CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Pastoor Smitsstraat 19

Raadsvergadering 24 juni 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan ‘Pastoor Smitsstraat 19, Olland’29.136 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.

Hoofdstuk 4

26

De drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken. Meestal is een vergunning noodzakelijk. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Op planniveau is voor de herontwikkeling vanuit het waterschap geen compensatie vereist. De gemeente Meierijstad (waartoe Olland behoort) heeft een nieuw VGRP 2017-2022 en Waterplan ‘Waardevol water in Meierijstad’ opgesteld. Het is een functioneel beleidsdocument, waarin de gewenste toekomstige situatie is beschreven en verbeeld in acht streefbeelden op strategisch/tactisch niveau:  Het watersysteem zo natuurlijk mogelijk laten functioneren zonder technische maatregelen. Water voor natuurdoelstellingen, waterconservering, berging van water.  Overtollig water bovenstrooms vasthouden, water tijdelijk bergen in retentiegebieden langs waterlopen, als het echt niet anders kan pas afvoeren.

 Zelfreinigend vermogen toegenomen, weinig verontreinigingsbronnen (geen maaswater, geen chemische onkruidbestrijding, gescheiden rioleringssysteem.  Zo min mogelijk vermenging van schoon en afvalwater  Waterlopen als ecologische verbindingszone, natuurvriendelijke oevers, struweel, ruigtekruiden, poelen en bergingsvijvers in het stedelijk gebied ingericht als ecologische verbindingszone. Wel toegankelijk met een recreatieve functie.  Het aanleggen van retentiegebieden om piekafvoeren op te kunnen vangen. Grondwateroverlast komt niet meer voor.  De natuurlijke aanwezigheid van water wordt gerespecteerd en is waar mogelijk benadrukt.  De huidige en toekomstige inwoners zijn actief bij het water in hun wijk en de omgeving betrokken. De planontwikkeling mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekoppelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Doorwerking plangebied Aeres Milieu heeft het planvoornemen door middel van een waterparagraaf hydrologisch beschreven. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.

Grondwater Uit de gegevens van bodematlas blijkt dat de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand ter plaatse op ca. 60 cm-mv te verwachten en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand dieper op 180-200 cm-mv te verwachten. Voor de tuin is de GHG 20-40 tot 40-60 cm-mv. Voor voldoende drooglegging is ophoging ter plaatse van de woningen aangeraden. Voor de nieuwbouwwoningen is een bouwpeil van minimaal 20 cm boven de weg geadviseerd (=9,2 m +NAP of hoger). Door de hogere ligging van de woningen is geen grondwateroverlast te verwachten binnen het plangebied.

Hoofdstuk 4

27

Oppervlaktewater Noord- en westelijk van het plangebied loopt De Ollandse Waterloop. Dit is een A-watergang met een inrichtingsopgave Natuurvriendelijke oever welke zuidwestelijk afvoert richting de Dommel. Het waterschap heeft in de Legger een beschermingszone opgenomen van 5 meter vanaf de insteek van de Ollandse Waterloop. Indien ter plaatse een natuurvriendelijke oever aangelegd zou worden, wordt hiervoor een strook van 10 meter geadviseerd. Verder stroomafwaarts is een schuifstuw aanwezig met een laagste doorlaat van 6,81 m +NAP. Voor het planvoornemen heeft reeds vooroverleg plaatsgevonden met het waterschap in verband met een eerdere wens tot een natuurvriendelijke oever met wandelpad met een brug over de A-watergang. Met de sterk onder invloed van de stuw staande peilen, het gemengde overstort van het rioolgemaal nabij de brug, het gebiedsvreemde water afkomstig van het Wilhelminakanaal en het eventueel ernaast te realiseren wandelpad verwacht het waterschap niet dat op deze locatie hoogwaardige natuur gerealiseerd kan worden. Ter plaatse gaat de voorkeur van het waterschap uit naar een bloem- en kruidenrijke 5 meter brede strook die aantrekkelijk is voor insecten en bijen. Binnen deze 5 meter strook zijn geen bebouwing of obstakels toegestaan rekening houdend met het feit dat er aan overzijde geen ruimte over is om het onderhoud uit te voeren.

Dit is zo ook opgenomen in het inrichtingsplan. Vanwege wisselende peilen kan de oever van de Ollandse Waterloop onderlopen. Uit de statische modellering van waterschap De Dommel blijkt dat een klein gebied aan de noordwestkant langs de Ollandse Waterloop eens in de 100 jaar overstroomt. Ter plaatse is geen bebouwing gepland. Tevens wordt ter plaatse van de nieuwbouw licht opgehoogd waardoor geen inundatie in het gebouw vanuit de watergang te verwachten is. Hemel- en afvalwater De locatie is onbebouwd (grasland). Het hemelwater infiltreert in de bodem en wordt afgevoerd naar de aanwezige watergang. De omliggende bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Direct bij de brug aan de Pastoor Smitsstraat komt een gemengde overstort uit in de Ollandse Waterloop afkomstig van het rioolgemaal Olland. Dit rioolgemaal transporteert het afvalwater van Olland richting de RWZI van Sint Oedenrode. De ligging van het rioolgemaal en de bijbehorende gemengde overstort kan voor geurhinder zorgen. In de algemene regel wordt een geurhindercirkel van 30 meter aangehouden voor rioolgemalen. Er kan hier onderbouwd van worden afgeweken. In de directe omgeving zijn momenteel ook reeds woningen aanwezig. Bij de nieuwbouw wordt een gescheiden stelsel aangelegd. De verwachte hoeveelheid afvalwater voor 2 woningen bedraagt ca. 0,6 m 3/dag. Dit kan op het bestaande riool worden aangesloten.

Voor de aansluiting van het afvalwater naar het gemeentelijk stelsel is ten tijde een vergunning van de gemeente Meierijstad noodzakelijk. Zover bekend is geen wateroverlast op het plangebied aanwezig. Ter plaatse van de onderzoekslocatie wil men 2 woningen realiseren met elk 3 parkeerplaatsen. Westelijk wordt ingericht als tuin met aan de achterzijde een bosje. In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak in het plangebied met circa 490 m2 toe.

Hoofdstuk 4

28

Voor het waterschap is geen compensatie vereist en kan aangesloten worden op het oppervlaktewater. Vanuit het gemeentelijk beleid van de gemeente Meierijstad is een hemelwaterneutrale ontwikkeling en dus hemelwaterverwerking binnen het plangebied verplicht. Het hemelwater dient separaat gehouden te worden. Het beleid van de gemeente Meierijstad schrijft voor dat in de mate van het mogelijke 60 mm per vierkante meter verharding ter plaatse verwerkt wordt. Voor het verhard oppervlak dient (zonder aanvullende maatregelingen) binnen het perceel een hemelwatervoorziening van circa 29,5 m3 aangelegd te worden. Eventueel kan water hergebruikt worden of (een gedeelte zoals een carport) voorzien worden van een groendak. Het oppervlak aan groendak wordt als onverhard oppervlak gezien. Landschappelijk en kostentechnisch is dit niet altijd mogelijk/wenselijk. Het tussenplaatsen van een hemelwaterput of regenwaterton op particulier initiatief wordt aangemoedigd. De benodigde retentie of afvoersnelheid kan verder beperkt worden door bovengronds afvoeren middels het gebruik van een halfverharding zoals grind of een waterpasserende bestrating. Gezien de GHG is bovengrondse verwerking noodzakelijk.

Mogelijke bovengrondse voorzieningen voor het plangebied zijn de verwerking in de iets lager gelegen tuin / bosje, de aanleg van een slootje of in overleg met het waterschap rechtstreeks aansluiten op de A-watergang. De voorkeur gaat uit naar afstroom op eigen terrein waarna het nog kan overlopen naar het oppervlaktewater. Door de te nemen maatregelingen is door de planontwikkeling geen (grond)wateroverlast te verwachten en wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. Een definitieve oplossing dient bij de nadere planuitwerking toegelicht te worden voorafgaand aan de aanleg van de verhardingen. Tevens is de uiteindelijke voorziening afhankelijk van de kosten, eigen voorkeur en verwerkingsmogelijkheid ter plaatse. Gezien de open ruimte op het perceel nabij de A-watergang vormt het hemelwater geen belemmering ter plaatse. Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij andere ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing of werkzaamheden in de buurt van een watergang), moeten in het kader van de Waterwet ten tijde voorafgaan aan de realisatie vergunningen/meldingen aangevraagd te worden volgens de daarvoor geldende procedure (omgevingsloket).

4.5 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk.

Hoofdstuk 4

29

Doorwerking plangebied Door Aeres Milieu is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, conform de richtlijnen van de NEN 5740. Het doel van het verkennend onderzoek is, middels een steekproef, het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit ter plaatse. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies besproken, voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in zowel de bovengrond als in de ondergrond geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten zijn. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het freatische grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.

4.6 (Ondergrondse) Infrastructuur In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die zorgen voor een belemmering van het initiatief. Er zijn ook geen kabels en leidingen in het plangebied gelegen die een beschermingszone vereisen en die in dit bestemmingsplan geregeld moet worden. Er is een Klic-melding uitgevoerd (zie bijlage) en hieruit blijkt dat aan de voorzijde van het perceel ligt een laagspanningsleiding van Enexis ligt. Bij werkzaamheden in deze zone zal hier rekening mee gehouden worden.

4.7 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien

3

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

30

bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. De bedrijfsactiviteiten in Olland beperken zich over het algemeen tot de lichtere milieucategorieën.

Scholen, sportvoorzieningen, detailhandel en dienstverlening en de lichtere horecabedrijven zoals een café-restaurant en een cafetaria worden, zeker in gemengde bebouwingslinten, over het algemeen goed vermengbaar geacht met de woonfunctie. Doorwerking plangebied Hoewel er meerdere niet-woonfuncties in de directe omgeving (bij woningen zijn niet milieubelastende bedrijfsactiviteiten toegestaan in de milieu categorieën 1 en/of 2, daarnaast zijn er in de omgeving scholen, dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen) aanwezig zijn, domineert in dit gedeelte van de Pastoor Smitsstraat de woonfunctie en daarom is er zorgvuldigheidshalve voor gekozen het plangebied als ‘rustig woongebied’ te kwalificeren. Op circa 7 meter van het plangebied ligt een nutsvoorziening. Dit levert geen belemmeringen op voor onderhavige ontwikkeling. Op ongeveer 75 meter ten noorden van het plangebied is een basisschool gelegen. Hiervoor geldt een maximale richtafstand van 50 meter, waar ruimschoots aan wordt voldaan. Aan de Jenne Akkers 8 is een schapenhouderij gelegen. De richtafstand hiervoor is maximaal 100 meter. De schapenhouderij ligt op een afstand van 270 meter van het plangebied, hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Op 330 meter en 420 meter ten zuidoosten van het plangebied aan het Morgenstraatje en de Ollandseweg zijn twee rundveehouderijen gelegen.

Hiervoor geldt een maximale richtafstand van 100 meter, waar in beide gevallen ruimschoots aan wordt voldaan. Aan de Schootsedijk 47 op een afstand van 350 meter van het plangebied, is een geitenhouderij gelegen, de richtafstand is 50 meter en hier wordt aan voldaan. Daarnaast ligt er aan de Pastoor Smitsstraat 55 ook een geitenhouderij, op 550 meter ten noordwesten van het plangebied, ook bij deze geitenhouderij wordt ruim aan de richtafstand van 50 meter voldaan. Echter ligt het plangebied binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij. Uit landelijk onderzoek blijkt dat er binnen een straal van 2 km van geitenhouderijen meer longontsteking bij mensen voorkomt dan daarbuiten. In paragraaf 4.12 gezondheid wordt hier nader op ingegaan.

Hoofdstuk 4

31

Verder zijn er in de (directe) omgeving geen bedrijven aanwezig die van invloed kunnen zijn op onderhavige ontwikkeling omdat er altijd aan de richtafstand wordt voldaan. Het aspect bedrijven en milieuzonering levert geen belemmeringen op.

4.8 Geurhinder Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Doorwerking plangebied Bij de ontwikkeling van woningen is sprake van een geurgevoelig object. Derhalve dient gekeken te worden naar de geurhinder veroorzaakt door omliggende veehouderijen. De geurhinder wordt bepaald op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting.

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij die de meeste geurbelasting op een voor geurhinder gevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door alle veehouderijen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen. De achtergrondbelasting is een goede maat om de effecten van geurhinder op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen. In de omgeving van het besluitgebied zijn geen veehouderijen te vinden die een negatieve invloed zouden kunnen hebben op het woon- en leefklimaat. De veehouderijen liggen allemaal op voldoende afstand. Anderzijds worden er dus ook geen veehouderijen belemmerd door de realisatie van de woningen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het aspect ‘geurhinder’ geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

4.9 Akoestiek wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Doorwerking plangebied Er is door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Roest. In het kader van

Hoofdstuk 4

32

een goede ruimtelijke ordening is de Pastoor Smitsstraat opgenomen in het akoestisch onderzoek. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies uit het onderzoek vermeld. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Roest De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 43 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Pastoor Smitsstraat Er is sprake van een 30 km/zone, waardoor niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de weg wel beschouwd en wordt ook het toetsingskader van de Wet geluidhinder gehanteerd. In een aantal waarneempunten zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaarde’. De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 57 dB, zonder aftrek artikel 110g. Zou die aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 52 dB waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen wanneer getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze weg worden aangevraagd.

Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. Het aspect geluidhinder verkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.10 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Doorwerking plangebied Wanneer sprake is van minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg wordt de toename in verslechtering van de luchtkwaliteit gezien als ‘niet in betekende mate’. Met onderhavig plan worden

Hoofdstuk 4

33

slechts twee nieuwe woningen mogelijk gemaakt en worden er verder geen functies ontwikkeld. De ontwikkeling draagt dan ook niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Om aan te tonen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied, wordt gekeken naar de achtergrondwaarden. Deze achtergrondwaarden kunnen achterhaald worden met behulp van de NSL-monitoringstool. In tabel 4.2 zijn de achtergrondwaarden van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Meetpunt 15537425 15537452 15537461 15537471 15537500 Norm

NO2 μg/m3 15.4 15.4 15.2 15.2 15.4 40

PM10 μg/m3 18.3 18.3 18.2 18.2 18.2 40

PM10 overschrijdingsdagen 6.4 6.4 6.4 6.4 6.4 35

PM2.5 μg/m3 11.3 11.3 11.2 11.2 11.2 25

Jaar 2020 2020 2020 2020 2020

Tabel 4.2: Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool)

Er kan geconcludeerd worden dat de achtergrondwaarden nabij het plangebied ruim onder de norm liggen. Er zal daarmee sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.

4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en

Hoofdstuk 4

34

bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Beleidsvisie externe veiligheid De voormalige gemeente Sint Oedenrode heeft een beleidsvisie externe veiligheid opgesteld. Deze beleidsvisie is bedoeld om duidelijkheid te geven aan burgers en bedrijven over hoe de gemeente omgaat met het ruimtelijk scheiden van risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten.

Doorwerking plangebied Op basis van de risicokaart is een inventarisatie gedaan van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. In figuur 4.1 is de risicokaart weergegeven. Met het plangebied blauw omcirkeld.

Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)

Hoofdstuk 4

35

Inrichtingen De risicokaart geeft aan dat op 680 meter ten noordoosten van het plangebied is een bovengrondse propaantank van maximaal 3.000 liter gelegen. De risicoafstand PR10-6 is gesteld op 12 meter, hier wordt ruimschoots aan voldaan. Transport Ten westen van het plangebied ligt op 3.660 meter afstand de Rijksweg A2, het plangebied valt niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Op 5.330 meter westelijk van het plangebied ligt een spoorlijn, het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn. Buisleidingen Op circa 200 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt de aardgasleiding Z-544-01 van de Gasunie. Hiervoor gelden een 100%- en een 1%-letaliteitsgrens van respectievelijk 90 en 170 meter. Het plangebied valt hier niet binnen. De aardgasleiding heeft geen invloed op onderhavige ontwikkeling. Het bestemmingsplan voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en aan de aanvullende kaders die zijn vastgelegd in de Beleidsvisie externe veiligheid van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode. Uit het voorgaande blijkt dat het groepsrisico geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.

4.12 Gezondheid Met de beoogde ontwikkeling worden er twee woningen gerealiseerd, wonen is een gevoelige functie. Er dient gekeken te worden naar mogelijke aspecten die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van de toekomstige bewoners. Doorwerking plangebied Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De dichtstbijzijnde varkenshouderij ligt 1,5 kilometer van het plangebied. Op basis hiervan valt een negatieve impact van deze veehouderij uit te sluiten. Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient er ook te worden ingegaan op de afstand van het plangebied tot de percelen die in gebruik zijn door de tuinbouwbedrijven en de daarbij behorende spuitzones. Ondanks dat er geen wettelijke afstand is voorgeschreven voor een spuitzone, wordt een afstand van 50 meter tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming (wonen) in het algemeen tot uitgangspunt genomen vanwege mogelijk vrijkomende drift bij het bespuiten van fruitbomen. Aan de Roest 2A is een fruitteeltkwekerij aanwezig, het perceel met de fruitteelt ligt op een afstand van meer dan 100 meter en vormt derhalve geen belemmering. Bovendien is de meest voorkomende windrichting in Nederland zuidwest.

Gezien de fruitboomgaarden ten noordoosten van het plangebied zijn gelegen waait eventuele vrijkomende drift veelal uit de richting van het plangebied. Verder zijn in de omgeving van het besluitgebied zijn geen (boom)kwekerijen of boomgaarden aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering.

Hoofdstuk 4

36

Hoogspanningslijnen De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ligt op ca. 2 kilometer. Derhalve vormt deze geen belemmering voor onderhavig plan. Geitenhouderijen Uit landelijk onderzoek blijkt dat er binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen meer longontsteking bij mensen voorkomt dan daarbuiten. De GGD-Brabant heeft hierover in een advies haar zorgen geuit en mede daarom heeft de provincie Noord-Brabant sinds juli 2017 een bouwstop voor geitenhouderijen afgekondigd. Dit zou kunnen betekenen dat nieuwe ontwikkelingen binnen 2 kilometer van een geitenhouderij niet als ruimtelijk aanvaardbaar worden aangemerkt. Naast de verhoogde gezondheidsrisico’s kan een geitenhouder zich ook benadeeld voelen bij ontwikkelingen binnen 2 km van zijn geitenhouderij. De verschillende Brabantse omgevingsdiensten hebben gezamenlijk de ‘handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ opgesteld (d.d. 30 april 2018). Deze handreiking omvat een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. In onderhavig project worden twee nieuwe wooneenheden gerealiseerd. De gemeente Meierijstad moet een zorgvuldige afweging maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen.

Concreet houdt dit afwegingskader in dat in de gemeente Meierijstad voorlopig als volgt gehandeld wordt: 1) Een uitbreiding van het aantal geiten in bestaande stallen of gebouwen wordt niet toegestaan, tenzij er geen gezondheidskundige bezwaren daarvoor zijn. 2) Binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen doet zich, vooralsnog, een extra risico voor. Daarom hanteert het college daar een extra zorgvuldigheid. Dat betekent dat met plannen voor het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen sowieso terughoudend omgegaan wordt. Er bestaat géén hard afwegingskader voor de toetsing van bouwplannen. Locatie, omgeving, het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn telkens anders en vragen om maatwerk. Het gezondheidsbelang wordt daarbij afgezet tegen bijvoorbeeld volkshuisvestelijke, sociale, economische en financiële belangen. 3) Aanvragers van plannen en nieuwe potentiele bewoners in het gebied worden geïnformeerd over het risico. Ook wordt hen gevraagd een verklaring daarover te ondertekenen. Kortom, op grond van een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk is er wellicht ruimte om ruimtelijke ontwikkelingen wél toe te staan binnen een straal van 2 km rondom een geitenhouderij. Op basis van de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid” kan een dergelijke afweging worden gedaan.

De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de beoordeling uitvoert, of dat een GGD-advies noodzakelijk wordt geacht. Op 380 meter ten zuidoosten van het plangebied ligt een geitenhouderij aan de Schootsedijk 47. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het op die locatie toegestaan om een geitenhouderij te exploiteren. In de feitelijke situatie en conform de vergunning zijn er circa 480 geiten op de geitenhouderij. Daarnaast op 550 meter ten noordwesten van het plangebied ligt aan de Pastoor Smitsstraat 55 ook een geitenhouderij, hier mogen volgens de vergunning 1.877 geiten worden gehouden.

Hoofdstuk 4

37

De gemeente wil meewerken aan kleinschalige private initiatieven indien de initiatiefnemers expliciet verklaren het (gezondheids)risico van ontwikkelen en bouwen binnen een straal van 2 kilometer en het procesrisico te aanvaarden. Deze verklaring is door initiatiefnemer ondertekend en zal kenbaar worden gemaakt aan de eindgebruikers. Overigens ligt het plangebied in de bebouwde kom tussen nog veel meer andere woningen en zijn er woningen die dichterbij de geitenhouderij zijn gevestigd. Uit toetsing aan het stappenplan uit de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid” volgt dat advies van de GGD nodig is voor dit plan. Er wordt dan ook geadviseerd het planvoornemen voor te leggen aan de GGD. Er worden overigens geen gezondheidsbeperkingen verwacht, gezien in de handreiking wordt aangegeven dat negatieve gevolgen voornamelijk optreden daar waar er meerdere veehouderijen in de omgeving aanwezig zijn, die gezamenlijk tot cumulatie leiden. In onderhavige situatie is er sprake van twee geitenhouderijen in de omgeving. Tevens speelt de windrichting een voorname rol bij de verspreiding van de uitstoot van een veehouderij. Windrichting en windsterkte spelen een rol bij de verspreiding van fijnstof (inclusief endotoxinen, ammoniak en micro-organismen) en geur.

Omdat de overwegende windrichting in Nederland uit het zuidwesten komt zal de verspreiding van geur en fijnstof van de betreffende geitenhouderij zich doorgaans verplaatsen uit de richting van de planlocatie aan Pastoor Smitsstraat. Daarbij worden de beoogde woningen niet dichter tot de geitenhouderij georiënteerd dan bestaande woningen. Conclusie Op basis van bovenstaande wordt het mogelijk geacht dat de gemeente Meierijstad een positieve afweging maakt ten aanzien van het planologisch toestaan van twee woningen ter plaatse van het plangebied. Wel wordt geadviseerd het planvoornemen aan de GGD voor te leggen. Initiatiefnemers hebben een overeenkomst gesloten met de gemeente waarin zij instemmen met de risico’s die horen bij het wonen nabij een geitenhouderij.

4.13 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op de parkeervraag en het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de parkeervraag en de verkeersgeneratie. De gemeente Meierijstad heeft haar parkeerbeleid geregeld middels het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Er dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. Voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, te worden gevolgd. Doorwerking plangebied Parkeren Volgens de beleidsregel ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ zijn er voor een vrijstaande woning 2,4 (waarvan 0,3 aandeel bezoekers) parkeerplaatsen nodig voor een vrijstaande woning in ‘rest bebouwde kom’.

Voor twee vrijstaande woningen in de ‘rest bebouwde kom’ zijn dus 4,8 parkeerplaatsen, afgerond 5 parkeerplaatsen benodigd. Het erf is voldoende groot om per woning 2 parkeerplaatsen te realiseren op eigen terrein. Figuur 4.2 toont aan dat op het woonerf ruimte is voor minstens één

Hoofdstuk 4

38

parkeerplaats en daarnaast is er per woning op de oprit nog eens ruimte voor een parkeerplaats. Daarnaast zijn er voor de woningen in een bestaande parkeerstrook 4 langsparkeerplaatsen, deze kunnen gebruikt worden voor een eventuele derde auto (het bezoekersaandeel van de parkeernorm), deze ruimte zal slechts incidenteel in gebruik zijn. Figuur 4.2 toont de situering en afmetingen van de parkeerplaatsen op de woonpercelen. Het aspect parkeren zal geen belemmering vormen voor onderhavige ontwikkeling.

Verkeer Er worden twee nieuwe vrijstaande woningen gerealiseerd. Deze woningen krijgen ieder een eigen inrit en ontsluiten op de Pastoor Smitsstraat. Het aantal verkeersbewegingen neemt beperkt (ca. 1517 ritten per etmaal4) toe. Er zullen hierdoor echter geen negatieve effecten ontstaan op de verkeersdrukte of verkeersveiligheid in de Pastoor Smitsstraat en de wegen in de omgeving. Het omliggende wegennetwerk kan de beperkte toename verkeersgeneratie prima verwerken. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4

Getallen gebaseerd op richtcijfers van het CROW, publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’

Hoofdstuk 4

39

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de realisatie van twee vrijstaande woningen met bijbehorende percelen en landschappelijke inrichting, zoals beschreven in hoofdstuk 2, juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.

Hoofdstuk 5

40

Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit is met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, onbebouwde zone) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.

Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouwen bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan.  algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. Tevens is een parkeerbepaling opgenomen, inhoudende dat voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of openbaar gebied conform de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ aanwezig dient te zijn. Deze bepaling vormt een toetsingskader bij de omgevingsvergunning voor het bouwen.

 algemene aanduidingsregels: hier is de gebiedsaanduiding ‘overige zone – cultuurhistorisch waardevol gebied’ opgenomen welke toeziet op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van het gebied. Dit is onder meer door middel van het landschappelijk inpassingsplan en de daarbij behorende verplichtingen geborgd in de onderliggende bestemmingen. De bouwregels van de onderliggende bestemmingen zijn onverkort van toepassing.  algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van niet-

Hoofdstuk 5

41

ingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3 Bestemmingen Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Groen – Landschapselement Het achterste deel van het plangebied wordt landschappelijk ingericht conform het inrichtingsplan en heeft de bestemming ‘Groen – Landschapselement’ gekregen. Ook de gronden binnen 5 meter van de watergang, behorend tot de onderhoudsstrook, hebben deze bestemming gekregen. Deze gronden zijn bestemd voor behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van de ter plaatse voorkomende ecologisch, landschappelijk en/of cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen, extensief dagrecreatief medegebruik, hobbymatig agrarisch grondgebruik en hobbymatige fruitteelt, groenvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op deze gronden mogen enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Daarbij zijn de bouwmogelijkheden binnen de zone langs de watergang uitgesloten. Voorts geldt een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van een aantal categorieën van werken (geen bouwwerken zijnde) en werkzaamheden. Wonen De voorste zone van het plangebied, vanaf de achterste grenzen van de tuinen tot aan de Pastoor Smitsstraat, is bestemd als ‘Wonen’. Deze gronden zijn bestemd voor het wonen in (vrijstaande) woningen, al dan niet in combinatie met een beroep aan huis onder voorwaarden.

Daarnaast zijn onder meer bij de woningen behorende tuinen en erven, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Voor de bebouwingsmogelijkheden is onderscheid gemaakt in de volgende drie zones:  Bouwvlak: hierbinnen zijn maximaal 2 vrijstaande woningen (hoofdgebouwen) toegestaan, alsmede bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde. De maximale goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding aangegeven. De overige regels volgen uit de bouwregels in combinatie met de situering van het bouwvlak;  Zone ‘erf’: dit betreft het achtererfgebied voor zover niet binnen het bouwvlak gelegen. Hierin zijn geen hoofdgebouwen, maar wel bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. In de bouwregels zijn de hieraan gestelde maatvoerings- en situeringseisen opgenomen.

Hoofdstuk 5

42

Zone ‘tuin’: dit betreft het gedeelte vóór de voorste bouwvlakgrens en het verlengde daarvan, tot aan de grens met het openbaar gebied. Binnen deze zone zijn uitbouwen in de vorm van entrees toegestaan, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hoofdgebouwen en overige bijbehorende bouwwerken zijn niet toegestaan.

Ten aanzien van het in gebruik nemen van woningen, geldt als voorwaardelijke verplichting dat tijdig de landschappelijke inpassing en inrichting conform de bijlage moet worden gerealiseerd. Na realisatie dient deze in stand te worden gehouden. Ook ten aanzien van het aspect akoestiek is een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Hoofdstuk 5

43

6.

UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

6.2 Maatschappelijk Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Omgevingsdialoog Voor het initiatief is in de voorbereidende fase van het plan een omgevingsdialoog gevoerd met omwonenden en belanghebbenden (februari 2019). Er zijn gesprekken gevoerd met de bewoners van de adressen: Pastoor Smitsstraat 17, 21 en 36 alsmede de Schootsedijk 35. Naar aanleiding van deze gesprekken is het oorspronkelijk beoogde wandelpad aan de zijde van de Ollandse Waterloop komen te vervallen. Dit omwille van de zorg van de omwonenden voor privacy aantasting, inkijk en gebrek aan nut en noodzaak vanwege de beschikbaarheid van alternatieve paden om ‘een blokje om’ te kunne lopen.

Om privacyredenen zijn de verslagen van deze dialogen niet toegevoegd aan onderhavig bestemmingsplan. 6.2.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. Er heeft vooroverleg met het Waterschap De Dommel plaatsgevonden en de landschappelijke inpassing is mede naar aanleiding van dit overleg tot stand gekomen.

Hoofdstuk 6

44

6.2.3 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. De gemeente Meierijstad heeft geen inspraakverordening. Gekozen is om geen inspraak toe te passen, dit omdat er al een omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden. 6.2.4 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf vrijdag 22 januari 2021 tot en met donderdag 4 maart 2021 voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is er één zienswijze ingediend door de Provincie Noord-Brabant. De provincie ziet dat er een afweging is gemaakt tussen ontwikkelen en beschermen van de waarden in het Landelijk gebied, doordat de hoofgebouwen en het bouwvlak volledig in stedelijk gebied zijn geprojecteerd. Op de gronden met bestemming Wonen en functieaanduiding ‘erf’ zijn in het plan (wel) bijgebouwen toegestaan tot in ieder geval 100 m2.

In de vigerende situatie is hier op dit perceel geen bebouwing toegestaan, maar kunnen deze gronden wel als ‘tuin’ gebruikt worden. Het zijn ook uitsluitend deze gronden die voor een invulling met bijgebouwen worden ingericht. De begrenzing van de achtergrens van de erven is gelegd in het verlengde van de achtergrens van de overige erven behorende bij de bebouwing aan de zuidzijde van de Pastoor Smitsstraat. Op een deel van deze gronden rust ingevolge de interim Omgevingsverordening de aanduiding Cultuurhistorisch waardevol gebied. De gronden met deze aanduiding zijn mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart. De provincie vraagt om een nadere onderbouwing van het plan in relatie tot deze cultuurhistorische waarden en kenmerken. Deze onderbouwing is gegeven in de paragaaf 3.2 ‘provinciaal beleid’ en 4.2 ‘cultuurhistorie’. Ter juridische borging is de gebiedsaanduiding ‘overige zone – cultuurhistorisch waardevol gebied’ opgenomen. Daarnaast heeft het Waterschap De Dommel verzocht om een ambtshalve toevoeging van het begrip ‘water en waterhuishoudkundige voorzieningen’. Deze zijn bij vaststelling toegevoegd in de planregels.

Hoofdstuk 6

45

BIJLAGEN BIJ TOELICHTING Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Archeologisch bureau- en veldonderzoek Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Waterparagraaf Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 6: Akoestisch onderzoek Bijlage 7: Klic Melding

Regels

Inhoudsopgave Regels

5

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

6

Artikel 1

Begrippen

6

Artikel 2

Wijze van meten

13

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

14

Artikel 3

Groen - Landschapelement

14

Artikel 4

Wonen

16

Artikel 5

Waarde - Archeologie

22

Artikel 6

Waarde - Archeologie 2

24

Artikel 7

Waterstaat - Attentiezone w aterhuishouding

26

Hoofdstuk 3

Algemene regels

27

Artikel 8

Anti-dubbeltelregel

27

Artikel 9

Algemene bouw regels

28

Artikel 10

Algemene gebruiksregels

29

Artikel 11

Algemene aanduidingsregels

31

Artikel 12

Algemene afw ijkingsregels

32

Artikel 13

Algemene w ijzigingsregels

34

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

35

Artikel 14

Overgangsrecht

35

Artikel 15

Slotregel

36

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 3 van 36

Datum:24 juni 2021

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 4 van 36

Datum:24 juni 2021

Regels

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 5 van 36

Datum:24 juni 2021

Hoofdstuk 1

Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan 'Pastoor Smitsstraat 19, Olland' met identificatienummer NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01 van de gemeente Meierijstad; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge deze regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 ander werk een werk, geen bouwwerk zijnde; 1.6 bebouwing een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.7 bedrijf aan huis het door de bewoner van de woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel, behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten; 1.8 begane grondvloer de bouwlaag van een gebouw, welke rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau; 1.9 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een beroep c.q.

een bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.10 beroep aan huis een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend;

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 6 van 36

Datum:24 juni 2021

1.11 bestaande bebouwing bebouwing die op het tijdstip van eerste terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaat of in uitvoering is, danwel na dat tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning met betrekking tot bouwen, waarbij de bouwaanvraag voor dat tijdstip is ingediend; 1.12 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.13 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.14 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak, daaronder begrepen: aanbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; aangebouwd bijbehorend bouwwerk: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm,

dakhelling) ondergeschikt is aan en niet in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; uitbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een vergroting van een bestaande ruimte inhoudt; vrijstaand bijbehorend bouwwerk: een vrijstaand gebouw dat zowel in bouwkundig (constructie) architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; carport: een vrijstaand of aangebouwd bouwwerk ten behoeve van de stalling van (motor)voertuigen, bestaande uit een gesloten dakconstructie, ondersteund door palen of kolommen; de wanden van de bebouwing waartegen wordt aangebouwd kunnen als ondersteuningsconstructie fungeren; overkapping: een bouwwerk bestaande uit een gesloten dakconstructie, zonder eigen wanden of met maximaal 1 eigen wand, dat aan tenminste een deel van één zijde een gesloten wand kent.

1.15 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 7 van 36

Datum:24 juni 2021

1.16 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van een dakterras, onderbouw en zolder; 1.17 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.18 bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel; 1.19 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.20 bouwvlakgrens de grens van een bouwvlak; 1.21 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.22 bijzondere woonvormen a. een woonvorm waar bewoners nagenoeg zelfstandig wonen met (voorzieningen voor) verzorging en begeleiding (ook 24-uurs begeleiding); b. een groep personen die geen (duurzame) gemeenschappelijk huishouden voert, er is geen sprake van continuïteit in de samenstelling en onderlinge verbondenheid; c. woongroepen: een groep personen die er bewust voor kiezen om met elkaar in één woning samen te wonen, zonder dat er sprake is van een gezinsverband of samenlevingsvorm.

1.23 carport een vrijstaand of aangebouwd bouwwerk ten behoeve van de stalling van (motor)voertuigen, bestaande uit een gesloten dakconstructie, ondersteund door palen of kolommen; de wanden van de bebouwing waartegen wordt aangebouwd kunnen als ondersteuningsconstructie fungeren; 1.24 cultuurhistorisch waardevol gebied gebied met een bepaalde cultuurhistorische waarde, bestaande uit waardevolle structuren (ontsluiting, waterhuishouding, verkaveling, beplanting en percelering); 1.25 dak elke bovenbeëindiging van een gebouw; 1.26 dakkapel een ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak, vooral bedoeld om de lichttoevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=c2cb1542-b533-47cb-9b80-bb3ca28579ba