CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

920133.003 Ruimtelijke onderbouwing Ollandseweg 148 03-03-2025

Raadsvergadering 26 juni 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 14821.652 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

24 van 56

▪ ▪

Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan Wat schoon is moet schoon blijven

Het waterschap moet zich, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan worden er oplossingen gevonden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit bereikt wordt. Hierbij wordt door het waterschap een omschakeling gemaakt; ▪ van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. ▪ van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maakt het waterschap keuzes over meerdere opgaven in een gebied. ▪ van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden zoals waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de Keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.

Legger waterstaatswerken 2021 Het dagelijks bestuur van waterschap De Dommel heeft op 30 november 2021 de legger waterstaatswerken 2021 vastgesteld. Ook heeft het dagelijks bestuur besloten de leggers oppervlaktewaterlichamen 2018, waterberging 2019 en waterkeringen 2020 in te trekken. Het waterschap heeft ervoor gekozen de drie bestaande leggerbesluiten samen te voegen. Dit is gedaan met het oog op de nieuwe waterschapsverordening en het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De samenvoeging is beleidsneutraal met een vernieuwing van de bestaande drie leggers. Waterschap De Dommel neemt in de legger alle waterstaatswerken op die van belang zijn voor het functioneren van het watersysteem in het beheergebied van de Dommel. Er zijn vele soorten waterstaatswerken, die onderverdeeld zijn in vier categorieën, te weten: oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen of ondersteunende kunstwerken. De legger vormt daarmee een uitstekend hulpmiddel bij de toetsing welke regels van de Keur op en nabij waterstaatswerken van toepassing zijn.

4.2.3. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de directe nabijheid van het plangebied zijn watergangen aanwezig. Ten westen van het plangebied is een B-watergang gelegen en ten zuiden een A-watergang, zie onderstaande afbeelding.

25 van 56

Afbeelding 12: Uitsnede kaart Legger Waterstaatswerken 2021

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.

4.2.4. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In de beoogde situatie worden de nieuw te realiseren woningen, voor wat betreft het afvalwater van huishoudelijke aard, aangesloten op het gemeentelijk riool. De afvoer van het huishoudelijke water zal toenemen omdat er drie nieuwe woningen worden toegevoegd. De huidige riolering is hierop mogelijk niet berekend en deze dient mogelijk aangepast te worden. De eventuele kosten voor het aanpassen of aanleggen van nieuwe riolering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Het hemelwater afkomstig van daken en verharding bloeit naar de omliggende gronden (tuin) waar het wordt vastgehouden dan wel kan infiltreren in de bodem. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen in acht worden genomen. Binnen 5 meter van de watergang B aan de westkant van het erf worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing dan wel landschapselementen, mogelijk gemaakt. In de beoogde situatie worden de bestaande kassen gesloopt (circa 20.000 m 2). De nieuw te realiseren woningen hebben een oppervlakteverharding van ongeveer 12.000 m 2. Er vindt een afname van

26 van 56

ongeveer 8.000 m2 verharding plaats. De beoogde situatie zal een positief effect hebben op de waterhuishouding. De beoogde situatie zal een positief effect hebben op de waterhuishouding. Overtollige kassen zullen verdwijnen. Hiervoor is er sprake van een afname in oppervlakteverhardingen. Dit brengt een afname in puntlozing met zich mee. Neerslag kan op deze gronden dus direct infiltreren in de bodem. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan.

Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de

27 van 56

ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kampina en Oisterwijkse Vennen, Strabrechtse Heide & Beuven, en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.

Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kampina en Oisterwijkse Vennen, dat op een afstand van circa 8,5 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een plan geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt zijn middels het rekenprogramma AERIUS berekeningen gemaakt voor de realisatie- en gebruiksfase van het plan. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in Bijlage 4. In Bijlage 5 zijn de rekenresultaten van deze berekeningen opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in zowel de realisatie- als de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.

Overige storingsfactoren

Vanwege de afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen leidt het plan verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

28 van 56

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het plan aan de Ollandseweg 148, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te slopen glastuinbouw kassen en nieuw te realiseren ruimte-voor-ruimte woningen beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.

Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Er is door Brabant Eco een QuickScan Flora en Fauna uitgevoerd op locatie in het kader van toekomstige ruimtelijk ontwikkelingen. Het rapport (2023-BE-0665, d.d. 25-07-2023) hiervan is als separate bijlage (bijlage 6) bijgevoegd bij deze toelichting. Uit het onderzoek is gebleken dat met de sloop van het kassencomplex geen overtredingen te verwachten zijn ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Door het aanleggen van een tuin rondom de nieuwe woningen en natuur inclusief te bouwen zal het leefgebied van de aanwezige soorten worden verbeterd. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden

29 van 56

De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het plan is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde ruimte-voor-ruimte woningen moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied in een gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie navolgende afbeelding.

Afbeelding 13: uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed'

De provincie Noord-Brabant ziet het ruimtelijke erfgoed als een belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Het Brabantse erfgoed is daarom opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Prominent onderdeel van deze kaart is het provinciaal cultuurhistorisch belang, met name erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. De CHW bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de CHW weergeven.

30 van 56

Afbeelding 14: uitsnede CHW kaart, herziening 2016

Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat het plangebied is gelegen ter plaatse van gronden die zijn aangewezen als ‘Cultuurhistorische waardevol gebied’. Het plangebied is gelegen in het cultuurhistorisch landschap ‘Groene Woud’. Het cultuurhistorisch landschap ‘Groene Woud’ is een afwisselend landschap met landbouwgronden en bossen. In het agrarische gebied zijn bijzonder veel houtsingels en laanbeplantingen (hoofdzakelijk populieren). Daarnaast liggen de kleine beekdalen van de Dungensche Loop en de Beeksche Waterloop met beemden, knotbomen en houtsingels. Ten zuiden van het Elderbroek liggen veel percelen met populieren. Percelen hakhout, deels op rabatten, zijn met name op de gronden van Hooge Beek en ten oosten van De Geelders terug te vinden. Het gebied was het hart van de populierenteelt, die zijn hoogtepunt bereikte rond 1900. De kleinschaligheid van toen is uiteraard verminderd, maar het gebied wordt nog steeds gekenmerkt door de vele bosjes, perceelrandbegroeiing en populierenakkers. Er is samenhang tussen terreingesteldheid en inrichting en gebruik van het gebied en de relatie tussen de percelering, het wegenpatroon en de beplanting met populieren is waardevol.

De cultuurhistorische waarde en kenmerken bestaan uit: het eikenhakhout; de rabattenbossen; de populierenakkers; de perceelrandbegroeiing; de kleinschalige percelering; het wegenpatroon met deels verhoogd aangelegde onverharde wegen en het historische (langgevel)boerderijen. Met de stedenbouwkundige en landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied. De stedenbouwkundige opzet van de beoogde drie nieuw te bouwen woningen is geënt op de historische boerenerfbebouwing die van oudsher kenmerkend is voor deze omgeving. De grootte van de aangegeven kavels sluit aan bij de omgeving en het landschap. De korrelgrootte (parcelering) en verschijningsvorm van de percelen zijn vergelijkbaar met de omgeving. In de directe omgeving zijn landschapsbomen als beelddragers te vinden. In de beoogde situatie wordt aan de oostzijde, noordzijde en in het midden van het boerenerf landschapsbomen beoogd. Zo wordt het stedenbouwkundig ensemble groen omzoomd. Ten zuiden wordt een hoogstam fruitboomgaard aangeplant dat refereert naar de vroegere boerenerven waar kenmerkend fruitbomen stonden. Ten aanzien van cultuurhistorie zijn er derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling.

31 van 56

4.4.2. Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ blijkt dat de locatie deels is gelegen binnen de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1 (hoge verwachting)’ en ‘Waarde – Archeologie 2 (middelhoge verwachting)’. In het vigerend bestemmignsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenroede, herziening 4’ zijn in artikel 26 ‘Waarde – Archeologie 1’ regels opgenomen voor het behoud en de bescherming van de hoge archeologische verwachtingswaarden van de gronden. a. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m² en dieper dan 0,5 m, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. b.

Indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden. 2. De verplichting tot het doen van opgravingen. 3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. c. Het bepaalde in sub a en b is niet van toepassing binnen het bouwvlak en binnen de bestemmingsvlakken van de bestemmingen 'Bedrijf', 'Horeca', 'Maatschappelijk', 'Recreatie', 'Sport, en 'Wonen'. d. Het bepaalde onder sub a en b is niet van toepassing indien door middel van een onafhankelijk document kan worden aangetoond dat de beoogde gronden voor het bouwen reeds verstoord zijn. In overleg met de gemeente Meierijstad is een archeologische onderzoek op de locatie uitgesloten. Het plangebied is gelegen binnen het agrarisch (bouwperceel). De gronden ter plaatse van de beoogde woningen zijn volledig bebouwd en in het verleden reeds verstoord.

Een is een archeologisch onderzoek wordt daarom door de gemeente Meierijstad niet noodzakelijk geacht. 4.5. Landschappelijke inpassing De stedenbouwkundige opzet van de beoogde drie nieuw te bouwen woningen is geënt op de historische boerenerfbebouwing die van oudsher kenmerkend is voor deze omgeving. De schuren staan bij een boerenerf om het erf heen, naast de woning. Ook wordt gebruik gemaakt van één inrit. Bij het ontwerp aan de Ollandseweg kunnen aan bouwen of andere bijgebouwen in het hoofdvolume van de woning worden onderbracht. Dit om te voorkomen dat er veel verschillende bouwwerken en bijgebouwen, verspreid op verschillende plek ken op het erf, worden geplaatst. Hierdoor wordt voorkomen dat de oorspronkelijke stedenbouw kundige structuur van het boerenerf wordt aangetast. De woningen zullen qua karakter ook passend zijn in de omgeving met één laag en een zadel dak. De nieuwe woningen zullen van eenzelfde architectuur zijn, zodat duidelijk wordt dat de gebouwen één ensemble vormen en refereren naar een boerenerf. De grootte van de aangegeven kavels sluit aan bij de omgeving en het land schap. De korrelgrootte (parcelering) en verschijningsvorm van de percelen zijn vergelijkbaar met de omgeving. De bestaande bedrijfswoning en de voormalige aanleunwoning zijn vrijstaande woningen met een eigen kavel.

De voormalige aanleunwoning zal ook via het nieuwe boerenerf ontsloten worden. Ten slotte wordt er vanaf de Ollandseweg twee zichtlijnen naar het achterliggende landschap gecreëerd door stroken van grasland en agrarische grond vrij te houden van bebouwing of beplanting. De landschappelijke inpassing van het plan aan de Ollandseweg is afgestemd op de kwaliteiten en kenmerken van het ter plaatse aanwezige

32 van 56

landschap. In de directe omgeving zijn landschapsbomen als beelddragers te vinden. In de boogde situatie wordt aan de oostzijde, noordzijde en in het midden van het boerenerf landschapsbomen beoogd. Zo wordt het stedenbouwkundig ensemble groen omzoomd. Ten zuiden wordt een hoogstam fruitboomgaard aangeplant dat refereert naar de vroegere boerenerven waar kenmerkend fruitbomen stonden. De woonkavels worden veelal begeleid met knip- en scheerheggen en eerdergenoemde bomen. Langs de noordwestzijde van het plangebied is er reeds sprake van een goede landschappelijke inpassing. Deze groensingel zal gehandhaafd blijven. Door bovenstaande landschappelijke inpassing wordt de ruimtelijke vormgeving van de gebouwen verzacht en geheel of gedeeltelijk aan het zicht onttrokken. Ten slotte is een openbaar recreatief wandelpad toegankelijk vanaf de Ollandseweg richting de Nieuwstraat. Het pad zal uitkomen op achterliggend perceel en in verbinding staan met de Nieuwstraat.. Dit pad zal deels worden begeleid met nieuwe landschapsbomen om een verbinding te vormen met de laanstructuur van de Ollandseweg. Het pad zal dienen om wandelaars te trekken richting het landschap. Onderstaand is een uitsnede weergegeven van de landschappelijk inpassing. bijlage 1 is het volledige landschappelijk inpassingsplan terug te vinden.

Afbeelding 15: uitsnede landschappelijk inpassingsplan

4.6. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Het plan betreft de omschakeling van een bestemming ‘Agrarisch’ naar de bestemming ‘Wonen’ en de realisatie van drie ruimte-voor-ruimte woningen. Een eindsituatie bodemonderzoek is in dit geval noodzakelijk om de milieuhygiënische kwaliteit van de grond vast te stellen en te borgen dat de grond ter plaatse niet verontreinigd is door (agrarische) activiteiten. Dit zodat dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners.

33 van 56

Er is daarom door Silt Milieu (kenmerk: 2301499 d.d. 05-12-2023) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse. Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat er geen waarnemingen zijn gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem ter plekke van het kassencomplex. In de uitkomende grond van de voormalige opslag zijn mogelijk verontreinigde stoffen gevonden, om deze reden is er een aanvullend grondwateronderzoek uitgevoerd (2301488, versie 2). Uit het aanvullend onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken: In het grondwater uit peilbuis PB103 is analytisch een licht verhoogde concentratie aan nikkel aangetoond. Deze concentratie overschrijdt de streefwaarde doch niet de interventiewaarde. In het grondwater uit de peilbuizen PB101, PB102 en PB104 zijn analytisch geen verhoogde concentraties aan zware metalen aangetoond. Er is een risicobeoordeling uitgevoerd middels Sanscrit 3.0 en de Ricotoolbox Bodem van het RIVM. Uitgangspunt is hierbij wonen met tuin. Hierbij zijn de hoogst gemeten waarden ingevoerd. Uit de risicobeoordeling middels Sanscrit blijkt dat er geen sprake is van onaanvaardbare risico’s.

Uit de beoordeling middels de Risicotoolbox Bodem (stap1) blijkt het volgende: • de signaleringsparameter grondwater wordt overschreden; • bij groencomsumptie zijn er mogelijk onaanvaardbare risico’s aanwezig; • voor wat betreft ecologie zijn er mogelijk onaanvaardbare risico’s aanwezig; • voor het overige zijn er geen risico’s aanwezig. Het volledige bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 7. Hierin is ook de eerste versie van het bodemonderzoek in opgenomen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect bodem geen bezwaren zijn voor de gewenste ontwikkeling. 4.7. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de plangebied derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt.

Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Het plangebied ligt in de nabijheid van landbouwgronden. Conform de website van ‘Boer en Bunder’ zijn de kadastrale percelen 336 en 337 in gebruik als grasland (2022 en 2023). Bij de teelt van gras is er geen sprake van vollegronds- of sierteelt. Het kadastrale perceel 389 is in gebruik voor teelt van mais (2022 en 2023) en ligt op ongeveer 75 meter van de beoogde woonbestemming. Kadastraal perceel 344 en deels perceel 390 zijn in gebruik voor de teelt van laan- en parkbomen. Dit perceel ligt op ongeveer 60 meter afstand van de beoogde woonbestemming. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied ruim voldoende voldoet aan de richtafstanden met betrekking tot spuitzonering. Bovendien wordt het plangebied aan de randen voorzien van landschappelijke inpassing. Het plangebied heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. 4.8. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming.

34 van 56

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging.

Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Het plangebied ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de directe omgeving bevinden zich een pluimveehouderij een, hondenkennel een houtzagerij en woonbestemmingen. Het plangebied is direct aan de Ollandseweg gelegen, een doorgaande weg van Olland naar Sint-Oedenrode. Gezien de ligging aan de hoofdinfrastructuur, liggend in een bebouwingslint en de verschillende aanwezige functies in de omgeving, is hier reeds sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Dit betekend dat de richtafstand met één afstandsstap verlaagd mag worden. Dichtstbijzijnde bedrijvigheid betreft een hondenkennel en pluimveehouderij aan de Ollandseweg 142 en een houtzagerij op Ollandseweg 159. In navolgende tabel zijn de omliggende bedrijven weergegeven met bijbehorende richtafstanden. Tabel 1: overzicht omliggende bedrijven en bijbehorende VNG-richtafstand Omschrijving Cat.

Geur Houtzagerijen ( SBI-16101) 3.2 0 Fokken en houden van pluimvee, - opfokkippen en 4.1 100* mestkuikens (SBI-0147) Dierenasiels en -pensions (SBI-9609) 3.2 10* *de VNG richtafstand is met één afstandsstap verlaagd.

Stof 30* 10*

Geluid 50* 30*

Gevaar 50 0

0

50*

0

De houtzagerij op de Ollandseweg 159 is op ongeveer 36 meter van het bouwvlak van de bedrijfswoning (gemeten vanaf rand bouwperceel) gelegen. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstanden voor geluid en gevaar. In paragraaf 4.11 wordt het aspect geluid behandeld. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In de paragraaf is onderbouwd hoe er wordt voldaan aan een goed woon-leefklimaat. In paragraaf 4.13 wordt het aspect externe veiligheid getoetst. Er is in deze paragraaf onderbouwd hoe er wordt voldaan aan de eisen van een goed woon-leefklimaat. Uit onderbouwing van deze paragrafen kan er vanuit worden gegaan dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is met betrekking tot de houtzagerij. Er vindt geen belemmering van het bedrijf plaats. De houtzagerij, gemeten vanaf rand bouwperceel, is op ruim 50 meter afstand gelegen vanaf het bouwvlak van de voormalige aanleunwoning. De nieuw te realiseren woningen liggen op afstand van circa 100 meter gelegen van de houtzagerij. Er wordt dus voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en woningen.

35 van 56

De hondenkennel is op ongeveer 75 meter afstand gelegen, gemeten vanaf de grens van de bestemmingen die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaten tot de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en woningen. Uit data van de pluimveehouderij op het adres Ollandseweg 142 blijkt dat de dichtstbijzijnde pluimveehouderij is gelegen op circa 75 meter afstand, gemeten vanaf de grens van de bestemmingen die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaten tot de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Dit betekent dat er niet wordt voldaan aan de richtafstand voor geur van 100 meter. Wat betreft veehouderijen word in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur. Er wordt wel voldaan aan de richtafstanden voor stof, geluid en gevaar. Dit is gemeten van de rand bouwvlak van de Ollandseweg 142 tot aan het beoogde bouwvlak van de dichtstbijzijnde woning. Er kan geconcludeerd worden dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst voor alle woningen.

De woningen belemmeren de bestaande omliggende bedrijven niet, ook de nieuw te bouwen woningen. De bestaande bedrijfswoning en voormalige aanleunwoning worden aangedragen als reeds bestaande gevoelige objecten. 4.9. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? 2. Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?

4.9.1. Omgekeerde werking

In de beoogde situatie wordt het glastuinbouwbedrijf gesaneerd wordt het gewijzigd naar een woonbestemming. In totaal zijn er vijf woningen aanwezig in de beoogde situatie waaronder de bestaande bedrijfswoning, voormalige aanleunwoning en drie nieuw te realiseren ruimte-voor-ruimte woningen. Bestaande woningen In het kader van de Wet geurhinder en veehouderij is en blijft de woning een geurgevoelig object. De locatie is namelijk geen veehouderijlocatie of locatie die op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. Hierdoor is het object in de bestaande situatie al beschermt voor wat betreft de aspecten geur. De bestaande afstand tussen de woning en veehouderijen in de omgeving wordt met het initiatief niet verkleind. Daarom zal de gebruikswijziging met zekerheid geen onevenredige belemmering vormen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen veehouderijen. De toetsingsafstand voor die veehouderijen verandert immers niet. Nieuwe woningen Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moeten veehouderijen, waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geurcontouren in acht nemen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Dit geldt onder andere voor pluimveehouderijen en varkenshouderijen.

Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundveehouderijen, gelden vaste afstanden. Wanneer er een nieuw geurgevoelig object wordt opgericht binnen de geurcontour of vaste afstand van een veehouderij, kan dat de ontwikkelingsmogelijkheden van die veehouderij belemmeren.

36 van 56

In de omgeving van het plangebied, op de Ollandseweg 142, is een pluimveebedrijf gelegen. Het bedrijf heeft een OF-OF vergunning (d.d. 27-12-2011) voor het houden van 18.343 (groot-) ouderdieren van vleeskuikens OF 26.657 legkippen en (groot-) ouderdieren, in combinatie met 180 honden en 1 paard. Op grond van artikel 3, lid 1 van de Wgv, bedraagt de geurbelasting op een geurgevoelig object, binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde komt bedraagt, 14 odours/m3. Middels het rekenprogramma V-stacks vergunning is geurbelasting van Ollandseweg 142 bepaald op de woningen binnen het plangebied. In afbeelding 16 zijn de beoogde bouwvlakken weergegeven met de berekende geurbelasting per rekenpunt. Uit de geurberekening blijkt dat de hoogste geurbelasting op een woning in het plangebied 7,3 odours bedraagt. Geconcludeerd kan worden dat er ruimschoots voldaan wordt aan de norm van 14 odeurs. Er wordt voldaan aan artikel 3, lid 1 van de Wgv. De invoergegevens en de volledige geurberekening zijn als bijlage 8 bijgevoegd aan deze toelichting. Tevens geldt op grond van artikel 4 van de Wgv een minimale afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt tot de buitenzijde van een geurgevoelig object, buiten de bebouwde kom, 50 meter. In navolgende afbeelding zijn de beoogde bouwvlakken weergegeven binnen het plangebied.

Tevens is zijn de bestaande dierenverblijven van Ollandseweg 142 weergegeven met daaromheen een buffercirkel van 50 meter (groen). Zowel de bestaande als ook de beoogde woningen liggen op meer dan 50 meter afstand van de dierenverblijven op Ollandseweg 142. Geconcludeerd kan worden dat ruimschoots wordt voldaan aan de vaste afstanden zoals gesteld in artikel 4 van de Wgv.

Afbeelding 16: weergave plangebied m.b.t. geur Ollandseweg 142

Tevens liggen er reeds bestaande geurgevoelige objecten dichter bij de omliggende veehouderijen, dan de beoogde ruimte-voor-ruimte kavels. Namelijk de woningen op Ollandseweg 146, 153 en 153a . Die objecten zijn dan ook maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen, niet de nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen. Hierdoor zullen bestaande geurgevoelige objecten de veehouderijen ook altijd meer belemmeren dan de beoogde geurgevoelige objecten binnen het plangebied zullen doen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.

37 van 56

4.9.2. Woon- en leefklimaat

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het ook van belang dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Zoals hierboven genoemd wordt er voldaan aan de gestelde geurnorm en vaste afstanden in de Wgv. Dit betekent in beginsel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de plangebied nader te beschouwen is de voorgrond geurbelasting en achtergrond geurbelasting binnen het plangebied bepaald. Voor de voorgrond geurbelasting wordt aansluiting gezocht bij de milieukwaliteit zoals opgenomen bijlage 6 van de ‘Handreiking Geurhinder en Veehouderij’. Zoals reeds beschreven in paragraaf 4.9.1 is de geurbelasting op de woningen binnen het plangebied berekend. De voorgrond geurbelasting ligt tussen de 3,3 en 7,3 OUE/m3 (zie afbeelding 8). Dit komt overeen met de milieukwaliteit ‘matig’ tot ‘goed’ en dus acceptabel woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting en de bijbehorende belasting met daaraan gekoppeld de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat zijn weergegeven in Afbeelding 17. Uit deze uitsnede van de contourenkaart blijkt dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een achtergrondbelasting tussen 3 en 13 OUE/m3, wat betekent dat er sprake is van een goed/redelijk goed en dus acceptabel woon- en leefklimaat.

Afbeelding 17: achtergrondkaart geur juni 2023 (bron: ODZOB)

Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.10. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en

38 van 56

leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.

4.10.1. Niet in betekenende mate

Indien ontwikkelingen binnen het plangebied gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.

Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen. Het plan betreft het saneren van het glastuinbouwbedrijf waarbij de bestaande bedrijfswoning en voormalige aanleunwoning gewijzigd worden naar een woonbestemming. Tevens worden er drie nieuwe woningen opgericht. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien met het plan slechts drie nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan.

4.10.2. Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van stikstofdioxide. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen het plangebied is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 14-16 μg/m3 en voor PM2,5 8-10 μg/m3. Voor NO2 geldt 10-15 μg/m3, zie Afbeelding 18, 19 en 20.

39 van 56

Ollandseweg 148

Afbeelding 18: uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10 (bron: www.geodata.rivm.nl)

Ollandseweg 148

Afbeelding 19: uitsnede GCN-kaart fijnstof PM2,5 (bron: www.geodata.rivm.nl)

Ollandseweg 148

Afbeelding 20: uitsnede GCN-kaart NO2 (bron: www.geodata.rivm.nl)

Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

40 van 56

4.11. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. De vrijkomende bedrijfs- en (voormalige) aanleunwoning betreffen een reeds bestaand geluidsgevoelig object in het kader van de Wgh. Met de beoogde ontwikkeling worden nieuwe geluidsgevoelige objecten opgericht in de vorm van drie nieuw te realiseren woningen. In de omgeving van het plangebied liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. Het plangebied ligt wel binnen de geluidszones van de Ollandseweg, Kleine Beurs en de Nieuwstraat. Binnen de geluidszone van deze wegen is aandacht vereist voor de geluidsbelasting op de gevel van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Met het plan wordt een nieuw geluidsgevoelig object opgericht in de vorm van drie woningen. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient de gevelbelasting op dit object derhalve in beeld gebracht te worden.

Er dient getoetst te worden aan de normstelling van de Wgh, rekening houdend met 2 dB aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh. De hoogst toelaatbare geluidbelasting wordt gesteld op 48 dB. Eventueel kan een hogere grenswaarde worden afgegeven van maximaal 53 dB, indien voldaan wordt aan de criteria voor een hogere grenswaarde. Er is daarom een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai uitgevoerd door Sain milieuadvies (rapportnummer 2023-3080, d.d. 20 juli 2013). Dit rapport is als separate bijlage bijgevoegd (zie Bijlage 9). Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat wanneer de nieuw te realiseren vrijstaande woning minimaal 39 meter uit de as van de Ollandseweg gebouwd wordt er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De beoogde woning is ongeveer 45 meter van de weg gesitueerd. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden. Het is dus niet nodig om hogere grenswaarden vast te stellen. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNGhandreiking. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van het plangebied ligt aan Ollandseweg 142.

Dit betreft een pluimveebedrijf in combinatie met een hondenkennel. Hiervoor geldt op grond van de VNG-handreiking een richtafstand van 10 meter (pluimvee) en 50 meter (hondenkennel), in het omgevingstype gemengd gebied, in het kader van geluid. De het bouwvlak van Ollandseweg 142 is op ongeveer 60 meter van het plangebied gelegen, gemeten vanaf rand bouwvlak tot rand woonbestemming. Uit het akoestisch onderzoek van de Ollandseweg 142 blijkt dat het beoordelingsniveau 50 meter ten westen van de inrichting minder dan 45 dB(A) bedraagt. Het maximale geluidsniveau is lager dan 65 dB(A) etmaalwaarde. Voor zowel de bestaande als de nieuw te realiseren woningen liggen op meer dan 60 meter afstand van de hondenkennel. Geconcludeerd kan worden dat de geluidsbelasting lager is dan de grenswaarden en dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van het aspect geluid. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het plan. 4.12. Verkeer en parkeren Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor.

41 van 56

Het plangebied ligt aan de Ollandseweg. Een doorgaande weg die de kernen van Sint-Oedenrode en Olland verbindt. De weg wordt voornamelijk gebruikt door bestemmings- en werkverkeer. De Ollandseweg beschikt over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. In de beoogde situatie wordt het agrarisch bedrijf gesaneerd en worden er en worden er drie nieuwe woningen opgericht. De verkeersbewegingen in de beoogde situatie zullen voornamelijk uit lichte verkeersbewegingen bestaan. De verkeersbewegingen van en naar de inrichting zullen dus vele malen lager liggen dan dat het geval is bij een agrarisch bedrijf. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. De gemeente Meierijstad heeft de nota ‘Parkeernormen Meierijstad 2018’ vastgesteld. Hierin zijn voor uiteenlopende functies parkeernormen opgenomen. Voor een vrijstaande woning en een twee-onder-één kap woning (schuurwoning) in het buitengebied geldt een norm van 2,4 parkeerplaatsen per woning. Bij de woningen is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in minimaal drie privé parkeerplaatsen per woning. De bestaande bedrijfswoning heeft een eigen oprit waar voldoende ruimte is om drie auto’s te parkeren. In navolgende afbeelding is een situatieschets weergegeven waarop de beoogde parkeervoorziening is weergegeven van de beoogde woningen.

Afbeelding 21: weergave beoogde parkeergelegenheid binnen het plangebied

De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.13. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

42 van 56

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

4.13.1. Risiconormering Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= ‘1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Tabel 2: wanneer een groepsrisico te verantwoorden Bron Wanneer groepsrisicoverantwoording? Inrichtingen (Bevi) Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Buisleidingen (Bevb) Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:

1) Het groepsrisico is lager dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) De toename is minder dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) Personen die zich buiten de 100% letaliteitsgrens bevinden.

Weg, spoorweg of binnenvaart (Bevt)

Bij een beperkte verantwoordingen dient een toelichting te worden gegeven op artikel 12 lid 1 onder a, b, f en g van het Bevb. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanner:

1) Het groepsrisico is lager dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) De toename is minder dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) Personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden.

Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

43 van 56

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

4.13.2. Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Indien van toepassing moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening getoetst worden aan overige wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid zoals bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit en Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van het plangebied. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de EV-signaleringskaart, zie navolgende afbeelding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=d845f4a3-f00b-4449-bc09-7d86c79edd59