bestemmingsplan Veghels Buiten herziening Ham 4
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan Veghel Buiten, herziening Ham 4 NL.IMRO.1948.VHL004BP0012020P-ON01
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Plangebied Ham 4 te Veghel Plannaam Veghel Buiten – Erpseweg Zuid 2016, herziening Ham 4 Projectnummer BRA10.RO01 Datum en versie 25 januari 2021, versie 3 Opdrachtgever Bouwzaken Opeel B.V. Elzen 6a 5427 RC Boekel Opgesteld door Agron Advies B.V. Pastoor van Schijndelstraat 33a 5469 PS Boerdonk Tel: 0492-347761 Email: info@agronadvies.nl
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Inhoud 1. 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Achtergrond en doel van het plan Ligging en begrenzing van het plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
1 1 1 2 3
2. 2.1 2.2
Beschrijving bestaande situatie Huidige situatie omgeving Huidige situatie plangebied
4 4 4
3. 3.1 3.2
Visie op het plangebied Doel en hoofdlijnen Beschrijving van de planontwikkeling
6 6 6
4. 4.1 4.2 4.3
Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
8 8 9 14
5. 5.1 5.2 5.3
Cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorie Monumenten Archeologie
16 16 17 17
6. 6.1 6.2
Groenstructuur en natuur Groenstructuur plangebied Wet natuurbescherming
20 20 22
7. 7.1 7.2 7.3 7.4
Water Waterbeleid Oppervlaktewater Grondwater Afvoer hemelwater
26 26 27 28 29
8. 8.1 8.2 8.3 8.4
Fysieke belemmeringen Kabels en leidingen Radarverstoringsgebied Hoogspanningslijnen Spuitzones gewasbescherming
30 30 30 30 30
9. 9.1 9.2 9.3 9.4 9.5 9.6 9.7 9.8 9.9
Milieuhygiënische verantwoording. Inleiding M.e.r.-beoordeling Bodem Geluid Luchtkwaliteit Geur Externe veiligheid Duurzaam en slim bouwen Gezondheid
31 31 31 31 32 33 34 37 40 41 Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
10. 10.1
Bedrijven en voorzieningen Bedrijven en milieuzonering
43 43
11. 11.1 11.2 11.3 11.4
Verkeer Huidige en verkeersstructuur Nieuwe verkeersstructuur Verkeersaantrekkende werking Parkeren
45 45 45 45 45
12. 12.1 12.2 12.3 12.4
Juridische planopzet Algemene opzet Toelichting op de verbeelding Bestemmingen op de verbeelding Toelichting op de regels
47 47 47 47 47
13.
Economische uitvoerbaarheid
48
14.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
49
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10
Stedenbouwkundige opzet Landschappelijk inpassingsplan Invoergegevens en resultaten berekening V-Stacks Gebied Rapportage verkennend bodemonderzoek Verslag omgevingsdialoog Aerius berekeningen Besluit vormvrije m.e.r.-beoordeling Rapportage flora- en faunaonderzoek Rapportage akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Rapportage archeologisch onderzoek
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
1. Inleiding 1.1
Achtergrond en doel van het plan
Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld op initiatief van Bouwzaken Opeel BV, eigenaar van de locatie Ham 4 te Veghel (hierna: het plangebied). Het plangebied is in gebruik ten behoeve van een veehouderijbedrijf. Binnen het plangebied is een bedrijfswoning gelegen met daarbij agrarische bedrijfsgebouwen. Het voornemen bestaat uit het slopen van de agrarische bedrijfsgebouwen en de sloop van de aanwezige agrarische bedrijfswoning. Daarnaast wil de initiatiefnemer deze woning verplaatsen binnen het bouwvlak en in gebruik nemen als burgerwoning. Verder bestaat het voornemen uit het ontwikkelen van een drietal woningen binnen het plangebed. In totaal worden binnen het plangebied vier woningen gerealiseerd. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad heeft in november 2019 besloten om in principe en onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de beoogde herontwikkeling. Om de beoogde herontwikkeling daadwerkelijk mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld om de beoogde herontwikkeling van het plangebied mogelijk te maken.
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. De locatie Ham 4 is gelegen op een afstand van circa 640 meter van de kern Veghel. Kadastraal staan de percelen waaruit het plangebied bestaat bekend als gemeente Veghel, sectie N, nummers 414 en 415. Het plangebied wordt aan de west-, noord- en oostzijdezijde begrensd door agrarische gronden. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de weg Ham. De volgende figuren geven een impressie van de ligging van het plangebied in relatie tot de omgeving.
1
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Figuur 1: Topografische kaart ligging plangebied (plangebied rood omkaderd)
Figuur 2: Luchtfoto locatie plangebied (plangebied rood omkaderd)
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Op de locatie Ham 4 te Veghel is een (voormalige) rundvee- en varkenshouderij gevestigd. De bedrijfsvoering is grotendeels beëindigd; de bedrijfswoning en de stallen zijn nog aanwezig. 2
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Op de locatie is het bestemmingsplan ‘Veghels Buiten – Erpseweg Zuid 2016’ van de (voormalige) gemeente Veghel van toepassing (vastgesteld op 20 oktober 2016). De locatie heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch’ met een bouwvlak van circa 1,5 hectare. Verder is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ gelegen over een deel van het bouwvlak. Daarnaast is de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – boringsvrije zone’ van toepassing.
Figuur 3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Veghels Buiten – Erpseweg Zuid 2016’
De ontwikkeling kan niet mogelijk worden gemaakt middels een wijzigingsplan, aangezien in het bestemmingsplan geen wijzigingsbevoegdheid is opgenomen ten behoeve van de ontwikkeling van woningen binnen een agrarische bestemming.
1.4
Leeswijzer
De voorliggende toelichting vormt de basis voor het bestemmingsplan voor het plangebied. Deze maakt de planologische inpassing mogelijk van de beoogde ontwikkeling. Het bestemmingsplan is vervat in een verbeelding en regels en gaat vergezeld van een toelichting. Op de verbeelding zijn onder meer de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. De regels omvatten de bestemmingsbepalingen van de verschillende bestemmingen die in het plangebied voorkomen. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het plan; de toelichting is van belang als beleidsdocument.
3
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
2. Beschrijving bestaande situatie 2.1
Huidige situatie omgeving
Het plangebied wordt aan de west-, noord- en oostzijde begrensd door agrarische gronden. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door het Ham. De locatie is gelegen binnen het gebied ‘Veghels Buiten’, een nieuwbouwplan voor woningbouw aan de zuidoostkant van Veghel waarmee de (toenmalige) gemeente Veghel in 2008 is gestart. Deze uitbreiding bestaat uit twee delen: de Oude Ontginning en de Nieuwe Ontginning. Voor Veghels Buiten is een Masterplan vastgesteld (mei 2008) waarin de visie op de ontwikkeling van beide plandelen is opgenomen. Dit Masterplan voor het eerste deelgebied van het plandeel Nieuwe Ontginning is vertaald in het bestemmingsplan ‘Veghels Buiten - Erpseweg Zuid’ (maart 2012), dat vanwege ontwikkelingen in de woningbouwmarkt is herzien in ‘Veghels Buiten - Erpseweg Zuid 2016’. Het open landschap van het plangebied kent een agrarisch gebruik en is met name in gebruik als weidegrond. Door economische en maatschappelijke oorzaken neemt de rol van de agrarische sector in het plangebied af. Deze ontwikkeling is een van de redenen waarom de gemeente het initiatief heeft genomen om de Nieuwe Ontginning als onderdeel van Veghels Buiten om te vormen tot extensief woongebied. De locatie Ham 4 was in het bestemmingsplan weergegeven als agrarisch bedrijf dat vooralsnog bleef gehandhaafd in het gebied.
Hoewel de locatie officieel onderdeel uitmaakt van het plangebied ‘Erpseweg-Zuid’, sluit de locatie qua aard en karakter beter aan bij de karakteristieken van het westelijk gelegen plangebied ‘Oude Ontginning’. Derhalve dient bij de ruimtelijke indeling van de kavel en het ontwerp van de woningen aansluiting te worden gezocht bij de uitgangspunten en voorwaarden zoals opgenomen in het kwaliteitshandboek ‘Veghels Buiten – Oude Ontginning 2015’.
2.2
Huidige situatie plangebied
Binnen het plangebied is een veehouderij gevestigd. Er wordt beschikt over een vergunning voor het houden van vee. Het agrarische bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 1,5 hectare. Op de locatie is de volgende bebouwing aanwezig: • Bedrijfswoning: circa 100 m²; • Veestallen: vier in totaal met een totale oppervlakte: circa 2.015 m²; De volgende figuur toont de ligging van de bebouwing.
4
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Agrarisch bedrijfsgebouw
Agrarisch bedrijfsgebouw
Agrarisch bedrijfsgebouw Bedrijfswoning
Agrarisch bedrijfsgebouw
Vigerend bouwvlak
Figuur 4: Bestaande situatie plangebied
Voor de veehouderij is op 20 juli 2010 een omgevingsvergunning verleend. De volgende tabel geeft een weergave van de vergunde situatie. Tabel 1: Overzicht situatie 20 juli 2010 Diersoort Zoogkoeien ouder dan 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Vleesstieren en overig vleesvee van 6 tot 24 maanden Schapen ouder dan 1 jaar Gespeende biggen Kraamzeugen Guste en dragende zeugen Dekberen
RAV-code omschrijving stalsysteem A 2.100 Overige huisvestingssystemen A 3 Diercategorie vrouwelijk jongvee tot 2 jaar A 4.100 B 1.100 D 1.1.100 Overige huisvestingssystemen D 1.2.100 Overige huisvestingssystemen D 1.3.100 Overige huisvestingssystemen D 2.100 Overige huisvestingssystemen
Vleesvarkens
D 3.100 Overige huisvestingssystemen
49
Volwassen paarden
K 1.100
14
5
Aantal dieren 20 100 12 25 350 25 75 4
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
3. Visie op het plangebied 3.1
Doel en hoofdlijnen
Het voornemen is om de agrarische activiteiten gerelateerd aan de veehouderij aan het Ham 4 te beëindigen en de aanwezige opstallen inclusief de bestaande bedrijfswoning te slopen. Binnen het perceel bestaat het voornemen uit het oprichten van een viertal woningen (waaronder de te herbouwen bedrijfswoning). De bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Wonen’ en het bouwvlak wordt verkleind. Voor de wijziging van de bestemming dient een herziening van het bestemmingsplan te worden opgestart.
3.2
Beschrijving van de planontwikkeling
Inleiding De planontwikkeling bestaat uit het slopen van de aanwezige opstallen binnen het plangebied. De bestaande bedrijfswoning wordt binnen het plangebied herbouwd en in gebruik genomen als burgerwoning. De extra woningen worden gerealiseerd in samenhang met de sloop van de ter plaatse aanwezige stallen en de ontwikkeling van nieuwe natuur ter plaatse. Een inrichtingsschets is opgesteld voor de beoogde situatie van het plangebied na herontwikkeling. De volgende figuren geven de inrichtingsschets en impressies van de beoogde situatie weer.
Figuur 5: Inrichtingsschets
Bebouwing Ter plaatse van het plangebied is thans nog sprake van circa 2.015 m² aan stallen ten behoeve van de veehouderij. Ten behoeve van de beoogde woningen dienen deze gesaneerd te worden.
6
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
De beoogde extra woningen zijn toegestaan op grond van artikel 3.43 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het betreffen namelijk woningen gelegen in het gebied ‘Verstedelijking afweegbaar’. In de Verordening ruimte Noord-Brabant waren deze gebieden aangeduid als ‘integratie stad-land’. Hierin is geregeld dat een bestemmingsplan kan voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling onder voorwaarden. Onder voorwaarde van de sloop van de agrarische opstallen en het intrekken van de omgevingsvergunning voor 132 stuks rundvee, 25 schapen, 503 varkens en 14 paarden kan er worden meegewerkt aan de realisatie van drie woningen (naast de herbouw van de bedrijfswoning) en een parkeerschuur. Twee woningen dienen dan als compensatie voor de sloop. De derde woning is voorstelbaar mits deze als voormalig agrarisch bouwvlak buiten de woningbouw gebruikt wordt voor landschappelijke kwaliteitsverbetering in het kader van een extra kwaliteitsimpuls voor de rood-met-groen-koppeling. De woningen dienen te voldoen aan de kaders uit het Kwaliteitshandboek Oude Ontginning. Stedenbouwkundig opzet Hoewel de locatie officieel onderdeel uitmaakt van het plangebied ‘Erpseweg-Zuid’, sluit de locatie qua aard en karakter beter aan bij de karakteristieken van het westelijk gelegen plangebied ‘Oude Ontginning’.
Derhalve dient bij de ruimtelijke indeling van de kavel en het ontwerp van de woningen aansluiting te worden gezocht bij de uitgangspunten en voorwaarden zoals opgenomen in bestemmingsplan ‘Oude ontginning’ en het kwaliteitshandboek ‘Veghels Buiten – Oude Ontginning 2015’. Hierin vormt het landschap van de Oude Ontginning de leidraad waar nieuwe ontwikkelingen binnen moeten passen. Om aan te sluiten bij het karakter van de Oude Ontginning van kronkelige linten, verdraaid liggende lage bebouwing en doorzichten, wordt doorgeborduurd op het van oudsher bouwen op de achtererven van het ‘ouderlijk’ huis. In het kwaliteitsboek zijn de nieuw toe te voegen woningen in de Oude Ontginning geclusterd in zogenoemde ontwikkelingsvlekken. Deze ontwikkelingsvlekken zijn veelal gesitueerd op achtererven aan bestaande linten. Uitgangspunt bij de ontwikkelingsvlekken is dat deze worden omzoomd door een greppel en een houtsingel. Hiermee wordt een goede landschappelijke inpassing van de ontwikkelingsvlekken beoogd. In het kader van de provinciale rood-met-groen regeling wordt de groene mal gebruikt om de stedelijke functies in de ontwikkelingsvlekken gepaard te laten gaan met verbetering en versterking van het landschap en het recreatieve medegebruik hiervan. In het ‘Kwaliteitshandboek Oude Ontginning’ worden de betrokken kwaliteiten van natuur en landschap beschreven.
De groene mal is een onlosmakelijk onderdeel van de stedenbouwkundige hoofdopzet van de Oude Ontginning. Bij de inrichting en beheer van de groene mal en de overige buitenruimte zijn de regels van het ‘Kwaliteitshandboek Oude Ontginning’ van toepassing. In de Oude Ontginning wordt uiteindelijk gestreefd naar een informele, stoere, landelijke sfeer. Bij de uitwerking van de indeling van het perceel en de uiterlijke verschijningsvorm van de woningen worden dan ook bovenstaande uitgangspunten en aanvullende eisen (qua materialisering en beeldkwaliteit) uit het kwaliteitsboek aangehouden. Landschappelijke inpassing De ontwikkeling wordt op een zorgvuldige manier landschappelijk ingepast, waarbij de uitgangpunten uit het hiervoor beschreven kwaliteitsboek in acht worden genomen. Voor een beschrijving van de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar paragraaf 6.1.2.
7
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
4. Beleidskader 4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Deze visie vervangt een aantal nationale nota’s, waaronder de Nota Ruimte. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke beleid en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: • De concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken (door het creëren van een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat); • De bereikbaarheid verbeteren; • Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De functiewijziging van veehouderij naar een woonbestemming zorgt voor een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving. Onderhavige ontwikkeling ondersteunt een leefbare en veilige leefomgeving.
Verder schept de SVIR geen directe kaders voor de beoogde ontwikkeling en andersom vormt onderhavige ontwikkeling geen belemmering voor de belangen zoals die zijn gesteld in de landelijke structuurvisie. 4.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 1 oktober 2012 is aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), waarin rijksregels ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van Nederland zijn verzameld, een aantal onderwerpen toegevoegd. Het gaat onder andere om de ecologische hoofdstructuur (momenteel Natuurnetwerk Nederland), elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen. Het Barro bevat geen relevante regels die invloed uitoefenen op onderhavig plan. 4.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking (art.3.1.6. lid 2 Besluit ruimtelijke ordening) is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De ladder moet verplicht worden toegepast bij ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling (wonen, werken, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen) mogelijk maken. Sinds 1 juli 2017 is de gewijzigde Ladder van toepassing (besluit tot wijziging Bro). Een van de wijzigingen betreft een vereenvoudiging door het loslaten van de afzonderlijke ‘treden’ en het vervangen van het begrip ‘actuele regionale behoefte’ door ‘behoefte’. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt voor de wijziging is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. In de Nota van Toelichting bij het besluit wordt opgemerkt dat ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen, niet gezien worden als 8
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Ook bij een substantiële functiewijziging dient aan de ladder te worden getoetst. Bij een ontwikkeling dient dan ook te worden beoordeeld of deze substantieel is. Onderhavig plan ziet op een functiewijziging. Echter, de wijziging van agrarisch naar wonen wordt niet beschouwd als substantieel. Deze wijziging wordt dan ook niet beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. Daarnaast wordt de bouw van een drietal (extra) woningen ook niet als stedelijke ontwikkeling beschouwd. Verdere toetsing aan de Ladder kan dan ook buiten beschouwing blijven.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant (‘De kwaliteit van Brabant; Visie op de Brabantse Leefomgeving’) vastgesteld. De Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving en bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren (tot 2050). Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De reden voor het opstellen van een Omgevingsvisie is de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking treedt. In de Omgevingswet voegt het Rijk alle regels voor de fysieke leefomgeving samen; over ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De nieuwe wet zorgt voor minder en overzichtelijke regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. De wet verplicht provincies en gemeenten een visie op de leefomgeving te ontwikkelen. Die visie is zelfbindend, dat wil zeggen dat een overheidslaag zich aan haar eigen visie moet houden. Een overheid kan de keuzes uit de Omgevingsvisie vastleggen in regels, de Omgevingsverordening.
Aan die regels moeten overheden, bedrijven en burgers zich houden. De Omgevingsvisie schept geen directe kaders voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied en andersom vormt onderhavige ontwikkeling geen gevaar voor de belangen zoals die zijn gesteld in de visie. 4.2.2
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld (geconsolideerd per 1 maart 2020), vooruitlopend op de Omgevingswet. Deze wet vervangt 26 wetten en verschillende regelsystemen op nationaal niveau. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Het doel van deze verordening is het bij elkaar brengen van alle regels (uit een aantal provinciale verordeningen) over de fysieke leefomgeving in één verordening. Deze verordening vervangt onder andere de Verordening ruimte Noord-Brabant. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. Er heeft daarom ook geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moet worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. Het plangebied is volgens de bijbehorende kaart gelegen binnen ‘landelijk gebied’ en in ‘verstedelijking afweegbaar’ en ‘boringsvrije zone’.
9
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Figuur 6: Uitsnede verbeelding Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, stedelijke ontwikkeling en erfgoed (plangebied rood omkaderd)
Figuur 7: Uitsnede verbeelding Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen (plangebied rood omkaderd)
De volgende regels uit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn van toepassing op onderhavig initiatief: De volgende regels zijn van toepassing op onderhavig initiatief: • Artikel 2.18 Regels voor activiteiten in de bodem boringsvrije zone; • Artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; • Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik; • Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; • Artikel 3.43 Afwijkende regels verstedelijking afweegbaar; • Artikel 3.68 Wonen in landelijk gebied; 10
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
•
Artikel 3.69 Afwijkende regels voor wonen.
Regels voor activiteiten in de bodem boringsvrije zone In artikel 2.18 worden regels gesteld aan de maximale diepte voor het verrichten van handelingen in de bodem, zoals boringen, grond- of funderingswerken en regels voor bodemenergiesystemen (warmtetoevoeging en -onttrekking). Deze regels zijn erop gericht dat de beschermende kleilaag niet wordt doorboord. Uit onderzoek is duidelijk op welke diepte deze beschermende lagen liggen. Deze staan weergegeven op de kaart (werkingsgebied) dat bij de regels hoort. Voor het verrichten van werkzaamheden in de bodem op een diepte van tien meter of meer onder het maaiveld zijn regels opgenomen. Onderhavige ontwikkeling ziet niet op grondwerkzaamheden van meer dan 10 meter diepte. De regels zijn dan ook niet van toepassing. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit In artikel 3.5 zijn regels opgenomen voor de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Deze zijn opgenomen om een bijdrage te leveren aan een juiste balans tussen beschermen en benutten, Bij de evenwichtige toedeling van functies speelt de balans tussen beschermen en benutten een belangrijke rol. Bij de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit gaat het zowel om het beschermen van waarden als het bijdragen aan de ontwikkeling van waarden en functies in een gebied.
De zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit omvat een aantal basisprincipes in combinatie met een diepe en ronde manier van kijken, die afkomstig zijn uit de Brabantse omgevingsvisie: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Onderhavig plan ziet op de herontwikkeling van een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De agrarische bestemming wordt gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’. Het betreft een in het buitengebied passende functie. De ontwikkeling draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit door de versterking van de bestaande landschappelijke inpassing, die de locatie aan het zicht onttrekt vanuit het omliggende landschap. Zorgvuldig ruimtegebruik In artikel 3.6 worden de regels voor zorgvuldig ruimtegebruik weergegeven. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is al geruime tijd in het provinciaal beleid verankerd en omvat diverse aspecten. Doel is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied door nieuwvestiging is hierbij een belangrijk uitgangspunt.
Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt ook vorm door eerst de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Dat betekent niet dat alle fysieke ruimte benut moet worden voordat nieuw ruimtebeslag mogelijk is. Binnen stedelijk gebied is vanuit kwaliteitsoverwegingen bijvoorbeeld ook ruimte nodig voor groenvoorzieningen en voldoende opvang van water. Een verbijzondering voor stedelijke ontwikkeling is dat er toepassing gegeven moet zijn aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Een ander aspect van zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt dat gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bouwperceel. Het is niet wenselijk dat overal ‘los’ in het landelijk gebied dergelijke voorzieningen worden opgericht. Ten aanzien van de wijziging van de agrarische bestemming in een woonbestemming wordt gebruik gemaakt van een bestaand bouwperceel. De ontwikkeling heeft een afname van de oppervlakte bouwperceel en daarnaast een afname van ruimtebeslag en bebouwd oppervlak tot gevolg door de sloop van de bestaande stallen. De bebouwing wordt geconcentreerd rondom een centraal plein, waarmee sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. 11
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Het plan draagt bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van de naaste omgeving. Onderhavige ontwikkeling ziet op de sanering van een varkens- en rundveehouderij waardoor sprake is van een netto afname van de uitstoot van milieubelastende stoffen (zoals ammoniak, fijn stof en geur). Door de functiewijziging worden de mogelijkheden om een veehouderij te herstarten teniet gedaan. De locatie wordt op een zorgvuldige wijze landschappelijk ingepast. Ingeval van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). In paragraaf 3.1.2 is gemotiveerd dat een verdere toetsing aan de Ladder niet noodzakelijk is. Ten aanzien van de gevolgen van de beoogde ontwikkeling op de omgeving wordt in het plan rekening gehouden met bodemkwaliteit, waterhuishouding, cultuurhistorische waarden, ecologische waarden en landschappelijke waarden en overige aspecten om te voldoen aan een goede ruimtelijke ordening (zie hoofdstuk 4 en 5). Er wordt toepassing gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Kwaliteitsverbetering van het landschap Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Noord-Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap.
Een bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied voorziet daartoe in een regeling. Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van deze regeling is in 2011 een handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld. Vrijwel alle gemeenten in de provincie hebben de regeling verder uitgewerkt in beleid en regionaal afspraken gemaakt over de toepassing. Op diverse plaatsen in de verordening zijn verbijzonderingen van de kwaliteitsverbetering landschap opgenomen. De verplichtingen die daaruit voortvloeien, maken deel uit van de kwaliteitsverbetering landschap als bedoeld in dit artikel, zoals bijvoorbeeld verplichtingen tot sloop van bebouwing, het saneren van windturbines of de vastgelegde minimale verplichting voor een landschappelijke inpassing bij veehouderijen en mestbewerking. Ook wordt de mogelijkheid geboden om een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds te storten. Veel gemeenten hebben in het kader van het regionaal overleg afspraken gemaakt met de provincie over de toepassing van de kwaliteitsverbetering landschap. Voor die gemeenten geldt dat zij in de toelichting van het bestemmingsplan naar deze afspraken kunnen verwijzen.
De kwaliteitsverbeterende maatregelen dienen zowel financieel, juridisch en feitelijk geborgd te worden in het plan In het Kwaliteitshandboke Oude Ontginning zijn voorwaarden opgenomen voor landschappelijke inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen. Hierin is een beschrijving van landschappelijke inpassing en een Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR) opgenomen. De aanlegvereisten voor landschappelijke inpassing conform kwaliteitshandboek wordt daarmee als basisinspanning vanuit de beeldkwaliteit voor een woningbouwontwikkeling beschouwd. De totale herontwikkelingslocatie wordt op een zorgvuldige manier landschappelijk ingepast, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de verbetering van de kwaliteit van het landschap. Voor de ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarin aan de voorwaarden uit het Kwaliteitshandboek wordt voldaan. Het plan is bijgevoegd als bijlage 3. Juridische en feitelijke verankering De kwaliteitsverbetering van het landschap wordt juridisch vastgelegd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan die de aanleg, instandhouding en beheer van de beplanting borgt. Daarmee is ook de feitelijke waarborging van de kwaliteitsverbetering van het landschap verzekerd.
12
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Afwijkende regels verstedelijking afweegbaar In artikel 3.43 zijn regels opgenomen ten aanzien van de zone ‘Verstedelijking afweegbaar’ (voorheen ‘Zoekgebied verstedelijking’ en ‘Integratie stad-land’. Als er vanuit kwaliteit of kwantiteit in ‘Stedelijk gebied’ onvoldoende ruimte aanwezig is, dan bestaat er de mogelijkheid dat een stedelijke ontwikkeling binnen het werkingsgebied ‘Verstedelijking afweegbaar’ wordt gerealiseerd (nieuwvestiging). Deze gebieden zijn in het verleden (2004) na toepassing van de lagenbenadering en afweging aangeduid als gebieden waar –onder voorwaarden- verantwoorde uitbreidingsmogelijkheden (kunnen) liggen. In afwijking van artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling, eerste lid, kan een bestemmingsplan, ter plaatse van Verstedelijking afweegbaar voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als: a) binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; De locatie maakt onderdeel uit van het plangebied dat voorziet in de stedelijke uitbreiding ‘Veghels Buiten’, waarin sprake is van clusters van stedelijke bebouwing. b) transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; Niet van toepassing c)
de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; Dit artikel stelt aan de toelichting op een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwbouwmogelijkheden voor woningen de eis dat wordt verantwoord hoe het plan zich verhoudt tot de in het Regionaal Omgevingsoverleg gemaakte afspraken en tot de beschikbare harde plancapaciteit. In onderhavig bestemmingsplan wordt onderbouwd dat de toevoeging van een drietal woningen (één woning vervangt de bestaande bedrijfswoning) past binnen de woningbouwplannen van de gemeente Meierijstad.
d) de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van maximaal vier woningen en sluit aan op de woningbouwplannen die planologisch zijn vastgelegd in de bestemmingsplannen voor het gebied ‘Veghels Buiten’. De locatie wordt landschappelijk op een zorgvuldige wijze ingepast middels een robuuste en duurzame landschapsontwikkeling, aansluitend op de bestaande groenstructuren in de omgeving. De ontwikkeling van de beplanting in het plangebied zal plaatsvinden in samenhang met de ontwikkeling van de bebouwing in het gebied en de waargenomen beschermde soorten zoals steenuil en gierzwaluw. De bebouwing en het ruimtebeslag nemen af in de beoogde situatie ten opzichte van de huidige situatie (kleinere oppervlakte bebouwing, kleiner bouwvlak). Daarnaast neemt de hoeveelheid beplanting in het plangebied toe (meer dan 1.000 m²) ten opzichte van de huidige situatie waarin een zeer kleine oppervlakte aan beplanting aanwezig is. Er vindt hiermee een flinke versteviging plaats van de groenstructuur. Er is dan ook sprake van een significante landschapsontwikkeling.
Ten aanzien van de rood-groenkoppeling wordt getoetst aan de regels zoals opgenomen in artikel 3.6 (Kwaliteitsverbetering van het landschap). Hierbij zal ter bevordering van de kwaliteitsverbetering van het landschap op basis van de waardevermeerdering van de gronden een investering in landschapsontwikkeling worden gedaan. In de uitwerking van deze landschapsontwikkeling wordt aansluiting gezocht bij het van toepassing zijnde gemeentelijke kwaliteitshandboek (zie kopje ‘Kwaliteitshandboek ‘Veghels Buiten – Oude Ontginning 2015’). Bij de stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting van de ontwikkeling wordt aansluiting gezocht bij het relevante kwaliteitshandboek. 13
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Wonen in landelijk gebied In artikel 3.68 zijn regels ten aanzien van wonen in landelijk gebied opgenomen. Uitgangspunt is dat in beginsel geen woningen mogen worden toegevoegd in landelijk gebied. Hierop geldt een aantal uitzonderingen, zie artikel 3.69. Afwijkende regels wonen In artikel 3.69 is onder lid c opgenomen dat een bestemmingsplan kan voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en dat overtollige bebouwing wordt gesloopt. In de beoogde situatie wordt de bedrijfswoning Ham 4 gesloopt en op een andere locatie herbouwd. Deze bedrijfswoning wordt in de nieuwe situatie gebruikt als burgerwoning. Alle agrarische opstallen worden gesloopt. Verder vindt geen splitsing in meerdere woonfuncties plaats. Conclusie De ontwikkeling voldoet aan de regels van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Structuurvisie Veghel 2030
Op 19 december 2013 heeft de gemeenteraad van de toenmalige gemeente Veghel de Structuurvisie Veghel 2030 vastgesteld. In deze structuurvisie zijn de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn op hoofdlijnen beschreven. De structuurvisie omvat het gehele grondgebied van de voormalige gemeente Veghel en heeft betrekking op de periode tot 2030. In deze structuurvisie is veel aandacht voor het versterken van de dorpse woonkwaliteiten in de zeven kernen binnen de gemeente en het op peil houden van de bijbehorende voorzieningen. Binnen de structuurvisie is het plangebied gelegen binnen het gebied ten behoeve van het ontwikkelen van een afwisselend Veghel mozaïek (zie volgende figuur).
Plangebied
Figuur 8: Uitsnede kaart ‘Structuurvisie Veghel 2030’ Visiekaart 2030
In een brede ring rond Veghel ligt een landschap dat zich kenmerkt door een combinatie van functies, waarbij steeds sprake is van clusters in het landschap. Dit gebiedstype heet daarom het Veghels mozaïek. 14
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Bij Veghels Buiten ligt de invulling van het gebied vooral om geclusterde woningen in de vorm van nieuwe buurtschappen. De kwaliteit van het Veghels mozaïek ligt in het evenwicht tussen het landschap, de groenblauwe structuur en de bebouwde clusters. Het gebied vormt hiermee een duidelijke overgangszone tussen de kern Veghel en de overige delen van het buitengebied. Het uitbouwen van één van de afzonderlijke dragers behoort tot de mogelijkheden, maar altijd integraal en daarmee met oog voor het eerdergenoemde evenwicht tussen landschap en gebouwde functies. De ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de structuurvisie. 4.3.2
Woonvisie Meierijstad
Op 5 juli 2018 heeft de gemeente Meierijstad de gemeentelijk woonvisie vastgesteld. De woonvisie wil richting geven aan wat de gemeente op het gebied van wonen gaat doen, waarbij voldoende flexibiliteit gehouden wordt om goed in te kunnen spelen op de veranderingen die komen. Ontwikkelingen worden jaarlijks gemonitord en waar nodig wordt het woonbeleid bijgesteld, waarvoor jaarlijks een Woonagenda wordt vastgesteld. Ten aanzien van de woningbouwprogrammering zet de gemeente in op de hoge provinciale behoefteprognose, wat betekent dat van 2018 tot 2028 3.940 woningen aan de woningvoorraad worden toegevoegd. Jaarlijks wordt de opgave woningbouw opnieuw vastgesteld voor de periode van 10 jaar op basis van de hoge prognose in relatie tot gerealiseerde woningen van het laatste jaar. In de woningbouwprogrammering voor de komende 10 jaar wordt de volgende verdeling aangehouden (prijspeil 2018) voor Meierijstad in zijn totaliteit: 25% sociale huur, 15% huur vanaf € 710,-/maand, 10% koop < € 185.000 (goedkoop), 20% koop € 185.000 tot € 275.000 (middelduur), 20% koop > € 275.000 (duur) en 10% variabel in te zetten. De woonvisie zet in op duurzaam en zorgvuldig ruimtegebruik en prefereert inbreiding boven uitbreiding, waarbij de juiste woningen op de juiste plaats worden toegevoegd.
Hoewel het toevoegen van meer grote vrijstaande woningen niet direct binnen het woningbouwprogramma voor Veghel past, past het plan wel binnen het beleid van de gemeente Meierijstad aangezien er sprake is van een substantiële kwaliteitswinst (sloop van verouderde bedrijfsbebouwing, het wegvallen van emissies van milieubelastende stoffen).
15
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
5. Cultuurhistorie en archeologie 5.1
Cultuurhistorie
Cultuurhistorie neemt een belangrijke plaats in de ruimtelijke ordening. Met cultuurhistorische waarden dient bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden in de vorm van bescherming en behoud van deze karakteristieke gebiedswaarden. Volgens de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart 2010, herziening 2016’ van de provincie Noord-Brabant is het plangebied gelegen binnen de cultuurhistorisch waardevolle regio ‘Meierij’ (zie volgende figuur).
Meijerij
Plangebied
Lijn van redelijk hoge waarde
Figuur 9: Uitsnede ‘Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herziening 2016’ Noord-Brabant (plangebied rood omkaderd)
De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Daarnaast is de weg grenzend aan het plangebied (Ham) aangeduid als een lijn met redelijk hoge waarde. De volgende figuur toont een uitsnede van de Erfgoedkaart van de voormalige gemeente Veghel.
16
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Plangebied
Figuur 10: Uitsnede Erfgoedkaart voormalige gemeente Veghel
De locatie is gelegen aan de rand van enkeerdgronden en is aangewezen als oud erf. Oorspronkelijk bevond zich hier een historische boerderij met bijgebouwen die in de loop der jaren zijn verdwenen. Verder is de weg Ham aangemerkt als een oude weg met een cultuurhistorische waarde. Binnen het plangebied wordt de bestaande bebouwing gesloopt en wordt een viertal woningen opgericht (waaronder de bedrijfswoning die elders wordt herbouwd). De nieuwe opgaande bebouwing wordt op enige afstand gebouwd van de cultuurhistorisch waardevolle elementen. De ontwikkeling doet derhalve geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van het gebied. De erfbeplanting versterkt eveneens de aanwezige landschapsstructuren. Onderhavige ontwikkeling vormt dan ook geen belemmering voor het behoud van de aanwezige waarden.
5.2
Monumenten
In de directe omgeving (250 meter) van het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. De beoogde ontwikkeling heeft dan ook geen negatieve effecten op monumenten.
5.3
Archeologie
Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Gezien dit uitgangspunt moeten, in het geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge verwachtingswaarde voor archeologisch erfgoed, de archeologische waarden door middel van een vooronderzoek in kaart worden gebracht. De volgende figuur toont een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Veghel (2014).
17
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Plangebied
Figuur 11: Uitsnede ‘Archeologische beleidskaart’ voormalige gemeente Veghel
Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen een gebied waar reeds een archeologisch onderzoek is uitgevoerd en waar geen nader onderzoek meer noodzakelijk is en gedeeltelijk binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting. In het vigerende bestemmingsplan is de hoge verwachtingswaarde vertaald in de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Hier geldt een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken groter dan 100 m² en dieper dan 0,3 m. Binnen het plangebied wordt de bestaande bebouwing gesloopt en worden nieuwe woningen opgericht. De twee westelijk gelegen woningen en de parkeerschuur worden opgericht ter plaatse van de bestaande bebouwing. Er kan worden geconcludeerd dat hier de gronden dusdanig verstoord dat hier geen archeologische resten worden verwacht. De aanwezige stallen zijn allen voorzien van mestkelder van meer dan 1,0 meter diep waardoor de bodem ter plaatse van de ontwikkeling sterk verstoord is. Voor de twee oostelijke woningen geldt niet dat deze op een locatie van bestaande bebouwing worden opgericht. Hier kan dan ook niet met zekerheid worden gesteld dat hier geen sprake is van archeologische resten in de bodem. Een archeologisch onderzoek is uitgevoerd, de rapportage van het onderzoek is toegevoegd als bijlage aan onderhavige rapportage. Onderstaand wordt het advies weergegeven uit de rapportage.
Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Indien bij de toekomstige nieuwbouw het niet mogelijk is om binnen de vrijstellingsgrenzen te blijven, dan wordt in eerste instantie planaanpassing aanbevolen (vb. ophogen terrein). Op deze manier is vervolgonderzoek niet nodig. Indien planaanpassing niet mogelijk is, dan wordt een vervolgonderzoek aanbevolen. Dit kan bestaan uit een proefsleuvenonderzoek voorafgaand aan de werkzaamheden of uit een archeologische begeleiding tijdens de werkzaamheden. Deze keuze kan het best gemaakt worden door de gemeente wanneer de bouwplannen concreet zijn en er zicht is hoe groot de verstoringsoppervlakte is. Doordat de diepte van het archeologische niveau in het plangebied verschilt worden diverse adviezen gegeven. Bij het bepalen van een vrijstellingsgrens is steeds rekening gehouden met een buffer ter bescherming van het archeologische niveau: • Stallen met gierkelders: vrijgeven, geen restricties;
18
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
•
• •
Zone agrarisch bedrijf: dubbelbestemming archeologie. Indien dieper dan 0,8 m -Mv wordt verstoord, wordt vervolgonderzoek (proefsleuvenonderzoek of archeologische begeleiding) geadviseerd; Weiland: dubbelbestemming archeologie. Indien dieper dan 0,3 m -Mv wordt verstoord, wordt vervolgonderzoek (proefsleuvenonderzoek of archeologische begeleiding) geadviseerd; Overige zone (deel bureauonderzoek dat niet met boringen is onderzocht): dubbelbestemming archeologie. Indien dieper dan 0,3 m -Mv wordt verstoord, wordt een verkennend booronderzoek geadviseerd (conform gemeentelijk beleid).
Nader onderzoek is noodzakelijk. Dit onderzoek wordt uitgevoerd als onderdeel van de aanvraag om omgevingsvergunning. Het aspect archeologie vormt voor de bestemmingsplanprocedure geen belemmering.
19
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
6. Groenstructuur en natuur 6.1
Groenstructuur plangebied
6.1.1
Natuur Netwerk Nederland
Natuur Netwerk Nederland (NNN) is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen. Op een afstand van circa 570 meter zuidwestelijk van het plangebied is het dichtstbijzijnde gebied behorende tot Natuur Netwerk Brabant gelegen (zie volgende figuur).
Plangebied
Figuur 12: Natuur Netwerk Nederland (plangebied rood omkaderd)
Door onderhavige ontwikkeling worden deze gebieden niet aangetast c.q. doorkruist. 6.1.2
Landschappelijke waarden
Het plangebied bevindt zich in een gebied waar twee landschapstypologieën van toepassing zijn: de Oude en Nieuwe Ontginning. Deze typologieën vinden hun oorsprong in de morfologie van de bodem. De Oude Ontginning bevindt zich op de oeverwal van de Aa en bevat de hoger gelegen en droge dekzandgronden, die al eeuwenlang worden bewoond en bewerkt. De ontginning van deze gebieden is niet structureel aangepakt. Daarom kenmerkt de Oude Ontginning zich door een organische ordening: grillige kavelstructuren, bochtige smalle wegen en lintstructuren.
20
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
De Nieuwe Ontginning ligt lager en was daarom van oorsprong te nat en te schraal om gebruikt te worden voor agrarische doeleinden. Pas in het begin van de 19e eeuw zijn deze gebieden ontgonnen. Gebruikmakend van de destijds moderne technieken werden deze gebieden in korte tijd getransformeerd tot een agrarisch landschap met boomsingels. Halverwege de 20e eeuw deed de schaalvergroting in de agrarische sector haar intrede, met als gevolg dat de Nieuwe Ontginning opnieuw werd ingericht. Middels ruilverkaveling werd het landschap rationeel ingericht en grootschaliger van karakter. Door het beperkt aantal boerderijen in de Nieuwe Ontginning is sprake van een relatief grootschalig en open landschap. De ordening van de boerenerven is voortgekomen uit de functionaliteit van het concentreren van de bebouwing rondom een verhard erf. De linten Ham en Eeuwsels hebben een meer organisch en informeel karakter en sluiten meer aan bij de Oude Ontginning. Derhalve wordt hier aangesloten bij de karakteristieken van de oude ontginning. De gronden in de oude ontginning werden voornamelijk ontgonnen voor akkerbouw. Rondom de boerderijen en op de kavelgrenzen werd beplanting aangebracht. In het gebied was het voorpootrecht van toepassing. Landgebruikers hadden het recht om langs openbare wegen bomen te planten en te vellen met plichten voor beheer en herplant.
In de loop van de tijd ontstonden zo lanen van eiken en beuken maar ook berken en linden. Behalve lanen zijn er ook hagen en houtwallen. Het landschap werd gekenmerkt als een coulissenlandschap van afwisselende beplanting. Alhoewel het landschap door ruilverkaveling een meer open karakter heeft gekregen is de afwisseling van begroeiing nog steeds een belangrijk kenmerk. In de oude ontginning is een kenmerkende gelaagde, gefragmenteerde begroeiing. De begroeiing geeft de oude ontginning een half besloten informeel karakter en doorzichten vanaf de bochtige wegen over het landschap. De volgende figuur laat de ligging van het plangebied zien in het landschap van omstreeks 1900. Hierop is goed te zien dat de agrarische kavels worden omringd door groene landschapsstroken (bomenrijen/houtsingels).
Plangebied
Figuur 13: Uitsnede topografische kaart omstreeks 1900
Landschappelijke inpassing locatie Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de locaties is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. De tekening bevindt zich in de bijlage van deze rapportage. De volgende figuur toont een impressie van de landschappelijke inpassing (zie ook bijlage). 21
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
Figuur 14: Landschappelijke inpassing locatie Ham 4
Rondom het plangebied wordt een landschapsstrook aangebracht (in de vorm van een bomenrij/houtsingel, waarmee aansluiting wordt gezocht bij de oorspronkelijke beplanting rondom de kavels in zowel de Oude als de Nieuwe Ontginning. Dit vormt ook het uitgangspunt in het beeldkwaliteitsplan voor de Oude ontginning. Dit betekent hoofdzakelijk het beplanten van de randen van nieuwe bebouwingsclusters met verschillende beplantingsoorten. De grillige structuur met gefragmenteerde beplanting die zo ontstaat versterkt de landschappelijke structuur van de Oude Ontginning. Karakteristieke doorzichten vanaf de linten worden behouden. De woningen staan redelijk ver van de weg en worden aan alle zijden omringd door de bijbehorende tuin. De tuinen kennen aan de voorzijde een lage en groene inrichting. De inrichting aan de zij- en achterzijde is vrij. Aan de achterzijde gaat de tuin echter geleidelijk over in de landschapsstrook (bomenwal/houtsingel, bestaande uit diverse inheemse soorten als zomereik, linde, es en berk). De tuinen worden onderling van elkaar gescheiden middels een groene erfafscheiding (geschoren beukenhaag).
6.2
Wet natuurbescherming
6.2.1
Gebiedsbescherming
Natura2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. De bescherming van deze gebieden is gebaseerd op internationale verplichtingen (Vogel- en Habitatrichtlijn). Per Natura2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige 22
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Het meest nabijgelegen Natura2000-gebied betreft het gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen op een afstand van circa 18,6 kilometer.
Stikstofdepositie De stikstofdepositie is de belangrijkste factor die voor verstoring in de natuurgebieden kan zorgen. De verstoring heeft betrekking op verzuring en/of vermesting van het desbetreffende gebied. Onderhavige ontwikkeling betreft het saneren van een veehouderij en de ontwikkeling van een viertal woningen. De sanering van de veehouderij heeft een positief effect voor wat betreft de stikstofdepositie. Door de voorgenomen ontwikkeling wordt er geen vee meer gehouden binnen de locatie en is er geen sprake meer van transportbewegingen van zwaar vrachtverkeer. Om de stikstofdepositie op omliggende Natura2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling in beeld te brengen is een tweetal berekeningen gemaakt met het programma Aerius Calculator: • Realisatiefase: berekening van de stikstofdepositie als gevolg van de realisatiefase van de woningen (inclusief de sloop van de bestaande bebouwing); • Gebruiksfase: verschilberekening waarin de stikstofdepositie als gevolg van de emissie van ammoniak en stikstofoxiden vanuit het plangebied in de vigerende situatie wordt afgezet tegen de stikstofdepositie als gevolg van het gebruik in de beoogde situatie. In de bijlage zijn de invoergegevens en resultaten van de berekeningen toegevoegd. Het resultaat van de berekening voor de realisatiefase laat zien dat geen sprake is van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.
Gelet hierop zijn geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura2000-gebieden te verwachten als gevolg van de realisatiefase. De resultaten van deze berekening laat zien dat er in de beoogde situatie geen sprake is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Gelet hierop zijn geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura2000-gebieden te verwachten als gevolg van de gebruiksfase. Overige storende effecten Daarnaast heeft men te maken met de volgende mogelijke storende aspecten ten gevolge van activiteiten en plannen zoals verlies van oppervlakte, barrièrewerking en versnippering, verstoring door geluid en licht, trilling, optische verstoring, verstoring door mensen, mechanische effecten, verontreiniging, verdroging en bewuste verandering soortensamenstelling. Gelet op de geruime afstand tot de Natura2000-gebieden zijn storende effecten op deze gebieden uitgesloten. 6.2.2
Soortenbescherming
In zijn algemeenheid is bij ruimtelijke ingrepen sprake van directe, indirecte, tijdelijke en permanente effecten. Onder directe effecten worden effecten verstaan waarmee planten en dieren rechtstreeks te maken krijgen als gevolg van de ontwikkeling. Verlies van habitat en kwaliteit zijn directe effecten en bovendien permanent. Indirecte effecten betreffen onder andere verstoring, waarbij de aanwezigheid van mensen, licht en geluid een rol speelt. Verstoring tijdens de bouwwerkzaamheden zijn tijdelijk, maar verstoringen kunnen ook een permanent karakter hebben. 23
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven: • Vogels Dit betreffen alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb) en de onder de voormalige Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken. • Internationaal beschermde soorten Dit betreffen alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb); • Overige beschermde soorten Dit betreffen soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de voormalige Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld.
Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd). Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten (Provinciale staten van Noord-Brabant, 2016). Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Quick scan flora- en fauna Een flora- en faunainspectie is uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De rapportage van het onderzoek is toegevoegd als bijlage 9 1. Doel van het onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving.
Onderstaand wordt puntsgewijs de conclusie weergegeven van het uitgevoerde onderzoek. Voor een volledige beschrijving wordt verwezen naar de rapportage van het uitgevoerd onderzoek. In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, vlinders, libellen, kevers, weekdieren, reptielen en vissen voorkomen. Wel geldt voor alle aanwezige soorten in het plangebied de algemene zorgplicht. Mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied betreffen onder ander de huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil en vleermuizen. Vogels kunnen het plangebied gebruiken als foerageergebied en als nestgelegenheid. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effect op foerageergebied van algemene vogels, in de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig. Algemene vogelsoorten kunnen alle gebouwen in het plangebied en de bomen en struiken gebruiken als nestgelegenheid. De bomen en 1 Quickscan flora en fauna Ham 4 te Veghel (rapportnummer 19-0447), Staro Natuur en Buitengebied, januari 2020
24
Toelichting bestemmingsplan ‘Veghels Buiten, herziening Ham 4’
struiken in het plangebied dienen te worden gekapt buiten het broedseizoen en wanneer geen broedgeval aanwezig is. Ten aanzien van uilen kunnen het plangebied gebruiken als foerageergebied en territorium, de werkzaamheden hebben hierop mogelijk een negatief effect. Kerkuil kan de schuur gebruiken als rustplaats. Steenuil maken gebruik van de stallen en de schuur als rustplaats en mogelijk als nestplaats. Huismussen en gierzwaluwen kunnen het woonhuis gebruiken als nestgelegenheid. Vleermuizen kunnen het plangebied gebruiken als foerageergebied en als verblijfplaats. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effect op foerageergebied van vleermuizen, in de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig. Vleermuizen kunnen alle gebouwen in het plangebied gebruiken als verblijfplaatsen. In het plangebied zijn geen essentiële vliegroutes van vleermuizen aanwezig. Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als land- en overwinteringshabitat. Bij graafwerkzaamheden onder struiken en bij het verwijderen van struiken en opgeslagen materialen kunnen verblijfplaatsen van deze amfibieën worden verstoord.
Voor het verstoren van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander is geen ontheffing nodig, voor deze soorten geldt een vrijstelling van de Wet natuurbescherming. Voor Alpenwatersalamander geldt deze vrijstelling niet en kan worden gewerkt volgens een gedragscode. Dit betekent dat graafwerkzaamheden in de tuin kunnen plaatsvinden tussen 15 april en 15 oktober (buiten de overwinteringsperiode van deze soort). Algemene (spits)muizen, egel, konijn en haas kunnen het plangebied gebruiken als verblijfplaats en onderdeel van het leefgebied. Bij graafwerkzaamheden in de tuin en bij het slopen van de gebouwen kunnen verblijfplaatsen van deze soorten worden vernietigd. Voor het verstoren van algemene (spits)muizen, egel, konijn en haas is geen ontheffing nodig, voor deze soorten geldt een vrijstelling van de Wet natuurbescherming. Door in één richting te werken bij graafwerkzaamheden en het opruimen van de gebouwen kunnen eventueel aanwezige dieren vluchten, zo kan worden voldaan aan de Algemene zorgplicht. Conclusie Om de haalbaarheid van het plan aan te tonen worden door de initiatiefnemer mitigerende maatregelen getroffen zoals het ophangen van voldoende nest- en verblijfsgelegenheden voor de mogelijk aanwezige vogelsoorten en vleermuizen.