B8b Hoofdnota Omgevingsvisie Meierijstad.pdf
Tekst van het document
[…] Groeiende werkgelegenheid in onze nieuwe gemeente Het gebied Meierijstad is van oudsher gericht op de landbouw als primaire producent, de maakindustrie en de logistiek. […] Meierijstad maakt onderdeel uit van AgriFood Capital. AgriFood Capital heeft een spilfunctie in de samenwerking met Brainport, Greenport Venlo en Food Valley Wageningen. Meierijstad is toonaangevend op het gebied van gezonde voeding. Recreatie en toerisme zijn economische speerpunten binnen de stedendriehoek Eindhoven,
47
Tilburg, ’s-Hertogenbosch. Sint-Oedenrode is de toegangspoort tot Het Groene Woud met de historische Markt, de Knoptoren en het gebied rondom kasteel Henkenshage. Meierijstad heeft een uitgebreid netwerk van fiets- en wandelpaden en kunst in het openbaar gebied. Meierijstad is actief op het gebied van duurzaamheid. Daarbij staat hergebruik centraal en zijn alternatieve energiebronnen populair. Meierijstad faciliteert initiatieven op dat gebied. Groei is gevonden in de circulaire economie. Overgenomen uit Herindelingsadvies Meierijstad (26 maart 2015) Schijndel: gemeente Schijndel, SintOedenrode: gemeente Sint-Oedenrode & Veghel: gemeente Veghel, pagina’s 33-34.
Van het thema ruimtelijk zijn uit de toekomstvisie uit 2015 de onderstaande citaten overgenomen (zie box 2.7).
Box 2.7. Toekomstvisie Meierijstad: ruimtelijk
Ruimtelijk
Het is 2025: Een ruimtelijke balans tussen werken, wonen en leven Een optimale inrichting van de ruimte: we reserveren ruimte voor… In de gemeente Meierijstad zijn stad en land met elkaar verweven. Het gebied kenmerkt zich door drie hoofdkernen met daar omheen tien kerkdorpen, elk met hun eigen karakter en identiteit. Er is duidelijk onderscheid tussen de bebouwde en groene omgeving. Het voorzieningenniveau is afgestemd op de omvang van onze gemeente met haar 80.000 inwoners. Het water, spoor en wegennet zorgen voor de bereikbaarheid en leefbaarheid van onze hele gemeente. Landschapskenmerken De Dommel en Aa zijn beeldbepalend in de kernen Sint-Oedenrode en Veghel. In Schijndel en Sint-Oedenrode is de natuur overal dichtbij. In specifieke landschappelijk waardevolle gebieden staan we bebouwing niet toe, wat de landschaps- en natuurwaarden van het buitengebied versterkt. De landbouw in de gemeente Meierijstad heeft een belangrijke plaats in het landelijk gebied. Het landelijk gebied kent nog altijd grote intensieve veehouderijen en concentraties van bedrijven. Bij de (her)inrichting en revitalisering van het landelijk gebied wegen de (gezondheids)risico’s mee. Daarnaast is er in het landschap ruimte voor (nieuwe) natuur, water en mogelijkheden voor recreatie. De verbinding tussen de Maashorst en Het Groene Woud, het Dommeldal en Aadal zijn hier voorbeelden van.
Een belangrijk aantal bedrijven heeft de agrarische activiteiten beëindigd. De gemeente geeft ruimte aan andere vormen van economie in het buitengebied, passend bij de aard, schaal en gewenste kwaliteit van het landelijk gebied. Woonomgeving Onze inwoners verblijven in een veilige woon- en werkomgeving. Zij zijn betrokken en hebben direct invloed op de woonomgeving en de eigen woning. Maatwerk is de norm, met flexibiliteit en ruimte voor nieuwe ideeën. Er is een duurzame leefomgeving en een divers woningaanbod: koop, huur, meer-generatie-wonen (levensloopbestendig) en zorgconcepten. Het (hoogwaardig) openbaar vervoer is verbeterd en daardoor is de bereikbaarheid tussen de kernen goed. 48
Bedrijvigheid Bedrijventerreinen kenmerken zich door efficiënt ruimtegebruik, goede ontsluiting en zijn gefaciliteerd naar de eisen van de tijd. We beschikken over verschillende vervoersmogelijkheden voor goederen: het water, spoor en vrachtverkeer over de weg. Overheid De nadruk ligt op kwaliteit. Duurzaam ruimtegebruik is het uitgangspunt. De gemeente Meierijstad stimuleert afwisselend ontwikkelingen, stelt kaders, biedt experimenteerruimte en bewaakt de over-all kwaliteit. Overgenomen uit Herindelingsadvies Meierijstad (26 maart 2015) Schijndel: gemeente Schijndel, SintOedenrode: gemeente Sint-Oedenrode & Veghel: gemeente Veghel, pagina’s 35-36.
Het thema besturingskenmerken van de toekomstvisie belichtte onder andere het volgende: de gemeente stimuleert zelfsturing en het zelforganiserend vermogen van inwoners, de organisatie werkt efficiënt, transparant, servicegericht en levert kwaliteit, verantwoordelijkheden liggen laag in de organisatie, aanspreekpunten voor onze inwoners, bedrijven en verenigingen hebben een herkenbare plaats in de organisatie.
2.3. Regionaal en provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant onderscheidt in haar overleg met lokale overheden vier regio’s. De regio Noordoost-Brabant is er daar één van. Meierijstad en de andere zestien gemeenten plus de twee waterschappen van Noordoost-Brabant overleggen dus met de provincie, maar ze hanteren ook een eigen omgevingskoers en uitvoeringsagenda.
2.3.1. Noordoost-Brabant: regionale omgevingskoers De regio Noordoost-Brabant heeft in 2017 een omgevingskoers16 opgesteld als bijdrage aan de voorbereiding van de provinciale omgevingsvisie en als inspiratie voor gemeentelijke omgevingsvisies. Noordoost-Brabant wil in 2030 een innovatieve topregio zijn in agrifood, met slimme crossovers met andere sectoren, en in een aantrekkelijke en duurzame leefomgeving. Daarvoor zijn drie regionale kernopgaven benoemd (zie ook figuur 2.8): versterken van de innovatiekracht van de topsectoren van de regio, waaronder agrifood, health, life sciences, bio-based industrie, high-tech systems and materials, en logistiek; versterken van de agglomeratiekracht om schaalvoordelen beter te kunnen benutten; versterken van de omgevingskracht door het verbeteren van een duurzame leefomgeving.
16 Omgevingskoers Noordoost-Brabant, Samen sterker maken wat sterk is!, Bouwstenen voor
omgevingsvisies (2017) ’s-Hertogenbosch: regio Noordoost-Brabant.
49
Figuur 2.8. Regionale kernopgaven Noordoost-Brabant
Bij het begrip agrifood is toe te lichten hoe breed dat is: het strekt zich uit van boer tot cateraar, met onder andere onderwijs, laboratoria, veevoerproductie, vrachtvervoer, internationale handel, financiële dienstverlening en marketing. In die breedte vormt agrifood een groot deel van de Noordoost-Brabantse economie. Dat geldt zeker voor Meierijstad, met haar agrarische bedrijven, levensmiddelenindustrie, groothandel, logistieke en transportbedrijven. Goed wonen, werken en leven Noordoost-Brabant actualiseerde haar agenda in 2020 en formuleerde dan als ambitie om richting 2030 samen te werken ‘aan een regio waar het goed wonen, werken en leven is, nu én in de toekomst’. Daarbij formuleerde de regio de volgende hoofdopgaven: 17 1. vitale leefomgeving; 2. duurzaam bereikbaar; 3. aantrekkelijk vestigen; 4. behoud van talent; 5. een sterk verhaal. In dezelfde periode konden de regio en de provincie aansluiten bij de zogenoemde regiodeals van de rijksoverheid (zie box 2.9).18 Ook werd door Noordoost-Brabant met de provincies Noord-
17 www.samenwerkingsagendarnob.nl/agenda-2030/samenvatting d.d. 1 december 2020.
18 Regio Deal Noordoost Brabant, Nu aan de slag voor goed leven, fijn wonen en anders werken! (2020)
zonder plaats: zonder uitgever.
50
Brabant en Limburg een Zuidnederlandse omgevingsagenda voorbereid in aansluiting op de nationale omgevingsvisie.
Box 2.9. Regio Deal Noordoost-Brabant
Goed leven, fijn wonen en anders werken
‘De Regio Deal kent drie pijlers waarlangs projecten en activiteiten worden uitgevoerd: 1. Goed leven – verbeteren van het blijfklimaat, 2. Fijn wonen – slim inrichten van de leefomgeving, en 3. Anders werken – ontwikkelen van een economisch perspectief. De eerste pijler Goed leven richt zich op het versterken van de leefbaarheid en vitaliteit van steden, dorpen en platteland samen met en door de inwoners en bedrijven in de regio. Centraal staat het zorgen voor voldoende en bereikbare voorzieningen, ontwikkelen van nieuwe vaardigheden en voorbereiding op de banen van de toekomst om zo talent en daarmee bedrijvigheid voor de regio te behouden. In de tweede pijler Fijn wonen ligt de focus op het anders en duurzaam inrichten van de leefomgeving waar de gevolgen van klimaatverandering, energietransitie en de omslag naar kringlooplandbouw om vragen. De derde pijler Anders werken bevordert de omslag naar voedselketens die precies, circulair, waardevol en verbonden zijn.’ Overgenomen uit de kamerbrief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 13 juli 2020 waarmee de Regio Deal Noordoost-Brabant werd aangeboden (TK 2019-2020, 29.697, nr. 2020Z13917).
2.3.2. Provincie: De kwaliteit van Brabant Net als bij gemeenten vervangt bij provincies de nieuwe omgevingsvisie de eerdere structuurvisie en verwante beleidsplannen. De provincie Noord-Brabant heeft eind 2018 een omgevingsvisie vastgesteld. De provincie heeft diep, rond en breed willen kijken om tot de visie te komen. Dat diepe kijken komt ver overeen met de lagenbenadering in de aanpak voor de Meierijstadse omgevingsvisie.19 En het ronde kijken komt ver overeen met de ambities van duurzaamheid in ons omgevingsbeleid (zie box 5.2). In zijn visie benoemde het provinciebestuur het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit als basisopgave. De ambitie is gericht op 2050, met tussendoelen voor 2030.20 Doel 2030: ‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Doel 2050: ‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP19 De lagenbenadering is geborgd in artikel 3.7 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Vergelijk
bijvoorbeeld de rapporten Runia, L.T. & P.J. Verhoeven (24 januari 2020) Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap Aa en Maas, Reikwijdte en detailniveau voor de milieueffectrapportage, Oosterhout: Antea Group, pagina 15. Studio 1:1 (14 maart 2017) Water in Brabant 2030, Wateragenda voor de Brabantse omgevingsvisie, zonder plaats: waterschap Aa en Maas, waterschap Brabantse Delta, waterschap De Dommel, waterschap Rivierenland, provincie Noord-Brabant & Brabant Water, pagina 23. 20 De kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving (2018) ’s-Hertogenbosch: provincie NoordBrabant.
51
landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Na de uitwerking van de basisopgave zijn in de provinciale omgevingsvisie vier hoofdopgaven benoemd: energietransitie, klimaatproof, slimme netwerkstad en concurrerende, duurzame economie.
Box 2.10. Noordbrabants klimaat en water
Klimaat en water
In maart 2020 presenteerden Gedeputeerde Staten een uitwerking van de omgevingsvisie om NoordBrabant klimaatproof te maken. Daarin speelt water een belangrijke rol. Zo zijn er principes benoemd voor een robuust watersysteem:21 1. ‘Er wordt aan het oppervlaktewater, ondiepe en diepe grondwater niet meer onttrokken dan er ook is aangevuld. […] 2. Het (regen)water in hoger gelegen gebieden wordt niet afgevoerd, maar wordt vastgehouden in de bodem en infiltreert naar het grondwater. […] 3. Lager gelegen terreinen en gebieden zijn structureel natter en hebben hogere peilen of grondwaterstanden dan hoger gelegen gedeelten. Ontwatering zorgt immers voor de afvoer van water van hoger gelegen gebieden en is daarom niet wenselijk. 4. Als er extreme weersituaties zijn (piekbuien, droogte) ontstaat minder, minder snel of minder ernstige overlast of schade, omdat het systeem “ruimte” biedt om de pieken op te vangen. Dit kan gaan om ruimte in oppervlakte, ruimte in de bodem en ruimte in de tijd. 5. Waterkwaliteit is overal op orde, om geschikt te zijn voor de functies die water nodig hebben.’
In de nasleep van de nationale stikstofcrisis kwam in het provinciebestuur in mei 2020 een nieuwe coalitie tot stand. Die coalitie onderschreef de provinciale omgevingsvisie.
2.4. Rijksbeleid Net als gemeenten en provincies integreert de rijksoverheid haar beleid voor de fysieke leefomgeving in een omgevingsvisie. Die visie wordt aangeduid als de NOVI: nationale omgevingsvisie. Suggestie van opgaven voor de NOVI Voordat de rijksoverheid in 2019 het ontwerp van haar omgevingsvisie presenteerde, waren al van verschillende kanten suggesties gedaan voor dat nieuwe rijksbeleid. Bij de komst van de Omgevingswet bracht het College van Rijksadviseurs naar voren dat een ruimtelijk perspectief, ontwerp zelfs, behulpzaam is op onze weg naar de toekomst. In Panorama Nederland bepleitte het College van Rijksadviseurs dat de complexe maatschappelijke opgaven van onze generatie een kans bieden om Nederland rijker, hechter en schoner te maken. Zij noemden in dat rapport de vier meest omvangrijke opgaven met een grote ruimtelijke impact:22 de klimaatadaptatie, een opgave met inbegrip van het verbeteren van de omgevingskwaliteit; 21 Visie klimaatadaptatie, Inclusief uitwerking bestuursopdracht ‘stoppen van de verdroging met een
waterrobuuste inrichting van Brabant’ (31 maart 2020) ’s-Hertogenbosch: provincie Noord-Brabant, pagina 16. 22 Loos, H. (red.) (december 2018) Panorama Nederland, Rijker Hechter Schoner, Den Haag: College van Rijksadviseurs, pagina 124.
52
de hervorming van de landbouw, ook aangeduid als een New Deal tussen boer en maatschappij; de verstedelijkingsopgave, met huishoudens, functies en mobiliteit; de energietransitie.
Nationale belangen In de nationale omgevingsvisie is een aantal nationale belangen onderscheiden: 23 1. bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit (denk aan milieu, veiligheid, gezondheid, ruimtelijke kwaliteit); 3. waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving (denk behalve aan milieu, veiligheid en gezondheid ook aan ordening van de ondergrond), met onder andere de opgaven ‘gericht op het permanent verminderen van het aantal mensen dat blootgesteld is aan geluidhinder’, ‘permanente verbetering van de kwaliteit van lucht’ en ‘terugdringen en voorkomen van geurhinder’; 5. zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem (onder andere vanuit de volgende gedachte: ‘De druk op wegen- en spoorwegennet wordt vooral in het gebid grofweg omsloten door de zeshoek Amsterdam – Zwolle – Arnhem – Eindhoven – Breda - Den Haag groot.’24 Meierijstad ligt in die zeshoek); 7. in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit (denk niet alleen aan snelwegen zoals de A50, maar ook aan vrijwaring van militaire en civiele vliegvelden); 8.
waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving (denk aan grondrechten, bouwregels en sociaal en woonbeleid); 9. zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. beperken van klimaatverandering (denk aan broeikasgassen); 11. realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO 2arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur (hierbij gelden niet alleen kwantitatieve doelen voor hernieuwbare elektriciteitsopwekking en het uitgangspunt van doelmatigheid voor de maatregelen, maar ook de opdracht zo goed mogelijk aan te sluiten bij gebiedsspecifieke ruimtelijke kwaliteit); 12. waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie (denk aan het minimaliseren van abiotisch grondstofgebruik door hergebruik en onder voorwaarde van een ecologisch stabiel systeem van voldoende biodiversiteit) (zie box 2.11); 14. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid, inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit (bedenk dat voor Meierijstad het toepasselijke beleidsbegrip niet is waterveiligheid maar wateroverlast); 15. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16.
waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie (denk aan circulariteit, gewasbescherming, waterkwaliteit, mest, nitraat, stikstof en fijnstof); 23 Nationale omgevingsvisie, Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving (september 2020) Den Haag:
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, pagina 46. 24 Ontwerp Nationale Omgevingsvisie, Toelichting (juni 2019) Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, pagina 22.
53
19. behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. verbeteren en beschermen van de biodiversiteit; 21. het ontwikkelen van een duurzame visserij (bedenk dat Meierijstad niet bekendstaat om haar zeevisserij, maar dat er wel in Veghel drie grote bedrijven zijn gevestigd uit de sector supermarktketen / levensmiddelengroothandel).
Box 2.11. Uitvoeringsprogramma circulaire economie Kabinet: ‘Helft minder grondstoffen gebruiken in 2030’ ‘Nieuwsbericht | 08-02-2019 | 15:30 Minder grondstoffen gebruiken en beter omgaan met de materialen die we al hebben. Op die manier wil het kabinet gezamenlijk al in 2030 de helft minder primaire grondstoffen gebruiken. Het uiteindelijke doel is om in 2050 een volledig circulaire economie tot stand te brengen. De ministerraad heeft op voorstel van staatssecretaris Van Veldhoven van Infrastructuur en Waterstaat ingestemd met het Uitvoeringsprogramma circulaire economie. Het programma was aangekondigd in de kabinetsreactie op de transitie-agenda’s circulaire economie op 29 juni jongstleden. Slim omgaan met grondstoffen Van Veldhoven: “Slim en zuinig omgaan met onze grondstoffen scheelt CO 2-uitstoot en helpt dus bij het halen van de klimaatdoelen uit het Regeerakkoord. Daarnaast is bijvoorbeeld circulair ontwerpen en bouwen big business en liggen daar grote kansen voor Nederlandse bedrijven. Inzetten op een circulaire economie is op die manier goed voor het klimaat en goed voor de portemonnee.” Uitvoeringsprogramma circulaire economie Het Uitvoeringsprogramma staat bol van de kansrijke projecten, veelbelovende activiteiten en goede voorbeelden. Vijf sectoren krijgen extra aandacht: biomassa en voedsel, kunststoffen, maakindustrie, bouw en consumptiegoederen.
Deze gebieden zijn belangrijk voor onze economie en kennen een hoge belasting van het milieu. Een paar voorbeelden van projecten: Bio-asfalt van hout: de natuurlijke lijmstof die bomen hun stevigheid geeft, komt vrij bij het maken van karton en papier. Het kan in de toekomst gebruikt worden bij het maken van asfalt. Beter hergebruik en ontwerp matrassen: project dat inzet op recyclen van afgedankte matrassen (95% in 2025) en het duurzamer ontwerpen van nieuwe matrassen – 75% van de nieuwe matrassen in 2025 is gemakkelijk uit elkaar te halen om de materialen opnieuw te gebruiken. Plastic Pact: samenwerking tussen de overheid en het bedrijfsleven om minder plastic afval te maken en het overige afval beter te hergebruiken en te recyclen. Presentatie nog in februari 2019. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft een grondstoffenscan ontwikkeld zodat bedrijven kunnen waar en hoe zij hun risico’s op schaarste kunnen verkleinen. Het Rijksvastgoedbedrijf en Rijkswaterstaat zijn grote opdrachtgevers en beheerders van vastgoed en infrastructuur. Het doel is dat beide organisaties in 2030 circulair werken. Recent werd het eerste circulaire viaduct geopend.’ Overgenomen van https://www.rijksoverheid.nl/regering/nieuws/2019/02/08/kabinet-%E2%80%98helftminder-grondstoffen-gebruiken-in-2030%E2%80%99.
Prioriteiten en afwegingsprincipes volgens de NOVI In de nationale omgevingsvisie heeft de ministerraad enkele prioriteiten benoemd:25 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, 2. duurzaam economisch groeipotentieel, 3. sterke en gezonde steden en regio’s, 25 Nationale omgevingsvisie, Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving (september 2020) Den Haag:
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, pagina 16.
54
4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Onder de prioriteiten zijn in de nationale omgevingsvisie beleidskeuzes gepresenteerd. Binnen de vier prioriteiten zijn drie afwegingsprincipes bedoeld om beleidskeuzes te maken: 26 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. Milieueffectrapportage en monitoring De rijksoverheid is niet alleen een bron van wensen of ideeën voor lokaal beleid, maar we kunnen er ook lessen trekken en gewaarschuwd worden. Uit het milieueffectrapport bij het ontwerp van de nationale omgevingsvisie leren we bijvoorbeeld dat het bestaande beleid de negatieve trend van biodiversiteit in Nederland niet keert.27 Daarbij wordt gewezen op schaalvergroting van de landbouw, verstedelijking, mobiliteit, bodemkwaliteit, klimaatverandering en zwakke verbindingen tussen natuurgebieden. Enkele andere aandachtspunten zijn luchtkwaliteit en ongezond gedrag, de staat (de beschikbaarheid) van natuurlijke hulpbronnen, bereikbaarheid en energietransitie in verhouding tot het welzijn voor alle delen van de bevolking.
Het rijksbeleid voor klimaatmitigatie, met het doel van 49% minder broeikasgas in 2030 ten opzichte van 1990, lijkt niet gerealiseerd te kunnen worden.28 Aanvullende keuzes bij de NOVI In aanvulling op het ontwerp van de nationale omgevingsvisie noemde de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een kamerbrief van april 2020 enkele nieuwe richtinggevende keuzes.29 1. Bouwen aan Stedelijk Netwerk Nederland, met meer woningbouw voor de hogere bevolkingsgroei, toegenomen mobiliteit, ruimtebehoeften voor bedrijvigheid en knelpunten van luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en algehele leefomgevingskwaliteit. Hierbij kijkt het rijk naar het brede midden van Nederland: een band van de Deltametropool via Amersfoort – Nijmegen en via de Brabantse stedenrij naar Duitsland en naar België. Meierijstad is gesitueerd in dat brede midden. 2. Nationale strategie voor landelijk gebied, met meer aandacht voor natuur, landschap, water en milieukwaliteit, met emissiearme en kringlooplandbouw en aanpak van vrijkomende agrarische bebouwing. 3. Goede inpassing energietransitie, met investeringen in de infrastructuur en opwek van duurzame energie, maar ook energiebesparing. 4. Zorgvuldige keuzes maken voor het landschap, gezien de genoemde ruimteclaims. 5. Voorkeursvolgorde voor (regionaal) waterbeheer, om zoet water te verdelen bij droogte en om wateroverlast te voorkomen.
NOVI en de regio In de NOVI benoemt de ministerraad (voorlopig) acht gebieden met een urgente opgave waar ook de nationale overheid zich aan committeert. Eén van die (voorlopige) NOVI-gebieden is De Peel, 26 Nationale omgevingsvisie, Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving (september 2020) Den Haag:
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, pagina 16. Zie ook Praktijkproef afwegingskader omgevingsvisie, Vanuit de perspectieven milieueffectrapportage en global goals (mei 2020) Den Haag: Vereniging van Nederlandse Gemeenten, pagina 11. 27 Maronier, V., et al. (6 juni 2019) Samenvatting Milieueffectrapport Nationale Omgevingsvisie, Amersfoort: Royal HaskoningDHV, pagina’s 9-10. 28 Hammingh, P., M. Menkveld, B. Daniëls, P. Koutstaal, K. Schure & M. Hekkenberg (red.) (2020) Klimaaten Energieverkenning 2020, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. En bijvoorbeeld Stellinga, M. & E. van der Walle (31 oktober 2020) ‘Klimaatdoel 2030 ver weg, zegt PBL’, NRC Handelsblad, pagina 13. 29 TK 2019-2020, 34.682, nr. 48.
55
met het oog op een toekomstbestendige ontwikkeling van de landbouw.30 Samen met de regio stelt het rijk een plan van aanpak op voor elk NOVI-gebied. Voor De Peel is Noord- en MiddenLimburg betrokken, maar ook onze regio Noordoost-Brabant.
Figuur 2.12. Visies fysieke leefomgeving
Nationale omgevingsvisie
Provinciale omgevingsvisie
Regionale omgevingskoers
Toekomstvisie Meierijstad
Omgevingsvisie Meierijstad
Ruimtelijke visie Schijndel
Ruimtelijke visie Sint-Oedenrode
Ruimtelijke visie Veghel
30 Nationale omgevingsvisie, Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving (september 2020) Den Haag:
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, pagina 168.
56
3. Gelaagd Meierijstad Een omgevingsvisie bevat ‘een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving’, aldus de nationale wetgever. 31 Daarmee wordt in dit tekstdeel 3 een begin gemaakt. De tekstdelen 6.1 en 7.1 geven hier een nadere uitwerking aan. Dit tekstdeel 3 biedt een feitelijke beschrijving van het grondgebied, de geschiedenis, de bevolking en de maatschappelijke context van de gemeente Meierijstad. Omdat we een lagenbenadering volgen voor ons omgevingsbeleid, beginnen we vooraan in de omgevingsvisie met de ondergrond en het verleden. De lagenbenadering wordt toegelicht in tekstdeel 9.3 (zie ook figuur 3.1). Figuur 3.1. Meierijstadse lagenbenadering
3.1. Over ondergrond, geschiedenis en landschappen De aardkorst kent in Brabant een aantal breuken. Die breuken zijn aan het aardoppervlak terug te vinden. Een hoger deel wordt horst genoemd, een lager deel slenk. Meierijstad bevindt zich in de Centrale Slenk, ook wel Roerdalslenk genoemd. Dat is het lagere deel tussen enerzijds de Peelhorst en Peelrandbreuk (een lijn Roermond – Deurne – Uden – Lith) en anderzijds de Kempenhorst (een lijn Luyksgestel – Gilze-Rijen – Oosterhout).32 De hoofdbreuk van de Peelrandbreuk loopt niet over ons grondgebied, maar door het oosten en midden van Meierijstad lopen wel nevenbreuken.33 Gedurende de laatste ijstijd is een groot deel van de Centrale Slenk opgevuld met dekzand. Vervolgens zijn de beekdalen van de Aa en de Dommel, de ontginning en de industrialisatie bepalend geweest voor ons landschap. Ondergrond: grondsoorten en landgebruik De bodem is meer dan de fysieke drager van activiteiten op en onder de oppervlakte. Kijken we naar de bodem, dan zien we sediment, structuur en water. De grondsoort bij ons biedt zand met wat veen en rivierklei. Die zandgrond laat van nature wat lucht door, geeft niet snel wateroverlast, maar bevat weinig voedingstoffen. Met de agrarische technologie is de bodem veranderd.
In de voorbije twee eeuwen zijn bos en heide ontgonnen, is er geploegd, zijn akkers en weiden ontwaterd, zijn er meststoffen en bestrijdingsmiddelen verspreid en door machinale bewerking is grond ingeklonken. In dezelfde negentiende en twintigste eeuw van bodemverandering, hebben bevolkingsgroei en verstedelijking ervoor gezorgd dat er minder grond onbebouwd is. De bodem 31 Artikel 3.2 aanhef en onder a Omgevingswet. 32 Zie bijvoorbeeld Landschapsontwikkelingsplan Sint-Oedenrode (31 maart 2009) Rosmalen: Croonen
adviseurs, pagina 3. 33 Royal HaskoningDHV (juli 2019) Landschapsanalyse Meierijstad, Veghel: gemeente Meierijstad, pagina 52.
57
heeft nu te kampen met verdroging, erosie, verminderd bodemleven en verminderde voedzaamheid, verhoogde concentraties van stoffen uit landbouw, veeteelt, industrie en verkeer. Wat hiermee samenhangt is aan de oppervlakte zichtbaar. Denk aan grote, rechthoekige percelen, sloten en gekanaliseerde beken, monoculturen en waterkanonnen. Enkele reacties die op deze verschijnselen zijn gegeven, zijn een uitroep van landschapspijn, 34 een vraag om de transitie van de landbouw en om duurzaam bodembeheer. 35 De opgetreden veranderingen doen er niet aan af dat nog veel inwoners houden van het landschap als hun leefomgeving.
Box 3.2. Noordbrabantse bodemkwaliteit
Bodemkwaliteit
‘De kwaliteit van de bodem in Brabant scoort slecht. In het landelijke gebied heeft de intensivering en schaalvergroting in de landbouw de bodem verontreinigd. Vooral zware metalen en vermesting van de bodem door nitraat en fosfaat zijn schadelijk. Maar ook nieuwe verontreinigingen zoals hormonen en geneesmiddelen leiden steeds vaker tot problemen.’ 36
Water De (diepe) ondergrond en het aardoppervlak zijn met elkaar verbonden via het watersysteem. Van nature wordt hemelwater, dat meestal neervalt in de vorm van regen, opgenomen in het grondwater en afgevoerd via beken en rivieren, uiteindelijk naar zee. Tussen de neerslag en de uiteindelijke afvoer wordt het water gebruikt door de natuur en de menselijke samenleving. Er zijn in het watersysteem sloten, kanalen en bekkens ingebouwd. Bijvoorbeeld de Leijgraaf en de ZuidWillemsvaart. Veel natuurlijke waterlopen zijn door mensen veranderd. In voorbije eeuwen kan een rivier al bedijkt zijn, waarmee overstromingen en meandering zijn tegengehouden. Onze gemeente ligt echter op behoorlijke afstand van de Maas, zodat waterveiligheid hier niet direct een opgave is. Bijrivieren en beken zijn evenzeer veranderd. In bijvoorbeeld de Dommel waren er watermolens en is daar het landschap gevormd met het oog op het goede functioneren van die molens. Zo is er nu sprake van een soms nog herkenbare watermolenbiotoop, als cultuurhistorisch geheel, met een bovenloops nog verdergaande hydrologische invloedsfeer. Om wateroverlast van het regionale watersysteem te voorkomen, zijn de Dommel en zeker de Aa genormaliseerd (gekanaliseerd). Bij de Aa was dat in de eerste helft van de twintigste eeuw ook een tewerkstellingsproject.
In voorbije eeuwen bestond ook wel besef van schoon of vervuild water, maar tegenwoordig gelden er voor waterkwaliteit duidelijke normen. Nederland wil in 2027 aan de Kaderrichtlijn Water voldoen. In 2019 waren er nog geen waterlichamen die aan alle eisen voldeden. 37
34 Boer, J. de (2017) Landschapspijn, Over de toekomst van ons platteland, Amsterdam: Atlas Contact. 35 De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hanteert als streefdoel dat ‘alle Nederlandse
landbouwbodems duurzaam beheerd [worden] in 2030’ volgens haar kamerbrief van 25 april 2019. TK 20182019, 30.015, nr. 58. 36 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021, Sámen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant (2015) ’s-Hertogenbosch: provincie Noord-Brabant, pagina 19. 37 Postma, R. (red.) (2020) De staat van ons water, Rapportage over de uitvoering van het waterbeleid in 2019, zonder plaats: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Unie van Waterschappen, Vereniging van Waterbedrijven in Nederland, Interprovinciaal Overleg & Vereniging van Nederlandse Gemeenten, pagina’s 15-16.
58
Aan het watersysteem is onze waterketen gekoppeld: drinkwaterwinning, drinkwaterleidingnet, riolering en afvalwaterzuivering. Op het grondgebied van Meierijstad vindt openbare drinkwaterwinning plaats (zie tekstdeel 6.1). En in het hele oosten van Noord-Brabant zijn nog grondwaterreserves aanwezig.38 Daarom zijn er waterwingebieden, omvattende grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones aangeduid.
Kaart 3.3. Water en hoogspanningsleidingen
Ondergrondse netwerken De putten voor drinkwaterwinning en het waterleidingnet vormen tezamen met het aardgasnet en alle kabels en leidingen netwerken in onze bodem. In een grootstedelijk gebied kan ook een vervoersnetwerk ondergronds zijn gebracht. In Meierijstad zijn er enkele tunnels voor langzaam verkeer en een aantal parkeerkelders. Van een metronet is hier geen sprake.
38 Structuurvisie Ondergrond (juni 2018) Den Haag: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat & Ministerie
van Economische Zaken en Klimaat.
59
Kaart 3.4. Landschapsanalyse Meierijstad
Landschappen De landschappen in Meierijstad zijn gevormd op dekzanden en in beekdalen.39 De dekzandruggen laten goed toe dat hemelwater binnendringt en doorsijpelt en deze gronden zijn daardoor relatief droog. Op sommige plekken was of is leem aanwezig, waardoor daar meer water werd of wordt vastgehouden. De aanwezige hoogteverschillen en de variatie in de waterhuishouding zijn al eeuwenlang van betekenis voor menselijke activiteiten. En menselijke activiteiten hebben op hun beurt bijgedragen aan de vorming van verschillende bodemtypen. Denk bijvoorbeeld aan ontbossing en jarenlang vanuit stallen bemesten van akkers. Of aan ontginning van heidegrond en moderne, machinale bewerking van landbouwgrond. De variatie in ondergrond en de historische fasen van grondgebruik zijn nog herkenbaar in landschappen. Zo zien we de half open, grillige kampenverkaveling, het coulissenlandschap met populieren, en open, rationeel vormgegeven heideontginningen. Met de verschillende factoren is een indeling in vier landschapstypen gemaakt (vergelijk kaart 3.4): beekdalen, oude ontginningen, stuifzandduinen, jonge ontginningen (broek en heide).
39 Maes, B. (red.) (2016) Atlas van het landschappelijk groen erfgoed van Nederland, Cultuurhistorisch
waardevolle bossen, houtwallen en heggen, Amersfoort: Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed, pagina 40. In meer detail is de ondergrond beschreven in een rapport voor het gemeentelijke project Vitaal buitengebied: Royal HaskoningDHV (2019) Landschappelijke analyse Meierijstad, Veghel: gemeente Meierijstad.
60
Op veel plekken treedt een eigentijdse ontwikkeling op de voorgrond. Dat zijn met name de ZuidWillemsvaart, het Duits Lijntje, de verstedelijking en de industrie, de N279, voormalige vuilstortplaatsen en de A50. Zulke ontwikkelingen, maar ook de aanplant van bossen, hebben het oudere landschap ter plaatse vervangen.
Figuur 3.5. Beekdallandschap
Door studio Ronald van der Heide. Overgenomen van www.stowa.nl.
3.2. Over geschiedenis en cultuurhistorie Het gelaagde Meierijstad kent niet alleen fysisch-geografische lagen maar ook historische lagen die betekenis hebben voor onze fysieke leefomgeving of de beleving daarvan. In dit tekstdeel 3.2 komt die geschiedenis aan bod. Centrum en periferie in de geschiedenis In de Middeleeuwen namen het graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant economisch en cultureel een vooraanstaande positie in binnen Europa. De hertog van Brabant stelde voor het bovenlokale bestuur in het noordoosten van het hertogdom de meierij van ’s-Hertogenbosch in. Vroeg in het eeuwenlange proces van Europese staatsvorming hadden onze gewesten in het Bourgondische Rijk nog steeds een gunstige ligging. De latere staatsvorming leidde ertoe dat onze provincie excentrisch kwam te liggen. Voor een keizer in Duitsland of Spanje was Brabant ver weg. De Opstand van de Nederlanden in de zestiende eeuw eindigde ermee dat Brabant een grensgebied werd, relatief ver van Amsterdam en ’s-Gravenhage. In de oorlogen die de Republiek voerde met Spaanse, Franse en Duitse vorsten was Brabant herhaaldelijk het strijdtoneel. Zulke 61
strijd trof de lokale bevolking en remde een economische ontwikkeling op de toch al arme zandgronden.
Kaart 3.6. Historische topografische kaart 1821
Kaart 3.7. Historische topografische kaart 1900
62
Over Staats-Brabant en de negentiende eeuw In de Republiek der Verenigde Provinciën hadden de Brabantse en Limburgse gewesten geen volwaardige status. Deze gewesten met een overwegend rooms-katholieke bevolking waren geen lid van de confederatie,40 maar stonden onder het gezag van de Staten-Generaal: de generaliteitslanden. Na de vorming van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 met een groot aantal rooms-katholieke provincies in het zuiden en (vanaf de jaren veertig) de idee van een liberale rechtsstaat, kwam aan de formele achterstelling een einde. Ook na de onafhankelijkheid van België in de jaren dertig kwamen Noord-Brabant en Limburg niet meer in dezelfde positie als onder het oude regime. Naast de politieke rechten trad in de negentiende eeuw een heropleving van het rooms-katholicisme naar voren. In 1853 kon de bisschoppelijke hiërarchie hersteld worden. Die geschiedenis is nu nog van belang, in zoverre dat de heropleving leidde tot de bouw van honderden kerken en kloosters in Zuid-Nederland. Ook in de kernen van Meierijstad staat de neogotische kerk in het hart van het dorp. Deze kerken en kloosters komt een cultuurhistorische betekenis toe als ‘relieken’ van een cruciale periode in de geschiedenis en als brandpunten van identiteitsbeleving. De Zusters Franciscanessen zijn innig verbonden met de geschiedenis van Veghel, de Zusters van Liefde met die van Schijndel.
De negentiende eeuw kende niet alleen een politiek-bestuurlijke emancipatie en culturele opleving van Noord-Brabant, maar ook grote ontwikkelingen op het vlak van verkeer, landbouw en industrie. Vanaf de Franse Tijd zijn verharde wegen en kanalen aangelegd waardoor verkeer en handel veel betere mogelijkheden kregen. Bedenk dat onverharde wegen voor zwaarbeladen karren in de herfst en winter moeilijk begaanbaar zijn als er modder of sneeuw liggen, en in de zomer als er droog, rul zand ligt. En scheepvaart over rivieren is ’s winters moeilijk met hoog water, snelle stroming en ijs, en ’s zomers met laag water (het peil werd minder gereguleerd dan tegenwoordig). De toegenomen mogelijkheden leidden tot ontginning van woeste gronden. Zo nam het landbouwareaal toe. De realisatie van de Zuid-Willemsvaart maakte het mogelijk om mest te vervoeren waarmee arme zandgronden werden verrijkt. Zuid-Willemsvaart Koning Willem I liet in de jaren 1822-1826 de Zuid-Willemsvaart aanleggen van Maastricht naar ’s-Hertogenbosch. Het beeld De kanaalgraver in Keldonk memoreert die geschiedenis. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw werd volop gebruik gemaakt van de transport- en handelsmogelijkheden die het kanaal bood. Het kanaal kwam langs Veghel en vanuit die gemeente werd het initiatief genomen voor een binnenhaven.
De combinatie van de haven en het kanaal, de toenmalige tramlijn en het Duits Lijntje bood aan het einde van de negentiende eeuw gunstige omstandigheden voor de ontwikkeling van nijverheid en handel in Veghel. Zo staan er bij de draaikom nog het kantoorgebouw van een voormalige rederij, aan de Noordkade een voormalige veevoerfabriek met monumentale silo, en op de Zuidkade een actieve diervoerfabriek.
40 Zelfs geen lid zonder stemrecht zoals Drenthe.
63
Box 3.8. Zuid-Willemsvaart: cultuurhistorie
Witte Brug
In de wijk De Bunders in Veghel is over een vijver een brug gelegd voor fietsers en voetgangers. Die brug, de Witte Brug, heeft een geschiedenis die verbonden is met de Zuid-Willemsvaart. Aanvankelijk was het de Veemarktbrug die in ’s-Hertogenbosch over het kanaal lag. Toen die verbinding in 1928 gemoderniseerd werd, kwam deze ophaalbrug beschikbaar. Deze brug verving in 1929 de draaibrug die in Veghel over de haven lag voor de weg van ’s-Hertogenbosch naar Helmond. De brug is daar in mei 1940 beschadigd, maar al snel hersteld en na de oorlog nog gemoderniseerd. Pas in de jaren 1974-1976 is de vaste brug voor de N279 gebouwd. En de Witte Brug heeft dus een derde leven gekregen in een nieuwbouwwijk.
Afbeelding F3. Gedenkteken aan de Zuid-Willemsvaart in Veghel
Duits Lijntje Enkele decennia na de Zuid-Willemsvaart werd nog meer infrastructuur gerealiseerd die van belang was voor de ontwikkeling van de regio en waarvan het nodige bewaard is gebleven. In dit geval gaat het om een oost-west-verbinding: het Duits Lijntje. Die spoorlijn werd geopend in 1873 en ze bleef van belang tot begin twintigste eeuw als een verbinding tussen de havens van Vlissingen, Antwerpen en Rotterdam en het Duitse achterland. Er wordt wel gezegd: een verbinding van Londen naar Wladiwostok. Het personenvervoer over het Duits Lijntje eindigde in 1950. Goederenvervoer tussen het station in Boxtel en de industrie in Veghel bleef mogelijk tot in
64
2004. In tekstdeel 6.1 worden de huidige waarden van het Duits Lijntje beschreven. In tekstdeel 6.2 komt ons beleid met betrekking tot het Duits Lijntje aan bod. Boerencoöperaties Voor de economische, sociale en politieke ontwikkeling van West-Nederland kan een elite van stadsburgers een brandpunt vormen: handelaren, reders en bestuurders in de steden van Holland en Zeeland, veelal protestants en niet van adellijke afkomst. Maar bij de economische en sociale ontwikkeling van Noord-Brabant springen boerencoöperaties in het oog. Naar Duits voorbeeld ontstonden vanaf de laatste decennia van de negentiende eeuw kredietcoöperaties: boeren werkten samen om spaargeld op te halen en te voorzien in hun financieringsbehoeften.41 Deze financiering stelde boeren in staat om te investeren in de modernisering van hun bedrijven. Het bankbedrijf dat ontstond uit de boerenleenbank heeft in onze regio nog het grootste marktaandeel. Melkveehouders werkten sinds het einde van de negentiende eeuw samen voor het afzetten van hun productie. Uit die samenwerking ontstond in Zuid-Nederland de zuivelcoöperatie Campina. Van het tegenwoordige bedrijf FrieslandCampina staat nog altijd een grote fabriek in Veghel. Veetelers werkten ook samen om aan mengvoer en kunstmest te komen. In onze regio ontstond zo de Coöperatieve Handelsvereniging (CHV) als tak van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond (NCB).
Het hoofdkantoor en een mengvoederfabriek van de CHV kwamen in Veghel. De CHV is door fusies opgegaan in het huidige Agrifirm. In Veghel wordt nog veevoer geproduceerd, maar niet meer aan de NCB-laan en de Noordkade. De herontwikkelde Noordkade voert de naam Cultuur Haven Veghel (zie verder tekstdelen 7.1 en 7.3).
Afbeelding F4. Re-enactment operatie Market Garden in Sint-Oedenrode
41 Mooij, J. (2018) De Rabobank door de tijd, Utrecht: Rabobank.
65
Corridor 1944 Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren na de Geallieerde landing in Normandië nog grote inspanningen nodig om de bezette landen te bevrijden en Nazi-Duitsland te verslaan. Amerikanen, Britten en Polen lanceerden in september 1944 operatie Market Garden om de bruggen over de grote rivieren veilig te stellen: vanuit België door het oosten van Noord-Brabant, dan via Nijmegen en tot en met Arnhem. Die operatie slaagde niet door onverwacht felle tegenstand van Duitse troepen en doordat sommige paratroepen niet op de gewenste landingsplaats terechtkwamen. Onze streek vormde de landingszone voor de Amerikaanse 101ste Luchtlandingsdivisie. De grondtroepen van het Britse 30ste Legerkorps richtten zich op de Corridor die het huidige Meierijstad doorkruiste. De felle gevechten hier ter plaatse hadden burgerslachtoffers en materiële schade tot gevolg. Bijvoorbeeld de dorpskern van Schijndel werd zwaar beschadigd. Nadat de operatie Market Garden het verder oprukken van de Geallieerden niet mogelijk had gemaakt, namen de Duitsers de gelegenheid om het Ardennenoffensief te ondernemen en beleefde West-Nederland de Hongerwinter.
Box 3.9. De 100 mooiste van Meierijstad
M100
De mooiste plekken Op de overgang van 2019 naar 2020 schreef Meierijstad een wedstrijd uit met de oproep aan inwoners om de plek te kiezen die volgens hun de mooiste van de gemeente is. Na de nominatie van meer dan 200 locaties en objecten, en meer dan 600 uitgebrachte stemmen, gaven de organisatoren inzicht in de opbrengst. Het viel de organisatoren op dat veel inwoners groen en natuur nomineerden, bijvoorbeeld het Aa-dal, de Aa-broeken, het Dommel-dal, de Hazenputten, de waterloop in het Wijboschbroek of de rode beuken bij de Sint-Martinuskerk in Olland. Daarnaast zijn iconen genoemd zoals het Duits Lijntje, de Schaapskooi en de Glazen Boerderij in Schijndel, de Knoptoren in Sint-Oedenrode en de CHV Noordkade in Veghel. Maar ook een recent gebouw als het kantoor van VanderLande op De Dubbelen in Veghel kwam naar voren. Over de gerenoveerde arbeiderswijk Oranjewijk in Veghel werd opgetekend: ‘monument van een tijdperk en ook nog eens ontworpen door een Veghelse architect.’ De winnende plek was de Schaapskooi bij Wijbosch.
3.3. Stedelijke netwerken en hoofdinfrastructuur In dit tekstdeel 3.3 wordt behandeld hoe Meierijstad zich verhoudt tot economisch-geografische netwerken. Zulke netwerken kennen betekenissen die mensen eraan toekennen, maar er vinden ook feitelijke uitwisselingen plaats van gegevens, mensen en zaken. Voor die uitwisselingen zijn infrastructuren nodig. De hoofdlijnen van onze wegenstructuur, dat is een belangrijke soort van infrastructuur, worden hier dan ook genoemd. Ons Brabant in de wereld Op mondiaal niveau is Noordwest-Europa een prominente regio. Het zuiden van Engeland, de Benelux, Noord-Frankrijk en het Ruhr-gebied zijn relatief verstedelijkt en welvarend. Er wordt veel geproduceerd en geconsumeerd, we vinden hier onderzoek, ontwikkeling en kennisverspreiding, er zijn grote zeehavens, een verfijnde autowegenstructuur, kanalen en datanetwerken. In het
66
wereldsysteem laten de Deltametropool (Randstad) en de Vlaamse Ruit (Brussel – Antwerpen – Gent – Leuven), die via het havennetwerk Vlissingen – Terneuzen met elkaar verbonden zijn, zich tezamen vergelijken met metropolen als Londen en Parijs. Van die positie in de wereld profiteert ook Meierijstad. Op Europees niveau ligt het oosten van Noord-Brabant, met het zuiden van Gelderland en het noorden van Limburg, op de as van de Deltametropool naar Duitsland en Midden-Europa. In Nederland wordt de rijksweg A2 al ruime tijd erkend als as van economische ontwikkeling. Dat gebeurt nu ook voor de A50 tussen Eindhoven en Nijmegen.42
Afbeelding F5. Nachtelijk Europa
Noordoost-Brabant: verspreide verstedelijking In Noordoost-Brabant wonen circa 650.000 mensen en zijn er ongeveer 330.000 banen. Op basis van haar zogenoemde regionaal product kan Noordoost-Brabant opgevat worden als de zesde economische regio van Nederland. Onze regio toont een patroon van verspreide verstedelijking. De secundaire sector mocht zich in de vorige eeuw ontwikkelen nabij een groot aantal dorpen. Dat bood werkgelegenheid aan degenen wier arbeidskracht niet meer nodig was in het boerenbedrijf, zonder dat die Brabanders hun dorp en parochie hoefden te verlaten. 43 Met de gestuurde industrialisatie (in gebundelde deconcentratie) na de Tweede Wereldoorlog is in Noordoost-Brabant een reeks middelgrote steden ontstaan. Oss, Uden, Veghel, Schijndel en Boxtel bevinden zich op korte afstand van elkaar. Tussen de grote steden ’s-Hertogenbosch, 42 Vergelijk de multiregionale en publiek-private propositie bij de rijksoverheid A50 Corridor, Van losse kralen
naar sterke corridor (2019) Arnhem: provincie Gelderland. 43 Joks Janssen (2006) Vooruit denken en verwijlen, De (re)constructie van het plattelandschap in ZuidoostBrabant, 1920-2000, Tilburg: Zuidelijk Historisch Contact, pagina’s 106-155.
67
Nijmegen, Eindhoven en Tilburg ligt er geen stad die in alle opzichten boven de andere middelgrote steden uitsteekt. Daarmee is Noordoost-Brabant een polycentrische regio met diverse middelgrote gemeenten. De steden in onze regio Noordoost-Brabant die de meeste inwoners hebben, ’s-Hertogenbosch en Oss, zijn kleiner dan steden direct buiten onze regio. Denk aan Eindhoven, maar ook aan Tilburg en Nijmegen. Voor werkgelegenheid en tal van voorzieningen bestaat er een grote wederzijdse afhankelijkheid tussen de gemeenten van onze regio. Zo staan er ziekenhuizen in Uden en ’s-Hertogenbosch. En is er veel bedrijvigheid in ’s-Hertogenbosch, Oss en Veghel. Voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek moeten we voorbij de grenzen van Noordoost-Brabant: Eindhoven, Nijmegen, Utrecht, Tilburg. Binnen de wederzijdse afhankelijkheden in de regio vervullen Meierijstadse kernen enkele centrumfuncties. In het geheel van dagelijkse verplaatsingen en bestemmingen van oostelijk Noord-Brabant zijn Veghel en het oosten van Schijndel relatief belangrijk.44 Dat geldt voor Veghel ook voor onderwijs.45 En voor Veghel specifiek voor werk.46
Figuur 3.10. Hoofdwegen Meierijstad
Hoofdwegen Door onze gemeente lopen de A50 en de Zuid-Willemsvaart die beide in beheer zijn bij Rijkswaterstaat (zie figuur 3.10). De weginfrastructuur van de A50, de N279 en de N617 biedt ruimte aan de grootste aantallen vervoersbewegingen door Meierijstad. Ook de voornaamste wegen binnen onze kernen kunnen hier genoemd worden. Voor Schijndel is dat door de kom de as Boschweg – Hoofdstraat – Europalaan – Rooiseweg (N637), en parallel daaraan (tegen de kom) de as Boschweg (N617) – Structuurweg – 44 Tordoir, P.P. (oktober 2017) Netwerken in Brabant, Sociaalgeografische systeemwerking in Noord-
Brabant, ’s-Hertogenbosch: provincie Noord-Brabant, pagina 17. 45 Tordoir, P.P. (oktober 2017) Netwerken in Brabant, Sociaalgeografische systeemwerking in NoordBrabant, ’s-Hertogenbosch: provincie Noord-Brabant, pagina 19. 46 Tordoir, P.P. (oktober 2017) Netwerken in Brabant, Sociaalgeografische systeemwerking in NoordBrabant, ’s-Hertogenbosch: provincie Noord-Brabant, pagina 23.
68
(Nieuwe) Eerdsebaan (N622). Dankzij de Structuurweg en de Nieuwe Eerdsebaan hoeft veel van het doorgaande verkeer niet door de kommen van Schijndel en Wijbosch. Voor Sint-Oedenrode zijn de voornaamste wegen de as van noord naar zuid Schijndelseweg (N637) – Lindendijk – Corridor - Nijnselseweg. Randwegen ontzien de kom van SintOedenrode. Voor Veghel zijn de voornaamste wegen de as Udenseweg (N265) – Rembrandtlaan – Corridor, en dwars daarop de as Vorstenbosscheweg – Populierlaan – Erpseweg (N616).
Behalve het wegennet voor auto’s en schepen vormen ook de lijnen van het openbaar vervoer, de fietspaden voor doorgaand verkeer en bepaalde fiets- en ruiterroutes een netwerk dat het lokale schaalniveau overstijgt.
Figuur 3.11. Midsize Brabant en B5 Midsize Brabant is weergegeven met rode stippen. De B5 zijn weergegeven met zwarte stippen.
Midsize Brabant De gemeenten Bergen op Zoom, Roosendaal, Oosterhout, Waalwijk, Oss, Uden en Veghel werkten sinds 2014 aan het analyseren van opgaven en potenties van middelgrote gemeenten, aan het uitwisselen van ervaringen en aan hun aansluiting op het provinciale beleid. Dat leidde in 2017 tot het rapport Potenties en proeftuinen van Midsize Brabant.47 In de informele samenwerking van Midsize Brabant is enkele jaren aandacht besteed aan de sociale veerkracht, de dynamiek van de binnenstad, de logistiek, de economie van morgen, de mobiliteitsagenda en de transformatie van leegstaand vastgoed. In 2020 werd beslist om de samenwerking te focussen op de drie thema’s slimme mobiliteit, binnenstedelijke transformatie (inclusief centrum) en sterke samenleving. De samenwerking van Midsize Brabant en andere middelgrote gemeenten leverde enkele analyses en aanbevelingen op voor de betrokken gemeenten. De essentie van het middelgrote is dat de sociaal-economische problemen die zich voordoen in de grote steden, ook voorkomen in middelgrote gemeenten.48 Maar middelgroot heeft niet dezelfde ontwikkelingsmogelijkheden. Dus 47 Potenties en proeftuinen van Midsize Brabant (2017) zonder plaats: Midsize Brabant. 48 Lekkerkerker, J., H. Buijtels & A. Wagemans (red.) (april 2015) Midsize Brabant, Verkenning van de
toekomst voor Brabantse middelgrote steden, zonder plaats: BrabantKennis & Ruimtevolk.
69
dan speelt een wel moeten maar niet altijd kunnen. Dat vraagt van middelgrote gemeenten om selectief te zijn én om netwerkkracht aan te wenden (samenwerking en ‘borrowed size’). Enkele aanbevelingen voor de strategie van middelgrote gemeenten die zich bevinden in een polycentrisch sociaal-geografisch netwerk, zoals Meierijstad (zie tekstdeel 3.3), zijn:49 het inzetten op een complete regio in plaats van op een complete stad, het maken van regionale afspraken vanuit een gedeelde visie of ambitie, het elkaar gunnen van successen en die samen vieren, het focussen op het ‘daily urban system’ van inwoners.
3.4. Leven en werken Bevolking Meierijstad heeft een bevolking van iets meer dan 80.000 mensen. Gedurende de planperiode voor deze omgevingsvisie verwachten we een heel lichte bevolkingstoename, tegen de 5%.50 We houden een stabiele bevolkingsomvang voor ogen. Onze gemeente trekt niet veel jongeren en immigranten aan zoals de grote steden doen. Maar we kennen ook geen leegloop zoals gebieden met weinig economische activiteiten. Wel vergrijst onze bevolking. En binnen de groep ouderen neemt het aandeel van oude ouderen toe. Daar staat tegenover dat veel van de jongere ouderen lang sociaal en ook wel economisch actief blijven. Door de demografische ontwikkeling zal per saldo het aandeel van onze beroepsbevolking in de gehele bevolking, dalen. Educatie, arbeid en welvaart Onze beroepsbevolking kent relatief veel middelbaar opgeleide inwoners. Het is in de grote steden dat relatief veel laagopgeleiden wonen met een hoger risico op een sociaal-economisch precair bestaan. Het is ook in die steden dat relatief veel hoogopgeleiden wonen, namelijk studenten die er zijn blijven wonen en arbeidskrachten van daar gevestigde hoogwaardige dienstverlening. Bedrijven en instellingen in Meierijstad hebben minder arbeidsplaatsen voor wetenschappelijk opgeleiden dan een grootstedelijke economie.
Maar onze gemeente kent wel een sterk bedrijfsleven, met relatief veel industrie, logistiek en (groot)handel. Ook leeft er in onze bevolking een geest van ondernemerschap. Dat alles maakt dat Meierijstad een relatief lage werkloosheid en relatief hoog niveau van welvaart kent. Agrifood De primaire sector is in Nederland als geheel relatief klein in economische zin: circa 2% van het inkomen en tezamen met de voedingsmiddelenindustrie circa 3,5% van de werkgelegenheid.51 Maar het omvattende agro-complex met toeleveranciers, dienstverleners en verwerkers is zo’n 7,5% in de economie en circa een procentpunt hoger qua werkgelegenheid. Daarbij zijn import en verwerking van grondstoffen zoals cacao inbegrepen. Dat agro-complex is goed vertegenwoordigd in Noordoost-Brabant en zeker in onze gemeente. Dat varieert van afzonderlijke agrarische bedrijven en bescheiden transportondernemers, tot grote bedrijven die in het hele land of wereldwijd bekend zijn. 49 Dijken, K. van, N. Gastkemper & M. Hoogerbrugge (april 2017) Naar een strategie voor middelgrote
steden, Den Haag: Platform31. 50 Zie bijvoorbeeld Dijken, K. van (6 februari 2020) Trends, ontwikkelingen en opgaven voor de G40-steden Zuid-Nederland, Regiobijeenkomst, zonder plaats: Platform31. 51 Berkhout, P., A. van Doorn, F. Geerling-Eiff, H. van der Meulen, G. Tacken, G. Venema & T. Vogelzang (september 2019) Wageningen: Wageningen University & Research / Wageningen Economic Research, De landbouw en het landelijk gebied in Nederland in beeld, Een houtskoolschets van de SWOT voor het GLB, pagina’s 13-15.
70
Dorps- en verenigingsleven Met de ontwikkeling van Noord-Brabant sinds de negentiende eeuw heeft de provincie haar eigen maatschappelijke karakter behouden. Er was voor de bevolking een gezamenlijke geschiedenis aan de periferie van de Nederlanden, een geloofsrichting die niet de dominante richting was van de Republiek of het jonge Koninkrijk, een waaier aan dialecten. Aan de industrialisatie werd vormgegeven niet slechts in de Noordbrabantse steden die groeiden, maar ook in de vele dorpen die zich moderniseerden. Brabant bleef een land van dorpen. En in de dorpen kwamen de mensen samen: op de markt, in de kerk, in het café, bij de fanfare, de schutterij, de voetbal, de wielerkoers, het carnaval. En als de traditionele verenigingen nu minder centraal staan, dan ontstaan er nog steeds vriendengroepen van jongeren die jarenlang met elkaar blijven optrekken. De sociale samenhang is groot en dat biedt veerkracht en organisatievermogen.
Afbeelding F5. Schapen bij Sint-Oedenrode
71
4. Trends en ontwikkelingen In tekstdeel 2 is de beleidsmatige context geschetst voor ons omgevingsbeleid. In tekstdeel 3 is vanuit de lagenbenadering een basis gelegd voor ons omgevingsbeleid. Nu in tekstdeel 4 worden trends en ontwikkelingen verkend. Hierna wordt in tekstdeel 5 gestart met het formuleren van ons omgevingsbeleid. De gesignaleerde trends en ontwikkelingen zijn in schema’s gezet in de planologische samenvatting van de omgevingsvisie.
Box 4.1. Trends en ontwikkelingen voor de fusie
Waarmee wilde de nieuwe gemeente rekening houden?
Voor het herindelingsontwerp van Meierijstad zijn trends en ontwikkelingen bekeken door de toenmalige gemeenten. Hierbij zijn er in 2014 rondetafelgesprekken gehouden met ruim 150 inwoners en andere stakeholders. Vervolgens zijn zeven trends aangeduid als de meest belangrijke:52 1.
van verzorgingsstaat naar participantensamenleving (zelfredzaamheid);
2.
schaalvergroting en maatwerk (schaalvergroting van instituties, maar herkenbaarheid en individualiteit als maatschappelijke behoeften);
3.
24/7-samenleving in relatie tot technologische ontwikkelingen (verminderd belang fysieke afstand, veranderende arbeidsvraag, informatisering en dienstverlening);
4.
veranderende bevolking (aandacht voor zilveren economie en gezonde leefstijl, minder vaste waardepatronen en meer diversiteit);
5.
duurzaamheid (grondstoffen, energiebronnen, korte ketens en transitie intensieve veehouderij);
6.
netwerksamenleving (nieuwe technische en sociale netwerken, dynamiek en complexiteit, alliantievorming);
7.
van meer naar beter (beheer en verbetering in plaats van uitbreiding).
Voor het herindelingsontwerp zijn deze meest belangrijke trends in verband gebracht met vier thema’s: sociaal / maatschappelijk, economie, ruimtelijk, besturingskenmerken.
4.1. Algemene trends en ontwikkelingen Nadat in dit tekstdeel 4.1 algemene trends en ontwikkelingen zijn behandeld, gaan de volgende tekstdelen eerst in op trends en ontwikkelingen voor het landelijk gebied (4.2) en dan voor het stedelijk gebied (tekstdeel 4.3). Fossiele brandstoffen en klimaatverandering Een ontwikkeling die al decennia in beeld is, is de uitputting van fossiele brandstoffen. Die ontwikkeling is fors vertraagd doordat aardolie uit de diepzee, teerzanden en schaliegas in exploitatie zijn genomen. Toch komt er een einde aan gas, olie en kolen. De resterende voorraad fossiele brandstoffen wordt benut terwijl nieuwe energiebronnen en -dragers tot ontwikkeling komen. Het gebruik van fossiele brandstoffen draagt fors bij aan opwarming van de Aarde.53 De
52 Projectorganisatie fusie (19 november 2014) Bijlagenboek bij het Herindelingsontwerp Meierijstad, zonder
plaats: gemeente Schijndel, gemeente Sint-Oedenrode & gemeente Veghel. 53 Luttikhuis, P. (2 oktober 2020) ‘Het klimaat redden kan nog net, Klimaatrapporten’, NRC Handelsblad, pagina 15.
72
klimaatverandering gaat gepaard met meer hitte, droogte,54 storm, heftige regenval en met een stijging van de zeespiegel. Dat zijn verschijnselen die ook in Nederland gepaard gaan met hinder, oversterfte en grote economische schade. In het kader van het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie, een nationaal en interbestuurlijk programma (vergelijk figuur 4.2), zijn wel schadebedragen van tientallen miljarden euro genoemd.
Figuur 4.2. Ambities van het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie
Bron: https://ruimtelijkeadaptatie.nl.
Grondstoffen Schaarste en instabiliteit door prijsschommelingen doen zich niet alleen voor bij olie en gas. Vanwege onze elektronische apparaten zijn we mede afhankelijk van enkele schaarse metalen. Voor zulke metalen kan hetzelfde gelden als voor olie: de vindplaatsen maken ons vatbaar voor negatieve effecten van oorlogen en gespannen handelsrelaties. Aandacht verdient bijvoorbeeld ook fosfaat, dat wordt gebruikt in kunstmest. Terwijl het gebruik van fossiele brandstoffen leidt tot stof en fijnstof, heeft ook het gebruik van fosfaat negatieve effecten. Het fosfaat afkomstig uit de agrarische sector, maar ook wel uit vaatwastabletten, draagt (via bloei en afbraak van algen) bij aan minder zuurstof in oppervlaktewater. Als grondstoffen uitgeput raken en de aanvoer meer onzeker wordt, is het aantrekkelijk om ze te vervangen of om ze zelf te maken. De trend van ‘biobased’ beantwoordt daaraan. Het was millennia lang normaal om producten te vervaardigen uit organisch materiaal. Daar kunnen we opnieuw aandacht aan besteden: niet alleen om hout, hennep of vlas weer toe te passen, maar ook om bijvoorbeeld zeewier en algen te verwerken en ‘bioplastics’ te fabriceren. Hiermee ontstaan nieuwe kansen voor de primaire (agrarische) en de secundaire (fabricage-) sectoren.