Bijlage 1.1: PlanMER windenergie Meierijstad incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
waarden van cultuurhistorie en natuur. Voor het gebied tussen de kernen Veghel, Schijndel en SintOedenrode stuurt de omgevingsvisie aan op ontwikkelingen met landschap (inclusief het WWII-erfgoed), versie van de omgevingsvisie kan de dan actuele stand van het beleid over windenergie worden meegenomen.
Landelijk gebied In het landelijk gebied spelen veel belangen en zijn een aantal daaraan gerelateerde beleidsontwikkelingstrajecten in uitvoering. Zo beschrijft de in dit hoofdstuk opgenomen paragraaf de ambities beschreven in de landschapsanalyse meegenomen worden in de - en - en landschapsvisie is in 2021 na een uitgebreid participatietraject, in concept gedeeld met belanghebbenden. Op dit moment is nog niet zeker op welke wijze de transitie van de agrarische sector een plaats krijgt in de elijk gebied groot zijn. Er spelen veel thematische vraagstukken, transitie-opgaven, maatschappelijke behoeften en initiatieven, waaronder bijvoorbeeld de vraag naar bepaalde woonvormen. Tegelijkertijd is er weinig ruimte voor nieuwe initiatieven zonder dat dit ten koste gaat van andere belangen (er is een schaarse ruimteclaim). Integrale afweging is daarom noodzakelijk om tot besluitvorming te komen.
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 16
3 Voorgenomen activiteit en alternatieven Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de voorgenomen activiteit. Dat wil zeggen hetgeen onderzocht gaat worden binnen deze m.e.r-procedure. Daarnaast bevat het hoofdstuk een korte analyse hoe de zoekgebieden ontstaan zijn.
3.1
Voornemen Het voornemen bestaat uit het selecteren van geschikte gebieden binnen de gemeente Meierijstad, waar ten minste drie windturbines geplaatst kunnen worden (conform de vereisten uit de provinciale IOV). Vervolgens zal, mede op basis van de milieu-informatie uit dit planMER, een keuze worden gemaakt voor zoekgebieden die het meest kansrijk zijn. Dat vindt plaats in het afwegingskader. Het planMER geeft de benodigde milieu-informatie ten behoeve van de keuze voor locaties. In deze paragraaf wordt naast een definitie van een windturbine ingegaan op de onderdelen die bij een windturbine of windpark horen. Dit is voor het begrijpen van de effecten die kunnen optreden van belang. Ook wordt ingegaan op de uitgangspunten wat betreft de afmetingen van windturbines, aangezien de afmetingen veelal de effecten bepalen. Paragraaf 3.2 gaat in op de voorgestelde locaties die worden onderzocht in het MER: de alternatieven. Paragraaf 3.3 en 3.4 beschrijven respectievelijk de gebruikte voorbeeldopstellingen en de referentiesituatie.
3.1.1
Definitie windturbine In dit planMER wordt verstaan onder windturbines: een mast, verankerd in de bodem, met daarbovenop een gondel met daaraan een drietal wieken die door middel van wind ronddraaien waardoor elektriciteit wordt opgewekt. Kader 3.1 Horizontale en verticale windturbine
Horizontale en verticale windturbine Er zijn twee typen windturbines, aangedreven door middel van een horizontale of verticale as. De grootschalige windturbines die nu gebruikelijk zijn hebben een horizontale as. Op dit moment zijn grootschalige windturbines met een verticale as technisch en financieel niet haalbaar. In deze m.e.r.procedure gaan we daarom uit van een windturbine met een horizontale as.
3.1.2
Windturbines en infrastructuur Tot windturbines (of wanneer er meer dan drie worden gerealiseerd het windpark) en de infrastructuur van de windturbines behoren onder andere (geen uitputtende opsomming): windturbines met fundering; toegangswegen tot de windturbines; opstelplaats voor een kraan per windturbine; schakelstation ten behoeve van het leveren van de elektriciteit aan het openbare net; bekabeling (inclusief kunstwerken bij kruising van watergangen en wegen) van turbines naar schakelstation en van het schakelstation naar de hoogspanningsnetaansluiting.
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 17
Figuur 3.1 Turbine-aanduidingen
3.1.3
Uitgangspunt afmetingen windturbines Omdat sommige effecten van windturbines samenhangen met de afmetingen van de turbines (met name de rotordiameter en ashoogte), is het van belang te bepalen wat de uitgangspunten zijn van de afmetingen van windturbines. Deze afmetingen van windturbines zijn de afgelopen jaren steeds toegenomen (zie Figuur 3.2). Er worden anno 2022 in Nederland hogere en grotere turbines geplaatst in vergelijking met voorgaande jaren. Dat heeft te maken met het feit dat het harder en constanter waait op grotere hoogten, een grotere windturbine dus beter rendeert en er grotere turbines beschikbaar zijn gekomen. Een grotere ie reden worden steeds grotere en hogere turbines geplaatst in Nederland. Locaties met minder windaanbod in vergelijking met de kustgebieden, zoals in Meierijstad, kunnen anno 2022 alleen financieel rendabel worden geëxploiteerd met windturbines die hoger en groter zijn dan de turbine die nu bijvoorbeeld in Den Bosch staat (ashoogte van 97 meter en een rotordiameter van 82 meter), waarbij uitgegaan wordt van de subsidieregeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE++) die voor duurzame energieprojecten gebruikt wordt. Figuur 3.2 Turbines worden steeds groter en hoger.14
14
https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/duurzame-energie-opwekken/windenergie-op-land PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 18
Het voorgaande pleit voor een zo groot mogelijke turbine als uitgangspunt te nemen in deze m.e.r., omdat ook verwacht mag worden dat in de komende jaren de afmetingen van windturbines verder zullen toenemen. Het is echter niet verstandig om de grootst mogelijke windturbines in deze analyse als uitgangspunt te nemen. In dat geval worden mogelijk gebieden uitgesloten als potentieel geschikt voor windturbines, terwijl de gebieden die wel potentie hebben voor iets kleinere turbines dan buiten beeld blijven. Dan bereikt de m.e.r. mogelijk zijn doel niet. Van de andere kant is een te kleine windturbine als uitgangspunt ook niet goed. Dan worden meer gebieden geïndiceerd als potentieel kansrijk gebied, maar dan zijn deze gebieden uiteindelijk niet te ontwikkelen voor windenergie, omdat met de ruimte die de urbines ontwikkeld kunnen worden die financieel niet of lastig te exploiteren zijn. Daarom wordt in deze analyse uitgegaan van een turbine met een ashoogte van 140 meter en een rotordiameter van 160 meter. In de selectie van zoekgebieden, die in het Beleid en een rotor van 110 meter. De verwachting is dat dergelijke turbines nu en in de nabije toekomst niet rendabel zijn in Meierijstad en bovendien steeds minder leverbaar zijn. De internationale fabrikanten volgen daarin de globale markttrend, die naar groter en efficiënter gaat. Kleinere windturbines worden niet meer geleverd.
Daarom zijn grotere turbines als uitgangspunt voor het planMER voorgesteld. Het gaat in deze m.e.r. en het Afwegingskader niet om exact vast te leggen welke afmetingen de turbines mogen hebben, maar om gebieden te indiceren die in potentie geschikt zijn voor windturbines die de komende jaren naar verwachting financieel exploitabel zijn.
3.2
Locatiealternatieven
3.2.1
Analysebeschrijving De locaties die op milieueffecten worden beoordeeld in het planMER zijn gebaseerd op eerdere keuzes voor zoekgebieden uit het beleidskader De toekomst van zon en wind in Meierijstad (2020) en een geactualiseerde analyse naar harde beperkingen voor windenergie. De actualisatie is uitgevoerd om er zeker van te zijn dat er geen gebieden ten onrechte niet zijn meegenomen. Onderstaand zijn de stappen om tot deze zoekgebieden te komen beschreven. Een uitgebreide analyse is te vinden in Bijlage 2 Analyse zoekgebieden.
Stappen om te komen tot zoekgebieden Stap 1: Het selecteren van gebieden met harde belemmeringen: waar kan het niet. Bestaande functies, zowel binnen als buiten de gemeente, kunnen van invloed zijn op de ontwikkeling van windparken in het buitengebied van Meierijstad. Deze functies kennen een wettelijke bescherming in verband met hinder en/of veiligheid en vormen een belemmering. Zo moet er een minimale afstand tot bijvoorbeeld rijkswegen aangehouden worden. De weg zelf en een zone daaromheen wordt daarmee uitgesloten voor windturbines. Figuur 3.3 Harde belemmeringen (bron: Awareness)
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 19
De belangrijkste belemmeringen zijn: de aanwezigheid van woningen (geluid, slagschaduw en externe veiligheid); de nabijheid van vliegvelden en radarstations15; de aanwezigheid van (ondergrondse) gas- en buisleidingen; de aanwezigheid van hoogspanningsleidingen; de aanwezigheid van inrichtingen met gevaarlijke stoffen; de aanwezigheid van Rijkswegen. Een aantal belemmeringen wordt bepaald door de afmetingen van de windturbine en zijn daarmee -
: een
gemiddelde windturbine met een rotordiameter van 160 meter en een ashoogte van 140 meter en een vermogen van circa 4,2 - 5,6 MW. Kader 3.2 Keuze voor kleinere windturbines
In het participatietraject is de vraag naar voren gekomen waarom er niet is gekozen voor kleinere windturbines. De keuze voor het huidige formaat windturbines is gebaseerd op een de afmetingen die gezien het windklimaat over een aantal jaar ook nog marktconform zal zijn. Verder is het van belang dat de worst-case effecten worden onderzocht. Denk aan slagschaduw- of externe veiligheidsafstanden. Daarnaast worden de zoekgebieden met name bepaald door de aangehouden afstand tot woningen voor geluid. Het is niet zo dat een kleinere windturbine per definitie minder geluid maakt. Een keuze voor een kleinere windturbine zal dus niet leiden tot veel meer zoekgebieden. De keuze om bepaalde zoekgebieden af te laten vallen heeft dus niet direct iets te maken met de afmetingen van de windturbines. Verder geldt de radarbeperking ook voor kleinere windturbines. Omdat de scores uit het TNO rapport (zie 14.2.4) dusdanig laag zijn zullen kleinere windturbines ook te laag scoren in de radartoets.
Stap 2: Combineren van alle harde belemmeringen, zodat potentieel kansrijke gebieden overblijven
15
Naar de effecten op de radardekking wordt in het MER zelf onderzoek gedaan. PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 20
Figuur 3.4) is te zien dat het overgrote deel van de gemeente niet kansrijk is voor de plaatsing van windturbines. Dit heeft voor een belangrijk deel te maken met invliegfunnels van Volkel en Eindhoven en de aanwezigheid van woningen. Er blijven een aantal versnipperde gebieden over die mogelijk geschikt zijn. Echter niet al deze vlekken zijn daadwerkelijk geschikt voor de plaatsing van windturbines. De
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 21
Figuur 3.4 Harde belemmeringen windenergie
Stap 3: Op basis van uitgangspunten selecteren van zoekgebieden die in het planMER worden onderzocht Tot slot zijn er nog drie uitgangspunten die van belang zijn om van de versnipperde gebieden te komen tot zoekgebieden voor het m.e.r: 1. De zoekgebieden moeten liggen in grootschalige landschappelijke eenheden. In Meierijstad zijn twee grootschalige landschappelijke eenheden onderscheiden: a.
Intensieve functies, zoals bedrijventerreinen en grote infrastructurele werken;
b.
Open (agrarische) productielandschappen.
2. Er dient in de zoekgebieden, eventueel met mogelijkheden bij een buurgemeente, ruimte te zijn voor minimaal drie windturbines (conform voorwaarden provinciale (interim) omgevingsverordening). Deze drie turbines moeten redelijkerwijs een ruimtelijke samenhang kennen. 3. In principe is het plaatsen van windturbines in het Natuur Netwerk Brabant (NNB) uitgesloten, tenzij er in NNB gebied mogelijkheden zijn langs hoofdinfrastructuur. Daarbij is een compensatieverplichting opgenomen in de provinciale regels. De boscomplexen Het Lijnt en Wijboschbroek liggen naast hoofdinfrastructuur en zijn om die reden niet als harde belemmering op voorhand afgevallen. Kader 3.3 Gemeentegrensoverschrijdende zoekgebieden Naast de zoekgebieden binnen de gemeentegrenzen is de mogelijkheid in gecombineerde zoekgebieden met de buurgemeentes onderzocht. In Figuur 3.5 zijn deze grensoverschrijdende gebieden waar ruimte bestaat voor minimaal drie windturbines aangegeven met een blauwe ovaal. Van de buurgemeenten waar deze potentieel kansrijke gebieden liggen ziet alleen de gemeente Laarbeek potentie in windenergie in het grensoverschrijdende gebied. De andere gemeenten waar dit technisch een mogelijkheid was hebben aangegeven dit niet wenselijk te vinden, waardoor deze gebieden zijn afgevallen. Dat betekent dat alleen zoekgebied het Lijnt grensoverschrijdend onderzocht zal worden.
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 22
Op deze wijze zijn vier zoekgebieden geselecteerd (zie rood omlijnde gebieden in Figuur 3.5): 1. Wijboschbroek langs de Zuid-Willemsvaart/ N279; 2. Rooische heide/Schijndelsche heide ten westen van de Schijndelseweg; 3.
Schijndelsche heide ten oosten van de Schijndelseweg;
4.
Het Lijnt langs de Zuid-Willemsvaart/N279 (4A en 4B).
Deze vier zoekgebieden vormen de alternatieven in het planMER. Daarbij is er voor zoekgebied 4 een alternatieve opstelling beoordeeld met een windturbine op het grondgebied van buurgemeente Laarbeek. De voorbeeldopstelling die volledig binnen de gemeentegrenzen van Meierijstad valt wordt 4A genoemd. De alternatieve voorbeeldopstelling 4B. Wanneer deze zoekgebieden worden vergeleken met de eerder door de raad vastgestelde zoekgebieden in het beleidskader uit 201916 dan is het volgende relevant: Dezelfde vier gebieden komen uit de analyse naar voren; Omdat het uitgangspunt van turbine-afmetingen verschilt, is de exacte afbakening per zoekgebied iets anders; Locatie Het Lijnt is uitgebreid (zowel in de gemeente Meierijstad richting het westen alsmede ten zuiden op gemeentegrond van Laarbeek), omdat er daar ook potentieel kansrijk gebied is voor windturbines. Er komen een aantal extra zoekgebieden naar voren doordat de analyse over de gemeentegrenzen is gedaan. Na gesprekken met buurgemeentes is uiteindelijk alleen de uitbreiding van zoekgebied 4 (4B) Het Lijnt kansrijk gebleken.
16
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 23
Figuur 3.5 Kaart zoekgebieden gemeente Meierijstad
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 24
3.3
Voorbeeldopstellingen windturbines Voor een aantal milieuaspecten, waaronder geluid, slagschaduw en veiligheid, is het wenselijk om op een hoger detailniveau milieu-informatie te verzamelen. Om bijvoorbeeld uitspraken te kunnen doen over de effecten van geluid is het berekenen van een geluidcontour een goede methode. Hiervoor is echter een opstelling van windturbines nodig. Daarom is per zoekgebied een voorbeeldopstelling gemaakt. De zoekgebieden zijn daarbij
maximale effecten te kunnen onderzoeken.
Daarbij is wel rekening gehouden met de benodigde onderlinge afstand tussen de windturbines en is er gekozen voor een logische opstelling in het landschap (uitgaan van lijnen of clusters). Het betekent echter niet dat deze opstellingen ook daadwerkelijk gerealiseerd worden, ze zijn puur illustratief om de meer kwantitatieve milieu-informatie te kunnen verzamelen.
In Tabel 3.1 zijn het aantal windturbines in de voorbeeldopstelling per zoekgebied weergegeven. Daarnaast zijn de voorbeeldopstellingen in
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 25
Figuur 3.6 te zien.
Voor gebied 4 (Het Lijnt) zijn twee mogelijkheden opgenomen: één waarbij alle windturbines op het grondgebied van de gemeente Meierijstad staan en één waarbij ook een windturbine in de lijn op grondgebied van de gemeente Laarbeek is gepositioneerd. Tabel 3.1 Aantal windturbines voorbeeldopstelling per zoekgebied Zoekgebied
Naam
Aantal turbines
1
Wijboschbroek langs de Zuid-Willemsvaart/ N279
7
2
Rooische heide/Schijndelsche heide ten westen van de Schijndelseweg;
6
3
Schijndelsche heide ten oosten van de Schijndelseweg;
4
4A
Het Lijnt langs de Zuid-Willemsvaart/N279;
4
4B
Het Lijnt langs de Zuid-Willemsvaart/N279;
4
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 26
Figuur 3.6 Voorbeeldopstellingen zoekgebieden
Kader 3.4 Visie Laarbeek en PlanMER RES Metropoolregio Eindhoven De windturbinelocatie in de gemeente Laarbeek
de en wordt in dit beleidskader geschikt geacht voor
de toepassing van windturbines. In het kader van de regionale energiestrategie voor de Metropoolregio Eindhoven is een planMER uitgevoerd. De gemeente Laarbeek valt onder deze RES-regio. Één windturbine in voorbeeldopstelling 4B valt binnen zoekgebied 2 van dat planMER. Dit gebied wordt gekenmerkt als jonge zandontginning. In vergelijking met andere zoekgebieden binnen het planMER RES MRE scoort zoekgebied 2 redelijk vergelijkbaar met andere zoekgebieden. Wel scoort het alternatief negatiever omdat het redelijk dichtbij recreatiebestemming gelegen is en scoort het slecht qua ligging t.o.v. de radar. Omdat deze locatie in het planMER voor de RES niet is afgevallen wordt deze vooralsnog mogelijk geacht en meegenomen in dit planMER.
3.4
Referentiesituatie De referentiesituatie (nulalternatief) is de huidige situatie met de autonome ontwikkeling17. Dit is de situatie waarbij er geen afwegingskader wordt opgesteld en er geen extra windturbines worden gerealiseerd. Het gebied zal zich dan ontwikkelen conform vastgesteld of voorgenomen beleid, maar zonder realisatie van de extra windturbines. Deze situatie dient als referentiekader voor de effectbeschrijving. In de
17
Autonome ontwikkelingen zijn op zichzelf staande ontwikkelingen die onafhankelijk van het afwegingskader plaatsvinden en waarover al een besluit is genomen (bijvoorbeeld bestemmingsplan of waarvoor een vergunning is verleend). PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 27
referentiesituatie wordt ervan uitgegaan dat windpark Veghel Windt wordt gerealiseerd, bestaande uit vier windturbines langs de A50 ter hoogte van industrieterrein de Amert/de Dubbelen. Figuur 3.7 Referentiesituatie en locatie windpark Veghel Windt
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 28
4 Werkwijze en aanpak milieubeoordeling 4.1
Inleiding Effecten op het milieu ontstaan door het uitvoeren van de werkzaamheden om de windturbine en de bijbehorende voorzieningen te installeren, door het ruimtegebruik van de windturbines en het in gebruik zijn van de windturbines. Het planMER onderzoekt deze effecten tijdens de aanleg, de exploitatie (gebruik, onderhoud, reparaties) en verwijdering van het windpark. De effecten tijdens de aanleg en verwijdering zijn over het algemeen klein vergeleken met de effecten tijdens de exploitatie, voornamelijk omdat de aanleg- en verwijderingsfase slechts een korte periode beslaat en de exploitatie 20 jaar of langer kan zijn (maximaal 25 jaar in de provincie Noord-Brabant). Dit planMER richt zich dan ook vooral op het beoordelen van de effecten tijdens de exploitatie. Voor een aantal milieuaspecten waar dit relevant is, waaronder natuur, zijn ook de effecten tijdens de aanleg- en verwijderingsfase beschreven.
Plan- en studiegebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de voorgenomen activiteit, de opwekking van windenergie in Meierijstad, kan worden gerealiseerd. Het is dus de locatie van windturbines en de daarbij horende infrastructuur. In dit planMER zijn vier locatiealternatieven (de zoekgebieden) onderscheiden, daarmee bestaat het plangebied uit deze locaties (zie paragraaf 3.2). Het studiegebied is het gebied waarbinnen de milieugevolgen moeten worden bekeken. De omvang van het studiegebied verschilt per plangebied, per milieuaspect, maar is over het algemeen groter dan het plangebied. Zo draagt het geluid vaak verder dan het plangebied en worden ook landschappelijke effecten op een groter schaalniveau beschouwd.
4.2
Beoordelingskader In dit planMER is op basis van regelgeving en beleid een beoordelingskader ontwikkeld waarmee de effecten van de locatiealternatieven beoordeeld zijn. De effecten zijn per milieuaspect beschreven aan de hand van beoordelingscriteria. Tabel 4.1 geeft per milieuaspect weer welke criteria worden gebruikt en de wijze waarop de effecten worden beschreven en beoordeeld (kwantitatief en/of kwalitatief). Dit is in hoofdstukken 5 tot en met 14 per aspect toegelicht. Tabel 4.1 Beoordelingsaspecten en criteria planMER Aspecten Duurzame energieopbrengst en vermeden emissies
Beoordelingscriteria*
Effectbeoordeling Kwantitatief
Opbrengst CO2-emissiereductie
Kwalitatief (recyling/voetafdruk)
SO2-emissiereductie NOx-emissiereductie Recycling en voetafdruk windturbines Afstand tot netaansluiting Leefomgeving
Geluid o Aantal geluidgevoelige objecten binnen geluidcontouren (Lden 37 Lden 51 dB) o o o o
Kwantitatief Laagfrequent geluid kwalitatief
Aantal ernstig gehinderden door geluid Stiltegebied Cumulatieve geluidbelasting met andere bronnen Laagfrequent geluid
Slagschaduw
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 29
Aspecten
Beoordelingscriteria* o
o
Windturbines en gezondheid Landschap
Effectbeoordeling
Aantal slagschaduwgevoelige objecten binnen verschillende slagschaduwcontouren (begrensd op maximaal 12x rotordiameter) Aantal overige slagschaduwgevoelige objecten binnen verschillende slagschaduwcontouren (begrensd op maximaal 12x rotordiameter)
Effect van windturbines op gezondheid A. Criteria m.b.t. effecten op bestaande landschappelijke waarden 1. Invloed op de openheid 2. Aansluiting op de landschappelijke kernkwaliteiten (structuur en maat)
Kwantitatief
Kwalitatief Kwalitatief
B. Criteria m.b.t. effecten op de opstelling als herkenbaar en samenhangend geheel 3. Regelmatig beeld 4. Herkenbaarheid van de opstelling en interferentie C. Criteria m.b.t. effecten op waarneming en beleving 5. Zichtbaarheid 6. Invloed op (visuele) rust 7. Verlichting Cultuurhistorie en archeologie
Aantasting cultuurhistorische waarden
Kwalitatief
Recreatie en toerisme
Effecten op recreatie en toerisme
Kwalitatief
Natuur
Oprichting: effect op beschermde gebieden
Kwalitatief en kwantitatief (soorten en gebieden)
Aantasting archeologische waarden
(Natura 2000, NNB, overige gebieden) Exploitatie: effect op beschermde gebieden Oprichting: effect op beschermde soorten Exploitatie: effect op beschermde soorten Waterhuishouding en bodem
Watersysteem (waterkwantiteit en waterkwaliteit)
Kwalitatief
Watergangen Hemelwaterafvoer Bodemkwaliteit Veiligheid
Effecten op (Beperkt) kwetsbare objecten Infrastructuur Industrie en inrichtingen
Ruimtegebruik
Huidige functies Landbouw (o.a. effecten op landbouwdieren) o Bedrijfsterrein o Natuur Vliegverkeer en effecten op defensieradar o
Kwantitatief (aantal objecten binnen de toetsafstanden) Kwalitatief en kwantitatief (defensieradar)
Straalpaden
De effectbeoordeling is kwalitatief en kwantitatief: waar mogelijk en zinvol wordt het met cijfers onderbouwd. Indien het niet mogelijk of zinvol is om de effecten te kwantificeren, is de beschrijving
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 30
kwalitatief. De effecten zijn per milieuaspect beoordeeld aan de hand van de criteria in Tabel 4.1. Soms is dit een harde parameterwaarde die wettelijk is aangewezen als een norm (bijvoorbeeld voor radarverstoring). Soms zijn parameters geen hard getal of norm, en zijn deze herleid uit het beleid, zoals bij landschap. Naast effecten tijdens de gebruiksfase wordt, waar zinvol, ook aandacht besteed aan effecten tijdens de aanlegfase. Ook is, waar van toepassing, aangegeven of cumulatie kan optreden. Met cumulatie bedoelen we dat het effect in een zoekgebied in combinatie met andere effecten in het zoekgebied (bijv. bestaande geluidsbronnen) een stapeling van effecten kan veroorzaken. Daarnaast kan dit ook het geval zijn wanneer het effect in het ene zoekgebied in combinatie met het effect in een ander zoekgebied een stapeling van effecten veroorzaakt.
Schaal voor effectbeoordeling Om de effecten van de locatiealternatieven per aspect te kunnen vergelijken, worden deze op basis van een + / - schaal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Hiervoor wordt de beoordelingsschaal gebruikt, zoals weergegeven in onderstaande tabel. De beoordeling wordt gemotiveerd. Tabel 4.2 Beoordelingsschaal planMER Score
Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie
--
Negatief
Het voornemen leidt tot een sterk merkbare negatieve verandering
-
Licht negatief
Het voornemen leidt tot een merkbare negatieve verandering
0
Neutraal
Het voornemen onderscheidt zich niet van de referentiesituatie
+
Licht positief
Het voornemen leidt tot een merkbare positieve verandering
++
Positief
Het voornemen leidt tot een sterk merkbare positieve verandering
Indien de effecten marginaal zijn, wordt dit in de voorkomende gevallen aangeduid met 0/+ (marginaal positief) of 0/- (marginaal negatief). Op enkele plekken wordt ook gebruik gemaakt van -/-- om een nuancering te kunnen maken in het geval effecten wel verschillen maar niet zodanig dat dit verschil een groter beoordelingsonderscheid rechtvaardigt. Per milieuaspect is een nadere uitleg van de beoordeling gegeven in de afzonderlijke hoofdstukken. In Kader 4.1 worden de verschillen in de beoordelingssystematiek nader toegelicht. Kader 4.1 Toelichting beoordelingssystematiek
In bovenstaande tabel is de beoordelingsschaal van -- tot ++ weergegeven. Daarbij is aangeduid wat de betekenis van de symbolen is en wat het voornemen voor effect heeft t.o.v. de referentiesituatie. Verderop in het document bij de daadwerkelijke beoordeling van de verschillende onderwerpen zijn verschillende beoordelingsschalen te vinden. Sommige schalen lopen van ++ tot --, sommige van + tot ++ en andere van 0 tot --. Dit is gedaan omdat er voor bepaalde onderwerpen geen (licht) negatieve effecten te verwachten zijn (+ tot ++), denk bijvoorbeeld aan energieopbrengst. Voor andere onderwerpen (0 tot --) is dan weer geen (licht) positief effect denkbaar t.o.v. de referentiesituatie zoals de toevoeging van extra geluid. De beoordelingsschalen met alleen een positief effect zijn aangeduid met een (+) en de beoordelingsschalen met alleen een neutraal of negatief effect zijn aangeduid met een (-). De beoordelingsschalen die zowel positief als negatief scoren zijn aangeduid met (+/-)
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 31
Gebruikte windturbinetypes Voor een aantal berekeningen die worden uitgevoerd om milieueffecten in beeld te brengen, is een windturbinetype nodig. Natuurlijk zal het afwegingskader, waarvoor dit planMER wordt opgesteld, niet voorschrijven welk turbinetype geplaatst moet worden. Die flexibiliteit wordt aan een concreet initiatief overgelaten. Maar om het onderzoek in dit planMER verifieerbaar en reproduceerbaar te maken, wordt expliciet aangegeven welk turbinetype uitgangspunt is voor de berekeningen in de effecthoofdstukken. Om de effecten in beeld te brengen worden de locaties beoordeeld wanneer er windturbines van 140 meter ashoogte en 160 meter rotordiameter worden geplaatst. In de praktijk kunnen ook windturbines met andere afmetingen op de locaties worden geplaatst, maar om locaties te kunnen vergelijken wordt voor elke locatie hetzelfde uitgangspunt gehanteerd.
Leemten in kennis en evaluatie In hoofdstuk 15 is aangegeven welke leemten in kennis er bestaan en wat de betekenis voor de besluitvorming is. Het bevoegd gezag evalueert de werkelijk optredende milieugevolgen en neemt zo nodig maatregelen om de gevolgen voor het milieu te beperken.
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 32
5 Elektriciteitsopbrengst en vermeden emissies 5.1
Beleid, wetgeving en beoordelingscriteria
5.1.1
Regelgeving in Nederland De productie van elektriciteit is het primaire doel van een windturbine. Windenergie is een duurzame vorm van elektriciteitsproductie waarmee significant minder uitstoot van schadelijke stoffen plaatsvindt dan bij de opwekking van grijze stroom. Bij een toenemend marktaandeel windenergie kan worden bespaard op de totale hoeveelheid schadelijke stoffen die in Nederland worden uitgestoten. De voornaamste schadelijke stoffen zijn: Koolstofdioxide (CO2): grootste veroorzaker van het broeikaseffect dat vrijkomt bij o.a. fossiele brandstoffen als kolen en gas; Stikstofoxiden (NOx): verzamelnaam voor stikstofverbindingen die bij hoge temperaturen gevormd worden door de oxidatie van stikstof. NOx draagt bij aan ozonvorming en het broeikaseffect; Zwaveldioxide (SO2): een kleurloos gas dat vrijkomt bij verbranding van zwavelhoudende brandstoffen o.a. in de zware industrie en raffinaderijen. Een hoge concentratie SO 2 kan leiden tot ademhalingsproblemen en verzuring van het milieu; Fijnstof (PM10 Fijnstof veroorzaakt gezondheidsproblemen en versterkt het broeikaseffect.
Voor elk locatiealternatief wordt aangegeven hoeveel turbines er mogelijk geplaatst kunnen worden en wat de elektriciteitsopbrengst is in MWh per jaar en hoeveel reductie ten opzichte van fossiele opwekking van elektriciteit dit tot gevolg heeft voor de stoffen die het broeikaseffect en dus de klimaatverandering veroorzaken.
5.1.2
Beoordelingskader Om te bepalen wat het potentieel op te stellen vermogen per gebied is, is middels een GIS-analyse bekeken hoeveel windturbines (en MW) er in elk zoekgebied passen, uitgaande van een logische opstelling. Deze afstand is gebaseerd op technische en economische18 afwegingen19. Hierbij wordt rekening gehouden met de randvoorwaarden die vanuit de verschillende milieutechnische aspecten naar voren komen. Vermenigvuldigd met het vermogen per windturbine van 5,5 MW
hetgeen representatief is
voor een turbine van 160 meter rotordiameter - geeft dit het bruto plaatsingspotentieel. De vermeden emissie is daarvan een afgeleide. Om een globale inschatting te maken van de energieopbrengst is een berekening (zie Bijlage 3 Indicatieve opbrengstberekening) uitgevoerd op basis van de vermogenscurve van een referentiewindturbine en het te verwachten windklimaat in de omgeving. Als referentiewindturbine is de Enercon E-160 EP5 windturbine gekozen met een vermogen van 5,5 MW en een rotordiameter van 160 meter en ashoogte 18
Windturbines veroorzaken turbulentie die leidt tot verschil in krachten die op de bladen van de volgende windturbine worden uitgeoefend, waardoor de materialen snel wisselende belasting te verduren krijgen. Doordat windturbines elkaars wind afvangen, heeft de volgende windturbine in de rij een lagere energieopbrengst. Hiermee is in het ontwerp van de windturbine rekening gehouden, maar om de effecten van turbulentie te beperken worden de windturbines op een minimale afstand uit elkaar gezet. Een optimum is projectafhankelijk, de hier gehanteerde vier maal de rotordiameter is een gebruikelijke afstand. 19 In een verdere uitwerking in de vervolgfase van de plannen per gebied kan een initiatiefnemer op dit vlak andere keuzes maken. PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 33
van 140 m. Deze windturbine is geschikt voor het lokale windklimaat (IEC 320) en past tevens binnen de bandbreedtes voor mogelijk te realiseren windturbines. Het windklimaat is bepaald op basis van de gemiddelde windsnelheid op ashoogte via de RVO Windviewer SDE+ 21. Volgens de Windviewer varieert de gemiddelde windsnelheid op 140 m hoogte tussen de verschillende zoekgebieden in Meierijstad tussen 7,2 en 7,3 m/s. De gemiddelde windsnelheden per locatie zijn aangegeven in onderstaande tabel. Daarnaast geeft de tabel de maximale hoeveelheid turbines weer die geplaatst kunnen worden per locatie. Om de energieopbrengst uit te drukken in een netto-opbrengst is een waarde aangenomen voor mogelijke verliezen. Verliezen kunnen optreden door bijvoorbeeld niet-beschikbaarheid, elektrische verliezen en stilstand door mitigerende maatregelen. Voor deze verliezen wordt voor alle locaties een percentage van 14,4% aangenomen, exclusief verliezen door zog-effecten. Wanneer er meer windturbines geplaatst worden, treden naar verwachting ook meer zog-effecten op. Daarom is additioneel bij de 14,4% aan algemene verliezen per locatie ook gekeken naar een adequaat percentage van verliezen veroorzaakt door zog-effecten. Dit percentage is per locatie weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 5.1 Aantal turbines per locatie Zoekgebied
Naam
Totaal opgesteld vermogen per locatie (MW)
Aantal windturbines
Verliezen door zogeffecten tussen de turbines (%)
Windsnelheid (gemiddeld) op 140 meter hoogte (m/s)
1
Wijboschbroek langs de Zuid-Willemsvaart/ N279
38,5
7
4,3
7,3
2
Rooische heide/Schijndelsche heide ten westen van de Schijndelseweg;
33
6
5,6
7,3
3
Schijndelsche heide ten oosten van de Schijndelseweg;
22
4
3,6
7,3
4A
Het Lijnt langs de ZuidWillemsvaart/N279;
22
4
3,8
7,3
4B
Het Lijnt langs de ZuidWillemsvaart/N279;
22
4
3,0
7,2
Deze analyse voor bepaling van de energieopbrengst is indicatief van aard. Een meer concrete inschatting van de energieopbrengst is mede afhankelijk van een zorgvuldige bepaling van het windklimaat (door bijvoorbeeld ter plekke windmetingen uit te voeren), selectie van het type windturbine, bepaling windturbine opstelling, het meenemen van specifieke factoren (obstakels, ruwheid en hoogte van de omgeving) en nauwkeurige verliesposten in de berekening. De volgende indeling voor de hoogte van de energieopbrengst is bij het bepalen van de scores gehanteerd:
20 21
De IEC klasse geeft aan wat voor soort windklimaat op een locatie (en een bepaalde hoogte) voorkomt. Te raadplegen via: https://windviewer.rvo.nl/Html5Viewer/Index.html?viewer=WindViewer PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 34
Tabel 5.2 Bepaling score energieopbrengst (+) Beoordeling
Score
Energieopbrengst per onderzoeksgebied = < 50 GWh
+
50 100 GWh
+/++
> 100 GWh
++
Vermeden emissies Indien bepaald is wat de potentiële elektriciteitsopbrengst is per locatie, kan ook bepaald worden hoeveel emissies van CO2, NOx en SO2 jaarlijks bespaard kan worden. De jaarlijkse CO2-, NOx- en SO2-reductie wordt uitgedrukt in ton per jaar. De cijfers die worden gepresenteerd zijn indicatief van aard, aangezien de opbrengst erg afhankelijk is van het type windturbine en de uitgangspunten bij het bepalen van de windsnelheid. De bijdrage van het windpark aan de reductie van CO2, NOx en SO2 is recht evenredig met de netto energieopbrengst. De reductie van CO2, NOx en SO2 wordt bepaald aan de hand van de elektriciteitsopbrengst en emissiefactoren per hoeveelheid geproduceerde energie. De in dit hoofdstuk gebruikte kentallen en toelichting zijn weergegeven in tabel 5.3. Tabel 5.3 Kentallen en toelichting Kentallen
Waarde
Toelichting
Elektriciteitsverbruik per woning
2.760 kWh/j 22
Woning is gedefinieerd als BAG-object met woonfunctie. Referentiejaar 2020.
Rendement elektriciteitscentrales
46,9 % 23
Elektrisch rendement op primaire fossiele energie (Lower Heating Value). Referentiejaar 2019.
Emissiefactor CO2
74,6 kg/GJ 19
Uitstoot per GJ geproduceerde primaire energie door centrale, stationaire energiebronnen. Referentiejaar 2016.
Emissiefactor NOx
0,04 kg/GJ24
Uitstoot per GJ geproduceerde primaire energie door centrale, stationaire energiebronnen. Referentiejaar 2016.
Emissiefactor SO2
0,03 kg/GJ25
Uitstoot per GJ geproduceerde primaire energie door centrale, stationaire energiebronnen. Referentiejaar 2016.
Kabelverliezen De geproduceerde elektriciteit moet middels ondergrondse kabels worden getransporteerd naar de afnemers via het regionale elektriciteitsnet van Enexis. Dit gaat via aansluitpunten (onderstations). Het transport van elektriciteit levert altijd verliezen op, als gevolg van warmteontwikkeling in de kabels door weerstand. Hoe langer de kabel, hoe groter deze verliezen. In de beoordeling wordt daarom ook gekeken naar de afstand tussen een zoekgebied en het dichtstbijgelegen onderstation. Hierbij wordt de volgende indeling voor de effectbeoordeling gehanteerd (tabel 5.4) Tabel 5.4 Bepaling score transportverliezen (-) Transportverliezen (afstand tot onderstation)
Score
< 2 km
0
< 2 km > 6 km
-
> 6 km
--
22
CBS (2021). Gemiddeld elektriciteitsverbruik particuliere woningen 2020 CBS (2018a). Rendementen en CO2 emissie elektriciteitsproductie 2016. URL: www.cbs.nl/nlnl/achtergrond/2018/04/rendementen-en-co2-emissie-elektriciteitsproductie-2016 24 CBS (2018b). Emissies van luchtverontreinigende stoffen volgens NEC richtlijnen 25 CBS (2018b). Emissies van luchtverontreinigende stoffen volgens NEC richtlijnen 23
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 35
5.2
Referentiesituatie De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie en autonome ontwikkeling.
Huidige situatie In de huidige situatie staan er geen (>1 MW) turbines in Meierijstad en wordt er nog geen duurzame elektriciteit opgewekt door grote windturbines. Wel zullen er binnen afzienbare tijd een viertal grote windturbines bij Veghel gebouwd gaan worden. De elektriciteit wordt in de huidige situatie nog voornamelijk op een voor Nederland conventionele wijze opgewekt (gas- en kolencentrales). Autonome ontwikkelingen Er zijn geen autonome ontwikkelingen in de zoekgebieden die relevant zijn voor het aspect elektriciteitsopbrengst.
5.3
Beoordeling effecten per alternatief In Tabel 5.5 is per locatiealternatief de globale inschatting van de jaarlijkse elektriciteitsproductie weergegeven. Dit is de netto elektriciteitsproductie. De emissiereductie van CO 2, NOx en SO2 zijn hieruit afgeleid. De jaarlijkse reductie is uitgedrukt in ton per jaar. Om de energieproductie in perspectief te plaatsen is het aantal huishoudens26 vermeld die hiermee van stroom kunnen worden voorzien. In totaal is de plaatsingspotentie 353,8 GWh/jaar, hetgeen overeenkomt met 1.274 TJ. Dit geeft de maximale potentie voor extra wind in de gemeente Meierijstad weer (afzonderlijk van eventuele andere belemmeringen die ervoor zorgen dat deze potentie niet of niet geheel kan worden benut). Tabel 5.5 Beoordeling alternatieven (+) Zoekgebied
P50 Netto elektriciteitsproductie (GWh/jaar)
Elektriciteitsverbruik aantal huishoudens
Vermeden (bruto) emissies CO2 (ton/j)
NOx (ton/j)
SO2 (ton/j)
1
117,8
42.681
67.454,9
36,2
27,1
++
2
99,8
36.159
57.147,7
30,6
23,0
+/++
3
68,4
24.783
39.167,4
21,0
15,8
+/++
4A
67,9
24.601
38.881,1
20,8
15,6
+/++
4B
67,6
24.493
38.709,3
20,8
15,6
+/++
5.4
Effecten aanleg- en eindfase en netaansluiting
5.4.1
Aanlegfase
Score
Hoewel windenergie een hernieuwbare vorm van energieopwekking is, is het aanleggen van windenergie niet vrij van CO2-uitstoot. De productie, transport, installatie, onderhoud en ontmanteling van een windturbine kost immers energie. Hoeveel energie dit kost, varieert per windturbinetype en per situatie. Uit onderzoek van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC)27 blijkt dat de hoeveelheid 26
Het gaat dan om het huidige elektriciteitsgebruik van een gemiddeld huishouden (zonder rekening te houden met toenemende elektriciteitsvraag als gevolg van de warmtetransitie). 27 Intergovernmental Panel on Climate Change (2012). Renewable Energy Sources and Climate Mitigation. http://www.ipcc.ch/report/srren/. Cambridge University Press. PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 36
gebruikte energie na 3,4 tot 8,5 maanden is terugverdiend. De gemiddelde energetische terugverdientijd is 23 weken. Het IPCC onderzocht tevens de daarmee corresponderende CO 2-uitstoot van windturbines. Uit de vergelijking van twintig levenscyclusanalyses van moderne windturbines en parken blijkt dat de gemiddelde uitstoot ongeveer 8 tot 20 gram CO2 per kWh is, verdisconteerd over de gehele levensduur van een windturbine. Deze waarden geven een indicatie van de CO2-uitstoot van windturbines: de daadwerkelijke uitstoot is afhankelijk van verschillende factoren zoals type en verwachte levensduur van de windturbine. De eerder berekende vermeden emissies worden zodoende verminderd met (de maximale) 20 gram CO2 per kWh. De netto reductie is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 5.6 Netto reductie CO2-emissie (+) Zoekgebied
Elektriciteitsproductie (GWh/jaar)
Elektriciteitsverbruik aantal huishoudens
1
117,8
2
CO2 emissie (ton/j)
Score
Bruto reductie
Productie
Netto reductie
42.681
67.454,9
2.356
65.098,9
++
99,8
36.159
57.147,7
1.996
55.151,7
+/++
3
68,4
24.783
39.167,4
1.368
37.799,4
+/++
4A
67,9
24.601
38.881,1
1.358
37.523,1
+/++
4B
67,6
24.493
38.709,3
1.352
37.357,3
+/++
Totaal (m.u.v. 4B)
353,9
128.224
202.651,1
7.078
195.573,1
Er is niet voldoende data beschikbaar om de geproduceerde uitstoot van NOx en SO 2 te berekenen voor de aanleg van windturbines. In het algemeen kan worden gesteld dat de uitstoot een terugverdientijd heeft tussen circa vier en negen maanden28. Kader 5.1 SF6
SF6 is een broeikasgas dat gebruikt wordt als isolatiegas in hoogspanningsschakelaars, bijvoorbeeld in transformatoren. Dit wordt in het merendeel van de hoogspanningsschakelaars gebruikt. Ongeacht of deze trafo's bij een windturbine, zonnepark, warmtekrachtkoppeling , gascentrale worden gebruikt. Ook in het distributienet worden deze transformatoren veelvuldig gebruikt, dus bijvoorbeeld in de elektriciteitshuisje in de wijk die de elektriciteit naar de verbruikers brengen. SF6 wordt toegepast in een gesloten systeem, dat jaarlijks gecontroleerd wordt. De hoogspannings-branche is op zoek naar alternatieven levert inmiddels de eerste SF6-vrije hoogspanningsswitches die minder schadelijk zijn voor het milieu. Om de uitstoot van het broeikasgas SF6 in perspectief te plaatsen, de aan SF6 gerelateerde uitstoot per windturbine over 15 jaar komt overeen met ongeveer 530 kg CO2-uitstoot. De CO2 besparing die de voorziene windturbines per stuk realiseren is circa 139.496.000 kg. De aan SF6 gerelateerde uitstoot is dus 0,0005% van de vermeden CO2-uitstoot en wordt door de wind turbine ruimschoots gecompenseerd.
28
Das Gr ne Emissionshaus, augustus 2003; http://guidedtour.windpower.org/en/tour/. N.B. De kans is groot dat moderne windturbines hun uitstoot sneller hebben terugverdiend, gezien de aanzienlijk hogere elektriciteitsproductie per eenheid in verhouding tot de productiekosten en grondstoffen. PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 37
Verwijderingsfase (einde levensduur) Een windturbine heeft een
-30 jaar en er wordt gepoogd om de levensduur van
windturbines verder te verlengen. Daarnaast wordt de windturbine in sommige gevallen doorverkocht en krijgt hij een tweede leven. Meestal wordt de turbine echter gedemonteerd en afgevoerd. De effecten hiervan zijn al meegenomen in de 20 gram CO2 per kWh zoals in de voorgaande paragraaf is toegelicht. In Kader 5.2 is verder informatie over de recycling van windturbines te vinden. Kader 5.2 Recycling van windturbines
Een windturbine bestaat uit verschillende onderdelen en materialen. De fundatie is meestal van beton gemaakt. De toren van de windturbine bestaat meestal uit beton of metaal. De rotor en gondel van de windturbine bestaan meestal uit metaal. Daarnaast bevinden zich nog allerlei materialen aan de binnenkant van de windturbine zoals koper. De bladen van windturbines bestaan uit composiet, een mengeling van glasvezel of koolstofvezels met andere stoffen. Het overgrote deel van een windturbine (ca. 90 procent) is goed te recyclen. De overige tien procent, met name de bladen van de windturbines zijn lastiger te recyclen. Dit komt doordat de techniek om de composiet te scheiden nu nog erg kostbaar is. Wel zijn er al bedrijven die inspringen op de recycling van windturbinebladen en heeft een van de grote fabrikanten (Vestas) aangekondigd dat alle windturbinebladen voor 2030 volledig recyclebaar zijn. Daarnaast zijn de eerste volledig recyclebare windturbinebladen al op de markt gebracht. Tot die tijd zal het niet altijd mogelijk zijn om de laatste tien procent te recyclen. In Nederland is het daarnaast verboden om windturbinebladen te begraven.
5.4.2
Netaansluiting Vanwege de interne weerstand in de kabels treden energieverliezen op. Hoe groter de afstand tot het elektrische aansluitingspunt is, hoe groter de verliezen zullen zijn. In Tabel 5.7 zijn de verschillende afstanden van het midden van het zoekgebied tot aan het dichtstbijzijnde onderstation weergegeven en is hier een beoordeling aan gekoppeld. Tabel 5.7 Afstanden kabel netaansluiting (-) Zoekgebied
Naam
Afstand midden van zoekgebied tot dichtstbijzijnde onderstation (km)
Beoordeling
1
Wijboschbroek langs de ZuidWillemsvaart/ N279
6,1
--
2
Rooische heide/Schijndelsche heide ten westen van de Schijndelseweg;
5,3
-
3
Schijndelsche heide ten oosten van de Schijndelseweg;
1,8
0
4A
Het Lijnt langs de ZuidWillemsvaart/N279;
8,1
--
4B
Het Lijnt langs de ZuidWillemsvaart/N279;
9,1
--
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 38
Kader 5.3 Netcongestie De energietransitie zorgt ervoor dat zowel de vraag naar elektriciteit als het aanbod van decentraal opgewekte hernieuwbare elektriciteit exponentieel groeit. Hier is het elektriciteitsnetwerk in Nederland niet op ontworpen en de benodigde aanpassingen verlopen langzamer dan de vraag uit de markt. Dit heeft tot gevolg dat er op plekken knelpunten ontstaan: netcongestie. Als gevolg hiervan heeft Enexis in 2021 aangekondigd dat op korte termijn geen nieuwe aansluitingen voor grootschalige teruglevering mogelijk zijn en in juni 2022 heeft ook TenneT aangekondigd dat er in Noord-Brabant en Limburg geen grote afname of opwekaansluitingen meer mogelijk zijn. Dit betekent dat op korte termijn geen nieuwe windturbines kunnen worden aangesloten op het elektriciteitsnet. De netbeheerders hebben aangegeven in de recente investeringsplannen dat er momenteel wordt gewerkt aan uitbreiding van de capaciteit en er in 2026 naar verwachting weer (beperkte) capaciteit beschikbaar is. Voor de beoordeling in dit m.e.r. is dit echter om twee redenen niet meegenomen. Enerzijds is de doorlooptijd voor realisatie van een groot windpark in de praktijk circa 4-6 jaar, waardoor de realisatie pas ruim na de netuitbreidingen plaats zal vinden. Anderzijds is het niet strikt noodzakelijk om een netaansluiting te hebben bij de bouw van een windturbine.
Er zijn ook mogelijkheden om de geproduceerde elektriciteit rechtstreeks te gebruiken (achter de meter) of om te zetten in waterstof voor andere toepassingen. Bovendien heeft de netcongestie geen milieugevolgen an sich die relevant zijn voor dit planMER.
5.5
Cumulatie Voor het aspect elektriciteitsopbrengst en vermeden emissies is cumulatie niet aan de orde.
5.6
Mitigerende maatregelen en optimalisatiemogelijkheden Voornamelijk maatregelen om geluid te reduceren, slagschaduw te verminderen en eventueel vogelslachtoffers of vleermuisslachtoffers te voorkomen, kunnen een effect hebben op de elektriciteitsopbrengst van de windturbines. In het algemeen zal dit hoogstens enkele procenten zijn en daarmee niet wezenlijk onderscheidend voor de verschillende locaties. Voor wat betreft optimalisatie van de energieopbrengst van de vier locatiealternatieven, is aan te merken dat er per locatie reeds het maximum aantal turbines geprojecteerd wordt met een nodige onderlinge turbineafstand van 4 x rotordiameter als vuistregel. Daarnaast kan er eventueel per locatie meer opbrengst behaald worden door micro-siting, dus door de positie van de turbines nauwkeurig in te passen aan de specifieke randvoorwaarden op de desbetreffende locatie. Hierbij valt te denken aan het zorgvuldige bepalen van het windklimaat (door bijvoorbeeld ter plekke windmetingen uit te voeren), een selectie van het meest geschikte type windturbine voor de specifieke locatie en de bepaling van de windturbine opstelling. Dit betreft maatwerk en komt pas in een later ontwikkelstadium van een windpark aan bod.
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 39
6 Leefomgeving 6.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het effect van geluid en van slagschaduw. Het effect op gezondheid, hetgeen hier een sterke relatie mee heeft, komt in hoofdstuk 7 aan de orde. Voor het bepalen van de effecten van geluid en slagschaduw zijn berekeningen uitgevoerd, welke zijn opgenomen in Bijlage 4 Onderzoek akoestiek en slagschaduw. Voor meer informatie over de uitgevoerde berekeningen wordt naar deze bijlage verwezen.
6.2
Beleid, wetgeving en beoordelingscriteria geluid
6.2.1
Geluid van windturbines Net als alle mechanische installaties produceren windturbines geluid, dat meestal wordt omschreven als suizend of zoevend. Windturbines produceren zowel mechanisch als aerodynamisch geluid. Het mechanische geluid is afkomstig uit het overbrengen van de energie vanuit de wieken naar de generator en uit de generator zelf. Het aerodynamische geluid is afkomstig van de hoge snelheid waarmee de wieken door de lucht snijden. Het mechanische geluid is meestal vele malen lager dan het aerodynamische geluid. Er is veel onderzoek gedaan naar geluid en de effecten van blootstelling aan geluid en op basis hiervan zijn relaties bepaald tussen de hinderbeleving en de blootstelling aan geluidniveaus. Dit zijn dosis-effect relaties waarbij met de mate van blootstelling een bepaalde mate van effect gepaard gaat. Deze relaties vormen de basis voor de geluidwetgeving in Nederland. Geluid kan in verschillende dosismaten worden weergegeven. In dit planMER wordt gewerkt met de dosismaat Lden, dat staat voor het jaargemiddelde geluidniveau in de dag-, avond- en nachtperiode (Level day, evening, night). Hierbij geldt voor de avond een strafcorrectie van 5 dB en voor de nacht 10 dB.
Reden dat hier gewerkt wordt met een gemiddelde is dat voor deze dosismaat een dosis-effectrelatie beschikbaar is (zie ook 6.2.3 beoordelingskader) en er veel ervaring is met toepassing van deze systematiek. Daarnaast wordt aangesloten bij de Lden en Lnight systematiek zoals beschreven in de Europese richtlijn voor omgevingsgeluid. Volgens richtlijn 2002/49/EG dient omgevingsgeluid in alle lidstaten bij voorkeur op dezelfde wijze behandeld te worden. Uiteraard zijn ook andere geluiddosismaten denkbaar, echter voor de onderlinge vergelijking van de locaties maakt dat geen verschil.
6.2.2
Geluidwetgeving in Nederland Het besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim, 2008, het Activiteitenbesluit) is het kader voor de toetsing van geluid van windturbines. Door de uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State van 30 juni 2021 inzake Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding (DZU) mogen de windturbinenormen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid uit paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit en paragraaf 3.2.3 van de Activiteitenregeling voorlopig niet toegepast worden als toetsingskader voor het bepalen van belangrijke nadelige milieugevolgen. In Kader 6.1 wordt de uitspraak nader toegelicht.
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 40
Kader 6.1 Uitspraak Raad van State over normen geluid, slagschaduw en veiligheid in het Activiteitenbesluit Op 30 juni 2021 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan over een aantal besluiten met betrekking tot windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding over - onder meer en - samengevat de vraag of voor het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) en de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling) een plan-MER-plicht bestaat op grond van de Europese richtlijn Strategische Milieubeoordeling vele-arrest**. De Afdeling is in die uitspraak tot het oordeel gekomen dat op grond van het Europese recht inderdaad een dergelijke beoordeling moet worden gemaakt van de windturbinebepalingen. Die beoordeling zal in eerste instantie door het Rijk worden opgesteld. Totdat die Activiteitenregeling voor het in werking hebben van een windturbine of een combinatie van windturbines buiten toepassing gelaten***. De normen voor geluid, slagschaduw en veiligheid uit het Activiteitenbesluit en de -regeling moeten met een MER onderbouwd worden. De minister verwacht dit de komende twee jaar te kunnen onderbouwen.
In de tussentijd kunnen overheden niet zomaar verwijzen naar het Activiteitenbesluit en -regeling voor geluid-, slagschaduw of veiligheidsnormen, maar moeten ze zelf normen stellen en hiervoor een eigen milieuonderbouwing leveren. Voorbeelden van overheden die zelf al lokale normen voor windturbines vastgesteld hebben zijn onder andere de gemeenten Delfzijl en Maasdriel. * **
ECLI:NL:RVS:2021:1395 Grote kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Nevele (C-24-19). Zie: https://eur-lex.europa.eu/legalcontent/NL/TXT/?uri=ecli:ECLI:EU:C:2020:503
*** In ieder geval voor zo ver betrekking hebbende op windparken van 3 of meer windturbines: De SMB-richtlijn is in Nederland itbreiding van minste drie windturbines
6.2.3
Beoordelingskader geluid In hoofdstuk 3 is toegelicht dat op onder andere het aspect geluid een meer kwantitatieve benadering wordt gehanteerd in dit planMER, aan de hand van voorbeeldopstellingen. Gezien de situatie rond de wettelijke normstelling is het echter niet mogelijk om de effecten te beoordelen aan de hand van het wettelijke kader. Er is daarom een andere insteek gekozen die hieronder wordt toegelicht. Omdat de turbinelocaties indicatief zijn, het specifieke windturbinetype dat geplaatst gaat worden in dit stadium niet bekend is én er reeds 400 meter wordt aangehouden tussen de windturbinelocaties en geluidgevoelige objecten, is toetsing aan een vaste norm of getalswaarde weinig onderscheidend tussen locaties en levert dit niet voldoende relevante milieu-informatie op in dit stadium. Daarom wordt voor geluid een ander beoordelingscriterium toegepast, namelijk het te verwachten aantal gehinderden per locatie op basis van een dosis-effectrelatie29. Op basis van ervaringen van mensen die wonen nabij windturbines is een dosis-effectrelatie vastgesteld waarmee aan de hand van de geluidbelasting in dB Lden iets kan worden gezegd over de kans dat iemand ernstige hinder ondervindt van windturbinegeluid.
De hier gebruikte methodiek is vooral bedoeld om locaties te vergelijken, en niet zozeer om een exact aantal (ernstig) gehinderden te voorspellen (ondanks dat er wel specifieke aantallen worden genoemd). Per zoekgebied is voor de voorbeeldopstelling een geluidberekening gemaakt uitgaande van een representatieve windturbine. Per zoekgebied is de jaargemiddelde geluidbelasting L den bepaald voor de gevoelige objecten binnen de 37 dB Lden contour van de windturbines. De resultaten zijn specifiek voor de gehanteerde gemiddelde en worst-case windturbine. Indien andere turbinetypes worden overwogen kan 29
Hinder door geluid van windturbines, TNO, 2008-D-R1051/B PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 41
dit leiden tot andere resultaten. Voor de zoekgebieden is per woning het verwachte aantal ernstig gehinderden bepaald en vermenigvuldigd met het gemiddelde aantal personen per huishouden 30 om het werkelijk aantal ernstig gehinderden te bepalen. Door het aantal ernstig gehinderden bij elkaar op te tellen per zoekgebied kunnen de diverse zoekgebieden met elkaar worden vergeleken. Tabel 6.1 Bepaling score criterium aantal ernstig gehinderden (-) Criterium
Beoordeling
Score
Aantal ernstig gehinderden
Aantal ernstig gehinderden per turbine minder dan 5
0
Aantal ernstig gehinderden per turbine tussen 5 en 8
0/-
Aantal ernstig gehinderden per turbine tussen 8 en 11
-
Aantal ernstig gehinderden per turbine tussen 11 en 14
-/--
Aantal ernstig gehinderden per turbine meer dan 14
--
Hoewel bovenstaande beoordelingssystematiek een goede vergelijking kan maken in de milieugevolgen tussen de verschillende locaties wordt hiermee wel voorbijgegaan aan een belangrijk effect: de hoeveelheid woningen die te maken krijgen met een bepaald hoogte van geluidbelasting als gevolg van de windturbines. Indien er bijvoorbeeld maar enkele woningen in of nabij een gebied een relatief hogere geluidbelasting krijgen en er een woonwijk op relatief grote afstand ligt met een relatief lage geluidbelasting, kan die locatie een negatievere score krijgen in deze systematiek. Daarom is het criterium aantal woningen binnen een drietal geluidcontouren toegevoegd aan de beoordeling. Ook hierbij is wel rekening gehouden met de omvang van het zoekgebied, door de effecten te delen door het aantal windturbines. Tabel 6.2 Bepaling score criterium aantal woningen binnen geluidcontouren (-)
6.2.4
Criterium
Beoordeling
Score
Aantal geluidgevoelige objecten (woningen) binnen geluidcontour per windturbine
geen woningen per windturbine binnen geluidcontour Lden 45 dB of hoger
0
< 5 woningen per windturbine binnen geluidcontour L den 45 dB of hoger
-
> 5 woningen per windturbine binnen geluidcontour Lden 45 dB of hoger
--
geen woningen per windturbine binnen geluidcontour Lden 42 dB
Lden 45 dB
0
< 25 woningen per windturbine binnen geluidcontour Lden 42 dB
Lden 45 dB
-
> 25 woningen per windturbine binnen geluidcontour Lden 42 dB
Lden 45 dB
--
geen woningen per windturbine binnen geluidcontour Lden 37 dB
Lden 42 dB
0
< 100 woningen per windturbine binnen geluidcontour L den 37 dB
Lden 42 dB
-
> 100 woningen per windturbine binnen geluidcontour L den 37 dB
Lden 42 dB
--
Stiltegebieden Voor de stiltegebieden wordt gekeken naar de aanwezigheid van stiltegebieden in of in de nabijheid van het onderzoeksgebied en wordt een kwalitatieve inschatting gemaakt van de kans op effecten op het stiltegebied als gevolg van het geluid van de windturbines.
30
Voor gemeente Meierijstad is het gemiddeld aantal personen per huishouden 2,3 in het jaar 2021, https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/70072ned/table?dl=68133 PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 42
Tabel 6.3 Bepaling score criterium stiltegebied (-) Criterium
Beoordeling
Geluidsbelasting op stiltegebieden (kwalitatief)
Stiltegebied in de nabijheid
Score kans op effect
Geen stiltegebied in nabijheid onderzoeksgebied
6.2.5
0
Cumulatieve effecten Voor de vier zoekgebieden zijn de relevante andere geluidbronnen in kaart gebracht. Dat gaat om wegverkeer, luchtvaart, industrie, scheepvaart en de geplande windturbines. Er is gekozen voor een kwalitatieve benadering ten behoeve van een indicatieve beoordeling van de geluidbronnen waarmee de zoekgebieden onderling vergeleken kunnen worden. Per geluidbron is gekeken naar de nabijheid van de geluidbron in relatie tot de 37 dB Lden contour (worst-case turbine) van de mogelijke windturbineopstellingen per zoekgebied. Bij een lagere geluidcontour worden geen relevante cumulatieve effecten meer verwacht omdat bij dergelijke niveaus de geluidbelasting van windturbines verwaarloosbaar laag is. Eventuele andere geluidbronnen zijn dan maatgevend. Voor het gewenste detailniveau van een planMER is deze aanpak afdoende specifiek. Tabel 6.4 Bepaling score cumulatie overige geluidbronnen (-) Criterium
Gecumuleerde geluidsbelasting windturbines met overige geluidsbronnen op omgeving (kwalitatief)
6.2.6
Beoordelingscriterium
Score
Geen overlap 37 dB Lden contour met geluidscontour van bestaande geluidbronnen: geen kans op cumulatieve effecten
0
Overlap 37 dB Lden contour met geluidscontour van bestaande geluidsbronnen, maar geen geluidgevoelige objecten: geen kans op cumulatieve effecten
0/-
Overlap 37 dB Lden contour met geluidscontour van bestaande geluidsbronnen en 120 geluidgevoelige objecten, kleine kans op cumulatieve effecten
-
Overlap 37 dB Lden contour met geluidscontour van bestaande geluidsbronnen en 2050 geluidgevoelige objecten: middelgrote kans op cumulatieve effecten
-/--
Overlap 37 dB Lden contour met geluidscontour van bestaande geluidsbronnen en >50 geluidgevoelige objecten: grote kans op cumulatieve effecten
--
Laagfrequent geluid Bij de norm voor windturbinegeluid is uitgegaan van windturbinegeluid en de mate van hinderlijkheid die wordt ervaren op basis van empirisch onderzoek. Daarbij is ook rekening gehouden met het optreden van laagfrequent geluid, dat altijd een onderdeel van het geluidspectrum van windturbinegeluid is. Nederland heeft geen specifieke vastgestelde norm voor laagfrequent geluid waaraan moet worden getoetst.