Bijlage 1.1 Toelichting
Tekst van het document
4.1
Bedrijven en milieuzonering
Om te toetsen of de milieuhygiënische aspecten van het niet-agrarische bedrijf invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven op een locatie op voldoende afstand van woningen komen en dat nieuwe woningen en andere geurgevoelige functies op een aanvaardbare afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen dient twee doelen, ten eerste het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, ten tweede bedrijven voldoende zekerheid bieden zodat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als hulpmiddel wordt de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG, editie 2009 gebruikt. Bedrijven worden hierin opgenomen in een tabel die is onderverdeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf wordt aangegeven wat de richtafstand tot een woning dient te zijn. De VNG-publicatie geeft niet aan wat wel en niet is toegestaan, de afstanden zijn indicatief. Een gemeente is vrij om zelf te bepalen wat in welke mate wenselijk is. De woningen nabij de beoogde niet-agrarische bedrijfslocatie worden genummerd weergegeven in Figuur 4.
Figuur 4: Situering planlocatie (rood omkaderd) met omliggende woningen (bron: Google Earth Pro)
24 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
Het onderhavige initiatief betreft het omzetten van een agrarische bedrijfsbestemming naar een nietagrarische bedrijfsbestemming in het buitengebied. Door deze planologische omzetting wordt mogelijk gemaakt dat een ander type bedrijfsvoering wordt uitgevoerd ter plaatse van de planlocatie. Omdat voor verschillende typen bedrijfsvoering verschillende richtafstanden gelden, dienen de nabije gevoelige functies te worden getoetst aan de relevante richtafstanden die horen bij de beoogde bedrijfsvoering. Door de richtafstanden van de beoogde bedrijfsvoering te toetsen aan de afstanden tot de omliggende gevoelige functies wordt een indicatie verkregen in hoeverre de toevoeging van de beoogde bedrijfsvoering zorgt voor een nadelige werking op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de gevoelige functies (in dit geval functie ‘Wonen’). Zoals wordt beschreven in de inleiding van de voorliggende toelichting is WBS een kleinschalig bouwbedrijf dat gespecialiseerd is in het uitvoeren van timmer- en bouwwerkzaamheden. Deze werkzaamheden bestaan voor een groot deel uit het bepalen van afmetingen en afstanden, het repareren en monteren van constructies, het op maat zagen van platen en balken en het af- en bewerken van oppervlakken, aansluitingen en naden. Al deze werkzaamheden vinden plaats op locatie bij de klant.
Hierdoor worden de activiteiten die het meeste geur, stof, geluid en gevaar tot gevolg hebben niet op de planlocatie uitgevoerd. De activiteiten die op de planlocatie worden uitgevoerd hebben betrekking op het bestuderen van schetsen, tekeningen en bouwplannen ter voorbereiding op het bouw- en timmerwerk en het laden, lossen en opslaan van materialen en gereedschap. De activiteiten die op de planlocatie worden uitgevoerd hebben een kleinere invloed op de hoeveelheid geur, stof, geluid en gevaar ter plaatse dan de bouw- en timmeractiviteiten die op locatie tijdelijk worden uitgevoerd. Het is daarom niet passend om in de toetsing van milieuzonering de planlocatie te beoordelen als een plek waar bouw- en timmerwerkzaamheden worden uitgevoerd. De planlocatie wordt wat betreft milieuzonering ingeschaald als opslaggebouw, waardoor de richtafstanden behorend bij milieucategorie 2 dienen te worden toegepast. In de omgeving van de planlocatie is sprake van een geringe variatie aan functies, waardoor de omgeving kan worden beoordeeld als rustig buitengebied. In het rustig buitengebied wordt voor milieucategorie 2 een maximale richtafstand van 30 meter gehanteerd. De richtafstanden genoemd in de VNG brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering 2009’ zijn gebaseerd op gemiddelde bedrijfsomvang met de daarbij behorende gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen.
Het meten van de richtafstanden vindt in beginsel plaats van de grens van de gebruiksbestemming tot aan de gevel van het gevoelig object. De algemene richtafstanden dienen niet aangemerkt te worden als een harde afstandseis en op basis van lokale situatie is een geringe afwijking mogelijk. Ruimere afwijkingen van de richtafstanden zijn uitsluitend mogelijk wanneer is gebleken dat de situatie voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. De burgerwoningen aan Vresselseweg 57 (3 in Figuur 4) en Vresselseweg 34 (4 in Figuur 4) vallen binnen de richtafstand van 30 meter vanaf de planlocatie. De navolgende paragrafen in hoofdstuk 4 onderbouwen de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woningen als gevolg van het onderhavige initiatief.
4.2
Geur
Een goede ruimtelijke ordening voorziet onder andere in het voorkomen van hinder door milieubelastende activiteiten. Tevens dient voorkomen te worden dat de vestiging van een nieuwe functie invloed heeft op de mogelijkheden van bestaande functies en bedrijven. Er wordt een nietagrarische bedrijfsfunctie in de nabijheid van diverse woonbestemmingen opgericht en een voormalige agrarische bedrijfswoning wordt naar een niet-agrarische bedrijfswoning herbestemd. Het opslaan van bouwmaterialen heeft geen gevolgen voor omliggende gevoelige functies voor het aspect geur, waardoor geurhinder als gevolg van de vestiging van opslagbebouwing wordt uitgesloten. 25 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
Het aspect geur ter plaatse van de bedrijfswoning dient te worden onderzocht. De volgende onderzoeksvragen zijn hierbij van belang: 1. Is ter plaatse van de voorgenomen niet-agrarische bedrijfswoning sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van het aspect veehouderijen en milieuzonering? 2. Worden de belangen / ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen, als gevolg van de voorgenomen herbestemming van de agrarische bedrijfswoning geschaad? Op het aspect geur worden twee veehouderijen in de omgeving van de planlocatie meegenomen in de toetsing, te weten een varkenshouderij aan de Vresselseweg 40 en een melkveehouderij aan de Oude Vresselseweg 1. Wat betreft het aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de werkzaamheden ten behoeve van de varkenshouderij wordt aangenomen dat er aan de geurnormen wordt voldaan. In de directe omgeving van deze veehouderij zijn namelijk geurgevoelige objecten gelegen op kortere afstand dan de planlocatie. Daardoor dient bij ontwikkelingen getoetst te worden aan het woon- en leefklimaat van deze burgerwoningen. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze varkenshouderij. Aan de Oude Vresselseweg 1 is een veehouderij gelegen gericht op het fokken en houden van melkvee.
Voor het fokken en houden van rundvee is in de VNG-handreiking een richtafstand opgenomen van 100 meter voor geur. Het aspect geur afkomstig van veehouderijen wordt gereguleerd in enerzijds de Wet geurhinder en veehouderij en anderzijds het Activiteitenbesluit milieubeheer. Beide regimes zijn inhoudelijk nagenoeg gelijkluidend. Het wettelijk regime voor geur maakt onderscheid tussen dieren waarvoor bij ministeriële regeling (de Regeling geurhinder en veehouderij) geuremissiefactoren zijn opgenomen en tussen dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn opgenomen. Dieren met geuremissiefactoren zijn bijvoorbeeld varkens en pluimvee. Dieren zonder geuremissiefactoren zijn bijvoorbeeld melkkoeien en paarden. Voor dieren met geuremissiefactoren gelden waarden voor geurbelasting (en minimumafstanden voor (voormalige) bedrijfswoningen bij andere veehouderijen). Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden alleen minimumafstanden. Op de veehouderijlocatie aan de Oude Vresselseweg 1 is melkvee aanwezig. Er behoeft dus uitsluitend op minimumafstanden te worden getoetst. Artikel 4 van de Wet geurhinder en veehouderij luidt als volgt: De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object bedraagt: a.
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Tenslotte geldt voor alle stallen een minimale afstand tussen de buitenzijde van de gevel van een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object van 50 meter en 25 meter respectievelijk binnen en buiten de bebouwde kom. Door de ligging buiten de bebouwde kom geldt een minimaal vereiste afstand van 50 meter vanaf de emissiepunten tot de geurgevoelige objecten op het terrein en 25 meter tot de gevels van de geurgevoelige objecten op het terrein. In de onderhavige situatie is de afstand tussen het bouwvlak van de melkveehouderij en het beoogde bouwvlak op de planlocatie circa 80 meter en circa 125 meter van de buitenzijde van het dierenverblijf tot de buitenzijde van de bedrijfswoning. Daardoor wordt aan de gestelde minimumafstanden uit de Wet geurhinder en 26 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
veehouderij voldaan. Door het bovengenoemde worden er geen belemmeringen verwacht op het aspect geur ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Luchtkwaliteit
In het kader van de onderhavige planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient de uitwerking op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de ‘Wet luchtkwaliteit’ in beeld te worden gebracht. In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen opgenomen. Het doel van deze wet is om mensen te beschermen tegen het gevaar van luchtvervuiling. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen zijn vertaald naar grenswaarden van de concentratie van stikstofdioxide, fijn stof, lood, zwaveldioxide, koolmonoxide en benzeen. Ruimtelijke ingrepen dienen te worden beoordeeld op basis van de ‘Wet luchtkwaliteit’ c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering als: - er geen sprake is van een feitelijke dreigende overschrijding van een grenswaarde; - door toedoen van het project, al dan niet per saldo, de luchtkwaliteit niet verslechtert; - een uitoefening of toepassing ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan luchtverontreiniging; - een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 is vastgesteld.
Projecten waarvan is vastgesteld dat deze ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De bijlage geeft een harde omschrijving van een aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij één ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen. Het onderhavige initiatief betreft een bestemmingswijziging waarbij een verkleining van het bouwvlak wordt toegepast die ruimte biedt voor een vergroting van de bestaande opslagloods die ten dienste staat van een bouw- en timmerbedrijf.
Het onderhavige initiatief heeft geen invloed op het aantal verkeersbewegingen en de aard van de werkzaamheden is van dien aard dat de groei van het bedrijf niet wordt beoordeeld als een ontwikkeling die bijdraagt aan een toename van vervuilende stoffen in de atmosfeer. De invloed van dit project op de luchtkwaliteit kan worden beschouwd als ‘niet in betekenende mate’. Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
4.4
Geluid / wegverkeerslawaai
In het kader van geluid is de Wet geluidhinder van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Het opslaan van bouwmaterialen veroorzaakt nauwelijks tot geen hinder op het gebied van geluid, waardoor geluidshinder als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt uitgesloten. Over het 27 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
wegverkeerslawaai van de Vresselseweg op de niet-agrarische bedrijfswoning wordt het volgende geconcludeerd: Indien ten tijde van de vaststelling van een bestemmingsplan een weg reeds aanwezig of in aanleg is, hoeft er op het aspect wegverkeerslawaai geen hogere waarde in acht te worden genomen. Op basis van art. 76 lid 3 Wet geluidshinder hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Omdat er geen wijzigingen optreden op de aanwezige Vresselseweg zal er dus niet getoetst worden aan de grenswaarden. Op het aspect geluid en wegverkeerslawaai wordt geen belemmering verwacht ten aanzien van het voorgenomen initiatief.
4.5
Externe veiligheid
4.5.1 Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. 4.5.2 Toetsingskader Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= ‘1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van 28 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Tabel 1: Overzicht verantwoordingsplicht groepsrisico Bron Wanneer groepsrisicoverantwoording? Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)
Weg, spoorweg of binnenwater (Bevt)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Structuurvisie buisleidingen De Structuurvisie Buisleidingen is een visie van het Rijk waarmee het Rijk voor de komende 20 tot 30 jaar ruimte wil reserveren in Nederland voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Het gaat daarbij om ondergrondse buisleidingen voor het transport van aardgas, olieproducten en chemicaliën, die provinciegrens- en vaak ook landgrensoverschrijdend zijn. In de Structuurvisie wordt een hoofdstructuur van verbindingen aangegeven waarlangs ruimte moet worden vrijgehouden, om ook in de toekomst een ongehinderde doorgang van buisleidingtransport van nationaal belang mogelijk te maken. De Structuurvisie Buisleidingen is het vervolg op het Structuurschema Buisleidingen uit 1985. Het doel van deze Structuurvisie is ook opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Hierin is als nationaal belang (nationaal belang nr. 3) vermeld: ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van(gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. Daarbij is aangegeven dat het beleid voor buisleidingen op land in de Structuurvisie Buisleidingen wordt uitgewerkt.
De Structuurvisie Buisleidingen gaat verder in op het beleid zoals dat de afgelopen jaren is ontwikkeld voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Voor deze leidingen, reeds bestaand of nieuw, geldt dat het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) gemeenten verplicht deze leidingen op te nemen in het bestemmingsplan met een belemmeringenstrook van 4 of 5 meter ter weerszijden van de leiding. Verder dient op grond van het Bevb voor alle leidingen rekening te worden gehouden met de risiconormering die voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen geldt.
29 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De juridische doorwerking van de Structuurvisie Buisleidingen is opgenomen in het Barro en Rarro. In het Barro (Titel 2.9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen) is de verplichting opgenomen om bij de opstelling of aanpassing van bestemmingsplannen of inpassingsplannen stroken vrij te houden voor de buisleidingen. Het gaat hierbij om vrijwaren en niet om bestemmen. In het Rarro (Paragraaf 4. Voorkeurstracés buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen) zijn de voorkeurstracés voor buisleidingen opgenomen. Het voorkeurstracé is maximaal 70 meter aan beide zijden van het hart van de buisleidingstrook. Gemeenten die te maken hebben met leidingstroken zijn verplicht om bij het wijzigen van bestemmingsplannen rekening te houden met toekomstige leidingen op hun grondgebied en moeten voorkomen dat er nieuwe belemmeringen ontstaan. In het Barro is aangegeven dat aan weerszijden van de voorkeurstracés een zoekgebied geldt van 250 meter. Daarbinnen kan de gemeente de exacte ligging van het buisleidingentracé bepalen, mits het tracé aansluit op het voorkeurstracé bij de naastliggende gemeenten en het tracé dezelfde breedte heeft als de breedte van het grootste deel van het tracé.
Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. Beleidsvisie externe veiligheid De voormalige gemeente Sint-Oedenrode (thans Meierijstad) beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Sint-Oedenrode, 2011). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de gemeentelijke aanpak van externe veiligheid. Bij de verantwoording van het groepsrisico wordt een brede afweging van belangen van diverse beleidsvelden verwacht. Het integrale karakter van deze groepsrisicoverantwoording maakt dat nadrukkelijk afstemming moet plaatsvinden tussen de beleidsvelden ruimtelijke ordening, milieubeheer en de rampenbestrijding. In de visie van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode moeten groepsrisicovraagstukken daarom integraal, dat wil zeggen in onderlinge afstemming tussen alle betrokken beleidsvelden, worden beoordeeld. Pas wanneer de verantwoording met de volwaardige inbreng van alle beleidsvelden heeft plaatsgevonden, kan sprake zijn van integrale besluitvorming. Op basis van de prioritering en de beleidsvrijheid is voor Sint-Oedenrode gezocht naar een doelmatig toetsingskader.
Binnen de geldende wet- en regelgeving is getracht de aandacht te richten op situaties met een hoger risicoprofiel en minder aandacht te richten op situaties met een laag risicoprofiel. De planologische kaders zijn gebaseerd op een zone-indeling. Hierbinnen wordt zoveel mogelijk beschreven: - wat het invloedsgebied is, gemeten vanaf de risicobron; - welke scenario’s bepalend zijn; - welke kwetsbare of beperkt kwetsbare groepen bijzondere aandacht verdienen; - in hoeverre standaard maatregelen en verantwoording mogelijk is; - of de groepsrisicoverantwoording moet worden ondersteund met een kwantitatieve risicoberekening of kan worden volstaan met een kwalitatieve risicobeschrijving.
30 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
4.5.3 Toetsing Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode is voor de RRPbuisleidingen1 geen specifiek toetsingskader opgenomen. In de beleidsvisie wordt dit in paragraaf 3.5.2. als volgt verwoord en onderbouwd: Het invloedsgebied en groepsrisico is dermate klein dat geen specifiek toetsingskader noodzakelijk is. Ook het periodieke of incidentele transport van andere stoffen (waaronder K1-vloeistoffen) heeft geen grote gevolgen in het buitengebied en hiervoor hoeft geen specifiek toetsingskader te worden ontwikkeld2. De beleidsvisie externe veiligheid van de (voormalige) gemeente Sint-Oedenrode vormt derhalve geen belemmering voor het onderhavige initiatief. Barro & Structuurvisie buisleidingen 2012-2035 Artikel 2.9.4 Barro stelt dat er in een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten toegelaten mogen worden die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van buisleidingen in nationaal belang. Met de structuurvisie buisleidingen reserveert het Rijk voor de komende 20-30 jaar ruimte voor eventuele toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Gemeenten hebben deze leidingen opgenomen in het bestemmingsplan, met een belemmeringstrook van 4-5 meter aan weerszijden van de leiding.
Figuur 5: Uitsnede Structuurvisie buisleidingen 2012-2035
Bovenstaande figuur geeft de Structuurvisie buisleidingen weer nabij het plangebied. De buisleiding(en) en belemmeringsstrook lopen niet door het plangebied. Het Barro en de structuurvisie buisleidingen vormen geen belemmering voor onderhavig plan.
1 Het betreft een 24 inch leiding voor de transport van nafta en een 36 inch leiding voor het transport van crude-oil
(ruwe olie). 2 In het Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen (Min. I&M, oktober 2010) wordt gesteld dat voor K1 vloeistoffen een plasbrand het maatgevend scenario is. Alleen bij zeer hoge dichtheden (enkele honderden personen per ha) kan een relevant groepsrisico optreden. 31 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
(Beperkte) verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een tweetal RRP buisleidingen dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio conform artikel 12, lid 2 van het Bevb om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Personendichtheid en hoogte van het groepsrisico Aangezien er geen toename is van het aantal aanwezige personen, is er tevens geen sprake van een toename van het groepsrisico. Mogelijkheden bestrijdbaarheid van een calamiteit De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld: 1. Is het rampscenario te bestrijden? Door de RRP buisleidingen worden ruwe olie vervoerd. Het maatgevend scenario bij deze buisleidingen is een plasbrand. De effecten van een plasbrand zijn hittestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. Hittestraling is in combinatie met de blootstellingsduur bepalend voor het slachtoffer- en schadebeeld. Vanwege de hoge druk van de uit de buis tredende vloeistof (ca. 80 bar) en de hittestraling van de plasbrand, zal de veiligheidsregio (brandweer) in eerste instantie vooral defensief optreden. De brandweer zal het effectgebied van de calamiteit afzetten en ontruimen.
De leidingbeheerder zal gevraagd worden het betreffende leidingdeel af te sluiten, waardoor de toevoer van vloeistof gestopt wordt. Hierna kan pas overgegaan worden tot het blussen van de plasbrand. Om een plasbrand effectief te kunnen bestrijden moet schuim worden aangevoerd vanaf grotere afstand. Dit kost tijd. De conclusie is dan ook, dat genoemd rampscenario slecht te bestrijden is. 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? Rond het plangebied zijn voldoende aan- en afvoerroutes beschikbaar voor de inzet van hulpdiensten. Er is in de directe omgeving van het plangebied onvoldoende bluswatercapaciteit aanwezig voor het blussen van secundaire branden. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om doden en gewonden bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. 1. Mogelijkheden zelfredzaamheid Bij een calamiteit met de RRP-buisleidingen zullen alle mensen binnen het 100% letaliteitsgebied van deze leidingen komen te overlijden. Dit gebied strekt zich uit over het gehele plangebied. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid zijn dus slecht. 2.
Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang dat het plangebied: - goed te alarmeren is In geval van een calamiteit kan NL-alert worden ingezet. NL-Alert is een alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. 32 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
- goed te ontvluchten is Bij het plangebied zijn voldoende vluchtwegen gelegen, zodat bij een calamiteit van de risicobron afgevlucht kan worden. - goed te schuilen is Schuilen binnen de bebouwing is geen optie, vanwege de intense hittestraling bij een calamiteit met de buisleiding. Conclusie Voor de twee buisleidingen is advies ingewonnen bij N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij (RRP). Het betreft een tweetal hoge druk, ondergrondse brandstofleidingen van nationaal belang ten behoeve van ruwe olie en olieproducten van het Europoort/Botlek gebied via Venlo naar Duitsland. Beide leidingen hebben een eigen belemmerde strook, 5 meter links en rechts van de leiding, waarbinnen een absoluut bouw- en inwerkingsverbod geldt. Het onderhavige voornemen voorziet geen nieuwe bouwwerken in de belemmerde strook, al wordt de hoeveelheid erfverharding wel vergroot binnen deze strook. RRP wil zekerstellen dat beide leidingen kosteloos bereikbaar blijven om indien nodig onderhouds- en/of calamiteitenwerkzaamheden uit te voeren. De werkzaamheden zullen indien noodzakelijk besproken en indien mogelijk ingepland worden. Bij calamiteiten zijn de werkzaamheden er op gericht om schade voor mens en milieu te voorkomen. Bovenstaande maakt dat RRP het initiatief onder voorwaarden kan toestaan.
De bestaande opslagloods staat gedeeltelijk binnen de belemmerde strook, hiervoor is ten tijde van de bouw een toestemmingsovereenkomst opgesteld welke door RRP en de toenmalige eigenaar van de planlocatie is ondertekend. De uitbreiding van de opslagloods vindt plaats buiten de belemmerde strook waardoor de bestaande overeenkomst geen aanpassing behoeft. Door middel van een brief, toegevoegd als bijlage 3, geeft de RRP formeel toestemming voor de onderhavige ontwikkeling. Het plangebied is gelegen binnen het plaatsgebonden risico van vloeistofleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Doel van het plan is: de mogelijkheid tot het uitbreiden van een beperkt kwetsbaar object (opslagschuur bouwbedrijf). Voor een beperkt kwetsbaar object geldt een richtwaarde. Hiervan kan gemotiveerd afgeweken worden. De redenen tot afwijking van de richtwaarde zijn: • Het onderhavig beperkt kwetsbaar object is reeds binnen de risicocontour gelegen en de ontwikkeling heeft geen verhoging van de kwetsbaarheid of het aantal personen als gevolg. • Uitbreiding van de bedrijfsbebouwing in de oostelijke en zuidelijke richting is wegens de ligging van de voorgevelrooilijn en de tuin van de bedrijfswoning niet mogelijk of wenselijk.
In de verkennende fase van de planvorming van de onderhavige ontwikkeling is de mogelijkheid onderzocht om de bedrijfsbebouwing in noordelijke richting uit te breiden. Deze uitbreiding zou evenals in de beoogde situatie (deels) binnen de risicocontour vallen. Bovendien staat gemeente Meierijstad negatief tegenover een uitbreiding in deze richting, waarop de gemeente heeft geadviseerd uit te breiden in de richting zoals beoogd. • Door de uitbreiding van het beperkt kwetsbare object kan meer materieel worden opgeslagen; in de beoogde situatie verblijven in de schuur -evenals in de huidige situatie- geen personen. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied groepsrisico van genoemde leidingen. Het groepsrisico is hiervoor beperkt verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht, omdat het groepsrisico ter plaatse door de ontwikkeling niet toeneemt. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat nieuwe bebouwing niet gerealiseerd mag worden binnen de belemmeringenstrook. De voorgenomen uitbreiding van de opslagschuur zal plaatsvinden buiten de belemmeringstrook.
33 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
Het Rijk heeft een structuurvisie buisleidingen opgesteld voor het reserveren van ruimte voor buisleidingen van nationaal belang (o.a. de RRP-buisleidingen) in de toekomst. Het plangebied is hier buiten gelegen. Het plan voldoet tevens aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Sint Oedenrode (thans Meierijstad). De veiligheidsregio ziet geen aanleiding tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en bestrijdbaarheid van een ramp met de buisleidingen. Er zijn derhalve geen wettelijke belemmeringen ten aanzien van het aspect externe veiligheid voor het plan.
4.6
Bodem
Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Op alle locaties waar een ingrijpende functiewijziging of wijziging van het bodemgebruik wordt voorzien, dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan vervolgens worden nagegaan of er vervolgmaatregelen getroffen moeten worden, zoals een nader onderzoek of eventueel een bodemsanering. Op de onderhavige planlocatie is een voormalige intensieve veehouderij opgeruimd ten behoeve van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken. Voorwaarde van deze regeling is dat bodemverontreiniging op de bedrijfskavel en de daarbij behorende gronden, indien aanwezig, is teruggebracht tot een niveau dat in verband met het te verwachten grondgebruik aanvaardbaar kan worden geacht. De procedure voor het bepalen van de bodemkwaliteit in relatie tot het beoogde gebruik is het uitvoeren van een bodemtoets.
Het primaire doel van de bodemtoets is te voorkomen dat er gebouwd wordt op dusdanig verontreinigde grond dat nadelige gevolgen kunnen ontstaan voor de gebruikers van het bouwwerk. Om de bodemkwaliteit aan te tonen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd waarvan het rapport in bijlage 4 is gevoegd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten wordt geconcludeerd dat in de bodem geen verhogingen van de onderzochte parameters ten opzichte van de achtergrondwaarde wordt aangetroffen. In het grondwater worden verhogingen van nikkel ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. Verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde, respectievelijk de streefwaarde worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. Er bestaan met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, met inachtneming van bovenstaande, dan ook géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging.
4.7
Waterhuishouding
Per 1 november 2003 is het wettelijk verplicht voor alle voor de waterhuishouding relevante nieuwe ruimtelijke plannen een watertoets uit te voeren. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. Deze toets heeft zowel betrekking op grondwater als op oppervlaktewater. Er dient in beeld te worden gebracht wat de mogelijke gevolgen zijn van een ontwikkeling. Concreet betekent de invoering van de watertoets dat een plan of ruimtelijke onderbouwing een waterparagraaf dient te hebben. Hierin worden keuzes die betrekking hebben op waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd. In deze motivatie dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden opgenomen. 34 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
4.7.1 Beleid provincie Noord-Brabant Provinciaal milieu- en waterplan 2016-2021 Het Provinciaal milieu- en waterplan 2016-2021 (PMWP) is vastgesteld op 18 december 2015. Het dient als structuurvisie voor onder andere het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het PMWP geeft de uitgangspunten aan voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten. Ook toetst de provincie aan de hand van dit plan of de plannen van de waterschappen in lijn zijn met het provinciale beleid. Het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater en het scheiden van relatief schone en vuile waterstromen zijn algemene uitgangspunten die worden benoemd. 4.7.2 Beleid waterschap Dommel De projectlocatie is gelegen in het stroomgebied van het ‘Waterschap De Dommel’. Dit waterschap is beheerder van zowel de kwaliteit als de kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving. In ‘Waterbeheerplan 2016 - 2021 Waardevol water’ beschrijft waterschap De Dommel welke beleidsdoelen worden nagestreefd in de periode 2016-2021. Daarbij is gebruik gemaakt van vier uitgangspunten die de richting aangeven van de plannen en beoogde oplossingen, genaamd ‘De beekdalbenadering’, ‘De gebruiker centraal’, ‘Samen sterker’ en ‘Gezonde toekomst’.
De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben de keuren geüniformeerd in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB). Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. De Keur is opgesteld en in werking getreden per 1 maart 2015. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die invloed hebben op de waterhuishouding en het waterbeheer. Regelgeving omtrent veranderende waterafvoer door verhard oppervlak, wateronttrekking en drainage worden hierin beschreven. In artikel 3.6 van de Keur wordt het verbod beschreven op afvoer door verhard oppervlak: ‘Het is verboden zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te komen.’ In artikel 15.1 van de algemene regels is een uitzonderingsbevoegdheid opgenomen die de voorwaarden stelt waarbij vrijstelling wordt verleend van het verbod. Dit artikel luidt als volgt:
Artikel 15.1: Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover: 1. Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; 2. De toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; 3. De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. 4. De toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale compensatie conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)
35 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
Op de planlocatie zal het totale oppervlak aan verharding toenemen. De bestaande bedrijfsbebouwing wordt vergroot van 230 m2 naar 380 m2. Deze vergroting zal worden gerealiseerd op reeds verhard oppervlak. De aanwezige erfverharding wordt in de huidige situatie gebruikt als manoeuvreerruimte wanneer bouwmaterialen worden geladen of gelost. Deze manoeuvreerruimte blijft ook in de beoogde situatie noodzakelijk. Aan de westzijde van de huidige erfverharding zal daarom binnen het bouwvlak een oppervlakte van ongeveer 8 x 25 meter worden verhard. De totale toename aan erfverharding bedraagt in de beoogde situatie, ten opzichte van de huidige situatie, 200 m2. Conclusie De toename van verhard oppervlakte is kleiner dan de genoemde 2.000 m2. Hiermee voldoet de ontwikkeling aan de vrijstellingscriteria voor het verbod voor het afvoeren van hemelwater via toename van het verhard oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam.
Figuur 7: Uitsnede Beschermde gebieden Keur waterschap De Dommel. Op bovenstaande figuur zijn de beschermde gebieden uit de Keur ter plaatse van de planlocatie in beeld gebracht. De gehele planlocatie wordt aangemerkt als ‘attentiegebied’ (blauw) en ten westen van de planlocatie is ‘beschermd gebied’ (oranje) gelegen. Daarnaast worden gebieden aangewezen als ‘beekdal’ (roze) van de nabijgelegen rivier De Dommel. Aan de oostzijde van de planlocatie stroomt een A-watergang in noordelijke richting. Beschermingszone natte natuurparel De planlocatie is gelegen in Attentiegebied. Een attentiegebied is een gebied die als dusdanig is opgenomen in de Keurkaart. Bij attentiegebieden gaat het om beschermingsgebieden van 500 meter rond de zogenaamde ‘natte natuurparels’. De begrenzing is overgenomen uit de provinciale Verordening water, die inmiddels zijn doorwerking heeft in de IOV. De attentiegebieden vormen de buffer tussen de natte natuurparels en hun omgeving. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen natte natuurparels en omgeving opgevangen te worden. De attentiegebieden zijn in 36 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
eerste instantie gericht op bescherming van de hydrologische toestand binnen de natte natuurparels. Daarnaast kunnen in deze gebieden, waar nodig, compenserende maatregelen worden getroffen om uitstralingseffecten vanuit de natte natuurparels naar de omgeving te voorkomen. Het totaal aan maatregelen wordt tenminste getoetst op stand-still op de rand van de natte natuurparel. Bij voorkeur heeft het totaal aan maatregelen binnen deze zone een positief effect op de gewenste natuurontwikkeling binnen de beschermde gebieden. Conclusie Vanuit gemeentelijke regelgeving zal de ontwikkeling hydrologisch neutraal plaatsvinden, zie paragraaf 4.7.3. Hiermee wordt voldaan aan de minimale eisen voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen attentiegebieden rondom natte natuurparels. 4.7.3 VGRP+ Meierijstad 2017-2022 Gemeente Meierijstad heeft per september 2017 het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan vastgesteld voor de planperiode 2017-2022. In dit plan wordt een visie geformuleerd over de in te zetten koers met betrekking tot het omgaan met toekomstige water en riolering gerelateerde kwesties. Als voorkeursvolgorde hanteert de gemeente infiltreren, bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar riolering. Wanneer er een toename is in verharding tussen de 0 en 10.000 m2 is er 60 mm berging noodzakelijk. In de huidige situatie is de bestaande verharding aangesloten op het rioolstelsel.
Uitgangspunt is om meer dan enkel de toename van verhard oppervlak af te koppelen. De totale toename van verharding is 200 m2. Per vierkante meter verhard oppervlak is een bergingscapaciteit van 60 millimeter benodigd. Dit resulteert in een benodigde bergingscapaciteit van 12 m3. Deze capaciteit wordt gerealiseerd door de aanleg van een zaksloot of laagte, boven de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) en niet dieper dan 1,20 m-mv, van waaruit het water kan infiltreren naar het grondwater. Eén van de andere genoemde speerpunten in dit beleidsstuk, betreft het doelmatig verwerken van afvalwater in het buitengebied. De gemeente Meierijstad heeft een uitgestrekt buitengebied. De afstanden in dit gebied zijn te groot om overal vrijverval riolering aan te leggen. In het buitengebied zijn alle percelen waar afvalwater vrij komt daarom aangesloten op drukriolering of worden op kleinere schaal systemen voor individuele behandeling van afvalwater toegepast. Er wordt een doelmatigheidsafweging gehanteerd voor de keuze van het toe te passen systeem. (Agrarische) bedrijven dienen te voldoen aan het Activiteitenbesluit. De algemene systematiek van het Activiteitenbesluit luidt: - Lozen in de bodem, op oppervlaktewater en hemelwaterriool is verboden, tenzij expliciet toegestaan. - Lozingen op het vuilwaterriool zijn toegestaan onder voorwaarden van de zorgplicht, tenzij verboden.
Hierbij worden de volgende voorwaarden gehanteerd: a. Elk bedrijf mag maximaal 0,5 m³ per uur afvalwater op de drukriolering lozen. b. Elk bedrijf heeft maximaal één aansluiting op de drukriolering. c. Elk bedrijf heeft een zorgplicht op het voorkomen van afvalwater. d. Bij een aanbod groter dan 0,5 m³ per uur dient het afvalwater op eigen terrein te worden gebufferd. e. Wanneer buffering niet mogelijk is, kan de capaciteit van de drukriolering worden vergroot, of wordt gezocht naar alternatieve oplossingen. De kosten hiervan zijn voor de perceeleigenaar.
37 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
4.8
Flora en fauna
De Flora- en Faunawet (1 april 2002) is 1 januari 2017 vervangen door de Wet natuurbescherming. In de nieuwe Wet natuurbescherming zijn verbodsbepalingen opgenomen voor activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten. Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantsoorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Ook verplicht de wet de burger zorgplicht te dragen over de flora en fauna. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de mogelijk aanwezige beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. In de beoogde situatie wordt geen bebouwing gesloopt waardoor het initiatief geen gevaar vormt voor mogelijk aanwezige broedplaatsen van beschermde diersoorten. Het bouwvlak wordt zowel in de lengte als in de breedte verkleind, waardoor het nieuwe bouwvlak geen ruimte inneemt buiten het voormalige bouwvlak. De grond waarop de bebouwingsuitbreiding wordt gerealiseerd is gelegen binnen het huidige bouwvlak en betreft landbouwgrond. Door het agrarisch gebruik wordt een lage natuurwaarde van deze landbouwgrond verwacht. De planlocatie is gelegen in het leefgebied dassen en in het leefgebied struweelvogels waardoor extra vergunningsplichten gelden voor bijvoorbeeld het uitbreiden van de erfverharding (meer dan 100 m² per perceel).
Deze vergunningsplicht blijft onverminderd in stand en de betreffende vergunningen zullen voor aanvang van de werkzaamheden worden aangevraagd. Op het aspect flora en fauna wordt geen belemmering verwacht voor de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling. Daarnaast worden ook geen negatieve effecten voor het Natuur Netwerk Brabant verwacht.
4.9
Cultuurhistorie
De Cultuurhistorische Waardenkaart is opgesteld door provincie Noord-Brabant en brengt in beeld welk erfgoed van belang is voor de regionale identiteit. Dit belang hangt nauw samen met het provinciaal ruimtelijk belang, zoals benoemd in de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening. Doel van deze kaart is het inzichtelijk maken van cultuurhistorische vlakken, cultuurhistorische landschappen, archeologische landschappen en complexen van cultuurhistorisch belang. In Figuur 6 wordt een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardekaart (CHW) weergegeven ter plaatse van de planlocatie. De planlocatie wordt hierin met rood gemarkeerd.
Figuur 6: Uitsnede Cultuurhistorische Waardekaart ter plaatse van de planlocatie (bron: www.brabant.nl) 38 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
De planlocatie is gelegen in historisch landschappelijke vlakken met hoge en zeer hoge waarden. Het voorgenomen initiatief behelst geen sloop of andere aantasting van cultuurhistorische waarden waardoor cultuurhistorisch waardevolle gebieden behouden blijven. Geconcludeerd wordt dat er geen cultuurhistorische waarden worden aangetast en dat hierdoor wordt voldaan aan de randvoorwaarden.
4.10
Archeologie
Voor de gebieden waar een (middel)hoge verwachtingswaarde geldt, is de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ opgenomen. Deze dubbelbestemming heeft tot doel de te verwachten archeologische waarden te beschermen. De dubbelbestemming legt beperkingen op aan onderliggende bestemmingen. Binnen de dubbelbestemming mogen bepaalde werken en werkzaamheden niet zonder aanlegvergunning worden uitgevoerd, zoals graafwerkzaamheden en het aanbrengen van diepgewortelde beplanting. In dat geval dient een archeologisch onderzoek te worden verricht naar de waarden van het gebied. Indien uit het onderzoek blijkt dat het bodemarchief bescherming verdient, houden burgemeester en wethouders rekening met deze archeologische waarden bij de aanlegvergunning. Indien het niet mogelijk is de waarden (deels) te behouden, worden er regels aan de aanlegvergunning verbonden, zoals de verplichting tot het doen van een archeologische opgraving dan wel archeologische begeleiding van de werken en/of werkzaamheden. In artikel 22 van het vigerende bestemmingsplan wordt beschreven dat de voor ‘Waarde - Archeologie 1’ aangewezen gronden mede bestemd zijn voor het behoud en de bescherming van de hoge archeologische verwachtingswaarden van de gronden.
Voor het bouwen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m² en dieper dan 0,5 m, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Het onderhavige initiatief betreft een vergroting van een bouwwerk van 150 m² waardoor de 200 m² niet wordt overschreden. Ook wordt niet dieper dan 0,5 meter gegraven waardoor er geen rapport ten behoeve van de archeologische waarde behoeft te worden overlegd. Het initiatief vormt dan ook geen verstoring voor de mogelijk aanwezige archeologische waarden ter plaatse van de planlocatie. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het onderhavige initiatief.
4.11
Kabels en leidingen
Bij ruimtelijke ingrepen dient de initiatiefnemer rekening te houden met planologisch relevante kabels en leidingen. Onder planologisch relevante kabels en leidingen wordt verstaan: a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. De buisleidingen voor transport van aardolieproducten zijn reeds behandeld in hoofdstuk 4.5 (externe veiligheid). Over de locatie van het plangebied zijn geen relevante hoogspanningsverbindingen aanwezig. Op een afstand van ongeveer 1,9 kilometer ligt de dichtstbij gelegen hoogspanningsverbinding. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering. 39 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
4.12
Volksgezondheid
De gezondheidsrisico’s voor omwonenden van grootschalige veehouderijen zijn onderwerp van maatschappelijke discussies. Omdat er geen gezondheidsrisico’s mogen ontstaan als gevolg van de exploitatie van een veehouderij is dit een van de aspecten die in de voorbereiding op een ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied beschouwd dient te worden. Een verhoogd risico voor de volksgezondheid kan spelen bij de ontwikkeling of uitbreiding van een veehouderij, maar ook bij de realisatie van een nieuwe gevoelige bestemming. Bij dit laatste valt te denken aan de uitbreiding van een dorpskern of de omschakeling van een veehouderij naar een gevoelige niet-agrarische functie. In die gevallen is de zogenaamde ‘omgekeerde werking’ aan de orde. Het is algemeen aanvaard dat volksgezondheid een aspect is dat bij ruimtelijke besluitvorming getoetst moet worden. Uit jurisprudentie blijkt ook dat het, voor de onderbouwing om volksgezondheid in de besluitvorming mee te nemen, belangrijk is dat hiervoor voldoende algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten worden aangedragen, dan wel dat voor de specifieke situatie kan worden aangegeven dat er een verhoogd risico kan zijn.
Er wordt gestreefd om in Brabant, totdat er meer duidelijkheid is over een toe te passen (wettelijk) beoordelingskader, dan wel dat zich andere ontwikkelingen voordoen, gezamenlijk tot een breed gedragen werkwijze te komen die recht doet aan het belang van de volksgezondheid voor de burgers in de provincie. 4.12.1 Handreiking veehouderij en volksgezondheid Door middel van het stappenplan uit ‘De ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ kan een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling worden gemaakt of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Wanneer door het bevoegd gezag advies wordt gevraagd aan de GGD, zal deze een locatiespecifieke risicobeoordeling uitvoeren. De GGD maakt hierbij gebruik van gezondheidskundige advieswaarden die gebaseerd zijn op de meest recente stand van zaken in de wetenschappelijke literatuur. Beoordeling Ter afweging van het aanvragen van een advies bij de GGD is ‘Stappenplan 2.0’ doorlopen. Het onderhavige initiatief heeft geen toename in emissie van geur, fijnstof of ammoniak tot gevolg. Bovendien zijn er weinig veehouderijen rondom de planlocatie gelegen waardoor wordt geconcludeerd dat op de planlocatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit het doorlopen van het eerdergenoemde stappenplan volgt dat advisering door GGD niet wordt geadviseerd.
Het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. 4.12.2 Varkens-en pluimveehouderijen Uit verkennend onderzoek naar gezondheidseffecten bij omwonenden van veehouderijen is naar voren gekomen dat een te hoge blootstelling aan endotoxine negatieve gevolgen kan hebben voor de gezondheid van mensen. Op dit moment is er nog geen officiële norm of grenswaarde om de blootstelling aan endotoxine aan te toetsen. Ook is er geen methode vastgesteld om de blootstelling te bepalen. Wel heeft De Gezondheidsraad, een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan, een voorlopige advieswaarde voor de algemene bevolking afgeleid van 30 EU/m³ (endotoxinen units per kubieke meter lucht). Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Hiermee kan aan de hand van fijn stof emissie worden geschat op welke afstand van een bedrijf de advieswaarde van 30 EU/m³ voor de concentratie endotoxine wordt overschreden.
40 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
Beoordeling Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. 4.12.3 Geitenhouderijen Het RIVM heeft onderzoek gedaan naar de gezondheid van omwonenden van veehouderijen. De conclusie van dit onderzoek luidt dat rond geitenhouderijen longontstekingen vaker voorkomen vergeleken met andere veehouderijen. In het onderzoek werd een verhoogde kans op een longontsteking van 29% gemeten voor mensen die rondom een geitenhouderij wonen tot een afstand van 1,5 tot 2 kilometer vergeleken met mensen zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning. De oorzaak van deze verhoogde kans is onbekend. Uit voorzorg is een bouwstop voor geitenhouderijen ingesteld. Beoordeling Rond het plangebied bevinden zich binnen 2 kilometer geen geitenhouderijen. 4.12.4 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen Vanuit een goede ruimtelijke ordening moet ook met het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de nabijheid van een (bedrijfs)woning rekening worden gehouden bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Er zijn geen wettelijke bepalingen inzake minimaal aan te houden afstanden. Een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, wordt in de rechtspraak niet onredelijk geacht.
De rechtspraak heeft inmiddels laten zien dat een kortere afstand ook aanvaardbaar kan zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Beoordeling Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied liggen geen gronden waarbij mogelijk sprake is van een spuitzone met gewasbeschermingsmiddelen. Het aspect spuitzones vormt geen belemmering.
4.13
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling
Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.
41 Toelichting “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Vresselseweg 32”
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de omschakeling naar niet-agrarische bedrijvigheid, zijnde een bouw- en timmerbedrijf. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het type bedrijvigheid van initiatiefnemer wordt bovendien niet benoemd op de D-lijst. Eventueel kan het initiatief geschaard worden onder de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. De hiervoor geldende grenswaarde betreft echter een oppervlakte van 75 hectare of meer. In onderhavige situatie wordt een bouwperceel voor niet-agrarische bedrijvigheid opgenomen van circa 0,313 hectare (3.130 m2). Dit blijft derhalve ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Bovendien is er geen sprake van een industrieterrein, maar een separate bedrijfslocatie in het buitengebied. Geconcludeerd wordt dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.beoordeling plaatsgevonden.