A25b Achtergronddocument Platform31 - Trends en Strategische Opgaven Meierijstad.pdf
Tekst van het document
29
Frits Oevering en Otto Raspe, “Regionaal-economische verschillen fors toegenomen”, in: Economische statistische berichten, jrg. 105, nr. 4790, 8 oktober
30
In 2020 daalde de arbeidsdeelname bij zowel mannen als vrouwen, maar vooral bij jonge mannen en vrouwen tot 25 jaar. De arbeidsdeelname bij de jonge
genotmiddelenindustrie die sterk afhankelijk is van de horeca (bijv. bierbouwerijen). 2020. mannen daalde met 3,2 procentpunt ten opzichte van 2019, bij jonge vrouwen met 2,4 procentpunt. CBS, Arbeidsparticipatie naar leeftijd en geslacht, Den Haag, 2020.
19
Voor de economische groei per hoofd van de bevolking wordt de arbeidsproductiviteit als de enige permanente bron van groei gezien. De groei van de arbeidsproductiviteit is sinds 2009, na het uitbreken van de kredietcrisis, zeer laag en in de jaren 2016, 2018 en 2019 zelfs negatief. Oorzaak van deze afname was dat de ingezette hoeveelheid arbeid en kapitaal niet snel genoeg kon worden aangepast aan de teruggevallen vraag, iets wat aan het begin van een crisis vaker te zien is.31 Maar ook worden als oorzaken voor de lage groei van de arbeidsproductiviteit de groei van het aantal zelfstandigen en de afnemende investeringen in kapitaalgoederen genoemd.32 Met de ontgroening, de vergrijzing, het grote dienstenaandeel in de economie en met de relatief grote omvang van de flexibele arbeid en het aantal ZZP’ers is het verre van eenvoudig om de arbeidsproductiviteitsontwikkeling op een substantieel hoger niveau te krijgen. Structurele, langdurige leegstand van kantoren en winkels: hernieuwde inrichting van de binnensteden noodzakelijk In Nederland is er al jarenlang sprake van een toenemende leegstand onder kantoren en winkels. De toenemende leegstand is het gevolg van onder andere online shopping en de trend dat er minder vaak recreatief wordt gewinkeld (‘funshoppen’). De coronamaatregelen hebben dat effect in een groot aantal binnensteden verder versterkt.
Van oktober 2020 tot begin 2022 neemt de winkelleegstand naar verwachting gemiddeld in Nederland met ruim veertig procent toe. Juist de sterkste binnensteden krijgen de hardste klappen: Amsterdam (+ 150 procent), Groningen, Delft en Haarlem (+ 80 procent)33. De minste relatieve groei in winkelleegstand wordt verwacht in Heerlen, Roosendaal en Roermond, maar deze binnensteden hadden al een ongunstige uitgangssituatie. Het gevolg van de toenemende leegstand is dat de functie van binnensteden als huiskamer en ontmoetingsplek voor inwoners van de stad en omliggende regio achteruitgaat. Het PBL kwam tot drie belangrijke aanbevelingen voor die gevallen waarin leegstand een maatschappelijk probleem is: voorkom overmaat in vastgoed, faciliteer transformatie naar kansrijker functies en werk profiel- en gebiedsgericht.34 In verband met de coronacrisis voegt het Planbureau hier nog twee aanbevelingen aan toe: gebruik deze situatie om andere beleidsdoelstellingen in de leefomgeving te versnellen en beheers de onzekerheid door goed te monitoren en met scenario’s te werken.35 De leegstand voor wat betreft de kantorenmarkt concentreert zich in de Randstad, in het bijzonder rondom Amsterdam en in het Rijnmondgebied. De kantoorleegstand is vooral groot bij de uitvalswegen van gemeenten en in kantoorparken langs de snelwegen.
Het betreft locaties als bijvoorbeeld de Plaspoelpolder in Rijswijk, Flight Forum in Eindhoven en Goudse Poort in Gouda.36 In deze gebieden kunnen grootschalige gebiedstransformaties, die vaak al gepland stonden, versneld worden uitgevoerd.
Landelijke opgaven, kansen, denk- en oplossingsrichtingen Van ondersteuning naar herstel Hoewel de vaccinatiegraad geleidelijk oploopt, de contactbeperkingen worden afgeschaald en het vertrouwen van huishoudens en ondernemers stijgt, blijft er onzekerheid bestaan. Er kan immers niet worden uitgesloten dat het aantal besmettingen weer zal toenemen als gevolg van bijvoorbeeld een nieuwe variant. Niettemin is nationaal en internationaal de aandacht aan het verschuiven van ondersteuning van het bedrijfsleven naar herstel en transitie van de economie.37 Het Centraal Planbureau geeft aan dat de aanpak (van het herstelbeleid) op de korte termijn moet worden verbonden met de beleidsopgaves op de langere termijn.38 De korte termijn aanpak richt zich op het terugbrengen van noodzakelijke bedrijvendynamiek en het ondersteunen van het aanpassingsvermogen (en 31
CBS, Werkgelegenheid en economische groei, Den Haag, 2020. De arbeidsproductiviteit wordt door het CBS gedefinieerd als de jaarlijkse groei in de bruto
32
CBS, Lagere productiviteit hangt samen met groei zelfstandigen, 20 december 2019.
33
David Evers, Gertjan Slob, Jeroen Content en Frank van Dongen, Veerkracht op de proef gesteld, een verkenning van de impact van corona op binnenste-
34
David Evers, D., Joost Tennekes & Frank van Dongen, De veerkrachtige binnenstad, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag, 2015.
35
David Evers, Gertjan Slob, Jeroen Content en Frank van Dongen, Veerkracht op de proef gesteld, Een verkenning van de impact van corona op binnenste-
toegevoegde waarde basisprijzen per gewerkte uur.
den, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag, 2020.
den, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag, 2020. 36
Dré van Leeuwen, Frank Verwoerd en Ruben Quak, Zelfs bij massaal thuiswerken, blijft leegstand kantoren behapbaar, 10 december 2020. 37 Nederlands Comité voor Ondernemerschap, Versterk fundament ondernemerschap, briefadvies, 21 april 2021. 38 Centraal Planbureau, Economische aandachtspunten kabinetsformatie, CPB notitie, 25 mei 2021.
20
indien nodig gerichte vermindering van de schuldenlast). De beleidsopgaven op de lange termijn liggen op het terrein van de arbeidsmarkt, klimaat en leefomgeving, stikstof, wonen en kansenongelijkheid in het onderwijs. Ook het belang van digitalisering dient te worden benadrukt.39 Digitale voorlopers in het mkb zijn minder hard geraakt door de coronacrisis dan de digitale achterblijvers en komen sterker uit de crisis. Een belangrijk aandachtspunt is dat er in Nederland op dit moment sprake is van een geschat tekort van 70 duizend software engineers en dat voor de coronacrisis Nederland in het online aanbieden van producten en diensten op de 18-de plaats stond, terwijl maar 21 procent van de MKB’ers digitaal diensten en producten en diensten aanbood.40 Het herstel dient ook in het teken te staan van de transitie naar een groene, duurzame, digitale en inclusieve economie.41 Daarin is innovatie essentieel. Innoveren vindt plaats in de regio, d.w.z. daar waar bedrijven, wetenschappers, talent en maatschappelijke organisaties elkaar ontmoeten.
Indien alle regio’s over een hoger niveau van innovatief vermogen beschikken, kunnen regio’s hun groeipotentieel vergroten en kan de welvaart in brede zin van bewoners worden vergroot.42 Bekend is echter dat er op lokaal en regionaal niveau veel partijen actief zijn op de ondersteuning en vernieuwing van het (brede) mkb, dat al die partijen ook veel goede dingen doen, maar dat samenhang ontbreekt.43 Het ondersteuningsaanbod komt daardoor versnipperd bij het mkb terecht en ook wordt er vaak nog vanuit het aanbod gehandeld en gedacht in plaats vanuit de vraag en ondersteuningsbehoefte van ondernemers. Lokale en regionale partijen staan daarom voor de opgave om synergie aan te brengen in hun inzet richting het bedrijfsleven. Versterken verdienvermogen, veerkracht en weerbaarheid De Denktank Coronacrisis heeft in haar eerste advies een lans gebroken om onder andere ons verdienvermogen te versterken, kwetsbare groepen te beschermen en om tweedelingen in de samenleving tegen te gaan. De ondersteuningspakketten zijn genereus maar compenseren niet alles en zijn niet voor elke werknemer, zzp’er, ondernemer, starter, cultuurinstelling of sportvereniging even adequaat. De buffers van velen zullen door de lengte van de crisis en door het afbouwen van de steunprogramma’s aanzienlijk worden aangetast.
Het is onwaarschijnlijk dat de economisch impact van de coronacrisis voor een aanzienlijke minderheid van inwoners, zzp’ers, culturele instellingen, sportverenigingen en (kleine) ondernemingen ongedaan gemaakt kan worden. De coronacrisis heeft bovendien laten zien hoe onvoorspelbaar de wereld is. Dit onderstreept het blijvende belang van veerkracht en weerbaarheid om onverwachte schokken en calamiteiten te kunnen opvangen en om met het versterken van het verdienvermogen de buffers weer zo snel mogelijk op orde te brengen. In de crisis zijn door vele bedrijven en organisaties noodgedwongen de investeringen (ook in onderzoek en innovatie) teruggeschroefd. Dit tast het toekomstig verdienvermogen aan.44 De coronacrisis werkt als een vergrootglas op reeds langer bestaande vraagstukken. Zoals een toename van sociale tweedeling, de kwetsbaarheid van jongeren in flexbanen, arme werkenden, de toenemende armoede onder kleine ondernemers, het belang van digitalisering en digitaal vaardig zijn, zorg op afstand en sociale innovatie. Aan weerbaarheid kan gewonnen worden door in het herstelbeleid en overheidsbeleid voor te sorteren op de middellange en lange termijn beleidsagenda’s. Zoals de grote transities op het gebied van digitalisering, verduurzaming, inclusieve arbeidsmarkt, kansengelijkheid en het inspelen op vergrijzing.45
39
Nederlands Comité voor Ondernemerschap, Versterk fundament ondernemerschap, briefadvies, 21 april 2021. Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, MKB-actieplan, Den Haag, juni 2018, blz. 11 en 35; Rijksoverheid, Nederlandse mkb voor het eerst digitaler dan Europese gemiddelde, Nieuwbericht, 11 juni 2020. 41 In dit kader dient ook het groeifonds te worden genoemd. Begin april 2021 werd bekendgemaakt dat een investering van 646 miljoen euro en een reservering van 3,5 miljard euro in tien projecten moet zorgen voor meer economische groei in Nederland. Het kabinet wil dit geld uit het Nationaal Groeifonds onder meer steken in groene waterstof, innovatief en toekomstbestendig onderwijs en het doortrekken van de NoordZuidlijn (zie Kabinet trekt 646 miljoen euro uit voor economische groei | Nieuwsbericht | Rijksoverheid.nl) 42 Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (Awti), Samen de lat hoog leggen, regio en rijk bundelen krachten voor innovatie, Den Haag, mei 2021. 43 Joost van Hoorn, Erwin Riedstra, David Louwerse, Joeri van den Ende en Janneke ten Kate, Aan de slag voor het brede mkb. Wat steden, regio’s en het Rijk voor het brede mkb kunnen doen. Lessen, aanbevelingen en praktijkvoorbeelden, Platform31, maart 2019. 40
44
Denktank Coronacrisis, De contouren van een intelligent herstelbeleid, Advies, Den Haag, mei 2020; Denktank Coronacrisis, Perspectief op Herstel, Ad-
45
Denktank Coronacrisis, Perspectief op Herstel, Advies, Den Haag, januari 2021, blz. 2, 21; Rogier Aalders, Sjoerd Hardeman en Otto Raspe, Laat herstel
vies, Den Haag, januari 2021, blz. 10, 24. brede welvaart niet weer tien jaar duren, RaboResearch, Utrecht, 27 maart 2021.
21
Het versterken van veerkracht en weerbaarheid is van belang voor alle inwoners en zzp’ers en voor het hele bedrijfsleven. In algemene zin is de snelheid waarmee bedrijven in financieringsproblemen zijn gekomen en handels- en productieketens zijn verstoord, een wake-up call.46 De reeds langer bestaande trend dat in de binnensteden de winkel- en kantoorleegstand toeneemt, is snel groter geworden. Dit biedt kansen voor hernieuwde inrichting van de binnensteden, nieuwe economische kansen en een verdere opleving van activiteiten in woonwijken. Door ondernemers maximaal ruimte te geven om nieuwe businessmodellen te implementeren met onder andere functiemenging kan het verdienvermogen hersteld worden en kan nieuwe veerkracht aangeboord worden. Bedrijven worden kennisintensiever, de kenniscirculatie neemt toe en daarmee het belang van een lerende economie. Er wordt steeds meer gevraagd van werknemers. Snelheid en flexibiliteit zijn de sleutelfactoren. Iedereen dient wendbaar te zijn en tegelijkertijd ook weerbaar in een tijdperk van disruptieve technologische en economische ontwikkelingen. Dit legt ook een grote druk op werkenden.
Van de werkenden zegt 38 procent vaak of altijd snel te moeten werken om het werk af te kunnen krijgen en er is sprake van een toenemend aantal mensen met burn-outklachten (17½ procent).47 Aan veerkracht kan gewonnen worden door de arbeidsparticipatie te vergroten door meer uren werken aantrekkelijker te maken (lagere marginale druk, verkleinen armoedeval), door het onbenutte potentieel krachtiger te mobiliseren en door de actieve ouderen in hun derde levensfase meer kansen te geven om economisch nog mee te kunnen doen. Maar de echt grote reserve in het potentiële Nederlandse arbeidsaanbod is de grote omvang die deeltijd in Nederland heeft aangenomen. Vooral in het onderwijs en in de zorg. Door een andere organisatie van het werk, meer flexibele arbeidsarrangementen en aantrekkelijke secondaire arbeidsvoorwaarden (o.a. kinderopvang) kunnen (vrouwelijke) deeltijdwerkers gestimuleerd worden om meer uren te gaan werken.48 In de zorg is de coronapandemie al een prikkel geweest om op deze wijze de personeelscapaciteit te vergroten. De gemeenten kunnen voor hun gemeentelijke organisatie, en om op de krimpende arbeidsmarkt voldoende aantrekkelijk te zijn, ook de arbeidsarrangementen verbeteren en meer variëren.
Belangrijk voor het verdienvermogen, de veerkracht en weerbaarheid is vooral het vergroten van de arbeidsproductiviteit door middel van digitalisering, innovatie, vernieuwing, goed onderwijs en ondernemerschap. Vooral met betrekking tot het verbeteren van de kwaliteit en variatie van het onderwijs kan de gemeente een opgave, kans, denk- en oplossingsrichting zien. De gemeente kan de onderwijsinstellingen stimuleren om het onderwijs te verbeteren, te variëren en om meer mogelijkheden te ontwikkelen om aan te sluiten bij Leven Lang Ontwikkelen. De Onderwijsraad roept de gemeenten ook op om een grotere rol te nemen in het onderwijsdomein. Dit sluit volgens de Onderwijsraad aan bij de decentralisaties in het sociale domein en maakt het mogelijk om het onderwijs, de jeugdhulp en het arbeidsmarktbeleid beter te integreren zodat de effectiviteit toeneemt.49 Daarbij kan in het bijzonder de aandacht uitgaan naar gezinnen met een lage sociaaleconomische status of een migratieachtergrond die de meeste kans hebben om leerachterstanden opgelopen te hebben. Laat geen generatie verloren gaan!
46
Bart Stellinga, Mathe Hesselmans, Josta de Hoog en Catrien Bijleveld, Kwetsbaarheid en veerkracht. WRR-reflecties op de langetermijngevolgen van de
coronacrisis, Den Haag, 2020, blz. 20. 47
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid stelt dat technologisering, flexibilisering en intensivering van werk de kwaliteit van werk onder druk zetten Zij geven drie belangrijke condities voor goed werk: 1. Grip op geld. Goed werk is werk dat voldoende (financiële) zekerheid oplevert, ook in verhouding tot anderen en op de lange termijn. 2. Grip op het werk. Goed werk is werk met een zekere vrijheid, waarbij een beroep wordt gedaan op onze capaciteiten en goede sociale relaties worden onderhouden. 3. Grip op het leven. Goed werk is werk met voldoende tijd en ruimte om het te combineren met zorgtaken en een privéleven. WRR, Het betere werk, de nieuwe maatschappelijke opdracht, WRR-rapport 102, Den Haag, 2020.
48
Paul Scheffer, “Memo voor de informateur: begin met bevolkingsgroei”, in: NRC, 16 april 2021; Tweede Kamer der Staten-Generaal, Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën (Miljoenennota 2019), vergaderjaar 2018-2019, 35 000, nr. 1, blz. 39. In Nederland werkt 30 procent van de Nederlandse vrouwen fulltime tegen 70 procent gemiddeld in de OECD-landen. Als wij in Nederland het gemiddeld aantal uren zouden werken als in Zweden en Zwitserland (1.600 uur per jaar i.p.v. de gemiddelde 1.380 uur in Nederland) en een participatiegraad zouden kennen van 80 procent (in plaats van de gebruikelijke 75 procent in Nederland) dan zou het arbeidsaanbod met 25 procent toenemen. Tweede Kamer der Staten-Generaal, Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën (Miljoenennota 2015), vergaderjaar 2014-2015, 34 000, nr. 1, blz. 37, 38. McKinsey heeft becijferd dat als alle in deeltijd werkende vrouwen in de zorg en het onderwijs één uur extra zouden gaan werken per week de tekorten aan verpleegkundigen en onderwijzers kwantitatief opgelost zouden zijn. Wieteke Graven en Mekala Krishnan, Het potentieel pakken: de waarde van meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen op de Nederlandse arbeidsmarkt, McKinsey Global Institute, Amsterdam/Boston, september 2018.
49
Onderwijsraad, Decentraal onderwijsbeleid bij de tijd. Agenda voor een landelijk beraad over de rol van gemeenten bij onderwijs, Advies, Den Haag, 2017.
22
Om-, her- en bijscholing: de sleutel voor economisch succes Hoewel de werkloosheid als gevolg van de coronacrisis nog opvallend laag blijft, wordt verwacht dat deze gaat oplopen zodra de steunmaatregelen van de overheid worden afgebouwd en beëindigd. Veel bedrijven hebben het zwaar en hebben fors moeten interen op hun reserves. De kans is groot dat een deel van de bedrijven zal moeten stoppen of failliet gaan. McKinsey schat dat door de coronacrisis 10 tot 35 procent meer werkenden voor 2030 op zoek moeten gaan naar een andere baan.50 Het betreft dan vooral de zwaksten op de arbeidsmarkt zoals laagopgeleiden, minderheden, vrouwen en jongeren. Het aantal werkenden dat de stap moet zetten naar een heel ander beroep groeit gemiddeld met 12 procent ten opzichte van de verwachtingen vóór corona. Het gaat daarbij om lager betaalde banen (kantoorbediendes, kassamedewerkers en keukenhulpen) waar steeds minder vraag naar is. McKinsey verwacht dat één op de zestien werkenden voor 2030 van beroep moet wisselen. In meer algemene zin is het aan te bevelen in te zetten op het bevorderen van de arbeidsproductiviteitsontwikkeling (onderzoek, ontwikkeling, permanente educatie en nóg beter delen van de bestaande (internationale) kennis) als motor van duurzame groei van het regionaal inkomen per hoofd.
Vergroot de veerkracht van de regionale economie, de bedrijven en de beroepsbevolking door kennisdeling, gevarieerd en goed onderwijs, permanente educatie, om-, bij- en herscholing, een grotere arbeidsmobiliteit, een betere werking van de arbeidsmarkt en het bevorderen van cross-overs tussen gerelateerde sectoren.51 In de Entrepreneurial Ecosystem-benadering wordt de economie gezien als een dynamisch netwerk waarbinnen ondernemerschap het proces is waarbij individuen kansen zien en nieuwe waarde genereren. Of dat lukt is afhankelijk van de kracht van het ‘ecosysteem’. Het ecosysteem voor ondernemerschap bestaat uit tien elementen, variërend van de kwaliteit en efficiëntie van governance tot de toevoer en toegankelijkheid van kapitaal.52 Gemeenten spelen in dit alles vanzelfsprekend een belangrijke rol maar een regionale aanpak (op bijvoorbeeld het niveau van het daily urban system) ligt meer voor de hand.53 Integreren van het onbenutte arbeidspotentieel in de reguliere arbeidsmarkt Personen die óf recent gezocht hebben naar werk óf direct beschikbaar zijn voor werk worden gerekend tot het onbenut arbeidspotentieel. Ook werklozen (met een werkloosheids- of bijstandsuitkering) behoren hier (deels) toe.
Ook deeltijders die meer uren willen werken en daarvoor direct beschikbaar zijn, maken onderdeel uit van het onbenut arbeidspotentieel.54 Het statistische begrip ‘onbenut arbeidspotentieel’ bestaat in het vierde kwartaal van 2020 uit ruim 1,1 miljoen personen.55 Het gegeven dat er enerzijds een onbenut arbeidspotentieel is van ruim 1,1 miljoen personen en anderzijds een grote vraag naar vakbekwaam personeel in een aantal groeiende sectoren (zorg, techniek, ICT), geeft aan dat er een kwalitatieve mismatch is tussen vraag naar en aanbod van arbeid.56 Hoe breng je vraag en aanbod beter bij elkaar? Uit onderzoek van het Sociaal- en Cultureel Planbureau blijkt dat de Participatiewet voor de ‘klassieke’ bijstandsgerechtigden nauwelijks tot verbeteringen heeft geleid.57 Het aantal bijstandsgerechtigden is momenteel
50
Rik Winkel, “Corona versnelt vernietiging van banen”, in: Financieele Dagblad, 18 februari 2021 (op basis van McKinsey Global Institute, The future of work
51
WRR, Naar een lerende economie. Investeren in het verdienvermogen van Nederland, Amsterdam, 2013; Otto Raspe, Trends in de regionale economie,
after Covid-19, 18 februari 2021). Input voor de VNG-commissie Stedelijk Perspectief (Trend 3: Consumer city), PBL, Den Haag, 7 maart 2014, blz. 17. Zie voor de raderen die zorgen voor regionale economische groei, Otto Raspe, Martijn van den Berge en Thomas de Graaff, Stedelijke regio’s als motoren van economische groei. Wat kan beleid doen?, Den Haag, 2017, blz. 13. 52
Elmar Cloosterman en Erik Stam (2020), Entrepreneurial Ecosystem Index 2020, een kwantitatieve vergelijking van regionale ecosystemen voor onderne-
53
Voor een nadere uitwerking zie Arjen Edzes, Jouke van Dijk en Ruud Dorenbos, Bouwstenen voor de regionale arbeidsmarkt, essay in het kader van het
54
Centraal Bureau voor de Statistiek, Gezocht, niet beschikbaar, Dashboard beroepsbevolking 4e kwartaal 2020 niet seizoens-gecorrigeerd, 16 februari 2021.
55
Centraal Bureau voor de Statistiek, Onbenut arbeidspotentieel meest toegenomen in Noord-Holland en Drenthe, Nieuwsbericht, 26 mei 2021. .
56
Het tegengaan van de kwalitatieve mismatch tussen vraag naar en aanbod van arbeid start al in het onderwijs. In een aantal sectoren en voor een aantal
merschap, Utrecht University, School of Economics, Birch. programma Kennis voor Krachtige steden, Den Haag, 2015.
beroepen waar vraag naar is, is de instroom in het onderwijs ontoereikend om de vervangings- en uitbreidingsvraag op te vangen. Een voorlichtingscampagne kan dit onder de aandacht brengen met schoolbesturen, ouders en leerlingen. Leerlingen kunnen worden ontmoedigd om bepaalde weinig kansrijke opleidingen te kiezen en (nieuwe) kansrijke opleidingen of opleidings-modules kunnen worden bevorderen. 57
Patricia van Echteld, Klarita Sadiraj, Stella Hoff, Sander Muns, Kasia Karpinsa, Djurre Das, Maroesjka Versantvoort, m.m.v. Lisa Putman, Eindevaluatie van de Participatiewet, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, 19 november 2019. Onder ‘klassieke’ bijstandsgerechtigden worden verstaan: men-
23
100 duizend personen hoger dan in 2010.58 Gemeenten zetten zich (vanwege de schaarse middelen) over het algemeen vooral in voor personen die een korte afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Die zijn immers makkelijker naar werk te begeleiden en daarmee kan op korte termijn de uitkeringslast verminderen. Het gevolg is dat mensen die een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben, aan hun lot worden overgelaten en jaren, en misschien wel levenslang, in de bijstand blijven. Naast de kosten die het met zich meebrengt, verdwijnt ook het grote onbenutte potentieel uit het oog. Met het oog op een krimpende beroepsbevolking een gevoelig verlies. Zet in op werkzame instrumenten voor uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt Voor de mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt zijn vele instrumenten en aanpakken beschikbaar om hen te begeleiden richting een reguliere, betaalde baan.
Zo toont bijvoorbeeld onderzoek aan dat loonkostensubsidies effectief zijn om werkgevers te verleiden mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen.59 Ander (ouder) onderzoek laat zien dat loonkostensubsidies niet altijd effectief zijn als het gaat om directe doorstroming naar reguliere arbeid maar wel wanneer loonkostensubsidies tijdelijk worden ingezet als opstap naar en met uitzicht op een ‘echte’ baan (juist vooral voor mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt).60 De effectiviteit van de inzet van loonkostensubsidies is verder te vergroten als die hand in hand gaan met een goede begeleiding en/of functiegerichte scholing. In Nederland hebben grofweg 2½ miljoen mensen moeite met lezen en/of schrijven. Vaak hebben zij ook moeite met digitale vaardigheden. Van scholing en cursussen gericht op het verbeteren van de taalvaardigheid gaat een grote positieve invloed uit, zoals het bereiken van een beter arbeidsmarktperspectief, een betere arbeidsmarktpositie maar ook een verbeterde psychische en fysieke gezondheid.61 In algemene zin is scholing alleen nuttig als het gericht is op werkzoekenden met een grote kans op langdurige werkloosheid. Daarbij is het pas effectief op langere termijn. Met de Participatiewet, die 1 januari 2015 van kracht ging, werd de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) afgeschaft.
Met de afschaffing werd beoogd dat meer bijstandsgerechtigden en mensen met een beperking zouden instromen naar een betaalde, reguliere baan. De door het Sociaal- en Cultureel Planbureau uitgevoerde evaluatie van de Participatiewet laat zien dat dit (nog) lang niet bewaarheid is geworden. Mensen met een beperking, die voorheen een Wsw-indicatie kregen, komen zelfs moeilijker aan werk. Alleen jonggehandicapten krijgen wat gemakkelijker een baan. Het is dan ook niet voor niets dat de sociale werkplaats onderwerp van gesprek is. Sterker er bestaat een kamermeerderheid voor ‘een netwerk van sociale ontwikkelingsbedrijven’, een nieuwe vorm van wat ooit de sociale werkplaats was.62
Economische trends, ontwikkelingen en opgaven in Meierijstad Meierijstad is een duidelijke werkgemeente Meierijstad is met 964 banen per 1.000 inwoners tussen de 15 en 65 jaar in vergelijkend perspectief met sterke werkgemeente. Er zijn veel meer banen per 1.000 inwoners (15-65 jaar) in Meierijstad dan het gemiddelde aantal banen per 1.000 inwoners in alle gemeenten met tussen de 50.000 en 100.000 inwoners, gemiddeld in Nederland en gemiddeld in de provincie. Van de benchmarkgemeenten is alleen Waalwijk een nog sterkere werkgemeente (figuur 5). De economische speerpunten van Meierijstad zijn de mengvoeder-, voedings- en genotmiddelenindustrie, de toeleveranciers aan de agrifoodketen, logistiek, distributie, retail, en het midden- en kleinbedrijf. Verder sen die bijstand krijgen, voorheen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en mensen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (ioaw) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (ioaz). 58
D.w.z. het aantal bijstandsgerechtigden tot de AOW-leeftijd. In januari 2010 bedroeg het aantal bijstandsgerechtigden 336 duizend, in februari 2021 223
59
Maartje Gielen et al., Loonkostensubsidie en loonkostendispensatie – de werking en effectiviteit van beide instrumenten, Onderzoek in opdracht van het
60
Wat werkt? Wat weten we over effectiviteit, Onderzoek in opdracht van DWI, gemeente Amsterdam, 2010.
61
Maurice de Greef et al., Impactonderzoek taaltrajecten Taal voor het Leven door stichting Lezen & Schrijven op het gebied van sociale inclusie en leesvaar-
duizend. CBS, Statline. ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, APE onderzoek & advies/De beleidsonderzoekers, rapportnummer 1495, 18 oktober 2018.
digheid, Maastricht University, Educational Research & Development (ERD), Maastricht. 2014; Maurice de Greef, Mien Segers en Jan Nijhuis, Feiten & cijfers geletterdheid: Overzicht van de gevolgen van laaggeletterdheid en opbrengsten van investeringen voor samenleving en individu, Stichting Lezen en schrijven, 2014; Lucy Kok en Robert Scholte, Rendement van cursussen voor laaggeletterden, SEO, Amsterdam, 2013. 62
NOS, Tweede kamer wil sociale werkvoorziening nieuw leven inblazen, 2 februari 2021; Ton Wilthagen, “Sociale werkvoorziening is sterke businesscase”, in: Het Financieele Dagblad, 11 februari 2021.
24
vervult Meierijstad een regionale functie op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs (voortgezet onderwijs, middelbaar- en hoger beroepsonderwijs, natuur en cultuur, woningbouw en dienstverlening.63 Figuur 5: Aantal banen per 1.000 inwoners tussen 15-65 jaar in 2019 in Meierijstad, benchmarkgemeenten, Noordoost-NoordBrabant, Noord-Brabant en Nederland
Bron: Waarstaatjegemeente.nl
Sterke werkgelegenheidsontwikkeling in de afgelopen vijf jaren Hoe staat het met het aanpassingsvermogen, het ondernemerschap en de banenontwikkeling in Meierijstad in de afgelopen jaren? In de afgelopen vijf jaar is het aantal banen in Meierijstad met 6.630 banen gestegen, een procentuele toename van bijna achttien procent (figuur 6). De procentuele toename is meer dan de werkgelegenheidsontwikkeling in Nederland, in de provincie en in de regio Noordoost-Noord-Brabant. De sterke toename van het aantal banen, sterker dan de ontwikkeling van het aantal inwoners, duidt op een toename van de stuwende bedrijvigheid en werkgelegenheid. De ontwikkeling van de stuwende werkgelegenheid is de werkgelegenheid die niet samenhangt met de ontwikkeling van het aantal inwoners (kappers, zorg, onderwijs, detailhandel, e.d.). De stuwende werkgelegenheid in Veghel bedient een relatief groot gebied.64
63
Provincie Noord-Brabant, Zienswijze op herindelingsadvies gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel (beoogde nieuwe gemeente Meierijstad), ’sHertogenbosch, 7 april 2015, blz. 2; Herindelingsadvies Meierijstad, blz. 17; Joris Böinck, Niels van den Hurk en Bart Nijskens, De agrifoodsector, innovatieve cross-overs in de Meierijstad, ’s-Hertogenbosch, 29 juni 2017;
64
Koos van Dijken, Trends en opgaven voor Meierijstad, Platform31, Den Haag, augustus 2018, blz. 13.
25
Figuur 6: Ontwikkeling aantal banen 2015-2019 in Meierijstad, benchmarkgemeenten, Noordoost-Noord-Brabant, Noord-Brabant en Nederland in procenten
Bron: Platform31 op basis van de meest recente cijfers van LISA. Het aantal banen heeft betrekking op het totaal aantal fulltimers, parttimers en uitzendkrachten.
Meer dan gemiddelde toename van het aantal vestigingen en aantal snelgroeiende bedrijven in Meierijstad De bloei van het ondernemerschap in Meierijstad kan onder andere afgemeten worden aan de ontwikkeling van het aantal vestigingen, het aantal snelgroeiende bedrijven per 1.000 vestigingen en het aantal ZZP’ers. In de afgelopen vijf jaar is het aantal vestigingen met 18 procent toegenomen. Dat is meer dan de groei van het aantal vestigingen in de provincie en Nederland (figuur 7). Alleen de toename van het aantal vestigingen in Oss en in de regio Noordoost-Noord-Brabant (21 procent) ligt boven de toename in Meierijstad. Figuur 7: Ontwikkeling aantal vestigingen 2015-2019 in Meierijstad, benchmarkgemeenten, Noordoost-Noord-Brabant, NoordBrabant en Nederland in procenten
Bron: Platform31 op basis van de meest recente cijfers van LISA. Het aantal banen heeft betrekking op het totaal aantal fulltimers, parttimers en uitzendkrachten.
Het aantal snelgroeiende ondernemingen per 1.000 vestigingen is in Meierijstad hoger dan gemiddeld in Nederland, de provincie en van alle gemeenten met tussen de 50.000 en 100.000 inwoners (figuur 8). Maar de dynamiek in Waalwijk en Weert is groter dan in Meierijstad. Of dit een momentopname is of een structureel verschil is onbekend.
26
Figuur 8: Aantal snelgroeiende ondernemingen per 1.000 vestigingen in Meierijstad, benchmarkgemeenten, NO-Noord-Brabant, de provincie en in Nederland in 2019
Bron: Waarstaatjegemeente.nl
Ondernemerschap komt ook tot uiting in het aantal ZZP’ers en de verdiensten van de ZZP’ers. Omdat ZZP’ers zich graag vestigen en werkzaam zijn op het platteland in de nabijheid van de grote stad verbaast het enigszins dat Meierijstad in het aantal ZZP’ers (figuur 9), de gemiddelde opbrengsten van de ZZP’ers en het percentage ZZP’ers met een laag inkomen (figuur 10) geen toppositie inneemt tussen de benchmarkgemeenten.65 Figuur 9: Percentage ZZP’ers in het aantal banen in 2019 in Meierijstad, benchmarkgemeenten, vergelijkbare gemeenten met tussen de 50.000 en 100.000 inwoners, de provincie en in Nederland
Bron: Waarstaatjegemeente.nl
65
Ruud Dorenbos, Barbara Heebels en Joost van Hoorn, Zzp’ers in de G32-steden. Analyse, duiding en beleidsaanpakken, Platform31, Den Haag, 2016.
27
Figuur 10: Percentage ZZP’ers met een laag inkomen (< 15.000 euro) in 2018 in Meierijstad, benchmarkgemeenten, vergelijkbate gemeenten met tussen de 50.000 en 100.000 inwoners, de provincie en in Nederland
Bron: Waarstaatjegemeente.nl
2.3 Sociale trends en ontwikkelingen Landelijke trends en ontwikkelingen Groeiende kansenongelijkheid Er is in toenemende mate sprake van perspectief- en kansenongelijkheid tussen inwoners. Samen met de arbeidsmarktontwikkelingen (flexibiliteit), de toenemende onzekerheid (over werk, inkomen, pensioen en zorg) en de effecten van en maatregelen in het licht van de coronacrisis leidt dit bij belangrijke groepen Nederlanders tot onvrede over de maatschappij en de politiek.66 Dit verklaart waarom het herstel van bestaanszekerheid, naast het vergroten van kansengelijkheid, twee van de drie prioriteiten zijn van de VNG en Divosa om het sociale domein te versterken.67 De toenemende kansenongelijkheid is op vele terreinen zichtbaar. Op de woningmarkt, in het onderwijs, op de arbeidsmarkt, in koopkracht (problematische schulden, armoede) en in gezondheid, levensverwachting en gezonde levensjaren. De verschillen op één domein hangen vaak samen met die op een ander domein. Daarbij is het onderwijs een belangrijke motor van kansenongelijkheid geworden. Verschillende onderzoeken laten een groeiende scheidslijn zien tussen hoog- en laagopgeleiden, toenemende segregatie naar opleidingsniveau van de ouders en leerlingen van verschillende sociaaleconomische achtergronden die elkaar steeds minder tegenkomen op school.68 66
Cok Vrooman, Meedoen in onzekerheid, Utrecht, 2016; B. Steur, E. van Doorne en T. Zandstra, Maatschappelijk onbehagen en het openbaar bestuur,
67
VNG/DIVOSA, De winst van het sociaal domein. Een slimme investering in bestaanszekerheid, kansengelijkheid en gezondheid, Een popositaie van ge-
68
Er is een toenemende fragmentatie en segmentatie door het onderwijs van de meritocratie. Meritocratie (vrij vertaald: geregeerd door degenen die het
Strategische verkenning ministerie van BZK, Den Haag, 1 februari 2017. meenten aan het nieuwe kabinet, Den Haag, maart 2021. verdienen) is een maatschappijmodel waarin de sociaaleconomische positie van elk individu is gebaseerd op zijn of haar verdiensten (merites). Deze meritocratie heeft wrede kanten omdat mensen die niet mee kunnen komen in deze complexe en veeleisende samenleving denken dat dit door eigen toedoen komt en zich daardoor minderwaardig gaan voelen. Dat zij niet mee kunnen komen, kan gelegen zijn in werkloosheid, ziekte, sociale en psychische beperkingen of aan de hoge eisen die gesteld worden. Een segmentatie en fragmentatie die zich bovendien dreigt te versterken omdat hoogopgeleide, goed verdienende ouders (“curling ouders”) de vaardigheden en financiële mogelijkheden hebben om elke hobbel in de opvoeding en opleiding van hun kinderen te effenen (sport, theater, bijlessen, tutors, druk op docenten uitoefenen). Mogelijkheden en vaardigheden die laagopgeleide en minder-verdienende ouders niet, of veel minder, hebben. Lex Herweijer en Edith Josten, “Een ideaal met een keerzijde”, in: Cok Vrooman, Mérove Gijsberts en Jeroen Boelhouwer, Verschil in Nederland, Sociaal en Cultureel Rapport 2014, SCP, Den Haag, december 2014, blz. 69, 70. 92; Judith Elshout, Evelien Tonkens en Tsjalling Swiestra, “Meritocratie als aanslag op het zelfrespect van ‘verliezers’”, in: P.
de Beer en M. van Pinxteren (red.), Meritocratie: op weg naar een nieuwe klassensamenleving?, Amsterdam, 2016, blz. 209-234; Martin Sommer, “Waar is Jan Normaal gebleven? De grote middengroep is finaal gespleten in hoger en lager opgeleiden”, in: De Volkskrant, 27 februari 2016; Anouk Boone, “Interview de kloof. Ondernemer Rutger Koopmans ‘Mijn generatie denkt ook: wij willen jullie jongeren wakker schudden’”, in: De Volkskrant, 5 september 2019.
28
Gaat het om kansenongelijkheid in termen van gezondheid, dan valt op dat inwoners met een lage sociaaleconomische status ten opzichte van de inwoners met een hoge sociaaleconomische status gemiddeld acht jaar korter en maar liefst vijftien jaar minder in goed ervaren gezondheid leven. Inwoners die moeite hebben om rond te komen, hebben drie- tot viermaal meer last van hart- en vaatziekten, angststoornissen, overspannenheid en nervositeit dan inwoners waarvoor dat niet geldt en zij hebben vier- tot vijfmaal zoveel last van diabetes, depressie en ernstige eenzaamheid.69 Deze verschillen zijn hardnekkig. Daarbij is de groep lage SES ook nog eens bovengemiddeld geraakt door het COVID-virus.70 De complexe ongelijkheid, vanwege de samenhang van de ongelijkheid op meerdere levensdomeinen, is dé sociale kwestie van deze tijd.71 Verminderde sociale cohesie De inwoners in de steden en gemeenten zijn op allerlei manieren gesegmenteerd en gefragmenteerd. Naar leeftijd, naar inkomenssituatie, naar gezinssituatie, naar mate van hulpbehoevendheid, naar werkzekerheid, naar opleiding, naar herkomst en naar etniciteit. De sociale scheidslijnen zijn zichtbaar in het onderwijs, op de woningmarkt, in gezondheid, in vaste en flexibele arbeidscontracten, in participatie, in meedoen en niet-meedoen, en tussen insiders en outsiders.
Daarbij wordt de segregatie naar opleidingsniveau en naar mentaliteit dieper. Vooral in de grote steden is het meest duidelijk zichtbaar dat de diversiteit van de inwoners naar herkomst toeneemt. De groep inwoners met een migratieachtergrond wordt niet alleen groter maar ook veel diverser (“superdiversiteit”). In de verbanden waar mensen elkaar tegenkomen (wonen, werken, onderwijs) is uitsortering waar te nemen. De toegenomen diversiteit en uitsortering leidt tot verliesgevoelens onder autochtone inwoners, verlies van thuisgevoelens, minder buurtcohesie en lage omgevingsbetrokkenheid.72 Dit speelt in de grotere steden meer dan in de kleine gemeenten. De vergrijzing en de toenemende zorgvraag van ouderen in wijk, buurt en kern Vooral op latere leeftijd gaat de vergrijzing gepaard met een toename van de zorgbehoeften.73 De groep oude ouderen neemt de komende drie decennia in Nederland en in de gemeenten sterk toe. Het aantal mensen van 80 jaar of ouder zal naar verwachting stijgen van ruim 800 duizend naar tussen de 1,5 en 2,6 miljoen in 2050.74 Velen van deze oude ouderen zullen op enig moment zorgbehoeftig zijn. Op dit moment krijgt vanwege het Langer thuis beleid minder dan tien procent van de zorgbehoeftige ouderen hun zorg in een verpleeg- of verzorgingstehuis. Dus meer dan 90 procent van de zorgbehoeftige ouderen krijgt hun wmo- en thuiszorg in wijk, buurt en kern.
Als deze verhouding zo blijft dan betekent de sterke groei van de zorgbehoeftige ouderen voor de gemeenten een belangrijke trend en opgave. Er is lang gesproken over en gelobbyd voor de kwaliteit van de zorg in verpleegtehuizen. Daar komt twee miljard euro extra voor beschikbaar om de kwaliteit op orde te krijgen. Voor de sterk groeiende groep zorgbehoeftige ouderen die hun zorg in wijk, buurt en kern moet krijgen, heeft zo’n kwaliteitsdebat en de middelen die dat gaat vergen nog niet plaatsgevonden.75 De gemeenten kunnen deze discussie niet meer lang voor zich uitschuiven.
69
Michiel van der Geest, “Achtergrond gezondheidsverschillen arm en rijk”, in: De Volkskrant, 2 oktober 2020.
70
Mirjam de Klerk, Martin Olsthoorn, Inger Plaisier, Joep Schaper en Fieke Wagemans, Een jaar met corona. Ontwikkelingen in de maatschappelijke gevolgen van corona, Sociaal Cultureel Planbureau, Den Haag, maart 2021; Raad Volksgezondheid & Samenleving, Wissels omzetten voor een veerkrachtige samenleving. Vier prioriteiten voor de nieuwe kabinetsperiode, Den Haag, 2021.
71
Tweede Kamer, vergaderjaar 2019-2020, 35 300, nr. 1, Miljoenennota 2020, blz. 59; Raad Volksgezondheid & Samenleving, Wissels omzetten voor een
72
Roel Jennissen, Godfried Engbersen, Meike Bokhorst en Mark Bovens, De nieuwe verscheidenheid. Toenemende diversiteit naar herkomst in Nederland,
73
Tot de leeftijd van 50 jaar liggen in 2020 de gemiddelde zorgkosten onder de drieduizend euro per jaar. Daarna beginnen ze steeds sterker te stijgen. Op
veerkrachtige samenleving. Vier prioriteiten voor de nieuwe kabinetsperiode, Den Haag, 2021, blz. 6. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Den Haag, 2018. 70-jarige leeftijd zijn de zorgkosten gemiddeld ongeveer zesduizend euro, voor een 80-jarige dertienduizend euro, en voor een 95-jarige zo’n vijftigduizend euro. De hoge zorguitgaven van ouderen komen voor het grootste deel voor rekening van de langdurige zorg. Maar ook de uitgaven aan Zvw en Wmo stijgen met de leeftijd, omdat voor ouderen de kans op (intensive) ziekenhuisopnames en het beroep op thuiszorg stijgt. Yvonne Adema en Iris van Tilburg, Zorgen om morgen, CPB Vergrijzingsstudie, Den Haag, december 2019. 74
Centraal Bureau voor de Statistiek, In 2050 zijn er twee tot drie keer zoveel 80-plussers als nu, Nieuwsbericht 14-4-2021.
75
Corinne Ellemeet, Lachend tachtig. Initiatiefnota 34 948 voor een toekomstbestendige ouderenzorg, Den Haag, 17 mei 2018; Wilma Kieskamp, “We weten nog niet half wat op ons afkomt, met de zorg voor zieke ouderen die thuiswonen”, in: Trouw, 18 november 2019.
29
Landelijke opgaven, kansen, denk- en oplossingsrichtingen Er is een overweldigende hoeveelheid analyses, rapporten, evaluaties en adviezen over de opgaven, kansen, denk- en oplossingsrichtingen in het sociale domein. Het is onmogelijk om deze samen te vatten en om daarin ook maar enigszins volledig te kunnen zijn. In het navolgende worden enkele elementen aangereikt waarover de politieke partijen en bestuurders met elkaar het gesprek kunnen starten. Doorgaan met de transformatiedoelen in het sociale domein De transformatie, vernieuwingen en innovaties in het sociale domein zijn een proces van vele jaren. De afgelopen vijf jaar is veel gedaan, maar nog te weinig bereikt en de beloften van de decentralisatie zijn nog niet ingelost.76 De gemeenten zijn nu vooral bezig met de doorontwikkeling. Van een focus op wijkteams naar wijknetwerken, meer collectieve oplossingen en inzet op preventie. Naar nieuwe vormen van financiering (populatiebekostiging). De gemeenten hebben hun handen ook vol gehad met de opvang van migranten, de tekorten in de jeugdzorg, wonen en de coronacrisis. De afgelopen jaren zijn de gemeenten ook veel wijzer en realistischer geworden. Samen met het rijk moeten de komende jaren deze leerervaringen omgezet worden in veel effectiever en doelmatiger beleid in het sociale domein.
Realisme dat er verschil is tussen denk- en doenvermogen van de inwoners en cliënten, dat mensen door stress lang niet altijd in staat zijn om in actie te komen, het hoofd koel te houden en om vast te houden aan goede voornemens. Realisme over eigen kracht, zelf- en samenredzaamheid en de zorgzame samenleving. Realisme dat lichtere hulp niet altijd zwaardere hulp voorkomt, dat een integrale aanpak slechts voor een zeer kleine doelgroep noodzakelijk is en dat de jeugdzorg veel beter afgebakend moet worden, dat er kwaliteitseisen aan aanbieders gesteld moeten worden en dat alleen nog bewezen effectieve interventies bekostigd zouden moeten worden.77 Wijsheid is nodig om tot betere spelregels te komen.
Betere spelregels die ervoor zorgen dat Rijk en Tweede Kamer de autonomie van de gemeenten respecteren, dat er niet gewinkeld wordt met de portemonnee van de gemeenten, dat het gemeentefonds niet beschouwd wordt als een ‘duizend-dingen-doekje’ en dat de gemeenten geen uniform model van regionale samenwerking opgelegd krijgen.78 En betere wetgeving om de paradigmaverschillen tussen de Participatiewet, jeugdzorg en Wmo op te lossen die het moeilijk maken om te komen tot één gezin, één plan en één regisseur.79 Om tot doelmatige en effectieve zorg te komen, is het verder van het belang dat alle ketenpartners hun informatievoorziening op orde hebben, dat data gedeeld en gecombineerd kunnen worden en dat van casuïstiek geleerd kan worden. Op deze wijze kan zelfs met één integraal (virtueel) budget over de schotten van de verschillende zorgwetten heen voor multipobleemgezinnen tot de beste interventies gekomen worden door de verschillende hulpverleners. De actuele accenten in het
76
Jasper Loots en Piet-Hein Peeters, Vijf jaar lokaal sociaal domein. Veel gedaan, te weinig bereikt, s.l, 2019. De beloften van vijf jaar die nog niet zijn ingelost, zijn: de gemeenten zijn nog niet ‘nabijer’ gekomen, integraliteit en maatwerk zijn nog niet dé praktijk en de gemeenten laten nog niet los en de burger zijn nog niet méér de eigenaar van de oplossing van hun probleem geworden.
77
Er bestaat een behoorlijk verschil tussen wat van burgers wordt verwacht en wat zij daadwerkelijk aankunnen. Mede afhankelijk van de omstandigheden (krijgen kind, ontslag, echtscheiding, verlies partner, faillissement et cetera) zijn mensen door stress lang niet altijd in staat om in actie te komen, het hoofd koel te houden en om vast te houden aan goede voornemens. WRR, Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid, Den Haag, 2017. Mariska Kromhout, Patricia van Echtelt en Peteke Feijten, Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, november 2020; Aukje Hilderink e.a., Stelsel in groei. Een onderzoek naar financiële tekorten in de jeugdzorg, Andersson Elffers Felix, 15 december 2020; Stuurgroep Maatregelen financiële beheersbaarheid Jeugdwet, Maatregelen financiële beheersbaarheid Jeugdwet, Den Haag, 8 april 2021; Theo Doreleijers, “Jeugdzorg dreigt opnieuw te verzanden”, in: NRC, 21 april 2021; Harrie Verbon, “Er wordt flink geld verdiend aan foute jeugdzorg”, in: De Volkskrant, 11 maart 2021; Esther Lammers en Judith Harmsen, “Nu gaan we samen de oplossing zoeken” (interview met Leonard Geluk), in: Trouw, 3 juni 2021.
78
Raad van State, Verzoek om voorlichting over interbestuurlijke verhoudingen. Advies, kenmerk W04.20.0440/I, ’s-Gravenhage, 24 maart 2021; Raad voor het Openbaar Bestuur, Rust-Reinheid-Regelmaat. Evenwicht in de bestuurlijk-financiële verhoudingen, Den Haag, maart 2021, blz. 7-9, 13, 14; Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen, Als één overheid. Slagvaardig de toekomst tegemoet!, Den Haag, 10 september 2020, blz. 60 en 61; Rienk Janssens en Geert Schipaanboord, Leren van decentralisatie jeugd en de regionale samenwerking 2015-2019, VNG, Den Haag, 20 januari 2020; VNG, Voorstel gezamenlijke Norm voor Opdrachtgeverschap, Den Haag, 29 janurai 2020; Rijksoverheid, Wetsvoorstel verbetert beschikbaarheid specialistische zorg voor jeugdigen, Nieuwsbereicht, 5 maart 2021; Yolanda de Koster, “Lokale toegang jeugdhulp blijft (nog) ongemoeid”, in: Nieuwsbrief Binnenlands Bestuur, 9 maart 2021.
79
Frank Kalshoven en Getrude van Driesten, Paradigma’s in het sociaal domein, De Argumentenfabriek, Amsterdam, maart 2018.
30
verbeteren van het sociale domein zijn onder meer: meer aandacht voor het voorveld van de Wmo, preventie, samenwerking in de wijk en sociale veerkracht. Het motto is: ‘De juiste zorg op de juiste plek’.80 Verkleinen van de gezondheidsverschillen Voor velen (mensen met een lage sociaaleconomische positie, mensen in kwetsbare omstandigheden, e.d.) is het door structurele achterstanden moeilijk om hun leven in te richten met een gezonde levensstijl. Een (dreigende) dakloosheid, (baan)onzekerheden, stress, armoede, schulden, eenzaamheid, psychische problemen, geluidsoverlast, e.d. zijn achterliggende structurele oorzaken voor een ongezonde levensstijl. Als deze structurele oorzaken niet worden aangepakt, is een individuele benadering zoals tot nu toe gebruikelijk is weinig effectief.81 Naast het rijk hebben de gemeenten een belangrijke rol om deze structurele achterstanden te verminderen.82 Zo’n aanpak van de structurele achterstanden vraagt een vernieuwende organisatie van preventie, zorg en ondersteuning, zoals eerder aangekondigd in de Landelijke Nota Gezondheidsbeleid. Dit vergt een domeinoverstijgende aanpak over meerdere departementen en over diverse gemeentelijke afdelingen heen.
Zorgaanbieders (huisartsen, ziekenhuizen), diverse gemeentelijke afdelingen en de welzijnssector moeten elkaar weten te vinden en samen optrekken om de gezondheid van inwoners in de wijk te verbeteren. Dat blijkt in de praktijk nog lastig. Vroegsignalering van (gezondheids)problemen door wijkzorgteams gebeurt nog maar weinig, er wordt nog onvoldoende integrale hulp dicht bij huis geleverd en ontschot financieren door gemeenten en zorgverzekeraars gebeurt nog maar mondjesmaat.83 Het verbeteren van de Brede Welvaart Op rijks- en decentraal niveau richt de beleidsmatige en politieke aandacht zich in toenemende mate op een brede opvatting van welvaart en in mindere mate op de smalle definitie van welvaart van enkel en alleen economische groei. Dit sluit aan bij de beweging van bedrijven, bestuurders en burgers om de menselijke behoeften aan zingeving, zelfontplooiing en zelfrealisatie meer centraal te stellen en om meer het algemeen belang, en minder het eigen belang, voorop te stellen.
De uitgangspunten van de betekeniseconomie zoals: het belang van de gemeenschap dient zwaarder te wegen dan het individuele belang, streven naar het produceren van producten en diensten die de wereld beter maken voor zoveel mogelijk mensen (in plaats van het streven naar het verdienen van zoveel mogelijk geld), niet voor eigen gewin gaan als dat ten koste gaat van anderen, geld als middel en nimmer als doel, bij alle besluiten het rendement op lange termijn leidend te laten zijn in plaats van het rendement op korte termijn en alleen nog betekenisvolle groei na te streven (in plaats van groeien om het groeien) passen naadloos bij het publieke belang dat overheden dienen na te streven.
80
Lydia Sterrenberg en Jetze van der Ham, Integraal werken in de wijk. Verkenning op basis van literatuur en gesprekken in vijf steden, Platform31, Den
81
Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, Gezondheidsverschillen voorbij. Complexe ongelijkheid is een zaak van ons allemaal, Essay, Den Haag,
Haag, 2021 (te verschijnen). oktober 2020. Jet Bussemaker, Tim S. Jongers en Robert Vonk, “Gezondheidsverschillen zijn symptoom van complexe ongelijkheid”, in: Sociale Vraagstukken, 3 oktober 2020; Michiel van der Geest, “Arme mensen gaan zes jaar eerder dood – waarom doen we daar niets aan?”, in: De Volkskrant, 2 oktober 2020. 82
Zie voor maatregelen op gemeentelijk niveau: T. Magnee, B. van Straaten, G Nagelhout.; Zicht op preventieve maatregelen om dakloosheid te voorkomen
83
Gera Nagelhout, Stap voor stap naar een gezonder leven voor iedereen, inaugurele rede Maastricht University, 19 maart 2021; Silke van Arum, René
in Tilburg IVO, Den Haag, 2020. Broekroelofs en Hilde van Xanten, Sociale (wijk)teams, vijf jaar later, Movisie, Utrecht, april 2020.
31
Figuur 11: Regionale verschillen in Brede Welvaart
Bron: Otto Raspe, Brede Welvaart. Webinar Anders kijken naar economie en maatschappij, Rabobank, 3 juni 2021
Met de betekeniseconomie en brede welvaart wordt verder gekeken dan economische groei om tot een oordeel te komen over de prestaties van een land, regio of gemeente. Met Brede Welvaart wordt gekeken naar alle waarden die voor burgers ‘hier en nu’, ‘later’ en ‘elders’ van belang zijn: welzijn, welvaart, gezondheid, onderwijs, leefomgeving, etc. De kwaliteit van leven in het hier en nu en de mate waarin deze al dan niet ten koste gaat van die van latere generaties en/of van mensen elders in de wereld is hét kenmerk van de brede welvaartsaanpak en sluit aan bij de doelen van vele sociale agenda’s in gemeenten. De aspecten van Brede Welvaart sluiten ook aan bij de Sustainable Development Goals. Om de ontwikkeling in Brede Welvaart te kunnen monitoren, zijn en worden nationale en regionale Monitoren Brede Welvaart ontwikkeld.84 Goed organiseren van de zorg voor ouderen in wijk, buurt en kern Om de zorg voor ouderen in wijk, buurt en kern goed te organiseren, zijn allerlei vormen van nieuwe huisvesting (aanleunwoningen, knarrenhoven, groepswoonvormen, woonzorgconcepten, zorghotelappartementen, etc.) nodig tussen enerzijds het verpleegtehuis en anderzijds de oude (eengezins)woning in waar men gewend is te wonen (en vaak niet weg wil).
Doorstroming is bijvoorbeeld te realiseren door een combinatie van individuele benadering (wooncoaches), een huurprijskorting op de nieuwe woning, vergoeding van verhuiskosten en verhuishulp. Er is daarbij een groot gebrek aan betaalbare woonzorgvarianten voor (lage) middeninkomens, een kwalitatieve mismatch in gewenste woonvariaties op de woningmarkt voor senior eigenaar-bewoners en een gebrek aan samenhang in woonzorgaanbod op gebouw- en gebiedsniveau.85 Een denk- en ontwikkelrichting is ook om de 84
Er zijn twee monitoren beschikbaar: de Brede Welvaarts Monitor (BWM) van het Centraal Bureau voor de Statistiek en de Brede Welvaarts Indicator (BWI) van de Universiteit van Utrecht en de Rabobank. Het doel van beide monitoren is hetzelfde: neem wat voor mensen van waarde is als uitgangspunt van de monitoring en niet alleen economie, inkomen en bruto binnenlands product. De BWI ligt voor op de BMW om brede welvaart ook regionaal te monitoren. Het verschil tussen BWM en BWI is dat BWI zich alleen richt op ‘hier en nu’ indicatoren en geen aandacht besteed aan ‘later’ en ‘elders’. Een ander belangrijk conceptueel en methodologisch verschil is dat de BWI de onderliggende indicatoren op het gebied van inkomen, baanzekerheid, persoonlijke ontwikkeling, gezondheid, subjectief welzijn, wonen, e.d. (21) weegt en optelt tot één indicator. Terwijl de BMW de geselecteerde indicatoren, en de veranderingen in de indicatoren, op diverse domeinen, in dashboards presenteert en niet weegt en aggregeert tot één brede welvaartsmaat. Amartya Sen, Joseph Stiglitz & Jean-Paul Fitoussi, Report by the Commission on Measurement of Economic Performance and Social Progress, s.l., 2009; JanPieter Smits en Edwin Horlings, “De conceptuele basis, uitkomsten en vervolg van de Monitor Brede Welvaart”, in: Economisch Statistische Berichten, Dossier meten van welvaart, jrg. 104, nr. 4772S, 11 april 2019, blz.
7-11; Centraal Bureau voor de Statistiek, Monitor Brede Welvaart & de Sustainable Development Goals 2020, Den Haag/Heerlen/Bonaire, 2020; A. Rijpma, M. Moatsos, M. Badir en H. Stegeman, Netherlands beyond GDP: a wellbeing index, Universiteit Utrecht en Rabobank Economic Research, Utrecht, 2016; Martijn Badir, Bas van Bavel, Sjoerd Hardeman en Auke Rijpma, Brede welvaartsindicator 2017. Brede welvaart in Nederland: nationaal en regionaal, Universiteit Utrecht en Rabobank, Utrecht, 27 oktober 2017; Bas van Bavel, Sjoerd Hardeman en Auke Rijpma, “Vervolgstappen voor integrale welvaartsmeting”, in: Economisch Statistische Berichten, Dossier meten van welvaart, jrg. 104, nr. 4772S, 11 april 2019, blz. 22-25. Voorbeelden van regionale doorvertalingen zijn: Keimpe Anema e.a., Brede welvaart in Fryslân. Eerste duiding van de CBS Monitor, Fries Sociaal Planbureau, Leeuwarden, 2021; Otto Raspe e.a., Brede Welvaart in Brainport: naar een duurzame vitale regio, RaboResearch, Utrecht, 7 november 2019.
85
Commissie Toekomst zorg thuiswonende ouderen, Oud en zelfstandig in 2030. Aangepast REISadvies, Den Haag, 30 juni 2020. Zie voor voorbeelden van betaalbare woonzorgvarianten het rapport van Platform31, Langer thuis: Vernieuwende woonzorg voor kwetsbare senioren (verkenning en praktijk) en dan vooral het praktijkdeel. Zie ook de 174 ideeën die zijn ontwikkeld voor de prijsvraag Who Cares van de rijksbouwmeester Floris Alkemade om naoorlogse wijken in Sittard-Geleen, Groningen, Almere en Rotterdam stedenbouwkundig en zorgtechnisch aan te passen aan de naderende vergrijzingsgolf.
32
kosten van woonaanpassing of het wonen in een woongemeenschap af te wegen tegen de kosten van toekomstig zorggebruik. De voordelen van woonaanpassing, woongemeenschap e.d. worden tot nu toe door gemeenten niet meegenomen in de woningprogrammering.86 Een toekomstgerichte Educatieve Agenda De prestaties van Nederlandse leerlingen in internationale vergelijkingen dalen sinds 2003. In elke groep acht zitten gemiddeld zes kinderen die het basisniveau van schrijven niet halen. Op 15-jarige leeftijd kan een kwart van de scholieren niet goed lezen en dit aandeel neemt toe. Zij lopen het risico op laaggeletterdheid en zullen daarmee moeite hebben om een bijsluiter van een medicijn te begrijpen of om een formulier van de gemeente in te vullen. De afnemende prestaties van het onderwijs valt niet zonder meer te verklaren uit een onvoldoende bekostiging van het onderwijs. De afgelopen kwart eeuw namen de onderwijsuitgaven sterker toe dan het nationaal inkomen, dan het aantal leerkrachten (en ondersteunend personeel) en namen véél sterker toe dan de groei van het aantal leerlingen/studenten. Daarbij komt dat Nederland relatief veel geld uitgeeft per leerling en dat Nederlandse leerlingen veel lesuren krijgen. De ouders die het kunnen betalen, proberen de teruglopende prestaties van het onderwijs te compenseren met aanvullend onderwijs.
Er is dan ook een sterke groei van de uitgaven aan bijlessen, examentraining en huiswerkbegeleiding.87 Wie alle cijfers van de staat van het Nederlandse onderwijs bij elkaar optelt, kan volgens een columnist alleen maar concluderen: “het onderwijs faalt”.88 Elke gemeente kan om het onderwijs te verbeteren, te variëren en om de kansenongelijkheid te bestrijden veel verder gaan dan haar wettelijke taken op het terrein van onderwijs.89 De rechtvaardiging hiervoor is dat de gemeente de eerste overheid is die de lange termijn maatschappelijke gevolgen van het falende onderwijs ondervindt. De slechte prestaties van het onderwijs hebben als resultaat dat een grote groep leerlingen met een diploma van school afgaat dat onder hun potentiële capaciteit ligt, dat zij gedurende hun hele loopbaan minder verdienen en dat zij hun hele arbeidzame leven tegen drempels aanlopen.90 De opgelopen onderwijsachterstanden in de coronacrisis maken dit des te urgenter. Ook de Onderwijsraad roept de gemeenten
De Vereniging Eigen Huis adviseert de gemeenten om een woonzorgvisie op te stellen die past bij de samenstelling van de bevolking. Vereniging Eigen Huis, Eigen Huis Magazine, mei 2021, blz. 17. 86
Zie voor diverse mogelijke stappen om de zorg voor de zorgbehoeftige ouderen in wijk, buurt en kern te verbeteren Corinne Ellemeet, Lachend tachtig. Initiatiefnota 34 948 voor een toekomstbestendige ouderenzorg, Den Haag, 17 mei 2018; Wilma Kieskamp, “We weten nog niet alf wat op ons afkomt, met de zorg voor zieke ouderen die thuiswonen”, in: Trouw, 18 november 2019. Daarbij is de financiering nog wel een lastig vraagstuk. Iedere euro besteedt aan ouderenzorg verslechtert de overheidsfinanciën op de lange termijn met € 1,60. Rijksoverheid, Koers bepalen. Kiezen in tijden van budgettaire krapte, 16e Studiegroep Begrotingsruimte, Den Haag, oktober 2020, blz. 36.
87
Gemiddelde jaarlijkse toename berekend door Platform31 op basis van CBS-Statline: werkzame beroepsbevolking in pedagogische beroepen, inclusief onderwijsassistenten, klassenassistenten, huiswerkbegeleiders e.d. (gemiddeld jaarlijkse groei 1,6 procent per jaar), aantal leerlingen per schooljaar (gemiddeld 0,4 procent toename per jaar), bruto binnenlands product (gemiddeld 3,8 procent groei per jaar) en totale overheidsuitgaven aan onderwijs (gemiddelde jaarlijkse toename 4,2 procent); Rijksoverheid, Fundament op orde: kwalitatief goed onderwijs met kansen voor iedereen, Brede maatschappelijke heroverweging, Den Haag, april 2020, blz. 37, 39, 90, 91. Van 1995 tot 2019 nemen de uitgaven van huishoudens aan huiswerkbegeleiding, bijles, eindtoets- en examentraining voor schoolgaande kinderen in het basis-, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs toe met gemiddeld 11 procent per jaar (bron: CBS, berekening Platform31). Zie ook: Inspectie van Onderwijs, De staat van het onderwijs. Het stelsel, Den Haag, 2021, blz. 4549.
88
Rijksoverheid, Fundament op orde: kwalitatief goed onderwijs met kansen voor iedereen, Brede maatschappelijke heroverweging, Den Haag, april 2020, blz. 5, 19, 22, 23, 26; Inspectie van het Onderwijs, De staat van het onderwijs. Het stelsel, Den Haag, 2021, blz. 17-20; Jos L.T. Blank en Alex A.S. van Heezik, Productiviteit van de overheid. Een essay over de relatie tussen beleid en productiviteit in onderwijs, zorg, veiligheid & justitie en netwerksectoren, IPSE Studies, Delft, oktober 2019, blz. 34; Het Financieele Dagblad, Maak onderwijs prioriteit bij de formatie, 15 april 2021; Ilse Zeemeijer, “Falend onderwijsbeleid: we staan erbij en kijken ernaar”, in: Het Financieele Dagblad, 8 mei 2021, blz. 22 en 23.