920133.003 Ruimtelijke onderbouwing Ollandseweg 148 03-03-2025
Tekst van het document
Toelichting Bestemmingsplan Ollandseweg 148 Gemeente Meierijstad
Colofon
Plangebied:
Ollandseweg 148, Sint Oedenrode
Datum:
18-12-2023, gewijzigd 03-03-2025
Status:
Vastgesteld
Opgesteld door:
Van Dun & Van Gerwen BV Heijtmorgen 10 5375 AN Reek T. 0486 450 160 E. info@vandun-vangerwen.nl I. www.vandun-vangerwen.nl
Projectnummer:
920133.003 / SL
2 van 56
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.
Aanleiding en doel .......................................................................................... 5
1.2.
Geldend planologisch regime ........................................................................... 6
1.3.
Procedure ...................................................................................................... 7
1.4.
Leeswijzer ...................................................................................................... 8
2. Planbeschrijving............................................................................................... 9 2.1.
Bestaande situatie .......................................................................................... 9
2.2.
Beoogde situatie ............................................................................................ 10
3. Beleidskader................................................................................................... 13 3.1.
Rijksbeleid .................................................................................................... 13
3.1.1. 3.2.
Provinciaal beleid ........................................................................................... 13
3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. 3.3.
Ladder duurzame verstedelijking .............................................................. 13 Omgevingsvisie Noord-Brabant ................................................................ 13 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 .......................................... 14 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.......................................... 15
Gemeentelijk beleid ....................................................................................... 19
3.3.1. Beleidsnotitie ‘Kansen voor Kwaliteit’ ........................................................ 19 3.3.2. Beleidsnotitie ‘Herziening Bebouwingsconcentratie en het overige buitengebied Sint-Oedenrode’ ..................................................................................................... 21 3.3.3. Bestemmingsplan ................................................................................... 22 4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 23 4.1.
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling..................................... 23
4.2.
Waterhuishouding .......................................................................................... 23
4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.2.4. 4.3.
Natuur .......................................................................................................... 27
4.3.1. 4.3.2. 4.4.
Provincie ................................................................................................ 24 Waterschap de Dommel .......................................................................... 24 Bestaande waterhuishoudkundige situatie................................................. 25 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ................................................... 26 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................. 27 Wet natuurbescherming .......................................................................... 27
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie ....................................................... 30
4.4.1. 4.4.2.
Cultuurhistorie en aardkunde ................................................................... 30 Archeologie ............................................................................................ 32
4.5.
Landschappelijke inpassing ............................................................................. 32
4.6.
Bodemkwaliteit .............................................................................................. 33
4.7.
Spuitzones .................................................................................................... 34
4.8.
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................ 34
4.9.
Geur ............................................................................................................. 36
3 van 56
4.9.1. 4.9.2. 4.10.
Omgekeerde werking .............................................................................. 36 Woon- en leefklimaat .............................................................................. 38
Luchtkwaliteit ................................................................................................ 38
4.10.1. 4.10.2.
Niet in betekenende mate ....................................................................... 39 Woon- en leefklimaat .............................................................................. 39
4.11.
Geluid ........................................................................................................... 41
4.12.
Verkeer en parkeren ...................................................................................... 41
4.13.
Externe veiligheid .......................................................................................... 42
4.13.1. 4.13.2.
Risiconormering...................................................................................... 43 Toetsing aan beleid ................................................................................ 44
4.14.
Hoogspanningsleidingen ................................................................................. 45
4.15.
Technische infrastructuur ............................................................................... 45
4.16.
Volksgezondheid ............................................................................................ 45
4.16.1. 4.16.2.
Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden ................................. 45 Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid.......................... 46
5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 52 5.1.
Juridische achtergrond ................................................................................... 52
5.2.
Toelichting verbeelding .................................................................................. 52
5.3.
Toelichting regels .......................................................................................... 53
6. Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 53 6.1.
Financiële uitvoerbaarheid .............................................................................. 53
6.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid.................................................................... 53
6.2.1. 6.2.2.
Vooroverleg en omgevingsdialoog ............................................................ 53 Zienswijzen en beroep ............................................................................ 53
7. Bijlagen .......................................................................................................... 55
4 van 56
1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Het plangebied is gelegen aan Ollandseweg 148 te Sint-Oedenrode. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Sint-Oedenrode, sectie R, nummers 340, 490, 491, 492, 493 en 494. De percelen zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Binnen het plangebied wordt een glastuinbouwbedrijf geëxploiteerd. Binnen het vigerend bestemmingsplan is het niet mogelijk om het oppervlak van het glastuinbouwbedrijf te vergroten. Hierdoor zijn de uitbreidingsmogelijkheden voor het glastuinbouwbedrijf beperkt. Op navolgende afbeelding de locatie weergegeven. Het plangebied is hierin globaal met rood omlijnd.
Afbeelding 1: indicatieve weergave plangebied (rood omlijnd)
De initiatiefnemer is voornemens om het huidige glastuinbouwbedrijf te beëindigen en de bestaande glastuinbouwkassen te saneren en middels de ‘Beleidsregel maatwerkregeling omgevingskwaliteit’ van de provincie Noord-Brabant 3,11 ruimte-voor-ruimte titels te genereren. In bijlage 3 is de berekening maatwerk omgevingskwaliteit te vinden, hier is weergegeven hoe de titels worden gegenereerd. Deze titels worden ingezet voor 4 woningen, namelijk de bestaande aanleunwoning omzetten naar een zelfstandige woonbestemming en drie nieuw te realiseren ruimte-voor-ruimte woningen. In vooroverleg met de gemeente is bepaald dat in ruil voor de sloop van 2 ha kassen, 3.000 m 3 aan woongebouwen gerealiseerd mag worden. Deze 3.000m3 kan gebruikt worden voor meerdere wooneenheden al dan niet in één dezelfde gebouw. Dit resulteert in de volgende verdeling van de 3.000 m 3 aan woongebouwen. • 700 m3 ten behoeve van de huidige aanleunwoning. Zodat dit een volwaardige woning is. • 700 m3 ten behoeve van één nieuwe woning. Type woning wordt een schuurwoning met een inpandig bijgebouw. • 2* 800 m3 tenzamen 1600 m3 woonruimte ten behoeve van 2 wooneenheden in het zogenaamde hoofdgebouw. Type woning wordt een schuurwoning met een inpandig bijgebouw.
5 van 56
De huidige bedrijfswoning wordt gewijzigd naar een woonbestemming. Daarnaast is de initiatiefnemer voornemens om een rijbak te realiseren. Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van het landschappelijk inpassingsplan. Hierop is de beoogde situatie weergegeven.
Afbeelding 2: beoogde situatie Ollandseweg 148
1.2. Geldend planologisch regime Binnen het plangebied zijn de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ (onherroepelijk vastgesteld 20-11-2012); ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1’ (onherroepelijk vastgesteld 29-01-2015); ‘Buitengebied Sint-Oedenrode 2’ (onherroepelijk vastgesteld 29-09-2016); ‘Buitengebied Sint-Oedenrode 3’ (onherroepelijk vastgesteld 16-08-2017); ‘Buitengebied SintOedenrode, herziening 4’ (onherroepelijk vastgesteld 16-08-2017); ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ (vastgesteld 31-01-2019) en ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’. Binnen het plangebied zijn volgende de vigerende bestemmingsplannen de volgende bestemmingen en aanduidingen van toepassing: - Enkelbestemming: Agrarisch met waarden – Landschapswaarden; - Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 1 (gedeeltelijk); - Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 2 (gedeeltelijk); - Functieaanduiding: glastuinbouw (gedeeltelijk); - Gebiedsaanduiding: bebouwingsconcentratie 2; - Gebiedsaanduiding: cultuurhistorisch waardevol gebied; - Gebiedsaanduiding: reconstructiewetzone – extensiveringsgebied; - Bouwvlak (gedeeltelijk). Op navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ weergegeven. Het plangebied is hierin globaal rood omlijnd.
6 van 56
Afbeelding 3: uitsnede www.ruimtelijkeplannen.nl)
verbeelding
bestemmingsplan
‘Buitengebied
Sint-Oedenrode
(bron:
Binnen de vigerende bestemmingsplannen ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’, ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1’; ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’; ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ en ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ zijn geen bestemmingen en aanduidingen opgenomen voor het plangebied. De bestemmingen en aanduidingen opgenomen in bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ zijn daarom geldend voor het plangebied. Voor beoogde ontwikkeling, het realiseren van ruimte-voor-ruimte woningen en het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch met waarde – Landschapswaarden’ is niet rechtstreeks toegestaan binnen het vigerend bestemmingsplan. Voor de beoogde ontwikkeling is op 28 december 2020 (kenmerk: 920133.002) een principeverzoek verstuurd. Dit is per mail aangevuld en mondeling toegelicht. De stedenbouwkundige opzet is hierbij vooraf afgestemd met de gemeente Meierijstad. De gemeente heeft bevestigd medewerking te willen verlenen aan een herziening van het bestemmingsplan ten behoeve van de beoogde ontwikkeling. 1.3. Procedure Voor het beoogde plan dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure.
Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het plan voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan eenieder zienswijzen kenbaar maken.
7 van 56
Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt deze opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kan eenieder die óf tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp óf belanghebbenden is, beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde plan worden aangevraagd. 1.4. Leeswijzer In deze toelichting zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het plan gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5.
De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan wordt verantwoord in hoofdstuk 6.
8 van 56
2. Planbeschrijving
In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de plangebied. 2.1. Bestaande situatie Het plangebied is gelegen aan de Ollandseweg 148 te Sint Oedenrode in het buitengebied van de gemeente Meierijstad en is kadastraal bekend gemeente Sint-Oedenrode, sectie R, nummers 340, 490, 491, 492, 493 en 494. Het plangebied ligt op 1,2 kilometer ten westen van de kern van Sint-Oedenrode en op ongeveer 900 meter afstand ten oosten van de kern van Olland. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich een agrarisch bedrijf, een niet agrarisch bedrijf en woningen. De omliggende percelen worden veelal gebruikt als grasland of akkerland. In onderstaande afbeelding is de omgeving van het plangebied weergegeven. Hierbij is het plangebied globaal rood omlijnd.
Afbeelding 4 omgeving plangebied (bron: kadastralekaart.nl)
Volgens ‘Landschapsanalyse Meierijstad’ (juni 2020) is het plangebied gelegen in het landschapstype ‘Oude ontginningen’. Dit landschap kent oude graslanden met een kleinschalig afwisselend beeld met kamerstructuur. De percelen zijn vaak omsloten door hagen en heggen. De verkaveling is vaak kleinschalig en onregelmatig gegroeid. De verspreide bebouwing is aan transparante linten dan wel in clusters verspreid in het landschap. Het landschap wordt zowel gebruikt door agrariërs met weilanden en akkers, als burger met woningen en bedrijven. Door het afwisselende en kleinschalige landschap is het ook aantrekkelijk om te recreëren. Momenteel wordt er een glastuinbouwbedrijf geëxploiteerd met een bouwvlak van ongeveer 3 hectare. Binnen het plangebied is een bedrijfswoning, een aanleunwoning, een glastuinbouwkas van ongeveer 0,2 hectare aanwezig welke tevens gebruikt wordt als schuur en 1,8 hectare glastuinbouwkassen die waarin momenteel asperges geteeld worden. In totaal zijn er ongeveer 2 hectare aan glastuinbouwkassen gerealiseerd binnen het plangebied. Op navolgende afbeelding is de aanwezige bebouwing binnen het plangebied weergegeven.
9 van 56
Kassen, 1,8 hectare Kas/schuur, 0,2 hectare Bedrijfswoning aanleunwoning Afbeelding 5 overzicht aanwezige bebouwing plangebied (bron: kadastralekaart.nl)
2.2. Beoogde situatie De initiatiefnemer is voornemens om het agrarisch bedrijf te beëindigen. De uitbreidingsmogelijkheden op het plangebied zijn beperkt. Het glastuinbouwbedrijf is niet gelegen in een glastuinbouwconcentratiegebied waardoor verdere uitbreiding binnen het plangebied niet wenselijk is. Daarnaast is er geen bedrijfsopvolger in beeld waaraan het bedrijf overgedragen wordt. Om de hiervoor genoemde redenen is de initiatiefnemer voornemens is om het glastuinbouwbedrijf op de locatie beëindigen en de bestaande glastuinbouwkassen te saneren voor het oprichten van ruimte-voor-ruimte woningen. Eén of meerdere kinderen van de initiatiefnemer hebben interesse om te wonen op de locatie. Op deze manier wil initiatiefnemer zijn kinderen ondersteunen bij de aankoop/realisatie van een eigen woning in het buitengebied van Sint-Oedenrode. Middels de ‘Beleidsregel maatwerkregeling omgevingskwaliteit’ van de provincie Noord-Brabant kunnen 3,11 ruimte-voor-ruimte titels gegenereerd worden (zie bijlage 3). De initiatiefnemer is voornemens deze titels in te zetten voor 4 woningen, namelijk de voormalige aanleunwoning en drie nieuw te realiseren ruimte-voor-ruimte woningen. In vooroverleg met de gemeente is bepaald dat in ruil voor de sloop van 2 ha kassen, 3.000 m3 aan woongebouwen gerealiseerd mag worden.
Deze 3.000m 3 kan gebruikt worden voor meerdere wooneenheden al dan niet in één dezelfde gebouw. Dit resulteert in de volgende verdeling van de 3.000 m3 aan woongebouwen. • 700 m3 ten behoeve van de huidige aanleunwoning. Zodat dit een volwaardige woning is. • 700 m3 ten behoeve van één nieuwe woning. Type woning wordt een schuurwoning met een inpandig bijgebouw. • 2* 800 m3 tenzamen 1600 m3 woonruimte ten behoeve van 2 wooneenheden in het zogenaamde hoofdgebouw. Type woning wordt een schuurwoning met een inpandig bijgebouw. Door de functieaanduiding ‘glastuinbouw’ van deze locatie te verwijderen is het niet meer toegestaan om een glastuinbouwbedrijf te vestigen op deze locatie. Dit levert een aanzienlijke milieuwinst op, voor zowel de locatie zelf als voor de omgeving. De kassen worden gesloopt. De bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een woonbestemming. Om dit te kunnen realiseren zal de bestemming ‘Agrarisch’ gewijzigd worden naar de bestemming ‘Wonen’. Daarnaast is de initiatiefnemer voornemens een buitenrijbak te realiseren van 20 bij 40 meter.
10 van 56
De lintbebouwing van de Ollandseweg vormen de basis van de gewenste stedelijke opzet. De lintbebouwing ontstond langs wegen die de oude kernen met elkaar verbonden. Karakteristiek voor deze linten is de afwisseling in landschap, bebouwing en de doorzichten naar achterliggende gebieden. De stedenbouwkundige opzet van de beoogde drie nieuw te bouwen woningen is geënt op de historische boerenerfbebouwing die van oudsher kenmerkend is voor deze omgeving. De schuren staan bij een boerenerf om het erf heen, naast de woning. Ook wordt gebruik gemaakt van één inrit. Bij het ontwerp aan de Ollandseweg kunnen aan bouwen of andere bijgebouwen in het hoofdvolume van de woning worden onderbracht. Dit om te voorkomen dat er veel verschillende bouwwerken en bijgebouwen, verspreid op verschillende plek ken op het erf, worden geplaatst. Hierdoor wordt voorkomen dat de oorspronkelijke stedenbouw kundige structuur van het boerenerf wordt aangetast. De te realiseren woonkavels hebben een oppervlakte van ieder (ongeveer) 1500 m2 en bieden daarmee voldoende ruimte om woning met bijgebouw te realiseren. De ruimte-voor-ruimte woningen hebben ieder een inhoud van 750 m3 tot 900 m3, zoals gangbaar is bij ruimte-voor-ruimte woningen binnen de gemeente Meierijstad.
In de beoogde situatie zijn er 5 woningen binnen het plangebied aanwezig, namelijk: - De bestaande bedrijfswoning van maximaal 750 m3 en 150 m2 aan (vrijstaande)bijgebouwen; - De bestaande mantelzorgwoning van maximaal 700 m3 en 150 m2 aan (vrijstaande)bijgebouwen; - Een twee-aaneen gebouwde woning met een inhoud van twee keer maximaal 800 m 3 en twee inpandige bijgebouwen van ieder maximaal 700 m 3 per woning. Het totale hoofdvolume van twee woningen en twee inpandige bijbouwen is samen 3.000 m 3 - Een vrijstaande woning met een inhoud van maximaal 700 m3 en een inpandig bijgebouw, van maximaal 700 m3. De totale hoofdvolume van de woning en het inpandige bijgebouw is 1.400 m3 . In de beoogde situatie is er voldoende parkeergelegenheid aanwezig per woning. Dit wordt op eigen terrein gecreëerd. In navolgende afbeelding is een situatieschets weergegeven van de beoogde situatie. Hierop zijn de verschillende woonpercelen en woningen weergegeven zoals reeds beschreven. In bijlage 1 is het landschappelijk passingsplan weergegeven.
Buitenrijbak Vrijstaande woning Twee aaneen woning Bestaande woning
(Bedrijfs)woning Afbeelding 6: situatieschets beoogde situatie
Aan de beoogde bebouwing zijn bepaalde eisen gesteld door de gemeente die zijn opgenomen in het beeldkwaliteitsplan. In het plan staat beschreven hoe de beeldkwaliteit van de nieuw te realiseren
11 van 56
bebouwing eruit dient te komen zien. Dit beeldkwaliteitsplan is in bijlage 2 bijgevoegd aan het document.
12 van 56
3. Beleidskader
In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het plan wordt getoetst aan het nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. 3.1. Rijksbeleid
3.1.1. Ladder duurzame verstedelijking
In geval van stedelijke ontwikkeling moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken. Het plan betreft het omschakelen het saneren van het glastuinbouwbedrijf. Waarbij de bestaande bedrijfswoning en voormalige aanleunwoning omschakelen naar de bestemming ‘Wonen’. Tevens worden er drie nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voorziet in een regionale behoefte. Toepassing van de ladder is daarom niet nodig. 3.2. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.2.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is: ‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het plan voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het plangebied wordt ook een positieve
13 van 56
bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Tevens is er rekening gehouden met de stedenbouwkundige opzet. De ruimte-voor-ruimte woningen worden in een boerenerf principe gerealiseerd. De kenmerken van een boerenerf zorgen ervoor dat de woningen niet als onsamenhangende tweedelijns bebouwing gerealiseerd worden, maar als 1 samenhangende ontwikkeling langs de lintbebouwing. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het plan past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.
3.2.2. Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014
De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie is vertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie navolgende afbeelding, ligt het plangebied in het gemengd landelijk gebied. In het gemengde landelijke gebied vindt een vermenging van functies plaats. Naast het gebruik van de gronden ten behoeve van de land- en tuinbouw, is er ook plaats voor natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Omdat de locatie in het gemengde landelijk gebied ligt, hanteert de provincie het multifunctionele gebruik als uitgangspunt.
Het plangebied is dus onderdeel van een multifunctioneel gebied. Naast het gebruik van de gronden ten behoeve van de land- en tuinbouw, is er ook plaats voor natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Omdat de locatie in het gemengde landelijk gebied ligt, hanteert de provincie het multifunctionele gebruik als uitgangspunt. Het plan past daarom binnen de uitgangspunten van de Sv 2014.
Afbeelding 7: uitsnede structuurvisie 2014 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
14 van 56
3.2.3. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin het plangebied ligt.
In dit geval ligt het plangebied in de werkingsgebieden ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’, ‘Gemengd landelijk gebied’, ‘Landelijk gebied’ en ‘Stalderingsgebied’, zie afbeelding 6.
Afbeelding 8: uitsnede kaart Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Afdeling 3.6 bevat de voorwaarden voor een vitaal platteland, die onder andere van toepassing zijn op het gemengd landelijk gebied. Met het plan wordt de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ deels gewijzigd naar bestemming ‘Wonen’ en nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen gerealiseerd. Er zal derhalve worden getoetst aan artikel 3.68 voor Wonen in het Landelijk gebied en artikel 3.69 voor Afwijkende regels (burger)woningen. In artikel 3.68, eerste lid, is vastgelegd dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. Hiervan kan worden afgeweken met ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het kader van rood voor groen, zoals ruimte-voor-ruimte woningen. De voorwaarden hiervoor zijn vervat in artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit en artikel 3.79 Ruimte-voor-ruimte kavel.
15 van 56
Verder bevat artikel 3.52 aanvullende regels ten aanzien van het stalderingsgebied. Deze regels hebben betrekking op een toename in de oppervlakte dierenverblijven voor hokdieren. Het plan heeft geen betrekking op een veehouderij. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn derhalve niet van toepassing. In artikel 3.29 zijn de afwijkende regels ten aanzien van de aanduiding ‘cultuurhistorische waardevol gebied’ opgenomen. Deze regels zijn gericht op het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken ter plaatse van het plangebied. beperken de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen. Er zal derhalve getoetst moeten worden aan artikel 3.29 Cultuurhistorische waarden. Aan de relevante artikelen zal hierna worden getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: ▪ zorgvuldig ruimtegebruik; ▪ de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; ▪ meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8.
Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van een glastuinbouwbedrijf waarbij de bestaande bedrijfswoning en voormalige aanleuning gewijzigd worden naar een woonbestemming. Tevens worden drie nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen gerealiseerd. De ontwikkeling voorziet niet in meer dan 11 woningen, en heeft geen betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voorziet in een regionale behoefte. Toetsing van de ladder is daarom niet nodig. Zie paragraaf 3.1.1. Er wordt gebruik gemaakt van een bestaand bouwperceel en de bestaande bedrijfswoning en aanleunwoning op de Ollandseweg 148 te Sint-Oedenrode.
In de beoogde situatie wordt het glastuinbouwbedrijf beëindigd en de bestaande kassen gesaneerd, waarbij het bestaande bouwperceel wordt verkleind. Het bestemmingsvlak wonen beperkt zich tot de woning, tuin, erfverharding, bijgebouwen en buitenrijbak. In de beoogde situatie neemt het bebouwd oppervlak sterk af. Er is derhalve sprake van een zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond ▪ de netwerklaag ▪ de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en
16 van 56
goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het plan op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de sanering van het glastuinbouwbedrijf en het wijzigen van de agrarische bestemming naar een woonbestemming. Met de beoogde ontwikkeling is er sprake van een afname van verhard oppervlak en emissies.
Door de beoogde ontwikkeling te combineren met een goede landschappelijke inpassing wordt het leefmilieu in de omgeving verbeterd. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Meierijstad is ‘Handreiking kwaliteitsverbetering’ van toepassing. Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 2 ontwikkeling (beperkte impact) wat betekent dat het plan een beperkte impact heeft op het landschap en de directe omgeving. De verplichte basisinspanning is het opstellen van een landschappelijke inpassing in de vorm van een erfinrichtingsplan.
De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van het glastuinbouwbedrijf, omschakelen van de agrarische bedrijfswoning naar de bestemming wonen tot ongeveer 2.200 m 2 met een bijgebouw van maximaal 150 m2 en het realiseren van ruimte-voor-ruimte woningen. Deze ontwikkelingen zijn opgenomen in de ‘Handreiking kwaliteitsverbetering’ van de gemeente Meierijstad onder: - ‘Wijziging bestemming agrarisch bedrijf in bestemming wonen of wonen met VAB aanduiding, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5.000m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500m 2 voormalige bedrijfsbebouwing resteert (categorie 2); en - ‘Realisatie Ruimte-voor-ruimte woning(en)’ (categorie 1) De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd door de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov. Cultuurhistorische waarden (artikel 3.29) In artikel 3.29 van de Iov is opgenomen dat een bestemmingsplan, binnen het toepassingsbereik ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’ mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart
17 van 56
en regels stelt ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. In voorliggend betstemmingsplan is de gebiedsaanduiding ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’ vastgelegd in de regels en verbeelding. Hierdoor is het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken binnen het plangebied geborgd. In paragraaf 4.4.1 worden de aanwezige cultuurhistorische waarden binnen het plangebied nader beschreven. Ontwikkeling van niet agrarische functie (paragraaf 3.6.7)
Wonen in landelijk gebied (artikel 3.68 en 3.69)
In artikel 3.68 van de Iov is opgenomen dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. In afwijking hiervan kan het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning mogelijk worden gemaakt als is verzekerd dat:
1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt;
De bestaande bedrijfswoning wordt gewijzigd naar één woonbestemming. Voor de overige 4 woonbestemmingen wordt gebruik gemaakt van de beleidsregel ‘Maatwerk omgevingskwaliteit’ in ruil voor het saneren van het saneren van het glastuinbouwbedrijf.
2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.
Zoals reeds uiteen is gezet wordt de overtollige bebouwing met deze ontwikkeling gesaneerd in het kader van de beleidsregel ‘Maatwerk omgevingskwaliteit’ in ruil voor 3,11 titels. Deze titels worden vrijgeven als de sloop van de bedrijfsgebouwen daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Ontwikkelingsrichting (artikel 3.77) Lid 1 Voor de toepassing van de maatwerkbepaling in deze afdeling geldt dat het bestemmingsplan een onderbouwing bevat dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten:
a. welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving;
De beoogde ontwikkeling, het realiseren van ruimte-voor-ruimte woningen, past binnen de omgeving. Uit onderstaand gemeentelijk beleid blijkt dat de locatie ligt in het ‘Landschappelijk gebied, verweving van functies’. Dit houdt in dat er verschillende functies mogelijk zijn, zo ook het realiseren van een woonbestemming. Tevens ligt de locatie gelegen binnen bebouwingsconcentratie ‘Ollandseweg’. Het realiseren van nieuwe woningen bieden de kans om de bebouwingsconcentratie uit te breiden, wel op gelet dat de zichtlijnen met achterliggend landschap worden behouden.
b. welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; In hoofdstuk 4 wordt er onderbouwd hoe er wordt voldaan aan de aspecten van een gezonde leefomgeving. Deze voorwaarde vormt geen hinder.
c. op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap;
De omschakeling van een agrarisch bedrijf naar wonen geeft een meerwaarde voor het gebied rondom de Ollandseweg. De omgevingskwaliteit verbeterd door het saneren van het glastuinbouwbedrijf, het verwijderen van het verhard oppervlak en de glazen kassen. Door middel van de landschappelijke inpassing (bijlage 1) en beeldkwaliteitsplan (bijlage 2) zal de een kwaliteitsverbetering van het landschap plaatsvinden.
d. op welke wijze de sloop van overtollige bebouwing wordt gerealiseerd.
De beoogde ontwikkeling voorziet in het slopen van overtollige bebouwing, namelijk in de vorm van het saneren van de kassen.
Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit (artikel 3.78)
18 van 56
In artikel 3.68 dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. In afwijking hiervan is nieuwvesting toegestaan indien:
1. De ontwikkeling in overleg met de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit;
Door de het saneren van het glastuinbouwbedrijf, in overleg met de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte, ruimte is een aanzienlijke winst voor de omgevingskwaliteit bewerkstelligd. In totaal worden er 3,11 ruimte-voor-ruimte titels gegenereerd. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan zal het bewijsstukkendossier voor het genereren van de ruimte-voor-ruimte titels worden bijgeleverd. In bijlage 3 is de berekening van de ruimte-voor-ruimte titels te vinden.
2. De ontwikkeling op een aanvaardbare locatie plaatsvindt. Er is sprake van een aanvaardbare
locatie voor de ontwikkeling van een woning als de locatie in een bebouwingsconcentratie ligt óf de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied of een bebouwingsconcentratie. Conform het vigerend bestemmingsplan is plangebied is gelegen binnen de gebiedsaanduiding ‘bebouwingsconcentraties 2’, in het historisch bebouwingslint ‘Ollandseweg’. Op deze locatie is de lintbebouwing kenmerkend voor de omgeving. De ontwikkeling ligt daarmee op een aanvaardbare locatie en sluit aan op de omgeving.
3. De ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, mede gelet op de volgende aspecten (art. 3.77): - Functies en activiteiten vanuit een gebiedsgerichte benadering - De effecten van de ontwikkeling op deze functies en activiteiten - Omgevingskwaliteit versterken - Sloop van overtollige bebouwing
De ontwikkeling is afgestemd op beleidsstukken van de gemeente als ‘Kansen voor kwaliteit’ en ‘Herziening bebouwingsconcentraties’. In paragraaf 3.3 worden deze beleidsstukken nader toegelicht. De sanering van het glastuinbouwbedrijf en realisatie van de ruimte-voor-ruimte woningen sluiten aan bij de uitgangspunten van de bebouwingsconcentratie van de Ollandseweg, ook wordt de overtollige bebouwing op locatie gesloopt met de ontwikkeling. De sanering van het glascomplex heeft een positieve impact op het landschap en de omgevingskwaliteit hiervan. De realisatie van het boerenerf en de connectie met het achterliggende landschap zorgt tevens ook van een versterking van de oorspronkelijke bebouwing en samenhang met het achterliggende landschap. Voor verdere toelichting wordt verwezen naar de landschappelijke inpassing, welke is bijgevoegd als bijlage.
Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 3.3. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan.
3.3.1. Beleidsnotitie ‘Kansen voor Kwaliteit’
De gemeente Meierijstad heeft op 24-01-2020 de notitie ‘Kansen voor kwaliteit’ opgesteld. Deze notitie is opgesteld naar aanleiding van een merkbare toename in vrijkomende (agrarische) bebouwing, leegstand, verrommeling, botsende belangen en oprukkende verstedelijking. Er is binnen de gemeente behoefte aan beleid op dit vlak. De notitie geeft een afwegingskader om deze initiatieven te beoordelen. Er wordt hierbij gekeken naar o.a. de functietype en het gebiedstype ter plaatse. De gewenste functietype betreft ‘Wonen’, dit wordt gezien als een gebiedspassende functie. Dergelijke functies kunnen ruimtelijk verantwoord passen in (delen van) het buitengebied. De gebiedstype ter plaatse van het plangebied betreft Gebiedstypologie II Landelijk gebied, verweving van functies (zie navolgende afbeelding).
19 van 56
Plangebied
Afbeelding 9: gebiedstypen gemeente Meierijstad (bron: notitie Kansen voor kwaliteit)
Binnen het gebiedstype ‘Landelijk gebied, verweving van functies’ is er, zoals de naam al zegt, een verweving van functies. In dit gebied zijn de agrarische bedrijven niet de enige gebruikers. Door de tijd hebben agrarische bedrijven plaatsgemaakt voor nieuwe functies. In principe zijn alle functies hier mogelijk. Of een functie ook daadwerkelijk haalbaar, hangt af van de impact op de (directe) omgeving. In de notitie wordt verder aangegeven dat voor de beoordeling van de effecten gekeken wordt naar: - Wat is de omvang van de beoogde functie; - Wat is de aard van de beoogde functie; - Wat is de aard van de (directe) omgeving; - Wat is de uitstraling van de beoogde functie. Voor de functie wonen zijn specifieke randvoorwaarden opgenomen in het beleidsdocument. Ter plaatse van de woonbestemmingen dient aangetoond te worden dat er sprake is van een goed woonen leefklimaat. Met name geurhinder vormt hierbij regelmatig een struikelblok. Met de beoogde ontwikkeling wordt bebouwing van een vrijkomend agrarisch bedrijf hergebruikt voor een nieuwe functie. Hierdoor wordt leegstand en verloedering van het buitengebied voorkomen. Het plan (wijziging naar enkelbestemming ‘Wonen’) is passend bij de aangegeven functietype en gebiedstype. In de omgeving van het plangebied zijn de functies wonen, agrarisch en bedrijf vertegenwoordigt. De omvang van het bouwperceel wordt daarbij teruggebracht.
Middels de beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit worden ruimte-voor-ruimte titels genereerd waarmee de beoogde woningen worden gerealiseerd. Hierdoor is verzekerd dat er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied wordt nader in deze toelichting beschreven in hoofdstuk 4 waarin de milieuhygiënische en planologische aspecten aan bod komen. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een goed woon- een leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Daarnaast worden omliggende bedrijven niet beperkt in hun bedrijfsvoering. Door het wijzigen van de agrarische bestemming ter plaatse naar een woonbestemming wordt een agrarische locatie, waar het gezien de ligging en de omvang lastig is om dit verder te exploiteren, op een passende wijze ontwikkeld wordt zonder dat andere (agrarische) bedrijven hierdoor beperkt worden. Door de beëindiging van het glastuinbouwbedrijf en het genereren van ruimte-voor-ruimte titels is verzekerd dat er een aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit is behaald. Dit verbetert het woon- en leefklimaat op de locatie en haar directe omgeving. Naast de sloop van bedrijfsbebouwing
20 van 56
wordt de het plangebied voorzien van landschappelijke inpassing zodat het geheel passend is in de directe omgeving. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het plan passend is binnen de beleidsnotitie ‘Kansen voor Kwaliteit’.
3.3.2. Beleidsnotitie ‘Herziening Bebouwingsconcentratie en het overige buitengebied SintOedenrode’
Binnen het vigerend bestemmingsplan is de locatie gelegen binnen de gebiedsaanduiding bebouwingsconcentratie 2. In de beleidsnotitie ‘Herziening Bebouwingsconcentraties en het overige buitengebied Sint-Oedenrode’ is de visie voor bebouwingsconcentraties uitgewerkt. Dit is een herziening op het eerste opgestelde ‘Gebiedsvisie voor bebouwingsconcentraties Sint-Oedenrode’ dat de gemeentelijke uitwerking is van het provinciaal en landelijk beleid met betrekking tot de ontwikkeling van het buitengebied, onder meer de beleidsnota 'Buitengebied in ontwikkeling' van de provincie NoordBrabant. De notitie ‘Herziening Bebouwingsconcentraties en het overige buitengebied Sint-Oedenrode’ is op 31 januari 2013 door de voormalige gemeenteraad van Sint-Oedenrode vastgesteld. Het plangebied is gelegen binnen bebouwingsconcentratie ‘Ollandseweg’. Hieronder is een uitsnede weergeven van een kaart uit ‘Herziening Bebouwingsconcentraties en het overige buitengebied SintOedenrode’ waarop zoeklocaties voor extra bebouwing zijn met blauwe vlakken blauwe vlakken zijn weergegeven binnen de bebouwingsconcentratie ‘Ollandseweg’. De gele pijlen geven de te behouden/versterken zichtrelaties weer. Binnen de beleidsnotitie zijn geen specifieke voorwaarden opgenomen voor uitbreiding van bebouwing.
Afbeelding 10: weergave bebouwingsconcentratie 'Ollandseweg' Bebouwingsconcentraties en het overige buitengebied Sint-Oedenrode)
(bron:
beleidsnotitie
Herziening
In de omgeving van het plangebied aan de Ollandseweg 148 bevinden zich diverse woningen. het beoogde plangebied is gelegen naast een zoeklocatie voor toevoeging van extra bebouwing. Tegenover het plangebied is er sprake van te behouden/versterken zichtrelatie. Gezien het naastgelegen zoekgebied en de omliggende woningen in de omgeving zijn de beoogde ruimte-voor-ruimte binnen het plangebied voorstelbaar. De beoogde ruimte-voor-ruimte woningen verstoren daarnaast de bestaande zichtrelatie niet, zoals op voorgaande afbeelding is weergegeven. Door het saneren van het glastuinbouwbedrijf wordt de zichtlijn naar achterliggend landschap versterkt. De beoogde ontwikkelingen vinden plaats binnen de bebouwingsconcentratie ‘Ollandseweg’, in de directe nabijheid van zoekgebied ‘zoekgebied voor toevoeging extra bebouwing’. De beoogde
21 van 56
ontwikkeling is daarmee passend binnen de beleidsnotitie ‘Herziening Bebouwingsconcentraties en het overige buitengebied Sint-Oedenrode’.
3.3.3. Bestemmingsplan
Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven, zijn de bestemmingsplannen van toepassing op het plangebied: ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ (onherroepelijk vastgesteld 20-11-2012); ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1’ (onherroepelijk vastgesteld 29-01-2015); ‘Buitengebied Sint-Oedenrode 2’ (onherroepelijk vastgesteld 29-09-2016); ‘Buitengebied SintOedenrode 3’ (onherroepelijk vastgesteld 16-08-2017); ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’ (onherroepelijk vastgesteld 16-08-2017); ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ (vastgesteld 31-01-2019) en ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’. Binnen het plangebied zijn volgende de vigerende bestemmingsplannen de volgende bestemmingen en aanduidingen van toepassing: - Enkelbestemming: Agrarisch met waarden – Landschapswaarden; - Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 1 (gedeeltelijk); - Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 2 (gedeeltelijk); - Functieaanduiding: glastuinbouw (gedeeltelijk); - Gebiedsaanduiding: bebouwingsconcentratie 2; - Gebiedsaanduiding: cultuurhistorisch waardevol gebied; - Gebiedsaanduiding: reconstructiewetzone – extensiveringsgebied; - Bouwvlak (gedeeltelijk). Op navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ weergegeven. Het plangebied is hierin globaal rood omlijnd.
Afbeelding 11: uitsnede www.ruimtelijkeplannen.nl)
verbeelding
bestemmingsplan
‘Buitengebied
Sint-Oedenrode
(bron:
In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’ is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk. Wél is er een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in artikel 4.7.7 en 4.7.20 waarmee de voorgenomen ontwikkeling (deels) mogelijk wordt gemaakt. Voor de beoogde ontwikkeling is op 28 december 2020 (kenmerk: 920133.002) een principeverzoek verstuurd. Dit is per mail aangevuld en mondeling toegelicht, waarbij het stedebouwkundigplan vooraf met de gemeente is afgestemd. De gemeente heeft bevestigd medewerking te willen verlenen aan een herziening van het bestemmingsplan ten behoeve van de beoogde ontwikkeling.
22 van 56
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten
Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: ▪ Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. ▪ Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2. is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.
Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt, mede door de grote afstand, tot voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen van de C-lijst geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht en voor gevallen onder de grenzen van de D-lijst geldt een vormvrije m.e.r.- beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het plan sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Het realiseren van woningen valt in beginsel onder categorie 11.2 uit de D-lijst van de bijlage bij het Besluit m.e.r.: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” . In kolom 2 staan de gevallen waarin de activiteiten betrekking op heeft: - Een oppervlakte van 100 hectare of meer, - Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of - Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Op grond van bovenstaand wordt gesteld dat de realisatie van 5 woonpercelen (waarvan 2 bestaande woningen) niet wordt aangemerkt als ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ zoals bedoeld in Besluit m.e.r. Daarmee valt de beoogde ontwikkeling niet onder een van de categorieën zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Het Besluit m.e.r. is hierdoor niet van toepassing. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het plan op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie. ▪ Waterrelevant beleid
23 van 56
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.
4.2.1. Provincie
Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: ▪ Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; ▪ Een betere waterveiligheid door preventie; ▪ Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De wijze waarop de provincie omgaat met water is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP is op 22 december 2021 inwerking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050 en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050.
In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het moet worden gewijzigd; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: ▪ Voldoende water ▪ Schoon water ▪ Veilig water ▪ Vitale bodem ▪ Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in haar RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend.
4.2.2. Waterschap de Dommel
Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Het waterschap de Dommel hanteert verschillende beleidsstukken bestaande uit onder andere het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Keur 2015 en de legger waterstaatswerken 2021. Waterbeheerprogramma 2022-2027 waterschap de Dommel Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Er worden drie principes gehanteerd die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: ▪ Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt