CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

5a Onderbouwing wijziging omgevingsplan Boerdonksedijk 36 Erp

Raadsvergadering 18 september 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Wijziging omgevingsplan Meierijstad (3e wijzigingsronde)26.312 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 47

8. Belangenafweging en conclusie Het planvoornemen voor de Boerdonksedijk 36 te Boerdonk leidt tot een situatie waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies. Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4 en 5). Gezien hetgeen uiteengezet is in voornoemde hoofstukken, kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen geen nadelige effecten heeft op de fysieke leefomgeving en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Alles overwegend is de ontwikkeling aanvaardbaar.

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 48

Bijlage 1

Inrichtingsschets

Onderbouwing Fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk

34

21

Boerdo

Te slopen bebouwing

k nksedij

Ontsluiting perceel

Bijgebouw

Woning Beoogd bestemmingsvlak ‘Wonen’ circa 2.585m²

Te slopen bebouwing wadi

Onsluiting perceel agrarische gronden

Huidig agrarisch bouwvlak

Situatietekeninginpassingsplan Landschappelijk Boerdonksedijk 36 Boerdonk Wijziging bestemming Formaat tekening A4 Agron Advies BV Pastoor van Schijndelstraat 33a Schaal 1 : 1.000 5469PS Boerdonk www.agronadvies.nl

d.d. 05-02-2025 versie 02

Boerd

38

Bijlage 2

Landschappelijk inpassingsplan

Onderbouwing Fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk

Landschappelijk inpassingsplan Boerdonksedijk 36 Boerdonk Opgesteld door: Agron Advies B.V. Pastoor van Schijndelstraat 33a 5469 PS Boerdonk Datum rapportage: 5 februari 2025

1

INLEIDING De locatie Boerdonksedijk 36 in Boerdonk (hierna: projectlocatie) betreft een agrarisch bedrijf in de vorm van een veehouderij in het buitengebied. De initiatiefnemer is voornemens de functie ‘Agrarisch’ te wijzigen naar de functie ‘Wonen’. De bestaande stallen worden afgebroken, de bedrijfswoning wordt in gebruik genomen als burgerwoning en er blijft in totaal 300 m² aan bijgebouwen behouden. Op de locatie zijn de bestemmingsplannen ‘Buitengebied’ (vastgesteld op 22 oktober 2015) en ‘Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit’ (vastgesteld op 27 januari 2021) van toepassing. De locatie heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch’ met een bouwvlak met een oppervlakte van 9.267m² en de dubbelbestemming gedeeltelijk ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 2’. De locatie heeft tevens de gebiedsaanduidingen ‘landbouwontwikkeling’, ‘reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied’ en ‘vrijwaringszone – radar’.

Figuur 1: Ligging projectlocatie

Een van de voorwaarden is dat de locatie op een zorgvuldige manier landschappelijk wordt ingepast. Onderhavig rapport vormt de onderbouwing voor de landschappelijke inpassing van de locatie.

Landschappelijk inpassingsplan Boerdonksedijk 36 Boerdonk Pagina 1 van 11

UITGANGSPUNTEN HANDREIKING KWALITEITSVERBETERING LANDSCHAP Elke ruimtelijke ontwikkeling buiten het ‘bestaand stedelijk gebied’ moet op grond van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. De gemeente Meierijstad heeft dit beleid vertaald in een handreiking kwaliteitsverbetering landschap. Deze notitie is van toepassing op ontwikkelingen in het buitengebied, waarvoor het bestemmingsplan aan het college de bevoegdheid geeft om af te wijken van de regels of tot wijziging van het plan over te gaan.

investeren,kan of elders binnen de gemeente geïnvesteerd worden,of zal betaling aan het Fonds Omgevingskwaliteit plaatsvinden. 1. Fysieke bijdrage binnen het plangebied en of de directe projectomgeving,waarbij de waarde overeenkomt met 20% van de grondwaardevermeerdering; 2. Fysieke bijdrage elders binnen de gemeente mits in overeenstemming met gemeentelijke uitvoeringsprojecten op het gebied van natuur en landschap. 3. Storting van de 20% van de grondwaardevermeerdering in het 'Fonds Verbetering kwaliteit Buitengebied;

Het provinciale beleid met betrekking tot het aspect kwaliteitsverbetering van het landschap is vertaald in het beleid ‘Handreiking kwaliteitsverbetering’ van de gemeente Meierijstad d.d. september 2021. Hierin is geregeld dat alle ontwikkelingen in het buitengebied een meerwaarde of maatschappelijke winst moeten hebben. Onderhavige ontwikkeling betreft een categorie 2 ontwikkeling: er is enkel een landschappelijke inpassing noodzakelijk. Het initiatief past niet binnen de afwijkingsmogelijkheden van het bestemmingsplan en ook niet binnen afwijkend beleid (kruimelgevallen) en heeft als gevolg van de aard van de nieuwe functie en/of een relatief grote omvang een grote impact op de omgeving en het landschap. Bij uitwerking en uitvoering van het initiatief is het verplicht om naast een landschappelijke inpassing een aanvullende kwaliteitsverbetering van het landschap te realiseren. Er zijn drie manieren om invulling te geven aan de aanvullende kwaliteitsprestatie Een aanvullende kwaliteitsprestatie op de initiatief locatie heeft de voorkeur, maar als het niet mogelijk is om op het eigen erf (bijvoorbeeld vanwege een gebrek aan grond) of de directe omgeving te Landschappelijk inpassingsplan Boerdonksedijk 36 Boerdonk Pagina 2 van 11

HUIDIGE SITUATIE Het omliggende landschap rond de Boerdonksedijk kenmerkt zich door een rijke agrarische geschiedenis. De Boerdonksedijk zelf is een oude en rechte verbindingsweg tussen Boerdonk en Erp, die van oudsher de ontwikkeling van het landschap heeft beïnvloed. Dit gebied is voornamelijk agrarisch van aard, met de eerste bebouwing langs deze doorgaande weg (zoals te zien in de historische schets). Deze bebouwing heeft zich langs de dijk aaneengeschakeld, met hier en daar korte onderbrekingen, waardoor een continu bebouwingslint is ontstaan. In het huidige landschap zijn langs de Boerdonksedijk diverse woonhuizen en agrarische bedrijfsgebouwen te vinden, veelal gevestigd op de locaties van voormalige agrarische bedrijven. De dwarswegen die op de Boerdonksedijk aansluiten, herbergen voornamelijk jongere en grotere agrarische ondernemingen. Dit gebied, dat overwegend agrarisch is, wordt begrensd door verschillende landschapselementen zoals het Hurkske bos, het dorp Boerdonk, de Zuid-Willemsvaart en enkele kleinere gehuchten ten zuiden van Erp. Het perceel gelegen aan de Boerdonksedijk 36 bevindt zich binnen het bebouwingslint langs de Boerdonksedijk. De huidige inpassing van het plangebied sluit harmonieus aan bij het omringende landschap.

De locatie is geheel omgeven door een singel met statige boomvormers (voornamelijk eiken), wat bijdraagt aan de groene uitstraling van het terrein. Binnen dit groene, landschappelijke geheel is de woning goed zichtbaar vanaf de Boerdonksedijk en de achterliggende bedrijfsbebouwing is stevig ingepast door de aanwezige singels met volgroeide statige boomvormers gezien vanuit het omliggende landschap.

Landschappelijk inpassingsplan Boerdonksedijk 36 Boerdonk Pagina 3 van 11

LANDSCHAPPELIJKE HOOFDSTRUCTUUR Het landschap van de Meierij bestaat uit beekdalen, dekzandvlaktes en zandruggen. Het water van de beken stroomt in de richting van ‘sHertogenbosch, waar een doorgang aanwezig is in het dekzandrug. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. De randen van de beekdalen en dekzandrugen waren de meest geschikte plek voor bewoning. Dorpen als Veghel en Erp ontstonden op de hoge dekzandruggen bij het Aadal en SintOedenrode bij het Dommeldal. In de negentiende en twintigste eeuw zijn veel van de ‘woeste gronden’, de heidevelden en de broekgebieden, omgezet in landbouwgrond. Nieuwe boerderijen werden gebouwd op plaatsen die tot dan onbewoond waren geweest. De Aa is in de twintigste eeuw grotendeels gekanaliseerd. Naast de kanalisering zijn ook de ruilverkavelingen in de twintigste eeuw van grote invloed geweest op het landschap van de Meierij. De markante verschillen tussen de hoge zandgronden, de oude cultuurgebieden en de beekdalen zijn voor een deel verloren gegaan.

De eerste blijvende invloed van de mens op het landschap dateert waarschijnlijk uit het begin van de 19e eeuw, met de aanleg van de Boerdonksedijk door het vochtig en ruig heidelandschap. De naam van de weg weerspiegelt de historische functie: ‘De dijk naar Boerdonk’. Het was een belangrijke verbinding tussen Erp en Boerdonk, waarbij Boerdonk iets hoger in het landschap ligt. De aanleg van deze dijk heeft de latere ontwikkeling van het omliggende landschap sterk bepaald. Aan het einde van de 19e eeuw vestigden zich diverse boerderijen langs de dijk, en het in cultuur gebrachte landschap tussen Boerdonk en Erp begon zich steeds meer naar elkaar toe te ontwikkelen. De arme en vochtige gronden rondom de boerderijen werden voornamelijk gebruikt voor grasland, waar vee graasde. Het in cultuur gebrachte landschap bestond uit kleinschalige percelen, afgebakend door houtwallen en struwelen. Dankzij verbeterde ontginningstechnieken en de grootschalige toepassing van kunstmest werd het mogelijk om het resterende natte heidelandschap begin 20e eeuw te ontginnen. In dit nieuw ontgonnen gebied vestigden zich diverse agrarische ondernemingen. Op de kaart uit 1943 is de pragmatische indeling van het landschap duidelijk zichtbaar, waarbij het wegenpatroon de rechtlijnige ‘blokindeling’ volgt die het resultaat was van de ontginning.

Tegen het einde van de 20e eeuw werd dit uitgebreide wegenpatroon echter weer teruggebracht.

Door ontbossingen waren rondom de ontginningen zogenaamde ‘woeste gronden’ ontstaan, die pas na de uitvinding van de kunstmest, tegen het einde van de 19de eeuw, in productie konden worden gebracht. Deze ontginningen werden veelal door de lokale overheden aangestuurd en waren veel rationeler van opzet dan de oude ontginningen, met rechthoekige percelen en rechte wegen. Omstreeks 1935 waren vrijwel alle woeste gronden rond Veghel ontgonnen. In veel andere delen van Noord-Brabant was dat overigens pas een paar decennia later het geval. Historische schets Vanuit een cultuurhistorisch perspectief kunnen de gevormde en nog aanwezige landschapsstructuren worden geïdentificeerd, waaraan de landschappelijke inpassing kan worden afgestemd. Landschappelijk inpassingsplan Boerdonksedijk 36 Boerdonk Pagina 4 van 11

HISTORISCHE ONTWIKKELING

Topografische kaart 1815

Topografische kaart 1900

Topografische kaart 1943

Topografische kaart 1980

Topografische kaart 1995

Topografische kaart 2021 Landschappelijk inpassingsplan Boerdonksedijk 36 Boerdonk Pagina 5 van 11

De ontginning van de percelen aan de Boerdonksedijk, ten noorden van het plangebied, begon als eerste. Vervolgens werd het lager gelegen landschap ten noorden van het plangebied ontgonnen, wat bestond uit akkers en weilandjes, omgeven door bomen en houtwallen. Dit type landschap wordt aangeduid als kamerlandschap, waarbij de akkers en weilanden als het ware kamers in het landschap vormden. Later werd ook het resterende natte heidelandschap op grotere schaal ontgonnen. De 'Hoofdnota omgevingsvisie Meierijstad' is ter inzage gelegd, maar het proces is daarna door de gemeente Meierijstad stilgelegd. De landschapsanalyse binnen deze hoofdnota is echter reeds toegepast voor de huidige landschappelijke inpassing. Het verloop van de genoemde landschapsontwikkeling komt ook terug in de landschapstypekaart van de 'Hoofdnota omgevingsvisie Meierijstad'. Ten noorden van het plangebied liggen de 'Jonge broekontginningen', terwijl ten zuiden en westen de 'Jonge heideontginningen' zijn aangegeven. Deze ontwikkeling van het landschap is ook goed te begrijpen aan de hand van de hoogtekaart. Ten zuiden ligt Boerdonk op hogere gronden, terwijl Erp, ten noorden, zich op lager gelegen vruchtbare gronden langs de rivier de Aa bevindt. De natte heidevelden bevonden zich tussen het lagere beekdal van de Aa en de hoger gelegen bouwlanden.

De Boerdonksedijk werd aangelegd als verbindingsweg tussen Boerdonk en Erp, op de hogere delen van het natte heidelandschap. De eerste bebouwing vestigde zich langs deze hogere gronden. Zodra het mogelijk werd om de gronden te ontginnen, werden de lager gelegen, voedselarme gebieden ontgonnen. De beste gronden werden in gebruik genomen voor landbouw, terwijl de minder vruchtbare delen werden beplant met bos, wat uiteindelijk resulteerde in de vorming van het Hurkske bos.

Boerdonksedijk op diverse plaatsen nog enkele solitaire bomen aanwezig, als overblijfselen van het oude kamerlandschap. De landschapsstructuur kan het beste worden omschreven als een jong ontginningslandschap, verrijkt met diverse relicten uit het oude kamerlandschap, zoals houtwallen, singels, solitaire bomen tussen de akkers, en diverse doodlopende wegen. Binnen dit landschap vormt het bebouwingslint langs de Boerdonksedijk de historische lijn binnen het cultuurlandschap.

Hoogtekaart Nederland - AHN.nl (plangebied aangeduid met rode cirkel)

Door de grootschalige ontginning en ruilverkaveling is een groot deel van de oorspronkelijke kamerstructuur in het landschap verloren gegaan. Er zijn echter nog restanten van oude houtwallen en singels te vinden tussen het Hurkske bos en de Zuid-Willemsvaart, wat een uitzondering vormt in de meeste ontginningslandschappen. Bovendien zijn er ten oosten van de Landschappelijk inpassingsplan Boerdonksedijk 36 Boerdonk Pagina 6 van 11

Gebiedstypologieën De bestaande landschappelijke identiteit en de aanwezige functies vormen de leidraad voor een hoofdindeling in de volgende vijf gebiedstypen. vijf gebiedstypen. Bij elk van die gebiedstypen hoort beleid op maat. In een deel van de gebieden is sprake van een dominante functie, andere zijn juist gemengd. De locatie is gelegen binnen het gebiedstype agrarisch kerngebied.

zonder het landschap teniet te doen. De multifunctionaliteit is zeker niet bedoeld om agrarische activiteiten geheel te verdringen of om verstedelijking zondermeer de ruimte te geven. In gemengd gebied zien we voedselproductie, energieopwekking, vasthouden van water, landschapsbehoud met gelegenheid voor enige ontwikkeling, nachtelijk duister maar wel met kruispunt- verlichting, recreatie met veilige routes voor fietsers en wandelaars, en wonen onder voorwaarden''.

Gebiedstype agrarisch kerngebied In het meest zuidelijke deel van de gemeente ligt een agrarisch kerngebied. Landbouw en veeteelt zijn hier de leidende functies. Het inpassen van andere functies is mogelijk, mits deze niet beperkend zijn voor de landbouw. Binnen het agrarisch kerngebied liggen drie landbouwontwikkelingsgebieden. Deze zogenaamde LOG’s bieden doorgroeimogelijkheden voor met name de intensieve landbouw. De bijbehorende bebouwing is ook in dit gebiedstype gekoppeld aan de linten, en kan in sommige gevallen grootschalig zijn.

Groenstructuren omgeving plangebied

In de kaarten die zijn opgesteld ten behoeve van de ‘Hoofdnota omgevingsvisie Meierijstad’ wordt naast een landschapstypering, een onderscheid gemaakt in gebiedstypologieën. Het plangebied valt hier binnen de gebiedstypologie ‘’Landelijk gebied, verweving van functies’’ (LGVF). Deze wordt als volgt beschreven; LGVF laat een veelheid aan functies toe Landschappelijk inpassingsplan Boerdonksedijk 36 Boerdonk Pagina 7 van 11

ONDERBOUWING INPASSINGSPLAN De aanwezige singels met statige boomvormers (voornamelijk eiken) aan noord-, zuid en westzijde vormen de basis de voor inpassing van deze ontwikkeling in het landschap. Deze singels met een statige boomvormers zijn een verwijzing naar het oude kamerlandschap en wordt behouden/ versterkt. Singels De noordelijk singel met boomvormers heeft in huidige situatie een breedte van circa 4,5 meter. Door de sloop van bedrijfsbebouwing kan dit landschapselement verbreed worden naar een breedte van circa 8 meter waardoor een volwaardig landschapselement ontstaat. De boomvormers (eiken) zijn reeds deels aanwezig, de struiklaag zal worden aangevuld met kenmerkende inheemse beplanting voor het jonge ontginningslandschap. De singel met boomvormers op de westelijk perceelsgrens heeft een breedte van 8,0 meter, dit is reeds een volwaardig landschapselement. Om de kwaliteit hiervan te borgen in dunning noodzakelijk om variatie aan inheemse beplanting te waarborgen. Op de zuidelijke perceelgrens is een bomenrij aanwezig met een beperkte struiklaag, deze singel zorgt er in de huidige situatie voor dat het zicht op de bedrijfsbebouwing wordt verzacht / weggestopt waardoor het landschap vanaf huidige bedrijfswoning niet beleefbaar is. Dit landschap wordt weer beleefbaar gemaakt door de struiklaag te verwijderen en de statige bomenrij te handhaven.

Hierdoor ontstaat onder de boomkronen een doorzicht vanuit de woning naar het achterliggende kenmerkende open landschap.

Voor- en achtererf In huidige situatie het voor- en achtererf niet zichtbaar, door het omzomen van het voorerf met een haag op de oostelijke perceelgrens aan weerszijde van de woning. De woning is kort op de Boerdonksedijk gesitueerd, circa 5,5 meter waarvan circa 2,0 meter toebehoord aan het perceel. De verkeerintensiteit op de Boerdonksedijk is behoorlijk waarbij het zicht op de weg vanaf de oprit reeds beperkt is door aanwezig laanstructuur van eiken. Aan de voorzijde van de woning is vanwege beperking voor het zicht geen haag voorzien. Op de zuidelijk perceelgrens wordt de haag doorgetrokken tot circa halverwege de bijgebouwen met een beheerhoogte van circa 2,0 meter. Deze haag zorgt er in combinatie met aanwezig bomenrij voor dat het zicht op de bebouwing vanaf de Boerdonksedijk wordt beperkt en bebouwing op gaat in het landschap. Deze haagstructuur draagt bij aan beleving het traditionele voor- en achtererf. Oppervlakte aan beplanting: • Beukenhagen: • Singels bestaand: • Singels nieuw: • Bomenrij bestaand

34 m² 985 m² 350 m² 500 m²

Totaal:

1.869 m²

Dit plan voorziet in een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de projectlocatie met inheemse beplanting welke aansluit bij de karakteristieken van het jong ontginningslandschap en versterkt de oude kwaliteiten van het kamerlandschap.

De bomenrij in combinatie met singels dragen bij aan ervaring van het oorspronkelijke kamerlandschap en versterkt de herkenbaarheid in het de agrarische omgeving.

Landschappelijk inpassingsplan Boerdonksedijk 36 Boerdonk Pagina 8 van 11

HEMELWATERBERGING Hydrologisch neutrale omgang met hemelwater In de beoogde situatie is er verhard oppervlak aanwezig in de vorm van bebouwing en verharding. • Bebouwing 483 m²; • Verharding 450 m². Op basis van 933 m² (verhard oppervlak) en bergingseis van 60 mm dient circa 56 m³ te worden geborgen. Op het perceel is een wadi voorzien met talud van 1:3 en een diepte 0,75 meter. De oppervlakte van infiltratie voorzien bedraagt circa 123 m² (boveninsteek) en circa 33 m² (bodeminsteek). Op basis van diepte van 0,75 bedraagt de beschikbare berging circa 56 m³ waarmee wordt voldaan aan hydrologisch neutrale ontwikkeling.

Landschappelijk inpassingsplan Boerdonksedijk 36 Boerdonk Pagina 9 van 11

SOORTENLIJST NIEUWE BEPLANTING en ONDERHOUDSPLAN SOORTENLIJST Aantal

Nederlandse naam

Latijnse naam

Maat

Bijzonderheden

Houtsingel bestaand (985 m²) + houtsingel nieuw (350 m²) Boomvormers 4 stuks Ruwe berk 4 stuks Eik bestaand Ruwe berk bestaand Eik Struikvormers (uitbreiding singel) 50 st Veldesdoorn 90 st Gele kornoelje 30 st Hulst 50 st Vuilboom 50 st Lijsterbes Aantal

Nederlandse naam

Betula pendula Quercus robur Betula pendula Quercus robur

12-14 12-14

Acer campestre Cornus mas Ilex aquifolium Rhamnus frangula Sorbus aucuparia

80/100 80/100 80/100 80/100 80/100

Latijnse naam

Maat

Beplantingswijze bomen: • Gemengd, h.o.h. circa 8 meter in bestaande singel Beplantingswijze heesters: • Breedte 5,5 meter, 4-rijig, verbreding bestaande singel; • Plantafstand 1,25 x 1,25 meter; • Groepsgewijs aanplanten 10-15 stuks;

Bijzonderheden

Bomenrij bestaand (500 m²) Boomvormers bestaand Ruwe berk bestaand Eik

Beplantingswijze bomen: • N.v.t. bestaand

Betula pendula Quercus robur

Haag (68 m1) 340 st

Beuk

Fagus sylvatica

60-80

Onderhoud en beheer: tweemaal per jaar snoeien

Landschappelijk inpassingsplan Boerdonksedijk 36 Boerdonk Pagina 10 van 11

ONDERHOUDSPLAN Beheergroep/type Singel met boomvormers

Bomenrij

Hagen

Onderhoud en beheer Specificaties beheer: • De voorkeur gaat uit naar het vrij uit laten groeien van de singel, hierbij mogen overhangende takken worden teruggesnoeid. • Bij het beheren van het element mogen de struikvormers deels worden afgezet. Voldoende boomvormers dienen behouden te blijven. • Snoeiwerkzaamheden worden uitgevoerd in de periode tussen 1 november en 15 maart; takken die over aangrenzende percelen hangen, mogen het hele jaar worden teruggesnoeid. Specificaties beheer: • De bomen mogen zoveel mogelijk vrij uitgroeien. Indien noodzakelijk kan snoei toegepast worden. Na het snoeien beslaat de kroonhoogte minimaal 50% van de hoogte van de boom, waardoor zichtlijn naar het achterliggende landschap gewaarborgd blijft. • Snoeiwerkzaamheden worden uitgevoerd in de periode tussen 1 november en 15 maart; takken die over aangrenzende percelen hangen, mogen het hele jaar worden teruggesnoeid. Specificaties beheer: • Snoeiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen mei en augustus; • In de eerste drie jaar meerdere keren per jaar snoeien geeft een positief effect op de dichtheid en structuur van de haag.

Landschappelijk inpassingsplan Boerdonksedijk 36 Boerdonk Pagina 11 van 11

34

uitbreiding singel

21

privetuin

beukenhaag, beheerhoogte 80 cm

Boerdo

bestaande singel

k nksedij

boomvormers in bestaande singel aanvullen grasland

privetuin bestaande singel uitdunnen en boomvormers opkronen (breedte 8,0 meter)

beukenhaag, beheerhoogte 80 cm

wadi

beukenhaag, beheerhoogte 2,0 m

Landschappelijk inpassingsplan Boerdonksedijk 36 Boerdonk Wijziging bestemming Formaat tekening A4 Agron Advies BV Pastoor van Schijndelstraat 33a Schaal 1 : 1.000 5469PS Boerdonk www.agronadvies.nl

d.d. 05-02-2025 versie 02

Boerd

38

Bijlage 3

Rapportage verkennend bodemonderzoek

Onderbouwing Fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Boerendonksedijk 36 te Erp Kadastrale gegevens: gemeente Erp, sectie P, nummer 2346

Projectnummer: Datum:

20241666 20 augustus 2024

Verkennend bode- en asbestonderzoek Boerendonksedijk 36 te Erp Kadastrale gegevens: gemeente Erp, sectie P, nummer 2346

Opdrachtgever Maarten Bouw Boerdonksedijk 36 5469 PP Erp Adviesbureau

Auteur

MILON bv

Tim Kuijten

Rembrandtlaan 4 5462 CH Veghel info@milon.nl / www.milon.nl 073 – 5477253 Status

Versie

Kwaliteitscontrole en Projectleider

definitief

1

Linda Roskes

Datum 20 augustus 2024 Projectnummer 20241666

Inhoudsopgave 1 Inleiding .............................................................................................................................................. 3 1.1 Aanleiding en doel ............................................................................................................. 3 1.2 Opbouw van het rapport ................................................................................................ 3 1.3 Onafhankelijkheid en betrouwbaarheid .................................................................... 3 2 Milieuhygiënisch vooronderzoek .............................................................................................. 4 2.1 Afbakening en locatiegegevens ................................................................................... 4 2.2 Gebruik en potentiële bronnen .................................................................................... 5 2.3 Uitgevoerde bodemonderzoeken ............................................................................... 5 2.4 Bodemkwaliteitskaart, bodemopbouw en geohydrologie ................................ 6 2.5 Terreinverkenning .............................................................................................................. 6 2.6 Hypothese en onderzoeksstrategie ............................................................................

6 3 Verkennend bodemonderzoek .................................................................................................. 7 3.1 Onderzoeksopzet ............................................................................................................... 7 3.2 Veldwerkzaamheden......................................................................................................... 7 3.3 Zintuiglijke waarnemingen ............................................................................................. 8 3.4 Laboratoriumwerkzaamheden ...................................................................................... 8 3.5 Analyseresultaten ............................................................................................................... 9 3.6 Bespreking van de resultaten ...................................................................................... 10 4 Uitvoering druppelzone onderzoek ....................................................................................... 11 4.1 Onderzoeksstrategie ....................................................................................................... 11 4.2 Veldwerkzaamheden.......................................................................................................

11 4.3 Zintuiglijke waarnemingen ........................................................................................... 12 4.4 Laboratoriumwerkzaamheden .................................................................................... 12 4.5 Interpretatie en toetsing ............................................................................................... 13 4.6 Afwijkingen ten opzichte van de NEN en de BRL ................................................ 14 4.7 Bespreking van de resultaten ...................................................................................... 15 5 Conclusies en aanbevelingen ................................................................................................... 16 5.1 Conclusies ........................................................................................................................... 16 5.2 Aanbevelingen................................................................................................................... 16

Bijlagen Bijlage 1: Topografische overzichtskaart Bijlage 2: Situatietekening Bijlage 3: Foto’s Bijlage 4: Profielbeschrijvingen en zintuiglijke waarnemingen Bijlage 5: Analyserapporten Bijlage 6: Toetsing analyseresultaten Bijlage 7: Toetsingskader

1

Inleiding

MILON bv te Veghel (hierna te noemen MILON) heeft in opdracht van Maarten Bouw een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van Boerendonksedijk 36 te Erp. Het bodem- en asbestonderzoek is uitgevoerd volgens de Nederlandse Normen NEN 5725, NEN 5740 en NEN 5707. 1.1

Aanleiding en doel

Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de herinrichting van de locatie. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Het doel van het asbestonderzoek in de druppelzones is het verkrijgen van inzicht of de asbesthoudende daken tot een bodemverontreiniging met asbest hebben geleidt. 1.2

Opbouw van het rapport

In deze rapportage komen de volgende aspecten aan de orde: resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2); resultaten van het verkennend bodemonderzoek (hoofdstuk 3); conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 4). De bijbehorende topografische overzichtskaart, tekening, foto’s, profielbeschrijvingen, analyserapporten, toetsingstabellen en het toetsingskader zijn als bijlagen opgenomen. 1.3

Onafhankelijkheid en betrouwbaarheid

Het onderzoek is geheel onafhankelijk uitgevoerd. MILON heeft geen persoonlijk of zakelijk recht op de onderzoekslocatie, is geen eigenaar en is financieel niet gelieerd aan degene die een persoonlijk of zakelijk recht heeft op de bodem. Hierdoor is de voorgeschreven onafhankelijkheid geborgd. Het onderzoek is nauwkeurig en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen uitgevoerd. Een bodemonderzoek bestaat uit een steekproef waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses worden uitgevoerd. Daarom kan niet geheel uitgesloten worden dat op de locatie een verontreiniging aanwezig is die bij dit onderzoek niet is aangetoond. MILON acht zich niet aansprakelijk voor eventueel hieruit voortvloeiende (financiële) schade. Eventueel uitkomende mag grond niet zonder meer elders toegepast worden. Afhankelijk van de bestemming en toepassing bij afvoer van de grond kan een partijkeuring of PFAS-onderzoek noodzakelijk zijn.

Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Pagina 3 van 24

2

Milieuhygiënisch vooronderzoek

Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens de Nederlandse NEN 5725:2023 Bodem ‐ Landbodem ‐ Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek. De aanleiding van het vooronderzoek is het uitvoeren van bodemonderzoek, saneren van een milieubelastende activiteit en/of realiseren van een gebouw op een bodemgevoelige locatie. Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen ter plaatse van de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. Uiteindelijk dienen in het vooronderzoek de onderzoeksvragen uit de NEN 5725 beantwoord te worden. Ten behoeve van het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: informatie opdrachtgever en eigenaar; informatie overheid inzake bodemonderzoeken, ophooglagen, vergunningen, (voormalige) brandstoftanks, stortplaatsen en andere mogelijke relevante informatie; historisch topografisch kaartmateriaal (Topotijdreis); actuele luchtfoto’s (Google Earth); grondwaterkaart van Nederland/atlas leefomgeving; het kadaster; de website van DINOloket. Voorafgaand aan de uitvoering van het veldwerk is een terreinverkenning uitgevoerd.

De resultaten van deze verkenning zijn opgenomen in hoofdstuk 2.5. 2.1

Afbakening en locatiegegevens

Het onderzoeksgebied voor het vooronderzoek is geografisch afgebakend tot de onderzoekslocatie en de aangrenzende percelen tot 25 meter vanaf de grens van de onderzoekslocatie. In verticale richting is de locatie afgebakend tot 10 meter beneden maaiveld. Gezien het doel van het onderzoek wordt deze afbakening voldoende geacht. De locatie is gelegen buiten de bebouwde kom van Erp. Ten oosten van de locatie bevindt zich de Boerdonksedijk. De directe omgeving betreft agrarisch gebied. In tabel 1 zijn de locatiegegevens weergegeven. De regionale ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op de topografische overzichtskaart in bijlage 1 en de luchtfoto in figuur 1. Tabel 1: Overzicht locatiegegevens Adres locatie

Boerendonksedijk 36 te Erp

Kadastrale gegevens locatie

Gemeente Erp, sectie P, perceelnummer 2346

Bebouwing

Woning en stallen

Oppervlakte locatie (in m )

Circa 5.140

Oppervlakte bebouwd (in m2)

Circa 2.323

Huidig gebruik

Wonen met tuin en varkensstal

Verhardingen

Klinkers

2

Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Pagina 4 van 24

Figuur 1: luchtfoto met globale ligging onderzoekslocatie (geel omrand)

2.2

Bron: Google Maps

Gebruik en potentiële bronnen

Volgens historisch topografisch kaartmateriaal is de eerste bebouwing op de onderzoekslocatie rond de jaren ‘50 van de vorige eeuw gebouwd. Volgens de BAG viewer is het gebouw zuidelijk op de onderzoekslocatie in 1965 gebouwd. Het woonhuis is volgens de BAG viewer in 1974 gebouwd. Uit historisch kaartmateriaal lijkt het dat de schuren in 1984 uitgebreid zijn, waarna in 1999 de meest noordelijke schuur is gebouwd. Volgens historisch kaartmateriaal is de onderzoekslocatie tot de bouw van de schuren altijd voor agrarische doeleinden in gebruik geweest. Asbest Een deel van de daken betreft asbesthoudende platen. De druppelzones zijn aangegeven op de tekening in bijlage 2. Deze druppelzones zijn verdacht op het voorkomen van asbest. De bebouwing op het perceel dateert grotendeels uit voor 1995. Gezien deze bouwperiode kan niet worden uitgesloten dat, naast de dakbedekking, asbesthoudende materialen in de panden aanwezig zijn (geweest). Het wordt echter niet waarschijnlijk geacht dat asbesthoudende materialen vanuit het pand in de bodem terecht zijn gekomen. Binnen de onderzoekslocatie hebben, voor zover bekend, geen sloopactiviteiten en/of geen calamiteiten plaatsgevonden, waarbij asbest op of in de bodem is geraakt. 2.3

Uitgevoerde bodemonderzoeken

Volgens bodem rapportage module Noord-Brabant zijn er op de onderzoekslocatie tot op heden geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Oostelijk van de onderzoekslocatie is wel een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek betreft: 1.

Verkennend onderzoek Boerdonksedijk 21 te Boerdonk, 2832bo0409, G&O Consult, 23 oktober 2009 Uit zintuigelijke waarnemingen komt naar voren dat de boven- en ondergrond tot 3 m-mv bestaat uit fijn, zwak siltig zand. Er is geconcludeerd dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met

Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Pagina 5 van 24

kobalt. Verder zijn in het grondwater licht verhoogde concentraties met barium, zink en koper aangetoond. De locatie is voldoende onderzocht.

2.4

Bodemkwaliteitskaart, bodemopbouw en geohydrologie

De onderzoekslocatie heeft een globale hoogteligging van circa 12,5 m+NAP. De gegevens van de bodemopbouw zijn verkregen van DINOloket (uitgifte portaal van TNO, Geologische Dienst Nederland). Vanaf maaiveld tot circa 15 m-mv bestaat de bodem uit de formatie van Boxtel (zand, zeer fijn tot zeer grof, lokaal kleiig, grindig of humeus; leem, lokaal zandig, lokaal humeus; klei, siltig tot zandig; veen, klei). Hieronder is tot circa 35 m-mv de formatie van Beegden (zand, matig grof tot uiterst grof, lokaal grindig; grind, fijn tot grof, lokaal zandig; stenen; keien; blokken; klei, lokaal siltig tot zandig) aanwezig. Hieronder is de formatie van Sterksel (Zand, matig fijn tot uiterst grof, lokaal grindig; grind, lokaal zandig; klei, lokaal siltig tot zandig) aanwezig. Volgens opgave van de Atlas Leefomgeving ligt het onderzoeksgebied niet in een kwetsbaar gebied voor grondwater of boringvrije zone. Voor zover bekend wordt binnen het onderzoeksgebied geen grondwater onttrokken. Uit de bodemkwaliteitskaart van Bodemkwaliteitskaart regio Noordoost Brabant (2019) blijkt dat de onderzoekslocatie is gelegen in een gebied waarin de bodemkwaliteit naar verwachting voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur. De onderzoekslocatie is gelegen in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur.

Uit de bodemkwaliteitskaart PFAS van Bodemkwaliteitskaart PFAS voor de deelnemende gemeenten in Noord-Brabant (2020) blijkt dat de onderzoekslocatie is gelegen is in zone Zone 5. Op basis van de PFAS-gehalten voldoet de ontgravingsklasse naar verwachting aan klasse Landbouw/Natuur. 2.5

Terreinverkenning

Tijdens de terreinverkenning bleek dat de zuidelijk op de onderzoekslocatie gelegen schuur deels was ingestort. In verband met verder instortingsgevaar zijn dit deel van de onderzoekslocatie en de bijbehorende druppelzones (F en G) uitgesloten in dit onderzoek. Op de onderzoekslocatie zijn meerdere asbestverdachte daken waargenomen, deze zijn als druppelzones A t/m L benoemd in de situatietekening. Onder een aantal druppelzones is een verharding aanwezig en is geen kans op verontreiniging van de bodem. Deze druppelzones zijn zodoende uitgesloten van het onderzoek. Dit betreft druppelzones F t/m L. Voor een indruk van de locatie wordt verwezen naar de situatietekening in bijlage 2 en de foto’s in bijlage 3. 2.6

Hypothese en onderzoeksstrategie

Op basis van het vooronderzoek is de hypothese dat op de locatie geen bodemverontreiniging aanwezig is. Daarom is gekozen voor de onderzoeksstrategie onverdachte locatie (ONV-NL). De grond en het grondwater worden onderzocht op de parameters uit het standaardpakket. Het onderzoek richt zich op het buitenterrein. De locaties van de bebouwing worden na sloop onderzocht. Uit het vooronderzoek blijkt dat asbestverdachte daken aanwezig zijn op de onderzoekslocatie, de druppelzones worden onderzocht op aanwezigheid van asbest en PCB. In paragraaf 3.1 wordt de strategie verder uitgewerkt. Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Pagina 6 van 24

3

Verkennend bodemonderzoek

3.1

Onderzoeksopzet

Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740:2023- Bodem - Landbodem Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. De veldwerkzaamheden en de te analyseren monsters zijn vastgesteld op basis van de onderzoeksstrategie en de oppervlakte van de onderzoekslocatie. Een overzicht hiervan is weergegeven in tabel 2. Tabel 2: Veldwerkzaamheden en analyses locatie

perceel 5.140 m2

strategie

VED-HE

boringen

analyses

tot 0,5 m-mv

tot grondwater (max. 2 m-mv)

met peilbuis

15

3

1

bovengrond

ondergrond

grondwater

3x standaardpakket1) 1x standaardpakket1) 1x standaardpakket2)

1

Het standaardpakket voor grond bestaat uit barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, PAK, PCB, minerale olie, lutum en organisch stof. 2

Het standaardpakket voor grondwater bestaat uit barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, minerale

olie, vluchtige aromatische en vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen.

3.2

Veldwerkzaamheden

De veldwerkzaamheden zijn onder certificaat uitgevoerd door MILON, conform de vigerende versie van de BRL SIKB 2000, volgens protocol 2001 "Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen" en protocol 2002 "Het nemen van grondwatermonsters". MILON is voor deze werkzaamheden gecertificeerd door Normec Certification (nummer EC-SIK-20269) en is erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Op 23 juli 2024 zijn de veldwerkzaamheden uitgevoerd door de heer R.C.J. (Reinoud) de Jong. De veldwerkers van MILON zijn erkend en ervaren, staan geregistreerd bij Rijkswaterstaat Bodem+ en zijn opgeleid voor het herkennen van asbesthoudende materialen. De volgende veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd: verrichten van boringen en plaatsen van peilbuizen conform tabel 2; zintuiglijk beoordelen, beschrijven en bemonsteren van de grond per 0,5 meter of gelijkwaardige laag; afpompen van het grondwater in de peilbuis na plaatsing. Op 31 juli 2024 is de grondwaterbemonstering uitgevoerd door de heer R.C.J. (Reinoud) de Jong, erkend en ervaren veldwerker van MILON. De volgende veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd: bepalen van de grondwaterstand; afpompen van het grondwater in de peilbuis, waarbij gelijktijdig de zuurgraad, elektrisch geleidingsvermogen en troebelheid van het grondwater zijn gemeten; bemonsteren van het grondwater.

Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Pagina 7 van 24

3.3

Zintuiglijke waarnemingen

De bodemopbouw van de boven- en ondergrond ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat uit matig fijn en zwak siltig zand. In boring 5 zijn in de bovengrond asbestverdachte plaatmaterialen aangetroffen. Hiervan is één plaatje bemonsterd voor analyse. Plaatselijk zijn in de bovengrond resten baksteen, leisteen, kolengruis en/of een betonlaagje waargenomen. Dit is op het noordoostelijk deel van de onderzoekslocatie en het zuidelijk deel. Op de rest van de onderzoekslocatie zijn geen bijmengingen aangetroffen of waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Op het maaiveld van de onderzoekslocatie is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Voor meer informatie betreffende de bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen wordt verwezen naar de profielbeschrijvingen in bijlage 4. De ligging van de boorpunten is weergeven op de situatietekening in bijlage 2. In tabel 3 zijn de resultaten van de uitgevoerde veldmetingen tijdens de grondwaterbemonstering weergegeven. Tijdens de bemonstering zijn geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van het grondwater. Tabel 3: Veldmetingen en zintuiglijke waarnemingen Peilbuis 01

Filterstelling (m -mv) 2,00 - 3,00

Grondwaterstand (m -mv) 1,47

pH (-) 6,9

EGV (µS/cm) 369

Troebelheid (NTU) 2,8

De gemeten zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EGV) en de troebelheid (Nephelometic Turbidity Units, NTU) zijn als normaal te beschouwen voor de waargenomen bodemopbouw en de ligging van de locatie.

3.4

Laboratoriumwerkzaamheden

De grond- en grondwatermonsters zijn ter analyse aangeboden aan SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam. SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam is door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerd op basis van de internationale norm(en). Van de in het veld genomen en separaat verpakte grondmonsters zijn, in opdracht van de projectleider van MILON, in het laboratorium mengmonsters samengesteld. In tabel 4 zijn per mengmonster de individuele grondmonsters, zintuiglijke waarnemingen en aangevraagde analyses weergegeven. Alle analyserapporten zijn opgenomen in bijlage 5. Tabel 4: Monstersamenstelling en zintuiglijke waarnemingen Analysemonster MM01

Monstertraject (m -mv) 0,00 - 0,60

MM02

0,00 - 0,50

MM03

0,00 - 0,50

Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Deelmonsters

Zintuiglijke waarnemingen

Aangevraagde analyses

01 (0,00 - 0,10) 04 (0,30 - 0,60) 07 (0,30 - 0,60) 14 (0,20 - 0,50) 15 (0,00 - 0,40) 16 (0,00 - 0,50) 17 (0,00 - 0,50) 09 (0,00 - 0,30) 11 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 19 (0,00 - 0,50)

sporen baksteen, resten baksteen, resten leisteen

Standaardpakket incl. lu/os

resten kolengruis, sporen baksteen, resten baksteen

Standaardpakket incl. lu/os

-

Standaardpakket incl. lu/os

Pagina 8 van 24

Analysemonster MM04

Monstertraject (m -mv) 0,60 - 1,50

Deelmonsters

01 (0,60 - 1,00) 02 (0,75 - 1,20) 03 (1,00 - 1,50) 04 (0,60 - 1,10) -: geen bijzonderheden waargenomen; sporen/resten: <1% antropogene bijmenging;

3.5

Zintuiglijke waarnemingen

Aangevraagde analyses

-

Standaardpakket incl. lu/os

Analyseresultaten

De analyseresultaten voor de (boven- en onder)grond en het grondwater zijn getoetst aan de normen uit de Omgevingswet. Voor grondwater zijn dit de waarden uit bijlage V van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. In bijlage 7 is de beschrijving van het gehanteerde toetsingskader bijgevoegd. De toetsing is weergegeven in bijlage 6. Een samenvatting van de toetsing is weergegeven in tabellen 5 en 6. In de tabellen zijn uitsluitend de verhoogde parameters weergegeven. In tabel 5 is tevens de indexwaarde weergegeven. De gemeente Meierijstad heeft geen lokale interventiewaarden vastgesteld. De resultaten zijn tevens indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit. Tabel 5: Toetsing van de analyseresultaten (grond) Analyse- Monstertraject monster (m -mv) MM01 0,00 - 0,60

Deelmonsters

Zintuiglijke waarnemingen sporen baksteen, resten baksteen, resten leisteen

> Landbouw/Natuur Index >0,5 PAK (-) -

>I

Bbk Indicatief

01 (0,00 - 0,10) Klasse 04 (0,30 - 0,60) Landbouw/Natuur 07 (0,30 - 0,60) 14 (0,20 - 0,50) MM02 0,00 - 0,50 15 (0,00 - 0,40) resten kolengruis, minerale olie (0,02) Klasse Industrie 16 (0,00 - 0,50) sporen baksteen, PAK (0,3) 17 (0,00 - 0,50) resten baksteen MM03 0,00 - 0,50 09 (0,00 - 0,30) Klasse 11 (0,00 - 0,50) Landbouw/Natuur 12 (0,00 - 0,50) 19 (0,00 - 0,50) MM04 0,60 - 1,50 01 (0,60 - 1,00) Klasse 02 (0,75 - 1,20) Landbouw/Natuur 03 (1,00 - 1,50) 04 (0,60 - 1,10) -: het gehalte is lager of gelijk aan de betreffende toetsingswaarde; >Landbouw/Natuur: het gehalte is hoger dan de normwaarde (licht verhoogd); index >0,5: het gehalte is hoger dan het gemiddelde van de normwaarde en de interventiewaarde (matig verhoogd); >I: het gehalte is hoger dan de interventiewaarde (sterk verhoogd).

Tabel 6: Toetsing van de analyseresultaten aan de omgevingsverordening Noord-Brabant (grondwater) analysemonster

filterstelling (m -mv)

> voorkeurswaarde

01-1-1 2,00 – 3,00 molybdeen -: de concentratie is lager dan de betreffende toetsingswaarde. > voorkeurswaarde: de concentratie is hoger dan de provinciaal bepaalde voorkeursgrenswaarde. >sbg: de concentratie is hoger dan de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering).

Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

> sbg -

Pagina 9 van 24

In boring 05 is asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen. De analyseresultaten zijn weergegeven in tabel 7. Tabel 7: Resultaten plaatmateriaal Analysemonster PL01 05 (15-50)

3.6

Boring en diepte (m -mv) 05 (0,15 - 0,50)

Monsterbeschrijving

Gewicht plaat (g)

Asbest

Golfplaat

16,5

Chrysotiel 10-15% Crocidoliet 2-5%

Bespreking van de resultaten

Grond In de bovengrond zijn in de noordoostelijke hoek van de onderzoekslocatie licht verhoogde gehaltes PAK aangetoond. In de bovengrond rondom de vervallen schuur zuidelijk op de onderzoekslocatie zijn licht verhoogde gehaltes minerale olie en PAK aangetoond. Volgens Besluit bodemkwaliteit voldoet de bodem aan klasse Landbouw/Natuur, behalve de bovengrond bij de noordoostelijke hoek. Deze voldoet aan klasse industrie. In boring 05 zijn asbesthoudende plaatmaterialen aangetroffen. Hiermee is de grond verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest. Grondwater In het grondwater een licht verhoogde concentratie molybdeen aangetroffen. Toetsing hypothese In de grond en het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aangetoond. Tevens is asbesthoudend plaatmateriaal aangetoond. De hypothese ‘onverdachte locatie’ wordt verworpen.

Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Pagina 10 van 24

4

Uitvoering druppelzone onderzoek

4.1

Onderzoeksstrategie

Het verkennend asbestonderzoek voor de druppelzone is uitgevoerd gebaseerd op de NEN 5707+C2:2017 Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. Afwijkingen op de NEN 5707 zijn opgenomen in hoofdstuk 3.6. Diverse daken van de aanwezige schuren bestaan vermoedelijk uit asbesthoudend plaatmateriaal en er is geen goot aanwezig met afwatering op de riolering. Hierdoor is het mogelijk dat asbestvezels welke door erosie los zijn gekomen van het dak op of in de bodem terecht zijn gekomen. De grond onder verweerde asbesthoudende daken is naast asbest ook verdacht op PCB. Verschillende soorten asbesthoudende golfplaten zijn voorzien van een PCB-houdende coating. Het doel van het asbestonderzoek is om, met een relatief geringe onderzoeksinspanning, na te gaan of de verdenking van verontreiniging van de bodem met asbest en PCB ter plaatse van de druppelzone terecht is. De druppelzones H t/m K en een deel van druppelzone C zijn niet onderzocht, Hier is het maaiveld volledig verhard en is geen onderzoek noodzakelijk. Druppelzones F en G zijn verdacht op het voorkomen van asbest maar in verband met instortingsgevaar was onderzoek tijdens deze fase niet mogelijk. Op basis van de gestelde hypothese wordt het asbestonderzoek uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie voor een verdachte toplaag met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld.

De veldwerkzaamheden en de te analyseren monsters zijn vastgesteld op basis van de totale oppervlakte van de onderzoekslocatie. Een overzicht hiervan is weergegeven in tabel 10. Tabel 8: Veldwerkzaamheden en analyses Locatie

Lengte in meter

Strategie

Gaten tot maximaal 0,1 m in de verdachte laag

Aantal analyses grond

Druppelzone A

30

verdacht

2

1x asbest in grond 1x PCB

Druppelzone B

30

verdacht

2

1x asbest in grond 1x PCB

Druppelzone C

6

verdacht

1

1x asbest in grond 1x PCB

Druppelzone D

30

verdacht

2

1x asbest in grond 1x PCB

Druppelzone E

5

verdacht

1

4.2

1x asbest in grond 1x PCB

Veldwerkzaamheden

Op 23 zijn de veldwerkzaamheden uitgevoerd door de heer R.C.J. (Reinoud) de Jong, erkend en ervaren veldwerker van MILON bv. De veldwerkers staan op persoonlijke titel geregistreerd bij Rijkswaterstaat Bodem+ en zijn opgeleid voor het herkennen van asbesthoudende materialen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: Tijdens de veldwerkzaamheden zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: - het uitvoeren van een visuele maaiveldinspectie; Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Pagina 11 van 24

-

4.3

het laagsgewijs graven van gaten conform tabel 10; het herstellen van de gegraven gaten.

Zintuiglijke waarnemingen

Maaiveldinspectie Het te inspecteren maaiveld is vrij van objecten en waterplassen. Ten tijde van de visuele inspectie was het droog en was er voldoende daglicht. De druppelzones zijn vrijwel volledig begroeid. Hierdoor was maaiveldinspectie niet mogelijk. Gezien de specifieke verdenking onder de dakgoot is geen aanleiding om direct over te gaan tot een nader onderzoek asbest. Inspectie en monsterneming bodem De bovengrond bestaat uit zand er zijn geen bijmengingen aangetroffen. Van de onverharde bodem in de druppelzone is een mengmonster samengesteld van minimaal 10 kilogram droge stof. Dit mengmonster is analytisch onderzocht op het gehalte en soort asbest en PCB. Voor meer informatie betreffende de bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen wordt verwezen naar de profielbeschrijvingen in bijlage 4. De ligging van de proefgaten is weergegeven op de situatietekening in bijlage 2.

4.4

Laboratoriumwerkzaamheden

De verzamelmonsters en eventueel asbestverdacht materiaal zijn ter analyse aangeboden aan SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam is door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerd op basis van de internationale norm(en). De mengmonsters zijn in het laboratorium gezeefd en geanalyseerd op asbest en PCB. In onderstaande tabel zijn de monsters en de zintuiglijke waarnemingen weergegeven. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 5. Monsters ASB01 en ASB02 voldoen na drogen niet aan de eis voor het minimale gewicht van 10 kg/ds. Voor ASB01 is 12,7 kg aangeleverd, echter blijkt bij deze deellocatie het gehalte droge stof aanlijk lager dan de overige monsters Voor monster ASB02 komt dit door de beperkte lengte van drupzone C. Deze monsters zijn hiermee indicatief. Naar verwachting geven deze wel een representatief beeld van de verontreinigingssituatie op de locatie. Tabel 9: Monstersamenstelling en zintuiglijke waarnemingen Deellocatie Druppelzone A

Analysemonster ASB01

Monstertraject (m -mv) 0,00 - 0,10

Druppelzone B

ASB03

0,00 - 0,10

Druppelzone C

ASB02

0,00 - 0,10

Druppelzone D

ASB04

0,00 - 0,10

Druppelzone E

ASB05

Druppelzone A Druppelzone B

PCB01 PCB03

Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Deelmonsters A01 (0,00 - 0,10) A02 (0,00 - 0,10) A04 (0,00 - 0,10) A05 (0,00 - 0,10) A03 (0,00 - 0,10)

Zintuiglijke waarnemingen -

0,00 - 0,10

A06 (0,00 - 0,10) A07 (0,00 - 0,10) A08 (0,00 - 0,10)

0,00 - 0,10 0,00 - 0,10

A01 (0,00 - 0,10) A05 (0,00 - 0,10)

-

-

Aangevraagde analyses Grond Kwantitatief (10-12.5 kg) incl. SEM Grond Kwantitatief (10-12.5 kg) incl. SEM Grond Kwantitatief (10-12.5 kg) incl. SEM Grond Kwantitatief (10-12.5 kg) incl. SEM Grond Kwantitatief (10-12.5 kg) incl. SEM PCB en organische stof PCB en organische stof

Pagina 12 van 24

Deellocatie Druppelzone C Druppelzone D Druppelzone E

4.5

Analysemonster PCB02 PCB04 PCB05

Monstertraject (m -mv) 0,00 - 0,10 0,00 - 0,10 0,00 - 0,10

Deelmonsters A03 (0,00 - 0,10) A06 (0,00 - 0,10) A08 (0,00 - 0,10)

Zintuiglijke waarnemingen -

Aangevraagde analyses PCB en organische stof PCB en organische stof PCB en organische stof

Interpretatie en toetsing

Bij een verkennend asbestonderzoek worden uitsluitend indicatieve asbestgehalten (gewogen) berekend. Indien het indicatieve gehalte asbest in grond groter is dan 0,5 x interventiewaarde (oftewel 50 mg/kg gewogen asbest) dient een nader onderzoek asbest uitgevoerd te worden conform NEN 5707. Bij lagere indicatieve gehalten (< 50 mg/kg gewogen asbest) wordt niet van een verontreiniging met asbest worden gesproken en is een nader onderzoek asbest niet noodzakelijk. Het analysecertificaat is weergegeven in bijlage 6. De toetsing van de analyseresultaten is weergegeven in tabel 14. In tabel 15 zijn de resultaten weergegeven van de analyse op PCB. Tabel 10: Analyseresultaten asbestonderzoek druppelzone Deellocatie

Analyse monster

Proefgaten (m-mv)

Toetsing van de analyseresultaten Gemeten asbestgehalte mg/kg ds

Totaal gewogen asbestconcentratie1

Respirabele vezels mg/kg ds

<20 mm

>20 mm

Totaal

mg/kg ds

Toetsing

Druppelzone A

ASB011)

A01 (0-10) A02 (0-10)

19

0,52

19

62,99

>½ I

0,29

Druppelzone B

ASB031)

A04 (0-10) A05 (0-10)

<2

0,4

0,4

31,88

<½ I

-

Druppelzone C

ASB02

A03 (0-10)

32,3

-

32,3

32,3

<½ I

1,8

Druppelzone D

ASB04

A06 (0-10) A07 (0-10)

32

-

32

191,2

>½ I

190

Druppelzone E

ASB05

A08 (0-10) A09 (0-10)

140

-

140

218

>½ I

3,8

indicatief monsters minder dan 10 kg ds. -: Geen parameters gevonden. 1) : Gecorrigeerd voor de gehalten amfibool en serpentijn. <½ I: gehalte < 0,5x interventiewaarden(50 mg/kg d.s.). Een nader asbestonderzoek is niet noodzakelijk. >½ I: gehalte > 0,5x interventiewaarden(50 mg/kg d.s.). Een nader asbestonderzoek is noodzakelijk. 1)

Tabel 11: PCB analyse druppelzone Deellocatie Druppelzone A Druppelzone B Druppelzone C Druppelzone D Druppelzone E

Analysemonster PCB01 PCB03 PCB02 PCB04 PCB05

Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Monstertraject (m -mv) 0,00 - 0,10 0,00 - 0,10 0,00 - 0,10 0,00 - 0,10 0,00 - 0,10

Deelmonsters A01 (0,00 - 0,10) A05 (0,00 - 0,10) A03 (0,00 - 0,10) A06 (0,00 - 0,10) A08 (0,00 - 0,10)

Zintuiglijke waarnemingen -

> landbouw/ natuur PCB (som 7) (0,3) PCB (som 7) (0,48)

Index >0,5 > I -

-

Pagina 13 van 24

4.6

Afwijkingen ten opzichte van de NEN en de BRL

Op een aantal punten is van de NEN 5707 of de BRL 2018 afgeweken. Hieronder worden de afwijkingen beschreven en gemotiveerd.

Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Pagina 14 van 24

Bemonstering toplaag Voor druppelzones is de toplaag (10 cm) verdacht op verontreiniging met asbest in de fijne fractie. Zodoende zijn gaten gegraven van de betreffende toplaag en zijn deze niet tot een halve meter in de verdachte laag gezet, als aangegeven in de NEN 5707. Ook is het doorboren tot een halve meter in zintuiglijk schone grond achterwege gelaten. Hiermee wordt de daadwerkelijk verdachte laag onderzocht en ontstaat een betrouwbaarder beeld. Aantal monstergaten Het aantal gaten is niet bepaald op basis van tabel 7 uit de NEN 5707. Het aantal gaten in bepaald op basis van de lengte per druppelzone en betreft maatwerk. Zeven/uitharken Het monster is niet in het veld gezeefd of uitgeharkt. De reden hiervoor is tweeledig: - De bovengrond bevat veel wortels, waardoor zeven niet mogelijk is. - In verband met de verdenking op fijne fractie is met oog op veiligheid en het eventueel verwaaien en verspreiden van fijne asbestdeeltjes is het monster niet in het veld uitgeharkt, en ongezeefd naar het laboratorium gestuurd, waar het onder labcondities is gezeefd. - Het risico van niet zeven is dat bij het aantreffen van asbestverdacht (plaat)materiaal tijdens het zeven in het lab, niet traceerbaar is uit welk gat het materiaal afkomstig is.

Echter omdat er een verdenking is op voornamelijk de fijne fractie, achten wij deze methode nog steeds representatief voor de kwaliteit van de druppelzone. In de berekening van de asbestgehaltes is het aandeel fractie >20 mm dan ook niet meegenomen.

4.7

Bespreking van de resultaten

Op het maaiveld of in de opgegraven grond zintuigelijk geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Ter plaatse van druppelzones A en B zijn tijdens het zeven in het laboratorium asbesthoudende plaatmaterialen waargenomen > 20 mm. In druppelzones A, C, D en E is asbest in de fijne fractie aangetoond waarbij tevens respirabele vezels zijn aangetroffen. Ter plaatse van druppelzones A, D en E wordt de waarde voor nader bodemonderzoek overschreden. Aangenomen wordt dat de verontreinigingen zich beperkt tot de druppelzone, nader bodemonderzoek wordt niet zinvol geacht. In druppelzones D en E zijn licht verhoogde gehalten PCB aangetoond. In de overige druppelzones zijn geen verhoogde gehalten PCB aangetoond.

Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Pagina 15 van 24

5

Conclusies en aanbevelingen

Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen herinrichting van de locatie. Op basis van het onderzoek zijn milieuhygiënisch gezien aandachtpunten voor de voorgenomen herinrichting. 5.1

Conclusies

Grond In de bovengrond zijn in de noordoostelijke hoek van de onderzoekslocatie licht verhoogde gehaltes PAK aangetoond. In de bovengrond rondom de vervallen schuur zuidelijk op de onderzoekslocatie zijn licht verhoogde gehaltes minerale olie en PAK aangetoond. Volgens Besluit bodemkwaliteit voldoet de bodem aan klasse Landbouw/Natuur, behalve de bovengrond in de noordoostelijke hoek. Deze voldoet aan klasse industrie. In boring 05 zijn asbesthoudende plaatmaterialen aangetroffen. Hiermee is de grond verdacht op het voorkomen van asbest. Aanvullend onderzoek naar asbest conform de NEN5707 is op dit deel van het terrein noodzakelijk. Grondwater In het grondwater een licht verhoogde concentratie molybdeen aangetroffen. Verwacht is dat molybdeen van nature verhoogd voorkomt in de grond. Druppelzones asbest Ter plaatse van de druppelzones D en E zijn gewogen gehalten groter dan 100 mg/kg.ds. asbest aangetoond. Waarbij in drupzone D de respirabele vezels de risiconorm overschrijden (SRC-arbo en SRChumaan. Gezien de aard en mate van verontreiniging wordt geacht dat het uitvoeren van een nader asbestonderzoek niet zinvol is. Geadviseerd wordt om de afwateringszones direct te saneren middels volledige afgraving. Omdat nader asbestonderzoek niet zinvol wordt geacht wordt op basis van het onderzoek wordt ook geadviseerd de toplaag van het druppelzone A te saneren. 5.2

Aanbevelingen

Op basis van het onderzoek doen wij de volgende aanbevelingen: - Saneren toplaag van drupzones A, D en E. Hiervoor dient een MKB-plan opgesteld te worden door een BRL6001 gecertificeerd adviesbureau en de sanering dient uitgevoerd te worden door een BRL7000 gecertificeerde aannemer; - Overwogen kan worden ook de drupzones B en C te saneren waar wel asbest is aangetoond maar de grenswaarde niet wordt overschreden; - Na sloop van de zuidelijke schuur dienen hier de volgende onderzoeken worden uitgevoerd: o onderzoek asbest in grond drupzones (NEN5707); o onderzoek asbest in grond schuur (NEN5707); o aanvullen verkennend bodemonderzoek (NEN5740) met bodem ter plaatse van schuur. - Na sloop van de stallen zijn de volgende onderzoeken nodig: o verkennend asbestonderzoek ter plaatse van bebouwing (NEN5707: o aanvullend asbestonderzoek rond boring 05 (NEN5707) in verband met de meerdere plaatmaterialen die zijn aangetroffen in de grond van de boring bevelen wij aan dit als nader bodemonderzoek in te steken; o Aanvullen verkennend bodemonderzoek met bodem ter plaatse van bebouwing. Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Pagina 16 van 24

CROW400 Bij werkzaamheden in de grond dienen de maatregelen conform de CROW-publicatie 400 ‘Werken in en met verontreinigde bodem’ te worden aangehouden. Op basis van het huidige bodemonderzoek is ter plaatse van druppelzones A, D en E voorlopige veiligheidsklasse zwart niet vluchtig van toepassing. De definitieve klasse kan worden vastgesteld door een middel of hoger veiligheidskundige. Voor het overig terrein is aanvullend onderzoek nodig voor het vaststellen van de veiligheidsklasse conform de CROW.

Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Pagina 17 van 24

Bijlage 1: Topografische overzichtskaart

Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Bijlage 2: Situatietekening

Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Bijlage 3: Foto’s

Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Foto 1

Foto 2

Foto 3

Foto 4

Foto 5

Foto 6

pagina 1 van 5

Foto 7

Foto 8

Foto 9

Foto 10

Foto 11

Foto 12

pagina 2 van 5

Foto 73

Foto 14

Foto 15

Foto 16

Foto 17

Foto 18

pagina 3 van 5

Foto 89

Foto 90

Foto 21

Foto 22

Foto 23

Foto 24

pagina 4 van 5

Foto Boring 05

Foto Asbest plaatjes boring 05

pagina 5 van 5

Bijlage 4: Profielbeschrijvingen en zintuiglijke waarnemingen

Projectnummer: 20241666 Datum: 20 augustus 2024

Legenda (conform NEN 5104)

grind

klei Grind, siltig

geur Klei, zwak siltig

geen geur zwakke geur

Grind, zwak zandig

matige geur

Klei, matig siltig

sterke geur Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

uiterste geur

olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=301149b3-48f0-469e-a915-2aad6fa31f43