bestemmingsplan Veghels Buiten herziening Ham 4
Tekst van het document
Voor elke nestplaats en/of verblijfplaats van mogelijk aanwezige soorten die wordt aangetast of verwijderd dienen nieuwe nest- en verblijfsplaatsen te worden aangeboden (in het geval van bijvoorbeeld de huismus dient voor elke te verwijderen nestplaats twee nieuwe te worden gecreëerd). Dit in de vorm van bijvoorbeeld vogeldakpannen, gierzwaluwpannen/stenen, nestkommen, nestkasten, neststenen, mussenpotten, dakvoetsystemen of vergelijkbare voorzieningen of door het maken van toegangen in gebouwen tussen dakbedekking en isolatielaag of het verwijderen van aanwezig vogelschroot. Deze voorzieningen worden voornamelijk geïntegreerd in een deel van de nieuwe bebouwing en de aan te brengen beplanting in het kader van de landschappelijke inpassing. Het landschappelijk inpassingsplan wordt hierop aangepast. Op deze manier worden nieuwe verblijfs- en nestplaatsen gecreëerd en blijven de beschermde soorten in het plangebied behouden. De geplande activiteiten leiden niet tot overtredingen van de Wet natuurbescherming; de ontwikkeling heeft naar verwachting geen effecten op beschermde dier- en plantensoorten.
25
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
7. Water 7.1
Waterbeleid
Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant, Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw WB21, Nationaal bestuursakkoord water, Beleidsbrief regenwater en riolering en het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP+) Meierijstad 2017-2022. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend: • Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Watertoets Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor de waterhuishouding betekenen. Ook is het overleg met de waterbeheerder onderdeel van deze watertoets. Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer in de gemeente Meierijstad is in handen van het Waterschap Aa en Maas en de gemeente. Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas 2016-2021 In het waterbeheerplan van Waterschap Aa en Maas wordt aangeven wat de doelen zijn voor de periode 2016-2021 en hoe deze doelen bereikt moeten worden.
Het plan is afgestemd op het nationaal, provinciaal en gemeentelijk waterbeleid van de andere Nederlandse waterschappen. Het doel van het waterbeheerplan is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede dat mensen en dieren in Noordoost-Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving. In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende thema’s: • Veilig en bewoonbaar; • Voldoende water en robuust watersysteem; • Schoon water; • Gezond en natuurlijk water; • Het leveren van maatschappelijke meerwaarde Beleidsuitgangspunten: • Wateroverlastvrij bestemmen: bij de locatiekeuze voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met een plek die ‘hoog en droog genoeg is’; • Gescheiden houden van vuil water en schoon regenwater: het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone regenwater; • Doorlopen van de afwegingsstappen ‘hergebruik – infiltratie – buffering – afvoer’: het beleid van het waterschap is dat altijd onderzocht dient te worden hoe het meest efficiënt/volgens deze methode omgegaan kan worden met het schone hemelwater; • Hydrologisch neutraal bouwen: bij nieuwe ontwikkelingen dient te worden voldaan aan het principe van hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de nieuwe hydrologische
situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie; • Water als kans: water kan een meerwaarde bieden aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water; • Meervoudig ruimtegebruik: in de plannen moet ruimte worden vrijgemaakt voor water. Door bij de inrichting van een plangebied de ruimte voor meerdere doeleinden te gebruiken, is het verlies van 26
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
• •
ruimte aan water te beperken; Voorkomen van verontreiniging: het streven van het waterschap is om nieuwe (bronnen van) verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen; Waterschapsbelangen: waterschapsbelangen met een ruimtelijke component zijn de ruimteclaims voor waterberging en voor de aanleg van natte EVZ's en beekherstel en de aanwezigheid en ligging van het watersysteem, waterkeringen, infrastructuur en de ruimteclaims ten behoeve van de afvalwaterketen in beheer van het waterschap.
Keur Brabantse waterschappen Voor waterhuishoudkundige ingrepen binnen de projectlocatie is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer.
Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m2, toename van een verhard oppervlak tussen 2.000 m2 en 10.000 m2 en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2.
7.2
Oppervlaktewater
De volgende figuur toont de ligging van de leggerwatergangen in de omgeving van het plangebied, die in beheer zijn bij het waterschap Aa en Maas.
Figuur 15: Ligging leggerwatergangen (https://maps.aaenmaas.nl/portaal/legger_oppervlaktewater/) (plangebied rood omkaderd)
27
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Ten oosten en westen van het plangebied is een A-watergang gelegen. De ontwikkeling heeft geen invloed op deze watergang.
7.3
Grondwater
Via de Bodematlas van de provincie Noord-Brabant zijn gegevens opgevraagd over de grondwaterstand bij het plangebied. Uit gegevens is gebleken dat de gemiddelde hoogste waterstand zich op beide locaties rond de 40-80 centimeter beneden maaiveld bevindt en de gemiddelde laagste grondwaterstand 140-180 centimeter beneden maaiveld (zie volgende figuren).
Plangebied
Figuur 16: Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG)
Plangebied
Figuur 17: Gemiddelde laagste grondwaterstand (GHG)
28
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
7.4
Afvoer hemelwater
Beleid waterschap Aa en Maas Het beleid van het waterschap Aa en Maas is erop gericht hemelwater afkomstig van verhard oppervlak op eigen terrein te laten infiltreren of bergen. Per 1 maart 2015 gelden de bepalingen uit de Keur 2015 (artikel 15 van de Algemene regels en artikel 13 van de Beleidsregels). Er is een vrijstelling van de compensatie opgenomen voor nieuwe verharde oppervlakken kleiner dan 2.000 m2. Verhard oppervlak De volgende tabel toont de oppervlaktes verhard oppervlak in de huidige en beoogde situatie. Tabel 2: Verhard oppervlak bestaande en beoogde situatie Verhard oppervlak (m²) Dakoppervlak Erfverharding
Totaal
Huidige situatie 2.105 1.950
Beoogde situatie 740 1.290
4.055
2.030
Er is sprake van een sterke afname van verhard oppervlak van circa 2.000 m². Derhalve is geen compenserende maatregel noodzakelijk vanuit de Keur en het beleid van de gemeente Meierijstad In geval van hevige neerslagsituaties kan het hemelwater afstromen naar de omliggende landbouwgronden en de onverharde delen binnen het plangebied. Bij de inrichting van het terrein wordt hier rekening mee gehouden. Gebruik niet-uitlogende materialen Het gebruik van niet uitlogende materialen is conform het advies van de Dubo-richtlijn (Duurzaam Bouwen). In het Activiteitenbesluit staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakken als daken. Bij de bouw van de nieuwe woningen zal geen gebruik worden gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK’s) en van met verontreinigde stoffen verduurzaamd hout. Doordat het hemelwater niet vervuild is, is het geen probleem om het hemelwater te laten infiltreren. Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd middels de gemeentelijke riolering (reeds in de bestaande situatie). Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan het beleid van Waterschap Aa en Maas en de gemeente Meierijstad inzake de watertoets.
29
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
8. Fysieke belemmeringen 8.1
Kabels en leidingen
De aanwezigheid van kabels en/of leidingen in een gebied kunnen de realisatie van eventuele bouwplannen in de weg staan. Buiten de normale huis- en bedrijfsaansluitingen liggen geen leidingen in de directe omgeving van het plangebied die een fysieke belemmering vormen. Op een afstand van circa 270 meter oostelijk van het plangebied is een leiding van Gasunie gelegen. Het plangebied ligt echter buiten de belemmeringsstrook en risicocontouren van de leiding.
8.2
Radarverstoringsgebied
Het plangebied is gelegen binnen de aanduiding ‘vrijwaringszone – radar’ ter waarborging van de bij het radarverstoringsgebied behorende hoogtebeperking. Radarsystemen dienen ‘vrij zicht’ te hebben om goed te kunnen functioneren. Objecten binnen een straal van 27,8 kilometer gemeten vanaf de positie van de radar kunnen resulteren in een verstoring van het radarbeeld. Binnen dit gebied mogen dan ook geen objecten worden geplaatst (gebouwd) met een hoogte van meer dan 45 meter ten opzichte van de hoogte van het maaiveld ter plaatse van de radar. In de regels en op de verbeelding is derhalve een vrijwaringszone opgenomen. De ontwikkeling ziet niet op de bouw van nieuwe bebouwing hoger dan 45 meter en vormt dan ook geen belemmering.
8.3
Hoogspanningslijnen
Op een afstand van ongeveer 4,2 kilometer van het plangebied ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.
8.4
Spuitzones gewasbescherming
Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabijgelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt in de bestemmingsplanpraktijk een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin wordt als zodanig aangemerkt. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woningen. De 50 meter afstand is echter een indicatieve en willekeurige afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Drift in bijvoorbeeld de fruitteelt is door de aard van de bespuiting, met name op- en zijwaarts gericht spuiten en spuitfrequentie intensiever dan bijv. bespuitingen in de lage bomenteelt of aardappelteelt.
Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht. Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering. Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van akkers welke in gebruik zijn voor open teelten zoals boomteelt. 30
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
9. Milieuhygiënische verantwoording. 9.1
Inleiding
Milieuaspecten spelen een rol in de ruimtelijke planvorming wanneer aan een gebied functies worden toegekend die een milieubelasting doen ontstaan of doen toenemen. Door middel van een goede ruimtelijke ordening kan een milieubelasting ook worden beperkt of worden voorkomen, zodat wordt bijgedragen aan de duurzame ontwikkeling van de gemeente. Milieuaspecten worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces betrokken. Hierdoor wordt het milieubelang volwaardig afgewogen tegen andere belangen die evenzeer claims leggen op de beschikbare ruimte.
9.2
M.e.r.-beoordeling
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is het gevolg van de uitspraak van het Europese hof over de manier waarop de EU-richtlijn in de Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd, één van de aanleidingen voor de aanpassing van het Besluit m.e.r. De essentie van die uitspraak is dat altijd een m.e.r. noodzakelijk is als belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is bedoeld als waarborg dat in dergelijke gevallen de m.e.r.(-beoordelingsplicht) niet over het hoofd wordt gezien. Het ten onrechte niet doorlopen van een m.e.r. doet immers geen recht aan de bedoeling van m.e.r. en is een risico in de procedure. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. Met betrekking tot de inhoud dient deze aan bijlage III van de Europese richtlijn (2011/ 92EU) ‘betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’ te voldoen. Hierin staan drie hoofdcriteria centraal: • De kenmerken van het project; • De plaats van het project; • De kenmerken van de potentiële effecten.
De realisatie van de woningen met bijbehorende ontsluiting, groen en parkeerplaatsen kan worden gekwalificeerd als ‘de aanleg of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit geldt dat het bevoegd gezag op een vormvrije wijze moet beoordelen of voor deze activiteiten toch een m.e.r. beoordeling (met procedurele en inhoudelijke vereisten) dient te worden doorlopen. De uitkomst van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat er wel of geen m.e.r.-beoordeling met procedurele en inhoudelijke vereisten nodig is. Voor de geplande, nog niet aangevraagde/vergunde uitbreiding is een m.e.r.-beoordelingsnotitie ingediend, die is beoordeeld en waarop een besluit is genomen door het bevoegd gezag. Het beoordelingsbesluit is als bijlage toegevoegd bij deze toelichting.
9.3
Bodem
In een bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of bij een buitenplanse afwijkingsprodedure.
31
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
In artikel 8 van de Woningwet is aangegeven dat een gemeente in de gemeentelijke bouwverordening regels moet opnemen om het bouwen op verontreinigde grond tegen te gaan. De gemeente heeft de taak om alleen een omgevingsvergunning (aspect bouwen) te verlenen als de kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Hiertoe toetst de gemeente de informatie omtrent de bodemkwaliteit aan de Circulaire bodemsanering. Als de bouwlocatie daaraan niet voldoet, dan kan de gemeente een aanvraag voor een omgevingsvergunning weigeren, of nadere eisen in de vergunning opnemen. Bodemtoets Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. In bepaalde gevallen dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Verkennend bodemonderzoek In het kader van de sloop van de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing en de bouw van een viertal woningen op een voormalige veehouderijlocatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd 2. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie.
De doelstelling van het verkennend onderzoek asbest is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De resultaten van het onderzoek stemmen niet geheel overeen met de gestelde hypotheses. Het gehalte aan niet-hechtgebonden asbest in de druipzone naast de schuur met asbesthoudende golfplaten vormt formeel aanleiding voor nader onderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie, behoudens de druppelzones van twee schuren, vormt geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling van de locatie. Geadviseerd wordt om de sterk asbesthoudende toplaag naast de schuren te saneren middels een BUSmelding. Na beschikking door het bevoegd gezag, Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB), kan een erkend bodemsaneerder de verontreinigde bodem ontgraven en afvoeren naar een verwerker van verontreinigde grond. Het verkennend bodemonderzoek is toegevoegd als bijlage 5. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de herontwikkeling van de locatie Ham 4.
9.4
Geluid
In het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. In dit kader is onderzocht of de toekomstige ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op de omgeving. 9.4.1
Wegverkeerslawaai
De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit artikel 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient te worden 2 Verkennend bodemonderzoek Ham 4 te Veghel, bodeminzicht, 7 februari 2020
32
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
verricht, indien sprake is van het projecteren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen een dergelijke zone. Uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. De weg Ham betreft een 60 km/uur-weg met een geluidszone. De nieuwe woningen worden binnen deze zone gerealiseerd. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen 3. Uit de rekenresultaten volgt dat de geluidsbelasting op de gevel van de maatgevende woning in het plangebied als gevolg van het wegverkeer op de Ham voldoet aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Met de gehanteerde verkeersintensiteit ligt de 48 dB-contour niet over de aangegeven bebouwingszone in de tekening. De nieuw te bouwen woningen kunnen op het hele bouwvlak worden gepositioneerd, het aspect geluid vormt hierin geen beperking. Voor de woningen is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Voor de rapportage van het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt verwezen naar bijlage 10. Het aspect wegverkeerslawaai vormt in het kader van de bestemmingsplanprocedure geen belemmering voor de bouw van de woningen. 9.4.2
Industrielawaai
Ten aanzien van het aspect geluid worden de richtafstanden van de Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG aangehouden. In de volgende paragraaf 10.1 ‘Bedrijven en milieuzonering’ wordt onderbouwd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
9.5
Luchtkwaliteit
Wet luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit; daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen. De kern van de ‘Wet luchtkwaliteit’ bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen op grond van de richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. De wet regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Niet in betekenende mate bijdragen In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde.
3 Akoestisch onderzoek wegverkeer Ham 4 te Veghel, Adviesbureau de Haan, 31 januari 2020
33
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Toetsing initiatief De huidige achtergrondconcentratie fijn stof (PM10) binnen het plangebied bedraagt 18,17 µg/m³. Deze waarden voldoen aan de wettelijke normen. Hiermee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te beoordelen of het beoogde initiatief NIBM bijdraagt, is de NIBM-tool (versie 2019) ingevuld. Hierin is de bijdrage berekend bij een toename van aantal dagelijkse voertuigbewegingen van maximaal 40 (worstcase scenario). Onderstaande figuur toont het resultaat.
Figuur 18: NIBM-tool 2019
De bijdrage van het extra verkeer door de ontwikkeling is niet in betekenende mate; het plan is te kleinschalig om in betekenende mate bij te dragen aan een verandering/ verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Woon- en leefklimaat De huidige achtergrondconcentratie fijn stof (PM10) binnen het plangebied bedraagt 18,17 µg/m³ en zeer fijn stof (PM2,5) 11,46 µg/m³. De huidige achtergrondconcentratie NO2 bedraagt 14,92 µg/m³. Deze waarden voldoen aan de wettelijke normen. Hiermee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
9.6
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij schept het kader voor de onderbouwing van nieuwe plannen voor het aspect geur. De Wgv heeft ook consequenties voor de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke projecten. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen geurhinder, omgekeerd moet het bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat nieuwe projecten gerealiseerd worden op plaatsen waar de geurhinder onaanvaardbaar hoog is of door nieuwe ontwikkelingen te hoog zal worden. De grondslag hiervan ligt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Bij besluitvorming omtrent een bestemmingsplan moet worden bepaald of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Er moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Ook voor geurhinder betekent dit dat de volgende aspecten nader onderzocht moeten worden: • Wordt overigens niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (Belang veehouderij) (voorgrondbelasting); • Is er ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (Belang geurgevoelig object) (achtergrondbelasting). Onder voorgrondbelasting wordt verstaan de individuele geurbelasting op het plangebied van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang veehouderij). Onder achtergrondbelasting wordt 34
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
verstaan de cumulatieve geurbelasting op het plangebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang geurgevoelig object). 9.6.1
Beoordeling belangen veehouderijen (voorgrondbelasting)
In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende veehouderijbedrijven gelegen: • Kruigenstraat 3 (melkveehouderij): afstand circa 80 meter; • Kruigenstraat 7 (jongveehouderij): afstand circa 350 meter; • Langsteeg 5 (rundvee- en schapenhouderij): afstand circa 320 meter. Op de locatie Ham 4 wordt momenteel beschikt over een omgevingsvergunning ten behoeve van de huisvesting van rundvee, schapen, paarden en varkens. Deze vergunning wordt ingetrokken. De ligging van de veehouderijbedrijven is weergegeven in de volgende figuur.
Ham 3 (veehouderij is beëindigd)
Plangebied
Kruigenstraat 7
Langsteeg 5
Kruigenstraat 3
Figuur 19: Ligging dichtstbijzijnde veehouderijbedrijven
Deze veehouderijbedrijven worden beschermd tegen geurgevoelige objecten. Dit betekent dat de rechten van de veehouderijbedrijven die kunnen worden ontleend aan de vigerende vergunning gerespecteerd dienen te worden. De normen, die voortvloeien uit wetgeving op het gebied van geurhinder van veehouderijen, dienen in de eerste plaats voor de vaststelling van de vraag of voor een veehouderij een milieuvergunning kon worden verleend. Deze eisen ten aanzien van de maximale geurbelasting of minimaal aan te houden afstanden zijn ook van belang bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde geurgevoelige bestemming kan worden gerealiseerd nabij een veehouderij. Deze zogenaamde ‘omgekeerde werking’ heeft dus betrekking op ruimtelijke ordeningsbesluiten, zoals bestemmingsplannen en vrijstellingen. Vaste rechtspraak bij dit soort besluiten is dat er geen sprake mag zijn van een aantasting van de bestaande rechten van de (blijvende) veehouderijen en er sprake moet zijn van aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 35
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
De veehouderijen met dieren zonder geuremissiefactor bevinden zich op een afstand van meer dan 50 meter (wettelijk aan te houden vaste afstand) van het plangebied. Daarnaast zijn andere woningen dan de vier nieuw te realiseren woningen dichter bij de omliggende veehouderijen gelegen. De ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijbedrijven worden niet aangetast. 9.6.2
Beoordeling woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting)
Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur in beeld te brengen voor de nieuwe woonbestemming is de cumulatieve geurbelasting in de omgeving in kaart gebracht waarbij de aanwezige andere veehouderijbedrijven in de omgeving van het initiatief meegenomen zijn. De bedrijven binnen een straal van 2 kilometer afstand rondom het plangebied zijn meegenomen. De berekening is uitgevoerd middels het programma V-Stacks gebied. Voor het berekenen van de achtergrondbelasting zijn de gegevens gebruikt van het Bestand Veehouderij Bedrijven (d.d. 16-12-2019). De invoergegevens zijn opgenomen in de bijlage. In het buitengebied geldt een achtergrondbelasting van 20 ouE als toetswaarde 4. Tabel 3: Resultaten berekening achtergrondbelasting Receptorpunt X-coördinaat Y-coördinaat Hoekpunt 1 167192 401620 Hoekpunt 2 167224 401667 Hoekpunt 3 167297 401600 Hoekpunt 4 167234 401552
Geurbelasting [ouE/m3] 1,9 1,8 2,0 2,1
Beoordeling milieukwaliteit Naast een kwantitatieve weergave van de geurbelasting is er bij deze berekening voor gekozen om de geurbeleving inzichtelijk te maken. Hierbij is bijlage 6 en 7 van de handreiking Wet geurhinder en veehouderij als leidraad gebruikt. In bijlage 7 van de Handreiking is een tabel opgenomen waarin de kans op geurgehinderden vertaald is naar het woon- en leefklimaat, zie de volgende tabel 5. Tabel 4: Beoordeling milieukwaliteit Achtergrondbelasting (ouE/m³) Percentage geurgehinderden (%) 1-3 <5 4-8 5-10 9-13 10-15 14-20 15-20 21-28 20-25 29-38 25-30 39-50 30-35 51-65 35-40
Milieukwaliteit Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
De volgende tabel geeft per receptorpunt het percentage geurgehinderden en de milieukwaliteit. Tabel 5: Milieukwaliteit Geurgevoelig object
Hoekpunt 1 Hoekpunt 2 Hoekpunt 3 Hoekpunt 4
4 5
Achtergrond Percentage geurbelasting geurgehinderden [%] [ouE/m³] 1,9 1,8 2,0 2,1
Milieukwaliteit
3 3 4 4
Zeer goed Zeer goed Zeer goed Zeer goed
Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder Gemeente Veghel SenterNovem, 2007
36
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
De volgende figuur geeft een visuele weergave van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied.
Figuur 20: Visuele weergave leefklimaat omgeving plangebied (plangebied rood omkaderd)
Tevens is de voorgrondbelasting vanuit de veehouderij aan de Langsteeg 5 bepaald binnen het plangebied. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geurbelasting binnen het plangebied lager is dan de norm welke geldt van 14,0 ouE/m³. De volgende tabel geeft een weergave van de rekenresultaten. Tabel 6: Voorgrondbelasting Geurgevoelig object Norm Voorgrondbelasting voorgrondbelasting Langsteeg 5 [ouE/m³] [ouE/m³] Hoekpunt 1 14,0 0,8 Hoekpunt 2 14,0 0,8 Hoekpunt 3 14,0 1,2 Hoekpunt 4 14,0 1,2
Uit bovenstaande resultaten volgt de conclusie dat ter plaatse van de ontwikkeling sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het initiatief.
9.7
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven. Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met dit aspect. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten, in beeld worden gebracht. Onderstaand wordt een toelichting gegeven op de wet- en regelgeving in het kader van externe veiligheid, die van toepassing is op onderhavige ontwikkeling. 37
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Besluit externe veiligheid voor inrichtingen (Bevi) Voor de normstelling van risicovolle bedrijven moet worden aangesloten bij het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het toetsingskader is meer gedetailleerd uitgewerkt in de Regeling externe veiligheid voor inrichtingen (Revi). Voor het aspect externe veiligheid worden twee risicomaten onderscheiden: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) wordt uitgedrukt in de kans op overlijden van een denkbeeldig aanwezige persoon op een bepaalde plaats als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico is vastgelegd in een grenswaarde of een richtwaarde. Deze normen zijn vastgesteld op een kans van 10-6 (kans van 1 op de één miljoen) per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt. Het groepsrisico (GR) wordt uitgedrukt in de kans op overlijden ineens van een groep personen als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt gepresenteerd in een curve waarbij de omvang van de groep dodelijke slachtoffers wordt uitgezet tegen de kans dat die groep komt te overlijden. De normstelling voor het groepsrisico heeft een status van oriëntatiewaarde. Daarbij wordt ingezoomd op het gebied waarbinnen nog 1% van de aanwezige personen kan komen te overlijden. Dit wordt ook wel het invloedsgebied van het groepsrisico genoemd.
Op grond van het Bevi en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten, het GR in het invloedsgebied van de buisleiding of de risicovolle inrichting worden verantwoord. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het vervoer van gevaarlijke stoffen brengt risico's met zich mee. Bij een ongeval tijdens het transport kunnen gevaarlijke stoffen vrijkomen met schadelijke of zelfs dodelijke gevolgen voor mens en milieu. Om dit te voorkomen moet het vervoer van gevaarlijke stoffen aan eisen voldoen. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. Hierin zijn de veiligheidsnormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, weg of water wettelijk verankerd. De afspraken die zijn gemaakt in het besluit zijn vastgelegd in wetgeving over het Basisnet en wordt ook wel ‘Wet Basisnet’ genoemd. De ‘Wet Basisnet’ is een heel stelsel van wetten en regels die hun oorsprong hebben liggen in verschillende gebieden. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd.
Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur zoals hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen. Conform de Bevt hoeven er in principe geen beperkingen aan het ruimtegebruik te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 m1 van een route of tracé ligt. In het kader van het Basisnet zijn de externe veiligheidsrisico’s bij vervoer van gevaarlijke stoffen geïnventariseerd voor diverse wegen. In de regeling Basisnet is aangegeven voor welke wegen welk risico bestaat. In de Handleiding risicoanalyse Transport (17 juni 2014) wordt uiteengezet hoe de risico's voor omwonenden als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen in beeld gebracht kunnen worden. Het middel hiervoor is een kwantitatieve risicoanalyse. Eenvoudig gezegd is het resultaat van een risicoanalyse de kans op overlijden op een bepaalde locatie als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen en de kans op overlijden van een groep personen met een bepaalde omvang. Het risico wordt bepaald door de transportroute, de vervoerde stoffen en de aard van de omgeving. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), in werking getreden op 1 januari 2011, regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten en geeft de eisen en 38
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
veiligheidsafstanden voor buisleidingen die worden gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen ten opzichte van kwetsbare objecten. Ook hier gelden de normen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (zoals in het Bevi). Er is onderzocht of in en in de omgeving van het plangebied zich situaties bevinden welke van invloed kunnen zijn op de externe veiligheid. Hierbij is gekeken naar de invloed van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, over het spoor en door buisleidingen. Tevens is onderzocht of er risicorelevant bedrijvigheid in de nabijheid van het plangebied plaatsvindt. Activiteitenbesluit Op 1 januari 2008 is het Activiteitenbesluit in werking getreden. In het besluit en de bijbehorende regeling staan de regels waar de bedrijven waarop het besluit van toepassing is, aan moeten voldoen. In het besluit staan ook de aan te houden afstanden tot externe objecten. Deze externe veiligheidsafstanden gelden voor een beperkt aantal bedrijven. Het gaat onder meer om: • bedrijven met opslag van meer dan 2.500 kg (of liter) gevaarlijke stoffen in één opslagvoorziening en; • locaties waar een bovengrondse propaantank in gebruik is (het besluit geldt ook voor het gebruik van een propaantank door particulieren).
Barro In het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) zijn externe veiligheidsafstanden vastgelegd voor munitiecomplexen en civiele inrichtingen voor explosieven. Hierin is onder andere aangegeven welke veiligheidszones van toepassing zijn rond munitieopslagen en is geregeld dat de veiligheidssituatie rond munitieopslagen bevorderd wordt door opname van de veiligheidszones met hun beperkingen in bestemmingsplannen. Toetsing plangebied Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met het plangebied is onderstaand weergegeven.
Plangebied
Buisleiding Gasunie
Figuur 21: Uitsnede Risicokaart (plangebied blauw omkaderd)
Uit de gegevens van de nationale risicokaart blijkt, dat in de omgeving van het plangebied geen wegen, vaarwegen, spoorlijnen, buisleidingen of inrichtingen aanwezig zijn, waarvan een risicocontour over het plangebied is gelegen. 39
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Toetsing Het plangebied ligt binnen het gebiedstype 'gemengd gebied', zoals benoemd in de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente. In dit gebied wordt de aanwezigheid van bepaalde risicobronnen als vanzelfsprekend gezien. Door historische ontwikkelingen heeft er een menging van verschillende activiteiten plaatsgevonden. Bestaande risicovolle activiteiten die hiermee samenhangen zijn toegestaan. Nieuwe risicovolle activiteiten zijn alleen toegestaan voor zover expliciet aangegeven. Ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicovolle infrastructuur zijn eveneens toegestaan, mits wordt voldaan aan de normen en de verantwoordingsplicht. Voor het gebiedstype 'gemengd gebied' is onderstaand afwegingskader opgenomen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 7: Afwegingskader gebiedstype 'gemengd gebied' uit de beleidsvisie externe veiligheid Veghel Afwegingskader 'gemengd' m.b.t. plaatsgebonden risico •
•
Beperkt kwetsbare objecten, waarvoor richtwaarden gelden in plaats van grenswaarden, mogen in nieuwe situaties nergens binnen de PR 10-6-contour van een bedrijf of transportas liggen. Voor bestaande situaties geldt het stand-still principe, bijvoorbeeld uitbreiding van risicovolle activiteiten mag niet leiden tot grotere risico-afstanden.
Afwegingskader 'gemengd' m.b.t. groepsrisico • •
Overschrijding van de oriënterende waarde van het GR wordt niet geaccepteerd. Binnen het invloedsgebied worden geen objecten voor verminderd zelfredzame personen toegestaan.
Het plan voldoet aan het afwegingskader 'gemengd' uit de beleidsvisie. Er is dan ook geen sprake van strijd met de beleidsvisie. Verantwoording groepsrisico In het kader van de bestemmingsplannen ‘Veghels Buiten – Oude Ontginning 2015’ en ‘Veghels Buiten – Erpseweg Zuid 2016’ is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld. Binnen het plangebied bevinden zich verschillende risicobronnen. Het betreft routes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en een aantal gasleidingen. Daarnaast ligt net buiten het plangebied voor de Oude Ontginning een tankstation waar verkoop van LPG plaatsvindt. De ontwikkelingen die worden mogelijk gemaakt met de bestemmingsplannen Oude Ontginning en Erpseweg Zuid hebben niet tot nauwelijks gevolgen voor de hoogte van het groepsrisico. In alle gevallen wordt ruimschoots voldaan aan de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. De zelfredzaamheid van de bewoners binnen het plangebied kan als normaal worden beoordeeld. Als het gaat om de bestrijdbaarheid van een eventuele calamiteit zijn er geen aandachtspunten. De risico’s binnen het gebied worden aanvaardbaar geacht. De toevoeging van een drietal woningen hebben niet tot nauwelijks gevolgen voor de hoogte van het groepsrisico. Conclusie Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor het plan.
9.8
Duurzaam en slim bouwen
Onderhavige ontwikkeling ziet op de bouw van een viertal nieuwe woningen. Bij de bouw zal gebruik worden gemaakt van duurzame materialen en energiebesparende maatregelen worden toegepast.
40
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
9.9
Gezondheid
Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 kilometer van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Gezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan. Handreiking veehouderij en volksgezondheid Er is niet getoetst aan de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018). Deze handreiking bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Deze handreiking is niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling omdat onderhavige situatie niet ziet op de ontwikkeling van een veehouderij.
Stap 1: endotoxine Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De projectlocatie ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
Stap 2: emissies De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak.
Stap 3a: geur, toetsen aan aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan (zowel voor wat betreft geurnormen als vaste afstanden); er is geen sprake van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond en/of achtergrond). Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Stap 3b: geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde In de beoogde situatie wordt aan de gezondheidskundige advieswaarde voldaan; de meest nabijgelegen veehouderijen liggen op ruime afstand van de ontwikkeling (minstens 80 meter).
Stap 4a: houden meerdere diersoorten binnen één veehouderij De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie meer dan 500 meter.
Stap 5: Afstand tot geitenhouderijen, pluimveehouderijen Binnen 2 kilometer van de projectlocatie zijn geen geitenhouderijen gelegen. Op een afstand van circa 1.800 meter is een pluimveehouderijbedrijf gelegen (Vogelenzang). Echter, gelet op de ruime afstand en de zuidoostelijke ligging ten opzichte van de projectlocatie wordt niet verwacht dat er negatieve effecten bestaan vanuit de veehouderij op de ontwikkeling. Binnen een afstand van 250 meter zijn een tweetal melkrundveehouderijen gelegen, te weten Kruigenstraat 1 en Kruijgenstraat 3. Voldaan wordt aan de afstanden met betrekking tot geur, stof en geluid.
Stap 6: mestbe- en -verwerking Er is geen sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. 41
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Stap 7: ongerustheid Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Conclusie: er wordt voldaan aan het stappenplan uit de Handreiking voldaan. Er hoeft geen GGD-advies te worden opgevraagd. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 kilometer van de projectlocatie zijn geen geitenhouderijen gelegen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Gezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan.
42
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
10. Bedrijven en voorzieningen 10.1 Bedrijven en milieuzonering Er dient voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende en hindergevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de woon- en leefkwaliteit. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) geeft per bedrijfsactiviteit richtafstanden met betrekking tot geur, fijn stof, geluid en gevaar die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen in de directe omgeving van een ruimtelijke ontwikkeling binnen aanvaardbare normen te houden. De afstanden gelden in principe tussen enerzijds de grens van de perceelsgrens van het bedrijf (bestemmingsvlak) en anderzijds de perceelsgrens van een hindergevoelig object (bestemmingsvlak). De volgende figuur toont de bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied.
Plangebied
Langsteeg 5 Rundvee-en schapenhouderij
Kruigenstraat 3 melkveehouderij
Figuur 22: Ligging bedrijfsactiviteiten rondom plangebied (plangebied rood omkaderd)
De volgende tabel toont de richtafstanden die horen bij deze bedrijfsactiviteiten.
43
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Tabel 8: Richtafstanden op basis van ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG) Categorie bedrijvigheid Indices en richtafstanden (m) Langsteeg 5 Veghel (rundvee- en schapenhouderij) Landbouw en dienstverlening t.b.v. de landbouw Geur Stof Geluid Fokken en houden van rundvee 100 30 30 Fokken en houden van overige graasdieren 50 30 30 Kruigenstraat 3 Veghel Landbouw en dienstverlening t.b.v. de landbouw Fokken en houden van rundvee 100 30 30
Werkelijke afstand tot plangebied (m) Gevaar 0 0
320
0
80
Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden; uitzondering vormt de richtafstand voor het aspect geur bij de veehouderij Kruigenstraat 3. Echter, zoals reeds beschreven in paragraaf 9.6 (geurhinder) vormt het aspect geur geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
44
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
11. Verkeer 11.1 Huidige en verkeersstructuur In de huidige situatie wordt het plangebied ontsloten via een inrit, aan het Ham. Dit betreft een 60 km/uurweg waar zich zowel bestemmingsverkeer als doorgaand verkeer bevindt.
11.2 Nieuwe verkeersstructuur In de beoogde situatie wijzigt de ontsluitingssituatie van het plangebied. Het plangebied wordt in de beoogde situatie middels één inrit ontsloten. De inrit zal echter elders binnen het plangebied worden gesitueerd.
11.3 Verkeersaantrekkende werking De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een significante toename van verkeersbewegingen van en naar het bedrijf. Voor het plangebied geldt dat het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van de veehouderij hoger ligt dan de verkeersbewegingen die een woonbestemming met zich meebrengt. In totaal betreft het aantal dagelijkse verkeersbewegingen in de beoogde situatie 40 (10 per woning).
11.4 Parkeren Het uitgangspunt ten aanzien van parkeren is dat parkeren in beginsel moet plaatsvinden op eigen terrein. Uitgegaan wordt van de parkeernormen zoals opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’. Voor het plangebied geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per vrijstaande koopwoning (zone ‘Buitengebied). In totaal dienen 10 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Het Kwaliteitshandboek Oude Ontginning geeft over het aspect parkeren aan dat parkeren voor de bewoners plaatsvindt in collectief gebouwde voorzieningen. Er mogen meer parkeerplaatsen worden aangelegd dan de geldende parkeernorm of parkeerbalans aangeeft. Al het parkeren, met uitzondering van bezoekersparkeren, dient te worden opgenomen in een collectieve parkeerschuur. Bezoekers parkeren bij voorkeur in de parkeerschuur of geclusterd -op het erf. Er wordt geen markering op het erf aangebracht. In de beoogde situatie worden een parkeerschuur gerealiseerd waarin ruimte is voor het parkeren van acht voertuigen. Daarnaast worden op het buitenterrein nog twee parkeerplaatsen aangelegd. Daarmee wordt voldaan aan de geldende parkeernorm. Hierin is het bezoekersparkeren verwerkt. De volgende figuur toont de ligging van de parkeerplaatsen.
45
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Parkeerplaatsen (2 parkeerplaatsen)
Parkeerschuur (8 parkeerplaatsen)
Figuur 23: Ligging parkeergelegenheden
46
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
12. Juridische planopzet 12.1 Algemene opzet Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) naar het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: • De toelichting: een planbeschrijving die een verantwoording van de gemaakte keuzes, een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten bevat; • De bestemmingsregels: waarin de bestemmingen en daarbinnen geldende mogelijkheden zijn uitgewerkt; • De verbeelding, die de rol heeft van visualisering van de bestemmingen.
12.2 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). Deze vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.
12.3 Bestemmingen op de verbeelding De volgende bestemmingen en aanduidingen zijn opgenomen in de verbeelding: • Wonen – 2 (enkelbestemming); • Agrarisch (enkelbestemming); • Groen (enkelbestemming); • Waarde - Archeologie (dubbelbestemming); • Bouwvlak; • Waterberging (functieaanduiding); • Milieuzone – boringsvrije zone (gebiedsaanduiding). • Maximum aantal wooneenheden (vier).
12.4 Toelichting op de regels Voor onderhavig bestemmingsplan gelden dezelfde regels als de regels van het plan ‘Veghels Buiten – Oude Ontginning 2015’ van de voormalige gemeente Veghel. Hier wordt op aangesloten.
47
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
13. Economische uitvoerbaarheid Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wro rust op de gemeente de verplichting tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan, is opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Uit dit artikel blijkt dat onder een bouwplan onder andere wordt verstaan de bouw van hoofdgebouwen van een oppervlak van 1.000 m² of meer. De te verhalen kosten worden limitatief opgesomd in artikelen in de kostensoorten lijst (art. 6.2.4 Bro). Voor het voorliggend bestemmingsplan maakt de gemeente alleen kosten voor het begeleiden van het plan. De noodzakelijke onderzoeken zijn al voor rekening van de aanvrager uitgevoerd. Met initiatiefnemers is een anterieure ontwikkelingsovereenkomst gesloten. In de overeenkomst zijn ontwikkelvoorwaarden (waaronder planschade) opgenomen.
48
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
14. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan doorloopt als ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk bestemmingsplan de volgende procedure conform artikel 3.6 van de Wet op de ruimtelijke ordening: 1)
Voorbereiding en vooroverleg met diensten van rijk, provincie en waterschap; Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. De initiatiefnemer heeft het voornemen kenbaar gemaakt aan de omwonenden en hen op de hoogte gesteld van de plannen. De formulieren van de zorgvuldige dialoog zijn als bijlage bijgevoegd.
2)
Ontwerp: het ontwerp-bestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd, waarbinnen eenieder zienswijzen kan indienen. Naar aanleiding van de binnengekomen zienswijzen wordt het plan waar nodig aangepast.
3) Vaststelling: de gemeenteraad stelt vervolgens het bestemmingsplan vast, waarna het wederom voor een periode van 6 weken ter inzage wordt gelegd en waarop indieners van zienswijzen beroep kunnen instellen bij de Raad van State.
49
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Bijlage 1
Stedenbouwkundige opzet
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten – Erpseweg Zuid 2016, herziening Ham 4’
1928
1929 1943
1927 1926
1998
1925 1944 2138
1369
512 511 1516
entreewoning 1090m2
erfwoning 960m2
513 414 erfwoning 1090m2
Parkeer schuur
2345
1517 erfwoning 1080m2
415 2347
2349 2356
AANPASSING
2355 2350
KADASTRALE KAART - -CONCEPTVERKAVELING HUIDIGE SITUATIE
2352
Gemeente Meierijstad Ham 4, Veghel Datum: Status: Opgesteld door: Formaat: Schaal: 0m
1278
10 m
2073 16-07-2020
Studie Jeroen Sprangers MSc. A3
2075
2074
2403
1:1000 100m 2418 2428 2414 2374
2435
2405
entreewoning 1090m2
erfwoning 960m2
erfwoning 1090m2
Parkeer schuur
erfwoning 1080m2
AANPASSING TOPOGRAFISCHE KAART
- HUIDIGE SITUATIE CONCEPTVERKAVELING
Gemeente Meierijstad Ham 4, Veghel Datum: Status: Opgesteld door: Formaat: Schaal: 0m
10 m
16-07-2020
Studie Jeroen Sprangers MSc. A3 1:1000 100m
Bijlage 2
Landschappelijk inpassingsplan
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten – Erpseweg Zuid 2016, herziening Ham 4’
HAM 4 VEGHEL LANDSCHAPSPLAN 16 JULI 2020
COLOFON
INHOUDSOPGAVE
Titel document: Ham 4 Veghel
1 INLEIDING
3 3 4 4
2 HUIDIGE SITUATIE
5 5 6
3 PLANVOORNEMEN
7 7 8
4 LANDSCHAP
9 9 10
5 ECOLOGIE
11 11 17
6 LANDSCHAPSPLAN
19 24
7 CONCLUSIE
28 28 28
BIJLAGE I fruitbomen BIJLAGE II bijenmengsel BIJLAGE III landschapsplan
30
Datum: 16 juli 2020 Status: Landschapsplan Document: Enkelzijdig A4 liggend Opdrachtgever: Bouwzaken Opeel B.V. Elzen 6A 5427 RC Boekel
Auteur/Adviseur Van Dooren Landschap Derpt 15 4576 VW Vorstenbosch T: 06-26949922 M: Marcel@VanDoorenLandschap.nl
1.1 1.2 1.3
2.1 2.2
3.1 3.2
4.1 4.2
5.1 5.2
6.1
7.1 7.2
2
Doel Locatie Leeswijzer
Landschap Ecologie
Stedenbouwkundig plan Sloop en behoud
Historie Beleid gemeente
Habitat Maatregelen
Beplanting
Kwaliteitshandboek flora en fauna
31 32
1 INLEIDING 1.1
Doel
Initiatiefnemer is eigenaar van de locatie Ham 4 te Veghel. Het huidige perceel is in gebruik ten behoeve van een veehouderijbedrijf met een bedrijfswoning, enkele agrarische stallen en een veldschuur. Het voornemen is deze gebouwen te slopen en een viertal woningen met een parkeerschuur binnen het plangebied te realiseren. Deze omvorming past binnen de gemeentelijke visie ‘Veghels Buiten’. In verband met de bestemmingsplanprocedure en de sloopvergunning is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de aanwezigheid van beschermde soorten flora en fauna en de mogelijke effecten van de voorgenomen plannen hierop. Staro uit Gemert heeft in januari 2020 een quickscan uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt een vermoeden dat diverse beschermde diersoorten op het huidige perceel voorkomen. Voor de sloop en het verwijderen van de bestaande bebouwing, verharding en beplanting zal voor deze beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming bij de provincie een ontheffing moeten worden aangevraagd. Voor de ontheffing zal een mitigatie- en activiteitenplan moeten worden opgesteld ten behoeve van deze beschermde soorten.
Aanduiding plangebied op topografische ondergrond in paars (bron Topotijdreis.nl)
Van Dooren Landschap is gevraagd in samenwerking met diverse locale natuurinstanties een mitigatieplan voor de beschermde soorten op te stellen, om de beoogde herontwikkeling van het plangebied procedureel mogelijk te maken. Deze maatregelen hebben met name invloed op het landschappelijke deel van de ontwikkeling. Onderhavig landschapsplan is een uitwerking hiervan. Parallel hieraan zal een Aanduiding plangebied op luchtfoto met kadastrale ondergrond in paars (bron PDOK.nl)
3
ecologisch onderzoeksbureau het vervolgonderzoek uitvoeren conform de gestelde protocollen. Dit is noodzakelijk om uit te sluiten welke beschermde soorten aanwezig zijn. Daaruitvolgend zal een activiteitenplan opgesteld worden om de sloop uit te kunnen voeren.
1.2
en uiteindelijk uitgewerkt met een beplantings- en beheerplan. Hoofdstuk 7 geeft een conclusie hoe is omgegaan met de kaders uit het beleid en de maatregelen voor de verschillende beschermde soorten.
Locatie
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. De locatie Ham 4 is gelegen op een afstand van circa 640 meter van de kern Veghel. Kadastraal staan de percelen waaruit het plangebied bestaat bekend als gemeente Veghel, sectie N, nummers 414 en 415. Het plangebied wordt aan de west-, noord- en oostzijde begrensd door agrarische gronden. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de weg Ham.
1.3
Beeld 1. bedrijfswoning
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 biedt informatie over de huidige situatie, zowel landschappelijk als de ecologische waarde conform de quickscan flora en fauna. Hoofdstuk 3 beschrijft het planvoornemen met het stedenbouwkundig plan. Het landschapstype waarin het plangebied ligt en de visie van de gemeente Meierijstad wordt toegelicht in hoofdstuk 4. Uit de quickscan zijn enkele beschermde soorten benoemd. Aan de hand van bureauonderzoek en veldwerk met betrokkenen van lokale natuurorganisaties is in hoofdstuk 5 een beschrijving gegeven van de verschillende dieren. Hieruit volgen maatregelen die effect hebben op het landschapsplan. Dit plan wordt toegelicht in hoofdstuk 6 in woord en beeld Beeld 2. oude varkensstal
4
Beeld 3. veldschuur
2 HUIDIGE SITUATIE 2.1
Landschap
Het plangebied wordt aan de noord-, oost en westzijde omgeven door agrarisch gebied. Aan de zuidzijde wordt het ontsloten via de straat Ham. De straat Ham is een landelijke straat met asfaltverharding en aan beide zijde greppels en laanbomen van voornamelijk eikenbomen in een onregelmatig patroon. Nabij de planlocatie word de bomenlaan onderbroken. Rechts naast de inrit staan twee oude knotlindes (op gemeentegrond). Vermoedelijk een erfrestant van een voormalige woonboerderij die hier gestaan heeft. Het erf wordt ontsloten via één inrit ten zuidoosten van de bedrijfswoning. Links van de inrit staat de bedrijfswoning. Deze woning is gebouwd in 1976 ter vervanging van de woonboerderij die naast deze woning gestaan heeft. Rondom de bedrijfswoning ligt een verwaarloosde tuin met voornamelijk uitheemse beplanting, zoals laurier en coniferen.
Beeld 4. bedrijfswoning en straat Ham
Achter de bedrijfswoning staan 3 stallen en een veldschuur (die deels als stal is gebruikt). De schuren zijn éénlaagse objecten met zadeldak van dakplaten. De schuren en bedrijfswoning zijn in slechte staat, door achterstallig onderhoud. Op het terrein staan enkele inheemse landschapsbomen. Op noordgrens een berk en esdoorn. Op de oostgrens in het weiland een berk en naast de inrit een markante notenboom.
Beeld 5. zijtuin bedrijfswoning
5
Beeld 6. vanaf de inrit richting straat Ham met bestaande notenboom
2.2
Ecologie
Binnen het plangebied heeft een flora- en fauna inspectie plaatsgevonden door Staro uit Gemert. De resultaten van de inspectie zijn gerapporteerd in ‘Quickscan flora en fauna Ham 4 te Veghel januari 2020’. Door middel van deze scan is in beeld gebracht of de ontwikkeling in strijd is met de ‘Wet natuurbescherming‘ en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden. Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de ‘Wet natuurbescherming’een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. Er zijn verstoringen als gevolg van deze ontwikkeling voor bepaalde soorten die een permanent karakter hebben (denk aan verblijfplaatsen voor bepaalde dieren). Voor deze soorten worden mitigerende maatregelen genomen en verwerkt in het landschapsplan. Naast de planmatige maatregelen zullen er ook ontheffingen moeten worden aangevraagd. Deze worden gegund door de overheid, indien vervolgonderzoek wordt uitgevoerd conform ‘het protocol van Netwerk Groene Bureaus’. Deze onderzoeken kunnen in bepaalde periodes in het jaar worden uitgevoerd door ecologische bureaus. Dit zal parallel aan deze planvorming plaatsvinden. Het onderzoek zal pas afgerond zijn rond augustus/september 2020.