CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

5a Onderbouwing wijziging omgevingsplan Boerdonksedijk 36 Erp

Raadsvergadering 18 september 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Wijziging omgevingsplan Meierijstad (3e wijzigingsronde)26.312 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk

Projectlocatie Boerdonksedijk 36 Boerdonk Omschrijving project Functiewijziging van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’ Projectnummer MABO.RO01 Datum rapportage 6 februari 2025, versie 03 Opgesteld door Agron Advies B.V. Pastoor van Schijndelstraat 33a 5469 PS Boerdonk Tel: 0492-347761 Email: info@agronadvies.nl

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk

Inhoud 1. 1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding Aanleiding Ligging en begrenzing projectgebied Vigerend planologisch-juridisch kader Leeswijzer

1 1 1 3 4

2.

Bestaande situatie

5

3. 3.1 3.2

Voorgenomen ontwikkeling Beschrijving voorgenomen ontwikkeling Toetsing aan Bestemmingsplan ‘Buitengebied’

7 7 7

4. 4.1 4.2 4.3 4.4

Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Beleid waterschap Gemeentelijk beleid

9 9 10 16 18

5. 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13 5.14

Omgevingsaspecten Het beschermen van de gezondheid en milieu Geluid door activiteiten Kwaliteit van de buitenlucht Geur Bodemkwaliteit Wegen, verkeer en parkeren Omgevingsveiligheid Natuur Water en watersystemen Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw Bedrijfsmatige activiteiten M.e.r. beoordeling Zorgvuldig ruimtegebruik/ ladder voor duurzame verstedelijking Duurzaamheid

20 20 21 23 24 27 29 30 31 36 38 41 44 45 45

6.

Beperkingengebied

46

7.

Financiële haalbaarheid

47

8.

Belangenafweging en conclusie

48

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Inrichtingsschets Landschappelijk inpassingsplan Rapportage verkennend bodemonderzoek Berekening stikstofdepositie Aerius Calculator Rapportage flora-fauna onderzoek Berekening kwaliteitsverbetering Geurberekeningen

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk

1. Inleiding 1.1

Aanleiding

Op de locatie Boerdonksedijk 36 in Boerdonk (hierna: het projectgebied) is een agrarisch bedrijf gevestigd. De initiatiefnemer is voornemens de huidige agrarische functie te wijzigen in een woonfunctie. Hierbij wordt de bestaande bedrijfswoning in gebruik genomen als burgerwoning en worden de voormalige bedrijfsgebouwen grotendeels gesloopt. Op de locatie is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Meierijstad van toepassing. Het bouwperceel heeft in dit plan de functie ‘Agrarisch’ met een bouwvlak van 9.267 m². Het beoogde plan is in strijd met de regels van het omgevingsplan. Gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van niet-agrarische bedrijfsactiviteiten is niet toegestaan. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de bouw- en gebruiksregels van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Dit bestemmingsplan maakt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Meierijstad. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, moet van het planologisch regime worden afgeweken, of moet het tijdelijke omgevingsplan worden gewijzigd. Dit kan middels een wijziging van het omgevingsplan. Dit omgevingsplan maakt het beoogde gebruik en de beoogde bebouwing mogelijk en stelt nieuwe kaders vast voor het projectgebied.

Onderhavige motivering is essentieel ter onderbouwing van deze wijziging en verantwoordt dat de wijziging in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.2

Ligging en begrenzing projectgebied

Het projectgebied ligt binnen de grenzen van de gemeente Meierijstad, ongeveer 1.200 meter ten noorden van de kern van Boerdonk. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Erp, sectie P, nummer 2346 en deels 2347. De locatie wordt aan de oostzijde ontsloten aan de Boerdonksedijk. Ten oosten van het projectgebied ligt een veehouderij. Aan de noordzijde van het projectgebied liggen twee burgerwoningen. Verder is het projectgebied omzoomd door agrarische gronden. De directe omgeving van het projectgebied heeft een overwegend agrarisch karakter vermengd met wonen en wordt gekenmerkt door verspreid liggende agrarische bedrijven en burgerwoningen. De volgende figuren geven de ligging van het projectgebied weer.

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 1

Projectgebied

Kern Boerdonk

Figuur 1: Ligging projectgebied op topografische kaart

Figuur 2: Ligging projectgebied op luchtfoto (rood omkaderd)

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 2

Figuur 3 Ligging projectgebied in de directe omgeving

1.3

Vigerend planologisch-juridisch kader

Bestemmingsplan De projectlocatie ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Meierijstad. Ter plaatse van het projectgebied is sprake van het tijdelijk omgevingsplan zoals deze inwerking is getreden op 1 januari 2024. Ter plaatse van het projectgebied vormen de volgende plannen gezamenlijk het omgevingsplan van rechtswege: • Omgevingsplan gemeente Meierijstad; • Paraplubestemmingsplan ‘Archeologie’ (ontwerp); • Uitspraak Raad van State, paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’; • Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit; • Paraplubestemmingsplan ‘parkeren’; • Bestemmingsplan ‘Buitengebied’; Voor de duiding van het planologisch regime van het projectgebied is met name het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van belang. Het omgevingsplan bevat in de huidige situatie namelijk uitsluitend de regels van de bruidsschat. Het hiervoor genoemde plan gaat niet meer uit van bestemmingen, maar van functielagen. De gronden binnen het projectgebied raken de volgende functielagen: • Agrarisch; • Waarde – Archeologie 2. De volgende figuur toont een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan.

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 3

Projectlocatie

Figuur 4: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied’

1.4

Leeswijzer

De voorliggende motivering vormt de basis voor de herziening van het omgevingsplan voor de locatie. De herziening maakt de planologische inpassing mogelijk van de beoogde ontwikkeling. De omgevingsplanherziening is vervat in een verbeelding en regels en gaat vergezeld van een toelichting. Op de verbeelding zijn onder meer de functies van de binnen de projectlocatie begrepen gronden aangegeven. De regels omvatten de functiebepalingen van de verschillende functies die binnen de projectlocatie voorkomen. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het omgevingsplan; de toelichting is van belang als beleidsdocument.

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 4

2. Bestaande situatie Op de locatie is een agrarisch bedrijf gevestigd. Het huidige bouwvlak heeft een oppervlakte van 9.267 m². Voor de locatie is een milieuvergunning verleend voor het houden van 138 stuks vrouwelijk jongvee, 2 volwassen paarden en 10 legkippen. Binnen het projectgebied is de volgende bebouwing aanwezig: • Een bedrijfswoning van circa 130 m2; • Drie stallen van in totaal circa 1.255 m2; • Een schuur van circa 210 m². Totaal bedraagt de oppervlakte van de (bedrijfs)gebouwen circa 1.600 m². De volgende figuur geeft een overzicht van de bestaande bebouwing.

Stallen

Stal

Bedrijfswoning

Schuur

Figuur 5: Bestaande situatie projectgebied

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 5

Figuur 6: Bestaande situatie vogelvluchtperspectief projectgebied (bron: cyclomedia.nl)

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 6

3. Voorgenomen ontwikkeling 3.1

Beschrijving voorgenomen ontwikkeling

In de beoogde situatie wordt de bedrijfswoning in gebruik genomen als burgerwoning. Alle agrarische activiteiten worden beëindigd. De bedrijfsbebouwing en bijbehorende bouwwerken worden grotendeels gesloopt. Een deel van de stallen blijft behouden en in gebruik genomen als bijgebouw. Het dak wordt vernieuwd en de gevels worden aangepast zodat deze beter passen in het landschap en een vriendelijkere uitstaling krijgen. Vervolgens worden er meerdere bijgebouwen gerealiseerd met een totale oppervlakte van 300 m2. Tevens wordt voorzien in een landschappelijk inpassing van het projectgebied. De functie van het projectgebied wordt deels gewijzigd van ‘Agrarisch’ gewijzigd naar de functie ‘Wonen’. De oppervlakte van het functievlak met de functie ‘wonen’ bedraagt 2.585 m². De overige gronden binnen het projectgebied blijven de functie agrarisch houden. De volgende figuur toont de gewenste situatie (zie ook in de bijlage).

Figuur 7: Beoogde situatie projectgebied

3.2

Toetsing aan Bestemmingsplan ‘Buitengebied’

De gemeente Meierijstad heeft op 22 oktober 2015 een bestemmingsplan voor het buitengebied vastgesteld. Het projectgebied heeft in dit plan de functie ‘Agrarisch‘. De beoogde ontwikkeling is in strijd met de regels van het vigerende bestemmingsplan; Binnen het projectgebied geldt de bestemming ‘Agrarisch’. De locatie enkel voor wonen gebruiken is niet toegestaan. Onder voorwaarden is het toegestaan om hiervan af te wijken. In artikel 3.7.8 ‘Wijzigen naar de bestemming Wonen’ van het bestemmingsplan zijn deze voorwaarden opgenomen. Hierna volgend wordt aan de betreffende voorwaarden getoetst. In cursief wordt de situatie met betrekking tot onderhavig initiatief beschreven.

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 7

Voorwaarden voor het omzetten van agrarisch naar wonen: a. Er is aangetoond dat voortzetting van het agrarisch bedrijf, dan wel hervestiging of omschakeling, binnen het betreffende bouwvlak niet reëel is; De locatie is te kleinschalig om nog bedrijfsmatig agrarische activiteiten uit te voeren. b. Het aantal woningen bedraagt na wijziging niet meer dan het (bestaande) aantal agrarische bedrijfswoningen dat in het betreffende bouwvlak voor de wijziging aanwezig was; In de huidige situatie is er 1 bedrijfswoning aanwezig. In de beoogde situatie wordt deze in gebruik genomen als een burgerwoning en wordt er geen nieuwe woning toegevoegd. c. De omvang van het bestemmingsvlak wordt afgestemd op de voormalige bedrijfswoning met bijbehorende tuin en erf, waarbij de overige gronden worden gewijzigd in de (aangrenzende) bestemming 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch met waarden; Het bouwvlak wordt verkleind waarna een bouwvlak overblijft dat overeenkomst met de groene omzoming van het perceel. Het resterende deel van het voormalig bouwvlak blijft agrarisch. d. De oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij de woning bedraagt na wijziging niet meer dan 100 m², tenzij toepassing wordt gegeven aan de regeling in lid d; Op basis van de ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ wordt er afgeweken van het maximum van 100 m2.

In de beoogde situatie zal er 300 m2 aan bijgebouwen resteren. e. Voor zover de oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen c.q. voormalige agrarische bedrijfsbebouwing de onder c voorgeschreven oppervlakte te boven gaat, wordt maximaal 25% van de te slopen overmaat eenmalig vervangen door een vergroting (uitgedrukt in m² per woonlaag) van de woning inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen en/of een vergroting (uitgedrukt in m²) van de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen, met dien verstande dat: 1. De inhoud van de woning inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen na vergroting niet meer bedraagt dan 900 m³; 2. De gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen na vergroting niet meer bedraagt dan 200 m², waarbij de oppervlakte per vrijstaand bijgebouw of overkapping niet meer mag bedragen dan 100 m²; Op basis van de ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ wordt er afgeweken van het maximum van 100 m2. In de beoogde situatie zal er 300 m2 aan bijgebouwen resteren. f. In afwijking van het bepaalde onder d en e dient cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te allen tijde gehandhaafd te blijven; Binnen het projectgebied is geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig. g.

De wijziging is zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijn stof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in het bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar; Door het beëindigen van de veehouderij zal de uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof afnemen. Door de groene omzoming van het perceel te behouden en te versterken vindt er geen aantasting van het landschap plaats. h. De wijziging levert geen beperking op voor de bedrijfsvoering of -ontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven; Er ontstaan in de beoogde situatie geen nieuwe gevoelige objecten voor geur, geluid en fijnstof. Er ontstaan dan ook geen extra beperking voor omliggende agrarische bedrijven. i. Er is voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een uitvoerbaar beplantingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken; Voor het projectgebied is een beplantingsplan opgesteld. Hierin wordt de bestaande groenstructuur versterkt. j. De wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van boden, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de vergroting haar werking heeft.

Door het verminderen van de hoeveelheid verharding verbeterd de situatie voor de waterhuishouding. Daarnaast wordt het bestaande landschap versterkt waarmee ook de natuur wordt versterkt. Er wordt voldaan aan de voorwaarden voor wijziging van het agrarisch gebruik in wonen.

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 8

4. Beleidskader 4.1

Rijksbeleid

4.1.1

Nationale omgevingsvisie (NOVI)

Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: • Een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten over stijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; • Over een onderwerp internationale verplichtingen of af spraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; • Een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio’s; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet op in het gewijzigd gebruik van een bedrijfswoning in een burgerwoning. De ontwikkeling wordt niet geraakt door de beleidsuitgangspunten uit de NOVI. Onderhavige ontwikkeling is op nationaal niveau te kleinschalig om onder het NOVI te vallen; het NOVI bevat geen specifieke regels voor onderhavige ontwikkeling.

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 9

4.1.2

Omgevingswet

De Omgevingswet (Ow) is in werking sinds 1 januari 2024 en vormt de basis voor regelgeving over de fysieke leefomgeving. De regels van de Omgevingswet zijn verder uitgewerkt in het Omgevingsbesluit, Besluit kwaliteit leefomgeving en de Omgevingsregeling. Verder staan er regels voor activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit bouwwerken leefomgeving. •

•

•

•

•

In de Omgevingswet staan regels voor de procedure bij het vaststellen van een plan of het nemen van een besluit door een bestuursorgaan. Die regels gaan over participatie, milieueffectrapportage, inspraak en rechtsbescherming (bezwaar en beroep). Ook staan er in de Omgevingswet regels voor activiteiten, onder andere Natura2000-activiteiten, Flora en faunaactiviteiten, lozingsactiviteiten, milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. In het Omgevingsbesluit staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen en over procedures. In Bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de m.e.r.-(beoordelingsplichtige) projecten aangewezen. In de Omgevingsregeling staan vooral technische regels, zoals meet- en rekenregels. In het Bkl staan omgevingswaarden ter bescherming van de gezondheid en het milieu (onder andere voor geur en luchtkwaliteit), instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (onder andere voor geur, geluid en bodemkwaliteit), beoordelingsregels (onder andere voor vergunningplichtige Natura2000-activiteiten) en monitoringsregels waar de gemeente rekening mee moet houden bij opstellen van het omgevingsplan.

In het Bal staan algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving, waaronder milieubelastende activiteiten (MBA’s) gegroepeerd per bedrijfstak (onder andere veehouderij en bedrijf voor mestbehandeling) en lozingsactiviteiten. In het Bal wordt aangegeven wanneer activiteiten vergunningplichtig zijn. In het Bbl staan algemene regels over bouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken. De regels voor ruimtelijke bouwactiviteiten staan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In het Bbl staan een aantal kleine bouwactiviteiten die altijd uitgevoerd mogen worden ongeacht de regels in het omgevingsplan.

Het planvoornemen wordt in hoofdstuk 5 van deze motivering getoetst aan de regels van de sectorale aspecten die voorvloeien uit het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Uit deze toets blijkt dat de ontwikkeling past binnen de kaders uit deze AMvB’s.

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant

Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant (‘De kwaliteit van Brabant; Visie op de Brabantse Leefomgeving’) vastgesteld. De Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving en bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren (tot 2050). Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. In de Omgevingswet voegt het Rijk alle regels voor de fysieke leefomgeving samen; over ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De nieuwe wet zorgt voor minder en overzichtelijke regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. De wet verplicht provincies en gemeenten een visie op de leefomgeving te ontwikkelen. Die visie is zelfbindend, dat wil zeggen dat een overheidslaag zich aan haar eigen visie moet houden. Een overheid kan de keuzes uit de Omgevingsvisie vastleggen in regels, de Omgevingsverordening. Aan die regels moeten overheden, bedrijven en burgers zich houden. Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 10

Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie is zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeterd. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Onderhavige ontwikkeling betreft de transformatie van een kleinschalige agrarische bedrijfslocatie naar een reguliere woonfunctie. Ondanks de beperkte omvang van het plan, is er een grote behoefte aan woningen. Het toekennen van een woonfunctie aan de bestaande bedrijfswoning sluit aan bij de hoofdopgave ‘De basis op orde’. Agrarische functies die niet toekomstbestendig zijn, krijgen een andere passende bestemming. De Brabantse Omgevingsvisie wordt uitgewerkt in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. In deze verordening worden de hoofdopgaven vertaald naar concrete, bindende regels. In de volgende paragraaf wordt de ontwikkeling getoetst aan deze omgevingsverordening. 4.2.2

TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant

Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Vanuit de Omgevingswet moet de provincie naast een omgevingsvisie een omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. Het doel van de omgevingsverordening is het bij elkaar brengen van alle regels (uit een aantal provinciale verordeningen) over de fysieke leefomgeving in één verordening. Omdat de keten voor het publiceren en beschikbaar stellen van de omgevingsverordening via het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet) nog niet volledig werkt voor alle provincies is de TAM-Omgevingsverordening – Tijdelijk alternatieve maatregel Omgevingsverordening – vastgesteld. Voor onderhavige projectlocatie is de ‘TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant’ van kracht (vastgesteld op 5 december 2023). Belangrijke onderwerpen in de TAM zijn: • Ruimtelijke kwaliteit; • Stedelijke ontwikkelingen; • Natuurgebieden en andere gebieden met waarden; • Agrarische ontwikkelingen, waaronder de intensieve veehouderij; • Overige ontwikkelingen in het landelijk gebied. De projectlocatie is volgens de TAM-Omgevingsverordening gelegen binnen ‘landelijk gebied’ en ‘aardkundige waarden’ (zie volgende figuur).

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 11

Projectlocatie

Figuur 8: Uitsnede kaart TAM- omgevingsverordening Noord-Brabant

Tot het landelijk gebied behoort het gebied buiten het bestaand stedelijk gebied. De provincie geeft binnen deze gebieden ruimte aan de gemeenten om zelf aan te geven welke ontwikkelmogelijkheden er zijn voor een gevarieerde plattelandseconomie en in welke gebieden het agrarische gebruik prevaleert. In hoofdstuk 5 van de TAM omgevingsverordening zijn hiertoe instructieregels voor het omgevingsplan gemeenten vastgelegd. Het gaat hierbij om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de regulering van activiteiten. Onderhavige rapportage is de onderbouwing hiertoe voor de beoogde ontwikkeling. Als basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zijn de volgende regels zijn van toepassing op onderhavig initiatief: • Artikel 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; • Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik; • Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering; • Artikel 5.10 Meerwaardecreatie; • Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap; • Artikel 5.12 Ontwikkelrichting; • Artikel 5.43 Aardkundige waarden; • Artikel 5.77 Wonen. Per artikel wordt in cursief aangegeven of het initiatief voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld. Artikel 5.7 – Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit In artikel 5.7 zijn regels opgenomen voor de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.

Deze zijn opgenomen om een bijdrage te leveren aan een juiste balans tussen beschermen en benutten, Bij de evenwichtige toedeling van functies speelt de balans tussen beschermen en benutten een belangrijke rol. Bij de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit gaat het zowel om het beschermen van waarden als het bijdragen aan de ontwikkeling van waarden en functies in een gebied. De zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit omvat een aantal basisprincipes in combinatie met een diepe en ronde manier van kijken, die afkomstig zijn uit de Brabantse omgevingsvisie: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Onderhavig project ziet op het wijzigen van de bestemming/ functie ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’ en een aanpassing van het bouwperceel zonder toename aan bebouwing. Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 12

Verder draagt de ontwikkeling bij aan een goede omgevingskwaliteit door het verminderen van de hoeveelheid bebouwing en het versterken van de landschappelijke inpassing. Artikel 5.8 – Zorgvuldig ruimtegebruik In artikel 5.8 worden de regels voor zorgvuldig ruimtegebruik weergegeven. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is al geruime tijd in het provinciaal beleid verankerd en omvat diverse aspecten. Doel is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied door nieuwvestiging is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt ook vorm door eerst de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Een ander aspect van zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt dat gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bouwperceel. Het is niet wenselijk dat overal ‘los’ in het landelijk gebied dergelijke voorzieningen worden opgericht. Er wordt gebruik gemaakt van een bestaand bouwperceel.

De oppervlakte van het bestemmingsvlak binnen het projectgebied wordt in de beoogde situatie verkleind en bestaat uit een perceel van 2.585 m² Alle bedrijfsgebouwen worden gesloopt waarna op de locatie van de oude stallen kleinere bijgebouwen terug geplaatst worden. Dit met uitzondering van een klein oppervlakte van een van de stallen welke in gebruik wordt genomen als bijgebouw. Onderhavige ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast. Het plan draagt op deze manier bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van de naaste omgeving. Ten aanzien van de gevolgen van de beoogde ontwikkeling op de omgeving wordt in het plan rekening gehouden met bodemkwaliteit, waterhuishouding, cultuurhistorische waarden, ecologische waarden en landschappelijke waarden en overige aspecten om te voldoen aan een evenwichtige verdeling van functies (zie hoofdstuk 5). Er wordt toepassing gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 5.9 – Toepassing van de lagenbenadering In artikel 5.9 worden regels gesteld ten aanzien van toepassing van de lagenbenadering. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.

Dit betekent dat het effect van de beoogde ontwikkeling op de ondergrond, de netwerklaag en de bovenste laag beschouwd moet worden. Met het effect op de ondergrond worden onder andere de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Door hierin actief de factor tijd te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. De toetsing van de gevolgen voor het initiatief op bovengenoemde aspecten wordt uiteengezet in hoofdstuk 5 van onderhavige onderbouwing. Artikel 5.10 – Meerwaardecreatie In artikel 5.10 worden regels gesteld ten aanzien van meerwaardecreatie. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken.

Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 13

die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Een verbetering zoals hierboven beschreven kan onder andere bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, wegnemen van verharding of het slopen van bebouwing. In onderhavige situatie wordt meerwaarde gecreëerd door de verkleining van het bestemmingsvlak, sloop van overtollige bebouwing te combineren met het versterken van de landschappelijke inpassing. Artikel 5.11 – Kwaliteitsverbetering van het landschap Artikel 5.11, kwaliteitsverbetering van het landschap: Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Noord-Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Een omgevingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied voorziet daartoe in een regeling. Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van deze regeling is in 2011 een handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld. Vrijwel alle gemeenten in de provincie hebben de regeling verder uitgewerkt in beleid en regionaal afspraken gemaakt over de toepassing. Op diverse plaatsen in de verordening zijn verbijzonderingen van de kwaliteitsverbetering landschap opgenomen.

De verplichtingen die daaruit voortvloeien, maken deel uit van de kwaliteitsverbetering landschap als bedoeld in dit artikel, zoals bijvoorbeeld verplichtingen tot sloop van bebouwing, het saneren van windturbines of de vastgelegde minimale verplichting voor een landschappelijke inpassing bij veehouderijen en mestbewerking. Ook wordt de mogelijkheid geboden om een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds te storten. Veel gemeenten hebben in het kader van het regionaal overleg afspraken gemaakt met de provincie over de toepassing van de kwaliteitsverbetering landschap. Voor die gemeenten geldt dat zij in de toelichting van het omgevingsplan naar deze afspraken kunnen verwijzen. De kwaliteitsverbeterende maatregelen dienen zowel financieel, juridisch en feitelijk geborgd te worden in het plan. Het provinciale beleid is doorvertaald in de gemeentelijke ‘Handreiking Kwaliteitsverbetering van gemeente Meierijstad’ (september 2021). Dit beleid vormt een vertaling van het regionale afsprakenkader (10 januari 2013) waarin het toepassingsbereik van kwaliteitsverbetering, de hoogte van de basisinspanning en aanvullende kwaliteitsverbetering zijn vastgelegd. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hierin in drie categorieën ingedeeld, beoordeeld op impact op de omgeving en het landschap.

Onderhavige ontwikkeling, omschakeling naar een woonbestemming betreft een categorie 2-ontwikkeling (‘Ruimtelijke ontwikkelingen met een beperkte impact’). Het betreft in onderhavige situatie een wijziging van de bestemming agrarisch in bestemming wonen of wonen met VAB aanduiding, waarbij het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5.000 m², overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 300 m² voormalige bedrijfsbebouwing resteert. Bij uitwerking en uitvoering van het initiatief is men verplicht een landschappelijke inpassing in de vorm van een erfinrichtingsplan op te stellen, in te dienen en te realiseren. Een landschappelijk inpassingsplan is als bijlage bijgevoegd. Juridische en feitelijke verankering Het landschappelijk inpassing wordt juridisch in de regels van het omgevingsplan vastgelegd middels een voorwaardelijke verplichting die de aanleg, instandhouding en beheer van de beplanting borgt. Daarmee is ook de feitelijke waarborging van de kwaliteitsverbetering van het landschap verzekerd. Artikel 5.12 – Ontwikkelrichting Artikel 5.12 gaat over de afweging bij de ontwikkeling van nieuwe activiteiten en functies in het Landelijk gebied dat het belangrijk of deze past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waar de locatie ligt.

Om de afweging te kunnen maken in een concreet geval is het nodig dat een gemeente beleid uitwerkt waarin een ontwikkelingsrichting voor de verschillende typen gebied is opgenomen. Dat voorkomt ad hoc Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 14

besluitvorming en biedt duidelijkheid naar zowel initiatiefnemers als omwonenden. Voor zover zo'n ontwikkelingsrichting al niet is opgenomen in bestaande plannen of daaruit afgeleid kan worden, kan zo'n ontwikkelingsrichting redelijk snel en eenvoudig samen met betrokkenen gemaakt worden. Het gaat om een globale denkrichting welke functies passen in de te onderscheiden gebieden met een globale bepaling van een omvang. Vervolgens biedt dit houvast bij de ontwikkeling van concrete initiatieven en kan dit als basis dienen voor de toepassing van het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijking van het omgevingsplan of een wijziging daarvan. Onderhavige ontwikkeling past binnen de ontwikkelrichting voor dit gebied; de locatie is gelegen in het buitengebied in de zone ‘landelijk gebied’. De Structuurvisie Veghel 2030 is op 19 december 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. De belangrijkste aanleiding voor het opstellen van de structuurvisie is de wijziging van de Wet ruimtelijke ordening in 2008. De structuurvisie is een instrument dat door het gemeentebestuur wordt gehanteerd om veranderingen in de juiste richting te sturen. De visie dient als beoordelingskader voor wensen en ontwikkelingen die spelen in de gemeente Veghel (nu onderdeel van gemeente Meierijstad) op het gebied van wonen, werken, landbouw, recreëren, welzijn en natuur.

De projectlocatie is gelegen in de zone ‘agrarisch kerngebied’. Landbouw en veeteelt zijn hier de leidende functies. Het inpassen van andere functies is mogelijk, mits deze niet beperkend zijn voor de landbouw. De toetsing van mogelijke beperkende factoren zijn uiteengezet in hoofdstuk 5. Artikel 5.43 - Aardkundige waarden In artikel 5.43 zijn regels opgenomen voor ontwikkelingen in een aardkundig waardevol gebied. In het bestemmingsplan worden regels opgenomen gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig Waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant. De regels dienen ter bescherming van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Volgens de omgevingsverordening loopt ter hoogte van het projectgebied het Peelrandbreukstelsel als aardkundig waardevol gebied. In het omgevingsplan is het projectgebied niet specifiek aangeduid als aardkundig waardevol gebied. Onderhavige ontwikkeling heeft geen onevenredige nadelige invloed op de aardkundig en geomorfologisch waardevolle Peelrandbreuk. Het gaat om de herbestemming van een locatie. Bewerking van de bodem beperkt zich tot het slopen van gebouwen en deels verwijderen van verharding. Artikel 5.77 Wonen In artikel 5.77 zijn regels ten aanzien van wonen in landelijk gebied opgenomen.

Uitgangspunt is dat in beginsel geen woningen mogen worden toegevoegd in landelijk gebied. Hierop geldt een aantal uitzonderingen. Een omgevingsplan kan voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en dat overtollige bebouwing wordt gesloopt. De bedrijfswoning wordt in de beoogde situatie in gebruik genomen als burgerwoning en overtollige bebouwing wordt gesloopt. Conclusie De ontwikkeling voldoet aan de regels van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 15

4.3

Beleid waterschap

4.3.1

Waterbeleid

Beleid waterschap Aa en Maas Het Waterbeheerplan 2022-2027 In het waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: • Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. • Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). • Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • Schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • De waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • De kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • De betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen Waterschapsverordening waterschap Aa en Maas 2024 Voor waterhuishoudkundige ingrepen binnen de projectlocatie is de Waterschapsverordening waterschap Aa en Maas 2024 van toepassing. De verordening bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de verordening is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap.

Hydrologische uitgangspunten bij de regels van de Waterschapsverordening voor het afvoeren van hemelwater Voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt worden de hydrologische uitgangspunten gehanteerd. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 16

nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2, toename van een verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2. Plannen met een verhardingstoename tot 500 m2 zijn onder de nieuwe keur vrijgesteld van compensatie. Voor plannen met een verhardingstoename tussen 500 m2 en 10.000 m2 hanteert het waterschap een algemene (reken) regel (benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (m2) * gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)). De gevoeligheidsfactor houdt de nominale waarde in die de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie van de locatie uitdrukt. De waarde 0,06 is de waterschijf van 60 mm die overeenkomt met de vastgestelde bovengrens voor de compensatiecapaciteit van 600 m3/ha. Legger De verordening verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Uitgangspunten weging van het waterbelang Het waterschap toetst op acht onderwerpen, de ‘uitgangspunten watertoets’, om te beoordelen of in het plan voldoende rekening is gehouden met de waterbelangen.: 1. Voorkomen van vervuiling; 2. Wateroverlastvrij bestemmen; 3. Hydrologisch neutraal ontwikkelen; 4. Vuil water en hemelwater scheiden; 5. Hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer; 6. Waterschapbelangen; 7. Meervoudig ruimtegebruik; 8. Water als kans. 4.3.2

Gemeentelijk beleid

De gemeente Meierijstad heeft de volgende visie met betrekking tot de waterhuishouding beschreven in het Programma Water en Riolering Meierijstad (2022 - 2026): De ambitie van de gemeente voor de watertaken en klimaatadaptatie is in samenhang met de omgevingsvisie aangeduid. Onder de Omgevingswet laat dit zich vertalen in een veilige (water als ruimtelijke opgave) en gezonde (inzameling en transport door riolering) leefomgeving. De uitdagingen die op de maatschappij afkomen zijn groot en vragen om een andere aanpak. Innovaties moeten de gemeente helpen de uitdagingen de baas te blijven. Zij doen dit door invulling te geven aan het volgende: • Invulling geven aan samenwerking, door op het gebied van water en riolering actief deel te nemen in diverse samenwerkingsverbanden zowel bestuurlijk als ambtelijk • Invulling geven aan de gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater • invulling geven aan klimaatadaptatie Omgang met hemelwater bij nieuwbouw Vanwege de impact op stedelijk gebied hanteert de gemeente bij iedere (vervangende) nieuwbouw een waterbergingsnorm van 60 mm voor elke m² aan te leggen verhard oppervlak (ofwel 60 liter waterberging per m² verhard oppervlak). Verhard oppervlak dat voorheen aanwezig was wordt niet in mindering gebracht op deze waterbergingsnorm.

Voor alle uitbreidingslocaties geldt dat de waterberging binnen het plan moet worden gerealiseerd. Dit wordt afgedwongen met voorwaardelijke gebruiksregels in het bestemmingsplan.

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 17

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Structuurvisie Veghel 2030

Op 19 december 2013 heeft de gemeenteraad van de toenmalige gemeente Veghel de Structuurvisie Veghel 2030 vastgesteld. In deze structuurvisie zijn de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn op hoofdlijnen beschreven. De structuurvisie omvat het gehele grondgebied van de voormalige gemeente Veghel en heeft betrekking op de periode tot 2030. In deze structuurvisie is veel aandacht voor het versterken van de dorpse woonkwaliteiten in de zeven kernen binnen de gemeente en het op peil houden van de bijbehorende voorzieningen. Binnen de structuurvisie is het projectgebied gelegen binnen het te ontwikkelen agrarisch kerngebied (zie volgende figuur). Landbouw en veeteelt zijn hier de leidende functies. Het inpassen van andere functies is mogelijk, mits deze niet beperkend zijn voor de landbouw. De ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de structuurvisie.

Projectlocatie

Figuur 9: Uitsnede kaart ‘Structuurvisie Veghel 2030’ Visiekaart 2030

4.4.2

Visie gemeente Meierijstad ‘Kansen voor Kwaliteit’

De gemeentelijke visie ‘Kansen voor kwaliteit’ is een afwegingskader voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarisch) bebouwing. Het afwegingskader voor vrijkomende (agrarische) bebouwing ‘Kansen voor Kwaliteit’ tracht hier in te voorzien. Het doel van dit rapport is om te komen tot een afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing, waarbij de (directe) omgeving leidend is, een verbetering van de kwaliteit vereist is en de direct omwonenden en andere belanghebbenden worden betrokken. De functie wonen valt onder de gebiedspassende functies. Gebiedspassende functies zijn functies die op zich horen op een bedrijventerrein of binnen de bebouwde kom, maar die ruimtelijk verantwoord passen of in te passen zijn in (delen van) het buitengebied. Gebiedspassende functies worden niet uitgesloten, maar er wordt wel kritischer getoetst op kwaliteit. Het toevoegen van een nieuwe woonfunctie in het buitengebied vormt vaak een belangrijke economische component van een nieuwe ontwikkeling. Dit kan zijn de splitsing van een cultuurhistorisch waardevol pand of het toevoegen van een zogenaamde Ruimte-voor-Ruimte woning. Voor het buitengebied wordt een beperkt aantal woningen gereserveerd. Er wordt, zo veel als mogelijk, gestuurd op andere oplossingen dan woningbouw.

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 18

Onderhavige ontwikkeling ziet niet op een toevoeging van een nieuwe wooneenheid in het buitengebied, maar van een wijziging van een agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning. Deze wijziging belemmert de omliggende functies niet. Derhalve past binnen de visie van de gemeente.

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 19

5. Omgevingsaspecten 5.1

Het beschermen van de gezondheid en milieu

Het aspect gezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van plannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid. Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst. 5.1.1

Veehouderijen

Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 - die bedoeld is bij de nieuwvestiging of verandering van veehouderijen - biedt een stappenplan dat ook deels geschikt is voor de beoordeling van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van veehouderijen. Endotoxinen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het projectgebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. De afstand tussen de woning aan de Boerdonksedijk 36 en de varkenshouderij aan Boerdonksedijk 30 dient minimaal 119 meter te bedragen. De afstand tot de pluimveehouderij aan Boerdonksedijk 21 dient minimaal 219 meter te bedragen. Dit wordt gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van deze veehouderij. De werkelijke afstand bedraagt voor de Boerdonksedijk 30 140 m en voor de Boerdonksedijk 21 117 m. Het betreft echter een bestaande woning. Tevens stopt de agrarische bedrijfsvoering in de beoogde situatie waardoor de endotoxine concentraties in de projectlocatie zullen verlagen.

Geitenhouderijen Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid. Binnen een afstand van 2,0 kilometer zijn geen geitenhouderijen gelegen. Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan heeft plaatsgevonden. Voor onderhavig planvoornemen hoeft het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 niet te worden doorlopen. Met het planvoornemen wordt namelijk geen (nieuw) gevoelig object gerealiseerd. Tevens wijzigt er door het planvoornemen niets aan de gevoeligheid van de bestaande woning. 5.1.2

Hoogspanningslijnen

Op een afstand van circa 2,6 kilometer van de projectlocatie ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen de projectlocatie en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering. Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 20

5.1.3

Spuitzones gewasbescherming

Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabijgelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt in de omgevingsplan praktijk een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin wordt als zodanig aangemerkt. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woningen. De 50 meter afstand is echter een indicatieve en willekeurige afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Drift in bijvoorbeeld de fruitteelt is door de aard van de bespuiting, met name op- en zijwaarts gericht spuiten en spuitfrequentie intensiever dan bijv. bespuitingen in de lage bomenteelt of aardappelteelt.

Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht. Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering. De richtafstand van 50 meter is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen zoals aardappelen worden neerwaarts bespoten, wat de drift (voor zover deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van het projectlocatie komen geen boomgaarden voor. Bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet een driftreducerende spuittechniek worden toegepast. Ook is een maximale windsnelheid (5 meter/seconde) opgenomen waarbij nog gespoten mag worden. De bedrijfswoning met tuin is in de bestaande situatie al een gevoelig object. Er komt in de beoogde situatie geen nieuw gevoelig object bij. Gezien het voorgaande kan daarom redelijkerwijs worden gesteld dat binnen de projectlocatie geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat zullen ontstaan.

5.2

Geluid door activiteiten

In de fysieke leefomgeving zijn veel activiteiten gerelateerd aan geluid. Ze veroorzaken geluidhinder of worden eraan blootgesteld. Daarom zijn er regels opgesteld om geluid te beheersen. Deze regels hebben betrekking op geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, evenals op de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties. 5.2.1

Geluid door (spoor) wegen en industrieterreinen

Het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen en de impact ervan op omliggende geluidgevoelige functies wordt gereguleerd door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit besluit bevat instructieregels om het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen te beheersen (artikel 3.18, lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond (GPP) als omgevingswaarde en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Bij nieuwe ontwikkelingen binnen het geluidaandachtsgebied van wegen, spoorwegen en industrieterreinen is het belangrijk om het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen te beoordelen (conform artikel 3.20 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Hierbij wordt getoetst aan de waarden die zijn vastgesteld in het besluit.

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 21

Tabel 1: waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving: Geluidbronsoorten Standaardwaarde in Lden (dB)

Rijks- en provinciale wegen Gemeente- en Waterschapswegen Gemeente- en Waterschapswegen in uitleggebieden voor stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en wijk-/buurtontsluitingswegen Hoofd- en lokale spoorwegen industrieterreinen

Grenswaarde in Lden (dB)

50 53

Nieuwe geluidgevoelige gebouwen 60 70

Aanleg of aanpassing bron 65 70

53

58

58

55 50 40 Lnight

65 55 45 Lnight

70 60

50

night

Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. De Boerdonksedijk betreft een 60 km/uur-weg. De projectlocatie is gelegen aan een doorgaande weg in het buitengebied van Boerdonk. De woning is in de bestaande situatie reeds een geluidgevoelig object, de situering van de woning blijft ongewijzigd. Binnen de woning worden geluidwerende maatregelen getroffen om de geluidbelasting binnen de woning te verlagen. 5.2.2

Industrielawaai

Om een evenwichtige toewijzing van functies aan locaties te bereiken, moet naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen ook het geluid van andere activiteiten in de fysieke leefomgeving worden beoordeeld. Bij het aanpassen van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met geluid door activiteiten met gebruiksruimte in geluidgevoelige gebouwen. Dit omvat het geluid van alle milieubelastende activiteiten met een functionele binding. Bij de afweging betrekt de gemeente de specifieke lokale situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Het rekening houden met geluid werkt twee kanten op; het gaat om het toestaan van: • Activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; • Geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Getoetst wordt aan de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65). Dit plan maakt geluidgevoelige gebouwen mogelijk nabij activiteiten met een geluidruimte. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het Omgevingsplan of indien dat nog niet aanwezig is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66).

Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: • Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder); • Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie.

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 22

In de beoogde situatie komt geen geluidgevoelig object bij. Er ontstaan dan ook geen extra beperkingen voor omliggende bedrijven. Ook stopt de agrarische bedrijfsvoering waarmee de geluidshinder voor de woning en omliggende woningen zullen verminderen.

5.3

Kwaliteit van de buitenlucht

Het gebruik van de fysieke leefomgeving heeft soms ongewenste bijwerkingen. Een voorbeeld hiervan is luchtverontreiniging. Luchtverontreiniging kan effect hebben op de gezondheid van mensen en de natuur. De Omgevingswet bevat instrumenten en regels die de kwaliteit van de binnen- en buitenlucht bewaken en beschermen. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid gelden voor het aspect luchtkwaliteit zogeheten omgevingswaarden voor onder ander de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) (artikel 2.4 en 2.5 Bkl). Voor NO2 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: 200 μg/m3 uurgemiddelde, dat ten hoogste achttienmaal per kalenderjaar wordt overschreden en 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. In artikel 2.5 worden de omgevingswaarden voor fijnstof (PM10) weergegeven. Voor PM10 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde en 50 μg/m3 als 24uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing initiatief Woon- en leefklimaat De huidige (meting: 2022) achtergrondconcentraties van deze stoffen ter plaatse van de locatie bedragen: • Fijn stof (PM10): 18,68 µg/m³ (wettelijke norm: 40 µg/m³); • Zeer fijn stof (PM2,5): 9,94 µg/m³ (wettelijke norm: 25 µg/m³); • Stikstofdioxiden (NO2): 14,29 µg/m³ (wettelijke norm: 40 µg/m³). Deze waarden voldoen aan de wettelijke normen. Er is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de huidige situatie. Niet in betekenende mate bijdragen Om te beoordelen of het beoogde initiatief NIBM bijdraagt, is het in de eerste plaats van belang om te weten of er in de beoogde situatie verandering plaatsvindt (in bijvoorbeeld uitstoot) ten opzichte van de huidige situatie. Om te beoordelen of het beoogde initiatief NIBM bijdraagt, is de NIBM-tool (versie 2023) ingevuld. Hierin is de bijdrage berekend bij een maximaal aantal dagelijkse voertuigbewegingen van 9. De volgende figuur toont het resultaat.

Onderbouwing fysieke leefomgeving Boerdonksedijk 36 Boerdonk pag. 23

Figuur 10: NIBM-tool

De ontwikkeling heeft geen significante invloed op de luchtkwaliteit; het plan is te kleinschalig om in betekenende mate bij te dragen aan een verandering/verslechtering van de luchtkwaliteit. Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geconcludeerd kan worden dat er wordt voldaan aan het aspect ‘kwaliteit van de buitenlucht’. Het aspect kwaliteit van de buitenlucht vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Vanuit het aspect luchtkwaliteit is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.4

Geur

Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden. Maar ook geurveroorzakende activiteiten hebben een plek in de leefomgeving nodig. Een van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving. De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (Bkl, artikel 5.92). Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: • Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; • Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geur veroorzakende bedrijven. De gemeente moet dus overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. Voor geurhinder betekent dit dat de volgende aspecten nader onderzocht moeten worden: • Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belang veehouderij) (voorgrondbelasting); • Is er ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object) (achtergrondbelasting). Onder voorgrondbelasting wordt verstaan de individuele geurbelasting op het projectgebied van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het projectgebied (belang veehouderij).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=301149b3-48f0-469e-a915-2aad6fa31f43