CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. BOPA-motivering Herontwikkeling de Stapperij aan de Bunders 3 te Veghel

Raadsvergadering 5 maart 2026, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Afgifte positief advies voor voornemen college tot verlening omgevingsvergunning voor herontwikkeling van De Stapperij aan De Bunders 3 in Veghel18.244 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

,

met zich mee brengt. De resultaten uit de berekening met de NIBM-tool zijn weergegeven in tabel 7. Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De toename van de concentratie NO2 en PM10 is niet hoger dan 12 ug/m³. Hiermee is sprake van een NIBM-project. Nader onderzoek op dit vlak is daarom niet noodzakelijk. Hierdoor is toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 niet nodig. ,

Daarbij moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl ten aanzien van geluid geur en trilling door activiteiten. Met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied. De term ‘activiteiten met gebruiksruimte’ kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het milieu belasten maar niet specifiek zijn aangewezen in het Bal. De term is dus ruimer dan de veelgebruikte term ‘milieubelastende activiteiten’. ,

,

,

De voorgenomen ontwikkeling betreft geen milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal waarover regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Eveneens is het geen activiteit die relatief veel luchtvervuiling veroorzaakt en over een grotere afstand effect heeft. ,

,

4. 3. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 4

Activiteiten en milieuzonering 4. 4. 1 Toetsingskader Het is van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar mogelijk en gewenst is. 2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar nodig. Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.

Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie net als o. a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. ,

,

Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2023’ De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2023’ van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en vervangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels ,

Tabel 3 NIBM tool

,

Herontwikkeling “De Stapperij” aan De Bunders 3 te Veghel

21

voor geluid en geur in de handreiking

‘Activiteiten en milieuzonering

2023’ gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het

volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen in onderstaande tekst zijn de voornaamste conclusies opgenomen.

opgenomen dat er sprake mag zijn van functiemenging waardoor er

Op het dak van beide gebouwen zijn nauwelijks installaties aanwezig. Het betreft voornamelijk binnen opgestelde CV-ketels en boilers waarvan buiten geen geluid waarneembaar was. Op een paar dakventilato-

Tot slot is er op circa 80 meter afstand van het plangebied een tankstation gevestigd hiervoor geldt op basis van de VNG handreiking een geluidzone van 1 en een geurzone van 1. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter voor zowel geluid als geur. Aan deze richtafstanden wordt ruimschoots voldaan.

,

geen

richtafstand geldt voor geluid en geur.

omgevingsplan van gemeenten. 4. 4. 2 Onderzoek Het plangebied is gelegen in het winkelcentrum De Bunders. In de omgeving van het plangebied zijn tevens verschillende centrum- maatschappelijke sport- en woonbestemmingen gesitueerd. Door de veelzijdigheid aan functies in de omgeving van het plangebied is er sprake van een gemengd gebied met wonen. ,

,

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat bij het projectgebied. En dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering vormt voor omliggende functies. Uitwaartse milieuzonering De woningen vormen geen milieubelastende functie. Ten aanzien van de woningen is geen beoordeling van uitwaartse zonering noodzakelijk. In dit geval is er dus geen sprake van uitwaartse milieuzonering. Met betrekking tot de vestiging van de commerciële ruimte op de begane grond wordt er uitgegaan vaneen centrumfunctie. Hiervoor is opgenomen dat er sprake mag zijn van functiemenging waardoor er geen richtafstand geldt voor geluid en geur. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van de vestiging van een milieubelastende functie. Inwaartse milieuzonering maximaal planologisch Ten oosten van het plangebied zijn de functies ‘Maatschappelijk’ en ‘Sport’ toegestaan. Binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ is de wijkvereniging De Spil aanwezig. In het kader van het planvoornemen is er door K+ Adviesgroep een akoestisch rapport opgesteld waarin de situatie is beoordeeld. Voor het

,

ren na bevinden zich geen installaties buiten het gebouw. Er werden geen noemenswaardige geluiden waargenomen. Dit betekent dat er ten

gevolge van installaties geen relevante geluiduitstraling naar de nieuwbouw is te verwachten. De activiteiten in de sporthal veroorzaken geen hoge geluidniveaus in de gebouwen. In de sporthal bevinden zich enkel kleedruimten en sportzalen de horecagelegenheid “de Stapperij” bevindt zich in het te slopen gedeelte en verdwijnt dus. Op basis van deze gegevens kan worden gesteld dat geen relevante geluiduitstraling vanwege de activiteiten in de gebouwen is te verwachten naar de nieuwbouw. ,

,

4. 4. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 5

Omgevingsveiligheid

4. 5. 1

Toetsingskader

Omgevingsveiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden een brand ramp of crisis te voorkomen te beperken en te bestrijden. Het bescher,

,

Enkel het komen en gaan van bezoekers is dan mogelijk nog relevant. De activiteiten van beide gebouwen vinden in de dag- en avondperiode plaats. De sporthal wordt vooral gebruikt voor het uitoefenen van sport. Hierbij zijn geen grote groepen toeschouwers aanwezig er is immers geen tribune. Ook is er geen horecagelegenheid voor de ‘derde helft’ in de sporthal aanwezig. Het is natuurlijk niet uitgesloten dat sporters buiten nog lang en luid gaan praten buiten het gebouw maar gezien de activiteiten in de hal ligt het niet in de lijn der verwachting dat door het napraten buitensporig geluidhinder naar de omgeving door optreedt. ,

,

Er kan daarom worden gesteld dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ten westen van het plangebied is er sprake van een bestemming met centrumdoeleinden. In de feitelijke situatie is er in dit gebouw sprake van een woonfunctie en is er een tandartsenpraktijk gevestigd. Hiervoor is

Herontwikkeling “De Stapperij” aan De Bunders 3 te Veghel

men van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal.

Kwetsbare gebouwen en locaties In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: 1. Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen) 2. Kwetsbaar (gebouwen en locaties) 3. Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties) Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is de duur van hun aanwezigheid en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat in bijlage VI van het Bkl. ,

,

22

Risicobronnen Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende • milieubelastende activiteiten uit het Bal; het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg water en spoor; • buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieu• belastende activiteit in het Bal; windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in • het Bal. In het van rechtswege ontstane omgevingsplan van de gemeente SintMichielsgestel worden beperkingen met betrekking tot externe veiligheid genoemd waarbij milieubelastende activiteiten transportroutes en buisleidingen aan bod komen (artikel 22. 39b). ,

,

,

worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour -6 10-contour van een activiteit vallen.

Buisleidingen In de omgeving van het besluitgebied zijn geen buisleidingen gelegen. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig ruimtelijk

Groepsrisico , aandachtsgebieden en voorschriftengebieden

initiatief.

Het groepsrisico is een concretisering van de wettelijke verplichting dat het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet inhouden ook met het oog op het waarborgen van de veiligheid. Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15 lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aandachtsgebieden (artikel 5. 12 Bkl): 1. brandaandachtsgebied; 2. explosieaandachtsgebied; 3. gifwolkaandachtsgebied. ,

Risicovolle inrichtingen Op ca. 640 meter ten zuidoosten van het plangebied is een LPG-tankstation gelegen inclusief brand- en explosieaandachtsgebied. Het plangebied ligt buiten deze aandachtsgebieden. Deze risicovolle inrichting vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig ruimtelijk initiatief.

Voor beperkt kwetsbare kwetsbar en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden en moet advies bij de Veiligheidsregio worden ingewonnen (artikel 5. 2 Bkl). ,

Naast de eerdergenoemde activiteiten die als risicobronnen worden beschouwd bevat het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobron,

nen: •

•

•

•

opslaan bewerken en her verpakken van vuurwerk (afdeling 5. 1. 2. 4). opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5. 1. 2. 5). exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5. 1. 2. 5). opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl). ,

4. 5. 2 Onderzoek Met onderhavige ontwikkeling is sprake van nieuwe functies die worden gezien als (beperkt) kwetsbare objecten namelijk woningen. Op figuur 4. 1 is een weergave gegeven van de aandachtsgebieden met betrekking tot omgevingsveiligheid van het plangebied en de omgeving. ,

,

,

Transportroutes In de omgeving van het besluitgebied zijn geen transportroutes gelegen. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig ruimtelijk

Figuur 4. 1 Uitsnede kaart aandachtsgebieden (bron: Atlasleefomgeving)

initiatief.

4. 5. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Herontwikkeling “De Stapperij” aan De Bunders 3 te Veghel

23

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar

4. 6

Geur

•

4. 6. 1

Toetsingskader Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 6 Bkl ‘Geur’ onderdeel van paragraaf 5. 1. 4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties. Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur onderzocht te worden: • indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten; • indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van bestaande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten. ,

Geurveroorzakende activiteiten Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geurbelasting of afstand acceptabel wordt geacht: 1. zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5. 1. 4. 6. 2); 2. houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5. 1. 4. 6. 3)’’; 3. enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5. 1. 4. 6. 4). Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5. 1. 4. 6. 1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

•

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan;

•

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

De aanwijzing van geurgevoelige gebouwen sluit aan bij de gebruiksfunctie van een ander Omgevingswetsinstrument: het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierdoor zijn de volgende gebouwen geen gebouw met woonfunctie: gevangenissen (celfunctie); • hotels (logiesfunctie); • asielzoekerscentra (logiesfunctie); • recreatiewoningen (logiesfunctie). • De wet wijst gebouwen met deze functie niet aan als geurgevoelig gebouw. Wel kan de gemeente ervoor kiezen om deze gebouwen als geurgevoelig aan te wijzen in het omgevingsplan.

4. 6. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 7 4. 6. 2

Onderzoek Onderzocht is of er sprake kan zijn van te ervaren geurhinder van een of meerdere veehouderijen op de te ontwikkelen functies. Dit wordt gedaan door het raadplegen van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.

,

Uit deze kaart (figuur 4. 2) volgt dat er ter plaatse van het plangebied geen negatieve hinder ervaren wordt door omliggende (intensieve) veehouderijen. Op basis van de gegevens uit de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ is er te zien dat de kwaliteit van de leefomgeving als ‘zeer goed’ beoordeeld is. Hierdoor is er geen sprake van te verwachten geurhinder. Ook zijn er in de omgeving van het plangebied geen andere geurveroorzakende activiteiten gelegen. ,

Geurgevoelige gebouwen en locaties Op grond van art. 5. 91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt: • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

Figuur 4. 2 Achtergrondbelasting geur (bron: ODZOB)

Herontwikkeling “De Stapperij” aan De Bunders 3 te Veghel

Natuur

4. 7. 1 Toetsingskader Wettelijke gebiedsbescherming De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets. Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn welke niet significant zijn geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen beperkt of ongedaan gemaakt worden. ,

,

,

,

,

24

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 7. 8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instand-

Onder de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor houtopstanden (artikel 11. 116 Bal). Indien natuurbescherming instandhouding bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt

houding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk genaamd ‘Natuur-netwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnet-werk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen of ongedaan te maken of achterwege te laten.

,

,

,

gunningsplicht wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd zoals beschreven in paragrafen 11. 2. 2 t/m 11. 2. 5 Bal. In tabel 5. 3 staan de belangrijkste schadelijke handelingen uitgewerkt.

,

,

,

,

,

,

,

De Ow heeft voor wat betreft soortenbescherming betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren (trek)vogels reptielen en amfibieën een aantal vissen libellen en vlinders enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 11. 37 Bal) • Europees beschermde soorten (artikel 11. 46 Bal) • Nationaal beschermde soorten (artikel 11. 54 Bal) • ,

,

,

te beperken

Soortenbescherming Conform de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten en hiervoor geldt de specifieke zorgplicht (art. 11. 27 Bal). Er geldt een ver-

Houtopstanden De bescherming van houtopstanden conform Omgevingswet heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat gelegen buiten de bebouwde kom (bebouwingscontour houtkap). Wanneer houtopstanden worden geveld niet vallende onder artikel 11.111 lid 2 Bal geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 11. 126 Bal). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen verplicht artikel 11. 129 Bal om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. ,

,

,

,

,

opzichten minder streng zijn. In tabel 5. 3 zijn de vergunningplichtige activiteiten per regime weergegeven.

,

,

,

Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Ow (Bijlage IX onder A en B Bal). Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern en Bijlage 1 Verdrag van Bonn en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen vergunningplichtige activiteiten. De regels voor vogels en overige Europese soorten zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere ‘nationaal’ beschermde soorten gelden regels die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn maar in sommige ,

,

,

,

,

De Ow regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de activiteiten met schadelijke gevolgen. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 11. 54 Bal) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen.

Onder de Omgevingswet is een specifieke zorgplicht opgenomen voor alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ (11. 27 Bal). Hierin wordt gesteld dat nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen beperkt of onge,

daan gemaakt. Dit geldt voor alle beschermde soorten alsmede soorten van de rode lijsten en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk dan dienen preventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen. ,

,

,

Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode) of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is zal een ontheffing / omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit met schadelijke handelingen aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde ,

,

,

,

,

,

Herontwikkeling “De Stapperij” aan De Bunders 3 te Veghel

25

soorten niet in het geding komt. De ontheffing / vergunning kan dan onder voorwaarden worden verleend.

staat tijdens de aanleg- en/of gebruiksfase van de woningen en commerciële ruimte in het plangebied kan daarentegen niet reeds vóór het uitvoeren van stikstofdepositieberekeningen met de AERIUS Calculator worden uitgesloten. Er is daarom een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Voor het onderzoeksrapport dat hierop betrekking heeft wordt verwezen naar de bijlagen. Uit dit onderzoek blijkt dat het rekenresultaat voor de aanleg- en gebruiksfase niet hoger is dan 000 mol/ha/j. Hiermee kunnen significante negatieve effecten op Natura 2000- gebieden vanwege stikstofdepositie worden uitgesloten. ,

4. 7. 2 Onderzoek Wettelijke gebiedsbescherming Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden is Vlijmens Ven Moerputten & Bossche Broek op circa 176 km. ,

,

Vleermuizen Het gebouw bevat geen geschikte doorgangen naar potentiële verblijfplaatsen. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen. ,

Grondgebonden zoogdieren

bied kan worden geconcludeerd dat wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Op basis van de afstand en omliggende omgeving kan worden geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn van een verslechtering van omgevingscondities.

Reptielen amfibieën en vissen Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort en vissen veroorzaken.

Houtopstanden en soortenbescherming In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is door BRO is een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd d. d. 28 november 2022.2 Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen hieronder worden de belangrijkste conclusies omschreven. ,

De effecten die eventueel in Natura 2000-gebieden zouden kunnen optreden betreffen externe effecten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een toename van geluid licht of stikstofdepositie. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Een significante toename van stikstofdepositie in deze gebieden die ont-

,

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Uit de figuur 4. 3 volgt dat het plangebied niet gelegen zijn binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De afstand tot de dichtstbijzijnde locatie van het NNB tot het plangebied bedraagt circa 500 meter. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkelingen en de afstand tot het natuurge,

Figuur 4. 3 Ligging plangebied ten opzichte van NNN (bron: Atlasleefomgeving)

broedlocaties van soorten als kerkuil huismus en gierzwaluw worden uitgesloten. Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd

,

Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. ,

Ongewervelde diersoorten en vaatplanten Uit de Quickscan flora en fauna blijkt dat negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde diersoorten en vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.

,

Vogels De bebouwing binnen het plangebied heeft een plat dak en aaneengesloten dakranden. Hierdoor kunnen openingen die kunnen dienen

Conclusie Ten aanzien van broedvogels dienen werkzaamheden om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen buiten het broedseizoen te ,

,

2 De geldigheidsduur van een quickscan flora en fauna is niet wettelijk vastgelegd , maar over het algemeen wordt aangenomen dat de resultaten van het onderzoek 3 jaar relevant blijven (dit is een richtlijn en ligt niet wettelijk vast).

Herontwikkeling “De Stapperij” aan De Bunders 3 te Veghel

26

worden uitgevoerd of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. Tot slot is in het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

bouwing ter plaatse van het plangebied is de uitvoering van een bodemonderzoek in dit stadium minder geschikt. Initiatiefnemer is voornemens om een bodemonderzoek uit te laten voeren na de sloop van de bestaande bebouwing voor de bouw van het nieuwe appartementencomplex.

4. 7. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 8. 3 Conclusie Bodemonderzoek in een later stadium van het plan dient uit te wijzen dat vanuit het milieuaspect bodem sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

,

4. 8

Bodem

4. 8. 1 Toetsingskader Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5. 1. 4. 5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaar-den voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur wonen en industrie ingedeeld rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen. ,

,

,

4. 9

Weging van het waterbelang

4. 9. 1 Toetsingskader Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van het initiatief op stedelijk afvalwater grondwater en hemelwater. De weging van het waterbelang zorgt er voor dat per initiatief de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken (artikel 5. 37 lid 1 van het Bkl). Daarbij is het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is. ,

,

,

,

Regionaal Water en bodem programma Vanuit de Omgevingswet heeft de provincie naast een omgevingsvisie ook een omgevingsverordening vastgesteld voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (omgevings)programma soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. De concretere invulling om dit te verwezenlijken is opgenomen in o. a. de omgevingsverordening. Verder is een Regionaal Water en Bodem programma (RWP 2022-2027) door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaat adaptief Brabant met veilig schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken infrastructuur en mobiliteit landbouw en voedsel natuur en biodiversiteit erfgoed een concurrerende en duurzame economie en de energietransitie. ,

,

,

,

,

,

,

,

Voor ieder ruimtelijk plan is een formele weging van het waterbelang noodzakelijk. De weging van het waterbelang is een instrument waarmee de waterhuishoudkundige belangen een doorlopende positie krijgen in het ruimtelijke beleid niet alleen op basis van concrete ontwikkelingen. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente Provincie Waterschap Rijk) wordt gestreefd naar een duur,

,

,

,

zaam watersysteem.

Onderzoek Onderhavig initiatief betreft de sloop van een bestaand pand en nieuwbouw op dezelfde locatie. Gezien de aanwezigheid van de huidige be-

welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en stroomgebiedbeheerplannen voor de rijkswateren.

4. 8. 2

Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP geeft op hoofdlijnen aan

Herontwikkeling “De Stapperij” aan De Bunders 3 te Veghel

Beleid waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan 2022-2027 en Waterschapverordening Waterschap Aa en Maas Vanuit het waterschap Aa en Maas is het Waterbeheerplan 2022-2027 van kracht. In het Waterbeheerplan beschrijft het waterschap wat ze in de planperiode willen bereiken en hoe ze dat wil doen. Verder beschikt waterschap Aa en Maas over de ‘Waterschapverordening Waterschap Aa en Maas’. Deze is sinds 1 januari 2024 van kracht. De Waterschapverordening vervangt de Keur en de algemene regels. In de Waterschapverordening staan alle regels die bepalen welke activiteiten waar

27

in het beheersgebied mogen plaatsvinden en welke voorwaarden hiervoor gelden. Hierin staan de voorwaarden waaraan voldaan moet worden bij de inrichting gebruik en onderhoud van waterkeringen oppervlaktewaterlichamen bergingsgebieden ondersteunende kunstwerken en grondwater. Voor bepaalde werkzaamheden dient een watervergunning aangevraagd te worden. ,

•

•

•

gen: o

Bij een toenemend verhard oppervlak van 500 m² tot 10. 000 m² geldt de rekenregel: Benodigde compensatie (in m³) =toenemend verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 006 (in m). Indien het toenemend verhard oppervlak groter is dan 10. 000 m² is er sprake van een vergunningstraject. Binnen het vergunningstraject wordt de benodigde compensatie middels maatwerp bepaald door het waterschap. Waarschijnlijk dient rekening gehouden te worden 60 mm neerslag over het toenemend verhard oppervlak. De gevoeligheidsfactor van het plangebied is 1. ,

o

o

,

Voor het verwerken van het hemelwater past het waterschap de onderstaande voorkeursvolgorde toe: Hergebruik; o o o o o

Vasthouden/infiltreren; Bergen en afvoeren; Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect); Afvoeren naar de riolering.

•

•

•

Beleidsregels gemeente Meierijstad Hemelwater en afvalwater dienen gescheiden aangeboden te wor• den. Het credo ‘groen tenzij…’ dient gehanteerd te worden in het steden• bouwkundige plan. Voor het verwerken van hemelwater in de openbare ruimte is de • voorkeursvolgorde: Hemelwater dient zoveel mogelijk vastgehouden te worden o waar het valt. Hemelwater dient waar het kan te infiltreren. De infiltratieo voorziening dient binnen 24 uur geledigd te worden. ▪ Locaties voor infiltratievoorzieningen dienen te voldoen aan; ▪ Bodemtype: zand (met minimale bijmenging van

leem); ▪ Infiltratiecapaciteit (k-waarde): minimaal 05 m/dag; ▪ Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG): minimaal 02 m beneden bodem infiltratievoorziening. Hemelwater kan mogelijk (vertraagd) afwateren naar het oppervlaktewater of bestaande riolering. Groene daken worden gezien als een waterberging en daarom geldt ,

•

•

,

,

,

Vanuit het water Aa en Maas en gelden de onderstaande regels voor toenemend oppervlak. • Groendaken dienen beschouwd te worden als onverhard. Daarom mag de te realiseren waterberging op de daken niet meegerekend worden. Vanuit het waterschap gelden de onderstaande compensatieregelin•

,

,

,

,

Vanuit het waterschap zijn watervoorzieningen als een wadi poel geïsoleerde greppel ondergrondse bergingskratjes doorlatende verharding infiltratieriool of een verlaagd maaiveld aanbevolen maatregelen. Binnen 5 droge dagen dient de volledige capaciteit van de hemelwaterberging volledig beschikbaar te zijn. Voor het aanbrengen van wijzigingen in het watersysteem is op basis van de Keur van waterschap Aa en Maas een watervergunning benodigd.

,

•

•

over het oppervlak van het groenedak geen aanvullende waterber-

gingseis.

Herontwikkeling “De Stapperij” aan De Bunders 3 te Veghel

•

Bij intensief gebruik van verharding dient een zuiverende voorzieningen worden toepast. Voor het realiseren van een verhard oppervlak van minder dan 500 m² geldt vanuit de gemeente de regel dat minimaal 60 mm (per m² verhard oppervlak) waterberging gerealiseerd wordt. Bij een grotere verhardingstoename volgt de gemeente het beleid van het Waterschap Aa en Maas. Vanuit het hemelwaterriool mag bij bui09 (T=5 294 mm in 1 uur) geen water-op-straat situatie ontstaan. Bij een bui met een herhalingstijd van eens per 100 jaar (T=100 70 mm in 1 uur) mag niet te leiden tot schade aan gebouwen. Voor nieuwbouw geldt dat hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Tijdens de initiatieffase wordt de ontwateringssituatie beoordeeld om “natte voeten” te voorkomen. Waar onvoldoende ontwatering beschikbaar is wordt de volgende voorkeursvolgorde gehanteerd: Niet bouwen o ,

,

,

o

Ophogen

Draineren De minimale ontwateringdiepte ten opzichte van de GHG zijn: Woning zonder kruipruimte 05m o Woning met kruipruimte 07m o 05m o Tuinen/groenvoorzieningen 10m o Hoofdwegen woonstraten 07m o Secundaire wegen en o

•

,

,

,

,

,

4. 9. 2 Onderzoek De (water)systemen zoals die in het plangebied en omgeving voorkomen worden onderverdeeld in oppervlaktewater grondwater hemelwater en afvalwater. ,

,

,

Verhard oppervlak Met de realisatie van het initiatief neemt het verhard oppervlak niet toe het bestaand te slopen dak is 625 m 2 en het nieuw te realiseren dak bedraagt 590 m.2 Het totale verharde oppervlak blijft gelijk aan de huidige ,

28

situatie. De waterhuishoudkundige situatie zal met de beoogde ontwikkelingen niet wijzigen. Het gehele plangebied is in de huidige situatie verhard en dat zal in de toekomstige situatie ook zo zijn.

Daarnaast wordt het hemelwater vertraagd afgevoerd naar het gescheiden rioolstelsel conform de richtlijnen van de gemeente. ,

Afvalwater Oppervlaktewater Binnen en in de nabije omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Gezien het gebruik en planvoornemen is geen nadelige invloed op het oppervlaktewater te verwachten. ,

Grondwater Het plangebied bevindt zich niet binnen de grenzen van een attentieen/of beschermingsgebied behorend bij een waterwingebied. Voor zover bekend vinden op en in de directe omgeving van het plangebied geen grootschalige grondwateronttrekkingen plaats. Binnen het plangebied zullen geen nieuwe industriële of andere milieubelastende activiteiten aanwezig die worden ontplooid. De dreiging van een toekomstige grondwaterverontreiniging zal daarom minimaal zijn. Hemelwater In het kader van een toekomstbestendige inrichting is voor het plan voldaan aan de gemeentelijke eis van waterberging van 60 mm per m² verhard oppervlak zoals opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad. Deze eis is bedoeld om de toenemende neerslag als gevolg van klimaatverandering op eigen terrein op te vangen zodat de druk op de openbare voorzieningen niet verder toeneemt. ,

,

Er wordt een sedumdaksysteem gerealiseerd met voldoende bergingscapaciteit. De berekening is als volgt: Verhard oppervlak: 585 m² • Benodigde berging: 585 m² × 60 mm = 35. 100 liter = 35 m³ • Aangebrachte berging: sedumdak van ca. 150 mm dikte met ca. 80 • liter/m² bergingscapaciteit Dakoppervlak: 470 m² × 80 liter/m² = 37. 600 liter = 37 m³ • Hiermee wordt voldaan aan de gestelde eis.

,

Ten aanzien van de toekomstige situatie zal de ontwikkeling zorgen voor een toename in het aanbod van vuilwater. Het afvalwater van het toekomstige appartementencomplex dient separaat op het bestaande rioolstelsel aangesloten te worden. De verwachting is dat gezien de aard en omvang van het initiatief het huidige rioolstelstel het eventuele extra afvalwater prima kan verwerken. 4. 9. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect water en watersystemen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 10

Klimaatadaptatie en duurzaamheid

4. 10. 1 Toetsingskader Duurzaamheid is een steeds belangrijker wordende kwestie voor onze samenleving. Het gaat hierbij om de manier waarop we omgaan met onze natuurlijke omgeving en hoe we ervoor zorgen dat we deze niet uitputten voor onze toekomstige generaties. Er bestaat geen vast omschrijving of definitie voor de term duurzaamheid. Over het algemeen wordt met duurzaamheid een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de behoeften van toekomstige generaties zowel hier als in andere delen van de wereld in gevaar te brengen bedoeld. ,

Duurzaamheid is een aspect dat zowel op de korte termijn als lange termijn toegepast dient te worden. Er spelen diverse trends en ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid binnen nieuwbouw. Duurzaamheid bij nieuwbouw verwijst naar het ontwerpen bouwen en onderhouden van gebouwen op een manier die zo min mogelijk impact heeft op het milieu. Tegelijkertijd ook efficiënt en gezond is voor de mensen die

Herontwikkeling “De Stapperij” aan De Bunders 3 te Veghel

erin wonen of werken. Duurzaamheid is dus een breed begrip en omvat verschillende aspecten: • Energie-efficiëntie: het verminderen van energieverbruik door gebruik te maken van duurzame energiebronnen zoals zonne-energie of windenergie; Materialen: Het gebruik van duurzame en milieuvriendelijke materia• len zoals gerecyclede of hernieuwbare materialen; • Gezondheid en comfort: het creëren van een gezonde binnen omgeving met goede ventilatie natuurlijke verlichting en materialen die de binnen kwaliteit verbeteren; Levensduur en hergebruik: Het ontwerpen van gebouwen met een • lange levensduur en de mogelijkheid tot aanpassing of hergebruik van materialen om de hoeveelheid afval te verminderen.

,

,

,

De focus op duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkelingen is belangrijk om de ecologische voetafdruk van de bouwsector te verminderen een sector die historisch gezien veel grondstoffen verbruikt en bijdraagt aan vervuiling van het klimaat. ,

De eisen met betrekking tot duurzaamheid zijn opgenomen in afdeling 4. 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Van belang zijn de BENG normen en de MPG waarden.

BENG Normen BENG staat voor Bijna energie neutrale gebouwen en zijn geformuleerd met het doel om de CO2 uitstoot van nieuwbouw terug te dringen. Er zijn drie verschillende manieren waarin BENG tot uitdrukking komt. ,

Dit zijn de volgende: • BENG 1-eis: Terugbrengen van de energiebehoefte; • BENG 2-eis: Beperken van het fossiele energiegebruik (Bijvoorbeeld Gas en olie); • BENG 3- eis: Benutten van hernieuwbare energie.

29

Naast deze drie eisen is er nog één aanvullende eis die van belang is met name in samenhang met klimaatadaptatie dit is de indicator voor verlaging van het risico op oververhitting van gebouwen genaamd TO,

Juli). De BENG eisen gelden alleen voor nieuwbouw hoeft dus niet aan deze eisen te voldoen.

,

bestaande bebouwing

MPG Waarden MPG staat voor Milieuprestatie gebouwen. Een MPG berekening toont aan wat de milieu impact van een nieuw te bouwen bouwwerk is. Zo

worden de waarden waaraan voldaan dient te worden bepaald aan de hand van de gebruiksfuncties van het bouwwerk.

groene overgang tussen privé- en openbare ruimtes. Het gebouw en de

beschikbare ruimte worden waar mogelijk vergroend rekening houdend met de aanwezige platanen en hun groeipotentie. Deze aanpak draagt bij aan het voorkomen van wateroverlast bij hevige neerslag. In het ontwerp zijn terugliggende geveldelen van hout toegepast. Hierdoor raakt de omgeving en het te realiseren appartementencomplex beter met elkaar verweven. Dat biedt voordelen voor zowel flora en fauna als voor de bewoners. De biodiversiteit wordt ten opzichte van de huidige situatie verbeterd met een gezonde leefomgeving tot gevolg. Op het vlak van energievoorziening worden er PV-panelen op het dak geïnstalleerd. Tot slot worden er gebouwgebonden installaties toegepast in de nieuwbouw van het appartementencomplex. ,

,

4. 10. 3 Conclusie In het Bbl staat beschreven dat een woonfunctie een milieuprestatie moet hebben van maximaal 08 bepaald volgens de bepalingsmethode van de MPG. Hoe lager de score is des te beter het pand scoort op duurzaamheid. ,

,

Tot slot geeft het Bbl ook regels over de laadinfrastructuur van elektrische auto. Deze regels zorgen er voor dat er voldoende leidingdoorvoeren zijn voor eventuele oplaadpunten. 4. 10. 2 Onderzoek Met het planvoornemen wordt aandacht besteed aan zowel klimaatadaptatiemaatregelen als duurzaamheidsinitiatieven om een ecologisch verantwoorde leefomgeving te creëren. Wat betreft klimaatadaptatie staan vergroeningsmaatregelen centraal. Het project omvat de implementatie van diverse groene elementen zo worden de dakranden en balkonranden voorzien van bloembakken voor groen. Dit kan ook (beperkt) worden ingezet voor waterberging. Grintkoffers onder de parkeervakken en grastegel parkeerplaatsen dragen bij aan lokale infiltratie van hemelwater. Op de begane grond worden appartementen gerealiseerd met groene voortuinen of buitenruimtes waardoor er sprake is van een ,

Vanuit het milieuaspect klimaatadaptatie en duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 11

Archeologie

4. 11. 1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving zijn overgegaan naar de Omgevingswet. ,

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ dus in de grond te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. ,

,

4. 11. 2 Onderzoek Ter plaatse van het plangebied geldt op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan geen archeologische dubbelbestemming. Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Meierijstad geldt ter plaatse van het plangebied ‘Categorie 7’. Deze categorie bestaat uit gebieden waaraan op basis van de verschillende modellen geen archeologische verwachting is toegekend op de vier inventarisatiekaarten. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 10. 000 m2 en een diepte van meer dan 50 cm ten opzichte van het maaiveld een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens die aanvraag zullen worden verstoord. Met onderhavige ontwikkeling worden bovengenoemde waarden niet overschreden. Nader onderzoek naar archeologie is niet van toepassing.

4. 11. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect archeologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 12

Cultuurhistorie

4. 12. 1 Toetsingskader De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Provincies en gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van het erfgoed dat binnen de provinciale- of gemeentegrenzen aanwezig is. Voor de provincie Noord-Brabant zijn deze stukken door vertaald in de

,

Herontwikkeling “De Stapperij” aan De Bunders 3 te Veghel

30

‘Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2024’. Op basis daarvan wordt een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan opge-

4. 12. 2 Onderzoek Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zoals weergegeven in figuur 4.5 blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. ,

nomen.

,

Cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed cultuurland,

schappen archeologische monumenten gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Middels een omgevingsplan dienen provincies en gemeenten cultureel erfgoed te beschermen. De primaire vraag daarbij is welke elementen van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) bevinden zich binnen de provinciale- of gemeentegrenzen of direct daarbuiten en wat wil men (of moet men) daarvan beschermen? Daarbij wordt rekening gehouden met de instructieregels in de artikelen 5. 130 en 5. 131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en we,

,

,

4. 13. 1 Toetsingskader In artikel 1. 3 van de Omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Er bestaat landelijk de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het nationale en lokale beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners namelijk als prettig nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie omgevingsverordening en programma's. De beleidsambities met betrekking tot gezondheid kunnen sterk variëren per gemeente. Tevens hebben veel gemeenten ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan naar de Omgevingswet. Dit houdt in dat voornamelijk in de beginfase na de inwerkingtreding van de Omgevingswet gemeenten nog geen tot weinig beleid zullen hebben met betrekking tot gezondheid. In een later stadium zal het beleid sterk per gemeente verschillen. ,

Figuur 4. 5 Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart

,

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen samen bevatten wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de belangenafweging.

Gezondheid

,

relderfgoed).

,

4. 13

,

,

Provincies en gemeenten worden daarbij ondersteund door specialisten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries werken mee met de totstandkoming van de wet en de bijbehorende regels zijn betrokken bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en ontwikkelen kennis en informatie voor medeoverheden.

4. 12. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Om uitspraak te kunnen doen met betrekking tot cultuurhistorische landschappen wordt verwezen naar het landsdekkend datasysteem ‘Cultuurhistorisch GIS’ (CultGIS) dat informatie bevat over historisch-geografische fenomenen. Uit gegevens van CultGIS blijkt dat het projectgebied zich bevindt in een zandgebied.3 Op de kaart van CultGIS zijn ook 70 aandachtsgebieden aangewezen. Omdat het projectgebied niet in ,

,

een dergelijk aandachtsgebied ligt en er al bestaande bebouwing en functies aanwezig zijn kan worden aangenomen dat het voorgenomen plan geen belemmering vormt voor het bestaande cultuurhistorische landschap. ,

,

4. 13. 2 Onderzoek Met het planvoornemen wordt de bestaande horecabestemming gewijzigd naar een woonfunctie. Middels deze motivering wordt onderbouwd dat er wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat.

3 https://rce. webgispublisher. nl/Viewer. aspx?map=CultGIS

Herontwikkeling “De Stapperij” aan De Bunders 3 te Veghel

31

Het nabijgelegen Bunderspark biedt voldoende mogelijkheden voor beweging en ontspanning. Tevens is het plangebied naast een sportvoorziening gelegen dit biedt voor bewoners de kans om actief te blijven. Het idee van " zien sporten is doen sporten " komt hier goed tot zijn recht: wanneer je regelmatig mensen sportend ziet kan dat een motiverend effect hebben. Het kan interesse in sport stimuleren maar ook het idee dat sport en beweging onderdeel van het dagelijks leven kunnen zijn. ,

,

,

Door de nabijheid van de sportvoorziening kunnen de toekomstige bewoners gemakkelijk deelnemen aan sportactiviteiten. Dit creëert een actieve en gezonde leefomgeving waarin sport en beweging meer vanzelfsprekend worden wat de algehele gezondheid en het welzijn kan bevorderen.

aangezien dit vaste objecten zijn. De Europese Unie heeft in 1999 blootstellingslimieten bestaande uit basisrestricties en daarvan afgeleide referentieniveaus aanbevolen (PbEG L 199/59 1999). De basisrestricties mogen niet worden overschreden. Als de blootstelling lager is dan de referentieniveaus kan ervan worden uitgegaan dat de basisrestricties niet worden overschreden. Voor magnetische velden die met de elektriciteitsvoorziening samenhangen bedraagt het referentieniveau 100 microtesla voor de gehele bevolking. ,

,

bovengrondse hoogspanningslijn zoals opgenomen op de RIVM-netkaart plaatsvindt.

,

,

Ten behoeve van voorliggend planinitiatief is de RIVM-netkaart geraadpleegd. Figuur 4. 6 toont een uitsnede van de RIVM-netkaart ter hoogte van het plangebied uit de figuur is te concluderen dat het plangebied om zeer ruimte afstand is gelegen van de hoogspanningslijn. ,

,

,

Er zijn geen bijzondere omstandigheden die ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid zouden kunnen veroorzaken. Andere milieuaspecten die nauw verbonden zijn met gezondheid bevestigen dat er geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen. ,

,

4. 13. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 14

Kabels en leidingen 4. 14. 1 Toetsingskader Magnetische velden ontstaan bij het transport en het gebruik van elektriciteit/stroom. Voorbeelden van voorzieningen die zorgen voor elektromagnetische velden zijn antennes hoogspanningslijnen mobiele telefoons en elektrische apparaten. De kracht van het elektromagnetische veld kan per voorziening verschillen. In het kader van de fysieke leefomgeving zijn met name antennes en hoogspanningslijnen van belang ,

,

,

Door de minister voor Klimaat en Energie is (samen met de toenmalig minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en in afstemming met de staatssecretaris voor Volksgezondheid Welzijn en Sport) op 21 april 2023 een herijkt voorzorgsbeleid aan gemeenten provincies en netbeheerders gezonden inzake de gezondheidsrisico’s van magneetvelden bij hoogspanningslijnen.4 De kern van het herijkte voorzorgbeleid voor magneetvelden is dat met de netbeheerders is afgesproken dat deze bronmaatregelen gaan treffen om de sterkte en grootte van magneetvelden zo veel mogelijk te beperken. Het beleidsadvies is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van elektriciteitsinfrastructuur en die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 04 microtesla.5 De waarde van 04 microtesla geldt als gemiddelde voor een heel jaar. Tijdens dat jaar kan de veldsterkte regelmatig boven en onder de waarde van 04 microtesla komen. Het is een waarde uit voorzorg die alleen van toepassing is bij bovengrondse hoogspanningslijnen. ,

,

,

,

,

,

Figuur 4. 6 Uitsnede netkaart (bron: Atlasleefomgeving) Daarnaast is er een KLIC-melding gedaan zie figuur 4. 7. In de uitvoering dient er rekening gehouden te worden met de kabels en leidingen. ,

4. 14. 2 Onderzoek Het voorzorg beleid adviseert de 04 microtesla magneetveldzone te berekenen als het project van een gevoelige gebouw zoals een woning school of kinderopvang binnen de indicatieve magneetveldzone van een ,

,

4 https://www. kennisplatform. nl/verschil-tussen-limiet-100-microtesla-grens-0-4-microtesla/ 5 https://www. infomil. nl/publish/pages/86406/beleidsadvies_vrom_2005_1. pdf

Herontwikkeling “De Stapperij” aan De Bunders 3 te Veghel

32

geldt een mer-beoordelingsplicht tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. ,

geldt (zie kolom 3). Onderzocht is of er aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Aan de hand van de bevindingen zoals beschreven in de aanmeldnotitie kan worden geconcludeerd dat er rekening houdend met: De kenmerken van het project; 1. De plaats van het project; en 2. De kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een relatief klein schaalniveau met bijbehorende minimale ,

,

Of een project dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit aanzienlijke milieueffecten heeft wordt beoordeeld door het bevoegd ge,

,

,

zag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn;

b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkre-

effecten.

,

gen.

Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16. 45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie. ,

Figuur 4. 7 KLIC-melding 4. 14. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect kabels en leidingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 15

Bij beoogd planvoornemen is geen sprake van overschrijding van de grenswaarden. De potentiële effecten zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat deze geen aanzienlijke milieueffecten tot gevolg hebben die het doorlopen van een mer-procedure noodzakelijk maken. In bijlage 6 is de volledige aanmeldnotitie opgenomen.

4. 15. 3 Conclusie Voor beoogd planvoornemen is geen sprake van een mer-plicht.

4. 15. 2 Onderzoek Met beoogd planvoornemen worden 12 appartementen en een commerciële ruimte gerealiseerd. Voorgenomen ontwikkeling betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject is een mer-plicht niet van toepassing (zie tabel 8 kolom 2). Er is sprake van aanleg wijziging of uitbreiding waarvoor een mer-beoordelingsplicht ,

M. e. r. -beoordeling

4. 15. 1 Toetsingskader Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11. 6 en 11. 8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project-merplichtig of mer-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de mer-(beoordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2 geldt een mer-plicht. Anders

,

,

Tabel 4 Onderdeel J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Projecten

Gevallen waarin de merplicht geldt (artikel 16.43 , eerste lid , aanhef en onder a , van de wet)

Gevallen waarin de merbeoordelingsplicht geldt (artikel 16.43 , eerste lid , aanhef en onder b , van de wet)

Besluiten als bedoeld in artikel 11.6 , derde lid , onder c , van dit besluit

,

,

J11

Herontwikkeling “De Stapperij” aan De Bunders 3 te Veghel

Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen

Niet van toepassing

Aanleg , wijziging of uitbreiding

Het omgevingsplan

33

5

Financiële haalbaarheid

5. 1

Uitvoerbaarheid

Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de financiële haalbaarheid van het plan voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. ,

5. 2

Kostenverhaal

Daar waar nodig zal op basis van artikel 13. 18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13. 18 Ow). Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Deze worden verrekend via de leges. In de legesverordening is opgenomen dat de leges voor een BOPA worden bepaald aan de hand van de bouwkosten.

Herontwikkeling “De Stapperij” aan De Bunders 3 te Veghel

34

6

Participatie

6. 1

Participatie

en

overleg

In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan zijn er diverse opties om omwonenden van een planontwikkeling te informeren. Het plangebied betreft een herontwikkeling ter plaatse van De Bunders 3 te Veghel. Het planvoornemen om woningen te ontwikkelingen in ‘De Stapperij’ te Veghel is al langere tijd bekend. In november 2021 is er door de initiatiefnemer een omgevingsdialoog georganiseerd. Bewoners in de nabije omgeving hebben een brief ontvangen over de voorgenomen ontwikkeling hierop konden bewoners reageren. Bij een aantal bewoners zijn er huisbezoeken geweest om nadere uitleg te geven over het planvoornemen met behulp van tekeningen en schetsen. Tevens is met het bestuur van wijkvereniging De Spil middels een persoonlijk gesprek geïnformeerd over de ontwikkelingen. ,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=42e45a08-f529-4730-881e-5aba2bc4bb76