CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Bopa-motivering Grote Doelenlaan 14-16

Raadsvergadering 12 december 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Afgifte positief advies voor voornemen tot verlening omgevingsvergunning voor herontwikkeling locatie Grote Doelenlaan 14-16 te Sint-Oedenrode22.421 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daarnaast kan het gebiedstype ‘Landelijk gebied, agrarisch’ weerslag hebben op het verstedelijkt woongebied. Ten behoeve van geur vanwege veeteelt is namelijk opgenomen dat een veehouderij maximaal 2 OUe/m³ voorgrondbelasting mag uitstoten ten aanzien van geurgevoelige objecten in het gebiedstype ‘Verstedelijkt (woon)gebied’. Toetsing Dit project sluit aan bij de speerpunten van beleid die conform de voorontwerp omgevingsvisie Meierijstad gelden voor het betreffende gebiedstype. Er wordt namelijk een verlaten bedrijfslocatie herontwikkeld, waarbij woningen worden gerealiseerd voor doelgroepen met een concrete behoefte (zie ook paragrafen 4.3 en 5.1). Aan de oostzijde blijft een groenzone behouden waar een bijdrage zal worden geleverd aan de benodigde hemelwaterberging. Deze zone kan ook meerwaarde hebben voor de biodiversiteit en klimaatadaptatie (tegengaan droogte en hittestress). Doordat parkeren plaatsvindt aan de rand van het projectgebied worden bewoners uitgenodigd te bewegen en de auto te laten staan. Het gaat om nieuwe woningen die zullen voldaan aan de hedendaagse wettelijk voorgeschreven duurzaamheidseisen (zie ook paragraaf 5.15). Ten slotte kan worden opgemerkt dat het project niet wordt belemmerd vanwege geluid uit de omgeving (zie paragraaf 5.8 en 5.9) of geur vanwege veeteelt (zie paragraaf 5.10), noch andere omgevingsaspecten (hoofdstuk 5).

29/62

4.4.2 Woonzorgvisie 2024 Op 26 september 2024 heeft de gemeenteraad van Meierijstad de Woonzorgvisie 2024 met als titel ‘Thuis in Meierijstad; Thuis in vitale wijken en dorpen’ vastgesteld. Een actuele woonzorgvisie is nodig vanwege de woningbouwversnelling die momenteel nodig is, zowel kwantitatief als kwalitatief. Gemeente Meierijstad voelt de urgentie van de woningmarkt en wil een divers woningaanbod creëren, waarin ruimte is voor koop, huur, meer-generatie-wonen en zorgconcepten. Met aandacht voor de verschillende aandachtsgroepen, zoals jongeren, ouderen en gezinnen. De ambitie van gemeente Meierijstad is om een thuis te bieden: een prettige en aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken en te recreëren. Een omgeving die duurzaam en gezond is. De nieuwe woon(zorg)visie is de basis voor de toekomst, waarop besluiten, afspraken en acties over wonen genomen en gemaakt kunnen worden. Tevens geeft deze visie de kaders mee voor onder andere de prestatieafspraken met woningcorporaties en zorg/welzijnspartijen en voor een uitvoeringsprogramma naar de verschillende kernen in Meierijstad.

In de woonzorgvisie worden samenvattend keuzes gemaakt over: • Mensen: o Doorstroming ouderen; o Aantrekken en vasthouden jongeren o Aantrekkelijke gemeente voor gezinnen o Oplossingen bieden voor zorgvragers en aandachtsgroepen • Woningen: o Voldoende woningen bouwen (door onder andere lopende projecten te realiseren vóór 2030) o Variatie in prijssegmenten o Beter benutten bestaande woningvoorraad o Kansen aangrijpen voor herstructurering o Levensloopbestendig / zorggeschikt o Mogelijkheden voor woningsplitsing en/of mantelzorg o Collectieve woonvormen en/of collectief particulier opdrachtgeverschap o Toekomstbestendig bouwen • Aanpak: o Onderscheid in woonmilieus (groenstedelijk, centrum dorps, landelijk en buitengebied) o Samenwerken aan de uitvoering Een doelstelling uit de Woonzorgvisie 2024 is om kwantitatief over voldoende woningen te beschikken; deels door aanpassing van de bestaande woningvoorraad en deels door een passend nieuwbouwprogramma. Huidige en toekomstige inwoners moeten voldoende keuzemogelijkheden hebben indien zij willen verhuizen, waarbij wordt nagestreefd om de volledige wooncarrière in de eigen wijk of dorp af te leggen. Levensloopbestendig woning is de norm. Bij binnenstedelijke ontwikkelingen wordt ingezet op levensloopbestendige- en seniorenwoningen (rollatorgeschikt) en doorstroming in de eigen wijk.

Per kern is al een bouwprogramma bekend wordt voortgezet. Er is vooralsnog geen noodzaak voor aanvullende plannen tot 2030. Kwalitatief dienen er voldoende woningen voor de verschillende doelgroepen te worden gebouwd, met voldoende aandacht voor specifieke aandachtsgroepen, zoals jongeren, ouderen en gezinnen. In het totale nieuwbouwprogramma van de gemeente Meierijstad streeft de gemeente naar de verdeling over prijssegmenten zoals opgenomen in onderstaande tabel. Het nieuwbouwprogramma is van toepassing voor de plannen in totaal. In individuele projecten kan gemotiveerd worden afgeweken, afhankelijk van de specifieke lokale omstandigheden, lokale bouwprogramma en de opbouw van wijk of kern.

30/62

Nieuwbouwprogramma naar prijssegmenten

Toetsing In de Woonzorgvisie wordt onderscheid gemaakt tussen diverse woonmilieus. Sint-Oedenrode is in de visie getypeerd als een centrum dorps woonmilieu. In het centrumdorpse woonmilieu liggen met name kansen om woningen toe te voegen nabij voorzieningen in de wijk onder andere met appartementen, maar ook door middel van uitbreidingslocaties aan de dorpsranden (inbreiding en uitbreiding gaan samen). Centrumdorpse woonmilieus zijn (onder andere vanwege de aanwezige zorgvraag) ook geschikt voor wonen met zorg, en dan met name op locaties waar voorzieningen nabij zijn. De herontwikkeling van voorliggend plangebied past binnen de ambities uit de woonzorgvisie. Ter plaatse is een solitair gelegen bedrijfslocatie aanwezig, die door de jaren heen omsloten is door woningbouw. Een bedrijf op deze locatie is niet langer wenselijk en een herontwikkeling naar woningbouw is dan ook logisch. De locatie is al opgenomen in de woningbouwprogrammering van gemeente Meierijstad. De locatie ligt in een centrum stedelijk milieu. Hoewel voorzieningen niet heel ver weg zijn, leent de locatie zich niet voor een ontwikkeling met appartementen of woonzorgeenheden. Het project voorziet dan ook in grondgebonden woningen die qua schaal en korrelgrootte passen binnen de omgeving.

De woningen worden conform de norm levensloopbestendig uitgevoerd, zodat deze geschikt zijn voor meerdere doelgroepen (waaronder ouderen). Daarmee vormen de woningen een aanvulling op het aanbod in de buurt en dragen daarmee bij aan de mogelijkheden om de wooncarrière in dezelfde buurt af te leggen. De verdeling ‘nieuwbouwprogramma naar prijssegmenten’ is van toepassing voor het totaal aan plannen. In individuele projecten kan gemotiveerd worden afgeweken, afhankelijk van de specifieke lokale omstandigheden, lokale bouwprogramma en de opbouw van wijk of kern. In dit geval worden geen sociale huurwoningen gerealiseerd. De locatie leent zich zowel stedenbouwkundig als vanwege het ontbreken van voorzieningen in de directe omgeving niet voor appartementen (goedkope koop of huur) en het realiseren van grondgebonden huurwoningen maakt het project lastig economisch rendabel. De betrokken ontwikkelaar heeft vrij recent in Sint-Oedenrode meerdere plannen gerealiseerd waarin sociale woningbouw zeer goed vertegenwoordigd was (Korte Straat: 28 appartementen waarvan 100% sociaal; Roots: 37% sociale huur; Kem-terrein: 31% sociale huur). Daarnaast is ontwikkelaar betrokken bij de herontwikkeling van de voormalige gemeentewerf in Sint-Oedenrode, waarvoor momenteel de ruimtelijke procedure wordt voorbereid en in dat kader afspraken worden gemaakt over het woonprogramma.

Het uitgangspunt daarbij is dat het programma op deze locatie en het programma op de hiervoor genoemde locaties tezamen het gewenste aandeel sociale huur en betaalbaar bevatten. Zodoende is het in dit geval aanvaardbaar om een woningprogramma zonder sociale huur te realiseren in het plan voor de locatie aan de Grote Doelenlaan.

31/62

Het project voorziet in de volgende verdeling qua prijssegmenten: Type woning

Segment

Aandeel

Starterswoning

Goedkoop segment

19%

Seniorenwoning

Middelduur/duur segment

9%

Kleine tussenwoning

Middelduur segment

29%

Grote tussenwoning

Duur segment

24%

Hoekwoning

Duur segement

19%

Gelet op het voorgaande past het project binnen de uitgangspunten van de Woonzorgvisie 2024. 4.4.3 Doelgroepenverordening Om ervoor te zorgen dat woningen ook voor mensen met een laag of lager inkomen betaalbaar blijven, heeft de gemeente een doelgroepenverordening opgesteld. In de doelgroepenverordening is bepaald dat de toewijzing van bepaalde woningen afhankelijk is van het inkomen en hoe lang deze afspraken gelden. Het gaat over sociale huur, middeldure huur, sociale koop en middeldure koop. Gemeente Meierijstad heeft voor sociale huurwoningen en sociale koopwoningen doelgroepen afgesproken, door te kijken naar maximale inkomsten. Gelet op de tabel uit subparagraaf 4.4.2 is de doelgroepenverordening op een deel van de woning van toepassing. Ter bevordering van de naleving van de doelgroepenverordening zijn hierover tussen de gemeente en ontwikkelaar afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst.

32/62

5. GEVOLGEN VOOR DE FYSIEKE LEEFOMGEVING 5.1

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat deze instructieregel ook geldt voor een bopa. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling, en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Toetsing Het Bkl geeft geen uitsluitsel wanneer een ontwikkeling moet worden gezien als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’.

Geldende jurisprudentie onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening / Besluit ruimtelijke ordening is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing, of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn. Het project voorziet in de toevoeging van 22 woningen (totaal 23 woningen minus voormalige bedrijfswoning) en is daardoor een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. De nieuwe woningen worden gerealiseerd op een bestaand bouwperceel binnen bestaand stedelijk gebied. Het betreft een solitair gelegen bedrijfslocatie binnen een woonomgeving. In paragraaf 4.3 is reeds ingegaan op de kwalitatieve en kwantitatieve regionale woonbehoefte. In het kort volstaat op deze plaats de conclusie dat in regionaal verband nog voldoende behoefte bestaat aan de toevoeging van 22 woningen in de beoogde woningtypen (doelgroepen). Gelet op het voorgaande is bij dit project sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

5.2

Welstand

Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). Heeft de gemeente geen welstandsnota en ook geen beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken? Dan gelden de regels in de bruidsschat niet. De regel geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen.

33/62

Beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit Artikel 22.29 lid 1 onder b bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. Repressief welstand De excessenregeling ziet erop toe dat gemeenten een eigenaar kan verplichten om aanpassingen aan het bouwwerk te verrichten waarmee de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand wordt opgeheven. Onder de Ow gebeurt dit middels een maatwerkvoorschrift (art. 22.4 BS). De excessenregeling is (met name) van toepassing op bestaande situaties en is minder relevant voor het beoordelen van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Toetsing Gemeente Meierijstad heeft de welstandsbeoordeling voor een groot deel losgelaten. De welstandsbeoordeling blijft beperkt tot: 1. de centrumgebieden van Schijndel, Veghel, Sint-Oedenrode en Erp; 2. monumenten; 3. beeldbepalende en cultuurhistorisch waardevolle panden; 4. bijzondere bebouwing en ensembles; 5. gebieden met een beeldkwaliteitseisen; 6. nieuwbouw in de overige gebieden.

Uitsnede Welstandskaart gemeente Meierijstad, met projectgebied groen omcirkeld. Het projectgebied omvat geen monument, beeldbepalend of cultuurhistorisch pand. Het maakt geen deel uit van bijzondere bebouwing of ensembles en is niet gelegen in een centrumgebied of gebied met beeldkwaliteitseisen. In overige gebieden zijn bouwactiviteiten welstandsvrij. Bij nieuwbouw in deze gebieden is wel een welstandsbeoordeling vereist om de kwaliteit van de gebouwde omgeving te waarborgen. Daarvoor gelden de criteria ‘nieuwbouw’.

34/62

Bij nieuwe ontwikkelingen in de bestaande bebouwde omgeving wordt van initiatiefnemers verlangd dat zij voor het bouwinitiatief een beeldkwaliteitsplan of beeldkwaliteitsparagraaf laten opstellen. Alleen wanneer voldaan wordt aan onderstaande randvoorwaarden, kan nieuwbouw worden voorgesteld zonder beeldkwaliteitsplan: a. De nieuwbouw omvat maximaal twee grondgebonden woningen; b. Er is voor het bouwinitiatief geen bestemmingsplanwijziging nodig; c. Het gebied heeft architectonisch en/of stedenbouwkundig geen directe relatie naar de aangrenzende omgeving. Voorbeelden hiervan zijn omsloten recreatieterreinen, percelen met (agrarische) bedrijfsbebouwing en omsloten bedrijvenlocaties; d. De openbare betekenis van het bouwwerk of zijn omgeving is beperkt; e. Schaal- en maatverhoudingen van de nieuwbouw doen de bestaande schaal- en maatverhouding van de directe omgeving geen geweld aan; f. Het betrokken gebied wordt door de inrichting van het landschap en/of openbaar gebied voldoende afgeschermd van de directe omgeving. Hoewel de schaal- en maatverhoudingen van de nieuwbouw de bestaande schaal- en maatverhoudingen van de directe omgeving geen geweld aandoen, wordt niet of niet helemaal voldaan aan de overige randvoorwaarden. Zodoende is het nodig om voor dit project een beeldkwaliteitsplan op te stellen. Dit beeldkwaliteitsplan is als bijlage bij deze motivering gevoegd.

Het beeldkwaliteitsplan is beoordeeld en akkoord bevonden door de Welstandskamer Gemeente Meierijstad. Het beeldkwaliteitsplan wordt als voorschrift aan de omgevingsvergunning gekoppeld. Bij de uitwerking van de aanvraag voor de omgevingsvergunning (tweede fase) moet zodoende rekening worden gehouden met de criteria uit het beeldkwaliteitsplan.

5.3

M.e.r.-beoordeling

In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een bopa projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Als hier het Omgevingsplan wordt genoemd, wordt hieronder ook de omgevingsvergunning voor een bopa verstaan. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning.

Toetsing De beoogde ontwikkeling waarvoor een omgevingsvergunning voor een bopa wordt aangevraagd, betreft de realisatie van 22 woningen (totaal 23 woningen minus voormalige bedrijfswoning). Dit is een activiteit uit kolom 1 van Bijlage V van het Ob en valt onder categorie J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Volgens kolom 2 is een mer-plicht niet van toepassing, maar conform kolom 3 is wel een mer-beoordeling nodig.

35/62

In de bijlagen bij deze motivering is deze mer-beoordeling opgenomen. Uit de aanmeldingsnotitie blijkt dat gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen aanzienlijke milieugevolgen optreden. Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een mer-procedure.

5.4

Verkeer en parkeren

Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Ow, het Bkl en de provinciale TAM-omgevingsverordening stellen geen (instructie)regels op dit gebied. Verkeer In de beoordeling van het project op het omgevingsaspect verkeer zijn de ontsluitingsstructuur, verkeersgeneratie, bereikbaarheid en verkeersveiligheid relevant. Daarbij worden alle relevante vervoerwijzen bezien (langzaam verkeer, openbaar vervoer en gemotoriseerd verkeer). Voor langzaamverkeer wordt het projectgebied ontsloten via zowel de Grote Doelenlaan (zuiden) als De Meesterstraat / Van der Lindenstraat (noordwesten). In beide gevallen is aan één zijde van de weg een trottoir aanwezig. Op ongeveer 200 meter lopen is een bushalte aanwezig aan de Lindendijk met ongeveer drie bussen per uur richting Eindhoven, Oss en ’sHertogenbosch. Op ongeveer 1,5 km ten oosten van het projectgebied is aan de A50 een openbaar vervoershalte aanwezig met bussen in de richting van Oss, Uden en Eindhoven (ongeveer 3 per uur). Verder is er geen openbaar vervoer in SintOedenrode voor handen. Het projectgebied wordt voor autoverkeer ontsloten via de Grote Doelenlaan in de richting van de Schijndelseweg.

Via de Schijndelseweg kan het autoverkeer in noordelijke richting naar Schijndel of via de Noordelijke Randweg / N637 naar de A58 in de richting van Veghel / Uden / Oss/ Nijmegen (noorden) of Eindhoven (zuiden). In westelijke richting kan het verkeer via de Ollandseweg in de richting van Boxtel / A2. Via de Lindendijk in zuidelijke richting is het centrum van Sint-Oedenrode te bereiken, maar ook de A50. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen uit publicatie 744 (‘Parkeerkencijfers 2024’) van kennisplatform CROW. Volgens de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 is Sint-Oedenrode aan te merken als ‘Weinig stedelijk’ en zijn voor het projectgebied (vanwege ligging binnen bebouwde kom, maar buiten de centrumzone) de normen van ‘rest bebouwde kom’ van toepassing. Het project voorziet in twee-onder-één kap woningen (2 stuks) en 19 nieuwe rijwoningen. Voor rijwoningen wordt worstcase uitgegaan van het woningtype ‘koop, huis, tussen/hoek’, waarbij respectievelijk een minimale en maximale verkeersgeneratie hoort van 7,0 en 7,8 mvt/etmaal. Voor zover woningen in de huursector worden uitgegeven zijn de kencijfers hetzelfde als wordt uitgegaan van een huurhuis in de vrije sector en lager als het gaat om sociale huur. Voor de twee-onder-een-kapwoningen geldt een kencijfer van minimaal 7,4 en maximaal 8,2 mvt/etmaal.

Gelet op het voorgaande zijn minimaal (19 x 7 + 2 x 7,4 =) 147,8 en maximaal (19 x 7,8 + 2 x 8,2) 164,8 verkeersbewegingen per etmaal te verwachten. Het bedrijf dat er tot voor kort was gevestigd is te typeren als ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf))’. Uitgaande van een bedrijfsloods (stalling) van 750 m² en een kencijfer van minimaal 3,9 en maximaal 5,7 mvt/etmaal per 100 m² bvo, genereerde het bedrijf ongeveer (3,9 x 750 : 100 =) 29,25 tot (5,7 x 750 : 100 =) 42,75 mvt/etmaal. Per saldo zorgt de ontwikkeling dan ook voor een toename van 118,55 tot 122,05 mvt/etmaal.

36/62

Om de verkeersgeneratie op werkdagen te bepalen is de verkeersgeneratie van woningen op weekdagen vermenigvuldigd met 1,11. Deze zijn minimaal (147,8 x 1,11) 164,1 en maximaal (164,8 x 1,11) 182,9 mvt/etmaal. De verkeersgeneratie op werkdagen van de bedrijfsvestiging is bepaald door de weekdaggeneratie te vermenigvuldigen met 1,33. Deze bedroeg minimaal (29,25 x 1,33) 38,9 en maximaal (42,75 x 1,33) 56,9 mvt/etmaal. Per saldo zorgt op werkdagen de ontwikkeling voor een toename van 125,2 en 126,0 mvt/etmaal. Gezien de intensiteit en capaciteit van de Grote Doelenlaan zal de beperkte toename aan verkeersbewegingen niet tot problemen leiden. Bovendien moet worden opgemerkt dat een bedrijfslocatie (met zwaar verkeer) wordt opgeheven en dat in de nieuwe situatie vrijwel alleen lichte verkeersbewegingen plaatsvinden. De nieuwe woningen krijgen een centrale ontsluiting die nabij de kruising met Tartwijck op de Grote Doelenlaan wordt aangesloten. Het bundelen van die ontsluiting met de bestaande kruising komt de verkeersveiligheid ten goede. Ook worden aan de Grote Doelenlaan haaksparkeerplaatsen gerealiseerd, net zoals dit verderop in de straat ook het geval is. Gelet op de verkeersintensiteiten in de straat zal dit alles niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid.

Met behulp van een kruispuntberekening is bepaald wat de toename van verkeer op de Grote Doelenlaan voor effect heeft op het kruispunt Grote Doelenlaan/Schijndelseweg/Lindendijk/Ollandseweg. De kruispuntberekening is als bijlage bij deze motivering gevoegd. Uit de berekening blijkt dat de wachttijd op de verschillende armen maximaal 15 seconden zal zijn in de toekomstige situatie na planbijdrage. De conclusie hierbij is dat het verkeer vlot kan worden afgewikkeld, en dat er geen extra rijstroken hoeven worden aangelegd om af te kunnen slaan. Parkeren De beoordeling van het project op het omgevingsaspect parkeren houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn. In dit geval wordt de parkeerbehoefte bepaald aan de hand van de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018. In dit geval zijn volgens de nota parkeernormen de normen voor ‘overige kernen’ en ‘rest bebouwde kom’ van toepassing. Het stedenbouwkundig ontwerp gaat uit van 19 rijwoningen en 2 woningen onder één kap. Daarnaast worden de bedrijfswoning en mantelzorgwoning beiden omgezet naar een regulier woning. In totaal bevat het plan dan ook 23 woningen, waarvan 21 nieuwbouw. Autoparkeren De voormalige bedrijfswoning en mantelzorgwoning worden afgesplitst en worden beiden omgezet naar een reguliere woning. Beide woningen krijgen een ruime oprit met carport om het parkeren op te lossen op eigen terrein.

Voor de parkeerbehoefteberekening van de 21 nieuwbouwwoningen dient een parkeerberekening te worden gemaakt om de behoefte te bepalen. Voor de rijwoningen (koop/huur, tussen/hoek) geldt een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per woningen, met een bezoekersaandeel van 0,3 parkeerplaatsen per woningen. Voor de 19 rijwoningen die met dit project worden mogelijk gemaakt geldt zodoende een parkeerbehoefte van (19 x 2,2 =) 41,8 parkeerplaatsen, waarvan er 5,7 parkeerplaatsen openbaar voor bezoekers toegankelijk moeten zijn. Uitgangspunt van de Nota Parkeernormen is dat parkeerplaatsen op eigen terrein worden aangelegd. Voor de twee-onder-een-kapwoningen (koop/huur, 2 onder 1 kap) geldt een parkeerbehoefte van (2 x 2,4 =) 4,6 parkeerplaatsen met een bezoekersaandeel van 0,6 parkeerplaatsen (0,3 per woning). De totale parkeerbehoefte komt zodoende uit op 46,4 (afgerond 47 parkeerplaatsen) met een bezoekersaandeel van afgerond 6 parkeer-

37/62

plaatsen. De parkeerbehoefte is echter niet op ieder moment van de dag even groot. Daarom mag volgens de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 rekening worden gehouden met de aanwezigheidspercentages zoals bepaald door kennisplatform CROW. Voor dit project betekent dat het volgende:

Uit de tabel volgt dat de parkeerbehoefte van bewoners en bezoekers het grootst is op een werkdag avond. Op dat moment zijn afgerond 42 parkeerplaatsen nodig. De benodigde parkeerplaatsen worden volledig binnen het projectgebied aangelegd. Er worden 16 haaksparkeerplaatsen aan de Grote Doelenstraat aangelegd. In de noordwestelijke hoek van het projectgebied wordt een parkeercluster met nog eens 26 parkeerplaatsen aangelegd. In totaal wordt voorzien in 42 parkeerplaatsen, die allen openbaar toegankelijk zullen zijn voor bezoekers. Fietsparkeren Naast parkeerplaatsen voor auto’s moet ook worden voorzien in voldoende fietsparkeerplekken. Vanwege de relatief kleine woningen die zijn voorzien op deze locatie, wordt voor het fietsparkeren Norm 1 uit de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 aangehouden. Per woning moet zodoende worden voorzien in één fietsparkeervoorziening per kamer. Voor de nieuwe woningen in dit project betekent dat het volgende: Type

Aantal

Norm

Kamers

Subtotaal

Seniorenwoningen

2 woningen

1 per kamer

2 x 3 kamers

6 fietsparkeerplekken

Schuurwoningen

4 woningen

1 per kamer

4 x 2 kamers

8 fietsparkeerplekken

Hoofdwoningen

8 woningen

1 per kamer

6 x 3 kamers

18 fietsparkeerplekken

2 x 4 kamers

8 fietsparkeerplekken

Starterswoningen

7 woningen

1 per kamer

7 x 3 kamers

21 fietsparkeerplekken

Totaal

21 woningen

Bezoekers

21 woningen

61 fietsparkeerplekken 0,5-1 per woning

10,5-21 fietsparkeerplekken

In het ontwerp is voor iedere woning een eigen berging (ca. 2x3m) voorzien in de tuin. Op basis van de Nota Parkeernormen is er voor een fietsenschuur voor drie fietsen een oppervlakte van 5,8 m² benodigd. De voorziene bergingen voldoen aan deze norm. De bezoekersfietsen kunnen in dit geval in alle voortuinen geparkeerd worden. Voor de twee bestaande woningen (voormalige bedrijfswoning en mantelzorgwoning) geldt dat op het eigen kavel voldoende ruimte is om te voorzien in de eigen fietsparkeerbehoefte en die van bezoekers. Nadere uitwerking De nadere technische uitwerking van de rijbanen, parkeervakken, paden en aansluiting op de openbare ruimte, vindt plaats in het kader van de tweede fase van de aanvraag om omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

38/62

5.5

Ecologie: soortenbescherming

De activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een bopa wordt aangevraagd en die mogelijke gevolgen heeft voor verblijfsplaatsen van beschermde dieren of planten, is een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bopa is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de activiteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. Voor sommige flora- en fauna-activiteiten is een omgevingsvergunning nodig. In alle gevallen geldt de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die er kort samengevat op neerkomt dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal). Toetsing Bij dit project kunnen verblijfsplaatsen van (beschermde) soorten verloren gaan, met name omdat bestaande bedrijfsgebouwen worden gesloopt. Daarom heeft een quickscan natuurwaarden (ecologie) plaatsgevonden.

Dit onderzoek is als bijlage bij deze ruimtelijke motivering gevoegd. Uit de quickscan volgt dat door middel van aanvullend onderzoek meer duidelijkheid moet worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van beschermde functies ten aanzien van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger) en de teunisbloempijlstaart (vlinder). Dit onderzoek zal worden uitgevoerd in de daarvoor meest geschikte onderzoeksperiode. Als voorschrift bij de vergunning wordt opgenomen dat dit onderzoek moet hebben plaatsgevonden voordat gebouwen mogen worden gesloopt en nieuwbouw kan plaatsvinden. De eerste fase van het onderzoek heeft inmiddels plaatsgevonden en de tweede (en afrondende) fase vindt plaats in het najaar van 2024. Daarnaast gelden de volgende aanbevelingen: • Bouwwerkzaamheden laten plaatsvinden buiten het broedseizoen (globaal maart t/m half augustus); • Sloopwerkzaamheden starten voor het broedseizoen begint; • Snoeiafval te verwijderen buiten het broedseizoen; • Additionele verlichting voorkomen (zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindfase); • Tijdens aanvullend onderzoek naar teunisbloempijlstaart tevens aandacht voor oranje zandoogje en zijn waardplanten; • Rekening houden met zorgplicht (maatregelen opnemen in ecologisch werkprotocol).

5.6

Ecologie: gebiedsbescherming

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland.

39/62

Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.

De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een bopa-activiteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. Houtopstanden (bos) Mocht de bopa-activiteit gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen. Toetsing Het projectgebied ligt niet binnen een natuurgebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied.

De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-netwerk is het gebied “Kampina & Oisterwijkse Vennen” dat op ruim 11 km ten westen van het projectgebied is gelegen. De Dommel, op ongeveer 350 meter ten zuidoosten van het projectgebied, is het dichtstbijzijnde stukje Natuur Netwerk Nederland (in de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant). Verder is het projectgebied niet gelegen binnen of in de nabijheid van een belangrijk weidevogelgebied. Uit de uitgevoerde quickscan natuurwaarden blijkt dat ten aanzien van Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland, ecologische verbindingszones en beschermde houtopstanden geen bezwaren worden voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden. Directe negatieve effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn, vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden, dan ook niet te verwachten.

40/62

Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en als bijlage bij deze motivering gevoegd. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. Ten slotte gaat dit project niet gepaard met het vellen van houtopstanden buiten de bebouwingscontour. Binnen het projectgebied zullen geen bomen worden gekapt. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het project geen (significant) negatieve effecten voor beschermde gebieden met zich meebrengt.

5.7

Luchtkwaliteit

Als een bopa betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.

Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. Gemeente Meierijstad heeft geen afwijkende omgevingswaarden vastgesteld, waardoor aan de wettelijke normen moet worden getoetst. Toetsing Dit project voorziet in het saneren van een bedrijfslocatie om plaats te maken voor ‘gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan’. In artikel 5.54 Bkl is bepaald dat een dergelijke activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als het gaat om: • één ontsluitingsweg: ten hoogste maximaal 1.500 woningen, of • twee ontsluitingswegen: ten hoogste maximaal 3.000 woningen. Daarnaast is de gemeente Meijerijstad niet aangewezen als aandachtsgebied voor fijnstof of stikstofdioxide. Een luchtkwaliteitsonderzoek kan dan ook achterwege blijven.

41/62

Uitsnede CIMLK viewer, met het projectgebied blauw omlijnd en links de toetspunten aan het wegdeel ‘Schijndelseweg’. Hierboven is een uitsnede opgenomen van de CIMLK viewer waarop te zien is waar het relevante toetspunt zich bevindt ten opzichte van het projectgebied. De afbeelding geeft de PM10-overschrijdingsdagen weer in de meest recente monitoringsronde en het meest nabijgelegen monitoringsjaar. Eenzelfde uitsnede kan worden gemaakt van andere monitoringsronden, monitoringsjaren en luchtverontreinigende stoffen (per monitoringsjaar en monitoringsronde), maar het is niet zinvol om hiervoor steeds afzonderlijk een afbeelding op te nemen. Wel is het van belang om de relevante concentraties te beoordelen. In onderstaande tabel zijn voor het dichtstbijzijnde toetspunt en de meest actuele monitoringsronde de omgevingswaarden in beeld gebracht voor de meest relevante luchtverontreinigende stoffen. Toetspunt:

Naamloos (locatie Schijndelseweg: x: 160293.912784238; y: 398056.448120652)

Monitoringsronde:

2023

Monitoringsjaar

NO2-concentratie

PM10-concentratie

PM10-overschrijdingsdagen

PM2,5-concentratie

2025

14,28 µg/m³

15,68 µg/m³

6

8,87 µg/m³

2030

11,93 µg/m³

14,58 µg/m³

6

7,84 µg/m³

Ten hoogst toelaatbaar (art. 2.4 en 2.5 Bkl)

40 µg/m³

40 µg/m³

35

25 µg/m³

kalenderjaargemiddelde

kalenderjaargemiddelde

dagen per kalenderjaar

kalenderjaargemiddelde

Uit voorgaande tabel blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization, WHO) heeft op 22 september 2021 haar advieswaarden sterk naar beneden bijgesteld, de huidige advieswaarden bedragen 10 μg/m³ voor NO2, 15 μg/m³ voor PM10 en 5 μg/m³ voor PM2,5. Met name de concentraties fijn stof zijn van belang met het oog op de mogelijke gezondheidseffecten. Deze advieswaarden zijn geen harde grenzen maar doelen waar op langere termijn naar toegewerkt zou moeten worden. De concentraties ter hoogte van het projectgebied zijn hoger dan deze advieswaarden. Dit wordt veroorzaakt door de achtergrondconcentratie (en dit geldt daarmee niet alleen voor het projectgebied, maar voor de hele regio). De bijdrage

42/62

van de lokale bronnen aan de optredende concentraties is beperkt. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen.

5.8

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat geluidgevoelige functies (zoals woningen) niet aan te veel geluidbelasting worden blootgesteld. Geluid kan afkomstig zijn van (spoor)wegen, industrieterreinen en andere activiteiten. In deze paragraaf wordt ingegaan op geluid afkomstig van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrieterreinen. In de volgende paragraaf komt geluid vanwege activiteiten aan bod. De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen de omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde kan worden voldaan. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn.

43/62

Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. Bepalen aandachtsgebied Bij nieuwe ontwikkelingen nabij een geluidbron moet worden onderzocht of het project is gelegen binnen het aandachtsgebied van de geluidbron. De omvang van geluidaandachtsgebieden dient te worden berekend conform Bijlage IVc bij artikel 3.5 van de Omgevingsregeling. Daarbij is van belang dat lokale spoorwegen die zijn aangewezen bij omgevingsverordening, rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en industrieterreinen een geluidproductieplafond (GPP) hebben. Voor lokale wegen is bepaald dat de basisgeluidemissie (BGE) uiterlijk 2026 moet zijn vastgesteld. Het geluidsaandachtsgebied wordt bepaald aan de hand van een GPP dan wel BGE. Op basis van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling geldt er overgangsrecht voor gevallen waarin nog geen BGE is vastgesteld.

In dergelijke gevallen strekt het aandachtsgebied zich (aan weerzijden van de weg) tot de volgende afstand gemeten vanaf de rand van de (spoor)weg: • 100 meter bij wegen, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt; • 200 meter bij wegen, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt; • 350 meter bij gemeentewegen, bestaande uit drie of meer rijstroken; • 200 meter bij lokale spoorwegen, bestaande uit een of twee sporen; • 350 meter bij lokale spoorwegen, bestaande uit drie of meer sporen. De GPP van rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en industrieterreinen zijn verzameld en raadpleegbaar in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Toetsing Voor het projectgebied geldt dat het project is gelegen binnen 100 meter van enkele 30 km/uur-wegen met hooguit twee rijstroken (Grote Doelenlaan, Tartwijck, Van der Lindenstraat, De Meesterstraat, Sluitappel en Dijksteegje). Op ongeveer 70 tot 100 meter van het projectgebied liggen de Schijndelseweg / Lindendijk en Ollandseweg, die net als het stukje Grote Doelenlaan nabij de kruising met de Schijndelseweg, een snelheidsregime van maximaal 50 km/uur kennen en twee rijstroken. Het projectgebied ligt dan ook binnen het aandachtsgebied van deze lokale wegen.

Waterschapswegen of lokale wegen met drie of meer rijstroken komen in de omgeving niet voor. De dichtstbijzijnde provinciale weg (N637/Schijndelseweg vanaf rotonde Noordelijke Randweg) ligt op meer dan 650 van het projectgebied en de rijksweg A50 op ongeveer 800 meter. In de omgeving van het projectgebied komen geen spoorwegen of industrieterrein met geluidproductieplafond (voorheen geluidgezoneerde bedrijventerreinen) voor. Het projectgebied ligt dan ook niet binnen het aandachtsgebied van een industrieterrein, rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen, waterschapswegen, lokale spoorwegen of lokale wegen met drie of meer rijstroken. Omdat het projectgebied is gelegen binnen het aandachtsgebied van diverse lokale wegen, is met akoestisch onderzoek de gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse onderzocht. De resultaten zijn gerapporteerd en als bijlage bij deze motivering gevoegd. In onderstaande afbeeldingen zijn per ‘bouwblok’ de hoogste toetsresultaten weergegeven. Uit de afbeelding is af te lezen dat de geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen ten hoogste 50 dB Lden bedraagt. Daarmee wordt voldaan aan de standaardwaarde.

44/62

Stedenbouwkundig ontwerp met daarin weergegeven de toetspunten en per bouwblok de hoogste rekenresultaten Gelet op de resultaten van het akoestisch onderzoek is de akoestische situatie geschikt voor de functie wonen. Binnen het projectgebied worden geen nieuwe geluidbronnen mogelijk gemaakt. Vanwege de beperkte toename van verkeersbewegingen op de ontsluitende wegen is geen relevante geluidtoename bij bestaande omliggende woningen te verwachten.

5.9

Geluid door activiteiten

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat geluidgevoelige functies (zoals woningen) niet aan te veel geluidbelasting worden blootgesteld. In deze paragraaf komt geluid vanwege activiteiten aan bod. Bij een nieuwe ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het geluid van activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Dat geldt voor het toestaan van activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen, maar ook andersom ook voor het mogelijk maken van geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Van belang is dat enerzijds de geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is en blijft, anderzijds dat de gebruiksruimte van activiteiten in beginsel ongemoeid wordt gelaten. Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: • Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder). • Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie.

45/62

In Artikel 5.65 Bkl zijn voor geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten zoals windturbines of militaire activiteiten, standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw en in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze waarden zijn van toepassing op nieuwe geluidbelastende activiteiten, maar omgekeerd ook op het toevoegen van nieuwe geluidgevoelige objecten nabij een geluidbelastende activiteit. Toetsing Dit project voorziet in de realisatie van 22 nieuwe woningen (totaal 23 woningen minus voormalige bedrijfswoning). Woningen zijn geluidgevoelige objecten. Met dit project worden geen geluidbelastende activiteiten met gebruiksruimte mogelijk gemaakt. Wel wordt een solitair gelegen bedrijfslocatie met gebruiksruimte voor geluid wegbestemd. Daarbij komt de geluidgebruiksruimte volledig te vervallen, wat gunstig is voor het akoestisch klimaat van de woonbuurt waarbinnen het projectgebied is gelegen. In de omgeving van het projectgebied komt slechts één relevante activiteit voor met gebruiksruimte voor geluid. Het gaat om een horecagelegenheid aan de Schijndelseweg 2.

Planologisch is hier een horecabedrijf toegestaan dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden (zoals cafetaria/snackbar, fastfood en broodjeszaken, lunchroom, konditorei, ijssalon/ijswinkel koffie en/of theeschenkerij, afhaalcentrum, eetwinkels, restaurant). Feitelijk is een restaurant met café aanwezig. De horecagelegenheid moet voldoen aan de wettelijke waarden uit artikel 5.65 Bkl ten aanzien van omliggende geluidgevoelige gebouwen. Ter bescherming van het horecabedrijf en het akoestisch klimaat ter plaatse van (nieuwe) woningen mogen die waarden niet worden overschreden op de gevels van de nieuwe woningen die met dit project worden mogelijk gemaakt. De nieuwe woningen komen op ongeveer 30,5 meter van de grens van het horecaperceel en op 34 meter van het horecapand. In de bestaande situatie staan er echter al enkele woningen op een kortere afstand van het horecabedrijf dan de nieuwe woningen. Zo staat de woning Grote Doelenlaan 20 op ongeveer 2,5 meter van de grens van het horecaperceel en op 18 meter van het horecapand. De woning Schijndelseweg 6 staat op ongeveer 17 meter van de grens van het horecaperceel en op 30 meter van het horecapand. Daarmee zijn deze bestaande woningen reeds maatgevend.

De nieuwe woningen zorgen niet voor een beperking van de geluidgebruiksruimte van het horecabedrijf. Ervan uitgaande dat het horecabedrijf aan de wettelijke omgevingswaarden voor geluid voldoet ten aanzien van de bestaande omliggende woningen, en gelet op het feit dat de nieuwe woningen op een grotere afstand van het horecabedrijf komen dan de bestaande woningen, mag worden aangenomen dat ter plaatse van de nieuwe woningen een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Gelet op het voorgaande is er met dit project sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de projectlocatie gelet op het aspect geluid door activiteiten.

5.10

Geur

Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

46/62

Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle geldende bestemmingsplannen binnen een gemeente gezamenlijk het tijdelijke deel van het omgevingsplan geworden, totdat de gemeente één nieuw gebiedsdekkend omgevingsplan vaststelt. Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan hoort ook de geurverordening, mits de gemeente deze heeft vastgesteld. Tot slot behoort ook de zogenaamde bruidsschat tot het tijdelijke deel omgevingsplan. De bruidsschat bevat onder andere regels over geur door het houden van dieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken en geur door het bereiden van voedingsmiddelen. In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies).

Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl). Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Wel maakt het project woningen mogelijk, die volgens het Bkl geurgevoelig zijn. Hierna wordt dan ook getoetst of geur van activiteiten in de omgeving van invloed is op het woon- en klimaat ter plaatse van het projectgebied en of geurbelastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad. Geurbelasting agrarische bedrijven In de bruidsschat (regels die het Rijk als onderdeel van het Invoeringsbesluit Omgevingswet automatisch toevoegt aan elk gemeentelijk omgevingsplan) zijn bepalingen over geur van veehouderijen opgenomen die in ieder geval in acht moeten worden genomen, tenzij de gemeente over een geurverordening (eveneens deel van het omgevingsplan) beschikt. Gemeente Meierijstad beschikt niet over een geurverordening (thans omgevingsplan) ten behoeve van geur van veehouderijen.

Het projectgebied ligt ook op ruime afstand van een agrarisch bedrijf met of zonder vee. Hieronder volgen de kortste afstanden tot de meest relevante diersoorten: • Paardenhouderij: ongeveer 1 kilometer ten noorden van het projectgebied (Langesteeg 18, Sint-Oedenrode); • Melkveehouderij: ongeveer 760 meter ten noordoosten van het projectgebied (Kampweg 2, Sint-Oedenrode) (tevens dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf); • Varkenshouderij: ongeveer 870 meter ten oosten van het projectgebied (Postdijk 6, Sint-Oedenrode); • Pluimveehouderij: ongeveer 850 meter ten zuiden van het projectgebied (Postdijk 6, Sint-Oedenrode); • Geitenhouderij: op ruim 3 kilometer ten noordwesten van het projectgebied (Schootsedijk 47, Olland). In artikel 22.3.12 van de bruidsschat is bepaald dat tussen een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en een veehouderij met landbouwhuisdieren waarvoor bij wet geen geuremissiefactor geldt (zoals melkvee en paarden), een vaste afstand van 100 meter moet worden aangehouden. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Voor veehouderijen met landbouwhuisdieren waarvoor bij wet wel een geuremissiefactor is vastgesteld gelden volgens artikel 22.3.10 van de bruidsschat

47/62

geen vaste afstanden maar waarden (ouE/m³ als 98-percentiel). De geurbelasting van een dergelijke veehouderij op een geurgevoelig object binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij en binnen de bebouwde kom, mag maximaal 3 ouE/m³ bedragen. Gelet op de bovengenoemde afstanden tot veehouderijen met landbouwhuisdieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld (o.a. kippen, varkens, geiten en vleesrundvee) is geurhinder vanwege een individuele veehouderij niet te verwachten. De totale geurbelasting (achtergrondbelasting geur) van alle veehouderijen in de omgeving kan worden beoordeeld aan de hand van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het projectgebied is gelegen binnen het concentratiegebied en dat de achtergrondbelasting ter plaatse als ‘zeer goed’ (< 3 ouE/m³) mag worden beschouwd.

Uitsnede kaart Achtergrondbelasting geur (projectgebied blauw omcirkeld) (Bron: https://atlas.odzob.nl/) Naast geur afkomstig van landbouwdieren zelf (stallen) kan geur ook voortkomen uit andere agrarische activiteiten, zoals bij het telen van gewassen in de open lucht of in gebouwen, het opslaan van stoffen en onderhouden, repareren en schoonmaken van voer- en werktuigen, het exploiteren van een veehouderij (bijv. opslaan kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen), en het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantmateriaal. Voor deze activiteiten geldt volgens paragraaf 5.1.4.6.4. van het Bkl een vaste afstand van veelal 100 meter in geval het geurgevoelig object is gelegen binnen de bebouwingscontour geur (wat ongeveer overeenkomt met de bebouwde kom). Voor sommige activiteiten (bijvoorbeeld het niet afgedekt opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, of opslag van mest in een mestbassin tot 350 m²) is een afstand van 50 meter voldoende. Gelet op de afstand tot het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf wordt ruimschoots aan de vaste afstanden voor overige agrarische activiteiten uit het Bkl voldaan.

48/62

Geur van overige activiteiten Naast voorgenoemde specifieke gevallen kan geur ook veroorzaakt worden door bijvoorbeeld een horecagelegenheid of bedrijvigheid (bijvoorbeeld voedingsmiddelenindustrie of mengvoederindustrie). Hiervoor gelden in beginsel geen landelijke regels (Bkl), maar een gemeente is vrij om hier zelfs regels over op te nemen. Het bedrijventerrein De Kampen ligt op ongeveer 300 meter van het projectgebied en staat bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toe, waar volgens de regels van het bestemmingsplan (thans omgevingsplan) bedrijven zijn toegestaan met een richtafstand van maximaal 50 meter. Dat betekent dat zich hier geen bedrijven mogen vestigen met een forse geurbelasting, zoals de voedingsmiddelenindustrie of mengvoederindustrie. Deze bedrijven zijn dan ook niet op het bedrijventerrein aanwezig. Aan de Schijndelseweg 2 is een restaurant met café aanwezig. De algemene instructieregel voor geur in het omgevingsplan is dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar moet zijn. In de regels van de Bruidsschat zijn de volgende specifieke voorwaarden opgenomen voor horecabedrijven: ● Emissies naar de buitenlucht dienen (a) ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen bebouwing te worden afgevoerd; of (b) te worden geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

Als een gebouw (of een gedeelte van het gebouw) zich binnen 25 meter bevindt van de horecavestiging, moet gekeken worden naar het hoogste punt van het gebouw. De beoogde woningen bevinden zich op circa 30,5 meter en zijn hiermee op een grotere afstand dan 25 meter van het horecabedrijf gelegen. Conclusie Gelet op het voorgaande is het gelet op het aspect geur verantwoord om de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen.

5.11

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (paragraaf 5.1.2) Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar (ofwel 10-6). Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=2b8dbc67-0a17-45c9-a61c-7b4f6ad50e66