Bestemmingsplan Markt Kapittelhof te Sint - Oedenrode
Tekst van het document
Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied en de PR 10-6-risicocontouren van leidingen. 5.6.3 Conclusie Voor wat betreft externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
5.7 Ecologie 5.7.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
Hoofdstuk 5
59
Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2.
het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime.
Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Hoofdstuk 5
60
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 5.7.2 Onderzoek Dit bestemmingsplan maakt de sloop van bestaande bebouwing (voormalig kantoorgebouw Rabobank en 20 woningen) en herontwikkeling van het plangebied met drie nieuwe gebouwen ten behoeve van wonen en detailhandel mogelijk. Door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek9 is een beoordeling gemaakt van de effecten die het plan zal hebben op beschermde natuurwaarden.
Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen ligt op meer dan 11 km afstand. Ondanks de grote afstand tot het Natura 2000-gebied en de aard van de ontwikkeling (kleinschalige herontwikkeling), is zorgvuldigheidshalve een Aeriusberekening naar de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd.10 Hierbij is uitgegaan van een absoluut worst case scenario en zijn aanvullende rekenpunten in alle windrichtingen ingevoerd op een afstand van circa 4,6 kilometer van het betreffende Natura 2000-gebied. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen depositieresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Samenvattend kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.
9 10
BRO, Quickscan flora en fauna Markt-Kapittelhof te Sint-Oedenrode, 6 april 2017, projectnummer 211x09042. BRO, AERIUS-berekening Markt-Kapittelhof, 9 april 2021, projectnummer 211x09042.
Hoofdstuk 5
61
Het plangebied ligt geheel buiten het Brabants Natuurnetwerk en de Groenblauwe Mantel. Door de ontwikkelingen worden er geen wezenlijke kenmerken en waarden aangetast van de provinciale groenstructuur. De planvorming heeft geen invloed op wettelijke en planologische beschermde gebieden. Soortenbescherming Het plangebied vormt mogelijk geschikt leefgebied voor enkele algemeen beschermde grondgebonden zoogdiersoorten en amfibieën. Voor de genoemde soorten geldt een provinciale vrijstelling van de Wet natuurbescherming bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor geldt echter wel de algemene zorgplicht. Het plangebied (woningen aan het Kapittelhof) is mogelijk geschikt als verblijfplaats en vliegroute voor vleermuizen (gewone dwergvleermuis). Met de sloop van de bebouwing en het weghalen van opgaande vegetatie kunnen negatieve effecten op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen en vliegroutes voor vleermuizen niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar het functionele gebruik van het plangebied door vleermuizen (gewone dwergvleermuis) is noodzakelijk. In de opgaande bomen zijn enkele nesten van houtduif aangetroffen en in en onder de aanwezige struiken kunnen diverse broedende vogels worden aangetroffen zoals merel, heggenmus en winterkoning. In de bebouwing kunnen tevens kauwen en spreeuwen broeden.
Door de sloop- en kapwerkzaamheden alsook het grondverzet kan er verstoring van broedende vogels plaatsvinden. Door werkzaamheden buiten de broedperiode (als broedseizoen kan de periode tussen half maart en half juli globaal worden aangehouden) uit te voeren dan wel te starten, wordt de kans op negatieve effecten geminimaliseerd. Indien op een locatie geen bewoonde nesten, broedende of nestelende vogels aanwezig zijn, mogen ook tijdens het broedseizoen werkzaamheden worden uitgevoerd. Het is dan wel vereist dat voor aanvang van werkzaamheden het opgaande groen geïnspecteerd wordt op aanwezige bewoonde nesten, legsels of nestjongen en, indien deze aanwezig zijn, de werkzaamheden uit te stellen tot nadat de jongen zijn uitgevlogen. Het plangebied (woningen aan het Kapittelhof) is mogelijk geschikt als verblijfplaats voor huismus en gierzwaluw, beide vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Met de sloop van de woningen aan het Kapittelhof kunnen voor huismus en gierzwaluw mogelijk geschikte nestlocaties verloren gaan. Daarnaast kan met het verwijderen van opgaande beplanting voor huismus belangrijke schuil- en slaapgelegenheid verloren gaan. Negatieve effecten zijn hierdoor niet op voorhand uitgesloten, nader onderzoek naar het functionele gebruik van het plangebied door huismus en gierzwaluw is noodzakelijk.
Binnen het plangebied zijn geen zwaarder beschermde soorten vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels, vissen, reptielen, amfibieën en overige ongewervelden (zoals bijv. zeldzame dagvlinders en libellen) te verwachten. Negatieve effecten voor deze soortgroepen zijn op voorhand uitgesloten met inachtneming van de zorgplicht. In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. In het kader van de algemene zorgplicht zijn geen specifieke maatregelen nodig.
Hoofdstuk 5
62
Nader onderzoek vleermuizen, gierzwaluw en huismus Gelet op de resultaten van de quickscan, is een nader ecologisch onderzoek naar vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen uitgevoerd door BRO, bestaande uit een tussenrapport11 en eindrapportage12. Deze rapportages zijn als bijlagen toegevoegd. Hierna worden enkel de bevindingen van het nader onderzoek beschreven. Vleermuizen. Er is geen sprake van kraamverblijven. Er is wel sprake van een paarverblijf in de zuidwestgevel van het Rabobankgebouw. Door de ingreep gaat een paarplaats van de gewone dwergvleermuis verloren. Het plangebied, met name de parkeerplaats en de randen langs het naastliggende kerkhof worden door vleermuizen intensief gebruikt als foerageergebied (gewone en ruige dwergvleermuis). Er is echter geen sprake van essentieel foerageergebied, er is in de directe omgeving van het plangebied, met name op het kerkhof ruim voldoende foerageergebied voor vleermuizen aanwezig. Daarom is er geen sprake van belemmeringen voor het plan. Wel is een ontheffing benodigd. Een ontheffingaanvraag is bij het bevoegd gezag ingediend. Tevens is een activiteitenplan opgesteld. Gierzwaluwen. De aanwezigheid van vaste rust- of verblijfplaatsen van gierzwaluwen is redelijkerwijze uit te sluiten. Huismussen. De gevonden resultaten wijzen op de aanwezigheid van een tweetal nestlocaties van huismussen binnen het plangebied.
Door voorafgaand aan de sloop tijdelijke alternatieve nestlocaties in de directe omgeving aan te bieden (bijv. in de vorm van nestkasten) en de nieuwbouw te voorzien van nestgelegenheden voor huismus, kunnen negatieve effecten voor nestverblijfplaatsen uitgesloten worden. Als van belang zijnde overige vaste rust- of verblijfplaats binnen het plangebied komt enkel de opgaande met klimop begroeide boom, grenzend aan de tuin van Leerlooierspad 1, in aanmerking. De overige vegetatie binnen het plangebied maakt wel onderdeel uit van het leefgebied voor huismussen, maar vormt naar verwachting geen essentieel onderdeel van het leefgebied. De in de toekomst te verwachten grasvegetatie binnen het plangebied zal dienen als alternatief foerageergebied. Indien in de toekomstige situatie er opgaande beplanting die schuil- en rustgelegenheid kan bieden langs de oost- en noordrand van het plangebied geplant wordt, zijn negatieve effecten voor huismus uit te sluiten. 5.7.3 Conclusie Gebiedsbescherming Gezien de afstand tot en de aard van de ontwikkeling zijn negatieve effecten op omringende Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten. In de verdere planvorming hoeft hier dan ook geen rekening mee gehouden te worden. Er zijn voorts geen negatieve effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van planologisch beschermde gebieden te verwachten.
Ten aanzien van het aspect gebiedsbescherming zijn er dan ook geen belemmeringen of beperkingen.
11
12
BRO, Ecologisch onderzoek vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen Kapittelhof e.o., tussentijds rapport, d.d. 8 september 2017, nr. 211X09042.092002_1. BRO, Ecologisch onderzoek vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen Kapittelhof e.o., eindrapport, d.d. 29 september 2017, nr. 211X09042.092002_2.
Hoofdstuk 5
63
Soortenbescherming Gelet op de gevonden en potentiële ecologische waarden is de verwachting dat de beoogde planontwikkeling uitvoerbaar is. Voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient echter het volgende in acht te worden genomen: Binnen het plangebied kunnen nest- en verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw en vleermuizen aanwezig zijn. Omdat negatieve effecten niet uitgesloten zijn, is nader onderzoek naar deze soorten verricht. Er is geen sprake van kraamverblijven van vleermuizen. Er is wel sprake van een paarverblijf in de zuidwestgevel van het Rabobankgebouw. Door de ingreep gaat een paarplaats van de gewone dwergvleermuis verloren. Het plangebied, met name de parkeerplaats en de randen langs het naastliggende kerkhof worden door vleermuizen intensief gebruikt als foerageergebied (gewone en ruige dwergvleermuis). Er is echter geen sprake van essentieel foerageergebied, er is in de directe omgeving van het plangebied, met name op het kerkhof ruim voldoende foerageergebied voor vleermuizen aanwezig. Daarom is er geen sprake van belemmeringen voor het plan. Wel is een ontheffing benodigd. Gezien het voorgaande kan deze worden verleend. De ontheffingsaanvraag is ingediend en er is een activiteitenplan opgesteld. Nestlocaties van gierzwaluwen binnen het plangebied zijn vermoedelijk niet aanwezig.
De aanwezigheid van vaste rust- of verblijfplaatsen van gierzwaluwen is redelijkerwijze uit te sluiten. Ten aanzien van gierzwaluwen zijn er dan ook geen belemmeringen voor het plan. Door voorafgaand aan de sloop tijdelijke alternatieve nestlocaties in de directe omgeving aan te bieden (bijv. in de vorm van nestkasten) en de nieuwbouw te voorzien van nestgelegenheden voor huismus, kunnen negatieve effecten voor nestverblijfplaatsen uitgesloten worden. De in de toekomst te verwachten grasvegetatie binnen het plangebied zal dienen als alternatief foerageergebied. Indien in de toekomstige situatie er opgaande beplanting die schuil- en rustgelegenheid kan bieden langs de oost- en noordrand van het plangebied geplant wordt, zijn negatieve effecten voor huismus uit te sluiten. Met inachtneming van deze werkwijze en het planten van opgaande beplanting langs de noord- en oostrand, zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Ten aanzien van overige broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op broedgevallen uit te (laten) voeren.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, op basis van verspreidingsgegevens, de aard van de ontwikkeling, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten behoeve van incidenteel binnen het plangebied aanwezige individuele dieren.
Hoofdstuk 5
64
5.8 Bodem 5.8.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 5.8.2 Onderzoek Gezien de in het plangebied beoogde ruimtelijke en functionele wijzigingen, is een onderzoek naar de bodemgeschiktheid noodzakelijk. Door Aeres Milieu is daarom een historisch vooronderzoek uitgevoerd conform NEN 5725.13 De rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Onderstaand worden enkel de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven. Voor de volledige bevindingen wordt verwezen naar de bijlage. Uit het vooronderzoek blijkt, dat het plangebied als verdachte locatie kan worden beschouwd.
Er dient rekening te worden gehouden met mogelijke verontreinigingen van delen van het plangebied vanwege het voormalige gebruik als gemeentewerf en leerlooierij en de demping van een voormalige watergang. Asbestverdacht materiaal wordt in de bodem niet verwacht. Op basis van het vooronderzoek is een booronderzoek uitgevoerd door Aeres Milieu, inclusief asbestonderzoek. Dit onderzoek is eveneens opgenomen in de bijlagen.14 Hierna worden de meest relevante resultaten besproken. Voor de volledige bevindingen wordt verwezen naar de bijlage. Op het maaiveld en in het uitkomende bodemmateriaal is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Wel zijn wisselende gradaties aan baksteen- en puinbijmengingen in de bodem aanwezig, plaatselijk tot 2 m-mv. Bij de grondanalyses van drie grondmengmonsters zijn geen verhogingen met asbest vastgesteld. Het onbebouwd gebied is derhalve als onverdacht op het voorkomen van asbest in de bodem te beschouwen. Het grondwater is ter plaatse niet multifunctioneel toepasbaar. Er zijn lichte verontreinigingen met molybdeen, xylenen en naftaleen aangetroffen in het grondwater. Deze gehalten vormen geen belemmering voor het plan.
13
Aeres Milieu, Vooronderzoek bodem conform NEN 5725 Markt-Kapittelhof te Sint-Oedenrode, 24 juli 2017, nummer AM17025. 14 Aeres Milieu, Verkennend bodemonderzoek Markt-Kapittelhof Sint-Oedenrode, 29 april 2021, nummer AM21009.
Hoofdstuk 5
65
De bovengrond is wisselend licht verontreinigd met chroom, cadmium, som PFOS, koper, kwik, lood, zink of PAK (10-VROM). De ondergrond is licht verhoogd met lood, PAK (10-VROM), Som PCB, cadmium, koper, kwik, zink, PAK (10-VROM) en minerale olie. De licht verhoogde gehalten vormen geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek en zijn geen belemmering voor het plan. 5.8.3 Conclusie Op basis van het vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek is de kwaliteit van het grondwater en de bodem onderzocht, waarbij tevens asbestonderzoek heeft plaatsgevonden. Uit de onderzoeken blijkt dat het onbebouwde gebied onverdacht is ten aanzien van asbest. Daarnaast zijn de bodem en het grondwater hooguit licht verontreinigd. De aangetoonde gehalten zijn geen belemmering voor de beoogde bestemmingen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
5.9 Water 5.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. De aanleiding voor het opstellen van deze waterparagraaf is de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied en de verplichting hierbij ten minste hydrologisch neutraal te ontwikkelen. Binnen de gemeente dienen ontwikkelingen hydrologisch neutraal ontwikkeld te worden en gaat de voorkeur uit naar infiltratie en/of berging op eigen terrein. 5.9.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu15 een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. 5.9.3 Conclusie Hemelwater Het plangebied is momenteel grotendeels verhard. Bij de herontwikkeling wordt de bestaande bebouwing en verharding gesloopt. Het plangebied wordt van een parkeerkelder voorzien en er worden twee nieuwe gebouwen gerealiseerd. Het zuidelijk plandeel wordt ingericht als verblijfsgebied met paden, parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluiting en groen. Het verhard oppervlak neemt door de planontwikkeling beperkt af, namelijk met ca. 275 m².
15
Aeres Milieu, Beknopte waterparagraaf Markt-Kapittelhof te Sint-Oedenrode, 25 februari 2022, projectnummer AM17025.
Hoofdstuk 5
66
De gemeente Meierijstad stelt dat ontwikkelingen hydrologisch neutraal ontwikkeld dienen worden en afgekoppeld hemelwater in de mate van het mogelijke op eigen terrein verwerkt dient te worden. Conform het gemeentelijk beleid tot klimaatbestendig herontwikkelen dient gestreefd te worden naar een waterberging van ca. 322 m³ op eigen terrein (bui van 60 mm, zonder compenserende maatregelen). In de watertoets is gekeken naar de mogelijkheden voor retentie binnen het plangebied; dit betreft onder meer: Daktuin op parkeerkelder, ca. 170 m². Aanvullend kan dit ook op het overige platte dak toegepast worden. Hoeveelheid retentie is afhankelijk van de landschappelijke inpassing, hoeveelheid en substraatdikte/type invulling (10-100 mm/m²). Aanleg waterpasserende bestrating noordoostelijk parkeerterrein; 460 m2 (ca. 27,6 m³). Omdat ter plaatse ca. 160 m² bodem verstoord is tot ca. 0,8 m-mv (gebouw) zou ter plaatse een ondergrondse waterberging (IT-krattenveld) aangelegd kunnen worden van ca. 160 m² (ca. 65 m³). Aanleg waterberging (kratten, waterkelder) centraal-oostelijk onder verhoogd terras. Dit is nu ook bebouwd, ca. 75 m² (ca. 30 m³). In het zuidelijke groen kan al dan niet ondergronds de totaal benodigde berging ingepast worden. Een verlaging of ondergelegen waterkelder van 40 cm over 700 m² volstaat hiervoor.
Aansluiten op de oostelijk gelegen droogvallende vijver (afhankelijk van voldoende capaciteit/afvoermogelijkheid); Aanleg waterberging middels HWA-stelsel onder de toegangsweg richting het hemelwaterriool bij de Markt. Gezien de beperkte mogelijkheden tot waterberging binnen de verstoorde terreindelen, de beperkte infiltratie in de bodem en de voorkeur tot een robuust stelsel gaat de voorkeur voor het afgekoppelde hemelwater uit naar verwerking in het groen, aansluiting naar de oostelijke vijver aan de overzijde van het Leerlooierspad of het westelijk aanwezige hemelwaterriool. De aanvoer zal via een separaat hemelwaterstelsel plaatsvinden. Warmte-Koude-Opslag (WKO) Het plan is om bodemenergie te gebruiken voor de verwarming en koeling van de nieuwbouw. Dit is een bewezen duurzame techniek voor het energiezuinig koelen en verwarmen van o.a. gebouwen. WKO wisselt middels een warmtewisselaar koude en warmte uit met de bodem en het grondwater. Hiervoor zijn grondwaterputten nodig die tot in een waterhoudende zand- en/of kiezellaag reiken. Deze zijn vanaf ca. 29 meter te verwachten. De maximale boordiepte voor overige grondwateronttrekkingen bedraagt voor het plangebied 96 m-mv. (dommel.nl). Voor de planontwikkeling is een quickscan uitgevoerd middels een webapplicatie (wkotool.nl). Hieruit blijkt dat de locatie zeer geschikt voor de toepassing van een WKO.
Oppervlaktewater Op enige afstand rondom het plangebied stroomt de Dommel. Oostelijk van het centrum is een oude arm van de Dommel aanwezig. Deze is in het verleden bij de ontwikkeling van plan Dotterbloem terug voorzien van stroming. Oostelijk van het plangebied aan de overzijde van het Leerlooierspad is een
Hoofdstuk 5
67
geïsoleerd oppervlaktewater aanwezig. Zuidelijk hiervan is een B-watergang aanwezig welke middels een gemaal water afvoert naar de Dommel. Afvalwater Het afvalwater van de bestaande panden is aangesloten op het gemengd gemeentelijk rioolstelsel onder de Kapittelhof en Markt en wordt naar de RWZI getransporteerd. Onder de Markt is een gemengd en HWA-stelsel aanwezig. De nog niet afgekoppelde panden aan de Markt zullen naar verwachting omstreeks 2028 afgekoppeld worden (langjarige planning vervanging riolering Sint-Oedenrode). Door de planontwikkeling zal de hoeveelheid afvalwater toenemen. Bij een woningbezetting van 2,5 personen bedraagt de verwachte droog weer afvoer ca. 1,8 m3/uur gedurende 10 uur (57 woningen en commerciële ruimte). Hiervoor dient in het plangebied een DWA-leiding aangelegd te worden. Derhalve zal deze hoeveelheid afvalwater naar verwachting zonder problemen verwerkt worden door het bestaande stelsel.
5.10 Archeologie 5.10.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 5.10.2 Onderzoek In het plangebied wordt bebouwing gesloopt en nieuwe bebouwing ontwikkeld. Daarbij wordt in nagenoeg het gehele plangebied een ondergrondse parkeergarage gebouwd.
In het geldende bestemmingsplan ‘Centrum, herziening 2013’ gelden in het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 5’, op basis waarvan archeologisch onderzoek nodig is bij ingrepen groter dan 30 respectievelijk 50 m² en dieper dan 30 cm. Deze drempelwaarden worden met
Hoofdstuk 5
68
de voorgenomen ingrepen overschreden. Daarom is door Aeres Milieu een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd.16 In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. Voor het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting voor alle perioden, in het bijzonder de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Het plangebied ligt in de historische bewoningskern van Sint-Oedenrode. Lokaal is het plangebied diep(er) verstoord, maar archeologische resten kunnen tot grote diepte (meerdere meters diep) aanwezig zijn. Op basis van deze gegevens wordt voor het gehele plangebied een vervolgonderzoek nodig geacht. Er is een PvE opgesteld, dat op 28 oktober 2021 is goedgekeurd door het bevoegd gezag. Op basis van het Programma van eisen zal vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaatsvinden. Vooralsnog zullen ter bescherming van het archeologisch bodemarchief de archeologische dubbelbestemmingen gehandhaafd blijven. 5.10.3 Conclusie Bij de planvorming heeft verkennend archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Gebleken is dat vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven noodzakelijk is. Hiertoe is een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen opgesteld.
Ten minste totdat het vervolgonderzoek is uitgevoerd worden de archeologische dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan gehandhaafd. Hiermee is het archeologisch belang voldoende geborgd.
5.11 Cultuurhistorie 5.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
16
Aeres Milieu, Archeologisch bureauonderzoek Markt-Kapittelhof te Sint-Oedenrode, 27 november 2017, projectnummer AM17025.
Hoofdstuk 5
69
Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 5.11.2 Cultuurhistorische analyse Beschermde monumenten: rijksmonumenten In het plangebied liggen geen gemeentelijke of rijksmonumenten. Wel ligt het plangebied in een beschermd dorpsgezicht, dat van gemeentewege is aangewezen. In de nabijheid van het plangebied liggen wel enkele rijksmonumenten: Adres
Soort bouwwerk
Markt 2 – 2a
Complex oud gemeentehuis met koetshuis
Markt 2 – 2a
Oud gemeentehuis
Markt 2 – 2a
Koetshuis
Markt 6
Woonhuis
Markt 8
Woonhuis
Kerkplein 47
Begraafplaats – grafkruis en 3 grafzerken
Kerkplein 47
Begraafplaats – toegangshek met beelden
Kerkplein 47
Begraafplaats – Oda kapel
Kerkplein 47
Begraafplaats – beeld H. Martinus
Kerkplein 47
Begraafplaats – schuur (knekelhuisje)
Kerkplein 47
Begraafplaats – 8 neogotische beelden
Kerkplein 47
Begraafplaats – baarhuisje
Kerkplein 47
Diverse onderdelen van de Sint Martinuskerk
Kerkplein 47
Begraafplaats
Daarnaast bevinden zich in de omgeving enkele gemeentelijke monumenten. Het betreft de adressen Markt 9, 10, 11, 12, 13, 15, 28, 30 en 32. Op grond van artikel 2.2 lid 1 sub b Wabo is voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een gemeentelijk monument een omgevingsvergunning nodig. Dit geldt ook voor het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een gemeentelijk monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Overige karakteristieke bebouwing Het plangebied zelf maakt onderdeel uit van het oude centrumgebied van Sint-Oedenrode. Dit maakt dat er ondergronds, maar vooral ook bovengronds vele restanten uit diverse tijdperken aanwezig zijn, zoals middeleeuwse wegenstructuren, historische bebouwing en beplanting. Verder is er een complex van historische elementen aanwezig die samen een belangrijke historische waarde hebben. Het centrumgebied van Sint-Oedenrode is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Daarnaast hebben de historische elementen en ensembles een belangrijke waarde voor de ruimtelijke structuur van
Hoofdstuk 5
70
het gebied. Daarom zijn de aanwezige karakteristieke en cultuurhistorische waarden beschermd in het vigerende én onderhavige bestemmingsplan. Historisch-geografische en historisch-stedenbouwkundige waarden - oude wegen Een deel van de wegenstructuur in en nabij het plangebied moet al erg oud zijn. Delen zullen al sinds de vroege middeleeuwen (en wellicht nog eerder) in gebruik geweest zijn. De historische wegen zijn op hoofdlijnen geïdentificeerd in de MIP-rapportage17 en de cultuurhistorische inventarisatie door de provincie18. Een nadere inventarisatie is gedaan op basis van kaartvergelijking met de kadastrale kaart 183019. In het centrumgebied komen diverse perceelsgrenzen voor, die een hoge mate van continuïteit door de eeuwen heen gekend hebben. De huidige ruimtelijke situatie is vergeleken met het kadastrale minuutplan van 1832 en daarbij blijken er vele perceelsgrenzen persistent te zijn. De structuur van deze perceelsgrenzen representeert de ruimtelijke structuur van het historisch gebied en heeft daardoor karakteristieke waarde. Markt en Heuvel De Heuvel en de Markt vormen samen het centrale plein dat kenmerkend is voor Sint-Oedenrode. Een dergelijk dorpsplein had oorspronkelijk een overwegend agrarische functie voor het verzamelen van het vee van de omliggende boerderijen. Het vee werd vervolgens naar de bij het dorp behorende gezamenlijke weidegronden gedreven.
In de late middeleeuwen werd er waarschijnlijk een "replanning" van het plein uitgevoerd met als doel meer ruimte te krijgen voor commerciële activiteiten (de Markt), zoals elders in Brabant ook wel gebeurd is. Dit verklaart de typische vorm van het plein: de driehoekige Heuvel (bestemd voor het vee), gekoppeld aan de rechthoekige Markt. Op de grens stond vroeger de dorpslinde, deze is in 1876 omgehakt. Later is daar een kiosk geplaatst (de huidige kiosk is van 1947). Het Kerkplein is ontstaan in 1912 toen de huidige neogotische kerk tot stand kwam. Tevoren stonden hier huizen aan de Heuvel en was de kerk alleen te bereiken via smalle toegangswegen. Historisch groen en boombeplanting Grenzend aan het plangebied neemt de begraafplaats een belangrijke plaats in. Op de begraafplaats lag de Odaberg. Op de heuvel bevindt zich thans een kapel, ontworpen door de bekende architect Grandpré Molière. Het kerkhof is een rijksmonument. Het heeft twee elkaar kruisende assen waarop een aantal neogotische beelden en monumenten. In zijn geheel gaat het om een gave aanleg met goede voorbeelden van 19-19e-eeuwse grafsculptuur, waaronder de beeldengroepen van de Calvarieberg een uitzonderlijke plaats innemen.
Ensemblewaarden Een kenmerk van cultuurhistorische waarden is, dat deze vaak in combinatie met elkaar voorkomen: De Markt is een historisch plein, er staan historische gebouwen aan, er staat oude boombeplanting er
17 18 19
Provincie Noord-Brabant, 1983; Www.watwaswaar.nl. Provincie Noord-Brabant, 2000. Www.watwaswaar.nl.
Hoofdstuk 5
71
zijn historische stoepen etc. Het totaal, het ensemble, is meer dan de som der delen. Elk van de afzonderlijke delen is misschien waardevol, maar juist de combinatie, het totaal, is extra waardevol. Dit noemen we ensemblewaarden. Delen van het plangebied, met name de Markt en omringende bebouwing, zijn aan te merken als waardevolle ensembles, waarbij het niet alleen gaat om de afzonderlijke samenstellende delen, maar vooral ook om het totaal, de delen in relatie tot elkaar. In onderhavig plan geldt dit met name voor de pleinwand aan de Markt en de steegjes. Vertaling naar regels Bij de begrenzing van het beschermd dorpsgezicht is gekeken naar de onderlinge samenhang van de cultuurhistorische waarden. Het gehele plangebied ligt binnen het beschermde dorpsgezicht, dat globaal de bebouwing aan de Markt en de Heuvel en aan een deel van de Kofferen en een deel van de Borchmolendijk omvat en verder de voormalige molenkolk nabij de Borchmolendijk en de monumentale begraafplaats. In het te beschermen gebied is ook de relatief jonge bebouwing aan de Kapittelhof opgenomen. Hoewel deze bebouwing niet bijdraagt aan de historische karakteristiek van het stads- of dorpsgezicht, is de locatie dusdanig dat een herinrichting ter plaatse van grote invloed is op het historisch karakter van het te beschermen dorpsgezicht.
Bij de planontwikkeling en de vaststelling van de stedenbouwkundige kaders, is hiermee rekening gehouden en aandacht aan besteed. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een herontwikkeling binnen het beschermd dorpsgezicht. Er zijn twee verschillende niveaus, waarop bescherming van de karakteristieke waarden van en de regie op de herontwikkeling in de planregels is verankerd. Omdat er binnen het beschermd dorpsgezicht verschillende waarden te onderscheiden zijn, zijn voor verschillende cultuurhistorisch waardevolle onderdelen dubbelbestemmingen opgenomen. In onderhavig bestemmingsplan zijn beschermd: Historisch-geografische en historisch-stedenbouwkundige waarden binnen het beschermde dorpsgezicht met een dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie 1’ (het feitelijke beschermd dorpsgezicht); Cultuurhistorisch waardevolle ensembles in het beschermde dorpsgebied met een dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie 2’. Bescherming ensembles Rondom de Markt is duidelijk sprake van sterke ensemblewaarden. Daar moet de huidige configuratie aan gebouwen binnen deze ensembles worden behouden en versterkt, omdat zij de ruimtelijke karakteristiek bepalen. Voor de historisch-geografische en historisch-stedenbouwkundige waarden binnen het Rooise centrum, het beschermde dorpsgezicht, is een dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie 1’ van toepassing.
Het gaat in het beschermde dorpsgezicht er om veranderingen te toetsen op hun impact op de stedenbouwkundige en historische waarden in het gebied. Aparte bouwregels zijn daarvoor niet
Hoofdstuk 5
72
nodig. De regels in de ‘Waarde – Cultuurhistorie 1’ hebben als doel het behouden, herstellen en versterken van de karakteristieke bebouwingstructuren en –wanden, historische groen- en wegenstructuren en bestratingen. Daarnaast is binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie 1’ een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden vanaf bepaalde omvang, bijvoorbeeld aanleggen vijvers, ophogen van terrein, afgraven van terreinen. Dit ter bescherming van de historische wegen- en groenstructuren en bestratingen. In het plangebied wordt zoveel mogelijk aangesloten op de bestaande steegjes en historische groen- en wegenstructuren. Er worden geen waardevolle structuren aangetast. Om de beoogde verblijfs- en inrichtingskwaliteit te waarborgen, is een inrichtingsplan voor de openbare ruimte opgesteld.
Binnen het beschermd dorpsgezicht zijn gebieden te onderscheiden waarbij niet alleen de structuren, maar ook het ensemble van panden karakteristiek en cultuurhistorisch waardevol zijn. Dit betreft de bebouwing rondom de Markt/Heuvel en delen van de toeleidende straten. Daar moeten de zaken die de ruimtelijke karakteristiek van het gebied bepalen, worden beschermd en in het geval van de pleinwand aan de Markt worden versterkt. Te denken valt aan: de historische rooilijnen, bouwmassa's, afwisseling van bouwhoogten, dakvorm en -richting etc. Hiervoor is de dubbelbestemming ‘Waarde Cultuurhistorie 2’ opgenomen. 5.11.3
Conclusie
Het plangebied ligt in een beschermd dorpsgezicht. Bij de uitvoering van de ontwikkeling wordt met de waarden van het beschermd dorpsgezicht rekening gehouden. Enerzijds door in het plangebied zoveel mogelijk aan te sluiten op de bestaande steegjes en historische groen- en wegenstructuren en door een vergroening van het gebied en anderzijds door de pleinwand aan de Markt te versterken.
5.12 Hoogspanningslijnen Op een afstand van ongeveer 4 kilometer van het plangebied ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.
Hoofdstuk 5
73
5.13 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen Hoewel in geen enkele wettelijke regeling in acht te nemen afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen enerzijds en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, dient op basis van het criterium goede ruimtelijke ordening wel te worden beoordeeld of het gebruik van die middelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Het plangebied ligt in het centrum van Sint-Oedenrode. De afstand tussen het plangebied, waar nieuwe woningen kunnen worden gerealiseerd en gronden die ingezet kunnen worden voor teelt is ruim groter dan 50 meter. Er zijn geen agrarische percelen in de ruime omtrek aanwezig. Gezien voorgaande kan daarom worden gesteld dat binnen het plangebied geen nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat optreden en er geen strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening bestaat.
5.14 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Uit toetsing op afstanden door de ODBN blijkt dat wordt voldaan aan de endotoxine richtafstanden voor varkens- en/of pluimveehouderijen (stap 1). De ontwikkeling leidt tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak, namelijk fijnstof (stap 2). Deze toename is echter zeer gering en kan als ‘niet in betekenende mate’ worden beschouwd. Zie nader de paragraaf ‘Luchtkwaliteit’, waarin dit is onderbouwd. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geur (zie de paragraaf ‘Geurhinder’) (stap 3a en b). Er is geen sprake van een veehouderij. Er zijn geen varkensbedrijven of pluimveebedrijven binnen 100 meter van het plangebied gelegen (stap 4). De planlocatie is niet gelegen binnen de straal van 2 km van geitenhouderijen (stap 5a).
De locatie is wel gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijven: Corridor 3 en Nijnselseweg 21 (stap 5b)20, maar niet binnen 250 meter van overige veehouderijen (stap 5c). Er is geen sprake van een
20
Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) bleek dat in de jaren 2009-2013 er sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden. Ook in het aanvullende, recente onderzoek in de regio Utrecht/Gelderland/Overijssel werd een dergelijk verband niet meer gevonden. Dit in tegenstelling tot het verband tussen het verhoogd voorkomen van longontsteking bij omwonenden nabij een geitenhouderij (2 km). In de handreiking veehouderij en volksgezondheid, opgesteld door het Ondersteuningsteam, wordt aangegeven dat het wonen nabij een pluim veehouderij (binnen een straal van 1 km) leidt tot het advies om een advies bij de GGD op te vragen. In het ondersteuningsteam zijn de laatste onderzoeksresultaten recent besproken en is besloten dat er geen advies meer wordt gegeven om een GGD advies op te vragen op grond van het criterium “wonen binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij”.
Hoofdstuk 5
74
mestbewerkings- of verwerkingsbedrijf (al dan niet als nevenactiviteit) (stap 6). Vanuit de omgevingsdialoog is niet naar voren gekomen dat er sprake is van ongerustheid over de volksgezondheid (stap 7). De gemeente moet op basis van de stappen 2 en 5b een zorgvuldige afweging maken of sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. In dit geval is er sprake van een plan dat voorziet in een (maatschappelijke) behoefte naar woningen. Het betreft een wenselijke ontwikkeling met het oog op de leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit van het centrum. In de omgeving van het plangebied wonen veel mensen, terwijl in de huidige situatie ook al sprake is van woningen aan het Kapittelhof. Tussen beide veehouderijen en het plangebied zijn zeer veel woningen en andere functies gelegen, onder meer delen van de wijk Eerschot, de wijk Dommelrode en een deel van het centrumgebied. De invloed van het plan op de luchtkwaliteit (fijnstofuitstoot) is zeer gering. Ook is er sprake van een goed woonen leefklimaat. De onderhavige ontwikkeling is dan ook van minimale invloed op het volksgezondheidsrisico. Advies van de GGD wordt daarom niet noodzakelijk en niet doelmatig geacht. Het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan.
5.15 M.e.r.-plicht 5.15.1 Toetsingskader Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden, dan is het opstellen van een MER nodig. 5.15.2 Onderzoek Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage. Geconcludeerd is dat er sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze invloed is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het
Hoofdstuk 5
75
plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.15.3 Conclusie Het is niet noodzakelijk om in het kader van dit bestemmingsplan een m.e.r.-procedure te doorlopen.
5.16 Belangen van derden Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening, is van belang dat de ontwikkeling de belangen van derden niet onevenredig mag schaden. Dit betekent dat omliggende functies niet onevenredig mogen worden beperkt en dat de ontwikkeling niet tot onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat voor omwonenden mag leiden. In dit hoofdstuk zijn de verschillende relevante omgevingsaspecten onderzocht. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot onevenredige overlast voor de omgeving. De woningen brengen geen onevenredige geluids-, geur- of andere overlast met zich mee. De bestaande centrumfunctie ter plaatse van het voormalige Rabobankkantoor wordt beperkt tot de begane grond en het voorste gedeelte van het te realiseren gebouw aan de Markt. De toegestane functies, zoals detailhandel, kleinschalige bedrijvigheid en maatschappelijke voorzieningen zijn passend in de centrumomgeving. In de omgeving van het plangebied zijn relatief weinig woningen aanwezig. Aan de Markt ten noorden van het plangebied is een aantal (boven)woningen aanwezig met diepe achtertuinen. Aan het Leerlooierspad zijn enkele vrijstaande woningen aanwezig. Tussen de woning Leerlooierspad 1 en het appartementengebouw in het plangebied is een muur aanwezig, die blijft staan.
Vanuit het noordelijke appartementengebouw in het plangebied zal vanaf de verdiepingen enig zicht op de achtergevels en achtertuinen van de genoemde woningen ontstaan. In de huidige situatie is dit in beperkter mate het geval. Gezien de afstand tot de woningen en de aard van de omgeving (centrumgebied en directe omgeving), treedt er geen onevenredige aantasting van de privacy op. Ook zal de ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige schaduwwerking of belemmering van het uitzicht. Aan de Markt 25 is een bovenwoning met een dakterras aanwezig. Vanuit het huidige kantoorgebouw en het toekomstige gebouw aan de Markt bestaat zicht op dit perceel. Door de functiewijziging van kantoor (zonder mogelijkheid om woningen toe te voegen) naar wonen op de verdieping, kan de ontwikkeling leiden tot een afname van privacy in de avondperiode. Gelet op de ligging in een centrumgebied en het feit dat ook de huidige functies geen onbelemmerde privacy garanderen, wordt dit echter aanvaardbaar geacht. Aan het Kerkplein zijn op de verdiepingen appartementen aanwezig. Deze hebben richting het plangebied echter relatief weinig ramen; aan die kant zijn de galerijen die toegang tot de appartementen geven, aanwezig. Ook voor deze appartementen zullen dan ook slechts beperkt merkbare gevolgen optreden, die aanvaardbaar kunnen worden geacht in een centrumgebied.
Hoofdstuk 5
76
Al met al kan worden geconcludeerd, dat er geen derden onevenredig in hun belangen geschaad ten gevolge van de ontwikkeling in het plangebied.
Hoofdstuk 5
77
6.
JURIDISCHE PLANOPZET 6.1 Inleiding De in deze toelichting beschreven planuitgangspunten zijn juridisch-planologisch vertaald in het bestemmingsplan, dat bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
6.2 Systematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Qua systematiek sluit het bestemmingsplan waar mogelijk aan op het vigerende bestemmingsplan ‘Centrum, herziening 2013’. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. 6.2.1 Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren: Begrippen: In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.
Hoofdstuk 6
78
6.2.2 Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen aan de orde. Alle zelfstandige regelingen, die gevolgen hebben voor de bouw- of gebruiksmogelijkheden van de gronden, zijn als een bestemming vormgegeven. De volgorde van de bestemmingen is conform de SVBP op alfabetische volgorde, waarbij de hoofdbestemmingen voor de dubbelbestemmingen zijn geplaatst. Hoofd- en dubbelbestemmingen kunnen uit de volgende onderdelen bestaan. Bestemmingsomschrijving: Een omschrijving van de doeleinden van de bestemming. Het gaat hierbij om de functies. De aard van de toegelaten fysieke elementen van de grond, zoals bouwwerken en werken, geen gebouwen zijnde, vloeit (rechtstreeks) voort uit de toegelaten functies. Bouwregels: In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels: Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid om op ondergeschikte onderdelen af te wijken van de bij recht toegestane bouwregels. Specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden opgenomen.
Daarbij kan een specificering van het toegestane gebruik aan de orde zijn of een beschrijving van het gebruik dat in ieder geval als strijdig met de bestemming wordt aangemerkt. Afwijken van de gebruiksregels: In deze regel is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor ander gebruik dan genoemd onder de bestemmingsomschrijving en de specifieke gebruiksregels. Een afwijking van een gebruiksregel mag niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen, dat wel een vergunning kan worden verleend ten behoeve van functies, die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Via een afwijking kunnen geen ‘nieuwe‘ functies worden toegestaan. Met andere woorden: de afwijkingsregeling kan worden opgenomen voor kleinere, planologisch minder ingrijpende, onderwerpen. Wijzigingsbevoegdheid: In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om regels te wijzigen zoals bijvoorbeeld het verwijderen van een specifieke aanduiding indien de bedrijfsactiviteit behorende bij deze aanduiding gedurende een half jaar is gewijzigd. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.
Hoofdstuk 6
79
6.2.3 Hoofdstuk 3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels opgenomen met betrekking tot: Het ondergronds bouwen. Ondergeschikte bouwdelen, die de in het plan opgenomen bouwgrenzen met maximaal 1 meter mogen overschrijden. Parkeren. Algemene gebruiksregels In deze regel zijn specifieke bepalingen opgenomen over het gebruik, die betrekking hebben op alle bestemmingen, in aanvulling op de bestemmingsregels. Het betreft bepalingen over evenementen en maatschappelijke voorzieningen. Deze gebruiksvormen zijn onder voorwaarden toegelaten. Ook is in dit artikel het maximum aantal wooneenheden binnen het plangebied (57) opgenomen. Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn regels voor de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – geurhinder’ opgenomen. Binnen deze zone mogen geurgevoelige objecten, zoals woningen, pas in gebruik worden genomen onder nadere voorwaarden. Zie hierover nader de paragraaf ‘geurhinder’.
Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels in het plan waarvan het bevoegd gezag middels een omgevingsvergunning kan afwijken. De voorwaarden, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven in het tweede sublid. Algemene wijzigingsregels Dit artikel geeft Burgemeester en Wethouders de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. 6.2.4 Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In dit artikel is het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik opgenomen.
Hoofdstuk 6
80
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Er kan dus in beginsel nog gewoon gehandhaafd worden. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
6.3 Bestemmingen Ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden wordt uitgegaan van directe toelating van alle gewenste functies. Welke functies waar toegelaten worden is een planologische keuze. Dit betekent dat na inwerkingtreding van het bestemmingsplan geen tot weinig ruimte is voor een wijziging in deze gewenste functies. De opgenomen bestemmingen worden hieronder nader toegelicht. Inhoudelijk sluiten de bestemmingsregels daar waar mogelijk aan op het vigerende bestemmingsplan ‘Centrum, herziening 2013’. Centrum – 1 Deze bestemming is opgenomen voor het voorste deel van het pand aan de Markt (gebouw A), waar momenteel het voormalige Rabobankkantoor aanwezig is. Binnen de bestemming zijn de volgende vormen van gebruik (centrumfuncties) toegestaan: a. Detailhandel, niet zijnde een supermarkt, op de begane grondlaag; b. Winkelondersteunende kantoren en dienstverlening op de begane grondlaag; c. Wonen in gestapelde woningen, eventueel in combinatie met een beroep aan huis. Het maximum aantal wooneenheden binnen de bestemming is niet vastgelegd, maar wel het maximum aantal in het plangebied, namelijk 57; d. Bedrijven van milieucategorie 1 en 2 uit de Lijst van bedrijven, in beginsel gericht op een rechtstreeks contact met het publiek. Bedrijven van milieucategorie 2 zijn toegestaan onder de voorwaarde dat aangetoond is, dat er geen belemmeringen zijn.
Op voorhand is dit aannemelijk; e. Maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend op de begane grond; f. Parkeervoorzieningen, waaronder een ondergrondse parkeergarage; g. Groenvoorzieningen; h. Nutsvoorzieningen; i. Tuinen en erven; j. Water en waterhuishoudkundige voorzieningen; k. Verhardingen. Middels een afwijkingsbevoegdheid kan onder voorwaarden tevens horeca worden toegestaan. De bebouwingsregels zijn afgestemd op het beoogde bouwplan en de door de gemeenteraad vastgestelde stedenbouwkundige kaders. Er is een bouwvlak op maat opgenomen, dat volledig mag worden
Hoofdstuk 6
81
bebouwd. De maximale bouwhoogte is gedifferentieerd naar gebouwdeel op de verbeelding opgenomen. Groen Een deel van het openbaar gebied rondom en tussen de beoogde bebouwing, is bestemd als ‘Groen’. Op deze gronden is naast groenvoorzieningen plaats is voor bijvoorbeeld langzaamverkeersroutes (wandel- en fietspaden), water, speelvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Binnen de bestemming zijn uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die binnen de bestemming passen. Verkeer – Verblijfsgebied De gronden tussen het horecapand Markt 17 en het beoogde nieuwe gebouw aan de Markt, alsmede een deel van het Kapittelhof, hebben de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ gekregen. Deze gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie, boven- en ondergrondse parkeervoorzieningen, straatmeubilair, groenvoorzieningen en andere voorzieningen behorende bij een openbaar gebied. Binnen de bestemming zijn uitsluitend kleinschalige gebouwen toegestaan, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Wonen Het beoogde appartementengebouw aan de zijde van het Kapittelhof (gebouw B) met de daarbij omliggende gronden, is bestemd als ‘Wonen’. Ook het achterste deel van gebouw A is bestemd als ‘Wonen’. Deze gronden zijn bestemd voor wonen in gestapelde woningen, eventueel met een beroep aan huis.
Het maximum aantal wooneenheden is uitsluitend vastgelegd voor het gehele plangebied (57). Verder zijn bijbehorende tuinen, erven, parkeervoorzieningen en groen en water toegestaan. Op de verbeelding zijn twee bouwvlakken opgenomen ter plaatse van de beide (delen van de) beoogde appartementengebouwen, met een beperkte flexibiliteitsmarge. De maximale bouwhoogte is gedifferentieerd naar gebouwdeel op de verbeelding opgenomen. Tevens is een aanduiding ten behoeve van de onderdoorgang naar het achterliggende parkeerterrein bij gebouw B opgenomen. De bouwvlakken mogen volledig worden bebouwd. Buiten de bouwvlakken zijn in beginsel uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten. Binnen de zone ten noorden van het noordelijke appartementengebouw zijn echter ook bergingen ten behoeve van de woningen toegestaan. Waarde – Cultuurhistorie 1 Met deze dubbelbestemming is vastgelegd dat bij de inrichting van het plangebied rekening dient te worden gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, bestaande uit de karakteristieke groen- en wegenstructuur, bestrating en bebouwingswanden. Bij de uitwerking van het bouwplan is hiermee rekening gehouden.