grootschalige ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de afstand van de woningbouwlocatie tot de geitenhouderij.
33
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Er zal binnen een straal van 2000 meter rondom een geitenhouderij in principe niet worden meegewerkt aan ontwikkelingen gericht op voorzieningen waar grote groepen meer kwetsbare mensen gebruik van maken. Te denken valt hierbij aan een verzorgingstehuis, een school of kinderopvang. Toets
Ten behoeve van de toetsing aan het beleidsstuk is de I-GO viewer geraadpleegd. Op basis hiervan zijn binnen 2 km van het plangebied geen geitenhouderijen gesitueerd. Er is derhalve geen sprake van strijd met het beleid.
Figuur 20: Uitsnede I-GO viewer Conclusie
Geconcludeerd wordt dat onderhavig initiatief in overeenstemming is met het afwegingskader geitenhouderijen.
34
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
5. Fysieke leefomgeving 5.1.
Omgevingskwaliteit
Naast veiligheid en gezondheid is ‘een goede omgevingskwaliteit’ opgenomen in de centrale doelstelling (artikel
1.3 Ow). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij om de menselijke beleving
van de fysieke leefomgeving. Maar ook om de waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten.
Overheden moeten landschappelijke kwaliteit meenemen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. De Rijksoverheid heeft voor landschappelijke
kwaliteit van de fysieke leefomgeving een beperkt aantal instructieregels opgesteld. Hierdoor heeft de gemeente,
maar ook de provincie de vrijheid om het aspect landschappelijke kwaliteit zelf in te vullen. Daarbij kan men wettelijke instrumenten gebruiken, zoals een omgevingsvisie en omgevingsplan.
5.1.1. Cultuurhistorie: landschappelijke en stedenbouwkundige waarden Wettelijk kader
Provinciaal
De provincie ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft ze haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De CHW is vastgesteld in 2010 en herzien in 2016 en 2024.
Gemeentelijk
Voor de toelichting van het gemeentelijke wettelijke kader wordt verwezen naar paragraaf 4.4.1.2. Hoe is het verwerkt in het plan
Op basis van de CHW is de Philippusstraat aangeduid als ‘lijn van redelijk hoge waarde’. Daarnaast ligt het plangebied gedeeltelijk binnen de begrenzing van de aanduiding ‘Historische stedenbouw’.
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op een binnenstedelijke locatie. In het plangebied is geen sprake van landschappelijke waarden. De in het plangebied aanwezige bebouwing, welke wordt gesloopt, is gebouwd
omstreeks 1950. Er is geen sprake van bebouwing met behoudenswaardige stedenbouwkundige waarden of kenmerken.
Het bouwplan is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen waarbij de historie en stedenbouwkundige structuur zoals beschreven in hoofdstuk 2 zijn meegenomen in de afwegingen.
35
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Conclusie
Met betrekking tot landschappelijke en stedenbouwkundige waarden is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Figuur 21: Uitsnede CHW 2024
5.1.2. Welstand en architectuur Wettelijk kader
Vanaf 1 augustus 2018 geldt de Welstandsnota Meierijstad 2018 ‘Samen de zorg voor omgevingskwaliteit’. In de welstandsnota is de welstandsbeoordeling afgeschaft waar het kan, maar blijft gelden voor gebieden waar dat
nodig is. Verder bevat de nota beoordelingscriteria voor reclames en een excessenregeling. Deze is bedoeld om
ernstige strijdigheden met redelijke eisen van welstand ongedaan te laten maken en ernstige vormen van verwaarlozing aan te pakken. In de nota is tevens een welstandskaart opgenomen. Hoe is het verwerkt in het plan
Het plangebied is niet specifiek opgenomen op de Welstandskaart van de gemeente Meierijstad. Ter plaatse geldt voor nieuwbouw een welstandsbeoordeling.
De te realiseren appartementengebouwen zullen voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de bouw zullen bouwtekeningen worden overlegd waaruit blijkt dat aan de relevante welstandseisen wordt voldaan.
Op basis van hetgeen gepresenteerd in hoofdstuk 3 is sprake van nieuwbouw die passend is voor locatie en een
positieve bijdrage levert aan de omgevingskwaliteit. Conclusie
Met betrekking tot omgevingskwaliteit is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
36
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Figuur 22: Welstandskaart Meierijstad
5.1.3. Bezonnings- en visuele hinder
Bezonning is een van de afwegingsaspecten voor de ruimtelijke kwaliteit. Voldoende zonlicht of juist voldoende
schaduw op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk en daarom zijn deze aspecten onderdeel van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Omgevingswet).
Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan
locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Wettelijk kader
Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO heeft een norm voor bezonning: De bezonningsliniaal – Een nieuw eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. TNO kent een ‘lichte’ en een
'strenge' norm:
37
•
de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21
•
de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22
oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam
november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam
Toelichting en motivatie BOPA
19 december 2024
Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht.
De wet stelt de TNO-norm niet verplicht, maar veel gemeenten hanteren hem. Een aantal gemeenten heeft beleid gebaseerd op deze norm. De gemeente kan er eventueel voor kiezen om een verplichting voor een onderzoek volgens deze TNO-norm in het omgevingsplan op te nemen.
Het ‘Omgevingsplan gemeente Meierijstad’ bevat geen regels met betrekking tot bezonnings- of visuele hinder. Hoe is het verwerkt in het plan
Middels onderhavig initiatief worden twee appartementengebouwen van maximaal 7,40 meter en één appartementengebouw van 9,90 meter mogelijk gemaakt. De gebouwen worden daarmee hoger dan de
gebouwen die in de bestaande situatie aanwezig zijn. De gebouwhoogtes zijn echter niet dusdanig hoog dat dit
zal leiden tot extreme schaduwwerking bij omliggende woningen welke zal leiden tot onevenredige bezonningsof visuele hinder. Conclusie
Met betrekking tot bezonning- of visuele hinder is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.1.4. Archeologie Wettelijk kader
De essentie van het Europees beleid, conform het verdrag van Malta 1992, is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden zodat daar in de ontwikkeling
van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.