CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Pastoor Smitsstraat 19

Raadsvergadering 24 juni 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan ‘Pastoor Smitsstraat 19, Olland’29.136 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 8 van 36

Datum:24 juni 2021

1.27 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.28 eerste bouwlaag de bouwlaag op de begane grond; 1.29 entree een bouwwerk ten behoeve van de toegang tot een gebouw; 1.30 erf al dan niet omheind stuk grond dat in ruimtelijk opzicht direct behoort bij, in functioneel opzicht ten dienste staat van, en in feitelijk opzicht direct aansluit aan een gebouw en dat blijkens kadastrale gegevens behoort tot het perceel waarop dat gebouw is geplaatst; 1.31 erker een ondergeschikt uitgebouwd gedeelte (uitbouw) van een woning aan een gevel, in één bouwlaag; 1.32 extensief recreatief medegebruik die vormen van natuurvriendelijke recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, picknicken, kanoën en natuurgerichte recreatie zoals vogelobservatie; 1.33 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.34 hoofdgebouw gebouw(en) dat door zijn constructie en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.35 hobbymatig agrarisch

grondgebruik/hobbymatige fruitteelt het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen op niet bedrijfsmatige wijze. Hieronder wordt niet verstaan een volkstuin; 1.36 huishouden een persoon, of groep personen die een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding voert. Indien het huishouden uit twee of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met een continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid. Kenmerken van continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid zijn: voor onbepaalde tijd samenleven; een ieder neemt deel aan het gezinsleven, bijvoorbeeld samen eten en verdeling huishoudelijke taken; eigen kamer, maar gemeenschappelijk sanitair, keuken en woonkamer; personen worden niet door instelling geplaatst, er vindt geen behandelingstraject plaats. Bedrijfsmatige kamerverhuur en bijzondere woonvormen vallen niet onder het begrip 'huishouden'.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 9 van 36

Datum:24 juni 2021

1.37 mindervalide een gehandicapt persoon die aantoonbaar is aangewezen op voorzieningen op het gebied van het wonen of van het zich binnen of buiten de woning verplaatsen; 1.38 onderbouw een gedeelte van een gebouw dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 m¹ boven peil is gelegen; 1.39 ondergeschikt bouwdeel een buiten de gevel of dakvlakken uitstekend ondergeschikt deel van een bouwwerk met uitzondering van een uitgebouwd gedeelte van een gebouw dat dient ter uitbreiding van het oppervlak (zie artikel 9.1); 1.40 ondergronds bouwwerk een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de vloer is gelegen op minimaal 1,75 m¹ onder peil; 1.41 ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden die onder peil plaatsvinden; 1.42 parkeergelegenheid/parkeervoorzieningen elke stallingsgelegenheid op zowel openbaar als particulier terrein ten behoeve van een motorvoertuig op méér dan twee wielen; 1.43 parkeren het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen; 1.44 peil voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw

Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil); in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld; 1.45 perceel kadastraal perceel; 1.46 pergola een vrijstaand of aangebouwd bouwwerk, bestaande uit een constructie van verticaal geplaatste palen of kolommen op een onderlinge afstand van minimaal 1,50 m1 h.o.h., gekoppeld op een bovenlegger met eventueel hierop onder een hoek van 90º geplaatste dwarsligger(s); de pergola mag tot maximaal 1 m¹ boven het maaiveld als een gesloten constructie worden uitgevoerd; tussen de kolommen mag gaas ter begeleiding van planten worden aangebracht;

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 10 van 36

Datum:24 juni 2021

1.47 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.48 seksinrichting de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch / pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.49 seksuele dienstverlening een bedrijfsmatige activiteit gericht op het verrichten van seksuele handelingen en/of het (doen) plaatsvinden van erotisch / pornografische vertoningen; 1.50 tuin niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw; 1.51 voorgevel de naar de Pastoor Smitsstraat gekeerde gevel van een gebouw; 1.52 voorste bouwperceelsgrens de naar de weg gekeerde grens van een bouwvlak; 1.53 voorziening van algemeen nut voorziening ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer; 1.54 vrijstaande woning een woning die niet met een andere woning verbonden is en waarvan geen van de beide

zijgevels van het hoofdgebouw in de zijdelingse perceelgrens staan;

1.55 water en waterhuishoudkundige voorzieningen al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc". 1.56 werk grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk; 1.57 werken alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of inrichtingen met toebehoren;

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 11 van 36

Datum:24 juni 2021

1.58 wet/wettelijke regelingen indien en voorzover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, tenzij anders bepaald; 1.59 wonen het gehuisvest zijn in een woning; 1.60 woning een (gedeelte van) een gebouw dat dient voor de huisvesting van: a. één afzonderlijk huishouden, of b. één huishouden èn maximaal 2 personen niet zijnde een huishouden, of c. maximaal 0 personen niet zijnde een huishouden. 1.61 zolder bovenste verdieping onder het dak van een gebouw voor zover de hoogte van de borstwering ter plaatse van de omtrekmuren minder dan 80 cm boven de vloer is gelegen en die geen zelfstandige woonruimte vormt.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 12 van 36

Datum:24 juni 2021

Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.2 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 afstand tot de bouwperceelsgrens tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.7 de afstand tussen gebouwen de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen; 2.8 ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk vanaf het bouwkundig peil (afgewerkte begane grondvloer) tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering

niet meegerekend; 2.9 lengte, breedte en diepte van een bouwwerk tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of hart van scheidsmuren); 2.10 brutovloeroppervlak van een gebouw gemeten (op alle bouwlagen) op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, of tot het hart van de desbetreffende scheidingsconstructie, indien de binnenruimte van het gebouw grenst aan de binnenruimte van een ander gebouw; 2.11 oppervlak van een bouwperceel de maten van het kadastrale perceel, dan wel, wanneer er geen sprake is van een gedeeld kadastraal perceel, de feitelijke oppervlakte van het perceel behorend bij het hoofdgebouw.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 13 van 36

Datum:24 juni 2021

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Groen - Landschapelement

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen - Landschapelement' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van de ter plaatse voorkomende ecologisch, landschappelijk en/of cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen in het algemeen en van cultuurhistorisch waardevolle gebieden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone cultuurhistorisch waardevol gebied' in het het bijzonder; b. extensief dagrecreatief medegebruik; c. hobbymatig agrarisch grondgebruik en hobbymatige fruitteelt; met de daarbij behorende: d. waterpartijen, waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen; e. groenvoorzieningen; f. (onverharde) wegen, paden en verkeersvoorzieningen. 3.2 Bouwregels Op of in de in lid 3.1 genoemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, waarvoor de volgende regels gelden: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van extensief dagrecreatief medegebruik, zoals informatieborden, picknickplekken, banken en afvalbakken mogen worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 2 meter; b. bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 2 meter; c. in afwijking van het bepaalde onder a. en b. is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bebouwing uitgesloten' geen bebouwing toegestaan.

3.3 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt gerekend het niet duurzaam beheren en in stand houden van de in Bijlage 1 opgenomen landschapselementen en -inrichting.

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.4.1 Verbod Het is verboden op of in de in lid 3.1 genoemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het aanleggen en/of verharden van wegen en paden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²; b. het ophogen, verlagen, afgraven, egaliseren of anderszins wijzigen van het maaiveldniveau; c. het vellen en/of rooien van waardevolle beplanting en/of bomen; d. het aanleggen, vergraven of dempen van waterlopen en andere waterpartijen; e. het mengen, woelen, diepploegen of uitvoeren van andere grondbewerkingen; f. het aanbrengen of verwijderen van transport-, energie-, telecommunicatie-, of

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 14 van 36

Datum:24 juni 2021

drainageleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; g. het aanbrengen van onderbemaling of anderszins wijzigen van de grondwaterstand.

3.4.2 Uitzonderingen Het in lid 3.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud, beheer en/of gebruik betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; d. de uitvoering van het inrichtingsplan als bedoeld in Bijlage 1 betreffen.

3.4.3 Toelaatbaarheid De in lid 3.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien er is aangetoond dat de werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden geen belemmering vormen voor het behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van de ecologisch, landschappelijk en/of cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 15 van 36

Datum:24 juni 2021

Artikel 4

Wonen

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in woningen; b. de uitoefening van een beroep aan huis in hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken door de hoofdbewoner(s) van het hoofdgebouw tot een oppervlakte van maximaal 40% op het begane grondvloeroppervlak van het hoofdgebouw met een maximum van: 1. in het geval het oppervlak van het bouwperceel niet groter is dan 750 m², 45 m²; 2. in het geval het oppervlak van het bouwperceel groter is dan 750 m², maar niet groter dan 1.250 m², 60 m²; 3. in het geval het oppervlak van het bouwperceel groter is dan 1.250 m², 75 m²; met de daarbij behorende: c. tuinen ter plaatse van de aanduiding 'tuin'; d. erven ter plaatse van de aanduiding 'erf'; e. groen- en speelvoorzieningen; f. voorzieningen van algemeen nut; g. parkeervoorzieningen; h. waterlopen en waterpartijen; i. waterhuishoudkundige voorzieningen; j. werken, geen bouwwerken zijnde zoals de aanleg van verhardingen ten behoeve van paden (waaronder brandgangen), in- en uitritten, terrassen en de aanleg van siertuin en/of gazon, alsmede parkeerplaatsen. 4.2

Bouwregels

4.2.1 Algemeen a. Op of in de in 4.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd.

4.2.2

Binnen het bouwvlak

a Hoofdgebouw Voor het bouwen van hoofdgebouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. per bouwvlak is maximaal het op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal wooneenheden toegestaan; b. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; c. als hoofdgebouw mogen uitsluitend worden gebouwd vrijstaande woningen ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand'; d. als hoogte van het hoofdgebouw gelden de op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' opgenomen maten; e. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan beide zijden ten minste 3 meter te bedragen. b Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak gelden de volgende

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 16 van 36

Datum:24 juni 2021

bepalingen: a. de bijbehorende bouwwerken mogen binnen het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat deze uitsluitend minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd; b. de maximale goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt 3,3 meter; c. de maximale bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bij volledig platte afdekking bedraagt 3,3 meter; d. de maximale bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bij een kapconstructie is de maximale goothoogte vermeerderd met de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, tot een totale maximum hoogte van 6 meter; e. de dakhelling bij kapconstructie van bijbehorende bouwwerken is vrij te bepalen; f. de minimale afstand tot perceelsgrens van een niet-overdekt zwembad bedraagt 2 meter; g. de maximale oppervlakte van een niet-overdekt zwembad bedraagt 10% van het bouwperceel, met een maximum van 100 m². c Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1 meter bedragen en daarachter maximaal 2 meter bedragen, met uitzondering van: 1. pergola's, waarvan de bouwhoogte maximaal 2,5 meter mag bedragen; 2. vlaggenmasten e.d., waarvan de bouwhoogte maximaal 5 meter mag bedragen; 3.

bouwwerken op een dak ten behoeve van een dakterras, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 meter mag bedragen.

4.2.3

Aanduiding 'tuin'

a Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'tuin' gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van de aanduiding 'tuin' mogen uitbouwen in de vorm van entrees en erkers worden gebouwd met dien verstande dat: 1. de diepte van een entree en erker maximaal 1,5 meter mag bedragen, mits de afstand tot de voorste bouwperceelsgrens minimaal 2 meter bedraagt; 2. de breedte van een entree maximaal de helft van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de entree wordt gesitueerd; 3. de breedte van een erker maximaal tweederde van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de erker wordt gesitueerd; 4. op één hoek van het hoofdgebouw een hoekerker is toegestaan, mits de diepte aan de zijgevel maximaal 1,5 meter en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 meter bedraagt; 5. de goothoogte van een entree en erker maximaal de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; 6. de bouwhoogte van een entree en erker maximaal de helft van de hoogte van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw mag bedragen. b Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 17 van 36

Datum:24 juni 2021

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter plaatse van de aanduiding 'tuin' gelden de volgende bepaling: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1 meter bedragen en daarachter maximaal 2 meter bedragen, met uitzondering van pergola's, waarvan de hoogte maximaal 2,5 meter mag bedragen.

4.2.4

Aanduiding 'erf'

a Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'erf' gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van de aanduiding 'erf' mogen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat: 1. de afstand tot aan de weg waaraan het hoofdgebouw is gelegen, aan de zijde waar een oprit voor een auto is gelegen, minimaal 5 meter bedraagt; 2. daar waar géén oprit is gelegen de minimale afstand van het bijbehorend bouwwerk achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw 3 meter dient te bedragen; b. de maximale gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken per bouwperceel bedraagt binnen de aanduiding 'erf': Maximale gezamenlijke oppervlakte bijbehorende Oppervlakte binnen aanduiding 'erf' bouwwerken tot 300 m² 60 m² 300 tot 600 m² 70 m² 600 m² en groter 100 m² met dien verstande dat de oppervlakte van erkers, entrees en maximaal 1 carport met een oppervlakte van maximaal 20 m², niet bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken binnen de aanduiding 'erf' wordt meegenomen; c. in aanvulling op het bepaalde in sub b geldt dat minimaal 20 m² ter plaatse van de aanduiding 'erf' niet bebouwd mag worden; d. de maximale goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt 3,3 meter; e. de maximale bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bij volledig platte afdekking bedraagt 3,3 meter; f.

de maximale bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bij een kapconstructie is de maximale goothoogte vermeerderd met de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, tot een totale maximum hoogte van 6 meter. g. de minimale afstand tot perceelsgrens van een niet overdekt zwembad bedraagt 2 meter; h. de maximale oppervlakte van een niet overdekt zwembad bedraagt 10% van het bouwperceel, met een maximum van 100 m². b Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter plaatse van de aanduiding 'erf' gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1 meter bedragen en daarachter maximaal 2 meter bedragen, met uitzondering van: 1. pergola's, waarvan de hoogte maximaal 2,5 meter mag bedragen;

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 18 van 36

Datum:24 juni 2021

2. vlaggenmasten e.d., waarvan de hoogte maximaal 5 meter mag bedragen.

4.2.5 Voorwaardelijke verplichting karakteristieke geluidwering a. De volgens de NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte mag aantoonbaar niet kleiner zijn dan het verschil tussen de hoogst berekende cumulatieve geluidsbelasting uit het geluidrapport, zoals opgenomen in Bijlage 6 bij de plantoelichting, en 33 dB. b. De uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte heeft volgens de NEN 5077 een bepaalde karakteristieke geluidwering die maximaal 2 dB lager is dan de karakteristieke geluidwering bedoeld onder a.

4.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. de sociale veiligheid; d. de milieusituatie; e. de situering van en het aantal parkeervoorzieningen op eigen terrein; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 4.4

Afwijken van de bouwregels

4.4.1 Oppervlakte bijbehorende bouwwerken mindervaliden Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.4 onder a sub b en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een hoofdgebouw wordt vergroot met maximaal 80 m² ten behoeve van mindervaliden. Hierbij dient artikel 4.2.4 in acht te worden genomen. Alvorens de vergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag advies in omtrent de (medische) noodzaak bij een deskundige.

4.4.2 Voorwaarden De onder 4.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de woonsituatie; c. de verkeersveiligheid; d. de sociale veiligheid; e. de milieusituatie; f. de parkeervoorzieningen op eigen terrein; g. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

4.5

Specifieke gebruiksregels

4.5.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 19 van 36

Datum:24 juni 2021

a. b. c. d. e. f. g.

de uitoefening van een bedrijf aan huis (in hoofdgebouw en/of bijbehorende bouwwerken); de uitoefening van horeca of een andere tak van dienstverlening; de uitoefening van dienstverlening, anders dan bedoeld in artikel 4.1 sub a; zelfstandige bewoning en afhankelijke woonruimte van bijbehorende bouwwerken; de uitoefening of vestiging van een seksinrichting; de uitoefening van prostitutie; het plaatsen, het doen of laten plaatsen van wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel, kampeerwagens (waaronder caravans), kampeerauto's en kampeertenten, behoudens het plaatsen van caravans, kampeerauto's en kampeertenten op de gronden achter de voorgevellijn, indien per woning niet meer dan één caravan, kampeerauto en/of tent wordt geplaatst; h. bedrijfsmatige opslag.

4.5.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing en inrichting a. Ingebruikname van een woning en/of bijbehorende bouwwerken en/of bijbehorende gronden behorend tot het erf, is uitsluitend toegestaan, indien de landschappelijke inpassing en inrichting, conform de voorwaarden zoals opgenomen in Bijlage 1, uiterlijk in het eerstvolgende plantseizoen is gerealiseerd. b. Tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt gerekend het niet of niet tijdig realiseren van in sub a bedoelde landschappelijke inpassing en inrichting, alsmede het na realisatie niet duurzaam beheren en in stand houden van de betreffende landschapselementen en -inrichting. 4.6

Afwijken van de gebruiksregels

4.6.1 Bedrijf aan huis Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.5.1 onder a voor de uitoefening van een bedrijf aan huis in het hoofdgebouw en/of bijbehorende bouwwerken, met dien verstande, dat: a. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft; b. bedoeld gebruik geen onevenredige hinder voor het woonmilieu mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de omgeving; dit betekent onder meer dat: 1. geen vergunning wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid die milieuvergunningplichtig is; 2. het gebruik naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn en het geen publieksgerichte voorzieningen betreft; 3. het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, d.w.z. dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerken uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is; c. het niet betreft zodanig verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten; d.

het onttrekken van (een deel van) het bij de desbetreffende hoofdgebouw behorende garage aan de bestemming slechts is toegestaan, indien op het bij het hoofdgebouw behorende erf minimaal drie parkeerplaatsen aanwezig zijn of gelijktijdig wordt aangelegd; e. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop in het klein in verband met de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit;

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 20 van 36

Datum:24 juni 2021

f. opslag buiten de gebouwen ten behoeve van de activiteiten niet is toegelaten; g. vast dient te staan dat het gebruik een kleinschalig karakter heeft en zal behouden. h. Dit betekent dat maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken voor bedrijfsmatige activiteiten in gebruik mag zijn tot een maximum van: 45 m²; in het geval het oppervlak van het bouwperceel groter is dan 750 m², maar niet groter dan 1.250 m², 60 m²; in het geval het oppervlak van het bouwperceel groter is dan 1.250 m², 75 m².

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 21 van 36

Datum:24 juni 2021

Artikel 5

Waarde - Archeologie

5.1 Bestemmingsomschrijving a. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn primair bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden. b. Al hetgeen in deze regels omtrent de hoofdbestemmingen binnen het gebied met de bestemming 'Waarde - Archeologie' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien het verenigbaar is met het belang van de te verwachten archeologische waarden. 5.2 Bouwregels Binnen de gronden 'Waarde - Archeologie' als bedoeld in artikel 5.1 is het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van: a. ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd; b. de bouw van een bijbehorend bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²; c. bouwwerken voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld. 5.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om middels een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 5.2 voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde indien en voorzover: a. met een archeologisch onderzoek is onherroepelijk dat archeologische waarden daarmee niet onevenredig worden geschaad; b.

in voldoende mate is gegarandeerd dat de middels archeologisch onderzoek onherroepelijke waarden worden veiliggesteld door technische maatregelen of een archeologische opgraving. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Verbod Het is op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie' verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het verlagen of afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem; b. het graven, verbreden, verdiepen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; d. het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; e. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt; f. het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, aanleggen van drainage en ontginnen; g. het aanbrengen van bovengrondse of ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie-, of drainageleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; h.

het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; i. het aanbrengen van verhardingen, zulks indien de oppervlakte van de aan te brengen

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 22 van 36

Datum:24 juni 2021

verharding meer bedraagt dan 100 m².

5.4.2 Uitzondering verbod Het verbod als bedoeld in artikel 5.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; d. voor bodemingrepen tot een diepte van 50 cm onder maaiveld en/of het aanbrengen van verhardingen met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²; e. de werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 5.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien en voor zover met een archeologisch onderzoek is onherroepelijk dat door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de aanwezig archeologische waarden ontstaat of kan ontstaan; f. indien het niet mogelijk is de middels archeologisch onderzoek onherroepelijke aanwezige archeologische waarden geheel of gedeeltelijk te behouden, wordt aan de aanlegvergunning als bedoeld in artikel 5.4.1 het voorschrift verbonden dat voorafgaand van de werken en/of werkzaamheden een archeologische opgraving zal plaatsvinden of dat archeologische begeleiding zal plaatsvinden.

5.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Waarde Archeologie' (geheel of gedeeltelijk) van de verbeelding wordt verwijderd, indien uit archeologisch onderzoek, blijkt dat in het aangewezen gebied geen archeologische waarden zijn aangetroffen.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 23 van 36

Datum:24 juni 2021

Artikel 6

Waarde - Archeologie 2

6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de hoge archeologische verwachtingswaarden van de gronden. 6.2 Bouwregels a. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 0,5 meter een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. b. Indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden. 2. De verplichting tot het doen van opgravingen. 3.

De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. c. Het bepaalde in sub a en b is niet van toepassing binnen het bouwvlak, voor zover er een bestaand gebouw aanwezig is. d. Het bepaalde onder sub a en b is niet van toepassing indien door middel van een onafhankelijk document kan worden aangetoond dat de beoogde gronden voor het bouwen reeds verstoord zijn. 6.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 6.2 sub a indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. 6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1 Verboden werken en werkzaamheden Het is binnen deze bestemming verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a.

het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 500 m² per perceel en met meer dan 0,5 meter wordt gewijzigd of waarbij de maaiveldniveaus van steilranden worden gewijzigd, met uitzondering van de situatie waarin een ontgrondingsvergunning is vereist; b. het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen over meer dan 500 m² en dieper dan 0,5 meter onder maaiveld, met uitzondering van de vervanging van aanwezige ondergrondse leidingen; c. het aanleggen, dempen of wijzigen van (oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit van) oppervlaktewateren.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 24 van 36

Datum:24 juni 2021

6.4.2 Uitzonderingen Het in lid 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, zoals boomteeltactiviteiten waarbij de grond niet dieper dan 0,5 meter onder maaiveld wordt bewerkt danwel wordt verstoord als gevolg van aanplant/ontgraven/wortelontwikkeling; b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. binnen het bouwvlak, voor zover er een bestaand gebouw aanwezig is, plaatsvinden; d. door middel van een onafhankelijk document kan worden aangetoond dat de gronden reeds verstoord zijn en dat als gevolg van de werken/werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden; e. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreffen die te maken hebben met het plant- en zaaiklaar maken en oogsten, overeenkomstig het huidig gebruik ten behoeve van de laanboomteelt. 6.4.3 Toelaatbaarheid a. De in lid 6.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden; b.

Alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; c. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 25 van 36

Datum:24 juni 2021

Artikel 7

Waterstaat - Attentiezone waterhuishouding

7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Attentiezone waterhuishouding' aangegeven gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische waarden. 7.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.2.1 Verboden werken en werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel of met meer dan 0,50 m wordt gewijzigd of waarbij de maaiveldniveaus van steilranden worden gewijzigd, met uitzondering van waterpoelen tot een oppervlakte van 200 m² en een diepte tot 1,5 m of indien een ontgrondingsvergunning vereist is; b. het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,50 m onder maaiveld, met uitzondering van de vervanging van aanwezige ondergrondse leidingen; c. het verlagen van de (grond)waterstand door aanleg van drainage (ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage) of door bemaling en/of bronnering; d. het verlagen van de (grond)waterstand door het aanleggen, dempen of wijzigen van (oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit van) oppervlaktewateren.

7.2.2 Uitzonderingen Het in lid 7.2.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vastgesteld projectplan en/of een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. reeds een regeling kennen in de keur van het waterschap, die is gericht op hetzelfde doel.

7.2.3 Toelaatbaarheid a. De in lid 7.2.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de hydrologische waarden. b. Alvorens te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij de waterbeheerder. c. Voor wat betreft de verdere afwegingsaspecten en beoordelingscriteria geldt de 'Tabel ingrepen / effect buitengebied' (Bijlage 2).

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 26 van 36

Datum:24 juni 2021

Hoofdstuk 3

Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 27 van 36

Datum:24 juni 2021

Artikel 9

Algemene bouwregels

9.1 Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel-, goot- en kroonlijsten, luifels, stoeptreden, dorpels, dakkapellen, balkons en overstekende daken en soortgelijke bouwdelen buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwhoogten, bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt. 9.2

Ondergronds bouwen

9.2.1 Algemene bepaling Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.

9.2.2 Ondergrondse bouwwerken Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a. voor delen van bouwwerken behorende bij ondergrondse bouwwerken gesitueerd boven peil gelden de bebouwingsregels als opgenomen bij de bestemmingen in hoofdstuk 2; b. de maximale ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt 3 meter onder peil; c. bij het berekenen van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen.

9.2.3 Afwijken Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.2.2 voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 8 meter onder peil onder de voorwaarden dat: a. de waterhuishouding niet wordt verstoord; b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 28 van 36

Datum:24 juni 2021

Artikel 10

Algemene gebruiksregels

10.1 Strijdig gebruik onbebouwde gronden Onder een met het plan strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan een gebruik van de onbebouwde gronden als: a. opslagplaats voor vaten, kisten, al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen en machines of onderdelen daarvan, oude en nieuwe bouwmaterialen, afval, puin, grind en brandstoffen; b. uitstallings- of opslagplaats voor al dan niet voor gebruik geschikte voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; c. uitstallings- of opslagplaats dan wel staan- of ligplaats voor onderkomens. 10.2 Strijdig gebruik Onder een met het plan strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan (een): a. gebruik van woningen voor enige vorm van detailhandel; b. gebruik van een bijbehorend bouwwerk of een gedeelte van een hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk bij een (bedrijfs)woning als afhankelijke woonruimte (inwoning); c. gebruik van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen; d. prostitutie; e. het gebruik van een woning in strijd met het begrip woning. 10.3 Uitzondering Onder strijdig gebruik als bedoeld in 10.1 valt niet het opslaan van nieuwe bouwmaterialen en puin en andere bouwmaterialen op gronden waarop of waarin onderhouds-, herstel- of sloopwerkzaamheden worden uitgeoefend, mits deze zaken voor de uit te voeren werkzaamheden nodig zijn of van het bouwwerk dat hersteld of gesloopt wordt afkomstig zijn.

10.4 Voorwaardelijke verplichting parkeren a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw en/of voor het veranderen van de functie van een bouwperceel, dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. b. Voor de in lid a genoemde voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de 'Nota Parkeernomen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 31 januari 2019, in acht genomen te worden. c. Indien deze beleidsregels en/of de bijlagen worden gewijzigd door het bevoegd gezag, dient rekening gehouden te worden met deze wijziging. De parkeernormen uit de beleidsregels en/of bijlagen zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag worden toegepast. 10.5 Afwijking verplichting parkeren Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in Artikel 10.4 indien: a. er in voldoende parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien op een andere wijze; en/of; b. het ruimtelijk gezien niet wenselijk is de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte op eigen terrein te voorzien; en/of; c. er voldoende openbare parkeerplaatsen binnen een acceptabele afstand aanwezig zijn; en/of; d.

er een parkeertelling aanwezig is die aantoont dat er voldoende parkeerplaatsen in de openbare ruimte aanwezig zijn die benut kunnen worden; en/of; e. aangetoond kan worden dat volstaan kan worden met een lagere parkeernorm.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 29 van 36

Datum:24 juni 2021

10.6 Voorwaardelijke verplichting waterberging Alvorens de gronden binnen het plangebied in gebruik genomen worden voor de doeleinden als bedoeld in Artikel 3 en/of Artikel 4 dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: a. aangetoond dient te zijn dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater vanwege het toevoegen van verharding voorafgaand gecompenseerd wordt in een waterberging met voldoende capaciteit conform een norm van 60 mm/m² verharding, waarbij de waterberging na realisatie in stand moet worden gehouden danwel is voorzien in een gelijkwaardig alternatief; b. de compensatie dient ten minste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd te worden.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 30 van 36

Datum:24 juni 2021

Artikel 11 11.1

Algemene aanduidingsregels

Overige zone - cultuurhistorisch waardevol gebied

11.1.1 Aanduidingsomschrijving De inrichting en het gebruik van gronden gelegen binnen de aanduiding 'Overige zone cultuurhistorisch waardevol gebied' is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van het gebied.

11.1.2 Bouwregels Op de gronden gelegen binnen de aanduiding 'Overige zone - cultuurhistorisch waardevol gebied' mag niet worden gebouwd, behoudens hetgeen in Hoofdstuk 2 uitdrukkelijk is toegestaan.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 31 van 36

Datum:24 juni 2021

Artikel 12

Algemene afwijkingsregels

12.1 Algemeen Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het volgende: a. de bestemmingsbepalingen, niet zijnde de bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven; b. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden met maximaal 1 meter, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; c. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 5 meter; d. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter; e.

het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, mits: 1. de oppervlakte van de verhoging niet meer dan 10 m² bedraagt; 2. de hoogte niet meer dan 1,25 maal de maximale (bouw)hoogte van het betreffende gebouw bedraagt; f. de bouw van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor voorzieningen van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, onderhoudsgebouwtjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken, alsmede fietsenstallingen met uitzondering van verkooppunten van motorbrandstoffen, voor zover deze gebouwtjes geen grotere oppervlakte hebben dan 35 m² en geen grotere hoogte hebben dan 3,5 meter. 12.2 Bed & Breakfast Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan voor een bed & breakfast, onder de volgende voorwaarden: a. de woonfunctie dient als hoofdfunctie behouden te blijven; b. bedoeld gebruik mag geen hinder voor het woonmilieu opleveren en geen onevenredige afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt; c. permanente bewoning is niet toegestaan; d. bedoeld gebruik mag geen belemmering voor de omliggende bedrijven opleveren; e.

het gebruik moet naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming zijn; f. het gebruik dient de woonfunctie te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is; g. er mag geen duurzame ontwrichting van de evenwichtige opbouw van de voorzieningenstructuur ontstaan; h. de ontwikkeling mag niet leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten; i. de Bed & Breakfast-voorziening dient in bestaande bebouwing gerealiseerd te worden;

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 32 van 36

Datum:24 juni 2021

j.

maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken mag ten behoeve van een Bed & Breakfast in gebruik zijn, met een absoluut maximum van 60 m².

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 33 van 36

Datum:24 juni 2021

Artikel 13

Algemene wijzigingsregels

13.1 Algemeen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van: a. overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; b. overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geeft; c. de overschrijdingen als bedoeld in sub a en b mogen echter niet meer dan 3 meter bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 34 van 36

Datum:24 juni 2021

Hoofdstuk 4 Artikel 14

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 14.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 14.3 Hardheidsclausule Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruiken in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan kan het bevoegd gezag ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht afwijken.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 35 van 36

Datum:24 juni 2021

Artikel 15 Slotregel Dit bestemmingsplan kan worden aangehaald onder de titel: bestemmingsplan 'Pastoor Smitsstraat 19, Olland' van de gemeente Meierijstad.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 36 van 36

Datum:24 juni 2021

Inhoudsopgave Bijlagen bij regels

5

Bijlage 1

Landschappelijk inpassingsplan

6

Bijlage 2

Tabel ingrepen/effecten buitengebied

12

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 3 van 22

Datum:24 juni 2021

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 4 van 22

Datum:24 juni 2021

Bijlagen bij regels

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 5 van 22

Datum:24 juni 2021

Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan

NL.IMRO.1948.OLL000BP0022020-VG01

Pagina: 6 van 22

Datum:24 juni 2021

Advies

advies

Landschapelijke en stedenbouwkundige inpassing Pastoor Smitsstraat ong. te Olland

project Landschapelijke en stedenbouwkundige inpassing Pastoor Smitsstraat ong. te Olland datum 28 oktober 2020 opdrachtgever Fam. Van Hoof projectnummer P02004 opgesteld door GvdS/RT i.a.a.

Aanleiding en doel Aan de pastoor Smitsstraat te Olland, tussen de woonpercelen van nummer 17 en 21, ligt het onbebouwde perceel van de familie van Hoof (hierna initiatiefnemer). Het voornemen met dit perceel is om het te bebouwen met twee vrijstaande eengezinswoningen. Nadat een principeverzoek is ingediend heeft de gemeente Meierijstad laten weten onder voorwaarden mee te willen werken aan de bestemmingsplanherziening. Voorwaarde is onder andere dat het voornemen wordt uitgewerkt in een stedenbouwkundig en landschappelijk inrichtingsplan. Iedere ontwikkeling dient namelijk bij te dragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het betrokken gebied en de naaste omgeving. De landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing richt zich op de uitstraling en de verankering van de twee woningen in hun context en tevens op de interne ordening en inrichting van het perceel. Aspecten zoals oriëntatie, ligging, ontsluiting en toe te passen groenelementen worden hierin meegenomen. Hierna worden de ruimtelijke context en de planuitgangspunten beschreven, waarna de landschappelijke en stedenbouwkundige inrichtingsmaatregelen worden uitgewerkt.

Figuur 3: Ligging planlocatie (luchtfoto Google Maps)

Figuur 1: Past. Smitsstraat t.h.v. de kruising met de waterloop.

Ruimtelijke context

BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl www.bro.nl

De planlocatie ligt aan de Pastoor Smitsstraat te Olland, tussen nummer 17 en 21, tegenover nummer 36. Het betreft een onbebouwd perceel dat momenteel een agrarische functie heeft. In het bestemmingsplan heeft het echter reeds een woonbestemming (met aanduiding ‘tuin’). De Pastoor Smitsstraat betreft een gedeelte van een bebouwingslint dat Figuur 2: Past. Smitsstraat met rechts de planlocatie.

1

Advies

Landschapelijke en stedenbouwkundige inpassing Pastoor Smitsstraat ong. te Olland

van de kern van Sint-Oedenrode door het buitengebied tot in de kern van Olland loopt. Ten westen van Olland loopt het lint vervolgens door tot aan de provinciale weg N618. De bebouwingsdichtheid van het lint is ten westen van Olland is echter aanzienlijk lager dan het gedeelte tussen Olland en Sint-Oedenrode. Ook ter hoogte van de planlocatie is sprake van nagenoeg aaneengesloten lintbebouwing met vrijstaande-, twee-onder-eenkap- en rijwoningen. Het landschap ten zuiden van de het bebouwingslint wordt gekenmerkt door agrarische percelen met weidegronden, akkers en boomgaarden. Het agrarisch landschap wordt doorsneden door rivier de Dommel, welke zich meanderend een weg door het landschap baant. In het beekdal zijn vele landschapselementen terug te vinden, zoals afgesneden rivierarmen, poelen, en graslanden, omzoomd met houtsingels, struweelhagen en kleine bospercelen. Op diverse plaatsen vertakt de Dommel zich in kleinere watergangen, waarvan de aan het planperceel grenzende Ollandse Waterloop er een is.

Uitgangspunten en randvoorwaarden planvoornemen Het voornemen op de planlocatie betreft de oprichting van twee vrijstaand eengezinswoningen aan de straatzijde, en een landschappelijke zone aan de zuidwestzijde. Dit laatste wordt gerealiseerd ten behoeve van de overgang tussen de woonpercelen en het achterliggend agrarisch (beekdal-)landschap. De uitgangspunten en randvoorwaarden vanuit beleid, gemeente en waterschap zijn als volgt: 

Er mogen maximaal twee vrijstaande eengezinswoningen worden opgericht;

woensdag 28 oktober 2020

 

Parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. Volgens de gemeentelijke norm betekent dit 2,4 parkeerplaats per vrijstaande woning, wat vanzelfsprekend neerkomt op 3 parkeerplaatsen per woning; De woonpercelen dienen landschappelijk te worden ingepast; Langs de Ollandse Waterloop dient er een schouwpad van 5 meter (gemeten vanaf de insteek) te worden aangelegd; Daarnaast dient een strook van 7 meter langs de waterloop vrij te blijven van bebouwing (bebouwingsvrijezone); De rooilijn van de woning aan de zijde van de waterloop dient terug te worden gelegd ten opzichte van de rooilijn van belendende woningen.

Figuur 4: De Ollandse Waterloop met links het plangebied.

Realisatie van de woningen op het perceel De twee vrijstaande woningen krijgen een oriëntatie op het bebouwingslint, i.c. de Pastroor Smitsstraat. Gezien de beperkte breedte van de percelen is gekozen voor de toepassing van twee kopgevels aan de straatzijde. Hierdoor wordt het minimum van 3 meter tussen de hoofdmassa en de zijdelingse perceelsgrenzen gehandhaafd. Daarnaast blijft zodoende ruimte over voor opritten, parkeerruimte en eventueel toegang tot (achterliggende) bijgebouwen. De woning aan de zijde van de Ollandse Waterloop krijgt een terugliggende rooilijn ten opzichte van de andere woning en de woningen op de belendende percelen. Hierdoor wordt ruimte gecreëerd ter plaatse van de kruising van de waterloop met de straat en de ruime boomkronen van de volwassen kastanjes aan de overzijde van de straat. Tevens draagt deze teruglegging van de voorgevel bij aan de diversiteit van het bebouwingslint en de daarmee gepaard gaande verspringende rooilijn. Tenslotte kan door de ontstane ruimte een

Figuur 4: Woning en kastanjes overzijde plangebied.

Figuur 5: Ruime open voortuinen aan het lint.

2

Advies

Landschapelijke en stedenbouwkundige inpassing Pastoor Smitsstraat ong. te Olland

landschapsboom op de hoek van het perceel worden aangebracht. Eenmaal volwassen markeert de boom de kruising van de weg met de waterloop en draagt het bij aan het groenbeeld van de straat. Aan de straatzijde blijft een zone van circa 7 meter vrij van hoge opgaande beplanting en bebouwing. In deze zone wordt een open voortuin aangelegd, passend bij de aangrenzende voortuinen en de karakteristieken van het bebouwingslint als geheel. In deze zone wordt uitsluitend het gedeelte van de opritten bestraat. Deze opritten leiden naar de individuele woonpercelen waar vervolgens ruimte is voor twee geparkeerde auto’s per woning. De eventuele derde auto (het bezoekersaandeel van de parkeernorm) kan op de oprit worden geparkeerd. Deze zal immers uitsluitend gebruikt worden door bezoekers.

te bewerkstelligen, wordt een hoogstam fruitboomgaard aangeplant. De boomgaard is een passend landschapselement voor in de dorpsmantel. De boomgaard blijft vrij van (opgaande) onderbeplanting; uitsluitend extensief beheerd grasland) is een passende ondergroei. Langs de Ollandse Waterloop wordt een strook van 5 meter vrijgehouden voor de onderhoudswerkzaamheden van het waterschap (een zgn. schouwpad). De strook wordt ingezaaid met bloemrijk grasland.

Landschappelijke maatregelen De oprichting van de woningen dient gepaard te gaan met een landschappelijke inpassing, teneinde een goede inbedding in het dorpslint en landschap te waarborgen. Aan de zijde van het lint betekent dit toepassing van de kenmerkende landschapselementen, zoals geschoren hagen op de perceelsgrenzen, waarbij deze aan de straatzijde niet hoger dienen te worden dan 1.2 meter. Aan de achterzijde kunnen de hagen uitgroeien tot 2.0 meter ten behoeve van de privacy in de achtertuinen. Op de hoek aan de straatzijde nabij de waterloop, en twee hoeken aan de achterzijden van de woonpercelen, worden landschapsbomen aangeplant. De bomen markeren de hoeken van de percelen en aan de voorzijde, de kruising van de waterloop met de straat. Aan de zuidwestzijde grenzen de woonpercelen aan het achterliggende beekdallandschap. Om hier een goede overgang Figuur 6: Inrichtingsplan past. Smitsstraat ong. te Olland (zie bijlage voor groter exemplaar).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=c2cb1542-b533-47cb-9b80-bb3ca28579ba