5a Onderbouwing wijziging omgevingsplan Boerdonksedijk 36 Erp
Tekst van het document
Onder achtergrondbelasting wordt verstaan de cumulatieve geurbelasting op het projectgebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het projectgebied (belang geurgevoelig object). Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente een omgevingsplan met regels die eerst in de rijksregels stonden. Dit heet de Bruidsschat. Hierin staan ook de geurregels voor veehouderijen vanuit
Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 24
de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit. Als een gemeente een geurverordening had opgesteld onder de Wgv is deze automatisch opgenomen in het omgevingsplan. 5.4.1
Beoordeling belangen veehouderijen (voorgrondbelasting)
In de directe omgeving van het projectgebied zijn de volgende veehouderijbedrijven gelegen: • Boerdonksedijk 21 (pluimveehouderij): afstand circa 22 meter tot rand bouwvlak; • Boerdonksedijk 30 (varkenshouderij): afstand circa 98 meter tot rand bouwvlak; • Boerdonksedijk 40 (rundveehouderij): afstand circa 270 meter tot rand bouwvlak; De ligging van de veehouderijen is weergegeven in de volgende figuur. Boerdonksedijk 30 (Varkenshouderij)
Projectgebied
Boerdonksedijk 21 (Pluimveehouderij)
Boerdonksedijk 40 (Rundveehouderij)
Figuur 11: Ligging veehouderijbedrijven in de omgeving
Deze veehouderijbedrijven worden beschermd tegen geurgevoelige objecten. Dit betekent dat de rechten van de veehouderijbedrijven die kunnen worden ontleend aan de vigerende vergunning gerespecteerd dienen te worden. De meest nabijgelegen veehouderij met dieren met een geuremissiefactor betreft de pluimveehouderij aan de Boerdonksedijk 21. De wijze van toetsen van de geurgevoelige locatie aan de Boerdonksedijk 36 wijzigt niet. Er moet voldaan worden aan de vaste afstand van 50 meter tussen de woning en het dichtstbijzijnde emissiepunt. Het dichtstbijzijnde emissiepunt is op circa 105 meter van de woning af gelegen. Het projectgebied voldoet aan de minimale afstanden en de geurnorm. 5.4.2
Beoordeling woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting)
Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur in beeld te brengen, is de cumulatieve geurbelasting in de omgeving in kaart gebracht waarbij de aanwezige andere veehouderijbedrijven in de omgeving van het initiatief meegenomen zijn. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn voor veehouderijen gelegen in het gemengd landelijk gebied normen gesteld aan de geurbelasting. Bij uitbreiding dient aangetoond te worden dat de kans op cumulatieve geurhinder op gevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij de ontwikkeling van de veehouderij leidt tot een daling van de achtergrondbelasting. Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 25
Een achtergrondconcentratie van 20 ouE/m³ bij 98-percentiel veroorzaakt maximaal 20% kans op geurhinder in het buitengebied. In de bebouwde kom is een goed woon- en leefklimaat te borgen indien de achtergrondconcentratie niet hoger is dan 10 ouE/m³. Dit komt overeen met een kans op geurhinder die niet hoger is dan 12%. De bedrijven binnen een straal van 2 kilometer afstand rondom het plangebied zijn meegenomen. De berekening is uitgevoerd middels het programma V-Stacks Gebied. Voor het berekenen van de achtergrondbelasting zijn de gegevens gebruikt van het Bestand KRD (d.d. 09-11-2023). De volgende tabel geeft een overzicht van het resultaat. Tabel 2: Resultaten berekening achtergrondbelasting Receptorpunten Woning woonbestemming Boerdonksedijk 36
Toetswaarde (ouE)
Geurbelasting (ouE/m3) 20
19,12
Beoordeling milieukwaliteit Naast een kwantitatieve weergave van de geurbelasting is er bij deze berekening voor gekozen om de geurbeleving inzichtelijk te maken. Hierbij is bijlage 6 en 7 van de handreiking Wet geurhinder en veehouderij (welke als onderdeel van de bruidsschat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan) als leidraad gebruikt. In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking.
Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in de volgende tabel. Tabel 3: Beoordeling milieukwaliteit Voorgrondbelasting Achtergrondbelasting (ouE/m³) (ouE/m³) 0-1,5 1-3 1,5-37 4-8 3,7-6,5 9-13 6,5-10 14-20 10-14 21-28 14-19 29-38 19-25 39-50 25-32 51-65
Percentage geurgehinderden (%) <5 5-10 10-15 15-20 20-25 25-30 30-35 35-40
Milieukwaliteit Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
De volgende tabel geeft per receptorpunt het percentage geurgehinderden en de milieukwaliteit. Een berekening met V-Stacks vergunningen is uitgevoerd om de voorgrondbelasting vanuit de veehouderij aan de Boerdonksedijk 21 te bepalen. De resultaten van de berekening zijn in onderstaande tabel weergegeven. Te zien is dat de voorgrondbelasting in onderhavige situatie bepalend is voor het bepalen van de milieukwaliteit.
Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 26
Tabel 4: Beoordeling milieukwaliteit Receptorpunten Geurbelasting Geurbelasting Percentage Milieukwaliteit voorgrondbelasting achtergrondbelasting geurgehinderden (ouE/m3) (ouE/m3) Woning woonbestemming 10,3 (Boerdonksedijk 21) 19,12 22% Tamelijk slecht Boerdonksedijk 36 11,4 (Boerdonksedijk 42) 11,8 (Boerdonksedijk 30)
Uit bovenstaande resultaten volgt de conclusie dat ter plaatse van de ontwikkeling sprake is van een tamelijk slecht woon- en leefklimaat. In een uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 23 maart 2016 (zaaknummer 2015056000/1/A1) werd door de Afdeling beoordeeld dat een tamelijk slecht woon- en leefklimaat aanvaardbaar kan worden geacht door een motivatie op basis van de Wet stankemissie die gold in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden. Deze wet gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wgv. In deze wet wordt onderscheid gemaakt in categorieën bebouwing in het buitengebied. Categorie IIIbebouwing is verspreid liggende, niet agrarische bebouwing, die aan het buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent. Categorie IV-bebouwing betreft verspreid liggende niet-agrarische bebouwing. Voor categorie III-bebouwing bedroeg het maximale percentage geurgehinderden 22% en voor categorie IVbebouwing was dit 36%. De omgeving van het plangebied Boerdonksedijk 36 valt te karakteriseren met veelal categorie IVbebouwing en in minder mate met categorie III-bebouwing. Het percentage geurgehinderden ligt ruim onder het percentage van 36 en kan daarmee aanvaardbaar worden geacht. De geurnorm ter plaatse van de projectlocatie bedraagt 14,0 ouE/m³. Dit is de norm als het gaat om de individuele geurbelasting van een veehouderij.
Bij een individuele geurbelasting van 14,0 ouE/m³ hoort een ‘tamelijk slecht’ woon- en verblijfsklimaat. Dit woon- en verblijfsklimaat wordt kennelijk acceptabel geacht voor een geurgevoelig object binnen de projectlocatie. Het woon- en verblijfsklimaat is daarom gelijk aan het woon- en verblijfsklimaat dat acceptabel wordt geacht. De voor- en achtergrondbelasting vormen geen knelpunt. Daarnaast is nog relevant op te merken dat daar de wijziging van de bestemming en de sloop van de stallen geborgd is dat binnen de projectlocatie geen veehouderij met daarbij behorende emissies kan ontwikkelen. De planologische mogelijkheden voor de ontwikkeling van een veehouderij worden weggenomen door onderhavige ontwikkeling. Dit heeft een positief effect op het woon- en leefklimaat in de omgeving. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.5
Bodemkwaliteit
Wettelijke basis Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem door in onderlinge samenhang: • Bescherming van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • Toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 27
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente stelt regels voor het tegengaan van bouwen op een verontreinigde bodem. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen. De regels voor ruimtelijke bouwactiviteiten staan bij inwerkingtreding van de Omgevingswet in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Daarnaast geldt er gedeeltelijk overgangsrecht voor de voormalige bouwverordening. Een bodemgevoelige locatie is een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw wordt toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, moet volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie wordt als bodemgevoelig beschouwd als er een bodemgevoelig gebouw is toegestaan op basis van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Dit omvat ook aangrenzende terreinen zoals tuinen. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een deel daarvan dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor het beoogde gebruik aan te tonen, is een verkennend bodemonderzoek volgens artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek bepaalt of de locatie geschikt is voor de beoogde ontwikkeling. De toelaatbare bodemkwaliteit voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie is vastgelegd in het omgevingsplan op basis van artikel 5.89i Bkl. Als een waarde wordt overschreden, is de bouw van een bodemgevoelig gebouw alleen toegestaan als er sanerende of andere beschermende maatregelen worden genomen. Bodemtoets Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moet in bepaalde gevallen worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Voor onderhavig plan is een verkennend bodemonderzoek 1 uitgevoerd. Hieruit komt een lichte vervuiling in de noordoostelijke hoek van het plangebied naar voren. Tevens blijkt in een aantal druppelzones kleine deeltjes van asbest aanwezig. Vanuit het bodemonderzoek wordt geadviseerd om bij de asbestsanering ook de bodem te saneren bij de druppelzones waar fijne deeltjes van asbest zijn gevonden. In het verkennend bodemonderzoek is aanbevolen aanvullend dan wel nader bodemonderzoek te verrichten.
genoemde onderzoeken zijn als volgt: • Na sloop van de zuidelijke schuur dienen hier de volgende onderzoeken te worden uitgevoerd: o onderzoek asbest in grond drupzones (NEN5707). o onderzoek asbest in grond schuur (NEN5707). o aanvullend verkennend bodemonderzoek (NEN5740) met bodem ter plaatse van schuur. • Na sloop van de stallen zijn de volgende onderzoeken nodig: o verkennend asbestonderzoek ter plaatse van bebouwing (NEN5707). o nader asbestonderzoek rond boring 05 (NEN5707). • Aanvullend verkennend bodemonderzoek (NEN5740) met bodem ter plaatse van bebouwing. Op dit moment is al bekend dat de drupzones gecodeerd als A, D en E gesaneerd dienen te worden. Na het verkrijgen van het hierboven genoemde uit te voeren bodemonderzoek dient bepaald te worden of er aanvullend gesaneerd dient te worden. Voor de te saneren terreindelen zullen de extra kosten voor het laten uitvoeren van sanerende maatregelen in verhouding tot de totale financiële exploitatie van het
1 Rapport: Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Boerdonksedijk 36 te Erp, projectnummer 20241666
Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 28
initiatief slechts beperkt blijven en daarvoor geen belemmering vormen. De kosten voor de sanering bedragen circa € 20.000,00.
5.6
Wegen, verkeer en parkeren
5.6.1
Verkeer en ontsluiting
Het projectgebied wordt direct ontsloten middels drie bestaande inritten aan de Boerdonksedijk. In de bestaande situatie betreft het gebruik van de meeste zuidelijke inrit primair de toegang tot de bedrijfswoning en de andere 2 inritten primair de toegang tot het bedrijf. In de beoogde situatie wordt de meest noordelijk gelegen inrit verwijderd. De middelste inrit wordt de inrit die toegang geeft tot de burgerwoning en de bijgebouwen. De meest zuidelijke inrit wordt verkleind maar blijft aanwezig als toegang tot omliggende agrarische gronden. Inrit Noord Inrit Midden
Inrit Zuid
Figuur 12: Ligging inritten en verharding
Uitgegaan wordt van de normen voor verkeersgeneratie zoals gepubliceerd in de CROW-module ‘Kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie’. De verkeersgeneratie voor vrijstaande woningen in het buitengebied bedraagt maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. In de bestaande situatie is er 1 woning met agrarisch bedrijf aanwezig die wordt ontsloten op de Boerdonksedijk. In de beoogde situatie is één woning aanwezig. Dit betekent dat in de beoogde situatie sprake is van een vermindering van verkeersgeneratie. In de beoogde situatie is er sprake van maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. De Boerdonksedijk is een 60 km-weg. Zij is berekend op dit aantal verkeersbewegingen. 5.6.2
Parkeren
Het uitgangspunt ten aanzien van parkeren is dat parkeren moet plaatsvinden op eigen terrein. Uitgegaan wordt van de parkeernormen zoals gepubliceerd in de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’. Voor een vrijstaande koopwoning in het buitengebied geldt een parkeernorm van maximaal 2,4 parkeerplaatsen. Binnen de projectlocatie is één vrijstaande woning aanwezig. Volgens de parkeernorm zijn Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 29
er daarom in totaal 3 parkeerplaatsen nodig. In de beoogde situatie biedt de verharding tussen de woning en de bijgebouwen genoeg ruimte om hieraan te voldoen.
5.7
Omgevingsveiligheid
Eén van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Externe veiligheid krijgt daarom een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan regels opnemen over externe veiligheid. De gemeente stelt in het omgevingsplan regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling houdt ook in dat ze voldoende rekening houdt met het belang van een veilige leefomgeving. Het gaat daarbij om: • De bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit, en • Het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving in bredere zin (schade aan gebouwen en het milieu) bij een ongeval bij een risicovolle activiteit. Zelfredzaamheid Bij de inrichting van een gebied houdt het bevoegd gezag rekening met onder meer zelfredzaamheid. Dit is het vermogen van mensen om zich in veiligheid te brengen in een gebied waar een ramp of zwaar ongeval optreedt. Ook houdt het bevoegd gezag rekening met de mogelijkheden tot hulpverlening.
Hierbij gaat het om: • De toegankelijkheid van het gebied voor de hulpdiensten (brandweer, ambulance en politie) • De mogelijkheden voor de rampbestrijding (bestrijdbaarheid en bluswatervoorzieningen) • Voldoende schuilmogelijkheden in de omgeving. Plaatsgebonden risico Bij het vaststellen van het omgevingsplan moeten gemeenten voldoen aan regels over externe veiligheid. Enerzijds moeten ze in het omgevingsplan een grenswaarde in acht nemen voor het plaatsgebonden risico. Dit speelt bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties voor kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Daarnaast moeten gemeenten in het omgevingsplan voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties rekening houden met de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. Anderzijds gelden er aandachtsgebieden voor bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden Binnen een aandachtsgebied moet de gemeente rekening houden met het groepsrisico. Ook gaat het om het afwegen van beschermende maatregelen voor mensen die in dat gebied wonen, werken of recreëren. Het bevoegd gezag kan in een omgevingsplan een locatie waar een brand- of explosieaandachtsgebied geldt, aanwijzen als een brand- of explosievoorschriftengebied. Binnen de voorschriftengebieden gelden dan bouwvoorschriften voor nieuwe bouwwerken boven op de standaard bouweisen.
Het gaat daarbij om bouweisen die extra beschermen tegen de gevolgen van een van buiten komende brand of explosie. Het aanwijzen van een voorschriftengebied is verplicht als op die locatie ook zeer kwetsbare gebouwen (zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven) zijn toegelaten. Het werken met aandachtsgebieden is een andere manier van omgaan met het groepsrisico. De regels hiervoor staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De regels over extra bouweisen bij nieuwbouw in een (brand- of explosie) voorschriftengebied staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bal: algemene rijksregels voor milieubelastende activiteiten In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan maatregelen die een initiatiefnemer van een risicovolle milieubelastende activiteit moet toepassen. Het gaat om maatregelen voor activiteiten met gevaarlijke stoffen, met vuurwerk, met ontplofbare stoffen voor militair of civiel gebruik en om windturbines. Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 30
Bkl: beoordelingsregels vergunningen voor milieubelastende activiteiten Een aantal risicovolle milieubelastende activiteiten is vergunningplichtig. Beoordelingsregels hiervoor staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het gaat bijvoorbeeld om regels voor de opslag van gevaarlijke stoffen en regels voor Seveso-inrichtingen. Toetsing projectlocatie Met behulp van de nationale risicokaart is bekeken welke risicobronnen in de nabijheid van de projectlocatie zijn gelegen. Een uitsnede van de Signaleringskaart-EV met de projectlocatie is onderstaand weergegeven.
Figuur 13: Uitsnede signaleringskaart omgeving projectgebied
In de buurt van de projectlocatie zijn geen risicobronnen aanwezig. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.8
Natuur
De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortbescherming en gebiedsbescherming. Deze staan los van elkaar en hebben ieder hun eigen werking. Per 1 januari 2024 is de uitvoering hiervan opgenomen in de Omgevingswet en vervalt de Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij om Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna activiteiten. De regelgeving met betrekking tot Natura 2000-activiteiten zorgt voor de bescherming van (natuur)gebieden en de regelgeving met betrekking tot flora- en fauna activiteiten regelt de bescherming van alle in het wild levende planten- en diersoorten, dus ook buiten de beschermde gebieden. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moet worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten en/of beschermde gebieden. 5.8.1
Gebiedsbescherming
Natura2000-gebieden Natura2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. De bescherming van deze gebieden is gebaseerd op internationale verplichtingen (Vogel- en Habitatrichtlijn). Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 31
Per Natura2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Het meest nabijgelegen Natura2000-gebied betreft Deurnsche Peel en Mariapeel op een afstand van circa 17 kilometer. Gelet op de aard van de kleinschalige ontwikkeling en de afstand tot het natuurgebied zijn geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied en andere Natura2000-gebieden te verwachten.
Projectlocatie
Natura2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel
Figuur 14: Ligging Natura2000-gebied
Stikstofdepositie Om de stikstofdepositie op omliggende Natura2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling in beeld te brengen is met het rekenprogramma Aerius Calculator een berekeningen gemaakt van de stikstofdepositie: van de gebruiksfase van de nieuwe ontwikkeling. In de bijlage zijn de uitgangspunten voor de berekening en de resultaten toegevoegd. Het resultaat van de berekeningen laat zien dat geen sprake is van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Natuur Netwerk Brabant Natuur Netwerk Brabant (onderdeel van Natuur Netwerk Nederland) is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit Natuur Netwerk.
Naast stikstofdepositie heeft men te maken met de volgende mogelijke storende aspecten ten gevolge van activiteiten en plannen zoals verlies van oppervlakte, barrièrewerking en versnippering, verstoring door geluid en licht, trilling, optische verstoring, verstoring door mensen, mechanische effecten, verontreiniging, verdroging en bewuste verandering soortensamenstelling. Het meest nabijgelegen gebied behorende tot Natuur Netwerk Brabant ligt op circa 230 meter. Gelet op de aard en kleinschalige omvang van de ontwikkeling worden deze gebieden niet aangetast c.q. doorkruist.
Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 32
Projectlocatie
NNB NNB
Figuur 15: Ligging Natuur Netwerk Brabant
5.8.2
Soortenbescherming
In zijn algemeenheid is bij ruimtelijke ingrepen sprake van directe, indirecte, tijdelijke en permanente effecten. Onder directe effecten worden effecten verstaan waarmee planten en dieren rechtstreeks te maken krijgen als gevolg van de ontwikkeling. Verlies van habitat en kwaliteit zijn directe effecten en bovendien permanent. Indirecte effecten betreffen onder andere verstoring, waarbij de aanwezigheid van mensen, licht en geluid een rol speelt. Verstoring tijdens de bouwwerkzaamheden zijn tijdelijk, maar verstoringen kunnen ook een permanent karakter hebben. Om de natuur te beschermen zijn in de Omgevingswet regels voor flora- en fauna-activiteiten vastgesteld. Flora en fauna-activiteiten zijn activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild. Wanneer zo'n activiteit wordt uitgevoerd, moet worden voldaan aan de gestelde regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een vergunningplicht gelden. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Besluit activiteit leefomgeving (Bal)). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Iemand die een flora- en faunaactiviteit wil verrichten op een plek, moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de volgende soorten en habitats: • Vogels Het gaat om soorten die in het wild leven in Nederland en daar van nature voorkomen (bijlage I, Vogelrichtlijn); • Trekvogels Het gaat om soorten die regelmatig in Nederland voorkomen (onder meer terug te vinden op de site van het Ministerie van LNV); • Dier- en plantsoorten Het gaat om soorten die in het wild leven in Nederland en daar van nature voorkomen (bijlage II, IV, V Habitatrichtlijn en bijlage IX Bal of inde rode lijsten); • Belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats waar dieren/planten leven Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 33
Het gaat niet om gebieden die geschikt zouden zijn als leefgebied, maar waar de soort niet leeft. Zoals een grot die geschikt is voor vleermuizen maar waar ze niet leven of een wand waarop bepaalde muurplanten zouden kunnen groeien, maar waar ze niet zijn. Als er aanwijzingen zijn dat de hiervoor genoemde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Bij de diersoorten gaat het dan ook om hun nesten, foerageerplaatsen, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en eieren. Het is niet altijd mogelijk om nadelige gevolgen uit te sluiten voor dier- en plantensoorten. In dat geval moet degene die de activiteit verricht, nagaan wat de nadelige gevolgen kunnen zijn van de activiteit. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Ook moet diegene tijdens en na de flora- en fauna-activiteit nagaan of die maatregelen wel het bedoelde effect hebben. Als er ondanks de genomen maatregelen toch nadelige gevolgen zijn door de activiteit, moet die activiteit stoppen. Als stoppen niet mogelijk is, dan moet degene die de activiteit verricht passende herstelmaatregelen treffen.
Toets projectgebied Om de effecten van de ontwikkeling op de natuurwaarden van het gebied te bepalen en om te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving, is in het kader van de verbouw of sloop van de bebouwing een quick scan 2 flora en fauna uitgevoerd. Onderstaand worden de resultaten en conclusie weergegeven. De rapportage van de quick scan is toegevoegd als bijlage. Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied (de te slopen bebouwing) is niet geschikt bevonden/ er zijn geen nesten aangetroffen van vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals de huismus en gierzwaluw. Een nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten wordt dan ook niet nodig geacht. Jaarrond beschermde nesten in bomen zijn binnen- en nabij het plangebied niet aangetroffen. Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) Het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten in bebouwingen en nestkasten aan bebouwingen, waaronder de spreeuw, koolmees en pimpelmees.
Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle op de aanwezigheid van nesten uit te voeren. Wanneer nesten aanwezig zijn, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot de jonge vogels uitgevlogen zijn. Bij twijfel te allen tijde een ecoloog inschakelen.
2 QuickScan flora en fauna, Boerdonksedijk 36 Erp, BNL advies, 24150.QFF, Datum : 18-6-2024
Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 34
Algemene broedvogels Het plangebied is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor algemene broedvogels. De aangrenzende beplantingen in (buur) tuinen zijn een geschikte nestplaats. Dit betreft soorten als zanglijster, houtduif en merel. De geplande ontwikkelingen vormen geen bedreiging voor deze soorten, wanneer buiten het broedseizoen (15 maart – 15 augustus) gewerkt wordt. Hiervoor geldt tijdens de werkzaamheden de zorgplicht. Vleermuizen Uit het BeSI-rapport komt naar voren dat vleermuizen potentieel aanwezig zijn binnen en in de directe omgeving van het plangebied. In de te slopen bebouwing zijn geen (mogelijke) vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Aanvullend onderzoek wordt niet nodig geacht. Overige habitatrichtlijnsoorten Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikte habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Nationaal beschermde soorten In het plangebied zijn geen nationaal beschermde soorten aanwezig, waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt, door het ontbreken van een geschikt habitat.
Het plangebied is mogelijk geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen en als functioneel leefgebied voor grondgebonden zoogdieren waarvoor in de provincie Noord-Brabant geen vrijstelling geldt zoals de steenmarter, wezel, hermelijn, bunzing en eekhoorn. Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie NoordBrabant een vrijstelling geldt als egel, konijn en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Op basis van bovenstaande informatie welke uit de quick scan flora en fauna naar voren is gekomen, is er aanleiding om een aanvullend flora- of faunaonderzoek uit te voeren naar de steenmarter, wezel, hermelijn en bunzing. In september 2024 is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar steenmarters en kleine marters 3. Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen van de wezel, hermelijn, bunzing en steenmarter geweest. Negatieve effecten op deze soorten met betrekking tot de werkzaamheden zijn hiermee uitgesloten. Een ontheffing Omgevingswet wordt niet nodig geacht.
Tijdens werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden. Vanuit het aspect natuur bestaat geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. Door de herbestemming van de locatie en daartoe toegepaste landschappelijke inpassing ontstaat een aantrekkelijke leefomgeving met rust- en verblijfsplaatsen voor eventueel voorkomende soorten. De bestaande erfbeplanting en beplanting die wordt toegevoegd sluit aan bij de bestaande structuren en gebiedssoorten.
3 Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde flora en fauna, BNL Advies,
24150.NOZ, 11-9-2024 Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 35
5.9
Water en watersystemen
5.9.1
Oppervlaktewater
De volgende figuur toont de ligging van leggerwatergangen in de directe omgeving van de projectlocatie, welke in beheer zijn bij het waterschap. Ten opzichte van de projectlocatie ligt aan de overzijde van de Boerdonksedijk een A-watergang met beschermingszone. De beschermingszone komt niet tot de projectlocatie. De voorgenomen activiteiten hebben geen invloed op de watergang.
A-watergang (In beheer bij Waterschap)
Projectlocatie
Figuur 16: Ligging leggerwatergangen waterschap
5.9.2
Grondwater
Via het Bro-loket zijn gegevens opgevraagd over de grondwaterstand bij het projectgebied. Uit gegevens is gebleken dat de gemiddelde hoogste waterstand zich rond 81 cm onder het maaiveld bevindt en de gemiddelde laagste grondwaterstand rond de 167 cm onder het maaiveld (zie volgende figuren). Bij een eventueel te ontwikkelen waterberging zal er rekening worden gehouden met deze grondwaterstanden.
Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 36
Projectlocatie
Figuur 17: GHG (bron: BRO loket)
Projectlocatie
Figuur 18: GLG (bron: BRO loket)
5.9.3
Omgang met hemelwater
Van het Programma Water en Riolering Meierijstad (2022 - 2026) de gemeente Meierijstad geldt hydrologisch neutraal bouwen als uitgangspunt. Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen betekent dat het schone hemelwater afkomstig van daken en erfverharding op het perceel moet worden verwerkt door middel van infiltratie of waterberging. Gezorgd moet worden dat voldoende buffercapaciteit aanwezig is.
Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 37
Verhard oppervlak In de beoogde situatie wordt het totale verharde oppervlak kleiner, daar de stallen en bijbehorende verharding wordt verwijderd. Vervolgens wordt een kleinere oppervlakte aan bijgebouwen en verharding gerealiseerd. Dit komt de afvoer van hemelwater ten goede en betekent dat op basis van het waterschapsbeleid en het gemeentelijk beleid geen compenserende maatregel noodzakelijk zijn. In onderhavige situatie worden voorzieningen getroffen om het hemelwater binnen het plangebied te kunnen infiltreren. In de beoogde situatie is er verhard oppervlak aanwezig in de vorm van bebouwing en verharding. • Bebouwing 483 m²; • Verharding 450 m². Op basis van 933 m² (verhard oppervlak) en bergingseis van 60 mm dient circa 56 m³ te worden geborgen. Op het perceel is een wadi voorzien met talud van 1:3 en een diepte 0,75 meter. De oppervlakte van infiltratie voorzien bedraagt circa 123 m² (boveninsteek) en circa 33 m² (bodeminsteek). Op basis van diepte van 0,75 bedraagt de beschikbare berging circa 56 m³ waarmee wordt voldaan aan hydrologisch neutrale ontwikkeling. Gebruik niet logende materialen Het gebruik van niet uitlogende materialen is conform het advies van de Dubo-richtlijn (Duurzaam Bouwen).
In het Activiteitenbesluit staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakken als daken. Bij de bouw van de nieuwe bedrijfsbebouwing zal geen gebruik worden gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK’s) en van met verontreinigde stoffen verduurzaamd hout. Doordat het hemelwater niet vervuild is, is het geen probleem om het hemelwater te laten infiltreren. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan het beleid van Waterschap Aa en Maas en de gemeente Meierijstad inzake de watertoets. 5.9.4
Omgang met huishoudelijk afvalwater
Het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de beoogde woning wordt afgevoerd middels de gemeentelijke riolering.
5.10 Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw 5.10.1 Cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorische waarden Cultuurhistorie neemt een belangrijke plaats in de ruimtelijke ordening in. Met cultuurhistorische waarden dient bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden in de vorm van bescherming en behoud van deze karakteristieke gebiedswaarden. Volgens de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2024’ van de provincie Noord-Brabant is het projectgebied gelegen binnen de zone historisch groen en ligt het aan een weg met een redelijk hoog historische waarde (zie volgende figuur).
Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 38
De Meierij
Projectlocatie
Figuur 19: Uitsnede ‘Cultuurhistorische Waardenkaart 2010, herziening 2024’ provincie Noord-Brabant
De aanwezige cultuurhistorische waarden in de omgeving van het projectgebied zullen door onderhavige ontwikkeling niet worden aangetast. Het historische groen en de historische geografie betreffen de laanstructuur met laanbomen van de Boerdonksedijk. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op deze laanstructuur. Aardkundige waarden Met betrekking tot aardkundig waardevolle gebieden is het beleid erop gericht om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Het projectgebied is gelegen in een aardkundig waardevol gebied. In artikel 5.43 van de omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ontwikkelingen in een aardkundig waardevol gebied. In het omgevingsplan worden regels opgenomen gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig Waardevolle gebiedenkaart van Noord-Brabant. Bij de sloop van de bedrijfsgebouwen en de realisatie van de nieuwe bijgebouwen vinden graafwerkzaamheden plaats. Deze graafwerkzaamheden tijdens het slopen gaan niet dieper dan er gegraven is bij de realisatie van de stallen. De nieuwe bijgebouwen worden binnen de contouren van de stallen gerealiseerd waarin voor de sloop al gegraven is.
Tevens wordt er voor de bouw van de nieuwe bijgebouwen minder diep gegraven omdat er geen put onder het gebouw komt zoals bij de stallen het geval is. De graafwerkzaamheden hebben daarmee geen invloed op de aardkundige waarde. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Archeologische waarden Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Gezien dit uitgangspunt moeten in het geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge verwachtingswaarde voor archeologisch erfgoed, de archeologische waarden door middel van een vooronderzoek in kaart worden gebracht. Volgens het omgevingsplan van de gemeente Meierijstad heeft het projectgebied de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Er is echter een paraplubestemmingsplan in ontwerp gepubliceerd waarin de archeologische waarde binnen de projectlocatie is gewijzigd. In dit Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 39
bestemmingsplan heeft de projectlocatie bestemming ‘Waarde – Archeologie 7’ (zie onderstaand figuur). Deze categorie bestaat uit gebieden waaraan op basis van de verschillende modellen geen archeologische verwachting is toegekend. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Indien tijdens werkzaamheden toch archeologische vondsten worden gedaan, dient hiervan melding te worden gemaakt bij het bevoegd gezag.
Projectgebied
Figuur 20: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Meierijstad
5.10.2 Landschappelijke inpassing De gemeente Meierijstad heeft in september 2021 een ‘Handreiking kwaliteitsverbetering’ vastgesteld. Deze handreiking bevat richtlijnen hoe de bebouwing en landschappelijke inpassing zoals geregeld in het bestemmingsplan eruit zou moeten zien, zodat een gewenste omgevingskwaliteit gerealiseerd kan worden. Deze richtlijnen zijn van toepassing indien zich nieuwe ontwikkelingen voordoen. De ontwikkeling wordt op een goede en adequate manier landschappelijk ingepast. De bestaande beplanting sluit aan bij de handreiking van de gemeente Meierijstad, waarin de minimale technische en inhoudelijke kwaliteitseisen voor erfbeplantingsplannen bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied zijn vastgesteld. Inhoudelijke kwaliteitseisen zijn onder andere het gebruik van inheemse soorten beplanting, afstemming van de beplanting en de structuur op het gebied, de mogelijkheid om de erfbeplanting binnen en buiten het bouwblok te realiseren, de minimale omvang van 20% van de oppervlakte van het beoogde bouwblok en hydrologisch neutrale omgang met hemelwater. Landschappelijk inpassingsplan Voor onderhavige ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. De volgende figuur toont een uitsnede van het plan.
Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 40
Figuur 21: Uitsnede landschappelijke inpassing beoogde situatie
De noordelijk singel met boomvormers heeft in huidige situatie een breedte van circa 4,5 meter. Door de sloop van bedrijfsbebouwing kan dit landschapselement verbreed worden naar een breedte van 10 meter waardoor een volwaardig landschapselement ontstaat. De boomvormers (eiken) zijn reeds deels aanwezig, de struiklaag zal worden aangevuld met kenmerkende inheemse beplanting voor het jonge ontginningslandschap. De singel met boomvormers op de westelijk perceelsgrens heeft een breedte van 8,0 meter, dit is reeds een volwaardig landschapselement. Om de kwaliteit hiervan te borgen in dunning noodzakelijk om variatie aan inheemse beplanting te waarborgen. Op de zuidelijke perceelgrens is een bomenrij aanwezig met een beperkte struiklaag, deze singel zorgt er in de huidige situatie voor dat het zicht op de bedrijfsbebouwing wordt verzacht / weggestopt waardoor het landschap vanaf huidige bedrijfswoning niet beleefbaar is. Dit landschap wordt weer beleefbaar gemaakt door de struiklaag te verwijderen en de statige bomenrij te handhaven. Hierdoor ontstaat onder de boomkronen een doorzicht vanuit de woning naar het achterliggende kenmerkende open landschap. De bomenrij in combinatie met singels dragen bij aan ervaring van het oorspronkelijke kamerlandschap en versterkt de herkenbaarheid in het de agrarische omgeving. Ook wordt er twee beukenhagen gerealiseerd.
De eerste heg komt ten noorden van de inrit naar de woning tot aan de hoek van het perceel. De tweede beukenhaag start ten zuiden van de woning en volgt de perceelsgrens tot aan de hoogstamfruitgaard. De plicht tot onderhoud en instandhouding van de erfbeplanting wordt gewaarborgd door deze op te nemen in een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer en in de regels van het omgevingsplan.
5.11 Bedrijfsmatige activiteiten De nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' is gebaseerd op de Omgevingswet en vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019. Omdat de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' niet meer past binnen de integrale toepassing van de Omgevingswet, wordt deze vervangen door de uitgave 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2022'.
Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 41
De milieuzonering nieuwe stijl richt zich op de bescherming van geluid- en geurgevoelige gebouwen zoals benoemd in de Omgevingswet (in het Besluit kwaliteit leefomgeving). Bij milieuzonering nieuwe stijl gaat het om milieuthema's die afstand gerelateerd zijn en niet op een andere wijze zijn geregeld. Afstand gerelateerd betekent dat de milieubelasting afneemt als de afstand toeneemt De thema's stof en gevaar uit de milieuzonering oude stijl zijn op een andere manier geregeld. Het gaat nog steeds om zonering: het scheiden van functies. Dit blijft ook onder de Omgevingswet een belangrijk instrument voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (voorheen goede ruimtelijke ordening). In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit geeft op het oog minder houvast bij het bepalen of een activiteit wel of niet direct is toegelaten op grond van het omgevingsplan. Daarom publiceert de VNG naast de nieuwe uitgave een zogenaamd serviceproduct. Het bestaat uit een toelichting (Servicedocument) met in de bijlage een tabel (Bijlage I, een Excel-bestand). Met dit hulpmiddel kan beter worden ingeschat of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is. Het document is nog concept.
Uitgave Bedrijven en milieuzonering Omdat de nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' nog niet beschikbaar is, wordt ook getoetst aan de brochure Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzonering om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde brochure Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Scheiding van functies versus functiemenging Scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies met behulp van milieuzonering is in de omgeving van sterk milieubelastende activiteiten zonder meer noodzakelijk. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit.
Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. Vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik verdient het de voorkeur om functiescheiding binnen een gemengd gebied niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 42
Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk.
De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Omgeving van de projectlocatie rustige woonwijk/buitengebied of gemengd gebied? De omgeving van de locatie kan worden getypeerd als ‘buitengebied’ als bedoeld in de VNG-brochure. Dit gezien de menging van functies zoals woningen en (agrarische) bedrijven. De volgende figuur laat de ligging van de bedrijven zien in de directe omgeving van het projectgebied.
Boerdonksedijk 30, Varkenshouderij
Projectgebied
Boerdonksedijk 17, Akkerbouw en productie teeltaarde
Boerdonksedijk 21, Pluimveehouderij
Boerdonksedijk 40, Rundveehouderij
Figuur 22: Ligging bedrijven in de omgeving van het projectgebied
De volgende tabel toont de meest nabijgelegen bedrijven en de bijbehorende richtafstanden. Tabel 5: Richtafstanden op basis van ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG) Categorie bedrijvigheid Indices en richtafstanden (meters) Boerdonksedijk 17 (akkerbouwbedrijf en productiebedrijf van teeltaarde) Geur Stof Geluid Gevaar Akkerbouw/tuinbouw bedrijf 10 10 30 10 2 Dienstverlening t.b.v. de landbouw > 500 m 30 10 50 10 Boerdonksedijk 21 (pluimveehouderij) Fokken en houden van vleeskuikens 200 30 50 0
Werkelijke afstand (meters) 160 22
Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 43
Boerdonksedijk 30 (varkenshouderij) Fokken en houden van varkens Boerdonksedijk 40 (rundveehouderij) Fokken en houden van rundvee
200
30
50
0
98
100
30
30
0
248
Er wordt niet voldaan aan alle richtafstanden. Het betreft de afstanden voor geur en geluid. Deze aspecten zijn reeds in de paragrafen 5.2 en 5.4 behandeld. Omdat het een bedrijfswoning behorend bij een veehouderij betreft moet deze ook als zodanig getoetst worden bij de functieverandering naar wonen. Aan de eisen voor bedrijfswoningen wordt voldaan. Omliggende bedrijven worden niet extra belemmerd. Thans is binnen de projectlocatie een rundveehouderij toegestaan. Een dergelijk bedrijf valt binnen milieucategorie 3.2. In de beoogde situatie is een geen bedrijf meer toegestaan. Het woon- en leefklimaat in de omgeving van de projectlocatie zal dan ook alleen maar verbeteren. Het aspect bedrijfsmatige activiteiten vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.12 M.e.r. beoordeling Het doel van de mer-beoordeling is onderzoeken of het project mogelijk leidt tot aanzienlijke milieugevolgen. Hiertoe dient de initiatiefnemer een aanmeldnotitie aan te leveren. De aanmeldnotitie geeft aan de hand van de criteria van bijlage III van de Europese mer-richtlijn een beschrijving van: • De kenmerken van het project; • De locatie van het project; • De potentiële milieugevolgen van het project. Als er potentiële effecten zijn, bevat de aanmeldnotitie informatie over de mitigerende maatregelen die kunnen worden genomen om die effecten te verminderen. Deze mitigerende maatregelen dienen te worden vastgelegd in het omgevingsplan of de omgevingsvergunning. De uitvoering van deze maatregelen is daarmee wettelijk geborgd. Het besluit over de mer-beoordeling staat open voor bezwaar en beroep. Om die reden is het van belang om zorgvuldig en helder te motiveren waarom voor het project geen MER nodig is. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat in bijlage V van het Omgevingsbesluit vermeld onder de categorie Infrastructuur en ruimte (J11). Een mer-beoordeling is verplicht voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningen, winkelcentra en parkeerterreinen. In bijlage V van het Omgevingsbesluit staat bij een stedelijk ontwikkelingsproject in kolom 4 het omgevingsplan genoemd als wettelijk besluit.
In plaats van het omgevingsplan kan de mer-beoordeling ook onderdeel zijn van het besluit over de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.
Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 44
Tabel 6: Onderdeel J11 van bijlage V van het omgevingsbesluit Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Nr. Projecten Gevallen waarin de Gevallen waarin de mer-
Kolom 4
J11
Het omgevingsplan
Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen
mer-plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet)
Niet van toepassing
beoordelingsplicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Aanleg, wijziging of uitbreiding
Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit
Of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. In de beoogde situatie vindt enkel een functieverandering plaats. Daarbij is er een afname van ruimtebeslag en bebouwing. De oppervlakte van het bouwperceel wordt verkleind. De wijzigingen zijn niet zo omvangrijk dat belangrijke milieugevolgen zijn te verwachten. Er is daarom geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject.
5.13 Zorgvuldig ruimtegebruik/ ladder voor duurzame verstedelijking Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (vaak kortweg aangeduid als Ladder) is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen, niet gezien worden als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Bij de functiewijziging dient te worden beoordeeld of deze substantieel is. De agrarische bedrijfsfunctie wordt gewijzigd in een woonfunctie, waarbij slechts 300 m2 aan bijgebouwen wordt toegestaan. Derhalve kan de functiewijziging als niet-substantieel worden beschouwd. De ontwikkeling wordt dan ook niet beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder kan dan ook buiten beschouwing blijven.
5.14 Duurzaamheid De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet richten zich onder andere op de duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de wet voorziet in een ontwikkeling die tegemoetkomt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien, in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip dat vele onderwerpen omvat, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de Nationale Omgevingsvisie is ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ als prioriteit opgenomen. Daarnaast omvat duurzaamheid ook thema’s zoals mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Onderhavige ontwikkeling ziet op een functiewijziging waarbij een bestaande locatie wordt hergebruikt voor een woonfunctie. Hergebruik van een bestaande bebouwde locatie is duurzaam en toekomstbestendig. Ook ziet de ontwikkeling op een afname van bebouwd oppervlak en het aanbrengen van inheemse beplanting wat een belangrijke bijdrage levert aan klimaatadaptatie. Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 45
6. Beperkingengebied Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachten de Wet (door Rijk of Provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en Provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatwerken waar beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatwerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Een beperkingengebied is in feite wat tot voor kort de (beschermingzones) waren. De projectlocatie is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel. Radarsystemen dienen ‘vrij zicht’ te hebben om goed te kunnen functioneren. Objecten in de omgeving kunnen resulteren in een verstoring van het radarbeeld. Het radarverstoringsgebied is vastgelegd in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) en wordt gevormd door: • een cirkel met een straal van 15 km gemeten vanaf de positie van de radar.
De maximale hoogte van bouwwerken wordt hier bepaald door elke denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf het punt op de top van de radarantenne (49 meter boven NAP), oplopend met 0,25 graden tot een punt op 15 kilometer afstand op een hoogte van 114 meter boven NAP; • aanvullend voor windmolens buiten deze 15 kilometercontour een cirkel met een straal van 75 km gemeten vanaf de positie van de radar. Voor de tippen van de wieken van windturbines geldt hier een maximale hoogte van 114 meter boven NAP. Nieuwe bouwplannen in het verstoringsgebied moeten worden getoetst op verstoringseffecten. Om dit te borgen dient de maximum toelaatbare hoogte te worden opgenomen in een bestemmingsplan. In het bestemmingsplan kan een bevoegdheid van het college van B&W worden opgenomen om binnen te stellen grenzen af te wijken voor een grotere hoogte dan de toetswaarden. Hiervoor dient door de gemeente vooraf schriftelijk advies te zijn ingewonnen bij het ministerie van defensie. De voorgenomen ontwikkeling vormt geen belemmering voor vliegbasis Volkel, aangezien ten behoeve van de beoogde ontwikkeling de maximaal toegestane bouwhoogten niet worden overschreden.
Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 46
7. Financiële haalbaarheid In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de wijze van bekostiging. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin het omgevingsplan van rechtswege geldt en de situatie waarin er en gewijzigd omgevingsplan vigeert wat voldoet aan de wettelijke vereisten van de Omgevingswet (inclusief regels over kostenverhaal). Omgevingsplan van rechtswege Bij het omgevingsplan van rechtswege zijn er drie mogelijke scenario's: 1. Gemeentelijke bekostiging/geen kostenverhaal (eventueel wel een nadeelcompensatieovereenkomst); 2. Anterieure overeenkomst; 3. Posterieure overeenkomst. De initiatiefnemer sluit een anterieure overeenkomst met de gemeente voor wat betreft vergoeding van de gemeentelijke exploitatiekosten. Een ander aspect dat in het kader van de economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld, is de vraag of er aanleiding bestaat voor omwonenden om vergoeding te vragen van schade. Een schadevergoedingsovereenkomst als bedoeld in artikel 13.3 van de Ow vormt onderdeel van de met de initiatiefnemer te sluiten anterieure overeenkomst.