Bijlage 1 Bestemmingsplan - toelichting, regels en verbeelding
Tekst van het document
Verkeer en parkeren
4.3.1 Normstelling en beleid Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op de parkeervraag en het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de parkeervraag en de verkeersgeneratie. De gemeente Meierijstad heeft haar parkeerbeleid geregeld middels het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Er dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. Voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, te worden gevolgd. Uitgangspunt voor het plangebied is een ligging in het buitengebied. De stedelijkheidsgraad van Schijndel conform CBS 2020 is 'matig stedelijk'. In deze paragraaf wordt de bovenkant van de bandbreedte aangehouden. 4.3.2 Toetsing Ontsluiting De locatie wordt ontsloten via Hermalen en de Boxtelseweg, een provinciale weg tussen de kernen Schijndel en Boxtel.
De ontsluiting van het perceel wordt aangepast. Deze is inzichtelijk gemaakt in figuur 2.12. Personeel betreedt het perceel via de inrit aan de rechterzijde van het pand en verlaat het perceel aan de linkerzijde van het pand. Voor klanten kan de inrit aan de rechterzijde van het pand zowel als in- en uitrit worden gebruikt. Aan de linkerzijde van het pand is het rijbaanprofiel aangepast van twee naar één rijstrook. Parkeren De parkeerbehoefte van het plangebied in de huidige situatie bedraagt conform de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 afgerond 88 parkeerplaatsen. Hierbij is conform het geldend bestemmingsplan 'Landelijk gebied' uitgegaan van bebouwde oppervlakte van maximaal 3.395 m 2, een ligging in het buitengebied en aangesloten bij de categorie 'Bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief' (industrie, laboratorium, werkplaats). Voor dergelijke categorieën geldt een parkeernorm van 2,5 per 100 m 2 bvo. Daarnaast is rekening gehouden met de norm van de bedrijfswoning (2,4 per woning). De parkeerbehoefte wordt in de huidige situatie zoals weergegeven in figuur 2.1 volledig op eigen terrein opgevangen.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
42
Conform tabel 4.1 bedraagt de parkeerbehoefte van de toekomstige situatie in het plangebied 71,584 parkeerplaatsen. Afgerond komt dit uit op een parkeerbehoefte van 72. Op het terrein zijn de benodigde parkeerplaatsen al aanwezig en worden behouden (paragraaf 2.2). In het westen van het plangebied worden een aantal parkeerplaatsen verwijderd. Hiervoor komt groen in de plaats. Tabel 4.1 nieuw functies
Parkeerbehoefte
bedrijfswoning
aantal /m2 bvo 1
Kantoor BG verdieping
1787
Kantoor 1e verdieping
1221
functie
p-norm
koop/huur 2,4 vrijstaand kantoor zonder 2,3 balie kantoor zonder 2,3 balie
per woning
2,4
per 100m2 bvo per 100m2 bvo
41,101 28,083 71,584
Verkeersgeneratie Ter bepaling van de hoeveelheid verkeer worden kencijfers van het CROW (publicatie 381, 2018) gebruikt. De omvang van de verkeersgeneratie wordt onder andere bepaald door de locatie van het plangebied. In deze situatie ligt het plangebied in het buitengebied van een matig stedelijke gemeente (volgens de adressendichtheid van het CBS). De verkeersgeneratie voor de bestaande situatie bedraagt inclusief vrachtverkeer en een bezoekersaandeel van 5% afgerond maximaal 369 mvt/etmaal. Hierbij is aangesloten bij de categorie 'Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief'. Ook de verkeersgeneratie van de bestaande bedrijfswoning is hierbij opgeteld. De verkeersgeneratie voor de beoogde situatie aan Hermalen 7 is weergegeven in tabel 4.2. Tabel 4.2 Verkeersgeneratie functies aantal /m2 bvo functie kencijfer CROW 381 bedrijfswoning 1 koop huis vrijstaand 8,6 per woning 8,6 Kantoor BG verdieping 1787 kantoor zonder balie 9,6 per 100m2 171,552 bvo Kantoor 1e verdieping 1221 kantoor zonder balie 9,6 per 100m2 117,216 bvo 288,768 De verkeersgeneratie voor de beoogde situatie bedraagt 288,768 (afgerond 289) mvt/etmaal. Gesteld kan worden dat de nieuwe ontwikkeling en de daarbij horende verkeersgeneratie zonder problemen op de bestaande wegen kan worden afgewikkeld aangezien het aantal motorvoertuigen per etmaal met circa 80 afneemt.
Bovendien ontstaan er door de verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten naar de locatie aan de Vlagheide minder vrachtverkeersbewegingen op Hermalen. Daarbij gaat het om de verkeersbewegingen van circa 10 zware en 5 lichte vrachtwagens per dag.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
43
4.3.3 Conclusie Kijkend naar de huidige inrichting van de omliggende verkeersstructuur waarop het plangebied wordt ontsloten en de verwachte verkeersintensiteiten van het plan, kan gesteld worden dat de verkeersgeneratie van het plan zonder problemen kan worden afgewikkeld. Verder worden er ruim voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd die qua parkeernormering voldoen aan het parkeernormenbeleid van de gemeente. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
4.4.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Onderscheid wordt gemaakt in afstandstappen van 0, 10, 30, 50, 100, 200, etc. meter. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen.
Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. 4.4.2 Toetsing en conclusie Het plangebied is gelegen binnen lintbebouwing in het buitengebied waarmee de omgeving getypeerd kan worden als 'rustig buitengebied'. In de beoogde situatie wordt de bestemming 'Bedrijf - Agrarisch verwant' met bijbehorende aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch verwant 2' omgezet naar een kantoor- en een groenbestemming. De bestaande bedrijfsvorm aan Hermalen 7 wordt getypeerd als loonwerkbedrijf met een bebouwde oppervlakte van 3.395 m 2. Conform de VNG-brochure geldt hiervoor een richtafstand van 50 meter. Het maatgevende aspect is geluid. Voor de beoogde kantoorbestemming dient in de beoogde situatie rekening te worden gehouden met een richtafstand van 10 meter ten opzichte van omliggende gevoelige bestemmingen. Hieraan wordt ten opzichte van alle omliggende woningen aan voldaan. De bedrijfswoning is geen gevoelig object ten opzichte van de eigen inrichting. De woning hoeft derhalve niet getoetst te worden aan de wettelijke milieunormen en de richtafstanden uit de VNG-brochure ten opzichte van de eigen inrichting.
Als gevolg van de beëindiging van het loon- en grondverzetbedrijf en het toekomstige gebruik als kantoor- en groenfunctie neemt de milieubelasting richting de omgeving af. Per saldo levert deze ontwikkeling dan ook een positieve bijdrage aan het woon- en leefklimaat in het gebied.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
44
Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van omliggende woningen sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de voorgenomen ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Er wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie.
4.5
Archeologie en cultuurhistorie
4.5.1 Archeologie Normstelling en beleid De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Toetsing Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het bijbehorende onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 3. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. De gemeentelijke archeologische verwachting- en waardenkaart en de archeologische beleidskaart zijn in 2013 door ing. J de Vries en drs. R. Berkvens van SRE Milieudienst opgesteld voor de gemeente Schijndel (figuur 4.1). Gemeente Meierijstad maakt gebruik van deze kaarten voor de beleidsvoering. De beleidskaart hanteert dezelfde elementen en categorieën als de verwachting- en waardenkaart. Hierop zijn elementen als archeologische monumenten en esdekken toegevoegd. Het onderzoeksgebied valt grotendeels binnen een gebied met een hoge verwachting verbonden aan historische kernen en linten. Aan de noordoost zijde valt het onderzoeksgebied enkel binnen een gebied met een hoge verwachting.
Het kantoorgebouw met werkloods in de zuidoostelijke helft van het onderzoeksgebied is een gebied zonder archeologische verwachting veroorzaakt door verstoring. Opmerkelijk is dat de categorie 3 zones (paarse zones) zich voornamelijk aan de noordzijde van Hermalen bevinden.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
45
Figuur 4.1 Archeologische verwachting- en waardenkaart gecombineerd met de beleidskaart gemeente Schijndel (Bron: Gemeente Meierijstad) Het bureauonderzoek heeft duidelijk gemaakt dat er een kans is op archeologische waarden binnen bepaalde delen van het onderzoeksgebied. Hierbij geldt een hoge verwachting voor resten uit het LaatPaleolithicum t/m het Neolithicum en een middelhoge verwachting voor resten uit de Bronstijd t/m de Nieuwe tijd. Het potentieel waardevolle archeologische niveau bevindt zich vanaf een diepte van 40 tot 70 cm onder maaiveld. Op de archeologische beleidskaart staat aangegeven dat de loods met kantoor delen van een verstoord gebied is. Als aanvulling daarop zijn de locaties van de voorgaande schuren en loodsen én de huidige loods/overkapping met wasplaats ook als verstoord gebied aangegeven. Dit op basis van bouwtekeningen die werkzaamheden van 80 tot 120 centimeter onder maaiveld aantonen. Werkzaamheden tot deze dieptes zullen een archeologisch sporen en vondstniveau sterk hebben verstoord. Sporen van grotere diepte, zoals waterkuilen, kunnen hier wel nog ten dele bewaard zijn gebleven. Het onderzoeksgebied is grotendeels bestraat, dit is gebeurd met subsidie van de erfverharding, rond 1980. Aan deze subsidie zaten bepaalde eisen. Men moest de bouwvoor verwijderen en aanvullen met schoon zand alvorens de bestrating aan te leggen.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
46
Het advies is om geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren voor de huidige voorgenomen ontwikkelingen binnen het onderzoeksgebied. Wanneer binnen het onderzoeksgebied andere ontwikkelingen voornemens zijn, die het bodemarchief schaden, wordt geadviseerd alsnog een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een inventariserend veldonderzoek – verkennend boren. De gemeente Meierijstad is - als bevoegde overheid - gevraagd het onderzoek te beoordelen en een selectieadvies op te stellen. Het rapport is daartoe voorgelegd aan de afdeling SO/Erfgoed van de gemeente 's-Hertogenbosch. De beoordeling heeft geleid tot een positief selectiebesluit (bijlage 4). Archeologisch vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4' blijven gehandhaafd. 4.5.2 Cultuurhistorie Toetsingskader In artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat rekening moet worden gehouden met het aspect cultuurhistorie. In het bestemmingsplan moet zijn beschreven hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. Hiervoor is nader onderzoek noodzakelijk naar de archeologische, historisch stedenbouwkundige en historisch-geografische waarden in een gebied.
De provincie Noord-Brabant ziet cultuurhistorie als een belangrijk element van de identiteit van Noord-Brabant. De provincie neemt als uitgangspunt ‘Behoud door ontwikkeling’. Het plangebied ligt in de cultuurhistorische regio ‘De Meierij’. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen. Conform de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ligt het plangebied in cultuurhistorisch waardevol gebied. Naast het provinciale beleid heeft de voormalige gemeente Schijndel in 2015 de cultuurhistorische waarden in het buitengebied van de gemeente in kaart gebracht en op 26 juni 2015 de ontwerpbeleidsnota ‘Tussen Aa-dal en Rooise Heide’ vastgesteld.
In dit kader is een cultuurhistorische inventarisatie en bijbehorende waarderingskaart opgesteld. In het ontwerpbestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Herijking’ is de bescherming van deze cultuurhistorische waarden middels de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ gewaarborgd. Toetsing Met onderhavig planvoornemen vinden enkel ingrepen aan de bestaande bedrijfsbebouwing, welke niet bestempeld is als cultuurhistorisch waardevol. Daarmee heeft het plan geen invloed op de cultuurhistorische waarden van de regio en de Hermalen. Daarnaast vindt een verbetering plaats van de architectuur en de landschappelijke inpassing van de bebouwing. Dit draagt bij aan een positievere beleving van het landschap. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen het aspect cultuurhistorie.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
47
4.6
Geluid
4.6.1 Normstelling en beleid (algemeen) De Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit vormen het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen, windturbines en bedrijven. In de Wet geluidhinder zijn normen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai (industrieterreinen) opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor individuele inrichtingen en windturbines opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente nog beleid ten aanzien van evenementen. 4.6.2 Wegverkeerslawaai Normstelling en beleid Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.
Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB.
Toetsing In het plangebied worden met onderhavig planvoornemen geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt waardoor een onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. De Wet geluidhinder legt geen restricties aan onderhavig planvoornemen. 4.6.3 Industrielawaai Het plangebied ligt buiten de richtafstanden van bedrijven in de omgeving en er ligt geen gezoneerd industrieterrein of windturbine in de buurt. De geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit zullen niet worden overschreden.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
48
Eerder is in paragraaf 4.4 beschreven dat het plangebied gelegen is binnen lintbebouwing. Hierdoor kan de omgeving getypeerd worden als 'rustig buitengebied'. Voor de beoogde kantoorbestemming dient in de beoogde situatie rekening te worden gehouden met een richtafstand van 10 meter ten opzichte van omliggende gevoelige bestemmingen. Hieraan wordt ten opzichte van alle omliggende woningen aan voldaan. De bedrijfswoning is geen gevoelig object ten opzichte van de eigen inrichting. De woning hoeft derhalve niet getoetst te worden aan de wettelijke milieunormen en de richtafstanden uit de VNG-brochure ten opzichte van de eigen inrichting. Als gevolg van de beëindiging van het loon- en grondverzetbedrijf en het toekomstige gebruik als kantoor- en groenfunctie neemt de milieubelasting richting de omgeving af. Per saldo levert deze ontwikkeling dan ook een positieve bijdrage aan het woon- en leefklimaat in het gebied. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van omliggende woningen sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de voorgenomen ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Er wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie. 4.6.4 Railverkeerslawaai Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van een spoorweg. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1 Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
49
Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden.
Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. 4.7.2 Toetsing Voor het plangebied aan Hermalen 7 geldt dat in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen met externe werking op het plangebied. Daarnaast vindt er geen vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, de weg, het water of door buisleidingen plaats. 4.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij een ruimtelijke ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
50
Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ (NO2) fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³ Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. 4.8.2 Toetsing en conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt inzicht gegeven in de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Met behulp van de Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) kan inzicht worden gegeven in de luchtkwaliteit langs maatgevende wegen. Op basis van de in figuur 4.2 opgenomen Kaart NSL kan het volgende worden geconstateerd:
In 2020 wordt langs de Boxtelseweg (als maatgevende ontsluitende wegen in de omgeving van het plangebied) ruimschoots voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2: de concentratie langs de wegen bedraagt minder dan 35 µg/m³; Ook wordt in 2020 reeds ruimschoots voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 (de concentratie langs de weg bedraagt minder dan 35 µg/m³). Ook bedraagt het aantal overschrijdingsdagen van de grenswaarde voor het 24 uursgemiddelde voor fijn stof (ruimschoots) minder dan 35. Eveneens wordt in 2020 ruimschoots voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 (de concentratie bedraagt minder dan 20 µg/m³).
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
51
Figuur 4.2
Kaart NSL (Bron: Rijksoverheid)
Naast deze constateringen zal in de beoogde situatie het aandeel (zwaar) vrachtverkeer op deze locatie aan Hermalen 7 nadrukkelijk afnemen. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan de luchtkwaliteitswetgeving en dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
4.9
Kabels en leidingen
4.9.1 Normstelling en beleid Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.9.2 Toetsing en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.10
Bodem
4.10.1 Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
52
Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.10.2 Toetsing Naar aanleiding van de voormalige activiteiten en beëindiging van potentieel bodembedreigende activiteiten is door Milon B.V. een bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied aan Hermalen 7 te Schijndel. Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de Nederlandse Normen NEN 5725 en NEN 5740 en het asbestonderzoek ter plaatse van de afwateringszone van de loods volgens NEN 5707. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 5. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. Het doel van het eindsituatie bodemonderzoek is het vastleggen van de actueel milieuhygiënische bodemkwaliteit gericht op de voormalige activiteiten en gericht op de stoffen di kunnen worden verwacht. Met het onderzoek dient te worden beoordeeld of de uitgevoerde activiteiten de bodemkwaliteit negatief hebben beïnvloed. Vooronderzoek De omgeving van de huidige onderzoekslocatie was altijd extensief bebouwd en voornamelijk in gebruik voor agrarische doeleinden.
De onderzoekslocatie is sinds de jaren 50 bebouwd en sinds de jaren 80 in industrieel gebruik. De milieuhygiënische bodemkwaliteit van de bodem dient bepaald te worden ter plaatse van de potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten welke worden beëindigd, te weten: Werkplaats met smeerput Wasplaats met slibvang en olie- en vetafscheider Voormalig pompeiland met vulpunten en olie- en vetafscheider Voormalige ondergrondse dieselolietanks incl. leidingwerk Mobiele dieseltank Olieopslag Overig terrein plangebied Tijdens de locatie-inspectie is geconstateerd dat de westelijke schuur is voorzien van een dak met asbesthoudende dakbedekking en dat het hemelwater vanaf het dak via regenpijpen op het terrein terecht komt. Resultaten bodemonderzoek Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de grond bodemvreemde bijmengingen waargenomen en ter plaatse van deellocatie 2 olie-waterreacties. In tabel 4.4 is een overzicht van de toetsing van de analyseresultaten weergegeven waarbij uitsluitend de verhoogde parameters zijn weergeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
53
Tabel 4.4
Onderzoeksresultaten grond en grondwater (Bron: Milon B.V.)
In verband met de verontreiniging ter plaatse van deellocatie 2 is onderzoek naar PFAS gedaan. Op basis hiervan wordt de verontreinigde grond ingedeeld in klasse landbouw/natuur. Conclusies en aanbevelingen Het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit en de eindsituatie is afdoende vastgesteld voor de beëindiging van bodembedreigende activiteiten. Wat betreft de milieuhygiënische bodemkwaliteit bestaat er, met uitzondering van deellocatie 2 en 7 (overig terrein), geen belemmering voor het huidige en toekomstige gebruik (bedrijventerrein) van de locatie. Het overig terrein is niet verder onderzocht omdat het gebruik van de locatie ongewijzigd blijft in de voorgenomen plannen en er geen specifiek bodembedreigende activiteiten ter plaatse zijn uitgevoerd die worden beëindigd. Hierom is er op dit moment geen noodzaak om nader onderzoek uit te voeren. Er is ter plaatse van deellocatie 2 sprake van een negatieve beïnvloeding van de bodemkwaliteit als gevolg van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse. Er is een grondverontreiniging met minerale olie aanwezig met een omvang van circa 76 m3 (circa 45 m2 van 0,3 tot 2,0 m-mv). Het betreft een nieuw geval van bodemverontreiniging (ontstaan 1987) en hierop is de zorgplicht van toepassing. De zorgplicht stelt dat een nieuwe verontreiniging volledig verwijderd moet worden.
Ten behoeve van deze sanering is een plan van aanpak opgesteld, welke opgenomen is als bijlage 6 bij voorliggend bestemmingsplan.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
54
4.10.3 Conclusie en advies Met inachtneming van het bovenstaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11
Water
4.11.1 Normstelling en beleid Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Relevante beleidsstukken op het gebied van water is het provinciaal Milieu en Waterplan 2016-2021 van de provincie Noord-Brabant, het Waterbeheersplan 2016-2021 van Waterschap de Dommel, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Het Waterschap de Dommel heeft een waterbeheerplan vastgesteld. Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Waardevol Water’ Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel mei voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s.
Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voorde complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.
Wat zijn de belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode? Voldoende water voor landbouw en natuur Wateroverlast en hittestress Kringloop denken Steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen Vergroten waterbewustzijn Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Op planniveau is voor de herontwikkeling naar verwachting geen compensatie vereist. Opmerking hierbij is dat het plan onderdeel is van een groter ontwikkelingsplan waarbij een wijziging mogelijk wel gevolgen heeft voor het oppervlaktewater. Voor een toename van het verhard oppervlak van tenminste 500 m2 - 10.000 m2 of grotere afkoppelplannen Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
55
is compensatie noodzakelijk omdat deze invloed relevanter is op het waterhuishoudkundige systeem. Aan de hand van de Algemene Regel (Artikel 15: Afvoer hemelwater door verhard oppervlak), behorend bij de vernieuwde Keuren van de drie Brabantse waterschappen, kan de vereiste compensatie voor een specifieke locatie berekend worden. VGRP 2017-2022 en Waterplan ‘Waardevol water in Meierijstad’ De gemeente Meierijstad heeft een nieuw VGRP 2017-2022 en Waterplan ‘Waardevol water in Meierijstad’ opgesteld. Het is een functioneel beleidsdocument, waarin de gewenste toekomstige situatie is beschreven en verbeeld in acht streefbeelden op strategisch/tactisch niveau: Het watersysteem zo natuurlijk mogelijk laten functioneren zonder technische maatregelen. Water voor natuurdoelstellingen, waterconservering, berging van water. Overtollig water bovenstrooms vasthouden, water tijdelijk bergen in retentiegebieden langs waterlopen, als het echt niet anders kan pas afvoeren. Zelfreinigend vermogen toegenomen, weinig verontreinigingsbronnen (geen maaswater, geen chemische onkruidbestrijding, gescheiden rioleringssysteem. Zo min mogelijk vermenging van schoon en afvalwater Waterlopen als ecologische verbindingszone, natuurvriendelijke oevers, struweel, ruigtekruiden, poelen en bergingsvijvers in het stedelijk gebied ingericht als ecologische verbindingszone.
Wel toegankelijk met een recreatieve functie. Het aanleggen van retentiegebieden om piekafvoeren op te kunnen vangen. Grondwateroverlast komt niet meer voor. De natuurlijke aanwezigheid van water wordt gerespecteerd en is waar mogelijk benadrukt. De huidige en toekomstige inwoners zijn actief bij het water in hun wijk en de omgeving betrokken. 4.11.2 Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is een watertoets opgesteld. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 7. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. Regionale bodemopbouw De onderzoekslocatie heeft een globale hoogteligging van circa 8 m +NAP. In figuur 4.3 is te zien dat het terrein aan de rechterachterzijde afloopt.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
56
Figuur 4.3
Hoogteverschil onderzoekslocatie (Bron: Ahn)
De gegevens van de bodemsamenstelling en de hydrologische gegevens zijn verkregen uit DINOloket. Vanaf maaiveld tot circa 30 m-mv is er een matig doorlatende deklaag aanwezig, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind (formatie van Boxtel). In de deklaag zitten twee kleiige eenheden (van circa 1 tot 2 m-mv en van 25 tot 27 m-mv), hoofdzakelijk bestaande uit leem en zandige klei. (formatie van Boxtel met Laagpakket van Liempde). Onder deze deklaag tot circa 31 m-mv bevindt zich een zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, met weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken (formatie van Beegden). Geohydrologie Naar opgave van de provincie Noord-Brabant ligt het onderzoeksgebied niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Op de onderzoekslocatie wordt voor zover bekend geen grondwater onttrokken. Het aanwezig zijn van ongeregistreerde onttrekkingen in de directe omgeving is niet bekend en wordt derhalve niet uitgesloten. Kwel en infiltratie In de digitale Wateratlas is te herleiden dat de locatie zich in een kwelgebied bevindt. Oppervlaktewater in de omgeving De onderzoekslocatie is gelegen binnen het werkgebied van Waterschap Aa en Maas op de grens met waterschap de Dommel.
Uit de waterkaart van waterschap de Dommel is gebleken dat nabij de onderzoekslocatie B watergangen zijn gelegen. De b-watergangen worden op de onderstaande afbeelding weergeven met paarse lijnen. Aan de achterzijde van het bedrijfsterrein ligt een sloot die niet in het beheer is van het waterschap.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
57
Figuur 4.4
B-watergangen nabij onderzoekslocatie (Bron: Waterschap de Dommel)
Regenwater en overige neerslag Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Schijndel. Hemelwater dat op de onderzoekslocatie valt infiltreert in de bodem of watert af via het aanwezige rioolstelsel. Waterketen In het plangebied is een waterwingebied aanwezig en is een boringsvrije zone aangewezen. Deze gebieden zijn van belang voor de waterketen waarbij schoon drinkwater wordt aangeleverd. Het afvalwater vanuit de kernen wordt afgevoerd naar de hoofdgemalen Schijndel en Duin, waarna het afvalwater via een persleiding naar zuivering in Dinther wordt verpompt. Voor de afvoer van afvalwater vanuit het buitengebied is drukriolering aangelegd en op een 27-tal locaties IBA’s (individuele Behandeling van Afvalwater). Gemiddelde grondwaterstand In de digitale Wateratlas van provincie Noord-Brabant is de gemiddelde grondwaterstand aangegeven door middel van zogenaamde grondwatertrappen. Het verschil in hoogte op de onderzoekslocatie is ook terug te zien in de gemiddelde grondwaterstanden. Het toekomstige bebouwde gedeelte bevindt zich voornamelijk in grondwatertrap VIII, dat wil zeggen dat het grondwater dieper zit dan 1,4 m-mv (conform indeling provincie Noord-Brabant). De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) geeft een GHG aan van 2- tot dieper dan 2,5 m-mv en een gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) van meer dan 2,5 m-mv.
Afvalwater Afvalwater wordt geloosd via het aanwezige vuilwaterriool.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
58
Bodemkwaliteit Analyseresultaten van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken zijn niet bekend. Watertoets Initiatiefnemer is voornemens de aanwezige hal inpandig te verbouwen tot kantoor inclusief kantine en atrium. Op het dak van het kantoor worden zonnepanelen geplaatst. De overdekte hal en de tijdelijke kantoorunits op het perceel worden gesloopt. In tabel 4.5 is de verhardingssituatie in de huidige en de toekomstige situatie in beeld gebracht. Tabel 4.5
Verhardingssituatie huidige en toekomstige situatie
De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verhard oppervlak afneemt met 4.110 m2. Hemelwaterafvoer vindt plaats via de sloot aan de achterzijde op het bedrijfsterrein. Gezien het verhard oppervlak op de onderzoekslocatie afneemt en in de omgeving genoeg ruimte aanwezig is waar hemelwater kan infiltreren, wordt het aanleggen van een infiltratie- of bergingsvoorziening niet nodig geacht. 4.11.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmeringen voor de planvorming.
4.12
Ecologie
4.12.1 Normstelling en beleid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura-2000 gebieden; b. Bijzondere nationale natuurgebieden; c. Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
59
Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. De provincie Noord Brabant hanteert daarvoor het begrip Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b.
soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; c. de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
60
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening.
Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. 4.12.2 Toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied aan Hermalen 7 ligt niet in beschermde natuurgebieden, van areaalverlies en versnippering is derhalve geen sprake. Gezien de afstand kunnen ook effecten als verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De ligging van het plangebied ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden is weergegeven op de overzichtskaart in figuur 4.5 en bedraagt: Kampina & Oisterwijkse Vennen: 8,2 km Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche broek: 9,2 km Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen: 13,5 km
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
61
Figuur 4.5
Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: Rijksoverheid)
De beoogde ontwikkeling zou kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in de omgeving. Om deze reden zijn stikstofberekeningen voor zowel de gebruiks- als de aanlegfase uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator. Resultaten hiervan zijn overzichtelijk weergegeven in bijlage 8. Uit de resultaten blijkt dat de stikstofdepositie op geen van de Natura-2000 gebieden groter is dan 0,00 mol per hectare per jaar. Hieruit blijkt dat het verbouwen van de bedrijfspanden geen gevolgen heeft voor deze Natura-2000 gebieden. Voormelde onduidelijkheid over de bijdrage van wegverkeer behelst geen risico voor de beoordeling van voorliggende rapportage. Immers de afstand tussen het gemodelleerde ‘wegverkeer’ en de eigen rekenpunten bedraagt circa 4 kilometer. Als de te berekenen depositie aldaar, inclusief de bijdrage ten gevolge van wegverkeer, niet hoger is dan 0,00 mol per hectare per jaar, dan zal de depositie op meer dan 5 kilometer afstand ook niet hoger zijn dan 0,00 mol per hectare per jaar. Door de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering op 1 juli 2021 geldt er voor de aanlegfase een vrijstelling voor de bouwwerkzaamheden. Deze vrijstelling geldt voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie.
Onder de vrijstelling valt onder andere het bouwen en slopen van een bouwwerk en de vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden. Dit zijn ook de bronnen waar emissies te verwachten te zijn in de realisatiefase van de beoogde ontwikkeling. Omdat voor deze werkzaamheden een vrijstelling geldt, is een berekening voor de realisatiefase niet nodig.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
62
Soortenbescherming Het plan zou kunnen samengaan met effecten op beschermde planten- en dieren. In dat kader is dit verkennend onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde flora en fauna. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 9. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. De initiatiefnemer is voornemens de loods te slopen en de tijdelijke units te verwijderen. Tevens wordt het bedrijfsgebouw achter het woonhuis verbouwd tot kantoor. De muren van het gebouw blijven staan en krijgen een nieuwe houten bekleding, het dak zal grotendeels vervangen worden en er komt een uitbouw bij de zijuitgang. Verder krijgt het perceel een meer groene, landschappelijke inrichting. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 4.6. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 4.6
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen
Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient voor uitvoering van de plannen middels aanvullend veldonderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van nestlocaties van de huismus. Dit aanvullend huismusonderzoek is reeds uitgevoerd en als bijlage 10 opgenomen bij voorliggend document. Er zijn geen nestlocaties van de huismus in de te slopen en te verbouwen bebouwing geconstateerd. De nestlocaties van huismussen in de nabije bebouwing zullen, gezien de onderlinge afstand en de schaal van de werkzaamheden, geen hinder ondervinden van de geplande herontwikkeling op de onderzoekslocatie. In de toekomstige situatie ontstaat er zelfs meer groen voor de huismussen in de omgeving om in te schuilen en foerageren. Er wordt geconcludeerd dat juridisch gezien er geen
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
63
overtreding van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming aan de orde is en dat een ontheffing niet noodzakelijk is. Bij de voorgenomen werkzaamheden zullen geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de huismus worden vernietigd, beschadigd of worden weggenomen. Tevens zullen de nestlocaties van de huismus in de nabije omgeving van de onderzoekslocatie niet opzettelijk verstoord worden gezien de afstand tot de onderzoekslocatie en de aard van de voorgenomen plannen. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen is te vermijden als de dakconstructie en de eventueel aanwezige spouwmuur van het woonhuis onaangetast blijven bij het verwijderen van de kantoorunits. Tevens dient er geen verlichtingstoename plaats te vinden richting de potentiële verblijfplaatsen in het woonhuis en de directe omgeving tijdens de bouwfase en eindfase. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of door voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op broedgevallen uit te voeren. Het wordt geadviseerd om materiaalopslag en snoeiafval pas te verwijderen buiten het broedseizoen van broedvogels.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieënsoorten. 4.12.3 Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de planvorming.
4.13
Niet gesprongen explosieven
4.13.1 Normstelling en beleid In een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog (WO II). In het kader van de beoogde ontwikkeling zal de bodem namelijk worden geroerd. 4.13.2 Toetsing en conclusie De uiteindelijke rapportage laat nog even op zich wachten, vanwege het verzamelen van het certificaat verplichte bronnenmateriaal. Op basis van de tot nu toe geraadpleegde bronnen kan geconcludeerd worden dat het gehele onderzoeksgebied waarschijnlijk verdacht is op het aantreffen van geschutmunitie. Uit literatuur- en archiefonderzoek blijkt dat zuid Schijndel te maken heeft gehad met oorlogshandelingen. De bronnen verwijzen (onder andere) naar artilleriebeschietingen, het gebruik van tanks en man-tot-man-gevechten in Olland, Wijbosch en halverwege de Schijndelseweg (tussen Schijndel en Sint-Oedenrode). De zogenoemde Corridor van de geallieerde troepen werd ten zuiden van Schijndel meerdere malen aangevallen eind september 1944. Derhalve luidt het voorlopige advies dat rekening gehouden moet worden met mogelijke vervolgstappen tot detectie en opsporing op locatie. Daarbij wordt benadrukt dat deze voorlopige conclusie niet gelijk staat aan de uiteindelijke rapportage.
Ondanks de weloverwogen bevindingen die ten grondslag liggen aan dit voorlopige eindoordeel, kunnen zich nog wijzigingen voordoen als gevolg van verder archiefonderzoek.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002786.20200563
64
4.14
Duurzaamheid
4.14.1 Normstelling en beleid Duurzaamheid gaat over de balans tussen mens, milieu en financiën en kan op verschillende niveaus worden bezien. Op het niveau van gebiedsontwikkeling gaat het naast technische maatregelen bij gebouwen om het functioneren van het gehele gebied. De kracht zit in het zoeken naar goede combinaties voor een specifieke locatie waardoor een prettige leefomgeving kan worden ontwikkeld. Bepaalde randvoorwaarden en/of de ruimtelijke omgeving van een plan kunnen kansen voor duurzaamheid opleveren. Duurzaam bouwen gaat dus verder dan alleen energie. Het gaat ook over duurzaam materiaalgebruik, comfort, binnenmilieu, bouwen voor de toekomst en slim bouwen. Duurzaam bouwen wordt vaak afgekort als 'dubo' en beoogt naast vermindering van de uitstoot van CO2 ook zaken als: bij te dragen aan het welzijn van gebruikers (kwaliteitsbevordering); uitputting van grondstoffen te verminderen; vervuiling van bodem, water en lucht tegen te gaan. Energieneutraal (BENG) Vanaf 1 januari 2020 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. Dit vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD.
De vastgestelde niveaus voor woningen gelden als volgt: Een maximaal energiebehoefte van 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak; Een maximaal primair fossiel energiegebruik, eveneens in 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak; Een minimaal aandeel hernieuwbare energie van 50%. Het voorgaande houdt concreet een EPC tussen 0 en 0,2 in. Tot 1 januari 2020 geldt echter nog de wettelijk verplichte EPC van 0,4. Aardgasvrij (Wet VET) In de Wet voortgang energietransitie (VET) is bepaald dat per 1 juli 2018 nieuw te bouwen bouwwerken niet meer aangesloten worden op het gasnet. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente, bij zwaarwegende redenen van algemeen belang, een ontheffing verlenen. De omgevingsvergunning voor nieuwe bouwwerken wordt afgekeurd als in de bouwaanvraag geen rekening is gehouden met aardgasvrij bouwen. Milieuprestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m² is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning een Milieuprestatie Gebouwen (MPG) verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Per 1 januari 2018 geldt voor de MPG een maximum schaduwprijs van 1,00 euro per m2 BVO per jaar. Voor een MPG berekening kan het instrument GPR Gebouw gebruikt worden.