CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Pastoor Smitsstraat 19

Raadsvergadering 24 juni 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan ‘Pastoor Smitsstraat 19, Olland’29.136 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan

Pastoor Smitsstraat 19, Olland

Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48

Betreffende

Pastoor Smitsstraat 19, Olland

Planstatus

vastgesteld

Projectnummer

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Datum

24 juni 2021

Bestemmingsplan Pastoor Smitsstraat 19, Olland Gemeente Meierijstad Vastgesteld

Rapportnummer:

P02004_1

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020_VG01

Datum:

24 juni 2021

Opdrachtgever:

particulier

Projectteam BRO:

JR, MvDn, JvdA

Concept:

juni 2020

Ontwerp:

18 december 2020

Vaststelling:

24 juni 2021

Bron foto kaft:

BRO

Beknopte inhoud:

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Toelichting

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

3 3 3 5 7

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie en gebiedskenmerken 2.2 Voorgestane ontwikkeling 2.3 Beeldkwaliteitsplan

8 8 10 11

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

13 13 15 17

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 M.e.r.-beoordeling 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Flora en fauna 4.4 Waterparagraaf 4.5 Bodem 4.6 (Ondergrondse) Infrastructuur 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Geurhinder 4.9 Akoestiek wegverkeerslawaai 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Gezondheid 4.13 Verkeer en parkeren

20 20 20 23 26 29 30 30 32 32 33 34 36 38

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen

40 40 40 42

Inhoudsopgave

1

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijk

44 44 44

6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Inspraak 6.2.4 Vaststellingsprocedure

44 44 45 45

BIJLAGEN BIJ TOELICHTING Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Archeologisch bureau- en veldonderzoek Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Waterparagraaf Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 6: Akoestisch onderzoek Bijlage 7: Klic Melding

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Aan het bebouwingslint van de Pastoor Smitsstraat ongenummerd (tussen nummer 17 en 21) liggen twee onbebouwde percelen. De eigenaren van deze percelen zijn voornemens om tot een herinvulling te komen met twee vrijstaande woningen en daarnaast landschapsversterking aan te brengen zowel langs de Ollandse Waterloop die noordwestelijk van het perceel stroomt als aan de achterzijde van het perceel. Op de onbebouwde percelen ligt ingevolge het vigerende bestemmingsplan ‘Olland’ weliswaar een woonbestemming, maar er is geen bouwvlak opgenomen en er ligt ter plaatse een functieaanduiding ‘Tuin’. Waardoor het initiatief op basis van het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk is. Daarnaast ligt de achterzijde van de percelen in het buitengebied. Het college van burgemeester en wethouders heeft bij vergadering van 26 maart 2019 besloten dat het plan voor de Pastoor Smitsstraat ongenummerd te Olland in principe ruimtelijk voorstelbaar is, onder nadere voorwaarden. De gemeente is in beginsel bereid medewerking te verlenen en nodigt initiatiefnemers uit om een planologische procedure op te starten. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het nieuwe planologisch-juridische kader voor het plangebied waarin is aangetoond dat het initiatief op de verschillende relevante (rand)voorwaarden en onderdelen haalbaar is.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen in de gemeente Meierijstad. Het betreft twee percelen, gelegen aan de Pastoor Smitsstraat, een bebouwingslint net ten zuidoosten van de kern Olland. Kadastraal staan deze percelen bekend als ODR01-I-6647 en ODR01-I-6648 en hebben gezamenlijk een oppervlakte van 3.900 m2. In figuur 1.1 wordt de ligging van het plangebied in de nabije omgeving weergegeven. De begrenzing van het plangebied wordt in deze afbeelding eveneens globaal weergegeven, voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 1

3

Figuur 1.1 Ligging en planbegrenzing (bron: Google Maps)

Hoofdstuk 1

4

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor onderhavig plan zijn meerdere bestemmingsplannen geldend:  Het bestemmingsplan ‘Olland’ (voor het oostelijke deel van het plangebied);  Het bestemmingsplan ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1’ (gehele plangebied);  Het ‘Paraplubestemmingsplan parkeren (gehele plangebied);  Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ en herzieningen hierop: ‘Buitengebied SintOedenrode, herziening 2’ d.d. 29 september 2016, ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 3’ d.d. 16 augustus 2017; ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’ d.d. 29 maart 2018 (westelijke deel plangebied). Bestemmingsplan ‘Olland’ Voor het oostelijke deel van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Olland’ vigerend. Dit bestemmingsplan is op 15 juli 2009 vastgesteld door de voormalige gemeente Sint-Oedenrode. Er geldt de enkelbestemming ‘Wonen’ zonder bouwvlak met de functieaanduiding ‘Tuin’. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’. De voor ‘Waarde-Archeologie’ aangewezen gronden zijn primair bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden. Op basis van de bestemming ‘Wonen’ zonder bouwvlak en binnen de functieaanduiding ‘Tuin’, is het niet mogelijk om twee woningen te realiseren, omdat woningen binnen een bouwvlak dienen te worden opgericht.

Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een partiele herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het nieuwe planologisch-juridische kader voor het plangebied waarin is aangetoond dat het initiatief op de verschillende relevante onderdelen haalbaar is.

Figuur 1.2 Vigerend bestemmingsplan ‘Olland’ (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Hoofdstuk 1

5

Bestemmingsplannen ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1’ en ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ Naast bovengenoemd bestemmingsplan is ook het bestemmingsplan ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1’ vastgesteld op 29 januari 2015 door de voormalige gemeente Sint-Oedenrode en het ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019 door gemeente Meierijstad, van kracht. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met het “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Het paraplubestemmingsplan voorziet in een uniforme regeling voor de toetsing van ruimtelijke ontwikkelingen aan de geldende parkeernormen voor de gehele gemeente Meierijstad. Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ (en herzieningen hierop) Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’, vastgesteld op 15 maart 2012 en diverse herzieningen hiervan: ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’ d.d. 29 september 2016, ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 3’ d.d. 16 augustus 2017; ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’ d.d. 29 maart 2018, liggen op het achterste gedeelte van de percelen. In figuur 1.3 toont de uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ ter plaatse van het plangebied.

Op deze percelen rust de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waterstaat – Attentiegebied EHS’. Daarnaast zijn met de herziening bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’ de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – beperkingen veehouderij’ en ‘overige zone – groenblauwe mantel’ op het perceel komen te liggen. Ook hier zijn de bestemmingsplannen ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1’ vastgesteld op 29 januari 2015 door de voormalige gemeente Sint-Oedenrode en het ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019 door gemeente Meierijstad, van kracht.

Figuur 1.3 Vigerend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Hoofdstuk 1

6

1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken en enkele bijlagen. Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 ‘Planbeschrijving’, dit gaat in op de beschrijving van de huidige situatie van het plangebied, de ontwikkelingsmogelijkheden en de gewenste situatie. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarbij wordt bekeken of de voorgestane ontwikkeling in lijn is met dit beleid. In hoofdstuk 4 wordt de milieutechnische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. Vanuit de verschillende van invloed zijnde haalbaarheidsaspecten zoals externe veiligheid, luchtkwaliteit en water wordt in dit hoofdstuk beschreven waarom de ontwikkeling welke voorliggend plan mogelijk maakt, uitgevoerd kan worden. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet toegelicht. Er wordt een antwoord gegeven op de vraag hoe hetgeen in voorliggend plan is vastgelegd, juridisch wordt geregeld. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 1

7

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie en gebiedskenmerken Olland is ontstaan als een langgerekte nederzetting op de oeverwal en de dekzandrug ten noorden van de Dommel. Na Sint-Oedenrode was dit in 1865 het tweede dorp dat een zelfstandige parochie werd op het grondgebied van de gemeente. De kern bezat als sinds 1467 een kapel. Na de stichting van de parochie ontwikkelde de kern zich in de 19e eeuw langs het lint: nu de Pastoor Smitsstraat. Dit lint is onderdeel van de oude route tussen de kernen Sint Oedenrode en Boxtel. De Pastoor Smitsstraat was en is de centrale as van de kern. De bebouwing aan de zuidzijde van de Pastoor Smitsstraat grenst direct aan het beekdal dat ten zuiden van de kern Olland ligt. Olland ligt midden in het zogenaamde Broek- en Donkengebied. Kenmerkend voor dit gebied zijn onder meer een grillig wegen- en kavelpatroon, opgaande populierenbeplantingen langs perceelsranden en wegen, afgewisseld met kleine populierenbosjes. Het is een karakteristiek kleinschalig cultuurlandschap met een in hoofdzaak agrarisch grondgebied. Het kleinschalige, afwisselende landschap is recreatief zeer aantrekkelijk.

Figuur 2.1: Ruimtelijke hoofdstructuur Olland met plangebied (gele ster) in ‘Historisch Dorpslint’ (Bron: BRO 2009)

Hoofdstuk 2

8

Het gehele lint Pastoor Smitsstraat heeft een structurerende functie binnen de kern Olland. Het lint is de toegang tot de kern. Rondom de Heilige Martinuskerk, centraal gelegen in de kern, is sprake van een dorpspit. De bebouwingswanden van de Pastoor Smitsstraat bestaan voornamelijk uit vrijstaande en half-vrijstaande woningen uit verschillende tijdsperioden. Vooral in de ‘uitlopers’, zoals ter hoogte van het plangebied, heeft de bebouwing uit de naoorlogse periode de overhand. De bebouwing heeft een ‘dorpse’ bouwhoogte van één tot twee bouwlagen met kap.

Figuur 2.2: Plangebied gezien vanuit noordwestelijke richting met de Ollandse Waterloop (bron: Google Streetview)

Het profiel van de Pastoor Smitsstraat bestaat uit een rijbaan met aan de zijde van het plangebied een verharde bermsrtook. Voor het plangebied bevinden zich parkeerplaatsen. De rijbaan wordt begeleidt door solitaire bomen. De panden verderop aan de straat hebben voortuinen die door middel van hagen van de openbare ruimte worden gescheiden. Op korte afstand van het plangebied bevindt zich een riooloverstort, initiatiefnemers zijn hiervan op de hoogte en hebben hier geen problemen mee. De planlocatie zelf is gelegen aan de Pastoor Smitsstraat, tussen de huisnummer 17 en 21 en tegenover nummer 36. Het plangebied is momenteel in gebruik als agrarisch perceel. Het landschappelijk beeld ter plaatse wordt grotendeels bepaald door de aanwezigheid van de Ollandse Waterloop. De waterloop is gekanaliseerd en enkel beleefbaar vanuit de Pastoor Smitsstraat, waar een doorzicht mogelijk is naar de achterliggende agrarische percelen. De houtsingel langs de zuidelijke perceelgrens benadrukt het doorzicht naar de waterloop.

Hoofdstuk 2

9

2.2 Voorgestane ontwikkeling De voorgestane ontwikkeling betreft het realiseren van twee vrijstaande woningen. De twee vrijstaande woningen krijgen een oriëntatie op het bebouwingslint, i.c. de Pastoor Smitsstraat. Gezien de beperkte breedte van de percelen is gekozen voor de toepassing van twee kopgevels aan de straatzijde. Hierdoor wordt het minimum van 3 meter tussen de hoofdmassa en de zijdelingse perceelsgrenzen gehandhaafd. Daarnaast blijft zodoende ruimte over voor opritten, parkeerruimte en eventueel toegang tot (achterliggende) bijgebouwen. De twee nieuwe woningen worden zo gesitueerd dat enerzijds wordt aangesloten bij de voorgevelrooilijn van de naastgelegen woningen aan de Pastoor Smitsstraat (dit geldt voor de oostelijke woning) en anderzijds een verspringing wordt voorgesteld voor de westelijk gelegen woning zodat er een begeleiding van de Ollandse Waterloop ontstaat en de bewustwording van deze watergang wordt geaccentueerd door het terugleggen van de bebouwing. De rooilijn van de westelijke woning wordt dus iets teruggelegd op het perceel, zo wordt er ruimte gecreëerd ter plaatse van de kruising van de waterloop met de straat. Deze situering speelt mede in op de aanwezigheid van de tegenover gelegen boerderijwoning, welke met twee kastanjebomen en een open ruimte beeldbepalend is voor het bebouwingslint.

Met de planontwikkeling wordt de bestaande kwaliteit van het gebied benut en verder versterkt. Intensieve begrazing is uitgesloten. De kansen die er liggen om een bijdrage te leveren aan de esthetische en ecologische waarden van het gebied rondom de waterloop worden benut. Het landschap rondom het plangebied wordt gekenmerkt door agrarische percelen met weidegronden, akkers en boomgaarden. Het agrarisch landschap wordt doorsneden door rivier de Dommel, welke zich meanderend een weg door het landschap baant. In het beekdal zijn vele landschapselementen terug te vinden, zoals afgesneden rivierarmen, poelen, en graslanden, omzoomd met houtsingels, struweelhagen en kleine bospercelen. Op diverse plaatsen vertakt de Dommel zich in kleinere watergangen, waarvan de aan het planperceel grenzende Ollandse Waterloop er een is. De kwaliteitsverbetering en landschapsinvestering is middels een landschappelijk inpassingsplan gevisualiseerd. Figuur 2.3 toont het landschappelijk inpassingsplan en deze is tevens toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. Dit landschappelijk inpassingsplan is in overleg met het Waterschap en de gemeente Meierijstad tot stand gekomen. De oprichting van de woningen dient gepaard te gaan met een landschappelijke inpassing, teneinde een goede inbedding in het dorpslint en landschap te waarborgen.

Aan de zijde van het lint betekent dit toepassing van de kenmerkende landschapselementen, zoals geschoren hagen op de perceelsgrenzen, waarbij deze aan de straatzijde niet hoger dienen te worden dan 1.2 meter. Aan de achterzijde kunnen de hagen uitgroeien tot 2.0 meter ten behoeve van de privacy in de achtertuinen. Op de hoek aan de straatzijde nabij de waterloop, en twee hoeken aan de achterzijden van de woonpercelen, worden landschapsbomen aangeplant. De bomen markeren de hoeken van de percelen en aan de voorzijde, de kruising van de waterloop met de straat. Aan de zuidwestzijde grenzen de woonpercelen aan het achterliggende beekdallandschap. Om hier een goede overgang te bewerkstelligen, wordt een hoogstam fruitboomgaard aangeplant. De boomgaard is een passend landschapselement voor in de dorpsmantel. De boomgaard blijft vrij van (opgaande) onderbeplanting; uitsluitend (bloemrijk-) grasland is een passende ondergroei.

Hoofdstuk 2

10

Langs de Ollandse Waterloop wordt een strook van 5 meter vrijgehouden voor de onderhoudswerkzaamheden van het waterschap. De strook wordt ingezaaid met bloemrijk grasland. De afstand tussen de insteek van de sloot en de hoofdbebouwing van de woning bedraagt minimaal 7 meter.

Figuur 2.3 Landschappelijke inpassing

2.3 Beeldkwaliteit De gemeente verplicht een beeldkwaliteitsplan immers bij een ontwikkeling van meer dan twee woningen, derhalve is een beeldkwaliteitsplan voor deze ontwikkeling niet noodzakelijk. Als toetsingskader voor welstand gelden voor deze locatie de (gebiedsgerichte) criteria uit de gemeentelijke welstandsnota van toepassing. Het welstandsbeleid richt zich in dit gebied op het handhaven en gericht verbeteren van de basiskwaliteit: de compositie van het straatbeeld. Daarbij wordt gelet op de contouren van de bouwmassa’s en op de zorgvuldige detaillering van de bebouwing. Het beleid is vooral gericht op het behoud van het architectonische karakter per gebied en de oorspronkelijke vormgeving en kwaliteit van de panden. Per architectonische eenheid is enige variatie in detaillering mogelijk, mits deze variatie per woningblok wordt doorgevoerd. Bij renovatie of nieuwbouw zijn moderne interpretaties van het architectonische karakter, mits goed gemotiveerd, mogelijk. Gestreefd wordt naar een goede vormgeving en onderlinge samenhang van tuinafscheidingen. Omdat de huidige gemeentelijke welstandsnota weinig ruimte laat voor een specifieke typologie/architectuur terwijl hier op deze plek juist wel aanleiding hiervoor bestaat, is middels deze beeldkwaliteitsparagraaf de beeldkwaliteit voor de planlocatie verder aangevuld en gelden de volgende criteria.

Hoofdstuk 2

11

Situering  De bebouwing richt zich in haar situering en verschijningsvorm op de maat, de schaal en de structuur van de omgeving, waarbij een verspringing is voorgesteld voor de westelijk gelegen woning. Deze verspringing zorgt mede voor begeleiding van de Ollandse Waterloop en zorgt voor de accentuering van deze watergang door het terugleggen van de bebouwing;  De panden staan met de voorgevel georiënteerd naar de straat, indien deze zichtbaar zijn vanaf de straat. De panden krijgen een oriëntatie op het bebouwingslint, i.c. de Pastoor Smitsstraat, lichte verdraaiing is mogelijk;  Hoofdgebouwen staan aan de straatzijde, bijgebouwen hebben een ondergeschikte positie;  De ritmiek, de schaal en de hoogte van de bebouwing is afgestemd op die van de omgeving.

Massa en vorm  De hoofdvorm van de gebouwen is eenduidig, waarbij de verbijzondering qua situering uitnodigt tot een verbijzondering in massa en vorm, maar altijd passend bij de maat en schaal van de omgeving;  Gezien de beperkte breedte van de percelen de toepassing kopgevels aan de straatzijde passend wordt geacht;  Een doorzicht langs en accentuering van de Ollandse Waterloop blijft gehandhaafd;  De verbijzondering qua situering uitnodigt tot een verbijzondering in architectuur, waarbij het wenselijk is om beide woningen in dezelfde stijl/familie uit te voeren zodat een ensemble ontstaat waarbij de massa’s en vormentaal op elkaar is afgestemd;  Bijgebouwen zijn in hoofdvorm en kap afgestemd op die van het hoofdgebouw.  Aanbouwen blijven onder of boven de lijn van de daklijst. Kleurgebruik  Grotere vlakken tonen geen sterke kleurcontrasten;  De kleuren per gebouw dienen te harmoniëren met elkaar;  De kleuren moeten passen bij de kleurstelling van het ensemble als geheel. Materiaalgebruik  De materiaalkeuze is eigentijds, maar doet geen afbreuk aan de directe omgevingskarakteristiek.  Grote vlakken hebben een structuur of onderverdeling

Hoofdstuk 2

12

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (vastgesteld op 13 maart 2012) staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk stelt dat een aanpak dient te ontstaan waarmee Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig wordt gemaakt. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een Rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:  een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;  over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed;  een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.

Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):  het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;  het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Deze zijn geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Doorwerking plangebied Het initiatief heeft geen nationaal belang en het rijksbeleid vormt dan ook geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. De SVIR heeft geen specifieke betekenis voor dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 3

13

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de SVIR is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Onderhavig initiatief maakt de bouw van twee woningen mogelijk, binnen de bebouwde kom.

Gelet op de aard en kleinschaligheid van het plan, voorziet het plan niet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (ABRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4). De in het plan voorziene ontwikkeling kan gelet op de jurisprudentie dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is niet van toepassing. De ladder voor duurzame verstedelijking is voor onderhavig initiatief niet noodzakelijk.

1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

14

3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? De provincie wil het gesprek over stedelijke ontwikkeling dat in de afgelopen decennia werd gedomineerd door de vraag: ‘wat moeten we nog toevoegen’, ombuigen naar het gesprek over: ‘welke opgave en kansen liggen er in het bestaand stedelijk gebied en de bestaande gebouwenvoorraad?’ Duurzame verstedelijking De toenemende verschillen binnen Brabant maken het des te belangrijker om op het niveau van het daily urban system goed samen te werken en keuzes te maken. Het daily urban system is het gebied waarin een inwoner zich dagelijks verplaatst vanwege werk, voorzieningen en sociale contacten. Uitbreiding van het bestaande stedelijk gebied in steden en dorpen is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag.

Herbestemmen is het nieuwe bouwen: Als gevolg van economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings- en transformatieopgaven in hun bebouwde gebied. Hier liggen interessante kansen voor het toekomstbestendig maken van het stedelijk gebied en ook voor het creëren van ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen en voor woningbouw! De komende 10 jaar ligt er een forse woningbouwopgave (ca 120.000 woningen), daarna loopt de woningbouwopgave in omvang terug. Dat betekent dat we komende 10 jaar dé kans hebben om de kwaliteit van het stedelijk gebied op orde te brengen en de leegstand aan te pakken. De provincie brengt met haar partners de transformatiepotenties in beeld en onderzoeken gezamenlijk hoe deze opgaven kunnen worden aangepakt. Er wordt bijgedragen aan de realisering van grote, complexe transformatieopgaven. Doorwerking plangebied Met onderhavig planvoornemen vindt er inbreiding plaats binnen het bestaand stedelijk gebied. Er worden twee nieuwe woningen toegevoegd, er is derhalve sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en het plan past binnen het gedachtegoed van herstructurering van het bestaand stedelijk gebied. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld.

De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014.

Hoofdstuk 3

15

De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied De planlocatie waar de woningen worden opgericht is in de Interim Omgevingsverordening aangeduid als ‘stedelijk gebied’ en ‘landelijke kern’. Onderstaande artikelen uit de Interim Omgevingsverordening zijn van toepassing.

Figuur 3.1 Ligging plangebied in Interim Omgevingsverordening (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 - Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 a. b. c. d. e. f.

- Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoen de ruimte voor de opvang van water; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.

Hoofdstuk 3

16

Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied waardoor stedelijke ontwikkelingen zijn toegestaan. De Interim Omgevingsverordening verplicht dat ruimtelijke ontwikkelingen een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving bevorderen en houdt rekening met duurzaamheid en hittestress. Voorliggend bestemmingsplan voorziet de in de ruimtelijke onderbouwing van onder andere deze aspecten. Het plangebied ligt in een bestaand stedelijk gebied en wordt niet belemmerd door regels uit de Interim Omgevingsverordening. Er worden twee vrijstaande woningen opgericht in een bestaand bebouwingslint in het stedelijk gebied. Met het planvoornemen is sprake van inbreiding. In de planuitwerking wordt rekening gehouden met duurzaamheid en energietransitie. Daarnaast moet de ontwikkeling voorzien in een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving, deze onderwerpen worden behandeld in hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten. Een klein gedeelte van de nieuwe bestemming Wonen en functieaanduiding ‘erf’ liggen binnen de aanduiding ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’. De gronden met deze aanduiding zijn mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart.

De begrenzing van de achtergrens van de erven van de nieuwe woningen is gelegd in het verlengde van de achtergrens van de overige erven behorende bij de bebouwing aan de zuidzijde van de Pastoor Smitsstraat zodat geen verdere occupatie achter deze heersende erfgrens (en lijn voor erfbebouwing) komt te staan. Daarnaast is er door de koppeling van de planontwikkeling aan de uitvoering en instandhouding van een landschappelijke inpassingsplan, waarbij nadrukkelijk de demarcatie tussen ‘erf’ en achterliggend landschapselement is aangegeven, rekening gehouden met de cultuurhistorische karakteristieken in dit gebied. In de planregels en op de verbeelding is de gebiedsaanduiding ‘overige zone – cultuurhistorisch waardevol gebied’ opgenomen. Het achterste gedeelte van het plangebied is conform de Interim Omgevingsverordening gelegen in ‘landelijk gebied’, ‘groenblauwe mantel’, ‘attentiezone waterhuishouding’ en ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’. Met onderhavige ontwikkeling wordt juist dit gedeelte van het perceel bestemd als ‘GroenLandschapselement’ en vindt hier juist de landschappelijke versterking en inpassing plaats. Het aantal gebruiksfuncties neemt met de bestemmingswijziging ook af. Het plan levert zo een bijdrage aan een goede omgevingskwaliteit en er is op deze manier rekening gehouden met de cultuurhistorische waarde van de Ollandse Waterloop.

Daarnaast voorziet het plan in voldoende ruimte voor de berging van water.

3.3 Gemeentelijk beleid Visie Rooi(se) Draad Versterkt. De visie Rooi(s)e Draad Versterkt2 is een herijking van de Rooi(s)e Draad (2005) en is een strategisch document van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode waarin de hoofdkoersen op ruimtelijk, sociaal en economisch gebied bepaald zijn. In de Rooi(s)e Draad zijn kernkwaliteiten aangegeven. Besluiten en initiatieven zullen steeds aan deze kernkwaliteiten worden getoetst. Het kader is sturend, maar tegelijkertijd laat het ruimte voor creativiteit en initiatief vanuit de Rooise samenleving. Belangrijkste kernthema’s zijn: innovatie, kleinschaligheid en duurzaamheid. De Rooi(s)e Draad Versterkt is geen geheel nieuwe visie maar een focus op de beleidsterreinen waar de koers afwijkt van de oorspronkelijke visie. Het accent ligt op drie majeure thema’s:   2

Economie en Ruimtelijke ontwikkeling; Woningbouw en Leefbaarheid; De Rooi(s)e Draad Versterkt, vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 27 september 2012.

Hoofdstuk 3

17

Vitaal Platteland.

In dit kader is met name het thema Woningbouw en Leefbaarheid van belang. Woningbouw en leefbaarheid Het merendeel van de nieuwe plannen voor woningbouw zal in de komende periode ontwikkeld worden voor de hoofdkern Sint-Oedenrode. Voor woningbouw in de kerkdorpen worden de bestaande plannen uitgevoerd. Voor de huidige stagnatie in de woningbouw worden in overleg met het maatschappelijk veld slimme oplossingen gezocht. Doorwerking plangebied Initiatiefnemers zijn reeds al enige jaren met de voormalige gemeente Sint-Oedenrode in overleg over een invulling met woningbouw voor de percelen. Destijds is een variant gepresenteerd met circa 7 – 11 woningen. Echter is tussentijds geconstateerd dat de woonbehoefte in het dorp Olland niet aansluit op dit aantal woningen. Er is derhalve gekeken naar een alternatief dat niet alleen beter aansluit bij de woonbehoefte van het dorp Olland, maar ook een beter past bij de stedenbouwkundige en landschappelijke structuur. Gezien de afspraken uit het verleden kan worden gesteld dat met onderhavige ontwikkeling een bestaand plan tot uitvoering wordt gebracht. Woonvisie Meierijstad De gemeente Meierijstad heeft een Woonvisie opgesteld (vastgesteld op 5-7-2018). Meierijstad wil een stad zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen.

De gemeente streeft naar vitale wijken en kernen en een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. Met deze visie wordt meer houvast geboden voor het analyseren van knelpunten en het benutten van mogelijkheden. De visie is opgebouwd uit vier verschillende thema’s met elk een eigen ambitie. Zo wordt er ingespeeld op de dynamiek van de woningmarkt en is er aandacht voor belangrijke trends zoals duurzaamheid, zorg en welzijn, en de leefbaarheid. De dynamiek van de woningmarkt De woningmarkt is in beweging en het is van belang dat bouwplannen hier zoveel mogelijk op inspelen zodat aan de woonwensen van de inwoners wordt voldaan. Hierbij wordt een toename verwacht van de woningbehoefte in de gemeente tot aan 2030. Deze demografische ontwikkelingen leiden tot een veranderende woningbehoefte. Omdat de meeste woningen er al staan kijkt de gemeente kritisch naar de woningen die aan de woningvoorraad toegevoegd worden. Zorg en welzijn De samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving. Duurzaamheid De gemeente Meierijstad wil in 2050 energieneutraal zijn.

Deze duurzame ambitie is doorvertaald in een duurzame woonvisie. Niet alleen dient er sprake te zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling, de woning zelf dient ook duurzaam te zijn. Hierbij dient bijvoorbeeld gekeken te worden naar de mogelijkheden voor aardgasloos bouwen, isolatie en een duurzaam gebruik van grondstoffen.

Hoofdstuk 3

18

Leefbaarheid Het creëren van een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. Doorwerking plangebied De gemeente geeft de prioriteit aan inbreidingsplannen boven uitbreidingsplannen. Onderhavig plan voorziet in het mogelijk maken van het oprichten van twee woningen in kern Olland, binnen het bestaand stedelijk gebied. De realisatie vindt plaats op een logische plek in het stedelijk weefsel, bij het ontwerp is nadrukkelijk rekening gehouden met de uitstraling van het gebied. Er zijn mogelijkheden de woningen levensloopbestendig te bouwen. De woningen worden gerealiseerd met aandacht voor kwaliteitsverbetering en behoudt van de kracht van de kern. Met het realiseren van de twee woningen wordt bijgedragen aan de woonwensen van initiatiefnemers. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de duurzame wensen van de gemeente Meierijstad. Zo zullen de woningen zoveel mogelijk energieneutraal gebouwd worden. Hiermee is het plan in lijn met de Woonvisie Meierijstad.

Hoofdstuk 3

19

4. OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Doorwerking plangebied In het Besluit m.e.r. worden woningen als onderdeel van de activiteit stedelijk ontwikkelingsproject genoemd (categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r.). De vraag is of de bouw van twee woningen gezien moet worden als stedelijk ontwikkelingsproject.

Volgens de Raad van State (zie uitspraak 201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De concrete omstandigheden in dit geval is het toevoegen van twee woningen en kan dus wel degelijk m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gezien de aard van de plannen zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of Natuurnetwerk Nederland redelijkerwijs uitgesloten. Ook leidt de ontwikkeling niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of –technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit dit bestemmingsplan dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Dit maakt dat het toevoegen van een woning niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie D11.2 van het Besluit m.e.r.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Hoofdstuk 4

20

Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Doorwerking plangebied Er is door Salisbury een archeologisch onderzoek uitgevoerd. In deze toelichting staan de belangrijkste conclusies beschreven, voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Het plangebied bevindt zich in het Noord-Brabantse zandgebied, in een dekzandvlakte.

Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat in het plangebied een middelhoge verwachting geldt voor de top van het dekzand. Hierin kunnen resten vanaf het Paleolithicum – Middeleeuwen worden verwacht. Resten kunnen in principe vanaf het maaiveld voorkomen. Ook wordt op basis van het bureauonderzoek een esdek verwacht in het plangebied. Voor resten uit de Nieuwe tijd geldt een lage verwachting. Er is op historisch kaartmateriaal geen aanwijzing voor bebouwing en het plangebied lijkt met name als akker in gebruik te zijn geweest. Het ploegen wat daarmee gepaard gaat, kan voor verstoring van archeologische resten gezorgd hebben. Bij het verkennend booronderzoek is een bodemopbouw van verstoring op dekzand aangetroffen. In één van de boringen is een restant van een esdek aangetroffen. Ook de verstoorde humeuze bovengrond in het plangebied is zeer waarschijnlijk door middel van ophoging met plaggen in het plangebied terecht gekomen. De verstoring is veroorzaakt door recente landbouwactiviteiten. Ook de top van het dekzand is daarbij verstoord geraakt. Uit het veldonderzoek blijkt dat in het plangebied sprake is geweest van overwegend natte omstandigheden.

Het Brabants Leem dat op 0,85 – 1,2 m beneden maaiveld is aangetroffen is onder natte omstandigheden afgezet, het hierop gelegen eolisch afgezette dekzand laat tekenen van hoge grondwaterstanden zien, waarbij de top van het dekzand regelmatig onder water moet hebben gestaan. De kans dat er bewoning heeft plaatsgevonden vanaf het LaatPaleolithicum t/m de Middeleeuwen op het dekzand is daarom zeer klein. Een dergelijk laag gebied kan wel tijdelijk in gebruik zijn geweest als exploitatiegebied door jagers en verzamelaars, dit laat echter geen diepe sporen achter in het landschap. Een eventuele vondstlaag uit deze periodes is niet meer in het plangebied aanwezig; de verstoring door recente landbewerking rijkt in vrijwel het gehele gebied tot in de top van de C-horizont van het dekzand. De middelhoge archeologische verwachting voor de periodes Laat-Paleolithicum t/m Middeleeuwen kan daarom worden bijgesteld naar laag. In slechts een van de boringen zijn nog een onverstoord restant van een esdek en eerste ontginningslaag aanwezig. Eventuele behoudenswaardige sporen van bewoning uit de Nieuwe tijd worden daarom ook niet meer verwacht in het plangebied. Daarmee blijft de lage archeologische verwachting voor deze periode in stand.

Hoofdstuk 4

21

Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen plannen. Op basis van het verkennend booronderzoek is de middelhoge archeologische verwachting die in het bureauonderzoek is opgesteld, bijgesteld naar laag. Op basis van het onderzoek adviseert Salisbury Archeologie ook de verwachting op de gemeentelijke beleidsadvieskaart voor het plangebied bij te stellen naar laag. Er worden geen archeologische resten meer verwacht in het plangebied. Daarom is voor het onderzochte gedeelte van het plangebied (daar waar de woningen beoogd zijn) geen archeologische dubbelbestemming meer opgenomen. Voor het achterste perceelsgedeelte blijven deze dubbelbestemmingen ter borging van het archeologisch bodemarchief wel gehandhaafd. Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie.

Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Het plangebied is gelegen in de ‘Meierij’ en het ‘Groene Woud’. Het achterste gedeelte van het perceel is gelegen in het Dommeldal, tussen Sint-Oedenrode en Boxtel. Dit is een fraai beekdal met graslanden, broekbosjes, afgesneden meanders en mooie overgangen naar de oude akkercomplexen op de hogere gronden langs het dal. Onderhavig planvoornemen doet geen afbreuk aan waarden en kenmerken van de omgeving. Met het landschappelijke inpassingsplan wordt omgevingskwaliteit behouden en versterkt. Met het plan wordt een bijzonder stedenbouwkundig accent gelegd op de plaats waar het bebouwingslint van de Pastoor Smitsstraat de Ollandse Waterloop kruist en wordt de Waterloop zelf geaccentueerd door de oever met schouwpad te vrijwaren van bebouwing.

Het achterste gedeelte van het perceel en een klein gedeelte van de nieuwe bestemming Wonen met functieaanduiding ‘erf’ liggen ingevolge de provinciale interim Omgevingsverordening binnen de aanduiding ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’. De gronden met deze aanduiding zijn mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart en hierboven omschreven. De begrenzing van de achtergrens van de erven van de nieuwe woningen is gelegd in het verlengde van de achtergrens van de overige erven behorende bij de bebouwing aan de zuidzijde van de Pastoor Smitsstraat zodat geen verdere occupatie achter deze heersende erfgrens (en lijn voor erfbebouwing) komt te staan. Daarnaast is er door de koppeling van de planontwikkeling aan de uitvoering en instandhouding van een landschappelijke inpassingsplan, waarbij nadrukkelijk de demarcatie tussen ‘erf’ en achterliggend landschapselement is aangegeven, rekening gehouden met de cultuurhistorische karakteristieken in dit gebied.

Hoofdstuk 4

22

Binnen de grenzen van het plangebied zijn verder geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Daarnaast liggen er ook geen monumentale bomen, natuurmonumenten, molenbiotopen, MIPpanden of beeldbepalende panden in het plangebied. De ontwikkelingen van het plangebied doen geen afbreuk aan omliggende cultuurhistorisch en geografisch waardevolle lijnen, omdat de omliggende wegenstructuren niet veranderen. Het initiatief heeft geen negatieve effecten op de cultuurhistorie in de omgeving. Het thema cultuurhistorie zorgt daarom ook niet voor belemmeringen.

4.3 Flora en fauna De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Kampina en Oisterwijkse vennen”, bevindt zich op circa 7,5 kilometer afstand ten westen van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, en het hier de bouw van een enkele woning betreft, is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs niet aan de orde, waardoor een negatief effect op de instandhoudings-doelstellingen van een Natura 2000-gebied is uitgesloten. Dit komt overeen met de publicatie van de Rijksoverheid “Handreiking woningbouw en AERIUS” (januari 2020).

Hierin staat vermeldt dat voor zowel de aanleg als het gebruik van tot 50 woningen op minimaal 7 kilometer afstand van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied de toename aan stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/j betreft. Gezien het de aanleg en het gebruik van twee woningen betreft op meer dan 7 kilometer afstand van een Natura2000-gebied is een toename op voorhand uitgesloten. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn daarmee uitgesloten.

Hoofdstuk 4

23

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuur-netwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB.

Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 180 meter ten zuidwesten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.

Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden verloren gaan is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Toetsing beschermde soorten De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:  Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming)  Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb)  Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb)

Hoofdstuk 4

24

Soortgroep

Algemeen

Potentieel

Sprake van

Vervolgtraject /

aanwezig

overtreding

maatregelen

Ja

Te voorkomen

Plangebied buiten

Globale broedseizoen loopt van

broedseizoen bouwrijp

maart tot half augustus

Broedvogels

Bijzonderheden / opmerkingen

maken of controle vooraf Jaarrond beschermd

Nee

Nee

-

-

Verblijfplaatsen

Nee

Nee

-

-

Foerageerhabitat

Ja

Te voorkomen

Licht gericht en

Verlichting kan negatieve effecten

Vliegroutes

Ja

Te voorkomen

uitschijnend op opgaand

hebben op foerageer- en vliegroute-

groen vermijden

functies

Grondgebonden zoogdieren

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als de

Vleermuizen

egel Reptielen

Nee

Nee

-

-

Amfibieën

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als de gewone pad

Vissen

Nee

Nee

-

-

Ongewervelden

Nee

Nee

-

-

Vaatplanten

Nee

Nee

-

-

Tabel 4.1 Overzicht potentiele aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen

Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 4.1 is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Conclusie Op basis van de quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht.

Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde.  Met betrekking tot foerageer- en vliegroutefuncties voor vleermuizen dient verlichting gericht en uitschijnend op de Ollandse Waterloop te worden vermeden;

Hoofdstuk 4

25

Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen

4.4 Waterparagraaf Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Beleidskader Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik – infiltratie – buffering – afvoer” (afgeleid van de trits “vasthouden – bergen – afvoeren” doorlopen. De waterhuishoudkundige situatie van het plangebied is onderzocht in het kader van de watertoets. In het waterhuishoudkundige onderzoek is beknopt aandacht besteed aan de huidige bodemkundige- en (geo)hydrologische situatie, de gehanteerde uitgangspunten en randvoorwaarden, en de (on)mogelijkheden om neerslag in de toekomstige situatie te bergen en te infiltreren.

Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. De adviezen in dit rapport voldoen aan vigerende wet- en regelgeving van lokaal tot en met Europees niveau. De Europese Commissie verplicht alle lidstaten elke zes jaar over het watersysteem te rapporteren in een beheerplan per stroomgebied, het SGBP. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant (2016–2021) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. In Nederland wordt dit uitgeoefend door de diverse waterschappen die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. In aansluiting op het landelijk beleid is er een eigen waterbeheerplan ‘Waardevol Water’ opgesteld. Dit is gericht op een veilig een bewoonbaar beheergebied met voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. De waterbeheerders werken daarvoor integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Voor de periode 20162021 is een nieuw Waterbeheerplan (WBP) opgesteld met de te bereiken doelen, hoe te bereiken en met welke partners (gemeenten, ondernemers, natuurverenigingen, de provincie en het Rijk).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=c2cb1542-b533-47cb-9b80-bb3ca28579ba