Bijlage 1.1. BP Kruigenstraat 1 en ong Veghel toelichting en regels
Tekst van het document
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
28
hiervoor is mogelijk dat ten tijde van de vaststelling van deze structuurvisie in 2013 nog niet gesproken is over het amoveren van het bedrijf. Daarnaast wordt er met de regels om twee vrijstaande woningen gebouwd kunnen worden, ingespeeld op de woningbehoefte in de omgeving. Hoewel het plan niet direct voorziet in de bouw van woningen voor de doelgroepen die vanuit de woonvisie benoemd worden, draagt het plan bij aan de mogelijkheden voor doorstroming. De locatie leent zich juist voor een vrijstaande woningbouwtypologie en biedt kansen voor mensen die op zoek zijn naar een rustige locatie in het buitengebied waar vraaggericht gebouwd kan worden. Met het plan wordt rekening gehouden met de omgevingskwaliteiten en aanwezige functies in de omgeving en sluit het initiatief aan op het gedachtegoed uit de gemeentelijke structuurvisie. 3.3.2
Kwaliteitshandboek Oude Ontginning
Het plangebied is opgenomen in een gebied met beeldkwaliteitseisen. Dit betreft het ‘Kwaliteitshandboek Oude Ontginning’ (april 2015). In dit handboek geeft de gemeente een toekomstvisie voor de invulling van het gebied. Dit wordt gedaan op basis van een masterplan, dit masterplan betreft de volgende onderdelen: 1. Stedenbouwkundig plan; 2. Kwaliteitsinstrumentarium; 3. Structuurplan; 4. Milieu Effectrapport (Plan MER); 5. Financieel Raamwerk; 6. Convenanten. Doorwerking plangebied De oude ontginningen vormen een onbebouwd kleinschalig landschap met bochtige linten en doorzichten. De planlocaties aan de Kruigenstraat liggen beide in dit oude ontginningen landschap. Met de actualisatie van het masterplan van Veghels Buiten is er naast de bestaande landschapsstructuren en bestaande beplantingen een groene mal gevormd, waarbij nieuwe ontwikkelvlekken (potentiële bouwlocaties gelegen in de Oude Ontginning) en bestaande erven de ruimte krijgen. Kruigenstraat 1-1A De stedenbouwkundige opzet is verbonden met dit landschappelijk casco. Landschappelijke eenheden als open weides, opgaande begroeiingen als bomenrijen en struweel zorgen voor gelaagdheid binnen het coulisselandschap. De bebouwing en beplanting vormen hiermee een ruimtelijke eenheid.
In het ‘Kwaliteitshandboek Oude Ontginning’ (April 2015) zijn verschillende ontwikkelvelden opgenomen, welke zijn onderverdeel in verschillende ontwikkeltypologieën, Voor de bebouwing van het plangebied is het volgende opgenomen, weergegeven in onderstaande figuur.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
29
Figuur 3.4:
Ontwikkelingsvlekken Kwaliteitshandboek
Het plangebied aan de Kruigenstraat (nummer 460 in figuur 3.4) behoort tot type 4 (typologie), Ontwikkeltypologie 4 betreft een groot zelfstandig erf aan het lint met meer dan 3 woningen. Het erf bestaat uit een zelfstandig hoofdgebouw en nevengebouwen. Het hoofdgebouw kan een bestaand bouwvolume zijn of een nieuw te ontwikkelen bouwvolume. Hoewel onderhavig plan niet voorziet in een woningbouwplan, is bij de totstandkoming van de ruimtelijke invulling wel gekeken naar de inrichtings- en ontwerpprincipes voor een dergelijk ‘erf’. Het handboek rijkt verschillende ontwerpprincipes aan om een dergelijk ontwikkelveld op te bouwen en nieuwe rode ontwikkelingen toe te laten binnen het ruimtelijk casco van Veghels Buiten. De volgende principes worden gehanteerd:
Een ontwikkelingsvlek markeert een ontwikkelvlak met een bouwvlak waarop bebouwing is toegestaan.
Iedere ontwikkelingsvlek of erf bestaat uit een verhard en een onverhard deel. Het verharde vlak bestaat uit een erfontsluiting en een verhard erf. Het verharde erfvlak is orthogonaal (volgens een rechthoekig stelsel) gevormd.
In de ontwikkelingsvlek wordt aan de rand - een strook voor erfbeplanting en waterberging gereserveerd van tenminste 5 meter.
Aan de randen van de ontwikkelingsvlek wordt voor zover nodig een greppel of zaksloot gegraven van 2.5 - 4.0 meter breed ten behoeve van de waterberging. De greppel sluit waar mogelijk aan op de aanwezige doorgaande greppel of watergang langs het lint zodat bij extreme regenval voldoende afvoercapaciteit beschikbaar is.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
30
De ontwikkelvlek heeft een vrije zone van minimaal 3 meter. Vanaf insteek sloot vrij van bebouwing
Figuur 3.5:
Ordeningsprincipes Kwaliteitshandboek
Het plan aan de Kruigenstraat voldoet in het beginsel aan de gestelde kaders uit het Kwaliteitshandboek. De opzet van het erf is orthogonaal, welke door nieuwe groenelementen wordt ingepast. De groene mal heeft een minimale breedte van 5 meter. Ook wordt er in het plan rekening gehouden met de aanleg van een greppel. Verdere randen van het perceel blijven vrij van bebouwing. Het hoofdgebouw langs de Havelt- Kruigenstraat betreft een los bouwvolume, en doet in opzet niet mee met het erf. De woning is georiënteerd op de weg en heeft een verspringende rooilijn (naar voren) en zorgt hiermee voor een duidelijke entreewoning. De nevengebouwen op het erf zijn ondegeschikt en liggen niet parallel aan het hoofdgebouw (bedrijfswoning). De nevengebouwen, in dit geval de verschillende loodsen, liggen parallel of haaks op het verharde erfvlak. De opzet van de gebouwen zorgen ervoor dat het er een besloten ruimte krijgt. De entrees liggen aan de toerit van het erf.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
31
Daarnaast worden er voor de aanplant van nieuwe erfbeplantingen inheemse soorten toegepast. In dit geval wordt er langs de west en zuidzijde een bomenrij aangeplant. Ook zal tussen de ontwikkelen bouwkavels aan de kruigenstraat ong. en de weide een houtsingel worden aangeplant. Deze draagt bij het versterken van de karateristiek van het kleinschalige oude ontginningslandschap en zorgt voor extra biodiversiteit. De oostzijde wordt ingepast met een lage knip- en scheerhaag in combinatie met de aanplant van fruitbomen. Door een variatie aan landschapselementen toe te voegen ontstaat er een gevarieerd en gefragmenteerd karakter, wat als belanggrijk wordt ervaren in het Kwaliteitshandboek. Elke grensrichting wordt ingevuld met een andere soort, hiermee wordt tevens de biodiversiteit ter plaatse versterkt. Alle erafscheidingen binnen het plan hebben een groen karakter, wat aansluit op de gestelde kaders uit het Kwaliteitshandboek.
Figuur 3.6:
Landschappelijke inpassing Kruigenstraat 1
Kruigenstraat ong. Voor de locatie aan de Kruigenstraat ongenummerd gelden louter de algemene uitgangspunten. In het Kwaliteitshandboek Oude Ontginning (3 maart 2011) zijn geen specifieke beeldkwaliteitsrichtlijnen opgenomen voor de kavels binnen de bestemming Wonen-1. Tevens is er voor deze kavel geen ontwikkelingsvlek opgenomen in het Kwaliteitshandboek Oude Ontginning. De woningen zullen ieder worden ontsloten door middel van een eigen inrit. Hiervoor dient er een overgang over de bestaande watergang gerealiseerd te worden. Voor de berging van water zal er gebruik worden gemaakt van de aanwezige watergangen en greppels. In het kwaliteitshandboek is het volgende opgenomen over beeldkwaliteit van bebouwing en buitenruimte: “In ´Veghels Buiten´ wordt gestreefd naar een informele, stoere, landelijke sfeer. De bebouwing nodigt uit tot contact tussen zowel woning en erf als woning en landschap. De architectuuropgave bestaat uit het onderzoeken van de essentie van de Brabantse landelijke sfeer en het kiezen van een heldere architectuurfocus. Van de architecten wordt verwacht deze focus overtuigend te motiveren en consistent uit
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
32
te werken in de ontwerpen. De architecten worden uitgedaagd om kenmerken uit het verleden te vertalen naar een eigentijdse bouwstijl. Het resultaat moet meer bieden dan een letterlijke kopie van oude bebouwing. Ieder erf heeft een unieke context. Van de architect wordt verwacht dat de kenmerken van de specifieke context benut worden in het ontwerp. Cataloguswoningen zijn uitgesloten.” De ontwikkeling aan de Kruigenstraat ong. zal worden getoetst aan de algemene uitgangspunten. Hiermee is het in lijn met het Kwaliteitshandboek Oude Ontginning.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
33
4
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald. Het plan wordt aan deze elementen getoetst. Een en ander dient ter onderbouwing waarom er sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij realisatie van de in het plan opgenomen planologische mogelijkheden.
Verkeer en parkeren 4.1.1
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bepaald wat de verkeersaantrekkende werking van het plangebied is. Om te bepalen wat de effecten van het plan op de verkeersaantrekkende werking van het plangebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de CROW-kengetallen (publicatie 381). Deze kengetallen geven een indicatie van de met het plan gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Gemeenten kunnen er echter ook voor kiezen om zelf parkeernormen vaststellen. De gemeente Meierijstad heeft dat gedaan in de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’. 4.1.2
Onderzoek
Verkeer Om de theoretisch gezien te verwachten verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied te bepalen, is gebruik gemaakt van CROW-kengetallen. Bij het hanteren van deze kencijfers is het van belang om de mate van stedelijkheid te bepalen aan de hand van de omgevingsadressendichtheid. Volgens de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ behoort Veghel tot de categorie ‘matig stedelijk’. Tevens is uitgegaan van de locatiecategorie ‘buitengebied’. Kruigenstraat (ong.) Voor de Kruigenstraat (ong.) zijn momenteel 2 twee-onder-een-kap woningen toegestaan. Hiervoor geldt in een matig stedelijke gemeente op een locatie is aan te merken is als ‘buitengebied’ volgens de CROWpublicatie minimaal 7,4 en maximaal 8,2 mvt/etmaal/woning. Wanneer uitgegaan wordt van een worstcasescenario, zal de woonfunctie binnen het plangebied naar verwachting zorgen voor een totale verkeersgeneratie van 16,4 mvt/etmaal. Met het mogelijk maken van 2 vrijstaande woningen op deze locatie zal de verkeersgeneratie iets hoger uitkomen. Voor een vrijstaande woning in een matig stedelijke gemeente op een locatie is aan te merken is als ‘buitengebied’ volgens de CROW-publicatie minimaal 7, en maximaal 8,6 mvt/etmaal/woning. Wanneer uitgegaan wordt van een worstcasescenario, zal de woonfunctie binnen het plangebied naar verwachting zorgen voor een totale verkeersgeneratie van 17,2 mvt/etmaal.
Dit betreft een toename van 0,8 mvt/etmaal. Gelet op het beperkte aantal extra verkeersbewegingen is de verwachting dat de wegen in de omgeving van het plangebied dit verkeer moeiteloos kunnen verwerken. Kruigenstraat 1-1A Een bedrijf is een functie die verkeer genereert. De verkeersgeneratie die wordt gegenereerd door de ontwikkeling van het bedrijf kan worden berekend aan de hand van de CROW-kengetallen. De beoogde ontwikkeling valt binnen diverse categorieën kencijfers van de CROW-kengetallen. Bij het berekenen van de verkeersgeneratie op de locatie wordt er tevens uitgegaan van een matig stedelijk gebied, in het buitengebied.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
34
Verkeersgeneratie totaal Kruigenstraat 1-1A Gelet op hetgeen beschreven is in de vorige alinea’s is de verkeersgenererende werking van de nieuwe functies in beeld gebracht. Voor de workshops is er aangehouden dat er twee workshops per dag worden gegeven voor circa 8 personen. Hiervan is de verwachting dat de meeste bezoekers met de fiets naar de locatie zullen komen. Om van de uiterste verkeersgeneratie uit te gaan is er een percentage van 50% aangehouden voor autobezoekers van de workshop. Voor het kantoor en de werkplaats is er uitgegaan van dat de functie arbeidsintensief en bezoekersextensief is. Functie
Verkeersgeneratie
Workshops
16 mvt/etmaal
Kantoor/ werkplaats (440 m2)
40,04 tot 47,96 mvt/etmaal
Maximale verkeersgeneratie
Maximaal 63,96 mvt/etmaal
Tabel 1:
Verkeersgeneratie
Gelet op de wegen in de omgeving en het aantal verkeersbewegingen is de verwachting dat de wegen in de omgeving van het plangebied dit verkeer moeiteloos kunnen verwerken. Omwille van geluidsreductie zal de noordelijke inrit aan de Kruigenstraat niet voor zwaar verkeer gebruikt worden. Ontsluiting plangebied In de toekomstige situatie zal er ter plaatse van het plangebied sprake zijn van 3 in- en uitritten, de ligging en functie van deze in- en uitritten worden hieronder toegelicht. Tevens is de ligging van de functies weergegeven op onderstaande figuur 4.1.2. Inrit A, zoals weergegeven op bovenstaande figuur, is een inrit die ontsluiting biedt naar de schuren van Kruigenstraat 1 en is een toegangsinrit voor de weide. Inrit B is een inrit die ontsluiting biedt naar het woonhuis/ huidige bedrijfswoning en voor klein verkeer. In de huidige situatie is deze inrit een van de twee hoofdontsluitingen van het agrarische bedrijf. In de toekomstige situatie zal deze inrit nauwelijks een functie vervullen voor het bedrijfsmatige verkeer. Inrit C is een inrit voor de locatie Kruigenstraat 1a waar het groter verkeer over gaat. Dit in het kader van de veiligheid, zodat op de redelijk smalle weg van de Kruigenstraat geen tot nauwelijks manoeuvreer acties uitgevoerd hoeven worden. Het transport kan verder geheel op eigen terrein uitgevoerd worden.
Het vrachtverkeer komt voornamelijk vanuit de Havelt richting de Kruigenstraat en gebruikt inrit C om het terrein te betreden. Om een doelmatige en verkeersveilige toegang te kunnen realiseren, wordt er aan de andere zijde van de weg een strook grasbetontegels geplaatst, zodat grote voertuigen de draaicurves kunnen maken. Op figuur 4.1.1 is de strook weergegeven waar de grasbetontegels geplaats zullen worden.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
35
Figuur 4.1.1 Realiseren strook grasbetontegels ten behoeve van draaicurve groot verkeer (inrit C)
A
B
C
Figuur 4.1.2 Toekomstige inritten
Parkeren Kruigenstraat (ong.) Voor vrijstaande koopwoningen die gelegen zijn in een matig stedelijke gemeente op een locatie is aan te merken is als ‘buitengebied’ geldt op basis van de ‘Nota parkeernormen Meierijstad 2018’ een parkeernorm van 2,4 pp/woning. Aangezien er in twee woningen worden bestemd, is de totale theoretische parkeernorm 4,8 parkeerplaatsen. Naar boven afgerond dient te worden voorzien in 5 parkeerplaatsen. De 5 benodigde parkeerplaatsen dienen op eigen terrein en/of in openbaar gebied te worden gerealiseerd. Gelet op de hoeveelheid ruimte op eigen terrein is aannemelijk dat op eigen terrein voorzien kan worden in voldoende parkeerplaatsen.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
36
Kruigenstraat 1-1a De beoogde ontwikkeling betreft verschillende functies. Gezien de beschikbare ruimte op het perceel zijn er geen belemmeringen om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. 4.1.3
Conclusie
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmeringen.
Geluid 4.2.1
Toetsingskader
Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:
de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
de aanleg van een nieuwe weg;
de reconstructie van een bestaande weg.
De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt in beginsel buiten beschouwing worden gelaten, tenzij het meenemen van deze wegen noodzakelijk wordt geacht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Tabel: Breedte geluidszones langs wegen
Stedelijk gebied
Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie
Maximale ontheffingswaarde
Artikel
Stedelijk gebied
Nieuwe woningen
63 dB
Artikel 83, lid 2 Wgh
Vervangende nieuwbouw
68 dB
Artikel 83, lid 5 Wgh
Buiten stedelijk gebied
Nieuwe woningen
53 dB
Artikel 83, lid 1 Wgh
Agrarische bedrijfsbebouwing
58 dB
Artikel 83, lid 4 Wgh
Vervangende nieuwbouw
58 dB
Artikel 83, lid 7 Wgh
Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van een
63 dB
Artikel 83, lid 6 Wgh
autoweg of autosnelweg *Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
37
4.2.2
Onderzoek
In de zin van artikel 1 van de Wet geluidhinder is de bedrijfslocatie geen geluidsgevoelige functie. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting vanuit de omgeving is niet noodzakelijk. Voor de Kruigenstraat ong. geldt er al een woonbestemming, hierdoor wordt er geen nieuwe geluidgevoelige functie ontwikkeld. 4.2.3 Conclusie Het aspect geluid zorgt niet voor belemmeringen.
Luchtkwaliteit 4.3.1
Toetsingskader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan (minstens) één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.
Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Het project draagt op zichzelf niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Om te bepalen of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging:
Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM.
Het project zorgt voor een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3).
4.3.2
Onderzoek
Aangezien niet op voorhand kan worden gesteld dat sprake is van niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) aan luchtvervuiling, dient middels een berekening met de NIBMtool in beeld te worden gebracht wat de effecten van het project op de luchtkwaliteit zijn. De resultaten die volgen uit deze berekening zijn als volgt:
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
38
Figuur 4.3.1: NIBM tool
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Het is in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang om ook te bekijken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken gedaan worden aan de hand van achtergrondwaarden voor NO 2, PM10 en PM2.5. Die konden tot voorkort worden bepaald aan de hand van de NSL-monitoringstool. Vanaf 1 januari 2023 is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) echter het te gebruiken instrument voor de monitoring van luchtkwaliteit2. Voor vier van de meest nabijgelegen toetspunten is bekeken wat de achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 zijn en wat het aantal PM10-overschrijdingsdagen is. Omdat de rekenpunten zich op circa 800 meter van het plangebied bevinden, zijn ter controle dezelfde waardes, zover beschikbaar, via de kaart van de Atlas leefomgeving3 nagelopen.
2
https://www.cimlk.nl/kaart
3
https://www.atlasleefomgeving.nl/check-je-plek
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
39
Toetspunten
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
CIMLK
17278718_16026619
20,1505
17,8722
6,26
10,3623
CIMLK
17278718_16021444
20,7323
17,9154
6,27
10,6482
CIMLK
66723019_15519958
17,8949
18,658
6,63
11,1125
CIMLK
66723019_15520323
17,8991
18,6581
6,63
11,1125
Atlas
Kruigenstraat 1
13,5620
NB
NB
10,2609
40
40
35
25
Norm
Tabel 4.3.1: Achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5
Gelet op de uitkomsten uit de NIBM-tool is het geheel onwaarschijnlijk dat de verkeersgeneratie die samenhangt met de functies binnen het plangebied leidt tot een overschrijding van de gestelde grenswaarden. Daarnaast kan geconcludeerd worden dat de waarden van het CIMLK allen onder de gestelde norm liggen. De waardes ter controle vanuit Atlas Leefomgeving blijken zelfs nog lager te liggen. Hiermee kan gesteld worden dat sprake is van een acceptabel leef- en verblijfsklimaat. 4.3.3
Conclusie
Er bestaan geen belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.
Bedrijven en milieuzonering 4.4.1
Toetsingskader
Milieuzonering is het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening gehouden worden met milieuzonering om zo de kwaliteit van het woon en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast moeten bedrijven echter ook voldoende zekerheid hebben dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woonwerkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
40
stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2
Onderzoek
Kruigenstraat ong. Onderhavig plan betreft het mogelijk maken van twee vrijstaande woningen. Woningen kunnen niet gezien worden als milieubelastende functies. Een woning kent dan ook geen milieucategorie of een aan te houden richtafstand. Op de locatie waar de twee vrijstaande woningen planologisch toegestaan worden, zijn in de huidige situatie reeds woningen toegestaan. Hierdoor is er geen nader onderzoek vereist. Kruigenstraat 1-1A Onderhavig plan maakt de realisatie van een milieubelastende functie mogelijk. Hierdoor dient er inzichtelijk te worden gemaakt wat de effecten van het bedrijf op de omgeving zijn. De beoogde activiteiten kunnen worden ingedeeld in milieucategorie 2 of 3.1, waardoor een richtafstand van 30 respectievelijk 50 meter geldt in een rustige woonwijk/rustig buitengebied. Indien milieuhinder optreedt zal dit, gelet op de aard van het bedrijf, enkel zijn in de vorm van geluid. Het beeldhouwen (relevant voor het aspect stof) vindt in beginsel binnen plaats en slechts incidenteel buiten. Daarnaast zullen deze activiteiten zich concentreren aan de noordwestzijde van het plangebied waar in de directe omgeving geen woningen of andere milieugevoelige bestemmingen bevinden. De activiteit kunststofbewerking bestaat uit het bewerken van plastics voor zwembadmaterialen (relevant voor industriële geur).
Deze activiteiten vinden louter inpandig plaats en zijn ambachtelijk van aard en omvang. Bovendien zullen de nieuwe activiteiten moeten voldoen aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit en de opvolger hiervan. Gelet op de ambachtelijke bedrijfsvoering is er geen reden om aan te nemen dat de beoogde activiteiten hier niet aan kunnen voldoen qua geur en stof. Voor geluid ligt dit genuanceerder en daarom is voor dit aspect nader onderzoek gedaan. De kortste afstand tot een geluidgevoelig object bedraagt circa 13 meter (Ham 1). Daarmee kan niet aan de richtafstand worden voldaan, om deze reden is door De Roever een nader akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Toetsing Activiteitenbesluit Uit het onderzoek 4 blijkt dat er plaatse van alle beoordelingspunten aan de grenswaarden van respectievelijk 50 dB(A) etmaalwaarde en 70 dB(A) in de dagperiode (maximale geluidniveaus) uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde bedrijf inpasbaar is in de omgeving.
Toetsing ‘Goede ruimtelijke ordening’ – gevels van woningen Ter plaatse van alle beoordelingspunten op gevels van woningen wordt aan de richtwaarden van 45 en 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de indirecte hinder uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering voldaan. Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van woningen in de omgeving sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ter plaatse van de woningen aan de Kruigenstraat 2 en het Ham 2 worden geluidbelastingen vanwege maximale geluidniveaus berekend hoger dan 65 dB(A) in de dagperiode. Ter plaatse van de woning aan het Ham 1 worden geluidbelastingen vanwege maximale geluidniveaus berekend hoger dan 70 dB(A) in de dagperiode. De hoogste overschrijdingen worden berekend vanwege het optrekken van de vrachtwagens ter hoogte van de noordelijke inrit aan de Kruigenstraat.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
41
Wanneer deze inrit enkel door licht verkeer wordt gebruikt (zwaar verkeer dus enkel via de inritten aan de Havelt en zuidelijke inrit aan de Kruigenstraat), dan kan ter plaatse van de woningen aan de Ham 1 en 2 voldaan worden aan de richtwaarde uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Ten behoeve van het realiseren van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is daarom in de planregels gebord dat de noordelijke in-/uitrit niet door vrachtwagens gebruikt mag worden. Ter plaatse van de woning aan de Kruigenstraat 2 resteert dan nog een overschrijding van de richtwaarde uit stap 2. De hoogst berekende waarde bedraagt ter plaatse van deze woning dan 67 dB(A). Verdere bronmaatregelen worden niet doelmatig geacht zonder dat de beoogde bedrijfsvoering ernstig wordt beperkt. Omdat de overschrijdingen enkel plaatsvinden op de begane grond (1,5 meter boven het maaiveld), is ook gekeken naar overdrachtsmaatregelen. Het gaat dan om schermen aan de zijde van de woningen. Deze afschermende voorzieningen voor de voorgevelrooilijn en in de buurt van de openbare weg worden vanuit verkeersveiligheidsoogpunt en stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk geacht.
Wanneer wordt gekeken naar maatregelen bij de ontvanger, blijkt ingevolge tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit (artikel 2.17), dat in het kader van de maximale geluidniveaus een inpandig geluidsniveau van 55 dB(A) in de dagperiode als acceptabel wordt geacht. De benodigde gevelwering bedraagt dan maximaal 73 – 55 = 18 dB. Een dergelijke gevelwering wordt bij bestaande bouw in vrijwel alle gevallen behaald. Kijkend naar de huidige opbouw van de desbetreffende gevels wordt ingeschat dat de geluidwering zelfs hoger zal zijn. Binnen in de woningen in de omgeving zal daarmee sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Mede gelet hierop, in combinatie met het feit dat voldaan kan worden aan het Activiteitenbesluit en de beschouwing over het geluid in (achter)tuinen (zie hierna), kan worden geoordeeld dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Toetsing ‘Goede ruimtelijke ordening’ – beschouwing (achter) tuinen De gevels van woningen zijn in vrijwel alle gevallen dichterbij (of vrijwel gelijke afstand) van de inrichting gelegen ten opzichte van de tuinen (met zitgebieden). Op basis hiervan kan worden ingeschat dat de geluidbelasting ter plaatse van de tuinen maximaal circa 45 en 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de indirecte hinder zal bedragen. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar geluidniveau in de tuinen.
Voor de maximale geluidniveaus kan worden ingeschat dat de geluidbelasting ter plaatse van de tuinen maximaal circa 73 dB(A) zal bedragen in de dagperiode. Gezien het niet frequent voorkomen van de maximale geluidniveaus en de desbetreffende beoordelingsperiode (dagperiode) worden deze geluidniveaus ter plaatse van tuinen aanvaardbaar geacht. 4.4.3 Conclusie Er bestaan geen belemmeringen ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering.
Geur agrarisch 4.5.1
Toetsingskader
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder veehouderij (Rgv). De hierin opgenomen geurnormen hebben betrekking op de toevoeging van veehouderijen in de buurt van geurgevoelige objecten. Bij nieuwe planologische projecten anders dan veehouderijen dient in het kader van de Wet ruimtelijke ordening te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Daarbij moeten twee zaken worden aangetoond:
Er sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat bij de toegevoegde geurgevoelige objecten;
Veehouderijen worden niet onevenredig in hun belangen wordt geschaad.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
42
Bij een en ander moet worden uitgegaan van de cumulatie van geurhinder van alle veehouderijen in de omgeving. Daarnaast is het niet automatisch zo dat wanneer geurnormen overschreden worden, er geen sprake is van een goed woon en leefklimaat – en vice versa. Een gemeente zal per geval moeten beoordelen of er sprake is van een goed woon en leefklimaat. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Gebiedsgerichte geurverordening Veghels Buiten De inmiddels vervallen Geurverordening van de voormalige gemeente Veghel bood ruimte voor maatwerk in gebieden waar stedelijke ontwikkelingen en agrarische bedrijfsvoeringen gemengd voorkomen.
Voor onder andere het gebied Veghels Buiten golden afwijkende geurnormen en een halvering van de vaste afstanden tot veehouderijen. Aangezien betreffende Geurverordening is vervallen is er in 2023 een nieuwe gebiedsgerichte geurverordening vastgesteld. In deze verordening is maatwerk mogelijk gemaakt voor wat betreft geurnormen en vaste afstanden die worden gehanteerd tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten, een en ander in afwijking met het wettelijk kader (artikelen 3 en 6 van Wgv) maar in afstemming met de ruimte die in dit wettelijk kader wordt gegeven voor afwijken van de standaardnormstelling. Het gebied Veghels Buiten wordt gekenmerkt door kleinere en grotere bebouwingsclusters. Deze clusters zijn omgeven door agrarische gronden en/of door groen/water. Er is dan ook geen sprake van een harde komgrens van de kern Veghel. Vanwege het gemengd voorkomen stedelijke ontwikkelingen en agrarische bedrijfsvoeringen binnen Veghels Buiten is het wenselijk om te komen tot maatwerk. Allereerst gaat het bij dit maatwerk om het toestaan van een maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object van 5 ouE/m 3 binnen het gebied ‘Veghels Buiten’.
Met deze norm wordt aansluiting gezocht op de provinciale normstelling uit de Interim Omgevingsverordening, waar 10 ouE/m³ als maat voor de achtergrondbelasting binnen de bebouwde kom als aanvaardbaar wordt geacht. Deze waarde komt wat hinderbeleving betreft overeen met een voorgrondbelasting van 5 ouE/m³, vandaar dat deze waarde als maximale waarde toegepast is. Ten tweede gaat het om een halvering van de vaste afstanden tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld tot de buitenzijde van een geurgevoelig object binnen het gebied ‘Veghels Buiten en Randzone’ (zie figuur 4.).
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
43
Figuur 4.5.1: Werkingsgebied gebiedsgerichte geurverordening
4.5.2
Onderzoek
Onderzocht is of er sprake kan zijn van te ervaren geurhinder van een of meerdere veehouderijen op de te ontwikkelen functies. Middels een geurcontourenonderzoek in het Bestemmingsplan ‘Veghels Buiten – Oude Ontginning 2015’4 is de geurhindercontour rondom de Kruigenstraat 3 in beeld gebracht. Voor deze inrichting geldt vanwege de varkens een geurhindercontour van 8 Ou en vanwege het rundvee eveneens een vaste afstandscirkel van 100 meter. Omdat de geurhindercontour gebaseerd is op 3.933 Ou, is deze kleiner dan de contouren van zowel 100 als 50 meter. In het onderzoek zijn alleen de contouren van de vaste afstand van toepassing zoals weergegeven in figuur 4.5.2. De groene contour is hierbij de vaste afstandscirkel van 100 meter. Zoals te zien op de afbeelding is
4
https://www.google.com/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=&ved=2ahUKEwi53Yf82tmCAxXP6aQKHedfCYoQFnoECBMQAQ&url=https%3 A%2F%2Fwww.veghelsbuiten.nl%2Fwp-content%2Fuploads%2FVeghels-Buiten-Oude-Ontginning2015_Bijlagen.pdf&usg=AOvVaw3XNVYrlCbZmPmOkPLjtV9c&opi=89978449
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
44
er sprake van een overlapping met het potentieel te ontwikkelen gebied ten noorden van de inrichting (tevens inrichting Kruigenstraat 1). Wanneer de vaste afstanden gehalveerd worden, wat binnen de mogelijkheden van de Gemeente Veghel ligt, wordt de rode contour uit de bovenstaande afbeelding van
Figuur 4.5.2 Geurhindercontour Kruigenstraat 3
toepassing. Er bestaan dan geen belemmeringen meer vanuit deze inrichting voor de potentieel te ontwikkelen gebieden Ook is de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant geraadpleegd. Uit deze kaart volgt dat er ter plaatse van het plangebied geen negatieve hinder ervaren wordt door omliggende (intensieve) veehouderijen. Er wordt voldaan aan de geldende afstandsnormen uit de Weet geurhinder en veehouderij waarbij er tevens sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat. In aanvulling op het voorgaande dient te worden aangetoond dat veehouderijen niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. In onderhavig geval worden de veehouderijen in de omgeving van het plangebied niet onevenredig in hun belangen geschaad, omdat tussen deze veehouderijen en het plangebied al andere geurgevoelige objecten aanwezig zijn. Deze reeds aanwezige geurgevoelige objecten zijn daarom in dit geval maatgevend. Daarbij zal een geurveroorzakende bestemming/functie plaatsmaken voor een bestemming zonder relevante geuruitstoot.
Figuur 4.5.3: Achtergrondbelasting geur (bron: ODZOB, 2023)
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
45
4.5.3
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect geur agrarisch.
Kabels en leidingen 4.6.1
Onderzoek
Aan de hand van de ‘Netkaart’ van het RIVM kan achterhaald worden of het plangebied zich bevindt in een magneetveldzone van een of meerdere hoogspanningslijnen. Deze kaart laat zien dat de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn zich op een afstand van circa 4 kilometer van de planlocatie bevindt. Gelet op de ruime afstand tussen deze hoogspanningslijn en het plangebied zorgt de aanwezigheid van de betreffende hoogspanningslijn geen belemmering voor een goede ruimtelijke ordening.
Figuur 4.6.1: Netkaart
Figuur 4.6.2: Uitsnede ruimtelijkeplannen.nl met dubbelbestemming ‘Leiding-Water’ Wel ligt er door het plangebied een hoofdwatertransportleiding (zie bovenstaande figuur). Deze leiding is planologisch relevant en de leiding met beschermingszone is planologisch geborgd door middel van een dubbelbestemming ‘Leiding-Water’. Ter plaatse gelden nadere vergunningsplichten voor werken en werkzaamheden nabij de leiding.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
46
4.6.2
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect kabels en leidingen.
Externe veiligheid 4.7.1
Toetsingskader
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:
activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;
transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.
Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.
De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.7.2
Onderzoek
Een woning is een kwetsbaar object in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het nieuw te ontwikkelen bedrijf is in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) een beperkt kwetsbaar object. Hierdoor is het van noodzaak om te achterhalen in hoeverre er sprake is van externe veiligheidsrisico’s. De locaties van de risicovolle inrichtingen en transportroutes zijn in onderstaande Signaleringskaart weergegeven. Deze kaart bevat de risico- en veiligheidscontouren rondom het plangebied.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
47
Figuur 4.7.2: Signaleringskaaart externe veiligheid, het rode vlak geeft de planlocatie weer
Ten oosten van het plangebied, op een afstand van circa 490 meter, bevindt zich een aardgasleiding. Dit betreft een ‘Aardgasleiding NEN 3650-leiding’ met het kenmerk Z-542-01, deze aardgasleidingen hebben een maximaal invloedsgebied van 580 meter. Hierdoor is het opstellen van een verantwoording van het groepsrisico ten aanzien van betreffende transportleidingen van belang. Op circa 3.5 kilometer afstand van het plangebied, bevindt zich de Rijksweg A50 (wegvak B132: A50: afrit 10 (Eerde) – A58 (Eindhoven). Over deze weg worden gevaarlijke stoffen getransporteerd van de categorieën: LF1, LF2, LT2 en GF3. Hiervoor is een maximaal invloedsgebied van toepassing van 730 meter. Aangezien het plangebied op circa 3.500 meter afstand van deze weg gelegen is, is de afstand dusdanig groot dan er ten aanzien hiervan geen verantwoording van het groepsrisico hoeft te volgen. 4.7.3
Verantwoording van het groepsrisico
De N279 ligt op circa 750 meter afstand. Over deze transportweg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorie LT2 vervoerd[1]. LT2 heeft een invloedsgebied van 880 meter[2]. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario toxisch. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied bij een calamiteit en de mogelijkheden tot het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied. In samenwerking met de Veiligheidsregio Brabant-Noord is een standaard verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch opgesteld. Toxisch scenario Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
48
mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Bestrijdbaarheid Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden.
Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied:
goed te alarmeren is;
goed te schuilen is;
goed te ontvluchten is.
Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
49
Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. De Veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen. 4.7.4 Conclusie Er bestaan geen belemmeringen met betrekking tot externe veiligheid.
Ecologie 4.8.1
Toetsingskader
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.
Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
50
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);
andere soorten (artikel 3.10).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2
Onderzoek
Wettelijke gebiedsbescherming Het dichtstbij gelegen Natura-2000 gebied, Kampina & Oisterwijkse Vennen, is op een afstand van circa 18 kilometer gelegen. De effecten die eventueel in Natura-2000 gebieden kunnen optreden betreffen externe effecten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een toename van geluid, licht of stikstofdepositie. Gezien de afstand tussen het Natura 2000-gebied en Veghel kunnen externe effecten, zoals geluid en licht, worden uitgesloten. BRO heeft een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Voor het onderzoeksrapport dat hierop betrekking heeft wordt verwezen naar de bijlagen. De belangrijkste elementen uit dit onderzoek zijn hieronder beschreven. Gebruiksfase De totale emissie van de verkeersgeneratie is volgens de berekening 12,0 NOx/kg/j en 0,9 NH3/kg/j. Het rekenresultaat is daarmee niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. De gebruiksfase zorgt dan ook niet voor negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Bouwfase De totale emissie van de verkeersgeneratie en mobiele werktuigen is volgens de berekening 53,6 NOx/kg/j en 2,2 NH3/kg/j. Het rekenresultaat is daarmee niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. De bouwfase zorgt dan ook niet voor negatieve effecten op natura 2000-gebieden.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
51
Planologische gebiedsbescherming Op grond van artikel 1.12, tweede lid, Wet natuurbescherming, wijzen de gedeputeerde staten van de provincie in hun provincie gebieden aan die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De gedeputeerde staten va de provincie Noord-Brabant hebben in dat kader het Natuurnetwerk Brabant (NNB) aangewezen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In deze verordening is in artikel 3.16 tevens geregeld dat er een externe werking uitgaat van het NNB. Dat betekent dat regelingen met betrekking tot NNB-gebieden niet alleen in acht genomen moeten worden bij ontwikkelingen in NNB-gebieden maar mogelijk ook bij ontwikkelingen buiten deze gebieden. Dat laatste is het geval wanneer er sprake is van een aantasting van ecologische waarden en kernmerken van NNB-gebied. In de onderstaande figuur 4.8.1 is de ligging van het plangebied te zien uit de kaart ‘Kaart 4: Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’.
Figuur 4.8.1: Omliggende Natuurnetwerken (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Uit de bovenstaande kaart volgt dat het plangebied niet gelegen zijn binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of Natuurnetwerk Brabant (NNB). De afstand tot de dichtstbijzijnde locatie van het NNN/NNB tot het plangebied bedraagt circa 500 meter. Echter zullen, gelet op de aard en omvang van de ontwikkelingen, de omgevingscondities naar verwachting gelijk blijven. Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
Aangezien er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn binnen het plangebied, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
52
Soortenbescherming Door BRO is een bureau- en veldonderzoek verricht naar eventueel voorkomende beschermde soorten. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:
Indien in de toekomst deze ligboxenstal alsnog gesloopt of gerenoveerd worden is hier vervolgonderzoek nodig om aanwezigheid van een nestplaats van steenuil aan te tonen dan wel uit te sluiten;
Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen te worden vermeden;
Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;
In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat ter plaatse van de ligboxenstal waar mogelijke verstoring van nestlocaties van de steenuil niet zijn uit te sluiten, er op moment van sloop aanvullend ecologisch onderzoek of een vergunning/ontheffing van Gedeputeerde Staten wordt overlegd. Hieruit moet dan blijken dat – wanneer tot sloop wordt overgedaan – een eventuele verstoring van beschermde soorten en/of het beschadigen of vernielen van hun voortplantings-, rust of verblijfplaatsen, al dan niet in combinatie met het treffen van (tijdelijke) mitigerende maatregelen op basis van een goedgekeurd activiteitenplan/mitigatieplan, is toegestaan. Op voorhand kunnen ook al (tijdelijke) mitigerende maatregelen genomen worden waardoor op moment van voorgenomen sloop de verwachting mogelijk kan worden bijgesteld. 4.8.3
Conclusie
Er bestaan geen belemmeringen met betrekking tot het aspect ecologie.
Bodem 4.9.1
Toetsingskader
In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk.
Kruigenstraat 1-1a en ong. te Veghel
53
4.9.2
Onderzoek
Kruigenstraat ong. Met voorliggend bestemmingsplan is uitsluitend een wijziging in de bouwregels van de reeds aanwezige woonbestemming voorzien. Het beoogde gebruik wordt niet gevoeliger. Kruigenstraat 1-1A Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening is er door Milon een verkennend bodemonderzoek op de locatie Kruigenstraat 1-1A uitgevoerd. Voor het gehele rapport wordt verwezen naar de bijlagen, hieronder zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Het doel van het verkennend onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Tijdens het bodemonderzoek zijn zintuiglijk resten van baksteen, kalksteen en beton in de bovengrond waargenomen. Vermoedelijk zijn deze bijmengingen veroorzaakt door de opslag van diverse materialen op de locatie. Het betreft geen bouw- en/of sloopafval en is niet asbestverdacht geacht. Uit de analyseresultaten blijkt dat geen verhoogde gehalten zijn aangetoond in de boven- en ondergrond. In het grondwater is een marginale verhoging van barium aangetoond. Het vermoeden bestaat dat deze verhoging is veroorzaakt door een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden. De bodemkwaliteit geeft geen belemmeringen voor de toekomstige ontwikkeling van de nieuwe bebouwing. Nader bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Aan de rand van het bouwvlak bevindt zich een asbestdak.
Wanneer sloop of renovatie aan de orde is zal hiervoor separaat een asbest en asbest in bodemonderzoek worden uitgevoerd. 4.9.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering.
Water
4.10.1
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Dat wordt gedaan middels een watertoets. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente (water)advies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Provincie De provincie Noord-Brabant heeft het ‘Regionaal Water- en Bodem programma (RWP), Provincie NoordBrabant 2022 – 2027’ opgesteld. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. In dit document verwoordt de provincie hoe ze de komende jaren gaat werken aan voldoende water, schoon water, veilig water, vitale bodem en klimaatadaptatie. Het RWP