Bijlage 1 - Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
Tekst van het document
4.7
Externe Veiligheid
4.7.1
Toetsingskader
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico’s hangen vooral samen met:
activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;
transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.
Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.).
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
49
Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants 5.
Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', etc. 4.7.2
Toetsing
Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met het plangebied is weergegeven in figuur 14. Risicovolle inrichtingen Er zijn geen risicovolle inrichtingen in de nabijheid van het plangebied gelegen. Risicovolle buisleidingen Ten noorden van het plangebied is een buisleiding gesitueerd, op een afstand van circa 650 meter (zie de navolgende tabel). Dit betreft een aardgasleiding NEN 3650. De buisleiding heeft een diameter van 324 mm (12.76 inch) en heeft een maximale werkdruk van 40 bar. Voor een aardgasleiding van dit formaat geldt een 100% letaliteitsafstand van 80 meter en een 1% letaliteitsafstand van 150 meter. Het plangebied is niet gelegen binnen deze risicoafstanden. Geconcludeerd kan worden dat deze buisleiding geen belemmeringen vormt voor het voorgenomen planinitiatief.
5
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
50
Risicovolle transportroutes Op ca. 65 m ten westen van het plangebied ligt de snelweg A50 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Aangezien het plangebied binnen de 200 m zone ligt, is een groepsrisicoberekening noodzakelijk. Er is een berekening van het groepsrisico uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 8 bij deze plantoelichting. Onderstaand staan de belangrijkste conclusies vermeld.
Bron Wegvak: B132 A50: afrit 10 (Eerde) – A58 (Eindhoven)
Stof
1%-letaliteitsafstand (meters)
Voldoet
LF1
45
Ja
LF2
45
Ja
LT2
880
Nee
GF3
355
Nee
Tabel 4: Uitsnede risicokaart (Bron: atlasleefomgeving.nl)
Figuur 14 Uitsneden risicokaart met plangebied met aanduiding plangebied (Atlas Leefomgeving)
Plaatsgebonden risico In bijlage 1 van de regeling Basisnet zijn voor wegen behorende tot het Basisnet afstanden vastgelegd voor het zogeheten PR-plafond (de plaatsgebonden risicocontour 10-6). Voor wegvak B132 (afrit 10 (Eerde) – A58 (Eindhoven)) is de waarde gelijk aan 0 m. Dit betekent dat het plaatsgebonden risico (PR) vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
51
Groepsrisico In zowel de huidige als de toekomstige situatie is het groepsrisico kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Derhalve is een volledige verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk en kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico dient aandacht te worden besteed aan de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp (artikel 7, Bevt). Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De woningen en appartementen worden zodanig gesitueerd dat bewoner, in geval van een calamiteit, goede vluchtmogelijkheden hebben. Een maatgevend scenario op de rijksweg A50 is een calamiteit met een BLEVE, Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion. Het ontstaan van een koude BLEVE door bijvoorbeeld een botsing, is niet preventief te bestrijden, omdat de calamiteit zonder aankondiging plaatsvindt. Bij een koude en warme BLEVE dienen overlevenden het gebied te ontvluchten in verband met secundaire branden. Een ander scenario dat zich voor kan doen bij de A50 is een calamiteit met toxische gaswolken. De toxische wolk kan zich snel ontwikkelen en verplaatsen.
Afhankelijk van het type stof, windrichting en plaats van de calamiteit kunnen hoge concentraties optreden. Via waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en NLAlert worden personen in de omgeving gewaarschuwd. Bij een calamiteit met giftige gassen is het handelingsperspectief binnen blijven en schuilen. Ventilatievoorzieningen moeten eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden. De ventilatieopeningen moeten van de risicobron af worden gericht. Ramen en deuren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken. In het geval van een calamiteit dient het plangebied voor hulpdiensten bereikbaar te zijn. Eventuele slagbomen of toegangspoorten moeten dusdanig worden uitgevoerd dat er geen belemmering is voor hulpdiensten. Voor een goede bestrijdbaarheid is het van belang dat het voor de brandweer mogelijk is om:
op tijd ter plaatse te zijn;
voldoende opstelplaatsen te hebben;
voldoende blusmiddelen te hebben.
Verder is aan de Veiligheidsregio Brabant Noord conform artikel 9 van het Bevt om advies gevraagd. Dit advies heeft betrekking op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Plasbrandaandachtsgebied Voor wegvak B132 geldt geen plasbrandaandachtsgebied. Er hoeft geen rekening te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. 4.7.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
52
4.8
(Ondergrondse) Infrastructuur
4.8.1
Toetsingskader
Aan de hand van de Netkaart van het RIVM kan achterhaald worden of het plangebied zich bevindt in een magneetveldzone van hoogspanningslijnen. Als er zich bij een bovengrondse hoogspanningslijn een andere bovengrondse hoogspanningslijn of andere delen van het elektriciteitsnet in de buurt bevinden, kunnen die de sterkte van het magneetveld beïnvloeden. Ook kan de jaargemiddelde belasting van een hoogspanningslijn hoger zijn dan 30% (220 en 380 kV lijnen) respectievelijk 50% (50, 110 en 150 kV lijnen) van de ontwerpbelasting. 4.8.2
Toetsing
Voorgenomen plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een hoogspanningslijn. De dichts gelegen hoogspanningslijn bevindt zich op een afstand van circa 3 kilometer. Het plangebied is niet gelegen binnen de magneetveld zone van deze hoogspanningslijn. Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering. In de ondergrond zijn geen kabels en leidingen aanwezig, waarvoor een planologisch beschermingsregime van toepassing is. Vanuit het aspect kabels en leidingen in de ondergrond is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt er nieuwe ondergrondse infrastructuur aangelegd, het is niet nodig om hiervoor zones op te nemen in het bestemmingsplan. 4.8.3
Conclusie
Het aspect (ondergrondse) infrastructuur vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.
4.9
Geur agrarisch
4.9.1
Toetsingskader
De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. 4.9.2
Toetsing
Voorgenomen plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Meierijstad, in de kern Nijnsel. Een geurgevoelig object is een gebouw bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Een woning is te beschouwen als een geurgevoelig object. Onderzocht is of er redelijkerwijs sprake kan zijn van te ervaren geurhinder van een of meerdere veehouderijen op de voorgenomen planlocatie. Dat kan worden achterhaald aan de hand van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van de
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
53
Omgevingsdienst ‘Zuidoost-Brabant’. Ook is achterhaald of het planinitiatief eventuele belemmeringen voor veehouderijen met zich meebrengt. In de regio Zuidoost-Brabant zijn veel intensieve veehouderijen gevestigd, zo ook in de nabije omgeving van het voorgenomen plangebied. Alle uitstoot van geur van alle veehouderijen kan gezamenlijk weergegeven worden, dit wordt de achtergrondbelasting genoemd. Figuur 15 toont een uitsnede van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur maart 2022’. Dit geeft de aanwezigheid van odour units per kubieke meter weer (ouE/m3). Ter plaatse van de nieuwe woningen wordt de kwaliteit leefomgeving gekwalificeerd als ‘redelijk goed’. Hier geldt een achtergrond belasting van 7 tot 13 ouE/m3. Uit de geraadpleegde bronnen is tevens aangetoond dat veehouderijen op redelijke afstand van het gebied zijn gelegen (minstens 450 meter). De in de omgeving gelegen veehouderijen zijn getoetst aan de VNG publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’ in paragraaf 4.3. Hier is aangetoond dat het voorgenomen plangebied niet is gelegen binnen een van de gestelde richtafstanden. Tevens zijn er tussen het plangebied en de dichts gelegen veehouderij andere woningen gelegen welk worden geclassificeerd als geurgevoelige objecten.
Figuur 15: Uitsnede Achtergrondbelasting geur kaart provincie Noord-Brabant (maart 2022) (Bron: atlasodzob.nl)
Deze zijn woningen zijn daardoor maatgevend. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van afstanden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied. Het initiatief maakt zelf geen geurbronnen mogelijk. Door de realisatie van het planvoornemen wordt de bedrijfsvoering van deze veehouderijen niet belemmerd.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
54
Tabel 3: Veehouderijen in de omgeving van het plangebied Adres
Soort veehouderij
Afstand tot planlocatie
Hoogstraat 13, 5492 VT
Paarden
Ca. 460 meter
Hoogstraat 15, 5492 VT
Paarden
Ca. 500 meter
Hoogstraat 20, 5492 VW
Zeugen
Ca. 680 meter
Houtsestraat 14, 5492 TM
Paarden
Ca. 740 meter
Houtsestraat 17, 5492 TM
Zeugen
Ca. 690 meter
Houtsestraat 16, 5492 TM
Melkrundvee
Ca. 800 meter
Houtsestraat 20, 5492 TM
Schapen
Ca. 810 meter
Houtsestraat 22, 5492 TM
Biggen
Ca. 900 meter
Airborneweg 27, 5691 PS
Vleesvarkens
Ca. 1.000 meter
Rooise Heide 12 5492 TG
Melkrundvee
Ca. 710 meter
4.9.3
Conclusie
Het aspect ‘Geur agrarisch’ vormt geen belemmering voor voorstaand planinitiatief.
4.10
Gezondheid
4.10.1
Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen
Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Deze stappen zijn doorlopen om na te gaan of er knelpunten zijn. Stap 1 Endotoxine (varkens-/pluimveehouderijen) Toetsing aan het stappenplan wijst uit dat de planlocatie buiten de endotoxine richtafstanden ligt die aangehouden moeten worden rondom varkens- en pluimveehouderijen. Stap 2 Emissies De ontwikkeling leidt niet tot een toename in emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan en is er geen sprake van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond en/of achtergrond). Tevens is de afstand vanaf de rand van het bedrijf tot de gevel van woningen/appartementen groter dan 100 meter. De planlocatie is gelegen in een gebied met een acceptabele geurbelasting, zie ook paragraaf 4.9. Stap 3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde De voor- en/of achtergrondgeurbelasting is lager dan de odour-unit waarden uit het onderzoek van Geelen et al. (2015). Tevens is de afstand vanaf de rand van het bedrijf tot de gevel van de woningen/appartementen groter dan 100 meter.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
55
Stap 4a Binnen een veehouderij worden bedrijfsmatig niet meerdere diersoorten gehouden. Stap 4b De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt meer dan 100 meter. Stap 5a Geitenhouderij Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 5b Pluimveebedrijven De locatie is niet gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf. Stap 5c Overige veehouderijen De locatie is niet gelegen binnen een afstand van 250 meter van overige veehouderijen. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de nabijheid van het plangebied zijn meerdere veehouderijen aanwezig ten aanzien van varkenshouderij, waarbij het dichts gelegen veebedrijf op een afstand van circa 680 meter is gesitueerd. Tabel 4: Varkenshouderijen nabij plangebied Hoogstraat 20, 5492 VW
Zeugen
Ca. 680 meter
Houtsestraat 17, 5492 TM
Zeugen
Ca. 690 meter
Houtsestraat 22, 5492 TM
Biggen
Ca. 900 meter
Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkenshouderijen in de omgeving, zie paragraaf 4.3. Tevens is in paragraaf 4.9 aangetoond dat er sprake is van een redelijk goed woon- en leefklimaat omtrent geur. Voor de locatie geldt dat er geen sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 6 Er is geen sprake van een mestbewerking of mestverwerking als nevenactiviteit of zelfstandige activiteit. Stap 7 Er is bij toekomstige bewoners of omwonenden geen ongerustheid over de volksgezondheid. Uit het bovenstaande blijkt dat advisering door de GGD niet noodzakelijk is. Of daadwerkelijk advies wordt ingewonnen bij de GGD is een afweging van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag neemt het advies van de GGD mee in haar overwegingen of medewerking kan worden verleend aan een ontwikkeling en of zo nodig extra voorschriften moeten worden opgenomen 4.10.2
Hoogspanningslijnen
De meest dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ligt op 3 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op deze afstand vormt dit aspect geen belemmering. Volgens de Netkaart van het RIVM geldt langs deze hoogspan-
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
56
ningslijn een indicatieve zone van 100 meter. Het plangebied ligt hierbuiten. Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering. 4.10.3
Spuitzones
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen percelen aanwezig met een spuitzone gewasbescherming. Spuitzones vormen geen belemmering voor het plan. 4.10.4
Conclusie
Het aspect gezondheid vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.
4.11
Luchtkwaliteit
4.11.1
Toetsingskader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Een nieuw initiatief is niet relevant als aannemelijk kan worden gemaakt dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.
Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:
Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM.
Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m³).
4.11.2
Toetsing
Met de NIBM-tool is een berekening gemaakt om te bepalen of het plan ‘niet in bekende mate bijdraagt’ aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In paragraaf 4.14 is de toekomstige verkeersgeneratie berekend. De verkeersgeneratie die gepaard gaat met de realisatie van het planinitiatief bedraagt 296.9 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Echter bedraagt dit een verkeersgeneratie waarbij geen gebruik is gemaakt van salderen van de huidig aanwezige functies. Door gebruik te maken van de afgerond 304 motorvoertuigbewegingen per etmaal in de NIBM-tool wordt gerekend met een worst-case scenario. Deze is ingevoerd in de NIBM-
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
57
tool, met jaar van planrealisatie 2026 en met een aandeel van vrachtverkeer van 1,5%.De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekende-mate, een nader onderzoek is niet noodzakelijk (zie figuur 16). Aanvaard woon- en leefklimaat Met onderhavig bestemmingsplan worden 54 woningen mogelijk gemaakt. Woningen zelf zijn niet specifiek
Figuur 16: NIBM-tool berekening voorgenomen planinitiatief
beschermd via de Wet Milieubeheer. Vanuit een goede ruimtelijke ordening moet bij de woningen wel sprake zijn van een aanvaardbare luchtkwaliteit. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van de NSL-monitoringstool. Omdat deze monitoringstool slechts inzichtelijk maakt wat de uitstoot van wegverkeer is, wordt volledigheidshalve ook gebruik gemaakt van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In tabel 7 staan de achtergrondwaarden weergegeven van de meest nabijgelegen meetpunten. Voor het plangebied zijn de meetpunten gesitueerd aan de Sonseweg en de A50. De meetwaarden zijn ruim gelegen onder de normen gesteld door de EU. Geconcludeerd kan worden dat het project valt onder de regeling NIBM en dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot de luchtkwaliteit. Tabel 5: Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool)
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
X:161500 Y:395677.8
19.42
18.65
6.63
10.98
2022
X:161462 Y:395666.2
21.34
18.87
6.76
11.06
2022
X:161434.9 Y:395716.8
21.49
18.86
6.75
11.07
2022
X:161475.3 Y:395768.7
17.96
18.46
6.53
10.92
2022
Meetpunt
PM2,5 μg/m3
Jaar
Achtergrondwaarden (Bron: CIMLK) X: 161473 Y: 395766
17,9611
18,4693
6,53
10,926
2022
X: 161499 Y: 395677
19,4261
18,6519
6,63
10,9842
2022
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
58
X: 161527 Y: 395589
19,5231
18,6592
6,63
10,9879
2022
X: 161561 Y: 395501
18,2866
18,4948
6,54
10,9371
2022
40
40
35
25
-
Norm EU-grenswaarden
4.11.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12
Verkeer en Parkeren
4.12.1
Toetsingskader
De realisatie van het plan gaat gepaard met een toename van de verkeersgeneratie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dienen stedelijke ontwikkelingen niet te leiden tot verkeerskundige knelpunten; de extra verkeersintensiteit die wordt gegenereerd dient afgewikkeld te kunnen worden over het bestaande wegennet/de lokale verkeersstructuur. Ook dient er in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. Het beleid van de gemeente Meierijstad is vastgelegd in de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018, in werking getreden op 1 januari 2019. Bij de totstandkoming van de nota zijn de parkeerkencijfers van het CROW (publicatie 317) als vertrekpunt gebruikt. Hoofddoel van het opstellen en hanteren van parkeernormen is het voorkomen van een te hoge parkeerdruk in de openbare ruimte door nieuwe ontwikkelingen. Om een beeld te krijgen van de toekomstige verkeerssituatie is de te verwachte verkeersgeneratie en parkeerbehoefte van de woningbouw aan de Sonseweg, Dahliastraat e.o. berekend. 4.12.2
Toetsing Verkeer
In de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 zijn geen kengetallen voor de verkeersgeneratie opgenomen. Om te bepalen wat de effecten van het plan zijn op de verkeersaantrekkende werking van het gebied, kan gebruik gemaakt worden van de CROW-kengetallen (publicatie 318). Deze kengetallen geven een indicatie van de met het plan gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Het CROW maakt bij de parkeerkencijfers onderscheid in stedelijkheidsgraad. Dit betreft de omgevingsadressendichtheid (adressen per km2) in vijf klassen: van ‘zeer sterk stedelijk’ tot ‘niet stedelijk’. Aan de hand van de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 is het plangebied gelegen binnen een ‘niet stedelijk’ gebied. Het plangebied is aan de hand van deze nota gelegen binnen ‘rest bebouwde kom’. Aan de hand van deze stedelijkheidsgraad en stedelijke zone is de verkeersgeneratie berekend. De huidige verkeersbewegingen voor de bestaande woningen In de huidige situatie zijn 12 grondgebonden woningen aanwezig en de horeca gelegenheid ‘Lounge 8’, deze genereren in de huidige situatie verkeersbewegingen. De 12 woningen die worden gesloopt zijn in beheer van de woningcorporatie Woonmeij, de woningen kunnen dan ook worden geclassificeerd onder ‘huur, huis, sociale huur’. De verkeersgeneratie voor ‘niet stedelijk’, ‘rest bebouwde kom’ is gemiddeld 5,6.
De verkeersgeneratie van deze 12 woningen bedraagt (12 x 5.6=) 67,5 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De huidige verkeersbewegingen voor het bestaande horeca pand
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
59
Het aanwezige ‘Lounge 8’ restaurant bedraagt een oppervlak van circa 900 m2. Het CROW heeft geen kerngetallen voor de verkeersgeneratie van een restaurant opgenomen gezien dit erg afhankelijk is van het formaat en de ligging van een restaurant. Wel is er een parkeerkencijfer opgenomen dat omgerekend kan worden naar verkeersgeneratiecijfers in de Nota Parkeernormen Meierijstad. Het maximum parkeerkencijfer bedraagt, conform de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad’, ‘overige kernen’, ‘rest bebouwde kom’ voor een restaurant 15,5 per 100m2 . Uitgaande van twee ritten per auto (heen en terug) en een turnover 6 van twee, resulteert dit in een verkeersgeneratie van (15,5 x 2 x 2=) 62 motorvoertuigbewegingen per 100 m 2. Het bestaande restaurant heeft een grondoppervlak van circa 900 m 2, er van uitgaande dat een gedeelte van het restaurant wordt gebruikt als keuken/spoelkeuken, opslag en entree/uitgang/garderobe is uitgegaan van een bvo van 450 m2. Dit betekent dat de verkeersgeneratie van het restaurant (4,5 x 62=) ca. 279 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt. Verkeersbewegingen nieuw te realiseren ontwikkeling Met het nieuwe plan worden 54 woningen gerealiseerd, het volledige woonprogramma is opgenomen in Tabel 9. De normen van het CROW zijn gebruikt voor de berekening van de verkeersgeneratie. De normen zijn weergegeven in onderstaande Tabel 8.
Tabel 8: Norm verkeersgeneratie voor woningen (CROW) Verkeersgeneratie Koop appartement midden Rest bebouwde kom
Niet stedelijk
Min.
Max.
5.6
6.4
Verkeersgeneratie Koop appartement duur Rest bebouwde kom
Niet stedelijk
Min.
Max.
7.0
7.8
Verkeersgeneratie Huur, appartement, midden/goedkoop (inclusief sociale huur) Rest bebouwde kom
Niet stedelijk
Min.
Max.
3.7
4.5
Verkeersgeneratie Huur, huis, sociale huur Rest bebouwde kom
Niet stedelijk
Min.
Max.
5.2
6.0
Verkeersgeneratie Koop, huis, tussen/hoek Rest bebouwde kom
6
Een turnover van 2 houdt in dat een parkeerplaats 2x per periode bezet wordt.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
60
Niet stedelijk
Min.
Max.
7.0
7.8
Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 21 sociale huur appartementen, voor de verkeersgeneratie berekening zijn deze appartementen gecategoriseerd onder ‘huur, appartement, midden/goedkoop (inclusief sociale huur)’. Hier geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 4.1. De verkeersgeneratie van de 21 appartementen gezamenlijk bedraagt (21 x 4.1=) 86.1 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het planvoornemen voorziet tevens in de realisatie van 3 gezinswoningen en 4 bajonetwoningen. De 4 bajonetwoningen en 1 grondgebonden gezinswoning worden gerealiseerd voor het sociale huur segment. Deze 5 woningen zijn gecategoriseerd onder ‘huur, huis, sociale huur’. De gemiddelde verkeersgeneratie voor dit type woning bedraagt 5.6. De verkeersgeneratie van deze 5 sociale woningen bedraagt (5 x 5.6=) 28 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De andere 2 gezinswoningen worden gerealiseerd voor het middelduur segment. Voor deze woningen is nog niet bekend of ze worden verkocht of verhuurd. Deze zijn dan ook geschaard onder ‘koop, huis, tussen/hoek’, hiervoor geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 7.4. de verkeersgeneratie van deze twee woningen bedraagt hiermee (2 x 7,4) 14,8 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het planvoornemen voorziet daarnaast in 23 appartementen in het midden koop/huur segment.
Om uit te gaan van het worst-case scenario wordt de verkeersgeneratie berekend met het segment met de hoogste norm. In dit geval betreft dit de categorie ‘koop, appartement, midden’, hier geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 6. De verkeersgeneratie van deze 23 appartementen bedraagt (23 x 6=) 138 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het plan voorziet in het appartementencomplex ook in de realisatie van 5 vrije sector appartementen. Deze 5 woningen zijn gecategoriseerd onder ‘koop, appartement, duur’. De gemiddelde verkeersgeneratie voor dit type woning bedraagt 7.4. De verkeersgeneratie van deze 5 vrije sector woningen bedraagt (5 x 7.4=) 37 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Gezamenlijk realiseert het planvoornemen een verkeersgeneratie van 303,9 (86,1 + 28 + 14,8 + 138 + 37) motorvoertuigbewegingen per etmaal. Wanneer de verkeersgeneratie van 346,5 mvt/etmaal in de huidige situatie wordt verrekend met de verkeersgeneratie van 303,9 mvt/etmaal in de toekomstige situatie, is er sprake van een afname van 42,6 motorvoertuigenbewegingen per etmaal. Door het wegbestemmen van het restaurant zal er aan de hand van de gegevens een afname plaatsvinden van de verkeersgeneratie binnen het gebied. Er is dan ook geen sprake van extra verkeersbewegingen die gevolgen hebben op de veiligheid en verkeersafwikkeling die kunnen zorgen voor knelpunten op het bestaande wegennetwerk. 4.12.3
Toetsing parkeren
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden hoe groot de parkeerbehoefte is van de binnen het plangebied beoogde ontwikkeling. De gemeente Meierijstad heeft haar parkeerbeleid geregeld middels de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018, in werking getreden op 1 januari 2019. Als uitgangspunt geldt dat nieuwe ontwikkelingen een parkeerbehoefte met zich meebrengen en daarmee parkeerdruk genereren. De normen in deze nota zijn dan ook van toepassing op nieuwe ontwikkelingen, zoals: 1. nieuwbouw; 2. splitsing van een woning in meerdere woningen c.q. wooneenheden; 3. gehele en gedeeltelijke verbouwing van een pand met een bestemmingswijziging of;
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
61
4. afwijking waarbij het nieuwe gebruik/de nieuwe functie een meer verkeersaantrekkend karakter heeft; 5. vergroting van een pand, waarbij de vergroting zal leiden tot een verhoogde vraag naar parkeercapaciteit. Aan de hand van de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 is het plangebied gelegen binnen een ‘niet stedelijk’ gebied. Het plangebied is aan de hand van deze nota gelegen binnen ‘rest bebouwde kom’. Aan de hand van deze stedelijkheidsgraad en stedelijke zone kan de parkeerbehoefte berekend. Om bij ruimtelijke ontwikkelingen de theoretische parkeerbehoefte te bepalen hanteert de gemeente het rekenkundig gemiddelde van het minimum- en het maximum parkeerkencijfer uit de recente CROW-publicatie (december 2018). Het uitgangspunt is dat de toename van de parkeervraag door een nieuwe ontwikkeling op eigen terrein wordt opgelost. Als uit de ingediende parkeerbalans blijkt dat het aantal parkeerplaatsen niet op eigen terrein kan worden gerealiseerd, is het mogelijk hiervan op 2 manieren af te wijken: 1. parkeren opvangen door benutting bestaande parkeerruimte; 2. aanleg parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Met onderhavige ontwikkeling worden er 54 woningen gerealiseerd, 3 gezinswoningen, 4 bajonetwoningen, een appartementencomplex met 27 woningen en een appartementencomplex met 20 woningen.
In de huidige situatie zijn 12 grondgebonden woningen aanwezig, waarvan een gedeelte parkeert in de openbare ruimte. Tabel 9 geeft de verdeling weer van de te realiseren woningen. Tabel 9: Verdeling woningbouwprogramma beoogde ontwikkeling
Te realiseren woningen
Aantal
Segment
2
Middelduur huur/koop
1
Sociale huur
Bajonetwoningen
4
Sociale huur
Appartementen
21
Sociale huur
6
Middelduur huur/koop
15
Middelduur huur/koop
5
Vrije sector
Gezinswoningen
Appartementen ‘ter plaatse lounge 8’
Nijnsel is binnen de Nota parkeernormen Meierijstad 2018 geschaard onder de stedelijkheidsgraad ‘Niet stedelijk’ en de stedelijke zone ‘rest bebouwde kom’. In de Nota wordt geen onderscheid gemaakt tussen koop/huur en sociale huur woningen, de cijfers worden gebaseerd op het type woning. Ten behoeve van beoogd planvoornemen is een parkeerbalans opgesteld aan de hand van de parkeernormen en aanwezigheidspercentages van de gemeente Meierijstad. De volledige parkeerbalans is opgenomen in bijlage 16 van de plantoelichting. Uit de parkeerbalans is gebleken dat het maatgevende moment ‘werkdag avond’ betreft. Op dat moment betreft de parkeervraag 97 parkeerplaatsen. Het planvoornemen zal moeten voorzien in 97 parkeerplaatsen ten behoeve van beoogd planinitiatief. Dit is tevens vastgelegd in de anterieure overeenkomst. Binnen het plangebied wordt dus voorzien in 97 parkeerplaatsen, het plan voorziet hiermee in meer parkeerplaatsen dan de behoefte uit het programma. In de planregels van onderhavig bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat er voldoende parkeergelegenheid beschikbaar moet zijn en in stand moet worden gehouden.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
62
4.12.4
Toetsing fietsparkeren
In Nederland worden veel ritten op de fiets gemaakt. Daarbij is het noodzakelijk om de fiets ook ergens te parkeren. Voor nieuwe voorzieningen, waarvoor een omgevingsvergunning, benodigd is, gaat naast een parkeereis voor auto’s ook een parkeereis gelden voor fietsers (zie bijlage 3 van de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018). Met voorgenomen planinitiatief worden appartementen en rijwoningen gerealiseerd. In de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 zijn daarvoor de volgende normen opgenomen: zie tabel 11. Tabel 11: Fietsparkeernorm Nota parkeernormen Meierijstad 2018 Type woning
Norm 2
Eenheid
Opmerking
Rij- en vrijstaande woning
5.5
Woning
Bij voorkeur plus 1
Appartement (met fietsberging)
2.5
Woning
Minimaal 2 plekken
Appartement (zonder fietsenberging)
0.75
Woning
-
Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 47 appartementen en 7 grondgebondenwoningen. De fietsparkeernorm voor de 7 grondgebondenwoningen bedraagt (7 x 5.5=) 38.5 fietsparkeerplaatsen. Conform de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad’ moet voor de norm 5,5 fietsen per woning een fietsenschuur worden gerealiseerd van 9,5 m2, dit is excl. bergruimte van de woning. Voor de 47 appartementen wordt uitgegaan van de categorie ‘appartementen (zonder fietsenberging)’, voor het appartementencomplex met 20 appartementen bedraagt de te realiseren fietsparkeerplaatsen (20 x 0.75=) 15 fietsparkeerplaatsen. Dit appartementencomplex zal moeten voorzien in 20 fietsparkeerplaatsen. Het complex met 27 appartementen dient te voorzien in (27 x 0.75) 20,25 fietsparkeerplaatsen. Totaal moet het planvoornemen voorzien in 73.75 fietsparkeerplaatsen, dit is exclusief de fietsvoorziening voor bezoekers. De gestelde fietsparkeernorm van de gemeente betreft de fietsvoorziening voor bewoners. In de openbare ruimte moet ook rekening gehouden worden met fietsparkeervoorzieningen voor bezoekers, hier moet worden uitgegaan van een norm van 0,5 – 1 per woning. Bezoekers fietsparkeervoorziening in de openbare ruimte betreft minimaal (54 x 0,5=) 27 fietsparkeerplaatsen voor voorstaand planinitiatief. 4.12.5
Conclusie
Het planvoornemen realiseert een verkeersgeneratie van 296.9 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Wanneer de huidige situatie (67,5 + 279) wordt verrekend met de toekomstige situatie (296.9) is er sprake van een afname aan motorvoertuigen van (-)49.6 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Er is dan ook geen sprake van extra verkeersbewegingen die gevolgen hebben op de veiligheid en verkeersafwikkeling die kunnen zorgen voor knelpunten op het bestaande wegennetwerk. Het planvoornemen moet daarnaast voorzien in 97 parkeerplaatsen. Tevens moet het planvoornemen voorzien in afgerond 74 fietsparkeerplaatsen voor bewoners en 27 fietsparkeerplaatsen voor bezoekers in de openbare ruimte. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmeringen voor voorstaande ontwikkeling.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
63
4.13
Waterparagraaf
4.13.1
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Deze is recent vervangen door de Interim Omgevingsverordening in verband met de Omgevingswet die in werking gaat treden. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken.
Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Waterschap de Dommel Waterschap De Dommel beheert het water in Midden-Brabant. Dat doen ze door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken en sloten. Zo kunnen mensen prettig wonen, werken en recreëren. Het waterschap heeft het Waterbeheerprogramma 2022-2027 opgesteld. Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). Dit Waterbeheerprogramma is een echte koersverandering van het waterschap. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. De komende zes jaar maakt het waterschap het verschil door de focus in de aanpak te verleggen. De ambitie en de verandering zijn gericht op: van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat vanaf nu ook naar de flanken, de hoge zand
ruggen en bebouwd gebied, niet alleen naar het beekdal; van een sectorale aanpak naar een integrale aanpak; samen met overheden en gebiedspartners werken
we aan meerdere doelen in het gebied; van ‘water afvoeren’ naar ‘elke druppel telt’; we richten het waterbeheer in op maximaal water vasthouden, we gaan minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, water-
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
64
kwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Op de bijbehorende kaart is het plangebied niet gelegen in een van de Beekdalen, Attentie gebieden en of Keurbeschermd gebieden. Dit vormt dan ook geen belemmeringen voor het voorgenomen planinitiatief. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Waardevol water in Meierijstad Het beleid van de gemeente Meierijstad omtrent water en riolering is beschreven in ‘Waardevol Water in Meierijstad VGRP+ 2017-2022’. Hierin zijn enkele speerpunten beschreven waarop de gemeente zich binnen deze planperiode zal richten:
Klimaatbestendig inrichten openbaar en particulier gebied.
Verhogen waterbewustzijn en stimuleren waterbewust handelen.
Verduurzamen afvalwaterketen.
Behalen KRW-doelen.
Doelmatig verwerken afvalwater in het buitengebied.
Verhogen belevingswaarde en benutten water voor natuur en recreatie.
Verder professionaliseren van het stedelijk waterbeheer.
Samenwerken.
Uitbreidings- en reconstructieplannen van woningbouw en/of (reconstructies van) infrastructuur kunnen tot een toename van afstromend verhard oppervlak leiden. Planontwikkelingen mogen niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater en/of het rioleringssysteem ook niet bij extremere omstandigheden. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekoppelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Als voorkeursvolgorde wordt de trits infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering gehanteerd. Nieuwe ontwikkelingen moeten hydrologisch neutraal of positief worden uitgevoerd. Gemeentelijke Verordening fysieke leefomgeving Doel van de regels in deze verordening is het tegengaan van de verdroging en het ontlasten van riolering en rioolwaterzuiveringsinstallaties. Daartoe zijn regels gesteld om de opvang van regenwater op eigen terrein te bevorderen en het lozen van hemel- en grondwater op de openbare riolering te voorkomen. De verordening geldt vanaf 1 juli 2021. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken.
Hij heeft daarbij de vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en), waarbij het volgende geldt: Artikel 6.4 Verbod op het lozen van hemelwater op de riolering 1) Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. 2) De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Hij heeft daarbij de vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en), waarbij het volgende geldt: a. de te realiseren hemelwatervoorziening dient minimaal 60 mm (per m2 verhard oppervlak) te kunnen verwerken; b. voor het oppervlak aan groen dak (in m 2) wordt geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist;
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
65
c. de benodigde voorziening(en) dienen uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand worden gehouden; d. bij elke activiteit mag de reeds aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging op het perceel van de eigenaar niet afnemen. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het gebod, bedoeld in het tweede lid onder a, indien op het perceel om technische of praktische redenen een berging van 60 mm onhaalbaar is, mits dan een bergingscapaciteit wordt gerealiseerd van blijkens een overgelegde tekening en ontwerp ten minste 20 mm (per m 2 verhard oppervlak). 4.13.2
Toetsing
Gezien de omvang van het plangebied met de realisatie van nieuwbouw is een onderbouwing noodzakelijk van de relevante wateraspecten van het bestaande en toekomstige watersysteem zoals de toekomstige afval- en hemelwaterstromen. Voorts dient er bij nieuwbouw rekening gehouden te worden met een klimaatadaptieve planinvulling (beperking droogte, hitte, wateroverlast, ..). Er is een watertoets uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 9 bij deze plantoelichting. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies weergegeven. Tevens is in bijlage 4 het infiltratieonderzoek opgenomen dat is uitgevoerd. De watertoets heeft als doel om water als ordenend principe een rol te laten spelen bij ruimtelijke plannen en besluiten, door alle relevante waterhuishoudkundige aspecten vroegtijdig te betrekken bij de planvorming. Oppervlaktewater Nabij de onderzoekslocatie zijn er geen primaire of secundaire watergangen gelegen die beheerd worden door het waterschap. Grondwater Op de BRO Grondwaterspiegeldieptekaarten, aanwezig op dinoloket.nl, wordt in de omgeving van de onderzoekslocatie een GHG aangegeven van circa 0,7 m – mv. Op de onderzoekslocatie zijn geen gegevens bekend. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt in de omgeving van de onderzoekslocatie aangegeven op 2,1 m-mv. Afvalwater Voor de nieuwbouwwoningen zal nieuwe riolering aangelegd moeten worden.
Onderzocht dient te worden of de huidige rioolcapaciteit voldoende is. Hemelwater In de toekomstige situatie zal de verhardingssituatie veranderen. De hemelwatervoorziening dient dan ook aangepast te worden aan de nieuwe inrichting. In de hemelwatervoorziening wordt het hemelwater afkomstig van het terrein geborgen.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
66
De ontwikkeling op de locatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verhard oppervlak afneemt met circa 1.750 m2. Gezien er nieuwbouw gerealiseerd gaat worden stelt het bevoegd gezag dat dit op hydrologisch neutrale manier ontwikkeld dient te worden en er eveneens compenserende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd. Voor het toekomstige verhard oppervlak in het openbaar gebied wordt de vereiste compensatie berekend door het toekomstige verhard oppervlak (m 2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m) en met de plaatselijke gevoeligheidsfactor (1). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De benodigde compensatie bedraagt 318 m 3 (5.300 m2 x 0,06 x 1). Initiatiefnemer is voornemens de toekomstige verharding af te koppelen op de nieuw te graven wadi’s. Door de afname in verharding en de aanleg van nieuw te graven wadi’s is er sprake van hydrologisch neutrale ontwikkeling. In onderstaand figuur 17, is aangegeven welk deel van het plangebied ingezet kan worden als wadi’s met lage beplanting. 4.13.3
Conclusie
Op basis van bovenstaande en met inachtneming van de uitgangspunten en randvoorwaarden voor de infiltratie- of bergingsvoorziening zoals aangegeven in de watertoets (bijlage 11), vormt het aspect water geen belemmering voor het planvoornemen.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
67
Figuur 17: Beoogde wadi's binnen het plangebied.
4.14
Ontplofbare Oorlogsresten
4.14.1
Toetsingskader
In voorbereiding van een project waarbij de grond/waterbodem wordt geroerd dient er in risicovol gebied een onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid en risico’s van ontplofbare oorlogsresten uit te worden gevoerd. 4.14.2
Toetsing
Om inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) in het onderzoeksgebied is een historisch vooronderzoek uitgevoerd. In een historisch vooronderzoek wordt vastgesteld of er in (delen van) het onderzoeksgebied sprake is van een aantoonbaar verhoogde kans op het aantreffen van OO. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 10 van deze plantoelichting. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies vermeld.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
68
Op basis van literatuur, archiefmateriaal, het Ruimingenregister van de Explosieven Opruimingsdienst, kaartmateriaal en luchtfoto-interpretatie zijn er binnen het onderzoeksgebied geen voldoende concrete en/of eenduidige indicaties/aanwijzingen achterhaald van oorlogshandelingen die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van achtergebleven Ontplofbare Oorlogsresten. Deze conclusie wordt ondersteund door de achterhaalde contra-indicaties en het feit dat er geen mora’s zijn achterhaald in de directe nabijheid van het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied is derhalve onverdacht op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten (zie bijlage 1 van de onderzoeksrapportage voor de bodembelastingkaart Ontplofbare Oorlogsresten). Geadviseerd wordt om de geplande werkzaamheden in het onderzoeksgebied op reguliere wijze uit te voeren. Daarbij wordt aangeraden om uitvoerende partijen op de hoogte te stellen van het Protocol Toevalsvondst dat in bijlage 4 van de onderzoeksrapportage is opgenomen. Mochten er onverhoopt munitie(gelijkende) objecten worden aangetroffen in de als ‘onverdacht’ geclassificeerde gebieden, dan wordt geadviseerd om de werkzaamheden direct te staken en de lokale politie van deze vondst op de hoogte te stellen.
Tevens wordt geadviseerd om in een dergelijke situatie contact op te nemen met een CS-OOO gecertificeerd opsporingsbureau en gezamenlijk vast te stellen of opschaling noodzakelijk is. 4.14.3
Conclusie
Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.15
M.e.r.-beoordeling
4.15.1
Toetsingskader
Op grond van de Wet milieubeheer is het voor projecten die mogelijk grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu verplicht om een procedure voor de milieueffectrapportage (m.e.r.-procedure) te doorlopen. De m.e.r.-procedure is bedoeld om ten aanzien van bepaalde plannen en besluiten de milieubelangen expliciet mee te wegen bij besluitvorming. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen "m.e.r.-plichtige activiteiten" waarvoor een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en "m.e.r.- beoordelingsplichtige activiteiten" waarbij in de vorm van een m.e.r.-beoordeling moet worden afgewogen of significante negatieve gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien deze niet kunnen worden uitgesloten dan dient alsnog een MER opgesteld te worden. 4.15.2
Toetsing
Bij woningbouw kan er sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in onder deel D 11.2, kolom 1: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (de drempel), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer. Blijft de ontwikkeling onder de drempel, dan is sprake van een informele m.e.r.-beoordeling. Dit wordt ook wel de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling genoemd. Gemeenten en provincies moeten ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
69
blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Er kan ook sprake zijn van een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Dit kan het geval zijn als gevolg van toename van stikstof op stikstofgevoelige natuurgebieden. Het realiseren van maximaal 55 woningen valt niet onder de categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject). Het kan echter zijn dat de ontwikkeling wel kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit hangt af of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijk ontwikkeling een rol spelen. De concrete omstandigheden in dit geval is het oprichten van woningen in een al bestaande ‘Woon’ bestemming en op de bestemming ‘horeca’. Op de locatie met de bestemming ‘Wonen’ worden de huidig aanwezige woningen gesloopt om ruimte te bieden voor nieuw te realiseren sociale huur woningen, waarbij het feitelijke gebruik van de gronden niet wijzigt.
Het deel van de planlocatie met de bestemming ‘horeca’ betreft de sloop van het bestaande pand van ‘Lounge 8’ en de realisatie van een appartementen complex met maximaal 20 appartementen, dit betreft een wijziging van het grondgebruik. Gezien de omvang van de ontwikkeling en functionele grondwijziging is voor onderhavig project een vormvrije m.e.r.-beoordeling/ aanmeldnotitie opgesteld. De volledige aanmeldnotitie is opgenomen als bijlage 11 bij deze plantoelichting. 4.15.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; er sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.- procedure noodzakelijk maken. Geconcludeerd kan worden dat voor het bestemmingsplan Sonseweg, Dahliastraat e.o., Nijnsel geen milieueffectrapportage wordt vereist.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
70
5
Juridische planopzet
5.1
Inleiding
Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functieen bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Dit bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2
Plansystematiek
De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):
bestemmingsomschrijving;
bouwregels;
nadere eisen;
afwijken van de bouwregels;
specifieke gebruiksregels;
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
71
afwijken van de gebruiksregels;
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
wijzigingsbevoegdheid.
De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan o.a. uit de volgende onderdelen:
anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
algemene bouwregels: hier zijn regels ten aanzien van overschrijdingen van bouwgrenzen opgenomen. Ook is een regeling voor ondergronds bouwen opgenomen. Tot slot bevat dit artikel een parkeerregeling.
algemene gebruiksregels: in dit artikel is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval worden aangemerkt als strijdig gebruik en zijn regels opgenomen m.b.t parkeren.
algemene afwijkingsregels: dit artikel bevat een aantal algemene bevoegdheden om af te wijken van de regels uit het plan, onder nader gestelde voorwaarden. Het gaat hierbij om relatief kleinschalige afwijkingen.
algemene wijzigingsregels: met toepassing van dit artikel kan door middel van een wijzigingsplan worden voorziening in overschrijdingen van de bestemmingsgrenzen.
Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
5.3
Bestemmingen
In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen. Groen Een gedeelte van de gronden tussen de Sonseweg en Dahliastraat heeft de bestemming ‘Groen’ gekregen. Deze gronden zijn bestemd voor onder meer groenvoorzieningen, beplanting, paden en erfontsluiting. Alleen ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’ zijn ook parkeervoorzieningen toegestaan. Deze zone ligt aan de Dahliastraat.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
72
Wonen Binnen de bestemming ‘Wonen’, die voor het plandeel ten noordoosten van de Dahliastraat is opgenomen, zijn toegestaan aaneengebouwde en gestapelde woningen met o.a. de daarbij behorende voorzieningen zoals groen, parkeren en water. In totaal bedraagt het aantal woningen maximaal 35. Per bouwvlak is het maximum aantal, het toegestane type woningen en de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven. Wonen – 1 Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het appartementengebouw tussen de Sonseweg en Dahliastraat en de daarbij behorende parkeervoorzieningen en verharding. Binnen de bestemming Wonen – 1 zijn gestapelde woningen toegestaan met o.a. de daarbij behorende voorzieningen zoals groen, parkeren en water. Het aantal woningen bedraagt maximaal 20. De maximaal toegestane bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven. Daarnaast zijn in de bouwregels nadere voorwaarden gesteld aan het realiseren van geluidsgevoelige objecten in verband met de geluidbelasting door de A50, een en ander ter waarborging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Waarde – Archeologie 1 Voor een deel van het plangebied wordt de vigerende bestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ gehandhaafd. Binnen deze bestemming geldt een vergunningenstelsel voor het bebouwen van de gronden en het uitvoeren van werken en werkzaamheden met een oppervlakte >200 m² en dieper dan 50cm.