CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Bopa-motivering Grote Doelenlaan 14-16

Raadsvergadering 12 december 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Afgifte positief advies voor voornemen tot verlening omgevingsvergunning voor herontwikkeling locatie Grote Doelenlaan 14-16 te Sint-Oedenrode22.421 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

49/62

In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico / aandachtsgebieden Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied.

Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico’s wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen.

Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: • Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig? • Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? • In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan. Toetsing Met dit project wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel worden kwetsbare gebouwen (woonfunctie) mogelijk gemaakt. Daarom is het van belang om af te wegen of ten aanzien van die nieuwe woningen een voldoende veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico’s. Met behulp van de kaart ‘Veilige omgeving’ van Atlas Leefomgeving kan in beeld worden gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van het projectgebied bevinden. Daarbij wordt gekeken naar risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

50/62

Uitsnede kaart Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten van Atlas Leefomgeving (Bron: Ministerie IenW – Register externe veiligheid, 2023), met projectgebied blauw omcirkeld. Risicovolle inrichtingen Aan de Schijndelseweg 19 is een benzineservicestation met LPG aanwezig. Het projectgebied ligt niet binnen de PR 10-6contour van het vulpunt, opslagreservoir of afleverzuil. De ontwikkeling is niet in de brandaandachtsgebieden van het benzineservicestation gelegen. Vanwege de doorzet van LPG heeft het benzineservicestation een explosieaandachtsgebied van 150 meter. Het projectgebied bevindt zich niet binnen dat explosieaandachtsgebied. Buisleidingen Op ongeveer 1,3 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied loopt een buisleiding van Gasunie waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het projectgebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour of het brandaandachtsgebied van de buisleiding. De buisleiding is dan ook niet relevant voor de omgevingsveiligheid binnen het projectgebied. Transport gevaarlijke stoffen over land In de omgeving komen geen vaar- of spoorwegen voor. Wegen in de omgeving waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt zijn de rijksweg A50 en de provinciale weg N637. Voor beide wegen geldt dat het projectgebied niet is gelegen binnen het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied of gifwolkaandachtsgebied.

Conclusie Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt omgevingsveiligheid aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de projectlocatie toe te delen.

51/62

5.12

Cultureel erfgoed

Cultureel erfgoed omvat archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap en dergelijke. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Ow opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart.

Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. 5.12.1 Archeologie Gemeente Meierijstad heeft in het bestemmingsplan ‘Sint-Oedenrode Oost’ (tijdelijk deel omgevingsplan Meierijstad) een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ opgenomen. Aan die dubbelbestemming zijn regels gekoppeld die bepalen dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen een archeologisch onderzoeksrapport benodigd is bij bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m² en dieper dan 0,5 m. Naast het vastgestelde bestemmingsplan is het paraplubestemming ‘Archeologie’ in voorbereiding. Na vaststelling gaat deze eveneens deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Meierijstad. In het paraplubestemmingsplan is de locatie grotendeels (in ieder geval dat deel waar gebouwd zal worden) gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4’. Volgens de regels van het paraplubestemmingsplan moet archeologisch onderzoek worden verricht bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken groter dan 250 m² en een diepte van meer dan 30 cm ten opzichte van het maaiveld.

Toetsing Omdat de bouwactiviteiten meer dan 250 m² oppervlakte beslaan is voor dit project archeologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en als bijlage bij deze motivering gevoegd. Het archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden aan de hand van bureauonderzoek gevolgd door verkennend booronderzoek. Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het projectgebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van een dekzandvlakte de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor van 50 tot 70 centimeter. Hieronder zit tot 0,75 tot 1,00 m -mv een omgewerkte laag. Onder deze laag zit meteen de C-horizont van dekzandafzettingen. Uit het veldonderzoek kan dan ook worden geconcludeerd dat de bodem in het projectgebied is verstoord. Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek en veldonderzoek kan de archeologische verwachting naar beneden worden bijgesteld en wordt door het verantwoordelijke adviesbureau geadviseerd het projectgebied vrij te geven. Aanvullend (proefsleuven)onderzoek of archeologische begeleiding wordt niet nodig geacht.

52/62

Gemeente Meierijstad heeft het advies overgenomen om ten behoeve van de realisatie van de nieuwbouw geen nader archeologisch onderzoek meer te verlangen en het terrein, ten aanzien van archeologie, vrij te geven voor nadere ontwikkeling. Gelet op het voorgaande is het vanuit het thema archeologie aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de projectlocatie toe te delen. 5.12.2 Cultuurhistorie en monumenten Binnen het projectgebied komen geen gronden of objecten voor die zijn aangewezen als Rijksmonument of gemeentelijke monument. Ook ligt het projectgebied niet binnen een volgens de provinciale TAM-omgevingsverordening aangewezen cultuurhistorisch waardevol gebied. Ten slotte ligt het gebied niet binnen een als zodanig in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan aangewezen beschermd stad- op dorpsgezicht. Toetsing

Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant, met het projectgebied paars omlijnd. Uit bovenstaande uitsnede van de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat binnen het projectgebied geen cultuurhistorisch waardevolle objecten voorkomen. Het enige relevante cultuurhistorische waardevolle object in de omgeving van het projectgebied is de straat Grote Doelenlaan. Dit is een historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. Met dit cultuurhistorische element wordt rekening gehouden door de woningen aan de Grote Doelenlaan op deze straat te oriënteren. De nieuwe bouwmassa’s van die woningen komen, in navolging van de bestaande bebouwing in deze straat, evenwijdig aan de Grote Doelenlaan en ook de nok loopt hoofdzakelijk evenwijdig met de Grote Doelenlaan. Verder zijn in de omgeving de volgende monumenten en cultuurhistorische waardevolle gebouwen aanwezig: • Schijndelseweg 2 (café/restaurant) = beeldbepalend pand • Schijndelseweg 6 (woning) = gemeentelijk monument • Schijndelseweg 13 (woning) = gemeentelijk monument Gezien de goot- en bouwhoogte van de nieuwe woningen en de positionering ervan doet het project geen afbreuk aan deze cultuurhistorische waardevolle gebouwen en monumenten.

53/62

Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect cultuurhistorie en vormt dit aspect geen belemmering voor de ontwikkeling. Vanuit het oogpunt cultuurhistorie is het aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de projectlocatie toe te delen.

5.13

Bodem

Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Toetsing Met dit project worden woningen mogelijk gemaakt op een bedrijfsperceel dat voorheen in gebruik was door een busbedrijf. Om aan te tonen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en als bijlage bij deze motivering opgenomen. Hierna volgen de belangrijkste bevindingen en conclusies. Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende deellocaties onderscheiden: • deellocatie A1: gehele onderzoekslocatie: • deellocatie A2: puinhoudende grond ten oosten van de bebouwing; • deellocatie B: olie-waterafscheider; • deellocatie C: opstal met asbestverdachte dakbedekking zonder dakgoot.

Deellocatie A1: gehele onderzoekslocatie Uit de analyseresultaten blijkt dat in de een lichte verontreiniging met kwik is aangetoond. In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium aangetoond. De aangetroffen gehalten in de grond en in het grondwater zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht.

54/62

Deellocatie A2: puinhoudende grond oostzijde bebouwing In de sterk puinhoudende bovengrond is een lichte verontreiniging met minerale olie aangetoond. In dezelfde bodemlaag is een maximaal gewogen asbestgehalte van 38 mg/kg d.s. aangetoond. Het aangetoonde asbest betreft hechtgebonden chrysotiel. Omdat er sprake is van een verkennend bodemonderzoek betreft het een indicatief gehalte. Omdat het aangetoonde gehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde, mag worden aangenomen dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Deellocatie B: olie-waterafscheider Zintuiglijk en met de PID-meter zijn in het opgeboorde materiaal geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging. Analytisch zijn in de grond en in het grondwater geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters aangetroffen. Omdat zintuiglijk en analytisch geen verontreinigingen zijn aangetoond in de grond en in het grondwater, wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Deellocatie C: opstal met asbestverdachte dakbedekking zonder dakgoot In de grond is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Derhalve mag worden geconcludeerd dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Daarnaast is geen verontreiniging met PCB aangetoond. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

Conclusie De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het beoogde gebruik van de locatie. Vanuit het thema bodem is het dan ook aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de projectlocatie toe te delen. Advies Omgevingsdienst Brabant-Noord (ODBN) Op de locatie is niet-toepasbare puinhoudende grond aangetroffen ten oosten van het huidige bedrijfspand (tot 0,2 m mv). ODBN heeft te kennen gegeven dat bij graafwerkzaamheden deze grond niet zonder meer kan worden toegepast en van de locatie afgevoerd zal moeten worden. In de bodemlaag is een lichte verontreiniging met minerale olie en een asbestgehalte van 38 mg/kg ds aangetoond. Om deze reden wordt geadviseerd deze grond te verwijderen. Daarnaast merkt ODBN op dat er geen inpandige boringen geplaatst. Na sloop dient daarom de bodemkwaliteit ter plaatse van het huidige bedrijfspand nog aanvullend onderzocht te worden. Bij dit aanvullende onderzoek hoeft enkel de bovengrond onderzocht te worden. Indien sprake is van asbestverdachte bijmengingen dan is tevens asbest-in-grond onderzoek noodzakelijk.

5.14

Water

Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een bopa wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit volgt uit paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en geldt in het algemeen voor alle waterbelangen, zoals: • watercompensatie in verband met toenemende verharding; • waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning; • bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; • waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater.

55/62

Voor een aantal specifieke rijksbelangen (bescherming primaire waterkeringen, behoud waterveiligheid kust en grote rivieren, IJsselmeergebied) stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Daarnaast moet rekening worden gehouden met watergerelateerde instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening. Verder moet worden getoetst aan de waterschapsverordening. Deze bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Ten slotte wordt het project ook getoetst aan het relevante gemeentelijke beleid met betrekking tot water. Toetsing Voor dit project is een watertoets opgesteld. Deze is als bijlage bij deze motivering gevoegd. In de watertoets is het een korte omschrijving van het waterrelevante beleid, de waterhuishoudkundige situatie en toekomstige ontwikkeling beschreven. Ook zijn randvoorwaarden en uitgangspunten voor de planuitwerking meegegeven. Hemelwater Uit de watertoets volgt dat het verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie zal toenemen met ongeveer 1.175 m². Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt ongeveer 3.440 m². Conform het beleid van de gemeente Meierijstad en waterschap De Dommel is ten aanzien van de ontwikkeling en het toekomstig verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van ongeveer 71 m³ (1.175 m² x 60 mm).

In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en binnen de planlocatie verwerkt. Daarvoor is in het oostelijke deel van het projectgebied een wadi voorzien. Wanneer een wadi wordt aangelegd met een oppervlakte van ongeveer 250 m², een diepte van 0,5 meter en een talud van 1 op 3 kan, uitgaande van een volledige vulling, ongeveer 80 m³ water worden geborgen. In de rapportage watertoets zijn specificatie is de beoogde wadi verder gedimensioneerd, waarbij ook suggesties zijn gedaan voor uitbreiding van bergingsvoorziening, afvoer en calamiteiten. Op die manier kan wateroverlast als gevolg van dit project op naastgelegen percelen worden voorkomen. De aanleg van voorzieningen om voldoende hemelwater binnen het projectgebied te bergen, wordt als voorwaarde aan de vergunning gekoppeld. In het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouwtechnische activiteiten zal dit nader worden uitgewerkt. Afvalwater Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van de navolgende uitgangspunten: • Gemiddelde woningbezetting: 2,7 inwoners; • Gemiddeld waterverbruik: 150 l/inw./dag; • Piekbelasting: 15 l/inw./uur.

In de huidige situatie zijn de voormalige bedrijfswoning en mantelzorgwoning reeds aanwezig en op het bestaande riool aangesloten. Het bouwplan voegt 21 woningen toe die nieuw op het vuilwaterriool worden aangesloten. Uitgaande van bovenstaande uitgangspunten komt dit neer op een gemiddeld waterverbruik van ongeveer (2,7 x 21 x 150=) 8,51 m³ per dag en een piekbelasting van 0,85 m³ per uur. Het bestaande riool heeft voldoende capaciteit om dit extra vuilwater te verwerken.

56/62

Klimaateffect In paragraaf 4.6 van bijgevoegde watertoets is ingegaan op het klimaateffect. Met behulp van de kaarten uit de Stresstest: As50+ is inzicht verkregen in de kwetsbaarheid van de omgeving ten gevolge van extreme regenval. Op basis van het resultaat van de stresstest As50+ kan bij een extreme bui van 70 millimeter in 1 uur vanuit het aanwezige oppervlaktewater water op straat blijven staan waardoor tijdelijk wateroverlast kan optreden. Met name de lagergelegen delen van het projectgebied aan de oostzijde kan water op maaiveld blijven staan. Behalve water op maaiveld is het mogelijk dat in een dergelijke situatie De Grote Doelenlaan, ter hoogte van de projectlocatie, niet meer begaanbaar is. De overige straten en wegen zijn dan nog alleen bereikbaar voor calamiteiten verkeer. Er is een risico aanwezig dat meer dan 25 cm water tegen de gevels kan staan van de woningen gelegen aan de Grote Doelenlaan 1a tot 12b. Het is vooralsnog niet bekend of er binnen de projectlocatie en omgeving in het verleden een wateroverlastsituatie van dergelijke omvang heeft plaatsgevonden. Bij het ontwerp wordt rekening gehouden met de wateroverlastsituaties door niet te bouwen binnen de delen van het projectgebied waar het risico op overlast het grootst is. Daarnaast wordt hemelwater niet meer langer via het riool afgevoerd maar verwerkt volgens de trits vasthouden-bergen-afvoeren.

Hierdoor neemt de belasting op het riool en oppervlaktewater af. Als gevolg van de ontwikkeling zal de lokale situatie juist verbeteren.

5.15

Duurzaamheid

Vanuit de doelen van de Ow is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een bopa rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen, zoals de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid. Met het oog op die doelen moet het project aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst. Toetsing In artikel 22.52 Bruidsschat zijn regels op het gebied van energiebesparende maatregelen opgenomen. De nieuwe woningen zullen dan ook voldoen aan de hedendaagse duurzaamheidseisen en worden voorzien van zonnepanelen. De parkeerplaatsen worden halfverhard uitgevoerd en naast de benodigde verharding wordt de publieke ruimte zoveel mogelijk groen ingericht. De groenzone aan de oostzijde van het projectgebied wordt groen ingericht, teneinde de biodiversiteit te stimuleren en waterberging. Ten slotte wordt, naast de beeldbepalende baksteen in het straatbeeld, voor het gevelmateriaal van de achterliggende woonblokken hout toegepast, ter stimulering van natuurlijke materialen.

5.16

Gezondheid

Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Gezondheidsbescherming Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Op deze plaats volstaat kort de conclusie dat er gelet op de gestelde normen voor geen enkel omgevingsaspect (bijv. bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, geurhinder) belemmeringen zijn voor woningbouw op de projectlocatie.

57/62

Aanvullend is het goed om kort in te gaan op de volgende gezondheidsrisico’s: • Geitenhouderijen; • Endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen; • Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen. Geitenhouderijen Op basis van verschillende onderzoeken (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO)) is aangetoond dat er verhoogde gezondheidsrisico's (verhoogde kans op longontsteking) zijn wanneer in de nabijheid (1,5 tot 2 kilometer) van een geitenhouderij wordt gewoond. Dit moet in overweging worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De dichtstbijzijnde geitenhouderij ligt op ruim 3 kilometer ten noordwesten van het projectgebied (Schootsedijk 47, Olland). Het projectgebied ligt dan ook niet binnen het invloedsgebied van een geitenhouderij. Zodoende vormt dit aspect dan ook geen belemmering voor het project of andersom. Endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen Op basis van de notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxinen toetsingskader 1.0 van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) kan worden beoordeeld of er sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Dit is met name het geval bij omschakeling naar, nieuwvestiging of uitbreiding van dergelijke bedrijven.

Voor de omgekeerde werking (realisatie van een kwetsbaar object zoals een woning in de omgeving van een dergelijke veehouderij) kan gebruik worden gemaakt van de afstandsbepaling uit het toetsingskader. Op basis daarvan kan worden bepaald of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot endotoxinen. ODZOB adviseert om bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een veehouderij is gelegen, de genoemde afstandsbepaling toe te passen. Als uit blijkt dat niet voldaan kan worden aan de afstand dan, adviseert ODZOB negatief te besluiten op de ontwikkeling. Het project is niet gelegen binnen 250 meter van een veehouderij met welke diersoort dan ook. De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich immers op ongeveer 760 meter ten noordoosten van het projectgebied (melkveehouderij, Kampweg 2, Sint-Oedenrode). Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Als gevolg van die afweging kan het nodig zijn om een spuitvrije zone aan te houden tussen gevoelige functies zoals woningen en percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.

In de directe omgeving van het projectgebied liggen geen gronden waar (mogelijk) sprake is van een spuitzone. Spuitzones vormen dan ook geen belemmering voor dit project. Gezondheidsbevordering Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Het project voorziet in nieuwe woningen, waaronder voor starters en senioren, op relatief korte afstand van de voorzieningen zoals de supermarkt (750 meter) en het centrum van Sint-Oedenrode (1 km, met sportvoorzieningen, gezondheidscentrum, horeca, detailhandel en supermarkt) bereikbaar. De ligging kort bij deze voorzieningen nodigt uit om met de fiets (of te voet) van deze voorzieningen gebruik te maken en zodoende te bewegen. Door in het projectgebied in het noordoosten een langzaamverkeersverbinding te maken wordt het projectgebied doorwaadbaar. Het is mogelijk door het gebied te verplaatsen op weg naar voorzieningen, bij het maken van een ommetje of

58/62

het uitlaten van de hond. Hierdoor is het projectgebied geen solitair gebied, maar wordt het onderdeel van de woonomgeving. De langzaamverkeersverbinding nodigt uit om te bewegen en te ontmoeten. Ten slotte is in het plan een groenzone opgenomen en wordt ook aan de Grote Doelenlaan groen toegevoegd. Groen draagt bij aan de (mentale) gezondheid, onder andere omdat het hittestress vermindert en uitnodigt te bewegen. Conclusie Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid en vormt dit aspect geen belemmering voor de ontwikkeling. Vanuit het oogpunt gezondheid is het aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de projectlocatie toe te delen.

5.17 Kabels en leidingen Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; • defensiebrandstoffen; • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke ‘mechanische grondroering’ bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Toetsing In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingenstraalpaden of telecomverbindingen aanwezig. De dichtstbijzijnde hoogspanningsverbinding (150Kv-verbiding) loopt op ongeveer 3,5 kilometer ten oosten van het projectgebied.

Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals plaatselijke rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het projectgebied hoeft geen rekening te worden gehouden.

59/62

6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het project. Vanuit de Omgevingswet gelden de volgende vereisten: 1. de ruimtelijke ontwikkeling mag niet evident financieel onuitvoerbaar zijn, en; 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, moet het kostenverhaal verzekerd zijn.

6.1 Financiële uitvoerbaarheid De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op het saneren van een solitair gelegen bedrijfslocatie binnen bestaand stedelijk gebied om plaats te maken voor een woningbouwontwikkeling met in totaal 23 woningen (per saldo 22 woningen toevoegen). Toetsing De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.

6.2 Kostenverhaal Indien de bopa nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. Kostenverhaalplichtige activiteiten zijn opgenomen in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie behoort tot de kostenverhaalplichtige activiteiten. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd. Op grond van artikel 8.14 kan het bevoegd gezag beslissen van het kostenverhaal af te zien. Dit kan in drie gevallen, namelijk als het totaal van de verschuldigde kosten minder dan € 10.000,- bedraagt, er geen verhaalbare kosten bouwrijp maken zijn (als bedoeld in de onderdelen A5 tot en met A9 van bijlage IV) of de verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen. Toetsing Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling van de voorgenomen ontwikkeling verzekerd is. Het toevoegen van kostenverhaalvoorschriften in de vergunning is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.

60/62

7. EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht hoofdstukken 3, 4 en 5. Getoetst is aan het geldende beleid op diverse overheidsniveaus. Hieruit is gebleken dat het project past binnen de relevante beleidskaders en dat wordt voldaan aan instructieregels. Er heeft voor diverse omgevingsaspecten een afweging plaatsgevonden, waarbij steeds de conclusie kan worden getrokken dat het voorgenomen project niet leidt tot onacceptabele effecten op de fysieke leefomgeving. In het participatietraject zijn twee verkavelingsschetsen aan omwonenden voorgelegd.

Omwonenden hebben hun mening gegeven over de schetsen en op basis daarvan is één schets verder uitwerkt. De reacties van omwonenden hebben daarin zo veel mogelijk een plek gekregen. Vervolgens is het voorkeursalternatief verder uitgewerkt in voorliggende aanvraag om omgevingsvergunning voor een bopa. Gelet op het voorgaande is het acceptabel een nieuwe woonbuurt te realiseren op de projectlocatie. De vergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit, omvattende afwijkend gebruik van het omgevingsplan, de bouw van de nieuwe woningen en de aanleg van de civiele werken kan worden verleend. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar. Vergunningverlening kan plaatsvinden onder de voorwaarde dat: • Het bouwplan wordt uitgevoerd binnen de kaders van het beeldkwaliteitsplan; • Voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd en nadien als zodanig in stand worden gehouden; • Voldoende hemelwaterbergingsvoorzieningen worden aangelegd en nadien als zodanig in stand worden gehouden; • Nader ecologisch soortenonderzoek dient plaats te vinden voorafgaand aan de sloop van gebouwen. Deze voorwaarden worden als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden.

61/62

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10

62/62

Verslag omgevingsdialoog; Beeldkwaliteitsplan; Aanmeldnotitie mer (Rho Adviseurs) ; Kruispuntberekening (Rho Adviseurs); Quickscan flora en fauna (Econsultancy); Stikstofdepositieberekening (Rho Adviseurs); Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (Econsultancy); Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek (Econsultancy); Verkennend bodem- en asbestonderzoek (Tritium Advies); Watertoets (Econsultancy).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=2b8dbc67-0a17-45c9-a61c-7b4f6ad50e66