Bijlage 1 - Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
Tekst van het document
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
27
wonen. Dat geldt voor onze huidige inwoners, voor pendelaars en arbeidsmigranten voor lokale bedrijven, voor een toekomstige generatie. De woonbuurten of dorpen mogen elk hun eigen uitstraling of identiteit koesteren. Tot deze omgevingsvisie was de woonvisie het brede kader voor woonbeleid van Meierijstad. Er is gebleken dat in Meierijstad is er, in relatie tot de bestaande woningvoorraad, weinig vraag naar extra woningen die duur of groot zijn. Dat hogere aanbod draagt niet bij aan een evenwichtige woningmarkt. In de kleine kernen staan relatief veel grote woningen. Net als de meeste woningen van de bestaande voorraad in de gemeente, kunnen deze woningen in termen van duurzaamheid en energietransitie nog verbeterd worden. In de kleine kernen is volgens het maatschappelijk debat behoefte aan extra woningen. De vraag die er nog is, betreft de doelgroepen senioren en starters. De gemeente houd daarbij vast aan het principe inbreiden vóór uitbreiden. De gemeente vindt het belangrijk om het woningbouwprogramma te concentreren op binnenstedelijke herontwikkeling en transformatie. Bij uitwerking van het omgevingsbeleid voor wonen is aandacht te geven aan huishoudens met een laag inkomen, senioren en woonwagenbewoners, maar ook aan bijzondere woonvormen.
Het woonbeleid speelt in op grote opgaven van vergrijzing, langer thuis wonen, immigratie en integratie, klimaatadaptatie, energie- en warmtetransitie, concentratie van detailhandel en transformatie van vastgoed. Sint-Oedenrode De gemeente Sint-Oedenrode beschikte sinds 2005 over een strategische visie De Rooi(s)e draad en die visie werd in 2012 herijkt. De herijkte beleidsvisie had 2025-2030 als planhorizon. In de visie heeft de gemeente de drie kernkwaliteiten benoemd; (1) welgelegen, (2) karakteristiek en (3) aantrekkelijk. Het groene karakter van Sint-Oedenrode, met een nauwe verweving van natuur, landschap en landbouw, werd opgevat als een contramal tussen stedelijke regio’s. de gemeente heeft daarbij de ambitie gesteld om jongeren aan te trekken of vast te houden als inwoners van de gemeente. Voor het buitengebied werd er gefocust op de transitie in de landbouw. Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen binnen de typologie ‘verstedelijkt (woon)gebied’ aan de hand van de Omgevingsvisie Meierijstad. In de omgevingsvisie wordt aangegeven dat er in de gemeente Meierijstad weinig vraag is naar dure en/of grote woningen. Voorgenomen ontwikkeling voorziet juist in rijwoningen en appartementen en voorziet hiermee juist in de vraag binnen de gemeente, geschikt voor starters, mensen met een middeninkomen en/of sociale huurders.
Ook wordt er aangekaart dat bestaande woningen binnen deze kernen in de termen van duurzaamheid en energietransitie nog erg achterlopen. Het planvoornemen voorziet dan ook in de sloop van bestaande woningen die niet meer aan de huidige standaarden voldoen en vervangt deze met nieuwbouw dat voldoet aan de huidige wet- en regelgeving. Door gebruik te maken van bestaande grond binnen Nijnsel houdt het initiatief vast aan het principe inbreiden vóór uitbreiden. Daarbij wordt een verouderd horecapand binnen een woonwijk vervangen door woningbouw wat ten goede komt aan de leefbaarheid. Het planvoornemen is hiermee in lijn met de Omgevingsvisie Meierijstad. 3.4.2
Woonvisie Meierijstad 2018
De gemeente Meierijstad heeft een Woonvisie opgesteld (vastgesteld op 5-7-2018). Meierijstad wil een stad zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen. De gemeente streeft naar vitale wijken en kernen en een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
28
De gemeente Meierijstad bestaat uit dertien kernen met elk een eigen karakter, identiteit en dynamiek, dit maakt de gemeente uniek. Meierijstad probeert een divers woningaanbod te bieden waar huidige en toekomstige inwoners prettig, veilig en gezond kunnen wonen. Er wordt gestreefd naar vitale wijken en kernen, met een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. De woningmarkt zit zelf vol met dynamiek en er zijn duidelijke veranderingen te zien in woonbehoeften, dit door demografische ontwikkelingen, verduurzaming van de woningvoorraad, transformatie van leegstaand vastgoed, economische ontwikkelingen en veranderingen in het sociale domein. Met deze visie wordt meer houvast geboden voor het analyseren van knelpunten en het benutten van mogelijkheden. De visie is opgebouwd uit vier verschillende thema’s met elk een eigen ambitie. Zo wordt er ingespeeld op de dynamiek van de woningmarkt en is er aandacht voor belangrijke trends zoals duurzaamheid, zorg en welzijn, en de leefbaarheid. De dynamiek van de woningmarkt De woningmarkt is in beweging en het is van belang dat bouwplannen hier zoveel mogelijk op inspelen zodat aan de woonwensen van de inwoners wordt voldaan. Hierbij wordt een toename verwacht van de woningbehoefte in de gemeente tot aan 2030.
Deze demografische ontwikkelingen leiden tot een veranderende woningbehoefte. Omdat de meeste woningen er al staan kijkt de gemeente kritisch naar de woningen die aan de woningvoorraad toegevoegd worden Zorg en welzijn De samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving. Duurzaamheid De gemeente Meierijstad wil in 2050 energieneutraal zijn. Deze duurzame ambitie is doorvertaald in een duurzame woonvisie. Niet alleen dient er sprake te zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling, de woning zelf dient ook duurzaam te zijn. Hierbij dient bijvoorbeeld gekeken te worden naar de mogelijkheden voor aardgasloos bouwen, isolatie en een duurzaam gebruik van grondstoffen. Leefbaarheid Het creëren van een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. Actieplan woningbouw 2021 In 2021 is het actieplan woningbouw vastgesteld. Dit vormt een addendum op de woonvisie 2018. De noodzaak voor de veranderingen vloeit voort uit de gewijzigde provinciale woningbouwprognoses, die aantonen dat de opgave die we hebben aanzienlijk is.
Die opgave blijkt ook duidelijk uit de huidige urgentie op de woningmarkt, die wordt veroorzaakt door almaar stijgende prijzen en de krapte in het beschikbare woningaanbod. De gemeenteraad is unaniem in haar vraag naar oplossingen voor woningbouw in onze gemeente. Voor veel woningzoekenden is het moeilijk om een geschikte woning te vinden. Of het nu gaat om starters op de woningmarkt, om mensen die graag in aanmerking willen komen voor een sociale huurwoning, om burgers met een middeninkomen of om oudere inwoners die een (zorg)geschikte woning zoeken; allemaal worden ze geconfronteerd met dezelfde problemen. We zien overal lange wachtlijsten en we horen over mensen die al jaren tevergeefs op zoek zijn naar een woning.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
29
Het actieplan woningbouw 2021 geeft aan hoe de gemeente om wil gaan met de hogere woningbouwprognoses die door de provincie zijn afgegeven voor de gemeente en hoe ze dit willen combineren met het versnellen van de woningbouwproductie. In het actieplan wordt het huidige beleid uit de woonvisie (2018) en het Plan van Aanpak Woningbouwregie (2020) gecontinueerd, met betrekking tot de woningbouwcategorieën. Dit is dus, met uitzondering van de 25% sociale huur, geen eis per individueel bouwplan, maar een verdeling voor Meierijstad in zijn totaliteit. In het Plan van Aanpak Woningbouwregie uit is bovendien al geregeld dat er flexibel met deze percentages wordt omgegaan. Ze dienen dus als richtlijn waarbij zoveel mogelijk naar de lokale behoefte wordt gekeken voor de specifieke invulling.
Betaalbaar
De gemeente Meierijstad hanteert de volgende verdeling aan (prijspeil 2024): Segment
Prijsgrenzen 2024
Sociale huur
Tot €879,66
(tot liberalisatiegrens)
Middeldure huur
Tussen €879,66 en € 1.130
(vanaf liberalisatiegrens tot 187 huurpunten WWS)
Dure huur
Vanaf € 1.130
Betaalbaar
(vanaf 187 huurpunten volgens WWS)
Goedkope koop
Tot € 273.000
(Tot 70% van betaalbaarheidsgrens Rijk)
Middeldure koop
Tussen € 273.000 en € 390.000
(Vanaf 70% tot 100% betaalbaarheidsgrens Rijk)
Dure koop
Vanaf € 390.000
(Alles boven de betaalbaarheidsgrens Rijk)
In de woonvisie 2018 is ervoor gekozen om de verstedelijkingsopgave aan de kern Veghel toe te kennen en om de behoefte voor eigen bevolkingsontwikkeling in kwantitatief opzicht evenredig toe te kennen aan de 13 kernen. Een tabel is opgesteld met actuele inschatting van de woningbouw-programmering per kern. Uit dit overzicht blijkt dat we op dit moment in vrijwel alle kernen meer woningen voorzien dan de aantallen die in de woonvisie 2018 waren opgenomen. Voor de kern Nijnsel geldt het volgende; (zie tabel 3)
Restant t.o.v. woonvisie 2018
Harde en zachte plannen 2021 t/m 2030
Potentieel principe medewerking
Potentieel korte termijn
Extra versnellingsacties
Totaal plannen 2021-2035
Totaal prognose 2021 t/m 2040
Nijnsel
Realisatie 2018 t/m 2020
Plaatsnaam
Woningbehoefte 2018-2028
Tabel 2: schatting van de woningbouw- programmering per kern (Bron: Actieplan Woningbouw Meierijstad)
88
12
76
40
-
1
35
76
-
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
30
Dit is tevens vertaald naar een woningbouwprogramma per kern, voor de kern Nijnsel zijn diverse woningbouwlocaties opgenomen als ‘zachte plannen’. Voorgenomen planlocatie behoort tot een van de opgenomen woningbouwlocaties (zie figuur 11, nr. 3) in het woningbouwprogramma. Hier is uitgegaan van 42 woningen het voorstaande planvoornemen voorziet in de realisatie van maximaal 54 woningen (netto toevoeging; 42 woningen). Cijfers gemeente Meierijstad
Op basis van het Actieplan wonen 2021 is behoefte aan 6.813 woningen.
Tot en met 2022 zijn 1.135 woningen gerealiseerd.
De resterende opgave bedraagt 5.678 woningen.
De harde plancapaciteit per augustus 2023 is 1.487 woningen.
De resterende behoefte bedraagt daarmee 4.191 woningen.
De toevoeging van per saldo 42 woningen is dus passend.
Figuur 11: Woningbouwlocaties Nijnsel - Woningbouwprogramma per kern van de gemeente Meierijstad
Doorwerking plangebied Voorgenomen planinitiatief voorziet in de realisatie van 54 woningen. de huidig aanwezige horeca gelegenheid en 12 verouderde grondgebonden woningen zullen worden gesloopt om ruimte te maken voor voorstaande ontwikkeling. Het planinitiatief voorziet in de netto toevoeging van 42 woningen. Met voorgenomen planinitiatief wordt ingezet op inbreiding in de bestaande kern, met aandacht voor kwaliteitsverbetering en zorgvuldig ruimtegebruik om de kracht van de kern te behouden. De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 3 gezinswoningen, 4 bajonetwoningen en twee appartementencomplexen waar max. 47 appartementen worden gerealiseerd. 26 van de woningen worden gerealiseerd voor het sociale huur segment, de overige
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
31
28 woningen worden gerealiseerd voor het midden koop/huur segment en vrije sector. Hiermee wordt voldaan aan de sociale huur eis van 25%. Tevens wordt invulling gegeven aan de vraag naar (relatief) betaalbare woningen. Het woningbouwprogramma is dan ook in lijn met de Woonvisie Meierijstad. 3.4.3
Verordening doelgroepen woningbouw Meierijstad
Op 17 februari 2022 is de door de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad de Verordening doelgroepen woningbouw Meierijstad vastgesteld. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt gemeenten de mogelijkheid om per deelgebied in bestemmingsplannen te eisen dat een bepaald percentage van categorieën woningen wordt gerealiseerd in nieuwbouwplannen. Dit kan voor de categorieën sociale huur, middeldure huur, sociale koop en particulier opdrachtgeverschap. De Doelgroepenverordening van de gemeente Meierijstad vormt de wettelijke basis voor het doorvoeren van gemeentelijk woonbeleid in bestemmingsplannen. De Woonvisie Meierijstad 2018, het addendum op de woonvisie 2021 en het Actieplan woningbouwversnelling 2021, vormen de uitgangspunten voor de Doelgroepenverordening. In deze Doelgroepenverordening zijn de categorieën sociale huurwoning, middeldure huurwoning, sociale koopwoning en sociale middeldure koopwoning opgenomen. De maximale aanvangshuurprijs voor middeldure huurwoningen wordt hiermee vastgelegd evenals de maximale verkoopgrens van sociale koopwoningen en sociale middeldure koopwoningen. Deze grens moet de gemeente bepalen. De Doelgroepenverordening regelt tevens voor welke doelgroep de te bouwen sociale huurwoningen en sociale koopwoningen bedoeld zijn. De doelgroep wordt bepaald aan de hand van inkomensgrenzen.
De verordening regelt ook dat de sociale, middeldure huur-, sociale koop en sociale middeldure koopwoningen gedurende een bepaalde periode beschikbaar moeten blijven. Hiervoor zijn de minimale instandhoudingstermijnen opgenomen. Met de doelgroepenverordening worden de prijsgrenzen en instandhoudingstermijnen voor de segmenten sociale huur, middeldure huur, sociale koop en middeldure koop geborgd. Daarnaast wordt een doelgroep verbonden aan de segmenten sociale huur en sociale koop op basis van maximale inkomsten. De doelgroepenverordening geldt voor nieuwbouwwoningen en wordt gekoppeld aan het bestemmingplan. Doordat de verordening is gekoppeld aan het bestemmingsplan zijn nieuwe plannen gehouden aan deze bepalingen en geldt er een meldingsplicht. Regels voor sociale huurwoningen:
Sociale huurwoningen moeten gedurende ten minste 25 jaar onder de sociale huurgrens blijven.
Sociale huurwoningen worden alleen verhuurd aan mensen met een inkomen tot aan de zogenaamde DAEB-norm3.
Er geldt een jaarlijkse meldingsplicht van de nieuwe huurprijzen.
Er geldt een meldingsplicht bij een nieuwe verhuring.
Regels voor middeldure huurwoningen:
Middeldure huurwoningen moeten gedurende 15 jaar onder de huurgrens blijven.
Er geldt een jaarlijkse meldingsplicht van de nieuwe huurprijzen.
Er geldt een meldingsplicht bij een nieuwe verhuring.
3
DAEB-norm: de inkomensgrens bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Woningwet.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
32
Regels voor sociale en middeldure koopwoningen:
Sociale en middeldure koopwoningen moeten gedurende 10 jaar onder de sociale koopprijs blijven. De sociale koopprijs wordt jaarlijks door het college vastgesteld.
Sociale koopwoningen mogen alleen verkocht worden aan mensen met een inkomen tot maximaal 1,5 maal de DAEB-norm.
Er geldt een meldingsplicht wanneer de woning wordt verkocht.
Doorwerking plangebied Om de Doelgroepenverordening toe te passen moet dit in het betreffende bestemmingsplan vastgelegd worden. In de regels behorende bij het bestemmingsplan is geregeld dat welk percentage sociale huurwoningen, zoals bedoeld in de 'Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Meierijstad' zoals die geldt ten tijde van de vaststelling van het plan (of diens rechtsopvolger), dient te worden gerealiseerd en conform de bepalingen in de bedoelde verordening in stand te worden gehouden.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
33
4
Milieuaspecten
Iedere ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat er in de beoogde situatie sprake is van goede omgevingscondities, waarbij er geen sprake is van overlast en hinder in relatie tot omliggende functies. Anderzijds dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu. In dit hoofdstuk wordt het planvoornemen getoetst aan de relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en op andere sectorale regelgeving (bijvoorbeeld archeologie, cultuurhistorie en ecologie).
4.1
Akoestiek
4.1.1
Toetsingskader
In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. 4.1.2
Toetsing
Voorgenomen planinitiatief voorziet in de realisatie van 54 woningen. Woningen worden onder de Wet geluidhinder gezien als geluidsgevoelige objecten. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nodig. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 2. In de nabijheid van het plangebied zijn meerdere wegen gesitueerd. dit betreft de A50 (100 km/u), Lieshoutseweg (50 km/u), Sonseweg (50/60 km/u), Schietbergweg (60 km/u) en Hoogstraat (60 km/u). Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom. De hoogst toelaatbare geluidbelasting bedraagt dan 63 dB. Voor de A50 zal de hoogst toelaatbare geluidsbelasting 53 dB zijn. Omdat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden voor de A50 en Sonseweg zal een hogere waarde ook nodig zijn voor de realisatie van het plan. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt dan niet overschreden. Echter snelwegen zoals de A50 moet beoordeeld worden vanaf het perspectief: buiten stedelijk gebied. In dit specifieke is de is de maximale ontheffingswaarde dan 53 dB. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt overschreden. Diverse overdrachtsmaatregelen zijn in de rapportage uiteengezet. Uit de beschouwing komt naar voren dat planrealisatie mogelijk is, echter zullen maatregelen benodigd zijn.
Hogere waarden Een hogere waarde is nodig omdat niet alle berekende geluidsniveaus komend van de gezoneerde wegen in de omgeving onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen. De architect zal waar nodig, rekening moeten houden met extra gevelwering, dove gevels en luchtcirculatie. De planrealisatie wordt mogelijk geacht. Zie paragraaf 3.6 van het onderzoek voor meer informatie. In de planregels is voorwaardelijk verplichtend opgenomen dat, daar waar geveldelen een hogere geluidbelasting
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
34
hebben dan 53 dB vanwege de A50, deze geveldelen doof moeten worden uitgevoerd en dat geluidgevoelige objecten met een dove gevel ook over een geluidluwe gevel dienen te beschikken. Een oplossing in de vorm van een loggia is hierbij denkbaar. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 64 dB ter plaatse westgevel van het meest westelijke gebouw op de 3e verdieping. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan ten hoogste 63 – 33 = 30 dB (eis uit het bouwbesluit). Specifieke waarden voor de gevelwering staan in tabel 5 van de onderzoek rapportage. Of een onderzoek naar de gevelwering nodig zal zijn kan de gemeente afwegen. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt bij het gebouw wordt geclassificeerd als ‘Zeer Goed’ tot ‘Slecht’. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gebouw wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.7.1 en 3.7.2 kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg staat. 4.1.3
Conclusie
Een hogere waarde is nodig omdat niet alle berekende geluidsniveaus komend van de gezoneerde wegen in de omgeving onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen. Voor bepaalde naar de A50 gekeerde geveldelen van het westelijke appartementencomplex geldt dat deze als dove gevel moet worden uitgevoerd. Bij de verdere planuitwerking zal waar nodig, rekening moeten houden met extra gevelwering, dove gevels en luchtcirculatie. Een mogelijke oplossing hiervoor is het toepassen van een loggia.
4.2
Archeologie
4.2.1
Toetsingskader
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die per 1 januari 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet een overgangsregeling opgenomen. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is met deze wet verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd.
In de toelichting van het bestemmingsplan dient op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, vijfde lid, onder deel a Bro) een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is met deze wet verplicht
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
35
om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De hoofddoelen van het provinciaal beleid zijn:
Duurzaam behoud en beheer van het archeologisch erfgoed in situ door gebiedsbescherming
Duurzaam behoud en beheer van het archeologisch erfgoed ex situ als behoud in situ onmogelijk blijkt
Vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor archeologie Brabant.
De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.2.2
Toetsing
Het plangebied ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode in een zone met een ‘Categorie 5: Hoge archeologische verwachting’. Volgens het geldende bestemmingsplan ‘Nijnsel’ is voor het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie-1’ opgenomen. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 200 m 2 en een verstoringsdiepte vanaf 50 centimeter beneden maaiveld. Middels deze kaarten heeft de gemeente aangegeven dat de locatie onderzoeksplichtig is. Het deel van het plangebied, ten westen van de Dahliastraat is in 2009 reeds onderzocht middels een archeologisch bureauonderzoek met een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten werd het gebied archeologisch vrijgegeven: “Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het plangebied geen vervolgonderzoek geadviseerd. De bodem is voor het grootste deel van het plangebied grondig verstoord door de aanleg van de A50 en het verleggen van de Sonseweg ter hoogte van de aansluiting met de Lieshoutseweg, waardoor de archeologische verwachting voor alle perioden is bijgesteld naar laag. Daarnaast is de archeologische verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum en voor nederzettingsresten uit de andere perioden voor de resterende delen van het plangebied ook bijgesteld naar laag”.
(Bron: Synthegra rapport S090185). De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie-1’ is voor dit deel van het plangebied niet overgenomen. Voor het gedeelte plangebied gelegen ten oosten van de Dahliastraat (zie figuur 12) is een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 3 bij deze plantoelichting. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies vermeld. Op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in het plangebied de verwachte hoge zwarte enkeerdgronden zijn aangetroffen. In bijna alle boringen is een (deels) intacte bodem aangetroffen. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat in het plangebied dat diepe ondergrond bestaat uit dekzandafzettingen, onderdeel van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het dekzand bestaat uit zwak siltig, matig fijn, goed gesorteerd zand.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
36
Figuur 12 Onderzoeksgebied archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek (bron: Aeres milieu)
De natuurlijke ondergrond bevindt zich op een diepte variërend tussen de circa 50 en 80 centimeter onder maaiveld (circa 12,16 – 13,03 meter +NAP). In het plangebied zijn (deels) intacte bodems aangetroffen, in de boringen zijn inspoelingshorizonten aanwezig. In bijna alle boringen is een Bhs- en BC-horizont aanwezig. In boring 3 is zelfs nog restanten van de E-horizont (uitspoelingshorizont) waargenomen. Op basis hiervan blijft de archeologische verwachting gehandhaafd (hoge voor de periode laat-paleolithicum - vroege middeleeuwen en middelhoge voor vroege middeleeuwen - nieuwe tijd). Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat bodemopbouw bestaat uit (deels) intacte enkeerdgronden. In bijna alle boringen is een Bhs- en BC-horizont aanwezig. Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen onder de humushoudende bovengrond (0 – 50 centimeter beneden maaiveld) archeologische resten aanwezig zijn. Wanneer er graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaat. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd.
Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Meierijstad). De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie-1’ is voor dit deel van het plangebied overgenomen waarmee de archeologische waarden worden beschermd.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
37
De resultaten van het archeologisch onderzoek zijn getoetst door de bevoegde overheid (gemeente Meierijstad). Het selectieadvies is opgenomen in bijlage 15 van deze plantoelichting. De gemeente sluit zich aan bij het uitgegeven advies van Aeres Milieu om een vervolgonderzoek uit te laten voeren om meer zicht te krijgen op de archeologische resten op het terrein. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende of voorbereidende activiteiten ondernomen kunnen worden. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en de conventionele methoden. Het doel van dit onderzoek is het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging, dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt. Echter, kan door de aard van het onderzoek, dat steekproefsgewijs wordt uitgevoerd, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zijn. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing.
De gemeente kan zich vinden in de uitkomsten van het onderzoek en sluit zich aan bij het advies van Aeres Milieu om een vervolgonderzoek uit te laten voeren. Voor het proefsleuvenonderzoek dient een PvE opgesteld te worden en ter goedkeuring worden voorgelegd aan de gemeente Meierijstad. In bijlage 15 is het selectieadvies opgenomen. 4.2.3
Conclusie
Wanneer er graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaat. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek middels proefsleuven geadviseerd. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Meierijstad).
4.3
Bedrijven en milieuzonering
4.3.1
Toetsingskader
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 4. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
4
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
38
Omgevingstype Er zijn twee omgevingstypes, namelijk een rustige woonwijk en gemengd gebied. Volgens de VNG-brochure is een rustige woonwijk, een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied, als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstypen gemengd gebied. In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied. 4.3.2
Toetsing
Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies(zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het anderzijds bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Er is een quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. Onderzocht is of er ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd, en of omliggende bedrijven (onevenredig) in hun belangen worden geschaad. Het plangebied is gelegen binnen een woonwijk, het gebied kan worden beschouwd als een ‘rustig woongebied’ en zal aan de bijbehorende richtafstanden worden getoetst. In de nabije omgeving is voornamelijk de functie ‘wonen’ aanwezig in combinatie met een aantal functies zoals ‘horeca’, ‘detailhandel’, ‘kantoor’, ‘bedrijf’ en ‘maatschappelijk’ in de nabije omgeving van het plangebied. Horeca Op circa 50 en 70 meter ten noordoosten van de planlocatie zijn twee percelen gelegen met de functie horeca. Op deze percelen is horeca toegestaan tot en met de horecacategorie 2.
horeca, categorie 1: een horecabedrijf, dat qua exploitatievorm aansluit bij winkelvoorzieningen en waar naast overwegend niet ter plaatse bereide kleinere etenswaren en in hoofdzaak alcoholvrije drank wor
den verstrekt; horeca, categorie 2: een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden. Daaronder worden begrepen: cafetaria/snackbar, fastfood en broodjeszakenlunchroom, konditorei, ijssalon/ijswinkel koffie en/of theeschenkerij, afhaalcentrum, eetwinkels, restaurant;
Het perceel gelegen op 70 meter betreft het eetcafé ‘Highway 51’. Deze functie is te scharen onder ‘Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.’ opgenomen in de VNG richt afstandenlijst. Voor deze functies geldt de milieucategorie 1, met een richtafstand van 10 meter binnen een rustige woonwijk en rustig buitengebied. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Het perceel gelegen op 50 meter betreft een restaurant en kroeg op de begane grond, bovengelegen zijn woningen. Restaurant en een café beschikken in de VNG richtafstanden lijst beide over de milieucategorie 1, hier geldt een richtafstand van 10 meter voor een rustige woonwijk. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
39
Detailhandel Op circa 90 meter ten noordoosten van het plangebied is een perceel gelegen met de enkelbestemming ‘Detailhandel’, deze gronden zijn bestemd voor; detailhandel en wonen op de verdieping. ‘Detailhandel voor zover n.e.g.’ beschikt over de milieucategorie 1 binnen de VNG richtafstanden lijst. Hier geldt een richtafstand van 10 meter voor een rustige woonwijk. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Kantoor Op circa 60 meter ten oosten van de planlocatie is het perceel gelegen met de functie ‘kantoor’. In de VNG publicatie is dit te categoriseren als overige zakelijke dienstverlening: kantoren, met een milieucategorie 1. Hier geldt een richtafstand van 10 meter binnen een rustige woonwijk en rustig buitengebied. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Bedrijf Op circa 150 meter ten zuiden van de planlocatie is een perceel gelegen met de enkelbestemming ‘Bedrijf’. Het betreft een groothandel in bouwmaterialen aan de Sonseweg 5. Dit bedrijf valt onder milieucategorie 3.1 en is toegestaan volgens de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – bouwmaterialen’. De bijbehorende richtafstand is 50 meter voor een rustige woonwijk en buitengebied. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.
Maatschappelijk Op circa 110 meter ten noordwesten van de planlocatie is een perceel gelegen met de functie ‘maatschappelijk’, dit betreft een Boulesvereniging ‘De Klutsers’ en de stichting zalencentrum ‘De Beckart’. De Boulesvereniging is geschaard onder sporthallen, dit betreft de milieucategorie 2 en heeft een richtafstand van 30 meter. Het zalencentrum wordt geschaard onder evenementhallen met de milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter. Hier wordt aan voldaan. Tevens is op circa 140 meter ten noordoosten van de planlocatie een perceel gelegen met de functie ‘maatschappelijk’, dit betreft een begraafplaats behorend bij de ‘Heilige Antonius van Padua’ kerk. In de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering is dit geschaard onder de milieucategorie 2, met een richtafstand van 30 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Agrarische functies In Zuidoost-Brabant zijn veel intensieve veehouderijen gelegen. In onderstaande tabel zijn de veehouderijen weergegeven gesitueerd in de nabije omgeving van het plangebied. De veehouderijen zijn getoetst middels de milieucategorie opgenomen in de VNG publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’ en de daarbij behorende richtafstanden. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied ruim buiten de gestelde richtafstanden is gelegen.
De veehouderijen vormen geen belemmeringen voor het voorgenomen planinitiatief, tevens worden de veehouderijen niet belemmerd in hun bedrijfsvoering door de voorgenomen ontwikkeling.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
40
Richtafstand ‘rustige woonwijk’ /
Soort Afstand tot planlocatie
Milieucategorie
‘rustig buitengebied’.
Paarden
Ca. 460 meter
3.1
50
Hoogstraat 15, 5492 VT
Paarden
Ca. 500 meter
3.1
50
Hoogstraat 20, 5492 VW
Zeugen
Ca. 680 meter
3.1
50
Houtsestraat 14, 5492 TM
Paarden
Ca. 740 meter
3.1
50
Houtsestraat 17, 5492 TM
Zeugen
Ca. 690 meter
4.1
200
Houtsestraat 16, 5492 TM
Melkrundvee
Ca. 800 meter
3.2
100
Houtsestraat 20, 5492 TM
Schapen
Ca. 810 meter
3.1
50
Houtsestraat 22, 5492 TM
Biggen
Ca. 900 meter
4.1
200
Rooise Heide 12 5492 TG
Melkrundvee
Ca . 710 meter
3.2
100
Adres
veehouderij
Hoogstraat 13, 5492 VT
4.3.3
Conclusie
Middels de uitgevoerde beoordeling is inzichtelijk gemaakt met welke richtafstanden bij de invulling van het plan rekening moet worden gehouden. De omgeving van het plangebied is getypeerd als rustig woongebied. De aanwezige functies vormen geen belemmering voor het planvoornemen, tevens belemmert het planinitiatief bestaande aanwezige functies niet in hun bedrijfsvoering. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen.
4.4
Bodem
4.4.1
Toetsingskader
In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6. lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieu-hygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. 4.4.2
Toetsing
Ten behoeve van voorstaand planinitiatief is een verkennend bodemonderzoek, infiltratieonderzoek en asfaltonderzoek uitgevoerd door Milon. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 4, hieronder zijn de belangrijkste waarnemingen opgenomen.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
41
Verkennend bodemonderzoek Grond Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bovengrond van diverse boringen sporen van baksteen, beton, kolengruis en sintels waargenomen. In de zintuiglijk verontreinigde mengmonsters van de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten zink, cadmium, PCB en PAK aangetoond. In de zintuiglijk schone mengmonsters van de boven- en ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Vermoedelijk is er een verband tussen de verhoogde gehalten en de waargenomen bijmengingen. Op basis van de resultaten van de PFAS-analyses worden de zintuiglijk verontreinigde (meng)monsters van de bovengrond beoordeeld als bodemfunctieklasse ‘wonen’. Het zintuiglijk schone mengmonster van de bovengrond wordt beoordeeld als bodemfunctieklasse ‘landbouw/natuur’. Grondwater In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium en zink aangetoond. Vermoedelijk betreffen dit natuurlijk verhoogde achtergrondconcentraties. Toetsing hypothese Door de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond en de licht verhoogde concentraties in het grondwater moet de opgestelde hypothese formeel gezien verworpen worden. Op basis van de resultaten is een aanvullend onderzoek met een aangepaste hypothese niet nodig. Infiltratieonderzoek Omdat aan de ontwikkeling van de locatie eisen zijn verbonden met betrekking tot de infiltratie van hemelwater is door MILON de doorlatendheid berekend.
Op basis van de uitgevoerde metingen kan over het algemeen geconcludeerd worden dat de bodem goed doorlatend is. Enkele metingen zijn vroegtijdig beëindigd doordat deze langer dan één uur duurde. Hierdoor beoordelen wij deze lagen als slechtdoorlatend. Asfaltonderzoek Op basis van de analyseresultaten is een gedeelte van het asfalt teerhoudend en dient het te worden afgevoerd naar een erkende verwerker. In totaal wordt het totale volume teerhoudend asfalt ingeschat op 138 ton. Een deel van het asfalt is herbruikbaar. Het totale volume teervrij asfalt wordt ingeschat op 128 ton. Ten behoeve van de beoogde herinrichting zal het aanwezige puingranulaat en menggranulaat worden verwijderd. Het aanwezige puingranulaat en menggranulaat (onder het asfalt) is bij het voorgaand bodemonderzoek niet onderzocht op asbest (conform NEN 5897) en is er geen samenstellings- en uitloogonderzoek verricht. Tevens is de verdachte bodemlaag onder het puingranulaat en menggranulaat niet onderzocht (conform NEN 5740, VED-HE). Deze aanvullende onderzoeken zijn reeds in werking. Het uitvoeren van de onderzoeken is middels een voorwaardelijke verplichting in de bestemmingsplan regels geborgd. 4.4.3
Conclusie
Ten behoeve van de beoogde herinrichting wordt reeds een aanvullend onderzoek uitgevoerd. de uitvoering van deze onderzoeken is geborgd middels een voorwaardelijke verplichting. Het aspect bodem zorgt niet voor belemmeringen voor de beoogde herbestemming.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
42
4.5
Cultuurhistorie
4.5.1
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.5.2
Toetsing
Het plangebied is gelegen binnen het cultuurhistorische landschap ‘Groene Woud’. Het Groene Woud is aangewezen als Nationaal Landschap. Kenmerkend is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. In de huidige situatie is er reeds sprake van bebouwing binnen het plangebied. De herontwikkeling ziet toe op een transformatie van verouderd stedelijk gebied, de ontwikkeling omvat het slopen van verouderde woningen en het realiseren van nieuwe duurzame woningen. De Dahliastraat en Sonseweg zijn aangeduid als historisch geografische lijnen van redelijk hoge waarde (zie figuur 13). De ontwikkeling doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van deze wegen, aangezien deze wegen niet veranderd worden. Daarnaast heeft de ontwikkeling geen invloed op de structuren van de cultuurhistorische regio’s. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘cultuurhistorie’ niet zorgt voor belemmeringen bij uitvoering van onderhavig initiatief. In de ruimere omtrek van het plangebied zijn enkele beeldbepalende panden / monumenten gelegen, zoals de kerk. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan deze panden.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
43
Figuur 13 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant, plangebied globaal gelegen binnen rode omlijning (Bron: provincie Noord-Brabant)
4.5.3
Conclusie
Het aspect Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Ecologie
4.6.1
Toetsingskader
De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
44
behoeve van de sloop van de huidige bebouwing en de komst van nieuw te realiseren woningen en appartementencomplexen, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De volledige rapportage van het ecologisch onderzoek is opgenomen als bijlage 5 bij deze plantoelichting. 4.6.2
Toetsing Wettelijke gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Stikstofonderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Kampina & Oiserwijkse Vennen”, bevindt zich op ruim 12,5 kilometer afstand ten westen van de planlocatie. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de huidige bebouwing gesloopt en worden maximaal 55 woningen/appartementen gerealiseerd. Dit kan leiden tot uitstoot van stikstof tijdens de aanlegfase en gebruiksfase.
Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is op 12 december 2023 een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er bij de aanlegfase en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie voor dit aspect worden uitgesloten. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. De notitie stikstofberekening is opgenomen als bijlage 6 bij deze plantoelichting, inclusief de door AERIUS gegenereerde rapportages voor de aanlegfase en gebruiksfase. 4.6.3
Toetsing Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
45
Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant, Groenblauwe mantel en Nationaal landschap. Gronden die tot Natuurnetwerk Brabant behoren liggen op minimaal 450 meter aftand van het plangebied. Gronden die tot de Groenblauwe mantel en het Nationaal landschap behoren liggen op een minimale afstand van 0,5 kilometer van het plangebied. Daarnaast is de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten lokaal en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB heeft, er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. 4.6.4
Toetsing houtopstanden en Soortenbescherming
De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming). Houtopstanden Wegens de ligging binnen de bebouwde kom van de Wet natuurbescherming is de bomenverordening van de gemeente Meierijstad van toepassing. Er dient te worden nagegaan of een (omgevings-)vergunning aangevraagd moet worden voor het rooien van de desbetreffende bomen. Indien er een vergunning nodig is, dient, afhankelijk van de gemeente, een Bomen Effect Analyse ten een Boomwaardebepaling te worden uitgevoerd. Eveneens geldt er een herplantplicht voor de bomen die gerooid worden.
In hoeverre deze plicht geldt, is ook afhankelijk van de desbetreffende gemeente. Vogels Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel beschouwd voor verschillende vogelsoorten en zijn er waarneming bekend van de gierzwaluw, huismus, kerkuil, sperwer en torenvalk. Tijdens het veldbezoek zijn meerdere nesten van houtduiven in bomen en kauwen in de bebouwing aangetroffen. Daarnaast zijn er meerdere waarnemingen gedaan van huismussen met nesten in woningen buiten het onderzoeksgebied. Aangezien alle woningen beschikken oer een dak gedekt met dakpannen kunne nesten van de huismus niet uitgesloten worden. Daarnaast zijn er openingen onder de loodlappen bij de schoorstenen en is er een dergelijke ruimte tussen de kantpannen en de gevel dat een nest van de gierzwaluw niet uitgesloten kan worden. Als gevolg van het slopen van de woningen, wordt mogelijk een nest of nestplaats van een gierzwaluw beschadigd. Om nesten van gierzwaluwen in de bebouwing in het onderzoeksgebied te kunnen vaststellen, is specifiek vervolgonderzoek vereist. Een volledig gierzwaluwonderzoek zal moeten worden uitgevoerd, bestaande uit drie avondbezoeken in de periode 15 mei tot en met 15 juli.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
46
Als gevolg van de sloop van de woningen, wordt mogelijk een nest of nestplaats van een huismus beschadigd en vernield met als gevolg dat vogels gedood worden of eieren beschadigd raken en of vernield worden. een specifiek vervolgonderzoek is vereist om de aanwezigheid van nesten te kunnen vaststellen en/of uitsluiten. Dit onderzoek bestaat uit twee ochtendbezoeken aan het gebied in de periode 1 april tot en met 15 mei. Vleermuizen Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde vleermuissoorten beschouwd en er zijn waarnemingen bekend van de gewonde dwergvleermuis in de nabijheid van het onderzoeksgebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen vleermuizen waargenomen, echter zijn wel meerdere invliegopeningen waargenomen die toegang geven tot potentiele vaste rust- en/of voorplantingsplaatsen in het onderzoeksgebied. Het restaurant beschikt over bakstenen buitengevels met luchtspouw en heeft aan drie zijdes open stootvoegen. Daarnaast hebben de woningen 2,3 en 4 kantpannen met ruimte tussen de pan en de gevel waar vleermuizen mogelijk een verblijfplaats kunnen bezetten. Tevens beschikken alle woningen over bakstenen buitengevels met luchtspouw en open stootvoegen, in de woningen zitten echter op een halve meten van de grond en kunnen hierdoor geen invliegopeningen vormen voor vleermuizen.
De bomen binnen het gebied beschikken niet over holen in de stam of losse schors, hierdoor vormen ze geen mogelijke verblijfsplaats voor de vleermuis. Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen is specifiek vervolgonderzoek vereist. Een volledig onderzoek, conform het vleermuisprotocol, bestaat uit minimaal vijf bezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode 15 mei – 30 september. Nader onderzoek is vereist. Voor de overige nestelende vogelsoorten is enkel het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode te worden uitgevoerd. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijden het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten vernield/beschadigd worden. om dit te voorkomen dient dan een broedvogelscan te worden uitgevoerd. Grondgebonden zoogdieren Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren beschouwd en is er een waarneming bekend van de bever en eekhoorn in de omgeving van Nijnsel.
Grondgebonden zoogdieren die in het onderzoeksgebied voor kunnen komen zijn de bosmuis, huisspitsmuis, haas, eekhoorn, egel en konijn. De voorgenoemde muizensoorten bezetten mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen spullen. Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Voor het beschadigen/vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggejaagd of weggevangen te worden of er dient ontheffing aangevraagd te worden.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
47
Reptielen Op basis ban het veldbezoek wordt het onderzoeksgebied niet als functioneel leefgebied voor reptielen soorten beschouwd. Er is echter wel waarneming van de levendbarende hagedis in de nabijheid van het onderzoeksgebied. Echter is het habitat voor de levendbarende hagedis niet aanwezig binnen het onderzoeksgebied, aanwezigheid van deze soort kan dus worden uitgesloten. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties voor reptielen. Amfibieën Op basis van het veldonderzoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde amfibieënsoorten beschouwd. Er zijn geen waarnemen bekend van streng beschermde amfibieënsoorten. De algemeen beschermde amfibieënsoorten benutten de buitenruimte mogelijk als foerageergebied en mogelijk bezetten ze een (winter)rustplaats. Mogelijk vormt de sloot ten zuiden een voortplantingsbiotoop voor deze soorten, deze blijft echter behouden. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond. Het onderzoeksgebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten beschouwd. Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De in de het onderzoek voorkomende amfibieën mogen niet gedood worden.
voor het beschadigen/vernielen van de rusten voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling. Ze moeten worden weggevangen of er dient ontheffing worden aangevraagd. Vissen Omdat er geen open water (sloten, vijvers, watergangen) in het onderzoeksgebied aanwezig zijn of niet negatief worden beïnvloed, zijn beschermde vissoorten en kreeftachtigen niet meegenomen in voorliggend onderzoek. Tevens geven de NDFF-verspreidingsgegevens van vissen en kreeftachtigen (NDF, 2023) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen. Ongewervelde diersoorten In het onderzoeksgebied zijn geen beschermde ongewervelden waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat het onderzoeksgebied geschikt habitat vormt voor beschermde ongewervelden. Het uitvoeren van voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties voor ongewervelden. Vaatplanten Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde plantsoorten aangetroffen. Daarnaast wordt het onderzoeksgebied op basis van de verspreidingsatlassen en NDFF niet als geschikt beschouwd op het voorkomen van beschermde plantensoorten. Uitvoeren van voorgenomen activiteiten lieden niet tot wettelijke consequenties voor het aanwezige flora. Nader onderzoek naar vleermuizen is verplicht voor het restaurant en alle woningen.
Nader onderzoek dient uitgevoerd te worden naar de huismus en gierzwaluw in de woningen gedekt met dakpannen. Tevens geldt voor de overig aanwezige vogelsoorten dat het uitvoeren van voorgenomen activiteiten buiten de broedperiode moet plaatsvinden of er dient een broedvogelscan te worden uitgevoerd. Er dient ten alle tijden gewerkt te worden conform de Zorgplicht. 4.6.5
Nader Soortenonderzoek
Vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen en hun verblijfplaatsen/nestplaatsen zijn strikt beschermd en mogen alleen negatief beïnvloed worden indien een ontheffing van de Wet natuurbescherming is verkregen.
Bestemmingsplan Sonseweg e.o. te Nijnsel
48
Om volledig inzicht te krijgen in de betekenis van de bebouwing voor vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen is een gericht onderzoek te uitgevoerd naar deze soorten. De volledige rapportage Nader Soortenonderzoek is opgenomen als bijlage 7. Onderstaand staan de belangrijkste conclusies vermeld. In de zomer en het najaar van 2023 is de bebouwing in het onderzoeksgebied onderzocht op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen en op nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen. Het onderzoek is uitgevoerd volgens het daarvoor geldende protocol en kennisdocumenten en is volledig en onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Uit het onderzoek is gebleken er geen verblijfplaats van vleermuizen in de onderzochte bebouwing is vastgesteld. Tevens vormt het onderzoeksgebied geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen en is er geen essentiële vliegroute aanwezig. Daarnaast zijn er geen nesten van de gierzwaluw vastgesteld. In het kader van het bestemmingsplan geen ontheffing noodzakelijk. 4.6.6
Conclusie
Wegens de ligging binnen de bebouwde om van de Wet natuurbescherming is de bomenverordening van de gemeente Meierijstad van toepassing. Er dient te worden nagegaan of een (omgevings-)vergunning aangevraagd moet worden voor het rooien van de desbetreffende bomen. Dit onderdeel zal bij de planuitvoering nader worden beschouwd. Er zijn op voorhand geen belemmeringen te verwachten. Het planvoornemen heeft geen negatieve effecten op Natura2000-gebieden, NNB of beschermde soorten.