CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

bestemmingsplan Veghels Buiten herziening Ham 4

Raadsvergadering 24 juni 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’27.330 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Vele dieren zullen gebruik maken van de locatie als foerageer- en verblijfsgebied. Uit de quickscan blijkt dat er aanwijzingen zijn dat onder deze dieren

6



ook enkele beschermde soorten conform de ‘Wet natuurbescherming’ kunnen zitten, waaronder kerkuilen, steenuilen, gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen. Onderstaand een korte opsomming met bevindingen uit de quickscan: Kerkuil Het plangebied kan door kerkuilen gebruikt worden als foerageergebied en territorium. Mogelijk dat een huidige veldschuur wordt gebruikt als rustplaats. Steenuil Het plangebied kan door steenuilen gebruikt worden als foerageergebied en territorium. De huidige stallen en veldschuur worden mogelijk gebruikt als rust- en nestplaats. Gierzwaluw De gierzwaluw kan de bedrijfswoning gebruiken als nestgelegenheid. Huismus De huismus kan de bedrijfswoning gebruiken als nestgelegenheid. Vleermuizen De vleermuizen kunnen het plangebied gebruiken als foerageergebied en als verblijfplaats. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig. De werkzaamheden zullen geen significant effect hebben op het foerageergebied. In het plangebied zijn geen essentiële vliegroutes van vleermuizen aanwezig. Voor bovenstaande dieren geldt dat er specifieke mitigerende maatregelen moeten worden getroffen, als deze dieren hier daadwerkelijk worden

aangetroffen in het plangebied. Voor andere soorten geldt dat de werkzaamheden en verandering van situatie geen negatief effect hebben en dient men te werken volgens een gedragscode. Initiatiefnemer is voornemens op voorhand mitigerende maatregelen te treffen voor de eerder genoemde soorten. Dit wordt gezien als kwaliteitsverbetering voor zowel lokale natuur als cultuurlandschap.

3 PLANVOORNEMEN 3.1

Stedenbouwkundig plan

De locatie is gelegen binnen het gebied ‘Veghels Buiten’, een nieuwbouwplan voor woningbouw aan de rand van Veghel. Deze uitbreiding bestaat uit twee delen: ‘Oude Ontginning’ en ‘Nieuwe ontginning’. Voor Veghels Buiten is een masterplan vastgesteld (mei 2008), waarin de visie op de ontwikkeling van beide plandelen is opgenomen. Dit masterplan voor het eerste deelgebied van het plandeel ‘Nieuwe Ontginning’ is vertaald in het bestemmingsplan ‘Veghels Buiten - Erpseweg Zuid’ (maart 2012), dat vanwege ontwikkelingen in de woningbouwmarkt is herzien in ‘Veghels Buiten - Erpseweg Zuid 2016’. Het voornemen is om de agrarische activiteiten gerelateerd aan de veehouderij aan het Ham 4 te beëindigen en de aanwezige opstallen inclusief de bestaande bedrijfswoning te slopen. Binnen het perceel bestaat het voornemen uit het oprichten van een viertal woningen (waaronder de te herbouwen bedrijfswoning) en een parkeerschuur voor alle woningeigenaren. De bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Wonen’ en het bouwvlak wordt verkleind. Zoals uit de historische analyse van het landschap in 4.1 zal blijken, hebben er op het terrein reeds lange tijd agrarische activiteiten plaatsgevonden. De voormalige boerderij die hier gestaan heeft, was onderdeel van het agrarisch gehucht ‘Havelt’. Na deze boerderij begonnen de nieuwe ontginningen richting Erp.

Om deze rede vindt het plangebied meer aansluiting bij de ‘Oude ontginningen’ van het gehucht Havelt, dan de ‘Nieuwe ontginningen’.

Conform de plangrenzen uit ‘Veghels Buiten Erpseweg Zuid 2016, pagina 7’ vomt het plangebied onderdeel van de ‘Nieuwe ontginning Erpseweg Zuid’. Dit sluit echter niet aan bij de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van het gebied, zoals eerder beschreven. Voor de opzet en inrichting van het woningcluster wordt om deze rede aansluiting gezocht bij de kaders uit het ‘Kwaliteitshandboek Oude Ontginning’. Hierin vormt het landschap van de ‘Oude Ontginning’ de leidraad, waar nieuwe ontwikkelingen binnen moeten passen. Om aan te sluiten bij het karakter van de ‘Oude Ontginning’ van kronkelige linten, verdraaid liggende lage bebouwing en doorzichten, wordt doorgeborduurd op het van oudsher bouwen op de achtererven van het ‘ouderlijk’ huis. In het kwaliteitshandboek zijn de nieuw toe te voegen woningen in de ‘Oude Ontginning’ geclusterd in zogenoemde ontwikkelingsvlekken. Deze zijn veelal gesitueerd op achtererven aan bestaande linten. Uitgangspunt bij de ontwikkelingsvlekken is dat deze worden omzoomd door een greppel en een groene rand. De groene rand verzacht de buitenrand van het buurtschap en geeft samenhang op planniveau. Binnen het buurtschap geeft deze rand ontwikkelvrijheid. Greppels met een ecologische functie zijn tenminste 5 meter breed en hebben aan één zijde een minder steil talud.

Op de insteek van de greppel aan de erfzijde worden bomen geplant als erfscheiding.

van de groene mal en de overige buitenruimte zijn de regels van het ‘Kwaliteitshandboek Oude Ontginning’ van toepassing. Binnen het buurtschap ligt het centrale erf, wat de verschillende woningen met elkaar verbindt. Het erf is flexibel, eenvoudig en sluit aan bij de sfeer van de bebouwing. De auto is op het erf ondergeschikt. Het erf biedt ruimte om te verblijven en te spelen en geeft toegang tot het omringende landschap. In de ‘Oude Ontginning’ wordt uiteindelijk gestreefd naar een informele, stoere, landelijke sfeer. Bij de uitwerking van de indeling van het perceel en de uiterlijke verschijningsvorm van de woningen worden dan ook bovenstaande uitgangspunten en aanvullende eisen (qua materialisering en beeldkwaliteit) uit het kwaliteitshandboek aangehouden.

In het ‘Kwaliteitshandboek Oude Ontginning’ worden de betrokken kwaliteiten van natuur en landschap beschreven. De groene mal is een onlosmakelijk onderdeel van de stedenbouwkundige hoofdopzet van de ‘Oude Ontginning’. Bij de inrichting en beheer Stedenbouwkundig voorstel (plan Folded architectuur)

7



3.2

Sloop en behoud

Alle bebouwing wordt gesloopt. De materialen die kunnen worden hergebruikt (bijvoorbeeld gebroken puin) worden hergebruikt en het overige wordt afgevoerd.

berk

De verharding bestaat uit stelconplaten. Deze worden verwijderd en elders hergebruikt. berk

Veel planten op het erf zijn uitheemse soorten zoals coniferen, dennen en laurier. Deze beplanting zal worden verwijderd en afgevoerd. Binnen het nieuwe plan worden de volgende elementen direct en indirect waardevol geacht en blijven behouden: • De bestaande laanbomen aan de straat Ham (inclusief de leilinden); • De entree tot het perceel; • De bomen op de volgende locaties: 1. De esdoorn ten noorden van de bedrijfswoning 2. De berk ten noorden van de bedrijfswoning 3. De berk in het veld 4. De okkernoot naast de inrit

8



esdoorn

okkernoot

Verbeelding te slopen gebouwen (uitsnede uit Toelichting bestemmingsplan van Agron advies)

Aanuiding bestaande waardevolle landschapsbomen

4 LANDSCHAP 4.1

Historie

Het plangebied vormt onderdeel van de ‘oude ontginningen’ op de oeverwal van de Aa. Het betreft de hoger gelegen en droge dekzandgrond, die al eeuwenlang wordt bewerkt en bewoond. De oude ontginningen kenmerken zich door een grillige kavelstructuur, bochtige smalle (zand)wegen en agrarische bebouwing aan lintstructuren. Ten zuiden van deze oude ontginningen ligt het beekdal van de Aa. Deze gebieden waren nat en werden voornamelijk gebruikt als hooiland in meer droge seizoenen. Pas in de 19e eeuw zijn deze gebieden ontwaterd en verkaveld. De kavelranden waren begroeid met struweel(hagen), knotbomen en singels.

wegen bomen te planten en te vellen met plichten voor beheer en herplant. In de loop van de tijd ontstonden zo lanen van eiken, beuken, berken en linden. Het landschap kenmerkte zich door de erven en landschapselementen langs de akkers, weilanden en wegen als coulisselandschap van afwisselende beplanting. Een ideale omgeving voor wilde flora en fauna. Het landschap is door de ruilverkaveling in de jaren 70 rationeel ingericht en wordt grootschalig van karakter. De landschapselementen hadden weinig tot geen nut meer voor de agrarische bedrijfsvoering en zijn grotendeels verdwenen. Hierdoor ontstond een meer open karakter. De bochtige wegenstructuur

Ten oosten van het plangebied liggen de nieuwe ontginningen. Deze voorheen woeste gronden waren nat en schraal en ongeschikt voor agrarische activiteiten. In de 19e eeuw kon door de invoering van kunstmest en technische hulpmiddelen deze gronden toch geschikt worden gemaakt voor akkerbouw. De ontginning is strakker georganiseerd met rechte verkaveling en wegen. De randen waren beplant/ begroeid met singels en struweelhagen. De (zand) wegen waren beplant met laanbomen.

Plangebied historische kaart 1900 (bron PDOK)

De eerste agrarische nederzettingen organiseerde zich op de ‘Oude ontginningen’. Zo ook binnen het plangebied staat een boerderij met enkele schuren rond 1900. Deze vormde onderdeel van het gehucht ‘Havelt’. Op de erven van deze boerderijen stonden vaak boomgaarden (grijze vlekken op de kaart van 1900), hagen, landschapsbomen en geriefbosjes. Landgebruikers hadden het recht om langs openbare Plangebied historische kaart 1960 (bron PDOK)

9



Plangebied historische kaart 2017 (bron PDOK)

is gebleven en op sommige plekken zijn de oude landschapselementen nog zichtbaar, zoals de laanbeplanting en enkele oude houtsingels en boomgaarden op de erven. Op het erf binnen het plangebied is de oude woonboerderij verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor de huidige bedrijfswoning. De twee leilindes aan de weg herinnert ons nog aan de plek van de boerderij. Vermoedelijk hebben deze bomen gediend als zonwering voor het woongedeelte van de boerderij.

4.2

Beleid gemeente

Structuurvisie Veghel 2030 Op 19 december 2013 heeft de gemeenteraad van de toenmalige gemeente Veghel de ‘Structuurvisie Veghel 2030’ vastgesteld. In deze structuurvisie zijn de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn op hoofdlijnen beschreven. In een brede ring rond Veghel ligt een landschap dat zich kenmerkt door een combinatie van functies, waarbij steeds sprake is van clusters in het landschap. Dit gebiedstype heet daarom het ‘Veghels mozaïek’. Bij ‘Veghels Buiten’ ligt de invulling van het gebied vooral om geclusterde woningen in de vorm van nieuwe buurtschappen. De kwaliteit van het ‘Veghels mozaïek’ ligt in het evenwicht tussen het landschap, de groenblauwe structuur en de bebouwde clusters. Kwaliteitshandboek Oude ontginningen 2015 Zoals in hoofdstuk 3.1 toegelicht heeft het plangebied meer aansluiting bij ‘Kwaliteitshandboek Oude ontginning 2015’. Naast stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten zijn in het kwaliteitshandboek ook specifieke eisen gesteld voor de inrichting van de openbare ruimte en het landschap. Onderstaand een samenvatting van de relevante onderdelen. Het verhardingsvlak van het erf is een collectieve ruimte geïnspireerd op een boerenerf. Het is een eenduidig en multifunctioneel vlak en bestaat uit één materiaal. Het materiaal is een halfverharding of een gebakken klinkerverharding.

Het cluster wordt omrand door een greppel (2,5-4m breed) en erfbeplanting van inheemse soorten. Per grensrichting van het erf wordt één soort

10



landschapstype, zoals bomenrij, singel en/of haag. Bij voorkeur zijn deze landschapstype begroeid met één plantsoort. De erfafscheidingen bestaan uit (gemengde) hagen of hekwerken begroeid met klimplanten (maximaal 2m hoog). Het groene karakter moet spreken. Grondwallen worden niet toegepast. Op overruimte is het wenselijk collectief groen te realiseren (bijvoorbeeld rondom de parkeerschuur). Deze is geïnspireerd op het boerenerf. Moes-, kruiden-, of bloementuinen, of boomgaarden zijn zeer wenselijke groenelementen in combinatie met spelen voor kinderen. Deze gemeenschappelijke tuinen worden beheerd door de bewoners van het cluster. Het water wordt zoveel mogelijk geïnfiltreerd in de bodem. Bovengronds afvoeren van water van de verharding naar omliggende sloten heeft de voorkeur. Het water van de daken wordt bij voorkeur niet afgevoerd, maar geïnfiltreerd in de bodem door bijvoorbeeld een grindkoffer.

5 ECOLOGIE 5.1

Habitat

Zoals aangegeven in hoofdstuk 2.2 komen binnen het plangebied mogelijk diverse beschermde soorten voor. Van deze soorten is achtergrondinformatie verzameld over de biotoop. Dit biedt ons inzicht om het landschapsplan te versterken in het belang van deze soorten. De informatie is verzameld door bureauonderzoek en via betrokkenen van Vogelwacht Uden en Brabants Landschap. Door een veldbezoek op locatie en de kennis vanuit de omgeving hebben zij ons gerichte informatie kunnen bieden voor de beschermde soorten. Onderstaand een overzicht per beschermde soort. Kerkuil De kerkuilen komen voor in open en half-open cultuurlandschappen met allerlei kleinschalige elementen. Deze uil komt vooral ‘s nachts tevoorschijn op zoek naar voedsel. Bij voorkeur jaagt hij in het kleinschalige ‘open’ veld waar gras- en bouwlanden worden begrens door kruidenrijke randen, houtwallen, heggen of bosjes. De uil is met name op zoek naar diverse veld-, bosspits- en huisspitsmuizen.

schuurtjes, houtstapels en ruige tuinen. (bron: Kerkuilenwerkgroep Nederland, Vogelbescherming en Bij12.nl) Tijdens het veldwerk met betrokkenen is de kerkuil aangetroffen in de veldschuur achter de woning. De uil huist onder de dakplaten op de dupanel. Het is geen duurzame locatie, aangezien de dupanel aan het afbrokkelen is. Vanuit de betrokkenen wordt voorgesteld een nieuwe voorziening te maken binnen het plangebied. Dit kan bijvoorbeeld door een uilenkast te maken in de nieuwe parkeerschuur. Als tijdelijke voorziening (tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden) kan gekozen worden voor een uilenkast in de naaste omgeving op het erf bij de buren. Beeld kerkuil (bron waarneming.nl)

De kerkuil broedt in ons land veelal in speciale nestkasten, heel incidenteel in boomholten. Volwassen kerkuilen blijven gewoonlijk het gehele jaar in de naaste omgeving van de broedplaats. Tijdens strenge winters en perioden met weinig voedsel gaan kerkuilen noodgedwongen zwerven. Jonge kerkuilen zwerven uit. De veldmuizen komen met name voor in korte ruige vegetaties op lichte hellingen, zoals slootkanten die niet te nat zijn. De bosspitsmuizen bevinden zich in beschutte delen van het kleinschalige landschap, zoals ruige bermen, onder hagen en singels. De huisspitsmuis leeft voornamelijk in de omgeving van menselijke bebouwing. Hij is een cultuurvolger die zich ophoudt in 11



Referentie gevarieerd landschap met open en gesloten delen.

Steenuil Veelal kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes en knoestige bomen. Jachtgebied bestaat uit open terrein met het hele jaar door lage vegetatie (beweiding). Voorts zijn er voldoende zitplaatsen van één tot anderhalve meter hoogte (paaltjes bijvoorbeeld) om vanaf te jagen. Er zijn schuilplaatsen en broedholen in oude bomen, schuren, gebouwen en dergelijke. Het voedsel van de steenuil bestaat uit veldmuizen, ook andere kleine zoogdieren, kleine vogels, in mindere mate reptielen en amfibieën, insecten als nachtvlinders en meikevers, regenwormen. De steenuil broedt in allerlei natuurlijke holtes van bomen, vooral knotwilgen en oude (hoogstam) fruitbomen. Ook in rustige hoekjes of nissen van gebouwen of schuren en in speciale nestkasten. Volwassen steenuilen blijven gewoonlijk het gehele jaar in de naaste omgeving van de broedplaats. Jonge steenuilen zwerven uit, het merendeel vestigt zich op minder dan 10 km van de geboorteplaats. (bron: Vogelbescherming en Bij12.nl)

Beeld Steenuil (bron waarneming.nl)

Referentiebeeld Steenuilenkast (bron BrabantsLandschap.nl)

Tijdens het veldwerk is de steenuil gezien. Vermoedelijk heeft hij een rustplaats in één van de schuren. Volgens de betokkenen zijn er veel nestkasten in de omgeving, waarvan vele bewoond (Zie kaart pagina 13). Het is wenselijk het terrein geschikt te maken voor de steenuil.

Referentie half besloten landschap met knoeistige bomen (bron DeVeluwenaar.nl)

12



Het advies is om in de bestaande bomen op het perceel of in de naaste omgeving twee kasten op te hangen. Dit betreft één nestkast en een mannenkast (tijdens het broedseizoen moet het mannetje een ander onderkomen hebben). De bomen moeten op een rustige plaats staan en de kast moet minimaal 2,5m boven de grond hangen. Vanuit de kast moet de uil een goede aanvliegroute hebben en overzicht op de omgeving.

Kaart met locatie uilenkasten Steenuil omgeving (bron Vogelwacht Uden)

13



Gierzwaluw De gierzwaluw is van oorsprong een rotsbroeder. Voor hun nestgelegenheid in Nederland zijn gierzwaluwen afhankelijk van beschikbaarheid van gebouwen met geschikte holtes. De grootste bedreiging voor de gierzwaluw is renovatie van gebouwen waardoor nestplaatsen verdwijnen. Het aanbieden van nieuwe nestplaatsen is dan ook één van de belangrijkste beschermingsmaatregelen.

Tijdens het veldwerk zijn geen gierzwaluwen aangetroffen. Het was nog te vroeg in het seizoen. Betrokkenen geven aan dat over het algemeen de gebouwen, zoals de huidige bedrijfswoning, geschikt kunnen zijn voor de gierzwaluw. Hun advies is om met de bouw van de nieuwe woningen nestkasten te maken aan, op of in de woning die geschikt zijn voor gierzwaluwen.

Ze jagen boven uiteenlopende habitats in dorpen en steden. Al het voedsel wordt gevangen in de lucht, ze zijn gespecialiseerd in het vangen van insecten in volle vlucht. Daarvoor zoeken ze meestal de luchtlagen op die op dat moment de meeste insecten bevatten. De zwaluw broedt in mei en juni en is een koloniebroeder wanneer er voldoende aanbod van nestgelegenheid is. Ze hebben hun nest in gebouwen, onder dakgoot, achter regenpijp, dakkapel, dakpan, of in een gat in de muur en ook wel in nestkasten. De jongen trekken na het uitvliegen meestal snel weg.

Beeld gierzwaluw (bron Grensparkchallenge.nl)

Het voedsel bestaat uit vliegende insecten, zoals muggen, (zweef)vliegen en dag- en nachtvlinders. Voor hun jongen verzamelen ze tot wel enkele honderden insecten per keer in een voedselbal, die vervolgens aan de jongen wordt gevoerd. (bron: Gierzwaluwbescherming Nederland, Vogelbescherming en Bij12.nl)

Referentie nestkast gierzwaluw (bron Vivara Pro.nl)

14



Referentiebeeld mogelijkheden nestkasten Gierzwalus (bron Gierzwaluwbescherming Nederland.nl)

Huismus Huismussen stellen prijs op een rommelige menselijke omgeving, met struikgewas, schuren, weilanden met vee, gemorst graan en zo verder. Talrijkst zijn de mussen in dorpen en in oudere buitenwijken, met rommelige tuinen. Huismussen hebben tuinen nodig met veel groen en hagen (liguster, klimop), voor hun veiligheid en voor voedsel. In het landschap hebben ze voorkeur voor bomen, zoals de wilg, eik en berk. Inheems groen en waterrijke plekken met riet zijn ook belangrijk in de broedtijd, waardoor er meer insecten zijn. Het menu van de huismus bestaat uit zaden, granen, insecten, bloemknoppen en bessen. In broedtijd voornamelijk insecten, zoals bladluizen, muggen, vliegen, spinnen en rupsen. Droge, zandige plekken voor het nemen van een zandbad zijn voor deze mussen wenselijk.

Beeld huismus (bron ANW.nl)

Huismussen broeden in een los kolonieverband. Het nest wordt vooral gemaakt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten. Het slordige nest bestaat uit takjes, stro, veertjes en hondenharen. (Bron Vogelbescherming.nl en Bij12.nl) Tijdens het veldwerk zijn geen huismussen aangetroffen. Betrokkenen geven aan dat over het algemeen de ruimte onder de dakpannen, zoals van de huidige bedrijfswoning, geschikt kunnen zijn voor de huismus. Hun advies is om met de bouw van de nieuwe woningen nestkasten te maken aan, op of in de woning die geschikt zijn voor huismussen. Daarnaast kan met de aanleg van het landschap rekening gehouden worden met bepaalde type struweel en kruiden die geschikt zijn als voedsel voor de huismus. 15



Referentie ‘rommelige’ tuin, ideale omgeving voor de huismus (bron Elings.nl)

Referentiebeeld koloniekast huismus (bron Vogelhuisje.nl)

Vleermuizen De quickscan heeft geen uitspraak gedaan over specifieke vleermuissoorten. Onderstaand algemene informatie over deze kleine zoogdieren. Europese vleermuizen eten meestal insecten (zoals meikevers, muggen en kleine vlinders), die in de avondschemer in de lucht gevangen worden. Omdat er ‘s winters nauwelijks insecten rondvliegen, houden de in Nederland en België voorkomende soorten een winterslaap. Vleermuizen kunnen tot tientallen jaren oud worden en planten zich maar langzaam voort. Ze zijn meestal zeer trouw aan hun standplaats en overwinteringsplaats.

De dieren zijn voornamelijk nachtdieren. Maak het erf niet meer verlicht dan nodig en wellicht zijn er mogelijkheden om na 12 uur ‘s nachts de lampen minder fel te laten branden of zelfs uitzetten. (bron: Veleermuizen.net en Brabants Landschap.nl) Tijdens het veldwerk zijn geen vleermuizen aangetroffen. Betrokkenen geven aan dat over het algemeen de gebouwen, zoals van de huidige bedrijfswoning, geschikt kunnen zijn voor vleermuizen. Hun advies is om met de bouw van de nieuwe woningen nestkasten te maken aan, op of in de woning die geschikt zijn voor vleermuizen.

Vaak hangen vleermuizen overdag met hun hoofd naar beneden in boomholten, huizen (zolders en spouw), aan takken van bomen, afdakjes etc. ‘s Avonds vliegen de vleermuizen uit.

Beeld Dwergvleermuis (bron wikipedia.nl)

Bouwkundige elementen kunnen de leefomgeving van de vleermuis bevorderen. Voorbeelden hiervan zijn de (niet gebruikte) luiken aan de raamkozijnen, kieren van 2,5 cm in spouw of bouwkundige doosjes, vleermuisdakpan icm met een vleermuiskast en huizen met een overstekende dakrand. Om de voedselvoorziening van vleermuizen meer naar het erft te trekken zouden inheemse avond geurende planten rondom het erf kunnen worden toegepast. Insecten komen hierop af, wat weer vleermuizen aantrekt. Planten zoals Kamperfoelie, Teunisbloem en Marjolein zijn geschikt. Vochtige plekken met riet trekken ook meer insecten.

Referentie vleermuiskast(bron Vivara.nl)

16



Referentiebeeld vochtig kruidenrijk landschap met struweel

5.2

Maatregelen

Bij ruimtelijke ingrepen is er sprake van directe, indirecte, tijdelijke en permanente effecten. Onder directe effecten worden effecten verstaan waarmee planten en dieren rechtstreeks te maken krijgen als gevolg van de ontwikkeling. Verlies van habitat en kwaliteit zijn directe effecten en bovendien permanent. Indirecte effecten betreffen onder andere verstoring, waarbij de aanwezigheid van mensen, licht en geluid een rol speelt. Verstoring tijdens de bouwwerkzaamheden zijn tijdelijk, maar verstoringen kunnen ook een permanent karakter hebben. Initiatiefnemers zijn voornemens een inrichtingsvoorstel te maken, waarbij met de bouw van de 4 woningen en parkeerschuur een kwaliteitsimpuls plaatsvindt op het gebied van architectuur, landschap en ecologie. Met name voor de laatste twee functies biedt deze rapportage een uitwerking. Aan de hand van het flora- en faunaonderzoek van Staro, het bureauonderzoek voor de verschillende beschermde soorten en het veldwerk met betrokkenen van natuurverenigingen kunnen kaders worden opgesteld voor het landschapsplan. Deze vormen de basis van de inrichting, waarbij ook gesteld kan worden dat het plan zo goed als mogelijk mitigerende maatregelen treft voor de beschermde soorten. Onderstaand een opsomming van de verschillende soorten met mitigerende maatregelen voor de korte termijn (tijdelijk) en lange termijn (permanent).

Kerkuil De kerkuil verblijft op dit moment in één van de achterste schuren. Het voornemen is een permanente verblijfplaats te ontwikkelen in de parkeerschuur. Indien mogelijk wordt de parkeerschuur eerst geplaatst en daarna de schuren gesloopt. Hierdoor kan de kerkuil direct verplaatsen naar zijn nieuwe permanente onderkomen. Indien deze oplossing niet mogelijk is (doordat een deel van de huidige schuur staat op de plek van de parkeerschuur) moet worden gezocht naar een tijdelijke verblijfplaats in de omgeving. Op advies van betrokkenen is dit bij voorkeur op of aan een gebouw in de naaste omgeving. Bijvoorbeeld bij de buren. Daarna kunnen de gebouwen gesloopt worden en de parkeerschuur met permanent onderkomen worden gebouwd. De betrokkenen van de natuurwerkgroepen hebben aangegeven om voor en tijdens de sloop mee te willen helpen/adviseren om de uil te beschermen en te begeleiden naar het nieuwe onderkomen (zover dit natuurlijk mogelijk is).

Steenuil Ook de steenuil berblijft mogelijk in één van de schuren. In de omgeving zijn op dit moment voldoende nestkasten voor steenuilen. Indien zijn verblijfplaats verstoort zou worden door de sloopwerkzaamheden zijn er genoeg uitwijk mogelijkheden. Het voornemen is ook op de nieuwe locatie een permanent onderkomen te maken voor de steenuil. Geadviseerd wordt twee nestkasten op te hangen binnen of nabij het plangebied. Dit moet op een rustige plaats, waar weinig mensen komen en gemotoriseerd verkeer. Voor het slopen enkele nieuwe nestkasten opgehangen. Achter op het perceel staat een berkenboom. Deze is geschikt voor het ophangen van een permanente nestkast. Op het perceel

berk

Om het voedselaanbod voor de Kerkuil lokaal te versterken zijn de volgende landschapselementen van belang: • talud met kruidenrijk gras (ruigte) • bermen met kruidenrijk gras (ruigte) • hagen met diverse inheemse soorten • singels met diverse inheemse soorten knotwilg

Aanuiding mogelijke locaties nestkasten Steenuil

17



zijn echter geen andere waardevolle bomen op een rustige locatie. Een oude knotwilg nabij de perceelsgrens met Ham 5 zou dienst kunnen doen om een tijdelijke mannenkast op te hangen. Na afronding van de bouw van de woning kan deze kast verplaatst worden naar de berk op de noordgrens, nabij de huidige bedrijfswoning. De steenuil jaagt in zijn directe omgeving. Het kleinschalig cutluurlandschap is voor hem waardevol: • houtsingels met verschillende soorten bosplantsoen • hagen met diverse inheemse soorten • weitjes met kruidenrijk gras • knoestige bomen / palen in het veld als rustplek Gierzwaluw De sloop van de bedrijfswoning zal plaatsvinden buiten het broedseizoen. In de naaste omgeving van het plangebied zijn genoeg uitwijkmogelijkheden voor de vogel om te nestelen. Met de bouw van de nieuwe woningen zullen op verschillende plekken permanente nestkasten gemaakt worden. De gierzwaluw vangt veelal insecten uit de lucht. Landschappelijk gezien kan er op lokaal niveau geen grote bijdrage worden geleverd.

18



Huismus Ook voor de huismus is het van belang buiten het broedseizoen de bedrijfswoning te slopen. Er zijn voldoende uitwijkmogelijkheden voor de Huismus bij boerderijen in de naaste omgeving. Met de bouw van de nieuwe woning zullen permanente nestkasten worden opgehangen. De huismus vraagt een ruig landschap met veel gevarieerd groen. Elementen die een meerwaarde vormen voor het voedselaanbod van de huismus: • hagen met diverse inheemse soorten • landschapsbomen van verschillende inheemse soorten • kruidenrijke vegetatie • laagte

Vleermuizen De vleermuis kan zich schuilhouden in elk kiertje en spouw in de gebouwen op het terrein. Voor de sloop zullen de locaties van deze dieren bekend moeten zijn, zodat gepaste maatregelen kunnen worden getroffen. Ook voor dit dier geldt dat in de omgeving voldoende ‘oude’ gebouwen zijn, waar het naar kan uitwijken. Met de bouw van de nieuwe woninge worden permanente voorzieningen gemaakt voor de vleermuis. De vleermuis jaagt in de avonduren in de omgeving van het plangebied. Op het terrein kunnen de volgende voorzieningen worden aangelegd: • geurende planten, zoals Kamperfoelie, Marjolein en Teunisbloem • laagte

6 LANDSCHAPSPLAN Op basis van het stedenbouwkundig voorstel is een landschapsplan gemaakt conform de richtlijnen van het ‘Kwaliteitshandboek Oude ontginningen 2015’. Daarnaast is zoveel mogelijk rekening gehouden met de landschapsmaatregelen die een positief effect hebben op de eerder genoemde beschermde diersoorten die mogelijk in het plangebied voorkomen. Op de volgende pagina een weergave van dit landschapsplan en in bijlage II op een maatvaste ondergrond. Het plan is een traditioneel boerenerf met de daarbijhorende kenmerkende landschapselementen. De overgang van de kavels naar het omrindende landschap zijn groen, afwisselend en ruig. Onderstaand een toelichting per onderwerp. Opbouw erf Zoals voorgesteld in het stedenbouwkundig voorstel staat ten noorden van de inrit de woonboerderij van het ensemble (woning 1.). Deze zal in architectuur verbijzonderd worden en markant zijn tov de andere woningen. De ‘woonboerderij’ heeft een eigen voortuin met een lage haag van één inheemse soort. De woning is goed zichtbaar vanaf de straat- en inritzijde.

Vanaf het centrale erf zijn er twee paden richting het landschap. Deze hebben twee functies: • de relatie met het achterliggende landschap versterken door zicht; • toegang verstrekken voor de landbouwpercelen achter de woningen. De paden zijn uitgevoerd in 3m grasbetonkeiverharding met daarnaast aan beide zijden een kruidenrijke grasberm van 1m. Op het erf staan 4 solitaire landschapsbomen. 1 boom staat naast de inrit als markering van het erf. Twee bomen staan op de erfverharding om de grote ruimte behaagelijker te maken en ‘sturing’ te geven. De vierde boom staat aan het eind van het oostelijke pad als markering. Er worden verschillende soorten gebruikt om de biodiversiteit te vergroten. Nabij de entree is een opstelplek voor 4 afvalcontainers op een verharding van grasbetonkeien.

Referentie lage beukenhaag

Via de erfverharding worden de woningen en de parkeerschuur ontsloten. Woningen 2 en 3 grenzen met hun gevel direct aan de erfverharding. Woning 2 heeft twee zijtuinen met lage beplanting. Woning 4 heeft een kleine voortuin aan de voorzijde. De parkeerschuur staat centraal op het erf. De ingang is aan de erfverhardingzijde. Principeprofiel pad naar landschap

19



Referentie grasbetonstenen

2. 1. 3.

4.

20



Nestkasten Zoals benoemd zullen op het terrein diverse nestkasten worden opgehangen/gebouwd om het erf beter geschikt te maken voor diverse vogelsoorten. Per gebouw zijn vooraf diverse doelsoorten bepaald om te zorgen dat elk dier een plek krijgt. Het is ook mogelijk om naast de doelsoorten een voorziening te maken voor de andere doelsoorten. Met de bouwtekening zal rekening worden gehouden. Onderstaand een verdeling: • Parkeerschuur: Aan de oostzijde komt op de zolder een aparte ruimte voor de kerkuil. Dit wordt bouwkundig inpandig geregeld; • Gebouw 1.: Op verschillende plekken komen nestkasten voor de huismus; • Gebouw 2.: Op verschillende plekken komen nestkasten voor de gierzwaluw; • Gebouw 3.: Op verschillende plekken komen nestkasten voor de vleermuis; • Gebouw 4.: Op verschillende plekken komen nestkasten voor de huismus.

Binnen de boomgaard is ruimte voor kinderen om te spelen en voor de buurtbewoners om samen te komen. Erfafscheiding achtertuin De achtertuinen binnen het erf worden afgeschermd door een struweelhaag om de privacy van de verschillende bewoners te respecteren. Om de biodiversiteit te vergroten zullen verschillende samenstellingen worden opgezet, waar de bewoners uit kunnen kiezen. De erfafscheiding tussen woning 2. en 3. mag afwijken van de rest door in plaats van een struweelhaag te kiezen voor een hekwerk met klimop. Dit zijn namelijk de enige tuinen die direct aan elkaar grenzen. Referentie fruitboomgaard

Zoals eerder vermeld is een tijdelijk mannenkast voor de steenuil bij de buurman gehangen. Deze kan na oplevering van de woningen en parkeerschuur worden gehangen in de bestaande berk ten westen van gebouw 1. Boomgaard Tussen de weg Ham en de parkeerschuur ligt een gemeenschappelijke hoogstamfruitboomgaard. De bestaande notenboom wordt geïntegreerd en in de gaard worden verschillende soorten fruit beplant. De ondergrond is kruidenrijk gras (bijenmengsel) omgeven door een lage haag van verschillend inheems struweel.

21



Referentie bijenmengsel

Referentie lage struweelhaag

Landelijke rand De overgang van het erf naar het omringende landschap wordt gevormd door een ‘landelijke rand’. Conform het beeldkwaliteitsplan hebben alle zijdes van het erf een laagte voor het infiltreren van regenwater en iedere zijde een verschillend groen landschapselement. Met het positioneren van de verschillende landschapselementen is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bezonning in de tuinen. Laagte Aan de straatzijde wordt de bestaande greppel doorgetrokken om de doorgaande structuur van de straat Ham te versterken. Onder de inrit ligt een duiker. Aan de oost en noordzijde ligt een greppel van 2,5m breed. Onder de paden ligt een duiker.

Referentie houtsingel

Aan de westzijde van gebouw 1. ligt een brede watergang. Eén zijde van de watergang wordt flauw uitgevoerd om een ecologische meerwaarde te bereiken en meer biodiversiteit te creëren. Dit levert meer insecten op wat weer positief is voor de doelsoorten op het erf. In een principedoorsnede is een voorstelling gemaakt van de watergang in samenhang met naastgelegen houtsingel. Houtsingel Naast de brede watergang en ten zuiden van gebouw 4 ligt een houtsingel met inheems bosplantsoen. De singel heeft als doel afscherming van de achtertuin en meerwaarde te bieden als voedsel voor diverse fauna. Principeprofiel laagte en houtsingel

22



Referentie struweelhaag hoog

De houtsingel naast de watergang ligt aan de andere zijde dan voorgeschreven door het beeldkwaliteitsplan. Dit is echter noodzakelijk om de greppel in de zon te kunnen leggen, wat nodig is om de ecologische meerwaarde te bereiken. Bomenrij Ten noorden van de gebouwen 1., 2. en 3. ligt een bomenrij van diverse soorten inheemse bomen op verschillende afstanden van elkaar. Door deze rafelrand ontstaat een gevarieerd beeld vanuit de woning op het landschap en andersom. Ten oosten van de gebouwen 3. en 4. staat een struweelhaag. Hier is geen hoge opgaande beplanting gewenst in verband met de bezonning in de tuin. Deze struweelhagen kunnen wel breder en robuuster worden dan de hagen rondom het erf.

Referentie bomenrij

Weiland De gronden rondom het erf worden ingericht als weiland voor het houden van dieren of om te hooien. De omheining van deze gronden bestaat uit onbehandelde Robinia of Kastanje houten palen met gaas of draad.

Referentie afrastering weiland

23



6.1

Beplanting

Ten aanzien van de landschappelijke beplanting worden de volgende soorten gebruikt:

Tc

Haag laag: 105m Aanplant • Voortuin aanplanten met groene beuk (Fagus sylvatica) of liguster (Ligustrum vulgare) minimaal 80/100 (2- of 3 jarig bosplantsoen). Deze in één rij aanplanten met minimaal 5 planten per meter (250 stuks).

Bp

Cb Tc Bp Cb Cb Bp Tc Cb

Tv

Beheer • De haag 2x per jaar scheren tot een minimale hoogte van 0,7 en maximale hoogte van 1,2m; • Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juni en 15 maart; • Maaisel afvoeren.

Bp Cb

Pa

Tc Cb

Pa

Cs

Beplantingsplan

24



Struweelhaag laag 60m Aanplant Aanplant enkele rij 2- of 3 jarig bosplantsoen met minimaal 4 planten per meter. Groepsgewijs planten met 3 à 5 per soort in het volgende assortiment: • 20% Haagbeuk (Capinus betulus) • 20% Veldesdoorn (Acer campestre) • 10% Gewone beuk (Fagus sylvatica) • 15% kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) • 15% Liguster (Ligustrum vulgare) 240 stuks Beheer • De haag dient minimaal 1x per jaar te worden gesnoeid tot een minimum van 0,7m en maximum van 1,2m breed en minimum 0,7m en maximum van 1,2m hoog; • Het snoeien kan gecombineerd worden met het vlechten van de haag; • Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee; • Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juni en 15 maart; • Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid; • Indien snoeiwerkzaamheden machinaal worden uitgevoerd, wordt geen klepelmaaier gebruikt; • Maaisel afvoeren.

25



Struweelhaag landschap 72m Aanplant Aanplant enkele rij 2- of 3 jarig bosplantsoen met minimaal 4 planten per meter. Groepsgewijs planten met 3 à 5 per soort in het volgende assortiment: • 25% Haagbeuk (Capinus betulus) • 25% Veldesdoorn (Acer campestre) • 25% Gewone beuk (Fagus sylvatica) • 25% Meidoorn(Crataegus monogyna) 288stuks Beheer • De haag dient minimaal 1x per jaar te worden gesnoeid tot een minimum van 0,7m en maximum van 1,5m breed en minimum 1,0m en maximum van 1,8m hoog; • Het snoeien kan gecombineerd worden met het vlechten van de haag; • Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juni en 15 maart; • Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid; • Indien snoeiwerkzaamheden machinaal worden uitgevoerd, wordt geen klepelmaaier gebruikt; • Maaisel afvoeren.

Struweelhaag tuin 140m - 560st Aanplant Aanplant enkele rij 2- of 3 jarig bosplantsoen met minimaal 4 planten per meter. Groepsgewijs planten met 3 à 5 per soort. Toekomstige eigenaar kan kiezen uit drie assortimenten: Assortiment 1 • 25% Haagbeuk (Capinus betulus) Veldesdoorn (Acer campestre) • 25% • 25% Gewone beuk (Fagus sylvatica) • 25% Meidoorn(Crataegus monogyna) Assortiment 2 • 20% Haagbeuk (Capinus betulus) • 20% Veldesdoorn (Acer campestre) Gewone beuk (Fagus sylvatica) • 10% • 15% kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) • 15% Liguster (Ligustrum vulgare) Assortiment 3 • 25% Meidoorn(Crataegus monogyna) • 25% Liguster (Ligustrum vulgare) • 25% Gewone beuk (Fagus sylvatica) • 25% Hulst (Ilex aquifolium) Beheer • De haag dient minimaal 1x per jaar te worden gesnoeid tot een minimum van 0,7m en maximum van 1,5m breed en minimum 1,0m en maximum van 1,8m hoog; • Het snoeien kan gecombineerd worden met het vlechten van de haag;

• • • •

Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juni en 15 maart; Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid; Indien snoeiwerkzaamheden machinaal worden uitgevoerd, wordt geen klepelmaaier gebruikt; Maaisel afvoeren.

Erfafscheiding woning 2. en 3. 20m Er kan gekozen worden voor een ‘Struweelhaag tuin’ of een gaashekwerk met klimop. Aanplant gaashekwerk met klimop Aanleg gaashekwerk van dubbelstaafse matten in kleur maasgroen of antraciet. Klimop (Hedera helix) planten 5 stuks (afhankelijk van grootte) per meter. • •

26

Klimop minimaal 1x per jaar scheren. Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juni en 15 maart.



Houtsingel 90x6m Aanplant • Singel aanplanten met 2- of 3 jarig bosplantsoen (346 stuks) met de volgende soorten: 1. 20% Vuilboom (Rhamnus frangula), 2. 10% Kornoelje (Cornus sanguinea) 3. 10% Kamperfoelie (Lonicera periclymenum) 4. 20% Gelderse roos (Viburnum opulus) 5. 10% Kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) 6. 20% Hazelaar (Corrylus avelana) 7. 5% Lijsterbes (Sorbus aucuparia) 8. 5% Tamme kastanje (Castanea sativa) • Aanplant in verspringend verband 1,25 x 1,25m Beheer • Tenminste 75% van de oppervlakte van het element wordt periodiek (minimaal 1x per 7 jaar) afgezet, waarbij per 100m element maximaal 10 overstaanders gehandhaafd mogen worden; • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de onder-groei en/of de stoven niet schaadt; • Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee; • Bij versnipperen van het takhout mogen de snippers niet in het element worden verwerkt; • Snoeiwerkzaamheden in beginsel uitvoeren in de periode tussen 1 november en 15 maart; • Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid; • Bestrijding van ongewenste houtsoorten kan in de periode tussen 15 juli en 15 maart plaatsvinden.

Fruitbomen: 8 stuks Aanplant Bomen planten in ruim plantvak en boompaal plaatsen aan de meestvoorkomende windzijde (= zuidwesten). Rekening houden met de bestaande okkernoot. Onderstaand assortiment toepassen. Alternatieven zijn mogelijk, indien streekeigen. Zie bijlage 1 voor mogelijke variabelen. Achter de naam staat de grootte van de aanplant en het aantal: • Pyrus communis ‘Conference’ of soortgelijk (Handpeer) 12-14, 2st • Malus domestica ‘Brabant Bellefleur’ of soortgelijk (Handappel) 12-14, 2st • Malus domestica ‘Zoete Kroon’ of soortgelijk (Handappel) 12-14, 2st • Prunus domestica ‘Reine Claude’ of soortgelijk (Pruim) 12-14, 2st Beheer • Zieke en beschadigde takken verwijderen en afvoeren; • Indien het appel, pruim of peer betreft wordt de boom tenminste éénmaal per 2 jaar gesnoeid. Andere soorten enkel vormsnoei indien nodig; • Er mag geen snoeihout verbrand worden in de directe omgeving van de bomen of versnipperd hout verwerkt worden in de boomgaard; • De hoogstamfruitboom mag niet beschadigd worden door vee. Jonge bomen zijn voorzien van een boomkorf; • Snoeiwerkzaamheden kunnen gedurende het gehele jaar worden verricht.

Landschapsboom 18 stuks Aanplant Boom planten in ruim plantvak en boompaal plaatsen aan de meestvoorkomende windzijde (= zuidwesten). Onderstaand assortiment toepassen op voorgestelde locatie. Code refereert naar code op beplantingsplan: • Pa - 2 st Kersenboom (Prunus avium Dubbele meikers) 16-18 of inheemse variant • Tv - 1 st Hollandse linde (Tilia vulgaris) 16-18 • Cs - 1 st Tamme kastanje (Castanea sativa) 16-18 • Tc - 4 st Kleinbladige linde (Tilia cordata) 16-18 • Bp - 4 st Ruwe berk (Betula pendula) 14-16 • Cb - 6 st Haagbeuk (Carpinus betulus) 16-18 Beheer • Zieke en beschadigde takken verwijderen en afvoeren. • Snoeiwerkzaamheden worden in beginsel verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart; • Bij versnipperen van het takhout worden de snippers niet in het element verwerkt; • Bomen niet hoger opkronen dan 3,5m.

27



Kruidenrijk gras 14,5 are Aanleg Mengsel inzaaien met meerjarig bijenrand zaadmengsel voor voedselrijke zandgrond, conform bijlage II. Zaaien in de tweede helft april of eind augustus - begin september. Beheer • Het kruidenrijk gras wordt gefaseerd gemaaid; 50% na 15 juli, 100% na 1 oktober. Het maaisel wordt binnen 5 dagen afgevoerd; • Het kruidenrijk gras wordt niet beweid (behoudens een mogelijke na beweiding met schapen tot de vegetatie kort is afgegraasd in de periode 15 oktober - 15 maart; • Het kruidenrijk gras wordt niet bemest.

7 CONCLUSIE Een algemene vereiste voor dit initiatief is een landschappelijke inpassing conform de richtlijnen van het beeldkwaliteitsplan van gemeente Meierijstad. Daarnaast is als extra randvoorwaarde gesteld, dat het landschapsplan mitigerende maatregelen treft voor de beschermde dieren, die opgenomen zijn in de quickscan flora en fauna van Staro. In dit hoofdstuk bieden we een samenvatting van de getroffen maatregelen.

•

7.1

7.2

Kwaliteitshandboek

Het plan voldoet aan de richtlijnen zoals vastgesteld in ‘Kwaliteitshandboek Oude ontginningen 2015’ van voormalige gemeente Veghel. • Het cluster is stedenbouwkundig opgebouwd uit een erf met een hoofdwoning (woonboerderij), drie schuurwoningen, een parkeerschuur en een gemeenschappelijk verhard erf. • Het erf heeft relatie zowel figuurlijk als fysiek met het omringende landschap door groene paden vanaf het erf met het achterliggende landschap. • Binnen het cluster is een gemeenschappelijke ruimte gemaakt door de aanleg van een boomgaard en de erfverharding. In deze ruimte kan gespeeld worden door kinderen en kunnen de bewoners samenkomen. • Rondom het cluster is een watergang aangebracht voor het infiltreren van regenwater. Aan de noordoostzijde is een bredere watergang aangebracht om een ecologische meerwaarde te bereiken. • Parallel aan de watergang zijn per achterzijden 3 soorten landschapselementen toegepast, namelijk een houtsingel, bomenrij en struweelhaag. • De erfafscheidingen zijn groen en bestaan uit hagen en eenvoudige hekwerk met klimplanten. 28



•

De beplanting is inheems en passen binnen het assortiment zoals voorgesteld in het kwaliteitshandboek ‘erfbeplanting’. Er zijn echter meerdere soorten per landschapselement toegepast, om de lokale biodiversiteit ter vergroten ten gusnte van de beschermde doelsoorten. De gronden buiten de landschappelijke rand rondom het cluster zijn agrarisch van karakter.

flora en fauna

Zoals in 5.1 en 5.2 beschreven kunnen voor alle beschermde soorten binnen het plangebied, verschillende mitigerende maatregelen worden getroffen voor zowel de korte (tijdelijke) als de lange (permanente) termijn. Onderstaand een beschrijving per doelsoorten met de getroffen mitigerende maatregelen: Kerkuil Op de korte termijn zijn er twee mogelijkheden om de verplaatsing van de verblijfplaats voor de kerkuil te organiseren: 1. De bouw van de parkeerschuur met daarin een permanente voorziening op de zolder voor de kerkuil realiseren voordat de veldschuur wordt gesloopt. 2. Een tijdelijke nestkast plaatsen bij de buren in de straat. Als de bouw van de parkeerschuur met daarin een permanente voorziening voor de kerkuil is gerealiseerd kan deze tijdelijke voorziening worden verwijderd. Beide trajecten worden gevolgd en ondersteund door de lokale Vogelwacht.

Het voedselaanbod op het terrein voor de kerkuil wordt vergroot door de aanleg van: • flauw talud met kruidenrijk gras • bermen met kruidenrijk gras • hagen met diverse (vruchtdragende) inheemse soorten • houtsingel met bosplantsoen Steenuil Op de korte termijn worden er twee nestkasten opgehangen op rustige plaatsen buiten het gemotoriseerd verkeer en de bouwactiviteiten. Eén nestkast wordt opgehangen in de bestaande berk achter op het perceel. De andere mannenkast in een knotboom bij de buurman Ham 5. Na de oplevering van de bouwactiviteiten kan de mannenkast worden opgehangen in de bestaande berk in de nieuwe houtsingel op eigen terrein als permanente voorziening. De andere nestkast kan blijven gehandhaafd. Het voedselaanbod en verblijfplaats wordt vergroot door de aanleg van: • boomgaard met kruidenrijk gras (knoestige boom) • weide rondom het cluster • palen afrastering weide (rustplek) • solitaire landschapsbomen (rustplek) • houtsingel met bosplantsoen • hagen met diverse (vruchtdragende) inheemse soorten

Gierzwaluw De sloop van de bedrijfswoning zal plaatsvinden buiten het broedseizoen. In de naaste omgeving van het plangebied zijn genoeg uitwijkmogelijkheden voor de vogel om te nestelen. In één van de vier te bouwen woningen zullen voorzieningen gemaakt worden voor verschillende gierzwaluwkoppels op verschillende plaatsen. Gierzwaluwen vangen insecten in de lucht. Op lokaal niveau kan er geen grote bijdrage worden geleverd, echter door de aanleg van kruidenrijk gras en bloeiende bomen en struweel wordt de leefomgeving voor insecten verbeterd en daarmee indirect ook voor de gierzwaluw. Huismussen De sloop van de bedrijfswoning zal plaatsvinden buiten het broedseizoen. In de naaste omgeving van het plangebied zijn genoeg uitwijkmogelijkheden voor de vogel om te nestelen en verblijven. In twee van de vier te bouwen woningen zullen voorzieningen gemaakt worden voor de huismussen op verschillende plaatsen. Het voedselaanbod en verblijfplaats wordt vergroot door de aanleg van: • flauw talud met kruidenrijk gras • bermen met kruidenrijk gras • hagen met diverse (vruchtdragende) inheemse soorten • houtsingel met bosplantsoen • solitaire landschapsbomen (rustplek) • boomgaard met kruidenrijk gras

29



Vleermuizen De vleermuis kan zich schuilhouden in elk kiertje en spouw in de gebouwen op het terrein. Voor de sloop zullen de locaties van deze dieren bekend moeten zijn, zodat gepaste maatregelen kunnen worden getroffen. Ook voor dit dier geldt dat in de omgeving voldoende ‘oude’ gebouwen zijn, waar het naar kan uitwijken. In één van de vier te bouwen woningen zullen voorzieningen gemaakt worden voor vleermuizen op verschillende plaatsen. De vleermuis jaagt in de avonduren in de omgeving van het plangebied. Op het terrein zijn verschillende landschapselementen aangelegd om het verblijfsgebied van en voedselaanbod voor de vleermuis te versterken: • flauw talud met kruidenrijk gras • houtsingel met Kamperfoelie, • kruidenrijk gras op diverse plekken met Marjolein.

30  pluktijd aug. aug. begin aug. juli- aug. aug. sept. aug.-sept. pluktijd 28 juni 6 juli 22 juli 19 juli 5 juli 15 juli

pruimen Belle de Louvain Eldense blauwe Ontario Opal Reine Claude dOullins Reine claude Verte Victoria Kersen Dubbele meikers Mierlose zwarte Morel Udense spaanse Varikse zwarte Hedelfinger uitleg Handappel/peer Moesappel Sapappel/peer bakappel inmaak perensap zelfbestuiver

1 2 3 4 5 6 7

1 2 3 4 5 6

H M S B I P z

bijzonderheden

1,2,3,4 rood kokend rood kokend

kleur rood donker zuur geel met rood zwart groot donker

z,2,5 4,5 z 1,2 1,2 1

z 5,7 z z z,2,7 2,5,7 z,3,5

4,3 z,1 1,4 z,1,2 3 z 1,3

z,5,13 4 5,13 6 3,10,14 z 1,5,6 6,10,14 3 12,14 4,,6,14 1,4,17 6,10,12 z 1,13

sappig zoet sappig sappig zeer goede smaak rood kokend wit vruchtvlees tamelijk saprijk

kleur groot rood-blauw blauw groot groengeel paars roodgeel groengeel klein groengeel langwerpig rood

H S H H,P H S H,S,I,P,D H,P S S S

H,M,B zacht-zuur M,B,(H) moesappel S zacht-zuur H zacht-zuur H fris aroma H,M,S,(B) zacht-zuur S zoet H aromatisch H,M aromatisch H zeer goede smaak H fris zuur H speciaal aroma H,M zacht zuur H zacht zuur M zoet

gebruik

wordt bestoven door nr:

iedere boom moet bij het planten voorzien worden van minimaal 1 boompaal boombeschermer wanneer de boomgaard beweid wordt: pantanetgaas 180cm hoog. 1 zak 20 kg groencompost per plantgat toevoegen (aanschaf door aanvrager)

okt--nov. dec-febr. sept. okt.-jan nov.-dec. dec-febr. sept. okt-nov nov-jan nov.-mrt. jan-apr

peren Beurre Hardy Brederode Clapp's Favourite Conferance Doyenne du comice Gieser wildeman Juttepeer Maagdenpeer Pondspeer Saint remy Winterjan

dec.-mrt nov-jan nov-jan nov-febr sept-okt nov-jan nov-mrt nov-jan nov-jan okt-dec okt-mrt okt-dec aug-sept sept nov-mrt

1 2 3 4 5 6 8 9 10 11 12

X XXX XX XX XX XX XXX XXX XX XX XXX XX XX X XXX

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 12 13 14 15 17

rasnaam appels Brabantse Bellefleur Bramley's Seedling Dubbele Bellefleur Glorie van Holland Gravensteiner Groninger Kroon Jasappel Lemoenappel Lombarts Calville Notarisappel Schone van Boskoop Sterappel Yellow Transparant Zigeunerin Zoete Ermgaarde

nr.

bewaarb aar gebruikstijd

BIJLAGE I fruitbomen

BIJLAGE II bijenmengsel

2

31



BIJLAGE III landschapsplan

32



Bijlage 3

Invoergegevens en resultaten berekening V-Stacks Gebied

Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten – Erpseweg Zuid 2016, herziening Ham 4’

Veehouderijbedrijven straal 2 kilometer IDNR

X_COORD

1 32687 32688 32690 32691 32693 32694 32695 32696 32697 32698 32703 32704 32743 32754 32756 32799 32811 32812 32817 32818 32819 32821 32824 32825 32826 32828 32829 32830 32836 32837 32945 32956 32957 32980

0 0 0 166912 400681 6 167471 401270 6 168022 400875 6 167996 400997 6 167236 401618 6 167304 401083 6 167476 401049 6 167040 401704 6 167072 401539 6 167784 402175 6 167821 401977 6 167991 401886 6 167113 403290 6 167105 403174 6 166052 399741 6 166145 399541 6 165464 399982 6 165314 400032 6 166011 399884 6 165288 401345 6 165465 401214 6 165757 400176 6 165603 401101 6 165950 399988 6 166254 400813 6 166347 400792 6 166556 400716 6 166463 400410 6 166437 399923 6 166741 399779 6 168157 399775 6 168306 399761 6 169116 402563 6 169186 400369 6

Y_COORD 0 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6

EP-hoogte

GemGebH

EP-bindiam

EP-uittree

0 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5

0 0 5959 0 6206 0 0 0 0 0 16834 0 0 178 0 7120 0 0 6949 23826 0 25632 0 0 214 0 24756 37985 7832 0 33253 0 0 1424 1560

0 Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad

Rijksweg 31 5463MD VEGHEL Langsteeg 5 5463PA VEGHEL Ham 17 5463PB VEGHEL Ham 18 5463PB VEGHEL Ham 4 5463PB VEGHEL Ham 8 5463PB VEGHEL Ham 9 5463PB VEGHEL Kruigenstraat 1 5463PC VEGHEL Kruigenstraat 3 5463PC VEGHEL Erpseweg 5 5463PG VEGHEL Erpseweg 6 5463PG VEGHEL Erpseweg 8 5463PG VEGHEL Udenseweg 2 5464VA VEGHEL De Haag 5A 5464XG VEGHEL Zondveldstraat 2 5465PJ VEGHEL Zondveldstraat 6 5465PJ VEGHEL Hoge Biezen 1 5465PP VEGHEL Corsica 15 5465PS VEGHEL Zondveldstraat 2A 5465PJ VEGHEL De Hemel 6 5465RB VEGHEL Doornhoek 5 5465RC VEGHEL Past. Clercxstraat 85 5465RG VEGHEL Past. Clercxstraat 16 5465RH VEGHEL Past. Clercxstraat 88 5465RJ VEGHEL Leinserondweg 11 5465RV VEGHEL Leinserondweg 12 5465RV VEGHEL Leinserondweg 17 5465RV VEGHEL Leinserondweg 19 5465RV VEGHEL Hoolstraat 4A 5465RW VEGHEL Hoolstraat 7 5465RW VEGHEL Morgenstraat 9 5469GC ERP Morgenstraat 10 5469GD ERP Melvert 3 5469SB ERP Hackerom 6 5469ES ERP

0 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4

0 0 5959 0 6206 0 0 0 0 0 16834 0 0 178 0 7120 0 0 6949 23826 0 25632 0 0 214 0 24756 37985 7832 0 33253 0 0 1424 1560

E-Vergund

E-MaxVerg

adres

Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten – Erpseweg Zuid 2016, herziening Ham 4’

33012 168339 399992 6 33025 169198 400897 6 33036 168953 401781 6 33039 168893 400499 6 33040 168460 400897 6 33056 169023 401604 6 33067 168941 399694 6 33071 169234 401669 6 34525 167262 402849 6 34532 165682 400815 6 35067 169231 402599 6 35255 168264 399928 6 35260 166816 401535 6 300212 168495 401510 6 300987 168994 399726 6 301073 167906 400831 6

6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6

0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5

4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4

7120 663 0 59235 0 0 4 40217 0 5100 60201 0 0 0 1560 0

7120 663 0 59235 0 0 4 40217 0 5100 60201 0 0 0 1560 0

Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad Meierijstad

Oudestraat 5 5469GE ERP Vogelenzang 6 5469RB ERP Veghelsedijk 14 5469SJ ERP Vogelenzang 5 5469RB ERP Vogelenzang 10 5469RB ERP Veghelsedijk 11 5469SJ ERP Kampweg 9A 5469EX ERP Veghelsedijk 10A 5469SJ ERP De Stad 7A 5463XE VEGHEL Past. Clercxstraat 20 5465RH VEGHEL Melvert 5 5469SB ERP Oudestraat 3 5469GE ERP Kruigenstraat 7 5463PC VEGHEL Ham 3 5469RC ERP Kampweg 7A 5469EX ERP Ham 15 5463PB VEGHEL

Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten – Erpseweg Zuid 2016, herziening Ham 4’

Receptorpunten Identifier 1 2 3 4

X-coordinaat Y-coordinaat NORM-OU 167192 401620 20 167224 401667 20 167297 401600 20 167234 401552 20

Resultaten berekening Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurnorm Geurbelasting [OU/m3] 1 167192.0 401620.0 20.000 1.923 2 167224.0 401667.0 20.000 1.849 3 167297.0 401600.0 20.000 1.950 4 167234.0 401552.0 20.000 2.089

Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten – Erpseweg Zuid 2016, herziening Ham 4’

Bijlage 4

Rapportage verkennend bodemonderzoek

Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten – Erpseweg Zuid 2016, herziening Ham 4’

Rapport

verkennend bodemonderzoek Ham 4 te Veghel

Projectnaam Projectnummer

Ham 4 te Veghel B2389

Opdrachtgever Postadres

Bouwzaken Opeel B.V. Beukenlaan 54b 5409 SX Odiliapeel Mw L. Braks

Contactpersoon Status Versie

Definitief 2

Aantal pagina’s Datum

13 (exclusief bijlagen) 4 juni 2020

Samenstelling rapport en kwaliteitscontrole

dhr. M. Gloudemans

Paraaf

Bezoekadres Postcode en plaats Telefoon e-mail internet

Jekschotstraat 12 5465 PG Veghel 0413 287068 info@bodem-inzicht.nl www.bodem-inzicht.nl

Inhoud 1 INLEIDING ................................................................................................................................................................. 3

2

3

4

5

1.1

Algemeen ................................................................................................................................................................ 3

1.2

Aanleiding en doel van het onderzoek.................................................................................................................... 3

1.3

Partijdigheid ............................................................................................................................................................ 3

1.4

Opbouw van het rapport ........................................................................................................................................ 3

VOORONDERZOEK .................................................................................................................................................... 4 2.1

Beschrijving onderzoekslocatie ............................................................................................................................... 4

2.2

Voormalig en huidig gebruik van de locatie ............................................................................................................ 4

2.3

Toekomstig gebruik................................................................................................................................................. 5

2.4

Beschikbare onderzoeksgegevens .......................................................................................................................... 5

2.5

Bodem- en geohydrologische gegevens ................................................................................................................. 6

2.6

Hypothese en onderzoeksstrategie ........................................................................................................................ 6

UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN ............................................................................................................................ 7 3.1

Veldwerkzaamheden .............................................................................................................................................. 7

3.2

Zintuiglijke waarnemingen en veldmetingen .......................................................................................................... 7

3.3

Meetgegevens grondwater ..................................................................................................................................... 7

3.4

Chemische analyse en monsterselectie .................................................................................................................. 8

3.5

Geselecteerde grondmonsters en chemische analyses .......................................................................................... 8

3.6

Overzicht grondwatermonsters en chemische analyses ......................................................................................... 8

3.7

Monstersamenstelling en analyses asbest .............................................................................................................. 9

3.7.1 Aangetroffen asbestverdacht materiaal ........................................................................................................ 9 3.7.2 Samenstelling mengmonsters grond ............................................................................................................. 9 RESULTATEN ........................................................................................................................................................... 10 4.1

Toetsingskader ...................................................................................................................................................... 10

4.2

Toetsing analyseresultaten grond en grondwater ................................................................................................ 10

4.3

Wijze van beoordeling en toetsing asbest ............................................................................................................ 10

4.4

Analyseresultaten grond- en grondwatermonsters en interpretatie .................................................................... 11

4.5

Analyseresultaten inspectiegaten ......................................................................................................................... 11

CONCLUSIES EN ADVIES .......................................................................................................................................... 12

BIJLAGEN Bijlage 1: Topografische ligging onderzoekslocatie Bijlage 2: Situatietekening met boorpunten Bijlage 3: Boorprofielbeschrijvingen Bijlage 4: Getoetste tabellen grond en grondwater Bijlage 5: Analysecertificaten Bijlage 6: veldwerkrapportage

rapport B2389 Ham 4 te Veghel

2

1

INLEIDING

1.1

Algemeen

In opdracht van Bouwzaken Opeel B.V. te Odiliapeel heeft Bodeminzicht een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Ham 4 te Veghel (gemeente Meierijstad). Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de richtlijnen zoals deze zijn opgesteld in NEN 5725, NEN 5740 en NEN 5707. De NEN 5725 (versie oktober 2017) beschrijft de werkwijze voor het uitvoeren van het vooronderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van verontreinigingen in en de verwachte milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem. Daarnaast dient het milieuhygiënisch vooronderzoek als basis voor de hypothese over veld- en laboratoriumonderzoek. De NEN 5740+A1 (versie april 2016) beschrijft de werkwijze voor het opstellen van een onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek naar de aanwezigheid van bodemverontreiniging. De NEN 5707+C2 (versie december 2017) beschrijft de werkwijze voor het opstellen van een onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek naar de aanwezigheid van asbest. Indien meer dan 50% puin (v/v) in de bodem wordt aangetroffen, is de NEN5897 (versie augustus 2015) van toepassing. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 2000. 1.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=c429e61c-76bf-4de4-8086-c588ae297e0b