B8b Hoofdnota Omgevingsvisie Meierijstad.pdf
Tekst van het document
In het algemeen geldt dat het aanvoeren van grond- en hulpstoffen voor een productieproces, en het afvoeren en verwerken van afval na gebruik van het product, negatieve effecten hebben. Het 54 Brugh, M. aan de (16 mei 2020) ‘Wéér is het te droog. Wat gaan we eraan doen?’, NRC Handelsblad,
pagina’s W2-W3.
73
transport draagt bij aan verbruik van fossiele brandstoffen, luchtvervuiling, geluidhinder en verkeerscongestie. En voor het transport moeten ook kosten gemaakt worden, zoals het loon van chauffeurs. Het productieproces en de afvalverwerking vergen zelf ook energie. Dan is nog te bedenken dat een deel van dat alles niet is gericht op het eigenlijke product, maar op de verpakking daarvan. De ontwikkeling van kostenbesparing uit bedrijfseconomische overwegingen is nu verbreed naar minder gebruik van stoffen of materialen omwille van duurzaamheid. Daar komt een ideaal van hergebruik bij, zo niet van het hele product dan toch van zijn onderdelen of stoffen. Met dat ideaal komen we aan een circulaire economie. Intussen staan sommige consumenten open voor een trend van ‘refurbished’ (na herstel weer in circulatie gebrachte producten) of een trend van ontspullen (wegdoen en minder kopen). En met een soberder huishouden pas je wellicht in een ‘tiny house’ (zeer kleine woning). Digitalisering Technologie en handel zijn krachtige bronnen van trends en ontwikkelingen. Onze samenleving, aanvankelijk met name de economie maar intussen de breedte van het menselijke samenleven, raakt doordrongen van automatisering, digitalisering, informatisering, robotisering. We zien daarvan effecten in welke arbeid we verrichten en hoe, in ontspanning en cultuur, in zorg en welzijn.
Een krimpende vraag naar werknemers in administratieve beroepen is een voorbeeld van zulke effecten. Maar ook de groei van het internetwinkelen en de krimp bij fysieke winkels. Of de toegenomen risico’s bij gebruik van persoonsgegevens. Als enkele internetcriminelen een keer de beveiliging van het collectieve digitaal betaalsysteem doorbreken, kunnen in het hele land de winkels dicht voor de rest van de dag. Natuurlijk kunnen we ook positieve verschijnselen zien. Drones zijn behulpzaam bij waarnemingen, van bijvoorbeeld verdroogde delen van akkers of verborgen wietplantages. Kleine robots houden ouderen in tehuizen gezelschap en stimuleren hun geheugen en spraak. Rijhulpsystemen en voertuigen zonder menselijke bestuurder kunnen gunstig zijn voor verkeersveiligheid en vlotte doorstroming. Terug van schaalvergroting Hoewel arbeidsdeling, specialisatie en mondialisering kosten hebben verlaagd en bijdroegen aan een hoog niveau van welvaart, heeft deze wereldeconomie ook nadelen. Er zijn grote wederzijdse afhankelijkheden die een kwetsbaarheid betekenen. Productieketens zijn lang, waardoor de consument ook in andere zin dan fysiek een afstand krijgt tot de oorsprong van het product. Die lange ketens vereisen ook veel vervoer, en dat bijna volledig op fossiele brandstoffen. Tegen die achtergrond zijn er tegengestelde trends. Bijvoorbeeld eerlijke handel en certificering daarvan.
Consumenten staan in toenemende mate open voor eerlijk, biologisch en vegetarisch. Een tegengestelde trend is ook dat ambachten opnieuw gewaardeerd worden. Een voorbeeld hiervan is de belangstelling voor een boerderijwinkel: we kopen de boerenkaas, we zien waar en hoe die gemaakt is en we kennen de familie die de productie en verkoop verzorgt. Nabijheid en ambachtelijkheid spelen ook bij trends van kleine bierbrouwerijen (craft beers) en stokerijen. Zelfs grote bedrijven getuigen soms van een tegenbeweging: het gebeurt dat productie die was gedelokaliseerd naar een lagelonenland, wordt teruggehaald (reshoring). Redenen daarvoor van bedrijven zijn een grotere commerciële en logistieke wendbaarheid, en het beter kunnen sturen op productkwaliteit. Arbeidsmarkt In bedrijven kunnen door toepassing van technologie hogere eisen worden gesteld aan arbeiders. De afname van eenvoudig kantoorwerk is al eerder genoemd.55 Dat kan betekenen dat lager opgeleiden buiten schoonmaakwerk en logistiek weinig kansen meer krijgen. Wanneer in de mondiale economie bedrijven hun kosten willen besparen en snel inspelen op bewegingen in de 55 Vergelijk Lekkerkerker, J., H. Buijtels & A. Wagemans (red.) (april 2015) Midsize Brabant, Verkenning van
de toekomst voor Brabantse middelgrote steden, zonder plaats: BrabantKennis & Ruimtevolk.
74
markt, kan dat doorwerken in onze economie. Denk aan de flexibele schil van een bedrijf of zelfs werknemers die alleen tijdelijke banen kunnen krijgen. Gemarginaliseerde werknemers kunnen kwetsbaarder zijn ook bij ziekte en pensioen, en minder kansrijk op de woningmarkt. Financiering Door de financiële crisis van 2007-2008 en de jarenlange, zeer lage rente is de financiële sector sterk veranderd. Banken moeten bijvoorbeeld meer kapitaal aanhouden. Tegelijkertijd moeten ze kredietaanvragen strenger beoordelen en ze verdienen weinig aan de kredietverlening. De bancaire financiering van de economie staat dus onder druk. Ook technologie heeft voor verandering gezorgd. Internet kan een alternatief platform bieden voor ondernemers die contact zoeken met een investeerder of niet-bancaire kredietverstrekker. En crowd funding kan zowel ondernemers helpen bij hun investeringen, als particulieren bij hun zoektocht naar rendement voor hun spaargeld. Woningmarkt De financiële wereld is verbonden met vastgoed en dus ook wonen. Het was al decennia zo dat in Nederland voor particulieren hypothecair krediet een grote rol speelt bij de aankoop van hun woning. In veel andere landen is het aandeel van financiering kleiner. Maar door de financiële crisis van 2007-2008 moesten leningen verbeterd worden.
Als consequentie moeten particulieren om een huis te kopen nu meer eigen geld inleggen én hun kredietverstrekker een beter inkomen laten zien. In deze periode werden ook woningcorporaties meer ingesnoerd. De rijksoverheid verlangde een hogere belastingafdracht van corporaties. Daarnaast wordt van corporaties verlangd dat zij zich meer beperken tot de huisvesting van mensen met een laag inkomen. De combinatie van een hogere drempel voor een hypotheek en minder middenhuur bij corporaties, laat al vermoeden dat middeninkomens problemen ondervinden op de woningmarkt. Andere ontwikkelingen op de woningmarkt zijn het verouderen van de bestaande woningvoorraad (zeker in het licht van eisen als goede isolatie en van het aardgas af), de stijging van de gemiddelde leeftijd van bewoners, het kleiner worden van het gemiddelde huishouden (huishoudensverdunning) en dat ouderen, gehandicapten en geesteszieken minder in tehuizen opgenomen worden (extramuralisering van de zorg). Een schaarste aan woningen en een noodzaak om te investeren in verduurzaming en klimaatadaptatie geven reden om te vrezen voor hogere woonlasten. Bevolking en diversiteit Immigratie heeft een fors aandeel gekregen in de bevolkingsgroei van Nederland. Kort na de Tweede Wereldoorlog speelde emigratie nog een rol (landverhuizers).
En in die jaren kwamen er mensen uit Zuidoost-Azië (terug) naar Nederland (de onafhankelijkheid van Indonesië werd in 1945 uitgeroepen). Korte tijd later werden er gastarbeiders naar Nederland gehaald (Italië, Marokko, Turkije). Een volgende trend was dat Surinamers zich in Nederland vestigden (Suriname werd in 1975 onafhankelijk), al had die trend weinig effect op Noordoost-Brabant. Intussen werden in Nederlandse gezinnen minder kinderen geboren. Daarmee werd Nederland voor bevolkingsgroei langzaamaan afhankelijk van immigranten. De turbulentie in de wereld leidde sinds het laatste kwart van de twintigste eeuw tot de aankomst van vluchtelingen uit Aziatische en Afrikaanse landen, en van de Balkan. In recente jaren bestaat immigratie voor onze regio ook uit arbeidsmigranten uit Midden- en Oosteuropese landen. Door immigratie is ook in Meierijstad een diversiteit aan talen, culturen en religieuze stromingen ontstaan. Maar een toegenomen diversiteit is eveneens een autonome, Nederlandse ontwikkeling. De toename van welvaart, ontkerkelijking en ontzuiling hingen namelijk samen met meer verschillende opvattingen en gedragingen van mensen. Er worden door onderzoekers nu leefstijlen onderscheiden om mensen te benaderen met marketing, maar ook wel voor productontwikkeling, bij kiezersonderzoek of voor overheidscommunicatie. Een recente trend is 75
dat mensen in een ‘bubble’ van gelijkgestemden verkeren in hun gebruik van sociale media en de televisieprogramma’s die ze bekijken. Dan kan pluraliteit ook fragmentatie worden. Participatiesamenleving In de tweede helft van de twintigste eeuw is inspraak opgekomen als maatschappelijk verschijnsel en vastgelegd in het bestuursrecht. Rond de millenniumwisseling ontwikkelde inspraak verder via interactieve beleidsvorming naar burgerparticipatie. Er zijn ervaringen opgedaan met het soms vergaand delen van publieke verantwoordelijkheid, in contrast met inspraak waarbij een overheidsorgaan slechts een beperkte invloed toekende. Deze ontwikkeling kan verklaard worden met toegenomen welvaart, emancipatie, een hoger educatiepeil van de bevolking en een minder vasthouden aan representatie als de beste vorm van democratie. De ontwikkeling van burgerparticipatie is intussen aangevuld met een heroriëntatie van de verzorgingsstaat. Door een gedaald geboortecijfer, langere schoolloopbanen en gestegen levensverwachting is de beroepsbevolking relatief kleiner. Door de verzorgingsstaat komen arbeidskosten, medicijnprijzen en hoogwaardige medische technologie als hoge lasten te drukken op de beroepsbevolking. De grootschalige infrastructuur van bejaardenhuizen, verpleeghuizen, psychiatrische en gehandicapteninstellingen en de brede volksverzekeringen zijn dan ook aangepast.
In de alinea over de woningmarkt kwam het al aan de orde: verwacht wordt dat oudere mensen langer zelfstandig thuis wonen. Eveneens wordt verwacht dat kwetsbare mensen eerst zoeken naar hulp van hun familie, buren of sociaal netwerk. Mantelzorg verlenen is nu ook een betekenis van participatie. Kanttekeningen bij de industriële economie Hoewel de industriële economie in haar kapitalistische vorm al eerder kritiek kreeg uit de zogenoemd linkse politiek, kwam daar in het laatste kwart van de twintigste eeuw nieuwe kritiek bij. Lucht, land en water werden vervuild, en daar ondervonden de natuur en mensen zelf nadelige effecten van. Maatregelen zoals het plaatsen van filters en het aanleggen van een gezoneerd industrieterrein kunnen duur zijn, maar laten de industriële economie in wezen onaangetast. Er klonken echter stemmen op die pleitten voor verdergaande veranderingen: transities van industrie, landbouw en veeteelt, mobiliteit, energievoorziening. In de samenleving werd door sommigen opgeroepen om te kiezen voor alternatieven voor fossiele brandstoffen, bestrijdingsmiddelen en agrarisch hormoongebruik, concentraties van vee nabij de bevolking, en ongezonde gedragspatronen van mensen zelf.
Box 4.3. Redenen voor duurzaamheid in energievoorziening en grondstoffengebruik Energie De samenleving schakelt over van fossiele brandstoffen naar alternatieven zoals vergisting, waterstofgas, elektriciteit uit zon, wind en water, warmte uit zon, water en bodem, en koelte uit water en bodem. Daarvoor is een reeks redenen. Fossiele brandstoffen zijn eindig, hun verbranding is vervuilend en ongezond voor mens en natuur, de Nederlandse gaswinning veroorzaakt aardschokken en schade, terwijl de import van gas en olie het land geopolitieke risico’s en dilemma’s oplevert. Deze transitie is niet alleen mondiaal, Europees en nationaal. Het is ook een opgave voor Meierijstad, de bedrijven waar we werken, de buurten waar we wonen en voor afzonderlijke huishoudens. Grondstoffen Het eenmalige gebruik van grondstoffen en het over grote afstand vervoeren van stoffen en producten kan in het huidige model rendabel zijn, maar het is niet duurzaam. Door energie niet onnodig te verbruiken, beperken we de opgave van duurzame energieopwekking. Voor grondstoffen geldt dat ook die eindig
76
kunnen zijn. De mondiale groei van bevolking en economie leiden alvast tot grondstoffenschaarste. Daarom gaat nu aandacht uit naar besparingen en het inrichten van nieuwe kringlopen.
Ongezonde omgeving Onze omgeving is niet altijd goed voor ons. Momenteel meent de GGD dat gemiddeld bijna 6% van de ziektelast toe te schrijven is aan milieufactoren.56 Zoals aangegeven heeft de industriële economie, haar systeem van voedselproductie inbegrepen, nadelige effecten. Die effecten doen zich voor onder andere in de volksgezondheid. Daar komen negatieve effecten bij als gevolg van ongezonde keuzes van mensen in hun eigen gedrag. We bewegen te weinig, roken tabak, eten teveel, vooral teveel suiker, vet en dierlijk eiwit. Hierbij wordt van welvaartsziekten gesproken. Een deel van het (on)gezonde gedrag hangt samen met de fysieke leefomgeving.
Figuur 4.4. Thema’s voor de duurzame mobiliteitsvisie
Overgenomen uit de presentatie Een nieuw tijdperk, een nieuwe mobiliteitsaanpak voor de focusgesprekken ten behoeve van de duurzame mobiliteitsvisie van Meierijstad.
56 Werkgroep Ruimtelijke Ordening (2020) Kernwaarden gezonde leefomgeving, Utrecht: GGD GHOR
Nederland, pagina 4.
77
4.2. Trends en ontwikkelingen in het landelijk gebied
LG
Het landelijk gebied is lang gedomineerd door landbouw en veeteelt. Daarmee zijn geweldige prestaties geleverd voor onze voedselvoorziening. In onze tijd is het besef doorgedrongen dat de agrarische sector negatieve effecten heeft op de omgevingskwaliteit. Zo zijn grote delen van het landschap gerationaliseerd, is er stank, zijn populaties vogels kleiner geworden en worden er minder insekten gezien.57 Schaalvergroting, emissies van de veeteelt, zwaarder materieel voor de akkerbouw, afname van biodiversiteit en droogte door snelle afvoer van hemelwater leiden intussen tot tegenreacties. Verschillende trends en ontwikkelingen zijn te verklaren als zulke tegenreacties. Maar het is niet allemaal kommer en kwel. Inderdaad gaat het bij diverse trends en ontwikkelingen om problemen, beperkende regels en herstelmaatregelen. Er zijn echter boeren en andere ondernemers die vanuit een eigentijds bewustzijn enthousiast gebruikmaken van nieuwe mogelijkheden die ontstaan door technologie of maatschappelijke evolutie. Er speelt dus zowel een nieuwe benadering van het bekende buitengebied als een ontdekking van het nieuwe buitengebied.
Afbeelding F6. Bedrijfsperceel op De Dubbelen in Veghel
Ruimteclaims De trends en ontwikkelingen van tekstdeel 4 kunnen van belang zijn voor de hele breedte van de fysieke leefomgeving en het omgevingsbeleid. Bij wijze van spreken van ecologie tot economie, of van onkruid tot ondermijning. Maar van sommige ontwikkelingen is duidelijk dat ze in ieder geval 57 Zie bijvoorbeeld Schreuder, A. (6 februari 2020) ‘Op de hei bloeit ooit weer duivelsnaaigaren’, NRC
Handelsblad, pagina’s 10-11. Venhuizen, G. (9 mei 2020) ‘Meer groen en toch minder insecten’, NRC Handelsblad, pagina’s W2-W3. Venhuizen, G. (1 november 2019) ‘Insectensterfte door landbouw’, NRC Handelsblad, pagina 3.
78
een forse ruimtelijke impact krijgen. Zeker drie maatschappelijke ontwikkelingen leggen ruimteclaims op het landelijk gebied. Tegen de achtergrond van internationale verplichtingen die Nederland is aangegaan, en Unierecht, is er een opgave van natuurbescherming en -ontwikkeling. Het natuurnetwerk Nederland moet nog verder ontwikkeld worden naar zijn planhorizon van 2027 volgens het natuurpact58 dat rijksoverheid en provincies in 2013 overeenkwamen (zie box 4.5). De grootste opgave van natuurontwikkeling ligt nog in Noord-Brabant, terwijl in onze provincie al voor een relatief groot deel van haar landelijk gebied restricties gelden. 59 Vanwege de ambities voor biodiversiteit, ook internationale verplichtingen,60 kan verwacht worden dat natuurontwikkeling ook na 2027 is voort te zetten. De opwekking van duurzame energie – met zonnepanelen, windturbines, mestvergistings- en biogas-installaties, houtteelt, installaties voor aqua- en geothermie en nieuwe verbindingen en schakels in het elektriciteitsnetwerk – heeft consequenties voor zowel stedelijk als landelijk gebied. Maar in het landelijk gebied lijken voor grootschalige opwekking de kansen beter en de drempels lager. Ondanks de afname van de bevolkingsgroei brengt verstedelijking nog altijd ruimteclaims met zich mee.
De behoefte is voor woningbouw buiten bestaand stedelijk gebied beperkt, maar ook bedrijvigheid, infrastructuur en voorzieningen vragen nog ruimte. 61 Op de ontwikkeling van verstening, en de trend van meer of grotere distributiecentra, wees bijvoorbeeld de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in haar aanvulling op de ontwerp-NOVI.62
Box 4.5. Decentralisatie, natuur en landschap
Achterblijvend natuur- en landschapsbeleid
Het natuur- en landschapsbeleid heeft het rijk in de jaren 2010-2012 aan de provincies overgelaten.63 Daarop vond in 2013 enige correctie plaats nadat bleek dat de natuurontwikkeling achterbleef bij de ambitie. Tot de decentralisatie sprak het rijksbeleid van een ecologische hoofdstructuur (EHS) die robuust moest worden. De EHS-gebieden moesten met ecologische verbindingszones (EVZ) met elkaar verbonden worden met het oog op evenwichtige en gezonde populaties. Nu de provincies het primaat hebben voor dit beleid, spreken we van het natuurnetwerk Nederland (NNN) dat wordt ontwikkeld volgens het natuurpact64 dat rijksoverheid en provincies in 2013 overeenkwamen. Hierbij geldt 2027 als planhorizon. Binnen Noord-Brabant spreken we van het natuurnetwerk Brabant (NNB). Nog vóór de decentralisatie van het landschapsbeleid bleken aspecten als beleidsmatig of organisatorisch eigenaarschap en financiële middelen al problematisch.65
58 TK 2013-2014, 33.576, nr. 6.
59 Dam, F. van, A. Tisma & J. Diederiks (2019) Transities, ruimteclaims en landschap, Den Haag: Planbureau
voor de Leefomgeving, pagina’s 14-17, 27, 33. Tisma, A., J. Diederiks & F. van Dam (29 augustus 2019) Nederlands landschapsbeleid in kaarten en cijfers, Een overzicht van het huidige landschapsbeleid, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving, pagina’s 16-17. 60 Met name de Vogel- en Habitatrichtlijnen en de Kaderrichtlijn water. 61 Dam, F. van, A. Tisma & J. Diederiks (2019) Transities, ruimteclaims en landschap, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving, pagina’s 4, 12-13. 62 TK 2019-2020, 34.682, nr. 48. 63 Tisma, A., J. Diederiks & F. van Dam (29 augustus 2019) Nederlands landschapsbeleid in kaarten en cijfers, Een overzicht van het huidige landschapsbeleid, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving, pagina’s 51-53. 64 TK 2013-2014, 33.576, nr. 6. 65 Kuiper, R. (red.) (december 2008) Landschap beschermen en ontwikkelen, Evaluatie en beleidsopties, Bilthoven: Planbureau voor de Leefomgeving.
79
Oplevende diersoorten Hoewel de biodiversiteit als geheel zich niet gunstig ontwikkeld, ervaren sommige soorten wel succes. Dankzij verminderd gebruik van gifstoffen en wellicht minder stroperij leven er in onze regio meer roofvogels dan tientallen jaren geleden. Er is kans om zelfs een passerende zeearend te zien.66 Herten en zwijnen zijn er soms ergens teveel. Vanuit de menselijke samenleving kunnen exoten ongepland geïntroduceerd worden, bijvoorbeeld de wasbeer. 67 Andere diersoorten kunnen terugkeren dankzij natuurbescherming, geleidelijk meer verbindingen en contacten tussen natuurgebieden. Daar is de wolf een voorbeeld van. Landschap in ontwikkeling Het Brabantse landschap met van oudsher woeste gronden, beekdalen en kleinschalige, gemengde boerenbedrijven biedt tegenwoordig een basis voor processen van identiteitsbeleving, recreatie en toerisme, marketing, economische ontwikkeling én van landschapsbehoud en natuurontwikkeling. Er zijn ondernemers die hier inspelen op de aanwezige kansen. En overheden, met inbegrip van de Europese Unie, ondersteunen dit. Drie initiatieven van deze ontwikkeling raken de westelijke helft van Meierijstad, een vierde de oostelijke zijde. Het Nationaal Landschap Het Groene Woud, in de stedendriehoek Eindhoven – Tilburg – ’sHertogenbosch, kent landschappelijke, cultuurhistorische, natuurlijke en recreatieve waarden.
In beleid van rijksoverheid en provincie en in samenwerking tussen lokale overheden en met particuliere organisaties is in de loop van enkele decennia gewerkt aan landschapsbehoud, natuurbescherming en -ontwikkeling, recreatiemogelijkheden en streekmarketing. 68 Het gebied met onze kernen Schijndel, Wijbosch, Sint-Oedenrode, Nijnsel, Olland en Boskant maakt deel uit van Het Groene Woud. Het gebied en het landschapsnetwerk van Het Groene Woud overlapt deels, namelijk met Sint-Oedenrode en Son en Breugel, met het Rijk van Dommel en Aa. Dat Rijk van Dommel en Aa is gepresenteerd als landschapspark voor Brainport Eindhoven: een gebied voor recreatie tussen Eindhoven en Helmond. Cultuurhistorie komt weer meer in beeld bij het Van Gogh Nationaal Park in oprichting. 69 Dat gaat om een gebied en netwerk dat grotendeels overlapt met Het Groene Woud. Dankzij de verwijzing naar Van Gogh, die immers Brabantse boeren, akkers, en molenlandschappen schilderde, komt het landschap naar verwachting meer op de (inter)nationale kaart. En aangezien voor de toeristenmassa’s van de Amsterdamse binnenstad, Giethoorn en de molens van Kinderdijk wordt gezocht naar betere spreiding over Nederland, kunnen we in Noord-Brabant misschien meer Aziatische en Amerikaanse toeristen verwachten. Rondom de Peulrandbreuk (zie tekstdeel 3.1) wordt gewerkt aan Geopark Peelhorst en Maasvallei.
Meierijstad is vooralsnog niet één van de hierbij betrokken gemeenten, waterschappen en provincies. De partijen streven ernaar om de geologische en landschappelijke waarden door de UNESCO te laten erkennen.
66 Dijksterhuis, K. (27 februari 2020) ‘De ondoorgrondelijke wegen van zeearend WN14’, NRC Handelsblad,
pagina 20. 67 Venhuizen, G. (21 december 2019) ‘Nederland is een ideaal wasberenland’, NRC Handelsblad, pagina’s W6-W7. 68 Zie bijvoorbeeld Landschapsontwikkelingsplan Sint-Oedenrode (31 maart 2009) Rosmalen: Croonen adviseurs, pagina’s 5-8. Pols, L., L. Bijlsma, M. Breedijk & M. van Schie (december 2018) Stadsranden, Schakelzones tussen stad en land, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving, pagina’s 29, 58. 69 West 8 & Overland (maart 2020) Masterplan Van Gogh Nationaal Park Brabant, Schetsboek van het landschap van de 21e eeuw, ’s-Hertogenbosch: Stuurgroep Van Gogh Nationaal Park.
80
Figuur 4.6. Impressie Van Gogh Nationaal Park door West 8
Bron: www.vangoghnationalpark.com.
Box 4.7. Van Gogh Nationaal Park
Van Gogh
‘De basisgedachte is dat het Van Gogh National Park als vliegwiel werkt voor de gezamenlijke integrale ontwikkeling van natuur, landschap, cultuur en regionale economie in relatie tot de grote ruimtelijke opgaven.’ Overgenomen uit een raadsinformatiebrief van het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad van 14 april 2020.
Boeren in beweging Natuurontwikkeling en streekmarketing zijn niet goed te begrijpen zonder aandacht te besteden aan de agrarische sector. In de twintigste eeuw zijn de agrarische percelen groter en het landgebruik intensiever geworden. Dieraantallen namen toe, stallen werden opgetrokken uit moderne materialen en ze werden groter. Nederlandse boeren werden succesvolle spelers op de wereldmarkt. Tegelijkertijd daalde de agrarische werkgelegenheid dankzij mechanisering en automatisering. De schaalvergroting en de intensivering hadden negatieve effecten op landschap, natuur, milieu, dierenwelzijn en volksgezondheid. En tegelijkertijd kwam er voor iedereen, in Nederland in ieder geval, voldoende voedsel tegen betaalbare prijzen. Er ontstonden tegenreacties uit de samenleving en van de overheid, maar ook van boeren zelf. We noemen hier enkele van die reacties. De aanpak van afvalwaterlozingen en mest, betere waterzuivering en landschapsbeheer moesten zorgen voor een betere waterkwaliteit. Om geurhinder, fijnstof, endotoxinen en zoönosen te beperken, kwamen er eisen aan stallen, regels over mest en dieraantallen.
81
Om het ontstaan van antibiotica-resistentie af te remmen werden er afspraken gemaakt om het medicijngebruik in de veeteelt te verminderen.70 Voor insekten, vogels,71 kleine zoogdieren en zoetwaterleven kwamen er inspanningen om voorzichtiger te maaien of dorsen, houtwallen te bewaren, bloemen en kruiden in te zaaien, en om beken hun meandering terug te geven.72 Een volgende stap die nu soms genomen wordt voor natuurherstel, is het minder verlagen van het grondwaterpeil. Bij journalisten en consumenten is het bewustzijn toegenomen dat aan voedselproductie aspecten van milieu, natuur, dierenwelzijn en volksgezondheid kleven. De kritiese of alternatieve consumenten van vroeger die marginaal bleven, zijn nu bewuste consumenten die een substantiële voorhoede vormen. Het importeren van voedsel uit landen waar genetische modificatie, gebruik van hormonen of chemische middelen zijn toegelaten, stuit op weerstand. Er is meer vraag naar biologische producten en er wordt vaker vegetarisch gegeten. Er is gelegenheid en begrip voor ‘framing’ als plofkip of kiloknaller, al vertaalt zich dat niet altijd in het winkelmandje. Om aan de kaak te stellen dat schaalvergroting, massaproductie, commercie en lange ketens in sommige gevallen negatief zijn voor de inkomenspositie van boeren die zijn meegesleurd in een ‘race to the bottom’, ontstond er soms boerenprotest.
Zeker als een dip in de markt samenvalt met nieuwe beperkende regels en een gevoel van afwijzing door de afkalvende maatschappelijke ‘license to operate’ is er een voedingsbodem voor protest. De traumatiserende (aanpak van de) varkenspest van 1997 en de stikstofcrisis van 2019 bieden voorbeelden van boerenprotest.73
De afname van agrarische emissies verloopt moeizaam. Minder uitspoeling van nutriënten kan maatregelen vergen van voederproductie, voedingspatroon, bemesting, grondbewerking tot aanleg van natuurranden. Voor stikstof geldt dat het op zich niet vervuilend is, maar de uitstoot hoopt zich wel op in de natuur en heeft daar ongewenste gevolgen. Gifstoffen van gewasbescherming kunnen lang aanwezig blijven en verspreid raken ten opzichte van de locatie waar ze werden gebruikt.74 Voor het tijdig behalen van de KRW-doelen van waterkwaliteit dalen diverse emissies nog onvoldoende.75 Van antibiotica is de daling gestokt.76 En de uitstoot van broeikasgassen als methaan en lachgas toont een trend in verkeerde richting. Met name het 70 Vergelijk de fipronilcrisis van de pluimvee- en eiersector van 2017 die illustreert dat er mensen blijven die
een bocht willen afsnijden, alsook mensen die naïef zijn. In een geparfumeerd middel tegen bloedluis bij kippen was een verboden middel gebruikt. Veel bedrijven konden lange tijd hun eieren niet afzetten. 71 Over insektenpopulaties bestaat wel enige onduidelijkheid, maar de teruggang in biodiversiteit is zeker sterk bij boerenlandvogels. Berkhout, P., A. van Doorn, F. Geerling-Eiff, H. van der Meulen, G. Tacken, G. Venema & T. Vogelzang (september 2019) De landbouw en het landelijk gebied in Nederland in beeld, Een houtskoolschets van de SWOT voor het GLB, Wageningen: Wageningen University & Research / Wageningen Economic Research, pagina 23. 72 Vergelijk Brugh, M. aan de (11 april 2020) ‘Meanderen? Dat is niks voor Nederland’, NRC Handelsblad, pagina’s W10-W11. 73 Een verbinding tussen de ontwikkeling van consumentenbewustzijn en de trend van boerenprotest wordt gevormd door de organisatie Farmers Defence Force. Zij werd in 2019 opgericht in verdediging tegen stalbezetting door extremistische dierenactivisten, maar stond ook vooraan op het Malieveld in de stikstofcrisis. 74 ‘Bestrijdingsmiddelen midden in de natuur’ (juli-augustus 2020) ROm, Ruimtelijke ontwikkeling, infrastructuur & milieu, jaargang 38, nr. 7-8, pagina 6. 75 Berkhout, P., A. van Doorn, F. Geerling-Eiff, H. van der Meulen, G. Tacken, G. Venema & T.
Vogelzang (september 2019) De landbouw en het landelijk gebied in Nederland in beeld, Een houtskoolschets van de SWOT voor het GLB, Wageningen: Wageningen University & Research / Wageningen Economic Research, pagina’s 24-25, 29-30. 76 Berkhout, P., A. van Doorn, F. Geerling-Eiff, H. van der Meulen, G. Tacken, G. Venema & T. Vogelzang (september 2019) De landbouw en het landelijk gebied in Nederland in beeld, Een houtskoolschets van de SWOT voor het GLB, Wageningen: Wageningen University & Research / Wageningen Economic Research, pagina’s 28-29.
82
verruimen (2007) en het vervallen (2015) van melkquota verklaren dat: meer koeien, grotere emissie.77
Box 4.8. Toetsingscriteria volgens de nationale landbouwvisie
Kringlooplandbouw
De rijksoverheid geeft in haar landbouwvisie een reeks criteria waarmee beoordeeld kan worden of initiatieven tegemoetkomen aan haar ambities.78 1. ‘Dragen ze bij aan het sluiten van kringlopen, het terugdringen van emissies en het verminderen van verspilling van biomassa in het gehele voedselsysteem? 2. Dragen ze wat betreft visserij bij aan een duurzaam bestandsbeheer zonder schade aan de natuurlijke omgeving? 3. Versterken ze de sociaal-economische positie van de agrarisch ondernemer in de keten? 4. Leveren ze een bijdrage aan de klimaatopgave voor landbouw en landgebruik? 5. Bevorderen ze de aantrekkelijkheid en vitaliteit van het platteland en dragen ze bij aan een bloeiende regionale economie? 6. Leveren ze winst op voor ecosystemen (water, bodem, lucht), biodiversiteit en de natuurwaarde van het boerenlandschap? 7. Is het dierenwelzijn meegewogen? 8. Leveren ze een bijdrage aan de erkenning van waarde van voedsel en het versterken van de relatie tussen boer en burger? 9. Versterken ze de positie van Nederland als ontwikkelaar en exporteur van integrale oplossingen voor klimaatslimme en ecologisch duurzame voedselsystemen? Naast deze toetsingscriteria gelden voedselveiligheid en -kwaliteit altijd als basisvoorwaarden.’
77 Berkhout, P., A. van Doorn, F. Geerling-Eiff, H. van der Meulen, G. Tacken, G. Venema & T. Vogelzang
(september 2019) De landbouw en het landelijk gebied in Nederland in beeld, Een houtskoolschets van de SWOT voor het GLB, Wageningen: Wageningen University & Research / Wageningen Economic Research, pagina’s 26-27. 78 Landbouw, natuur en voedsel: waardevol en verbonden, Nederland als koploper in kringlooplandbouw (september 2018) Den Haag: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, pagina 37.
83
Afbeelding F7. Sloop agrarische opstallen in Mariaheide
Stoppers en VABs De schaalvergroting van agrarische bedrijven en de dalende arbeidsvraag krijgen tegenwoordig hun vervolg in een groot aantal bedrijfsbeëindigingen. Daar zijn meerdere verklaringen voor. Een eerste verklaring is de leeftijd van de boer en de afwezigheid van een opvolger: geen kind dat ervoor kiest het bedrijf voort te zetten. Andere verklaringen zijn de druk op prijzen vanuit de markt, de druk van financiering en de druk van regels die zich blijven ontwikkelen. Ten slotte zijn er soms maatregelen van buitenaf om een agrarisch bedrijf te beëindigen. Dat kan een specifieke maatregel zijn, zoals om een nieuwe weg te kunnen aanleggen. Maar er zijn ook meer algemene overheidsmaatregelen om bedrijven met hoge emissies uit te kopen. Waar agrarische bedrijven stoppen, blijven stallen, silo’s, gierkelders en voerkuilen achter: de vrijkomende agrarische bebouwing (VABs). De voormalige boer woont dan meestal in een huis dat is bestemd als bedrijfswoning. Dat betekent een grote opgave van saneren en herbestemmen. Groot in de zin dat het alle betrokkenen veel tijd en moeite kost, en dat er veel geld mee gemoeid is. In de tussentijd brengen VABs risico’s met zich mee: het risico op verloedering allicht, maar ook het risico op hergebruik voor illegale activiteiten.
Een stoppende boer in Brabant kan helaas verwachten dat een drugscrimineel bij hem langskomt om hem een aanbod te doen.
84
Afbeelding F8. Folder VAB-impuls op gemeentelijke informatiebalie
Box 4.9. Scenariostudie agrarische bedrijvigheid
Ontwikkelrichtingen naar 2050
In een verkennend onderzoek naar ontwikkelrichtingen voor agrarische bedrijvigheid zijn vier scenario’s opgesteld.79 Die scenario’s zijn opgesteld aan weerszijden van een eerste as met productiviteit gedreven bedrijvigheid en met natuurinclusieve bedrijvigheid, en een tweede as met de voorgenomen milieugebruiksruimte en met striktere beleidsdoelen van milieugebruiksruimte. Het onderzoek illustreert dat om klimaatdoelen te behalen in Nederland veranderingen nodig zijn in de omvang van de veestapel en de aard van het landgebruik. Bij dat landgebruik gaat het niet alleen om teeltkeuze, intensief of extensief, en beweiding, maar ook om bosaanplant. Emissies kunnen aangepakt worden door het verminderen van de economische activiteit, zoals het inkrimpen van de veestapel, hetgeen leidt tot minder inkomsten. Emissies kunnen ook aangepakt worden door het verbeteren van de emissie-efficiëntie, dus nieuwe techniek toepassen, hetgeen investeringslasten met zich meebrengt. Om de economische effecten op te vangen zal schaalvergroting aanhouden, al was het maar doordat gronden van wijkers overgaan naar blijvers. Maar ook een lage marge zet aan om de productie op te schalen. Bij de ontwikkelingen betekent een eis van grondgebonden veehouderij een ruimteclaim. Daarnaast is bosaanplant nodig. Dat zet per saldo druk op het aandeel akkerbouw.
79 Lesschen, J.P., J. Reijs, T. Vellinga, J. Verhagen, H. Kros, M. de Vries, R. Jongeneel, T. Slier, A.
Gonzalez, I. Vermeij & C. Daatselaar (februari 2020) Scenariostudie perspectief voor ontwikkelrichtingen Nederlandse landbouw in 2050, Wageningen: Wageningen University & Research.
85
Nieuwe economische dragers In het landelijk gebied werden inkomens van oudsher verdiend met landbouw en veeteelt. Daarbij werd ook het landschap beheerd. Het kleinere aandeel van boeren in de beroepsbevolking hing in de twintigste eeuw samen met een trek van boerenzonen en -dochters naar industriedorpen en steden. Er wonen wel zogenoemde burgers, maar de totale suburbanisering van het landelijk gebied wordt in Nederland tegengehouden. Bij de vele agrarische bedrijfsbeëindigingen die nu plaatsvinden, wordt de vraag actueel wat de economische dragers van het landelijk gebied zullen zijn. Waarmee kan een rurale bevolking zich een inkomen verschaffen en hoe ontstaat er dekking voor de lasten van het landschapsbeheer? Vanuit agrarische bedrijven zijn in het verleden al andere activiteiten voortgekomen. Bijvoorbeeld loonwerkbedrijven, maneges en bedrijven in de grond-, weg- en waterbouw. Het kamperen bij de boer heeft al jaren een plek in het Nederlandse beleid van recreatie en toerisme, en in de ruimtelijke ordening. Tegenwoordig ontstaan er met name zorgboerderijen, B&B’s, boerderijwinkels en theetuinen. Ook festivals strijken neer in het landelijk gebied. Dat varieert van een muziekfestival met kampeerders in weidegebied tot een thematische fair op een landgoed.
De recreatieve voorzieningen in het landelijk gebied hangen samen met een netwerk dat wordt ontplooid: er worden recreatieve routes uitgezet, er komen parkeerplaatsen en er vinden streekmarketing en toeristische promotie plaats. Klimaat en energie in het landelijk gebied De klimaatverandering heeft impact op natuur en agrarische bedrijvigheid. Planten en dus ook gewassen hebben last van droogte en hitte. De afgelopen jaren kenden zeker verdroging. Om toch in te spelen op soms hevige neerslag en hoge waterstand in de beken, zijn her en der waterbergingen aangelegd. En als een waterschap het peil van het grondwater ergens hoog houdt, heeft dat consequenties voor de teelt en de bodembewerking door boeren. Niet alleen zulke klimaatadaptatie of natuurbehoud werkt door in het landgebruik, dat geldt ook voor de energietransitie. Het is niet zo duurzaam, maar er wordt wel eens gekozen voor de teelt van biomassa. En er zijn initiatieven voor zonnevelden. Windturbines worden wel solitair geplaatst door een individuele grondeigenaar, of grootschaliger in een lijnopstelling of windpark. Met meer koolzaad, productiebos, zonnepanelen en windturbines zou ons landschap er toch anders uit gaan zien.
4.3. Trends en ontwikkelingen in het stedelijk gebied
SG
Consequenties van klimaatverandering De klimaatverandering die in tekstdeel 4.1 werd genoemd, kan in stedelijk gebied pijnlijk zichtbaar worden. Als na extreme neerslag een gewas wegrot op een akker, valt dat de meeste mensen minder op dan een beeld van regenwater dat in straten blijft staan en auto’s die van hun parkeerplaats afdrijven. En hoewel extreem weer natuurschade kan veroorzaken, agrarische bedrijven kan ruïneren en boeren tot wanhoop drijven, kan in stedelijk gebied met zijn bedrijventerreinen, grote aantallen woningen en voertuigen de economische schade hoger oplopen. Tegen extreme neerslag is op het moment zelf niets te doen. Maar het aantal huishoudens dat er rekening mee houdt, is nog beperkt. Bebouwd gebied is ook gevoeliger voor opwarming dan landelijk gebied en open water. Zowel bedrijventerreinen, centra als wijken met een hoge concentratie woningen en weinig openbaar groen kunnen hitte-eilanden worden. Oudere inwoners en chronisch zieken lopen extra 86
gezondheidsrisico bij hitte. Op warme dagen stijgt de drinkwaterconsumptie. Er zijn intussen vele particuliere zwembaden. Dat extra water verlicht de hinder van hitte een beetje, maar het is niet behulpzaam tegen de droogte die in zo’n periode ook dreigt of optreedt. In de samenleving zijn het patroon van dagbesteding, de inrichting van tuinen en openbaar gebied, en het ontwerp van gebouwen nog weinig toegesneden op hitte en droogte.
Afbeelding F9. Wateropvang in het Julianapark in Veghel
Voorzieningen in kleine en middelgrote centra Digitalisering heeft de groei van bezorgdiensten mogelijk gemaakt. Dat internetwinkelen draagt bij aan winkelleegstand in zeker middelgrote steden. Maar er spelen ontwikkelingen die langer lopen en veelzijdiger zijn. Het onstaan van supermarkten, en dat consumenten daar kennelijk de voorkeur aan geven, betekende decennia geleden al dat levensmiddelen minder werden verkocht in een kleine kern of in een woonwijk. En dat in stadscentra groentenwinkels, slagers, poeliers en bakkers verdwenen. In plaats daarvan verschenen in centra meer grote winkelketens, horeca en dienstverlening. Technologie ondermijnt intussen de mogelijkheden voor muziekwinkels, kledingwinkels, assurantiemakelaars en banken. De ontwikkelingen met betrekking tot voorzieningen zijn niet beperkt tot commerciële functies. Bij vernieuwing of schaalvergroting van maatschappelijke voorzieningen kan het gebeuren dat functies wegtrekken uit een centrum. Denk aan fusies van scholen en zorgaanbieders. Vaak zijn de nieuwe instellingen aan de rand van het centrum gevestigd of nog verder daarbuiten. Ziekenhuis Bernhoven, ROC De Leijgraaf en het Zwijsen College zijn voorbeelden hiervan. Politiebureaus vormen ook een voorbeeld.
Andere voorzieningen worden niet verplaatst maar verdwijnen, zoals postkantoren (door technische en economische ontwikkelingen) en kloosters (door sociale en demografische ontwikkelingen). Per saldo is er door deze ontwikkelingen een minder omvangrijk ruimtelijk programma voor de meeste centra. Daarop volgen leegstand en hopelijk herbestemming of herontwikkeling. 87
Leefbaarheid Wanneer verschillende ontwikkelingen samenkomen bij groepen mensen of in gebieden kunnen problemen van leefbaarheid naar voren komen. Trends en ontwikkelingen van extramuralisering van de zorg, langer thuis wonen van ouderen, immigratie uit niet-Westerse en uit MiddenOosteuropese landen en flex-arbeid zijn in tekstdeel 4.1 genoemd. Daar kwam ook aan de orde dat de woningmarkt niet optimaal functioneert. Huizen uit de periode van wederopbouw en de jaren zeventig en tachtig zijn aan renovatie toe. Ook de warmtetransitie zal doorwerken in particuliere huishoudens (van het aardgas af). In recente jaren kwamen er voor woningcorporaties meer financiële en juridische hindernissen om te werken aan stadsverbetering en leefbaarheid. Voor gemeenten hebben opeenvolgende decentralisaties en bezuinigingen in het sociaal domein nadelige financiële gevolgen. Die financiële situatie kan een rem zijn op preventief jeugd- en jongerenwerk, buurthuizen, ondersteuning van sportverenigingen en bibliotheken. Zo kan samenkomen dat inwoners ondersteuning nodig hebben, en dat hun woonomgeving investeringen nodig heeft, maar dat acties worden beperkt. Belevingseconomie In onze samenleving hebben voedselproductie en industrie aan economisch belang ingeboet met de groei van dienstverlening.
Bij die dienstverlening lijkt het accent te verschuiven van noodzakelijke verzorging en zakelijke dienstverlening naar culturele diensten en amusement zoals van mediabedrijven, recreatie en toerisme, wellness. Particuliere consumptie en dus het consumentenvertrouwen zijn nu essentieel voor economische groei. Producenten richten zich meer op beleving. Dat kan een merk-identiteit zijn, een breed en weldadig winkelconcept of een evenement. Nederland heeft doorgaans een volle evenementenkalender en daar blijft Meierijstad zeker niet bij achter. Tuinieren en eten Tuinprogramma’s en kooktelevisie zijn populair, maar er speelt een ontwikkeling die meer maatschappelijk is. De trend van ‘slow food’ (lokaal, seizoensgebonden, thuis) past daarin. Maar ook stadslandbouw wordt voorgesteld om de relatie tussen consument en voedselproductie sterker en duurzamer te maken. Er ontstaat bij stadslandbouw soms gelegenheid voor ontmoeting en samenwerking van mensen. Moestuinen en daktuinen vormen ook ‘stapstenen’ voor diersoorten en ze verbinden dan leefgebieden. In deze maatschappelijke ontwikkeling onderscheiden we nog een trend om voedselverspilling tegen te gaan. Doelmatiger boodschappen doen, eten bereiden en bewaren, verlangen natuurlijk voedselbewustzijn. Veranderend personenvervoer De elektrische auto is aan een opmars bezig.
Er is een trend geweest van hybride lease-auto’s die fiscaal aantrekkelijk waren, maar de bredere ontwikkeling van elektrisch rijden zal doorzetten. We hoeven echter niet te verwachten dat ons wagenpark in 2030, de planhorizon van deze omgevingsvisie, vergaand geëlektrificeerd is. Toch vragen de elektrische auto’s die nu en de komende jaren verschijnen al om aanpassingen van infrastructuur: oplaadpunten. En nieuwe kansen, bedreigingen en vragen spelen op. Batterijen van auto’s kunnen een teveel aan elektriciteit uit zon of wind opnemen. Maar is het wel veilig om oplaadpunten aan te leggen in (parkeer)garages? En hoe is parkeerruimte te verdelen over gehandicapten, elektrisch en overig? Dankzij technologie is automobiliteit de afgelopen decennia veiliger geworden. Die ontwikkeling kan doorzetten, maar het beeld van verkeersveiligheid is niet in alle opzichten positief. We kunnen
88
minder verkeersdoden verwachten; het aantal zwaargewonden kan echter hoog blijven. 80 De vergrijzing uit zich immers ook in oudere en daarmee kwetsbare verkeersdeelnemers. De populariteit van de elektrische fiets helpt ouderen om aan het verkeer te blijven deelnemen. Nieuwe vervoermiddelen kunnen ook veiligheidsrisico’s betekenen voor een jongere doelgroep, denk aan pendelaars op een speed pedelec of recreanten op een Segway. Bij de maatregelen van 2020 tegen de verspreiding van het corona-virus SARS-CoV-2 ontstond de mogelijkheid van een trend tot meer thuiswerken. En van pendelaars die bus of trein in de spits vermijden en kiezen voor hun fiets. Hygiëne kan een bijkomende reden zijn om het openbaar vervoer dat in de spits fors belast is, te vermijden. Of om er met je werkgever voor te kiezen dat je het moment van je woon / werk-verkeer aanpast. Bij het openbaar vervoer is er de ontwikkeling om meer aandacht te geven aan het voortransport (verplaatsing naar halte of station), de overstap en het natransport (van halte of station naar eindbestemming). De afstemming tussen bus- en treintijden weegt mee bij OV-aanbestedingen. Informatie- en communicatietechnologie maakt reisinformatie beter beschikbaar. Het ontstaan van een netwerk van (geautomatiseerde) fietsverhuurpunten faciliteert het natransport. Voor reizigers verbeteren reistijd en comfort dankzij deze ontwikkeling.
Voor bedrijven ontstaan er extra kansen wanneer de reizigersstroom door een station groter wordt. Stations hervinden hun verblijfskwaliteit en verhogen hun commerciële waarde. Een recente trend is ‘mobility as a service’ (MaaS): consumenten betalen voor verschillende vervoersdiensten in plaats van voor het bezit van een vervoermiddel, de traditionele gezinsauto.
Afbeelding F10. Leegstand in de Frisselsteinstraat te Veghel
80 Hilbers, H., J. van Meerkerk, D. Snellen, R. Euwels, T. Hendrich, K. van Ruijven & P. Verstraaten (14 april
2020) Ontwikkeling mobiliteit, PBL / CPB-notitie ten behoeve van de werkgroep Toekomstbestendige mobiliteit van de Brede maatschappelijke heroverwegingen 2020, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving & Centraal Planbureau.
89
5. Voornemens en hoofdzaken van ons beleid De voornemens en hoofdzaken van het omgevingsbeleid worden in dit tekstdeel 5 behandeld. Ze worden daarna uitgewerkt in de tekstdelen 6 en 7.
5.1. Van wettelijk doel naar voornemens en hoofdzaken Dit tekstdeel 5 biedt, in de termen van de Omgevingswet, 81 de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied, en de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid. Daarmee geven we in Meierijstad de eerste uitwerking van de doelstelling van de Omgevingswet zoals behandeld in tekstdeel 1.1. De nadere uitwerkingen krijgen gestalte met de gebiedstypologieën van de tekstdelen 6 en 7. Deze voornemens en hoofdzaken presenteren we in drie sets, in zowel box 5.1 als in de daaropvolgende alinea’s. De genoemde voornemens en hoofdzaken overlappen elkaar soms. Toch zijn deze negentien voornemens en hoofdzaken elk zo benoemd omdat ze daarmee aansluiten op een grondrecht, op een afzonderlijke, wettelijke taak, op een prominente, maatschappelijke sector, op een maatschappelijk en politiek thema of op een beleidsmatige prioriteit (vergelijk de tekstdelen 2.3 en 2.4 en zie de voetnoten in dit tekstdeel 5). Het formuleren van deze voornemens en hoofdzaken is een stap in het operationaliseren van de doelstelling van de Omgevingswet, via dit tekstdeel 5, dan in de gebiedstypologieën van de tekstdelen 6 en 7, naar uiteindelijk het omgevingsplan en programma’s.
Box 5.1. Voornemens en hoofdzaken omgevingsbeleid
Voornemens en hoofdzaken van het omgevingsbeleid Behoud en herstel van basale waarden
Werken met vliegwielen
Bodemkwaliteit Waterkwaliteit Waterkwantiteit Biodiversiteit Cultuurhistorische landschappen, ensembles, gebouwen en plaatsen Duurzame ontwikkeling Circulaire economie Agrarisch systeem Ruimtelijke kwaliteit in gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde Toedeling van functies aan locaties Innovatie Energietransitie
81 Artikel 3.2 Omgevingswet.
90
Goede omgevingskwaliteit
Gezondheid Luchtkwaliteit Bewoonbaarheid, woonkwaliteit en leefbaarheid Veiligheid Leefmilieu Maatschappelijk behoeften Bereikbaarheid
Behoud en herstel van basale waarden Deze eerste set van voornemens en hoofdzaken benoemt basale waarden die dragend zijn voor andere waarden en waar onomkeerbaarheid in het spel is voor wat betreft effecten van interventies.82 Bodemkwaliteit:83 we streven naar een bodem die schoon is voor de natuur, voor drinkwaterwinning en ander menselijk gebruik, die hemelwater laat infiltreren en koolstof kan opslaan, die vruchtbaar is voor de landbouw en waarin bijzondere aardkundige waarden behouden blijven. Waterkwaliteit:84 we werken aan schoon water door vervuiling aan de bron aan te pakken, door zwerfafval op te ruimen en te voorkomen, door de afvoer van hemelwater en afvalwater van elkaar te scheiden, en met ons stelsel van riolering. Waterkwantiteit:85 het beheer van de waterkwantiteit is permanent in ons land. Hierbij streven we enerzijds naar voldoende water voor de drinkwatervoorziening, de natuur, en om hittestress tegen te gaan. Anderzijds gaan we wateroverlast tegen door de manier waarop we de ruimte inrichten en bouwen. Biodiversiteit:86 we beschermen en herstellen de biodiversiteit in het landelijk gebied en we beschermen en bevorderen de biodiversiteit in het stedelijk gebied.
Cultuurhistorie:87 we beschermen de archeologische waarden en de cultuurhistorische landschappen, ensembles, gebouwen en plaatsen in de fysieke leefomgeving, bevorderen het onderhoud en zonodig (en mits verantwoord) het hergebruik, en we faciliteren de beleving van deze cultuurhistorie door het publiek.
82 Een voorbeeld van een waarde die dragend is voor andere waarden, is bodemkwaliteit. Die is immers
essentieel voor succesvolle landbouw en het beperken van wateroverlast. Een voorbeeld van onomkeerbaarheid is het vervuilen van diep grondwater. 83 Artikel 1.2 lid 2 aanhef en onder e Omgevingswet. 84 Richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (Kaderrichtlijn water). Artikelen 1.2 lid 2 aanhef en onder c, d (watersystemen, water), 2.1 lid 3 aanhef en onder d (openbare drinkwatervoorziening), 2.1 lid 3 aanhef en onder n, o, p (systeembeheer), 2.16 lid 1 aanhef en onder a, 3.14 (rioleringsprogramma) Omgevingswet. 85 Artikelen 1.2 lid 2 aanhef en onder c, d (watersystemen, water), 2.1 lid 3 aanhef en onder n, o, p (systeembeheer), 2.16 lid 1 aanhef en onder a Omgevingswet. 86 Artikelen 1.2 lid 2 aanhef en onder h (natuur), 1.3 aanhef en onder a (intrinsieke waarde natuur), 2.1 lid 3 aanhef en onder h (natuurbescherming), q (natuurgebieden), 2.44 (natuurgebieden) Omgevingswet. In de duurzaamheidsvisie is vergroten van leefbaarheid met onder andere meer biodiversiteit en groen één van de vijf prioriteiten. HetEnergieBureau (september 2018) Duurzaamheidsvisie Meierijstad, Samen werken aan een duurzaam Meierijstad in 2050, Veghel: gemeente Meierijstad, pagina 8.
87 Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa (Granada, 1985), Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed (Valletta, 1992), Europees landschapsverdrag (Florence, 2000). Artikelen 1.2 lid 2 aanhef en onder i, 2.1 lid 3 aanhef en onder e, f, 2.44 (landschappen) Omgevingswet.
91
Werken met vliegwielen Deze tweede set van voornemens en hoofdzaken wijst op vliegwielen van onze ambities. Deze zaken hebben een zowel fundamenteel als instrumenteel karakter en ze bieden verbinding. Duurzame ontwikkeling:88 we maken ons samenleven duurzaam. Dat betekent dat we willen voorzien in de behoeften van de huidige generaties zonder dat dit ten koste gaat van de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien. Zo komt er een evenwicht tot stand tussen mens (people), natuurlijke omgeving (planet) en profijt (profit). In de Duurzaamheidsvisie Meierijstad zijn hiervoor ambities benoemd (zie box 5.2). Circulaire economie:89 we streven naar minder gebruik van grondstoffen en energie. Daarvoor bevorderen we dat er minder verpakkingsmateriaal wordt gebruikt, dat de levensduur van producten en het hergebruik van materialen toenemen totdat die materialen opnieuw grondstoffen worden. Agrarisch systeem: we bevorderen de invoering van duurzame productiewijzen in de agrarische sector. Daarbij stimuleren we díe werking van de voedselketen en dát gedrag van consumenten die de verduurzaming van de agrarische sector versterken. Ruimtelijke kwaliteit in gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde:90 we behouden het professionele richtsnoer van kwaliteit vanuit architectuur, stedenbouw, landschapsontwerp en planologie.
Toedeling van functies aan locaties:91 een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het nieuwe richtsnoer voor ordening door onze gemeente en voor de rechterlijke toetsing daarvan. Innovatie:92 we faciliteren de innovatie die nodig is om de verschillende transities naar het duurzame samenleven te realiseren en voor het succes van onze bedrijvigheid. Energie:93 we zorgen voor de overstap naar duurzame bronnen van energie met het opwekken van elektriciteit, het opslaan van energie uit zon en wind, en ook warmtevoorziening anders dan op basis van fossiele bronnen.
88 Artikel 1.3 aanhef Omgevingswet. Duurzaamheid is één van de vijf centrale thema’s van het
collegewerkprogramma Mijlpalen van Meierijstad 2017-2022, Meierijstad zijn we samen! (16 mei 2017) Veghel: gemeente Meierijstad. 89 Artikel 2.1 lid 3 aanhef en onder p Omgevingswet (natuurlijke hulpbronnen). In de duurzaamheidsvisie zijn energiebesparing, verduurzamen van bedrijvigheid en tegengaan van verspilling en restafval drie van de vijf prioriteiten. Circulair en schoon is één van drie thema’s waarin de prioriteiten zijn samengevoegd. HetEnergieBureau (september 2018) Duurzaamheidsvisie Meierijstad, Samen werken aan een duurzaam Meierijstad in 2050, Veghel: gemeente Meierijstad, pagina 8. 90 Artikelen 1.3 aanhef en onder a (omgevingskwaliteit), 2.1 lid 3 aanhef en onder e (landschappelijke of stedenbouwkundige waarden), 2.1 lid 3 aanhef en onder j (kwaliteit bouwwerken) Omgevingswet. Vergelijk Vitruvius’ basisprincipes voor goede architectuur ‘firmitas’ (stevigheid), ‘utilitas’ (gebruiksvriendelijkheid) en ‘venustas’ (schoonheid) uit zijn De Architectura libri decem uit de eerste eeuw voor Christus. Zie bijvoorbeeld W. Oosten (2005) Ruimte voor een democratische rechtsstaat, Geschakelde sturing bij ruimtelijke investeringen, Den Haag: Sociotext, pagina’s 129-130. 91 Artikelen 2.1 lid 3 aanhef en onder k, 4.2 lid 1 Omgevingswet.
92 Innovatie is één van de vijf centrale thema’s van het collegewerkprogramma Mijlpalen van Meierijstad 2017-2022, Meierijstad zijn we samen! (16 mei 2017) Veghel: gemeente Meierijstad. 93 Artikel 2.1 lid 3 aanhef en onder i (tegengaan klimaatverandering), p (natuurlijke hulpbronnen) Omgevinsgwet. In de duurzaamheidsvisie is energiebesparing in gebouwde omgeving, toename opwekking van duurzame energie één van de vijf prioriteiten. HetEnergieBureau (september 2018) Duurzaamheidsvisie Meierijstad, Samen werken aan een duurzaam Meierijstad in 2050, Veghel: gemeente Meierijstad, pagina 8.
92
Box 5.2. Duurzaamheidsvisie: prioriteiten en ambities
Duurzame ontwikkeling
Duurzaamheid en transitie Voor de energievoorziening, de volksgezondheid, het natuurbehoud, het grondstoffengebruik, de leefbaarheid en de aantrekkelijkheid van onze omgeving is een verstrekkende ommekeer nodig. Die ommekeer wordt een transitie genoemd. De Duurzaamheidsvisie Meierijstad, Samen werken aan een duurzaam Meierijstad in 2050 geeft vijf prioriteiten voor deze transitie.94 Energiebesparing in de gebouwde omgeving en meer opwekking van duurzame energie. Verduurzamen van de bedrijvigheid. Tegengaan van de verspilling en het restafval. Vergroten van de leefbaarheid, met name door het voorkomen van zwerfafval en afvaldump, maar ook met grotere biodiversiteit, meer groen en goede voorbereiding op klimaatveranderingen. Vergroten van de bewustwording. Doelstelling duurzaamheidsvisie De duurzaamheidsvisie is gericht op CO2-neutraliteit in 2050. Dat betekent dat de emissies van CO2, mogelijk na compensatie, ten hoogste nul zijn. Andere broeikasgassen, bijvoorbeeld methaan, zijn hier buiten beschouwing gelaten. Om dat doel te bereiken zijn de onderstaande eerste vier ambities geformuleerd. De duurzaamheidsvisie bevat twaalf ambities. In 2025 is 20% van het totale energieverbruik duurzaam opgewekt. In 2030 is al het maatschappelijk vastgoed voor zover mogelijk CO 2-neutraal.
In 2030 is het energiegebruik bij bedrijven en in de gebouwde omgeving met 30% verminderd ten opzichte van dat in 2018. De woningvoorraad heeft gemiddeld een energielabel van ten minste B. In 2030 is bij de bedrijven maatschappelijk verantwoord ondernemen de standaard. In 2030 is de leefomgeving vrij van zwerfafval. In 2050 zijn er geen (rest)afval en verspilling meer. Alle materialen en gebouwen komen uit en keren terug in gezonde kringlopen. In 2050 is de mobiliteit innovatief en schoon. Vervoersbewegingen zijn zonder emissies en vrij van fossiele brandstof. In 2050 is de bedrijvigheid schoon en emissieloos. In 2030 is de groenindex gestegen met 25% tot 0,5 (de groenmonitor geeft een waarde tussen 0 en 1). In 2030 zorgen we dat bij alle activiteiten de biodiversiteit per saldo minimaal gelijk blijft. In 2030 zorgen we dat bij alle activiteiten de bodem- en waterkwaliteit per saldo minimaal gelijk blijft. In 2050 is Meierijstad volledig klimaatbestendig voor wateroverlast, verdroging en hittestress.
94 HetEnergieBureau (september 2018) Duurzaamheidsvisie Meierijstad, Samen werken aan een duurzaam
Meierijstad in 2050, Veghel: gemeente Meierijstad, pagina 8.
93
Goede omgevingskwaliteit Deze derde set van voornemens en hoofdzaken benoemt wat mensen dagelijks ervaren in hun directe leefomgeving. De voornemens en hoofdzaken uit de twee eerdere sets komen hierin tot uitdrukking. Gezondheid:95 we beschermen mensen tegen risico’s van gevaarlijke situaties en van emissies door industrie, verbrandingsmotoren, veeteelt en gewasbescherming. Daarnaast stimuleren we gezond gedrag, met name meer bewegen. Luchtkwaliteit: we werken aan minder geurhinder door veeteelt en industrie, en aan minder (fijn)stof en endotoxinen. Ook de luchtkwaliteit binnen gebouwen verdient aandacht. Bewoonbaarheid, woonkwaliteit en leefbaarheid:96 we faciliteren een goed functioneren van de woningmarkt, zorgen voor aantrekkelijke en passende woonmilieus, goede inrichting en voldoende onderhoud van het openbaar gebied. De kwaliteiten van Meierijstad dragen we ook uit. Veiligheid:97 we beperken risico’s van brand, explosie, gif en vervuiling, en van wegverkeer. Daarbij onderhouden we ons verweer tegen brand, ongevallen en ongeregeldheden, en voor beheersing van crises. Leefmilieu:98 we zorgen voor een meer schone, gezonde en aangename omgeving voor de natuur, voor onszelf en volgende generaties.
Maatschappelijk behoeften:99 we hebben oog voor de behoeften van eenieder aan voeding, onderdak, inkomen, zorg, ontspanning en ontmoeting, en we houden rekening met specifieke behoeften vanwege de lichamelijke of de geestelijke conditie van mensen. Hierbij richten we ons zowel op de woning en directe leefomgeving van inwoners, als op stedelijke voorzieningen. Bereikbaarheid:100 we zorgen voor de infrastructuur en daarbij de nodige informatie en organisatie voor een voldoende maar verantwoorde ontsluiting en bereikbaarheid.
95 Artikelen 11 (onaantastbaarheid van het lichaam) en 22 lid 1 (volksgezondheid) Grondwet, artikelen 1.3
aanhef en onder a (veilig en gezond), 2.1 lid 3 aanhef en onder b, lid 4, 2.11a (industriegeluid), 2.16 lid 1 aanhef en c (verkeersgeluid) Omgevingswet. Gezondheid is één van de vijf centrale thema’s van het collegewerkprogramma Mijlpalen van Meierijstad 2017-2022, Meierijstad zijn we samen! (16 mei 2017) Veghel: gemeente Meierijstad. De geboden bescherming tegen risico’s wordt geen resultaatsverplichting; nul risico bestaat niet. 96 Artikelen 21 en 22 lid 2 Grondwet (voldoende woongelegenheid), artikelen 1.3 aanhef, 2.1 lid 3 aanhef en onder j (kwaliteit bouwwerken), 2.43 (binnengeluid) Omgevingswet. Leefbaarheid is één van de vijf centrale thema’s van het collegewerkprogramma Mijlpalen van Meierijstad 2017-2022, Meierijstad zijn we samen! (16 mei 2017) Veghel: gemeente Meierijstad. In de duurzaamheidsvisie is vergroten van leefbaarheid met voorkomen van zwerfafval en afvaldump, meer biodiversiteit en groen en voorbereid zijn op klimaatveranderingen één van de vijf prioriteiten. HetEnergieBureau (september 2018) Duurzaamheidsvisie Meierijstad, Samen werken aan een duurzaam Meierijstad in 2050, Veghel: gemeente Meierijstad, pagina 8. 97 Artikelen 1.3 aanhef en onder a Omgevingswet (veilig en gezond), 2.1 lid 3 aanhef en onder a Omgevingswet. 98 Artikel 21 Grondwet, artikelen 1.3 aanhef en 2.1 lid 3 aanhef en onder c Omgevingswet.